01. Toelichting, Regels, bijlagen regels BP Waardhuizenstraat 3 Beuningen.pdf
Tekst van het document
buro WAAL BRUG
Bestemmingsplan Waardhuizenstraat 3 Beuningen Gemeente Beuningen
ŴwJrä íí 'sS^vjí
■IÇRV 1
'Va
"•ĪC' -
NL.IMRO.0209.BPWrdhuiznstrt3BEU-vadf | Vastgesteld Projectnr. W-17101 | 28 april 2021
Gemeente Beuningen Bestemmingsplan Waardhuizenstraat 3 Beuningen
Inhoud: Toelichting Regels Verbeelding Bijlagen
buro WAAL BRUG ADVISEURS VOOR DE LEEFOMGEVING
Vestigingsadres: Schoenaker 10, 6641 SZ Beuningen Telefoonnummer 024 - 675 23 56 Emailadres info@burowaalbrug.nl Website www.burowaalbrug.nl Rekeningnr. IBAN NL98 RABO 0302 2351 59 KvK Nummer 58365524 BTW Nummer NL8530.06.453.B01
Waardhuizenstraat 3 Beuningen
bestemmingsplan Waardhuizenstraat 3 Beuningen
Inhoudsopgave
Toelichting
5
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging plangebied 1.3 Geldende plannen 1.4 Leeswijzer
6 6 6 8 9
Hoofdstuk 2 Gebiedsvisie 2.1 Bestaande situatie 2.2 Toekomstige situatie
10 10 11
Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Nationaal beleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid 3.4 Conclusie
14 14 15 16 18
Hoofdstuk 4 Milieu- & omgevingsaspecten 4.1 Verkeer & parkeren 4.2 Bodem 4.3 Geluid 4.4 Milieuzonering 4.5 Luchtkwaliteit 4.6 Geur 4.7 Externe veiligheid 4.8 Waterhuishouding 4.9 Ecologie 4.10 Archeologie & cultuurhistorie 4.11 Leidingen 4.12 Vormvrije MER-beoordeling
19 19 19 20 21 22 23 24 26 29 31 33 34
Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen 5.2 Bestemmingen
35 35 36
Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Overleg 6.3 Maatschappelijke haalbaarheid
38 38 38 38
Bijlagen toelichting
40
Bijlage 1
Stikstofonderzoek
41
Bijlage 2
Archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek
42
(vastgesteld)
bestemmingsplan Waardhuizenstraat 3 Beuningen
Regels
44
Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2
Inleidende regels Begrippen Wijze van meten
45 45 48
Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5
Bestemmingsregels Bedrijf Waarde - Archeologie 2 Waarde - Archeologie 3
49 49 53 55
Hoofdstuk 3 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9
Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene wijzigingsregels
57 57 57 58 59
Hoofdstuk 4 Artikel 10 Artikel 11
Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel
60 60 60
Bijlagen regels
61
Bijlage 1
Bedrijventabel buitenopslag
62
Bijlage 2
Staat van Bedrijfsactiviteiten
63
Bijlage 3
Landschappelijke inpassing
64
bestemmingsplan "Waardhuizenstraat 3 Beuningen" (vastgesteld) 3
bestemmingsplan Waardhuizenstraat 3 Beuningen
4 (vastgesteld)
bestemmingsplan "Waardhuizenstraat 3 Beuningen"
bestemmingsplan Waardhuizenstraat 3 Beuningen
Toelichting
bestemmingsplan "Waardhuizenstraat 3 Beuningen" (vastgesteld) 5
bestemmingsplan Waardhuizenstraat 3 Beuningen
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Aan de Waardhuizenstraat 3 te Beuningen is een loonwerk- en grondverzetbedrijf met agrarische nevenactiviteiten in de vorm van akkerbouw en fruitteelt gevestigd onder de naam Van Kempen loonwerk & grondverzet bv. De bedrijfsbebouwing met bijbehorende bedrijfswoning is gelegen op een huiskavel van circa 1,0 ha. De akkerbouw en fruitteelt vindt plaats op circa 19 ha direct rondom het perceel aan de Waardhuizenstraat. De eigenaren van dit bedrijf willen graag een nieuwe loods bouwen op hun bedrijfsperceel. De reden hiervoor is gelegen in het feit dat vanwege ruimtegebrek in de bestaande bedrijfsloodsen een deel van het machinepark en de bedrijfsopslag nu noodgedwongen in de buitenlucht gestald moet worden. Dit is een ongewenste situatie in verband met de extra slijtage die zo aan het machinepark optreedt. Bovendien is buitenopslag sowieso minder gewenst en fraai in het buitengebied. Mede door de nieuwe loods zou het huidige gezonde bedrijf een nog beter toekomstperspectief hebben op de huidige locatie. Op 16 april 2018 heeft de gemeente een principeverzoek ontvangen voor de bouw van een nieuwe loods van maximaal 500 m2 op het perceel aan de Waardhuizenstraat 3 in Beuningen. De nieuwe bedrijfsloods is voorzien binnen het bestaande bestemmingsvlak 'Bedrijf uit het geldende bestemmingsplan.
De loods is echter groter dan de maximaal toegestane hoeveelheid extra bebouwing, die op basis van het geldende bestemmingsplan mag worden gerealiseerd. Op 9 oktober heeft het college besloten om onder enkele nadere voorwaarden in principe medewerking te verlenen. Om de beoogde uitbreiding mogelijk te maken, zal het geldende bestemmingsplan voor de gronden in het plangebied moeten worden herzien.
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied is gelegen op de noordelijke oeverwal van de rivier De Waal en maakt onderdeel uit van een bebouwingsconcentratie aan de Waardhuizenstraat die als noordelijke uitloper van de kern Beuningen tussen de Van Heemstraweg en de Waalbandijk is gelegen. Oeverwallen zijn de hoger gelegen zandige afzettingen van de rivier en zij vormen van oudsher hierdoor een ideale vestigingsplaats. Het landschap kenmerkt zich hier door kleinschaligheid vanwege de aanwezigheid van singels en boomgaarden en variatie in bebouwing. Navolgende afbeeldingen tonen globaal de ligging en begrenzing van het plangebied in de omgeving. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding.
6
(vastgesteld)
bestemmingsplan "Waardhuizenstraat 3 Beuningen'
bestemmingsplan Waardhuizenstraat 3 Beuningen
Globale ligging plangebied (rode druppel, Bron: maps.google.nl)
bestemmingsplan "Waardhuizenstraat 3 Beuningen" (vastgesteld) 7
bestemmingsplan Waardhuizenstraat 3 Beuningen
«t fj
iDwars Homm'èlśtraall
"ars Hōñïméiŝuaa’1
’****n, VÿJļÿoiíS
VV.TA IHöstl
Jt
Van Kempen I oonvjeĵįg m en Grond 'erzet BV
Globale begrenzing plangebied (rode omkadering)
1.3
Geldende plannen
Voor de gronden in het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied', zoals de gemeenteraad dat heeft vastgesteld op 14 juni 2011. Ter plaatse van het plangebied gelden de bestemmingen 'Bedrijf en de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde - Archeologie 3'. Het plangebied is tevens voorzien van de nadere functieaanduiding 'bedrijf van categorie 3.2. Indien het bestaande bedrijf ter plaatse van de aanduiding "bedrijf van categorie 3.2" zijn bedrijfsactiviteiten staakt, is ter plaatse van deze aanduiding alleen nog een bedrijf uit maximaal milieucategorie 3.1 mogelijk. Er is geen bouwvlak aanwezig, wat betekent dat binnen het hele bestemmingsvlak bebouwing mag worden opgericht. Volgens 'Bijlage 1 Bedrijventabel met buitenopslag' is op het hele bedrijfsperceel buitenopslag toegestaan.
8
(vastgesteld)
bestemmingsplan "Waardhuizenstraat 3 Beuningen"
bestemmingsplan Waardhuizenstraat 3 Beuningen
4 4 4
4 4—4'4 4 4 4 4*
4 4 4 4 4 4 4
♦'444
f4 4 4 4
4 1 4 44
"î*
4444444444444 4 + 4
' -4
44444444
—rrrTTT
4
4 4 4 4 4 4
4 4 4 4 4 4 4 4
4 4
4 4 4 4
4 4 4 4' 4444444444*
|4 44444444 4 4 4,4 4 4 4 4
İ4 4 4 4 4 4
4 4 4 4 4
444 ?~4 4
4 4 4 4 4
4 4 4
4 4 4 4 i
ŗf 4 4
4 fit 4 + 44444444
4 4 4 4 4 4 4 4 4 4
44444444
4 4 4 4 4/4 4
I:;!
4 4 4 4
4 4
4 4 4/4 4
f444
* r * 4 4 f4 4 4 \ŕ 4
4
-4 -4İ-4. 4 4 4 4
4 4 4 4 4
4 4 4 4 4.
4 4*
t| 4 4
4 4 4 4 4 4
*
4 4 4
4 4 4 4
4 4 4
4
-f * 4 4 4
4 4/4
4 4 4 4
4 4
4 4 4 4 4 4 4 4
4 4 4
4 4 4 4 4
4 4 4 4 4 4 4
4 -t*
4 4 4
4 4 4
44444444 r4 4 4
4 4
4444444444444
4
4 4 4
4 4 4 4
4 4 4 4
4 4
4 4 4 4
4 4 4/4
4 4 4 4
4 4 f 4 4 4 4 4 4 4 4 4
*,
4 4 4
4 4 4 4 4 4 4/4 44 4 4 4
4 4 4 4 4
4 4 4 4 4 4 4 44444444444 4 4 4 4 4 4 4
4 4 4
4 4 4 4 4 4 4 444444444444
4 4 4 4 4
444444444444444
4 4 4 4 4
,4 4444444444444444
4 4 4 + 4 4 4
4 4 4 4 4
4 4 4
4 4 4
4 4 4
4
*
4 4\4 4 4 4 4 V
K
4 4 4 4 4 4
444444444 4 4, 4 4 4 4
4 À
4 4
4444444444444444444
4 4 4
♦ ♦
4 4 4 4 4
4 4 4 4 4 4 4
4444444444444 ‘4 444444444444444
4 4 4 \4
4444444444444444444444
♦444444444444444444444444
♦ 444444444444444444444444444
±44 4 ^ Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan met ligging plangebied (rode aanduiding)
444444444444444444444 *4-4*
De bebouwde oppervlakte mag niet meer bedragen dan de bestaande bebouwde oppervlakte inclusief een eenmalige vergroting van maximaal 20 /o met dien verstande dat de vergroting nooit meer mag bedragen dan 100 m2. Gezien de oppervlakte van de bestaande bebouwing (circa 2.475 m2) in het plangebied, bedraagt de maximale vergroting volgens het geldende bestemmingsplan 100 m2. De beoogde nieuwe loods heeft echter een maximum oppervlakte van 500 m2. Om dit nieuwe bedrijfsgebouw toch mogelijk te maken zal het bestemmingsplan voor de gronden in het plangebied moeten worden herzien.
1.4
Leeswijzer
Het bestemmingsplan bestaat uit meerdere onderdelen: een verbeelding waarop de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven en regels waarin de bepalingen voor de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen. Het bestemmingsplan gaat vergezeld van een toelichting waarin de achtergronden van het bestemmingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de regels het juridische bindende deel van het bestemmingsplan. In de toelichting worden de keuzes die in het bestemmingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord. De toelichting kan globaal opgedeeld worden in vier delen. Inleiding en gebiedsvisie In hoofdstuk 1 zijn de aanleidingen en het kader voor de planherziening beschreven. Hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van de huidige en toekomstige situatie van het plangebied. Verantwoording Hoofdstukken 3 en 4 geven de achtergronden, toelichting en motivatie op de gemaakte keuzen weer die uiteindelijk hebben geleid tot de uitgewerkte planopzet. In dit planonderdeel worden onder meer het (beleids)kader en de milieuaspecten uiteengezet. Juridische planbeschrijving In hoofdstuk 5 wordt de juridische planopzet beschreven. Doel is een nadere onderbouwing te geven wat met het plan wordt beoogd en hoe de instrumenten regels en verbeelding hierbij worden gehanteerd.
Uitvoerbaarheid Het laatste deel (hoofdstuk 6) gaat in op de financieel-economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan. bestemmingsplan "Waardhuizenstraat 3 Beuningen" (vastgesteld) 9
bestemmingsplan Waardhuizenstraat 3 Beuningen
Hoofdstuk 2 2.1
Gebiedsvisie
Bestaande situatie
Op navolgende luchtfoto is de bestaande situatie in het plangebied weergegeven. Achter de bedrijfswoning aan de zuidzijde van het perceel staan drie bedrijfsloodsen. Aan de noordzijde van het perceel vindt op dit moment buitenopslag plaats. De buitenopslag wordt grotendeels aan het zicht onttrokken aan de noordzijde door een coniferenhaag.
»n l
Op navolgende afbeelding is de bestaande vloeistofdichte vloer met put ten behoeve van een gecombineerde was- en tankplaats in zuidelijke richting te zien (met direct daarnaast de noordelijke loods), en op de achtergrond de zuidwestelijke loods:
10 (vastgesteld)
bestemmingsplan "Waardhuizenstraat 3 Beuningen"
bestemmingsplan Waardhuizenstraat 3 Beuningen
|l|fl
!! ľl ľ
ņstçŗi
2.2
Toekomstige situatie
Terreininrichting Het plan betreft de realisatie van een nieuwe bedrijfsloods van circa 500 m2 ten noorden van de zuidwestelijke loods. De extra planologische vergroting van de bebouwing ten opzichte van het geldende bestemmingsplan bedraagt daarmee 400 m2. Qua maximum goot- en bouwhoogte wordt aangesloten bij de maatvoering uit het geldende bestemmingsplan: 6,0 m respectievelijk 10,0 m. Het is niet mogelijk de nieuwe loods in de lijn te leggen met de zuidwestelijke loods. Centraal op het erf ligt namelijk een vloeistofdichte vloer met put ten behoeve van een gecombineerde was- en tankplaats met olie- en vetafscheider, inclusief bijbehorend leidingwerk. De kosten om deze voorziening te verplaatsen zijn erg hoog. Daarnaast heeft de initiatiefnemer voldoende ruimte (circa 15 m) nodig tussen de oostzijde van de nieuwe loods (open kapschuur) en de vloeistofdichte vloer met put ten behoeve van een gecombineerde was- en tankplaats om zijn werktuigen zodanig te manoeuvreren dat ze de loods in kunnen rijden. Wel komt de nieuwe loods aan de zuidzijde in lijn te liggen met de zuidzijde van de bestaande noordelijke loods.
bestemmingsplan "Waardhuizenstraat 3 Beuningen" (vastgesteld) 11
bestemmingsplan Waardhuizenstraat 3 Beuningen
Waardhuizenstraat 3 Gemeente Beuningen
Beoogde locatie zaksloot. ca 73 m2 (2 m breed] Bestaande haag aanvullen en,deels vervangen met knip- en scheerhaag, bestaande uit beukhaag (Fagus sylvatica), ca. 1O0 cm breed en ca. 180 cm boog Nieuw te realiseren bossch age hakhout beslaande uit els (Alnusl, wilg (Salix) en hazelaar (Coryfus), ca 8 m breed Nieuw te realiseren schuur (ca. SOOm1) Vloeistofdichte vloer met put t.b.v. gecombineerde was- en tankplaats en olie- en vetafscheider Tank Enkele solitaire bomen, bijv. walnoot [Juglans rcgla) en gewone es (Fraxìnus excelsior!
Nieuw te realiseren struweelhaag bestaande uit veldesdoorn (Acer campestre) Gelderse roos (Viburnum opulus), hazelaar (Coryius avellana) en/of sleedoorn (Prunus spinosal, ca. 3 m breed
Bloemrijk grasland
2
[|ļi|[ļ| Schaal; 1:1000 (A3 formaat) Datum; 28-01-2020
12 (vastgesteld)
bestemmingsplan "Waardhuizenstraat 3 Beuningen'
bestemmingsplan Waardhuizenstraat 3 Beuningen
Landschappelijke inpassing Zoals te zien op voorgaande afbeelding wordt de bestaande coniferenhaag aan de noordzijde vrijwel helemaal verwijderd en vervangen door en aangevuld met een nieuwe beuken haag. Ter hoogte van de nieuwe loods aan komt aan de westzijde een bosschage van hakhout bestaande uit els, wilg en hazelaar. Dit bosschage is deels ter vervanging van de bestaande kleinere bomen die direct ten westen van de wasplaats staan (zie foto in paragraaf 2.1). Direct ten zuiden van de nieuwe loods wordt de haag doorgetrokken in zuidelijke richting in de vorm van een struweelhaag tot aan de bestaande zuidwestelijke loods. Alle nieuwe beplanting bestaat uit streekeigen, inheemse soorten. De benodigde waterberging wordt aan de westzijde van het plangebied gerealiseerd, zowel ten noorden als ten zuiden van het bosschage van hakhout, in de vorm van een zaksloot. De bestaande weelderige bomen en beplanting aan de zuidzijde van het plangebied, direct ten zuiden van de bedrijfswoning, blijven gehandhaafd.
bestemmingsplan "Waardhuizenstraat 3 Beuningen" (vastgesteld) 13
bestemmingsplan Waardhuizenstraat 3 Beuningen
Hoofdstuk 3
Beleidskader
3.1
Nationaal beleid
3.1.1
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
De kaders van het rijksbeleid zijn opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). In de SVIR schetst het Rijk de ambities tot 2040 en de doelen, belangen en opgaven tot 2028. Daarmee moet Nederland concurrerend, bereikbaar en veilig worden. De structuurvisie gaat uit van het adagium 'decentraal, tenzij'. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Dit betekent dat de verantwoordelijkheid voor het ruimtelijk beleid meer bij provincies en gemeenten komen te liggen. Het Rijk zal zich alleen bezig houden met de zaken die prioriteit hebben. Afspraken over verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk over aan de provincies en gemeenten. Bij het beheren en ontwikkelen van natuur krijgen boeren en particulieren in het landelijk gebied een grotere rol. De structuurvisie is juridisch vertaald in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), zie 3.1.2. Planspecifiek Voor onderhavig plangebied zijn geen specifieke doelstellingen geformuleerd. De SVIR is verder niet specifiek van toepassing op het plangebied.
3.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) borgt een aantal van de nationale ruimtelijke belangen die deel uitmaken van het geldende nationale ruimtelijke beleid, zoals beschreven in de SVIR. In het Barro, ook wel bekend als de AMvB Ruimte, zijn 14 nationale belangen opgenomen die juridische borging vereisen. Het besluit is gericht op doorwerking van de nationale belangen in provinciaal beleid en gemeentelijke bestemmingsplannen. Dat betekent dat het Barro voor de opgenomen onderwerpen regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden. Daarnaast kan zij aan de gemeente opdragen in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren. Planspecifiek Voor onderhavig plangebied zijn geen specifieke doelstellingen geformuleerd. Het Barro is verder niet specifiek van toepassing op het plangebied.
3.1.3
Ladder voor duurzame verstedelijking
De in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geïntroduceerde 'ladder voor duurzame verstedelijking' is als procesvereiste vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet in de toelichting een onderbouwing opgenomen worden van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De ladder worden in artikel 3.1.6, lid 2 Bro als volgt omschreven: 'De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.'
14 (vastgesteld)
bestemmingsplan "Waardhuizenstraat 3 Beuningen"
bestemmingsplan Waardhuizenstraat 3 Beuningen
In het kader van de duurzame ladder wordt ten aanzien van de definitie van bestaand stedelijk gebied de definitie uit de Bro gehanteerd: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.' Volgens de nota van toelichting bij het Bro moet worden bekeken of door het benutten van leegstaande verstedelijkingsruimte in bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien in de behoefte. Zoals ook volgt uit onder andere de uitspraak met het nummer 201303578/1/R4 kunnen, naar het oordeel van de Raad van State, planologische mogelijkheden waarvan nog geen gebruik is gemaakt, als leegstaande verstedelijkingsruimte worden aangemerkt. Een dergelijke locatie wordt gezien als onderdeel van het bestaand stedelijk gebied. Planspecifiek Conform actuele jurisprudentie (zie de overzichtsuitspraak van de ABRvS 28 juni 2017; ECLI:NL:RVS:2017:1724) wordt het toevoegen van maximaal 400 m2 aan bedrijfsgebouwen (100 m2 mocht bij recht al toegevoegd worden op basis van het geldende bestemmingsplan) niet gezien als stedelijke ontwikkeling zoals dit in het Bro wordt gedefinieerd. Het doorlopen van de ladder is daarmee niet noodzakelijk.
Bovendien wordt de nieuwe loods gerealiseerd binnen het bestaande bestemmingsvlak van de bestemming 'Bedrijf uit het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied'.
3.1.4
Conclusie
In het plangebied zijn geen nationale belangen in het geding.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Algemeen
Op 14 januari 2014 heeft het college van Gedeputeerde Staten de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening vastgesteld. In de Omgevingsvisie staan de hoofdlijnen van het beleid en in de Omgevingsverordening de regels en afspraken om de opgaven uit de Omgevingsvisie te realiseren. Provinciale Staten hebben de Omgevingsvisie in hun vergadering van 9 juli 2014 vastgesteld. De Omgevingsverordening is op 24 september 2014 vastgesteld. De Omgevingsvisie en -verordening zijn allebei op 18 oktober 2014 in werking getreden. De Omgevingsvisie en -verordening zijn dynamische instrumenten. Doordat wetten veranderen of door de komst van nieuwe initiatieven, kijkt de provincie 2 keer per jaar of de plannen moeten worden aangepast. De laatste actualisatie betreft het actualisatieplan dat op 13 december 2017 is vastgesteld.
3.2.2
Omgevingsvisie
De provincie kiest er in deze Omgevingsvisie voor om vanuit twee hoofddoelen bij te dragen aan gemeenschappelijke maatschappelijke opgaven: 1. een duurzame economische structuur; 2. het borgen van de kwaliteit en veiligheid van onze leefomgeving. Ruimte in kleinere kernen en vrijgekomen bebouwing in het landelijk gebied kan worden benut voor wonen en nieuwe economische dragers en als versterking van de vitaliteit van het landelijk gebied. Bij de nadere invulling van de uitgangspunten wordt ruimte gelaten voor lokale of regionale initiatieven door gemeenten of regionale samenwerkingsverbanden. Bouwprogramma's voor nieuwe woningen zijn daarbij in regionaal verband afgestemd. Waar mogelijk kan lokaal maatwerk worden geleverd. De strategie van de provincie om de doelen van 'duurzame economische structuurversterking' en 'een gezonde en veilige leefomgeving' te bereiken wordt gevoed door het besef dat stad en land elkaar nodig hebben. De provincie gaat voor: » sterke steden, van belang voor toekomstige aantrekkingskracht, waar kennis zich samenbalt en waar veel jongeren naar toe trekken, waar ook nu al de meeste mensen wonen en werken; » een vitaal platteland, waar mensen inspelen op grote veranderingen, waar inwoners zich actief inzetten voor hun gezamenlijke toekomst, een platteland met een eigen economische kracht en bestemmingsplan "Waardhuizenstraat 3 Beuningen" (vastgesteld) 15
bestemmingsplan Waardhuizenstraat 3 Beuningen
een grote natuurlijke en landschappelijke waarde, waar kwaliteit en vitaliteit samen op gaan. Als leidend principe hanteert de provincie de Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik. Dit houdt in dat in bestemmingsplannen die voorzien in een stedelijke ontwikkeling moet worden aangegeven hoe met de ladder is omgegaan, zie ook sublid 3.1.3. De provincie hanteert voor de bepaling van bestaand stedelijk gebied de definitie uit het Bro. Planspecifiek Voor het onderhavige plangebied zijn geen specifieke doelstellingen geformuleerd. Daarmee is het plan passend binnen de omgevingsvisie.
3.2.3
Omgevingsverordening
De Omgevingsverordening vormt de juridische doorwerking in regels van het beleid uit de Omgevingsvisie. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en bodem. In het verstedelijkingsbeleid wordt de Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik toegepast. In lijn met de Omgevingsvisie is het zodoende mogelijk lokaal maatwerk te leveren.
Ten aanzien van 'Wonen' is in artikel 2.2.1.1 opgenomen dat in een bestemmingsplan nieuwe woonlocaties en de daar te bouwen woningen slechts worden toegestaan wanneer dit past in het geldende door Gedeputeerde Staten vastgestelde Kwalitatief Woonprogramma voor de betreffende regio successievelijk het door Gedeputeerde Staten vastgestelde Regionaal Programma Wonen. Planspecifiek Voor het onderhavige plangebied zijn geen andere specifieke doelstellingen geformuleerd in de verordening. Daarmee is het plan passend binnen de omgevingsverordening.
3.2.4
Conclusie
Het bestemmingsplan is daarmee tevens passend in de Omgevingsvisie en -verordening van de provincie.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Structuurvisie
De gemeentebrede Structuurvisie is op 8 mei 2012 vastgesteld. De structuurvisie is een ontwikkelingsvisie met een richtinggevend en programmatisch karakter. Het bevat integrale keuzen voor de hoofdlijnen van het gemeentelijk ruimtelijk beleid voor de komende jaren en wordt ingezet als onderdeel van een ruimtelijke onderbouwing voor bestemmingsplannen, omgevingsvergunningen en voorbereidingsbesluiten. Motto van de structuurvisie is dat de gemeente groen en dynamisch wil zijn. In essentie is het ruimtelijk beleid er op gericht om ruimte te geven aan dynamiek, waarbij de groene kwaliteiten van het gebied gerespecteerd en deze waar dat kan versterkt worden. Het motto wordt in de structuurvisie doorvertaald in enkele kernambities: I. Beuningen: groene flank van de stadsregio; II. Beuningen woongemeente: gedoseerde groei, oog voor kwaliteit; III. Versterken en verbinden van landschappen; IV. Ruimte voor water en recreatie; V. Toekomstgerichte basisvoorzieningen in elke kern; VI. Doorstroming én oversteekbaarheid Van Heemstraweg. 16 (vastgesteld)
bestemmingsplan "Waardhuizenstraat 3 Beuningen"
bestemmingsplan Waardhuizenstraat 3 Beuningen
Oeverwalgebied In het algemeen gaat het in het buitengebied om behoedzame organische groei met oog voor historie. De gemeente Beuningen bestaat voor circa 3.000 ha uit landbouwgebied. De open komgronden ten zuiden van de A73 en de oeverwalgebieden zijn de belangrijkste gebieden voor respectievelijk veehouderijen en fruitteelt. Er is sprake van een goede productiestructuur. Er zijn weinig milieuproblemen door de gunstige bodemgesteldheid (niet-zuurgevoelig en weinig mineraaloverschotten). Specifiek in het Waaloeverwalgebied wil de gemeente het unieke en waardevolle landschap duurzaam ontwikkelen en behouden voor de toekomst. Er wordt ingezet op het tegengaan van de verrommeling van het landschap, het versterken van het groen-blauwe raamwerk (landschaps- en waterstructuur) en er wordt geanticipeerd op de groeiende behoefte aan (stedelijk) recreatief uitloopgebied en landelijk wonen. Planspecifiek Er wordt in de structuurvisie geen specifieke uitspraak gedaan over de uitbreidingsmogelijkheden van bestaande agrarische (hulp)bedrijven zoals onderhavig loonwerk- en grondverzetbedrijf met agrarische nevenactiviteiten in de vorm van akkerbouw en fruitteelt. In principe is het uitbreiden van bedrijfsbebouwing minder wenselijk in het oeverwalgebied. Het bedrijf is echter eerder al op verzoek van de gemeente zelf van locatie gewijzigd en naar de Waardhuizenstraat verplaatst.
Bovendien bestaat een deel van de activiteiten van het bedrijf uit agrarische activiteiten en zijn de loonwerkactiviteiten grotendeels verweven met de agrarische activiteiten. De nieuwe bedrijfsloods is daarnaast voorzien binnen het bestaande bestemmingsvlak 'Bedrijf uit het geldende bestemmingsplan en er wordt voorzien in extra beplanting aan de randen van het erf, dat zo compact mogelijk gehouden wordt. Op deze wijze kan het groen-blauwe raamwerk toch worden versterkt, zonder dat met de extra bebouwing afbreuk wordt gedaan aan de kwaliteiten van de oeverwal.
3.3.2
Landschapsontwikkelingsplan
In het landschapsontwikkelingsplan ‘Landschap in beweging’ (december 2006) voor de gemeente Beuningen, Druten en Wijchen wordt voor het deelgebied 'Waaloeverwal', waarbinnen het plangebied valt, een uitvoerige lijst met richtlijnen voor beeldkwaliteit van erven gegeven. Navolgend is een relevante selectie van deze richtlijnen opgenomen: » Het gebruiken van streekeigen, inheemse beplantingen, met royale afmetingen en voldoende ruimte om te groeien, die passen bij de maat en schaal van de bebouwing en het betreffende landschapstype; » Het niet gebruiken van coniferen als erfafscheiding. Dit is geen inheemse beplanting, heeft weinig natuurwaarden en draagt niet bij aan de beleving van verschillende seizoenen; » Het begeleiden van grote schuren met een forse beplanting van bijvoorbeeld bomen of bosjes. Belangrijk is de beleving vanaf de weg, soms ook vanaf de achterzijde over verre afstand. Het is wenselijk om grote wanden te geleden. » Het plaatsen van nieuwe (fruit)schuren achter bestaande bebouwing op het erf plaatsen en het groene aanzicht langs de weg behouden; » Het plaatsen van een dichte beplanting bij bedrijfsmatige activiteiten, die niet passen bij het buitengebied of bij storende buitenopslag.
Het kleinschalige samenspel van bebouwingslinten, dorpen, weiden en boomgaarden in onregelmatige patronen is uitgangspunt bij ontwikkelingen, evenals de zeer groene uitstraling door erfbeplantingen, hagen en wegbeplantingen. Doelstellingen op de Waaloeverwal zijn daarbij onder andere: » Het behouden en versterken van kleinschaligheid; » Het toestaan van kleinschalige bebouwing; » Het handhaven van groene zones tussen dorpen. Voor fruitteelt en akkerbouw (zoals ook deels vanuit het plangebied wordt uitgevoerd) wordt ook op de waaloeverwal ruimte geboden voor schaalvergroting onder de randvoorwaarde van zorgvuldige, groene inpassing van gebouwen passend in en bij de betreffende landschapskwaliteiten. bestemmingsplan "Waardhuizenstraat 3 Beuningen" (vastgesteld) 17
bestemmingsplan Waardhuizenstraat 3 Beuningen
Planspecifiek In aansluiting op het landschapsontwikkelingsplan bestaat alle nieuwe beplanting in het plangebied (zie paragraaf 2.2) uit streekeigen, inheemse soorten. De bestaande coniferenhaag aan de noordzijde van het plangebied wordt verwijderd en vervangen door een beuken haag. De nieuwe loods wordt daarnaast aan de westzijde begeleidt door een wat groter bosschage in de vorm van een hakhoutbosje met streekeigen, inheemse soorten. De nieuwe loods wordt bovendien in aansluiting op het landschapsontwikkelingsplan achter de bestaande bebouwing op het erf geplaatst om het groene aanzicht langs de Waardhuizenstraat te behouden. Omdat op het hele terrein buitenopslag mag plaatsvinden, wordt de beuken haag aan de noordzijde langs de hele westelijke rand doorgetrokken. Op deze wijze wordt de buitenopslag aan het oog onttrokken als je vanuit (noord)westelijke richting naar het plangebied kijkt.
3.4
Conclusie
Het plan is passend binnen c.q. niet strijdig aan het beleid van de verschillende overheden.
18 (vastgesteld)
bestemmingsplan "Waardhuizenstraat 3 Beuningen"
bestemmingsplan Waardhuizenstraat 3 Beuningen
Hoofdstuk 4
Milieu- ä omgevingsaspecten
4.1
Verkeer S parkeren
4.1.1
Verkeer
Er is geen sprake van het uitbreiden van de bedrijfsactiviteiten van het bestaande loonwerk- en grondverzetbedrijf met agrarische nevenactiviteiten in de vorm van akkerbouw en fruitteelt. Het nieuwe bedrijfsgebouw in de vorm van een loods wordt juist opgericht vanwege ruimtegebrek in de bestaande bedrijfsloodsen. Er vindt dan ook geen uitbreiding plaats van het aantal voertuigbewegingen door de vaststelling van onderhavig bestemmingsplan. Het aspect 'verkeer' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.1.2
Parkeren
Er is geen sprake van het uitbreiden van de bedrijfsactiviteiten van het bestaande loonwerk- en grondverzetbedrijf met agrarische nevenactiviteiten in de vorm van akkerbouw en fruitteelt. Het nieuwe bedrijfsgebouw in de vorm van een loods wordt juist opgericht vanwege ruimtegebrek in de bestaande bedrijfsloodsen. Noodgedwongen wordt nu daarom een deel van het machinepark en de bedrijfsopslag in de buitenlucht gestald. De nieuwe loods zorgt in de toekomst voor voldoende ruimte om het deel van het machinepark (dat nu in de buitenlucht gestald wordt) overdekt te 'parkeren'. Het aspect 'parkeren' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.2
Bodem
4.2.1
Regelgeving
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet in verband met de uitvoerbaarheid van een project rekening worden gehouden met de bodemgesteldheid. Bij functiewijzigingen moet worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig moet worden gesaneerd, dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). De Wet bodembescherming heeft betrekking op landbodems; waterbodems vallen onder de Waterwet. Op grond van de Woningwet en de Bouwverordening moet voor elke individuele bouwlocatie aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor de beoogde bebouwing, alvorens een omgevingsvergunning verleend kan worden. Bij het opstellen van een bestemmingsplan is de vraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Het uitgangspunt hierbij is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet. Dit is het zogenaamde stand still-beginsel.
Het vaststellen van de bodemkwaliteit wordt bij het opstellen/wijzigen van een bestemmingsplan dan ook alleen van belang geacht voor de locaties waar ontwikkelingen gepland zijn (zoals functiewijzigingen, bouwen, graven/ophogen).
4.2.2
Doorvertaling bestemmingsplan
Omdat het nieuwe bedrijfsgebouw in de vorm van een loods wordt gerealiseerd binnen de bestemmingsgrens van het bestemmingsvlak 'Bedrijf uit het geldende bestemmingsplan is een verkennend bodemonderzoek in het plangebied niet noodzakelijk. Ter plaatse mogen bovendien al bedrijfsgebouwen worden opgericht. Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
bestemmingsplan "Waardhuizenstraat 3 Beuningen" (vastgesteld) 19
bestemmingsplan Waardhuizenstraat 3 Beuningen
4.3
Geluid
4.3.1
Regelgeving
Belangrijke basis voor de ruimtelijke afweging van het aspect geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Overeenkomstig de Wgh zijn (spoor-)wegen en industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen voorzien van zones. Het gebied binnen deze zones geldt als akoestisch aandachtsgebied waar een toetsing uitgevoerd moet worden. Daarbij beperkt de Wgh zich tot een toetsing ter plaatse van zogenaamde geluidsgevoelige objecten. Dit zijn onder andere woningen, onderwijsgebouwen, gezondheidszorggebouwen, kinderdagverblijven, woonwagenstandplaatsen en ligplaatsen voor woonboten. Voor de geluidsgevoelige gebouwen en terreinen die binnen bepaalde afstanden (zones) van de verschillende geluidsbronnen liggen, schrijft de Wgh voor dat een aangewezen bevoegd gezag (meestal Burgemeester en Wethouders) (maatwerk)grenswaarden bepaalt. De terminologie die de wet hiervoor hanteert is: ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting. De getalsmatige invulling van deze grenswaarden voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per locatie en per geluidssoort. Naast grenswaarden op de gevels van de geluidsgevoelige gebouwen, zijn er in de Wgh ook grenswaarden gericht op de bescherming van het akoestische klimaat binnen de bestaande gebouwen. De grenswaarden moeten bij de aanleg, dan wel wijzigingen van een (spoor)weg of industrieterrein in acht worden genomen.
Dit geldt ook bij vaststelling of herziening van een bestemmingsplan of bij een projectbesluit wanneer de betreffende gronden/gebouwen voor een geluidgevoelige functie in een geluidszone zijn gelegen. Onder bepaalde voorwaarden is een hogere geluidsbelasting dan de voorkeursgrenswaarde mogelijk (tot de maximaal toelaatbare geluidsbelasting). Hiervoor moet een “hogere waarde procedure” worden doorlopen door het college van burgemeester en wethouders. Een uitzondering waar toetsing aan de grenswaarden niet hoeft, is wanneer een geluidsgevoelig gebouw een zogenoemde 'dove' gevel heeft. Een 'dove gevel' is een bouwkundige constructie: » waarin geen te openen delen aanwezig zijn en met een bepaalde geluidwering; » waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits de delen niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte. Bij ontheffing van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting kan (in het kader van de omgevingsvergunning) een nader akoestisch onderzoek noodzakelijk zijn ten behoeve van het woonen leefklimaat in de woning. De karakteristieke geluidwering van de gevel moet voor nieuwbouw zodanig zijn dat wordt voldaan aan de eisen uit het Bouwbesluit, zijnde het verschil tussen de geluidsbelasting op de gevel en het gewenste binnenniveau met een minimum van 20 dB.
Regelgeving In de Wgh en het Bgh is de zonering van wegen en het daarbij horende normenstelsel geregeld. Een zone is het akoestisch aandachtsgebied. Volgens de Wgh bevinden zich langs alle wegen wettelijke geluidzones, met uitzondering van woonerven, 30-km/uur-gebieden en wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveaukaart blijkt dat de geluidsbelasting op 10 m uit de meest nabij gelegen wegas 48 dB of minder bedraagt. Bij vaststelling van een bestemmingsplan moet voor alle wegen waarvan de zone een overlap met het plangebied kent, een akoestisch onderzoek worden verricht (artikel76 lid 1 Wgh). De breedte van deze zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de aard van de omgeving (stedelijk of buitenstedelijk), zie navolgende tabel. Zonebreedte Aantal rijstroken
Stedelijk gebied
5 of meer
350 meter
600 meter
3 of 4
350 meter
400 meter
1 of 2
200 meter
250 meter
Buitenstedelijk gebied
Overzicht zonebreedtes (vanaf de as van de weg tot de volgende breedte aan weerszijden van de weg) De definities van het buitenstedelijk en stedelijk gebied zijn opgenomen in artikel 1 van de Wgh. Als buitenstedelijk gebied wordt aangemerkt het gebied buiten de bebouwde kom en het gebied binnen de zone van een autoweg of autosnelweg, die binnen de bebouwde kom ligt. Voor nieuwe woningen bedraagt de wettelijke (voorkeurs)grenswaarde 48 dB.
20 (vastgesteld)
bestemmingsplan "Waardhuizenstraat 3 Beuningen"
bestemmingsplan Waardhuizenstraat 3 Beuningen
4.3.2
Doorvertaling bestemmingsplan
Omdat het nieuwe bedrijfsgebouw in de vorm van een loods geen geluidgevoelige functie is, is een akoestisch onderzoek niet noodzakelijk. Ter plaatse mogen bovendien al bedrijfsgebouwen worden opgericht. Dus ook in die zin treedt er geen planologische verslechtering op. Het aspect 'geluid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.4
Milieuzonering
4.4.1
Regelgeving
Wanneer ruimtelijke ontwikkelingen in de directe omgeving van inrichtingen en/of bedrijven worden gerealiseerd, zal een milieukundig onderzoek uit moeten wijzen in hoeverre er sprake is van mogelijke beperkingen ten gevolge van de aanwezige inrichtingen en of bedrijven. Maar ook andersom moet aandacht worden besteed aan de rechten van de aanwezige inrichtingen en/of bedrijven. Het is immers niet de bedoeling dat nieuwe ontwikkelingen de huidige bedrijfsvoering in de directe omgeving zullen beperken. Datzelfde geldt uiteraard ook voor de situatie dat inrichtingen en/of bedrijven wijzigen in de nabijheid van bestaande gevoelige functies. Via de milieuwetgeving wordt milieuhinder zoveel mogelijk voorkomen. Alle bedrijven en inrichtingen die in potentie hinder zouden kunnen veroorzaken, moeten een vergunning hebben in het kader van de Wet milieubeheer of moeten via een melding aantonen dat zij aan de hierin gestelde richtwaarden kunnen voldoen. De gestelde richtwaarden zijn veelal vertaald in minimale afstanden tussen de inrichtingen waar activiteiten plaatsvinden en de milieugevoelige functies in de directe omgeving. Behalve van de aard en omvang van een bedrijf of inrichting, is deze mede afhankelijk van de omgevingskarakteristiek. Voor een rustige woonomgeving gelden andere afstanden (strengere eisen) dan voor bijvoorbeeld drukke woonwijken of een gemengd gebied.
Voor het vaststellen van de genoemde minimum richtafstanden tussen inrichtingen en milieugevoelige functies worden in de regel de lijsten zoals deze zijn opgenomen in de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' gebruikt. Bedrijven zijn in de VNG-handreiking ingedeeld in een aantal categorieën met bijbehorende gewenste richtafstanden tot milieugevoelige functies. De categorieën geven de zwaarte van bedrijvigheid en mogelijke milieuhinder weer. De richtafstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
Richtafstand omgevingstype rustige woonwijk, rustig buitengebied 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000m 1.500 m
Richtafstand omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Richtafstanden VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' Bovenstaande tabel geeft een overzicht van de richtafstanden voor verschillende bedrijfscategorieën ten opzichte van een woonwijk en gemengd gebied. Indien de richtafstand niet wordt overschreden, kan verdere toetsing voor het aspect in beginsel achterwege blijven: inpassing is dan mogelijk. Indien niet aan de richtafstanden wordt voldaan, is een nadere beschouwing danwel onderzoek nodig.
bestemmingsplan "Waardhuizenstraat 3 Beuningen" (vastgesteld) 21
bestemmingsplan Waardhuizenstraat 3 Beuningen
4.4.2
Doorvertaling bestemmingsplan
Omdat het nieuwe bedrijfsgebouw in de vorm van een loods wordt gerealiseerd binnen de bestemmingsgrens van het bestemmingsvlak 'Bedrijf uit het geldende bestemmingsplan is een nader onderzoek naar het aspect milieuzonering niet noodzakelijk. De aanwezige inrichtingen en bedrijven in de directe omgeving van het plangebied worden, als gevolg van onderhavig bestemmingsplan, niet in hun bedrijfsvoering geschaad. Ter plaatse van de beoogde locatie van de loods mogen namelijk al bedrijfsgebouwen worden opgericht. Andersom geldt dat woningen en andere gevoelige functies in de omgeving geen extra overlast ondervinden van de bedrijvigheid. Het aspect 'milieuzonering' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.5
Luchtkwaliteit
4.5.1
Regelgeving
Op 15 november 2007 is de wijziging van de Wet milieubeheer in werking getreden. Deze wet vervangt het 'Besluit luchtkwaliteit 2005' en is één van de maatregelen die de overheid heeft getroffen om: » negatieve effecten op de volksgezondheid als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken. » mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling te creëren ondanks de overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit. De paragraaf luchtkwaliteit in de Wet milieubeheer voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als: » er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde. » een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt. » een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging (meer dan 3 0Zo ten opzichte van de grenswaarde).
Het gaat hier bijvoorbeeld om woningbouwlocaties met één ontsluitingsweg en niet meer dan 1.500 nieuwe woningen, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen. » een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat in werking is getreden nadat de EU in april 2009 derogatie heeft verleend. Als aannemelijk kan worden gemaakt dat aan één of meerdere van de bovengenoemde criteria wordt voldaan, kan het project zonder toetsing aan de gestelde grenswaarden voor luchtkwaliteit worden uitgevoerd. In de Ministeriële regeling 'niet in betekenende mate bijdragen' zijn voor verschillende categorieën van projecten grenzen gesteld aan de projectomvang, waaronder een project met zekerheid NIBM bijdraagt aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) extra bescherming: substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 m van een provinciale weg of 300 m van een rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden, waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico's optreden. De zones worden afgemeten vanaf de rand van de weg.
In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties dus niet als gevoelige bestemming gezien.
22 (vastgesteld)
bestemmingsplan "Waardhuizenstraat 3 Beuningen"
bestemmingsplan Waardhuizenstraat 3 Beuningen
4.5.2
Doorvertaling bestemmingsplan
Omdat er geen extra bedrijfsactiviteiten ontplooid zullen worden, maar er uitsluitend extra bebouwing wordt opgericht voor het stallen van werktuigen die nu buiten staan is sprake van een NIBM-bijdrage aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.6
Geur
4.6.1
Regelgeving
Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningsplichtig zijn op basis van de Wet milieubeheer (Wm). Het beoordelingskader is als volgt: » voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld (in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv)) geldt een maximale geurbelasting) op een geurgevoelig object; » voor andere diercategorieën geldt een minimale afstand van de dierenverblijven ten opzichte van geurgevoelige objecten. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden (conform Reconstructiewet) en nietconcentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. De wet beschrijft in artikel 3 de maximale norm voor geurbelasting van een veehouderij ten opzichte van een gevoelig object in vier situaties, zie onderstaande tabel.
Binnen bebouwde kom
Buiten bebouwde kom
Concentratiegebied
Niet-concentratiegebied
diercategorieën Rgv
maximaal 3 ouE/m3
maximaal 2 ouBm3
andere diercategorieën
minimaal 100 m t.o.v. geurgevoelig object
minimaal 100 m t.o.v. geurgevoelig object
diercategorieën Rgv
maximaal 14 ouBm3
maximaal 8 ouBm3
andere diercategorieën
minimaal 50 m t.o.v. geurgevoelig object
minimaal 50 m t.o.v. geurgevoelig object
Geurnormen Wgv De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid om afwijkende geurnormen vast te stellen voor (delen van) het grondgebied. Op deze wijze kan de gemeente een geurhinderbeleid vaststellen dat is afgestemd op de plaatselijke situatie. Regeling geurhinder en veehouderij In de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) is de wijze vastgelegd waarop: » de geurbelasting wordt bepaald; » de afstand tussen veehouderij en geurgevoelig object) wordt gemeten. Activiteitenbesluit Per 1 januari 2013 zijn agrarische activiteiten onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit gebracht. In het Activiteitenbesluit zijn voor alle agrarische activiteiten, waaronder akkerbouwbedrijven en veehouderijen, eisen opgenomen. Voor de veehouderijen is aangesloten bij de systematiek uit de Wgv, dat wil zeggen dat in bepaalde gevallen een maximaal toegestane geurbelastingen geldt (diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld, bijvoorbeeld varkens en pluimvee) en in andere gevallen vaste afstandseisen gelden (diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, waaronder melkrundvee). Geur bij niet-agrarische bedrijven Het voorkomen van (nieuwe) geurhinder is het algemene uitgangspunt in het rijksbeleid.
Dit uitgangspunt is uitgewerkt in het landelijk informatiedocument ‘Handleiding Geur Industrie’ en beschrijft de methodiek voor de bepaling van het aanvaardbaar hinderniveau voor geur ten gevolge van bedrijfsmatige activiteiten. Vanwege het lokale aspect van geurhinder is de hoogte van het bestemmingsplan "Waardhuizenstraat 3 Beuningen" (vastgesteld) 23
bestemmingsplan Waardhuizenstraat 3 Beuningen
aanvaardbaar hinderniveau niet landelijk vastgelegd. Het bevoegd gezag moet daar een eigen afweging in maken. De provincie Gelderland heeft deze afweging uitgewerkt in de ‘Beleidsregels geur bedrijven (niet-veehouderijen) Gelderland 2017’ voor de industriële bedrijven waarvoor de provincie het bevoegde gezag is. Daarin is het aanvaardbaar geurhinderniveau vertaald naar streef-, richt- en grenswaarden. De streefwaarde is de waarde waaronder geen sprake is van hinder. De grenswaarde is de waarde waarboven sprake is van ernstige hinder. Over het algemeen wordt een geurcontour die ligt tussen streef- en grenswaarde als aanvaardbaar geurhinderniveau vastgesteld en vastgelegd in de milieuvergunning voor een industrieel geurrelevant bedrijf.
4.6.2
Doorvertaling bestemmingsplan
In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen (agrarische) bedrijven gevestigd die hinder veroorzaken voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. Het aspect 'geurhinder' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.7
Externe veiligheid
4.7.1
Regelgeving
Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen als vuurwerk, lpg en munitie over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid rondom externe veiligheid is vastgelegd in circulaires, regelingen, AMvB's en wetten. In Nederland worden twee maten gehanteerd voor externe veiligheidsrisico's, namelijk het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij het plaatsgebonden risico (PR) gaat het om de kans per jaar dat een denkbeeldig persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen als deze persoon zich onafgebroken en onbeschermd in de nabijheid van een risicovolle inrichting of transportas bevindt. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven als een contour rondom de risicovolle inrichting of de transportas. Het groepsrisico (GR) is de cumulatieve kans dat een (werkelijk) aanwezige groep van 10, 100 of 1.000 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet verantwoord worden voor het gebied waarbinnen zich de gevolgen van een incident met gevaarlijke stoffen voordoen. Dit is de zogenaamde 1 %-letaliteitsgrens; de afstand vanaf een risicobedrijf waarop nog slechts 1 /o van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval op het risicobedrijf (invloedsgebied).
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein, bijvoorbeeld rondom chemische fabrieken, LPG-tankstations en spoorwegemplacementen waar goederentreinen met gevaarlijke stoffen rangeren. Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij woningen, kantoren, ziekenhuizen, scholen of winkels. Het besluit verplicht gemeenten en provincies wettelijk vanaf de inwerkingtreding van het besluit bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van ruimtelijke plannen met externe veiligheid rekening te houden. Het gaat daarbij niet alleen om het oprichten van of veranderen van inrichtingen of projecteren van nieuwe bestemmingen. Ook bij het vaststellen of herzien van een bestemmingsplan moet de externe veiligheid worden beoordeeld. In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) is geregeld hoe een gemeente moet omgaan met risico’s langs relevante buisleidingen. De hogedruk gasleidingen van Gasunie zijn het meest relevant. De risico’s worden vooral bepaald door de maximale druk en diameter van de leiding, maar ook door getroffen maatregelen.
24 (vastgesteld)
bestemmingsplan "Waardhuizenstraat 3 Beuningen'
bestemmingsplan Waardhuizenstraat 3 Beuningen
De Wet basisnet voorziet in een wijziging van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen ('Wvgs') ter verankering van een landelijk basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het basisnet is een samenstel van wegen, binnenwateren en hoofdspoorwegen waaraan een bepaalde risicoruimte voor het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt toegekend. Als deze risicoruimte, de zogenaamde risicoplafonds, door een groei van het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt overschreden of dreigt te worden overschreden, moet de minister maatregelen nemen. De risicoplafonds moeten daarnaast in acht worden genomen bij het toestaan van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van basisnetroutes. Op deze manier kan de veiligheid langs de transportroutes voor gevaarlijke stoffen in toenemende mate worden gegarandeerd. Gelijktijdig met de Wet Basisnet zijn ook andere regelingen in werking getreden zoals de wijziging van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen (Bvgs), de Regeling basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) is een aandachtsgebied gedefinieerd waarbinnen het groepsrisico verantwoord moet worden (200 m). Buiten deze zone hoeft in het invloedsgebied alleen ingegaan te worden op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid (beperkte verantwoording).
4.7.2
Doorvertaling bestemmingsplan
Op navolgende afbeelding is een uitsnede weergegeven van de provinciale risicokaart. Hierop is informatie weergegeven ten aanzien van inrichtingen met gevaarlijke stoffen, transportroutes en buisleidingen:
van Heemstn
Uitsnede risicokaart met globale aanduiding nieuwe loods (blauwe omkadering, Bron: www.risicokaart.nl) Inrichtingen c.q. bedrijven Uit de zowel de gegevens vanuit de provinciale risicokaart als de gemeentelijke signaleringskaart blijkt dat het plangebied niet is gelegen binnen het invloedsgebied van een inrichting. Vervoer van gevaarlijke stoffen Het plangebied is op circa 1.000 m van de Waal gelegen. Conform het Basisnet Water, is de Waal een zwarte vaarweg (belangrijke vaarwegen). Voor een dergelijke vaarweg geldt dat de 10-6Zjaar plaatsgebonden risicocontour niet verder dan de oever komt. Het plangebied is niet gelegen in de directe nabijheid van een spoorlijn. Vervoer van gevaarlijke stoffen door een buisleiding Het plangebied is niet gelegen in de directe nabijheid van aardgastransportleidingen. bestemmingsplan "Waardhuizenstraat 3 Beuningen" (vastgesteld) 25
bestemmingsplan Waardhuizenstraat 3 Beuningen
Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om dit advies tijdig op te volgen. Gelet op de hiervoor genoemde overwegingen zijn er voldoende mogelijkheden voor de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid bij een zwaar ongeval op deze transportroute. Dit betekent dat geen nadere eisen aan het plan gesteld hoeven te worden in het kader van het aspect externe veiligheid. Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.8
Waterhuishouding
4.8.1
Regelgeving
Algemeen Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Rivierenland. Voor het plangebied is het volgende waterhuishoudkundige beleid van toepassing: » Rijksbeleid: Waterwet, Nationaal Waterplan 2016 - 2021, Waterbeleid in de 21e eeuw en Nationaal Bestuursakkoord Water; » Provinciaal beleid: Omgevingsvisie Gelderland; » Waterschapsbeleid: Waterbeheerprogramma 2016 - 2021 'Koers houden en kansen benutten', Nota riolering 'Samen door één buis' (2019) en de Keur voor waterkeringen en wateren; » Gemeente: Gemeentelijk riool- en waterplan 2018 - 2022. Voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, hanteert de overheid het volgende criterium met betrekking tot het duurzaam omgaan met water: Doordat een toename van het verhard oppervlak ertoe leidt dat het afvoerverloop niet meer natuurlijk is, is het beleid erop gericht het regenwater zoveel mogelijk te infiltreren naar het freatisch grondwater, waardoor een meer natuurlijk afvoerverloop ontstaat. Dit vertaalt zich in de volgende richtlijnen: 1. Nieuwe plannen moeten voldoen aan het principe van het 'hydrologisch neutraal' bouwen. Hierbij moet de hydrologische situatie, voor wat betreft de afvoer van hemelwater, minimaal gelijk blijven aan de oorspronkelijke situatie. De oorspronkelijke landelijke afvoer (naar het oppervlaktewater) mag niet overschreden worden. 2.
In aansluiting op het landelijk beleid hanteert het waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht moet worden hoe met het schone hemelwater omgegaan kan worden. 3. Bij alle nieuwbouwplannen moet (vuil) afvalwater en (schoon) hemelwater gescheiden worden behandeld. Het schone en vuile water worden daarbij apart aangeleverd aan de riolering of, indien mogelijk, wordt het schone water aan de natuur teruggegeven. Dit is ook het geval als in openbaar gebied nog steeds een gemengd rioolstelsel aanwezig is. Bij de inrichting, het bouwen en het beheer moeten zo min mogelijk vervuilende stoffen aan het bodem- en oppervlaktewatersysteem worden toegevoegd. Hierbij verdient het materiaalgebruik speciale aandacht: uitloogbare of uitspoelbare bouwmaterialen moeten worden vermeden om watervervuiling te voorkomen.
26 (vastgesteld)
bestemmingsplan "Waardhuizenstraat 3 Beuningen"
bestemmingsplan Waardhuizenstraat 3 Beuningen
Uitgangspunten Waterschap Rivierenland De uitgangspunten die door het waterschap worden gehanteerd in het kader van de watertoets kunnen worden verwoord als: a. Waterneutraal inrichten. Om te voorkomen dat door de aanleg van nieuw verhard oppervlak wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang om het verlies aan waterberging in de bodem te compenseren. b. Schoon inrichten. Om te voorkomen dat de waterkwaliteit van het oppervlaktewater negatief wordt beïnvloed. Binnen het stedelijk gebied zal daarom schoon hemelwater van nieuwbouwprojecten gescheiden van het vuilwater moeten worden afgevoerd: afkoppelen. Het waterschap streeft naar 100 /o afkoppeling van schoon hemelwater van verharde oppervlakken (gebouwen, wegen en ander terreinverharding). c. Veilig inrichten. Door nieuwbouwplannen mag de veiligheid van een (primaire) waterkering, het waterkerend vermogen, niet worden aangetast. Dit geldt niet alleen voor de dijk zelf, maar tevens voor de beschermingszones ter weerszijden van de dijk. Voor het lozen van overtollig hemelwater op het oppervlaktewater, hetzij rechtstreeks, hetzij via een bestaande of een nieuwe inrichting (zoals een regenwaterriool), is een watervergunning noodzakelijk. Daarnaast moeten in die gebieden die onderhevig zijn aan rivierkwel de effecten van de voorgenomen plannen op de kwel in beeld worden gebracht.
Indien compensatie vereist is hanteert Waterschap Rivierenland de volgende twee ontwerpbuien ten aanzien van de benodigde bergingscapaciteit: » De 1=10+10/0 neerslag. Hierbij mag het peil (van het oppervlaktewater) niet meer dan 0,2 of 0,3 m stijgen, afhankelijk van het deelgebied waarin de ontwikkeling plaats vindt. Vuistregel hierbij is 436 m3 berging per ha verhard oppervlak, overeenkomend met een neerslag van 43,6 mm. » De T=100+10%-neerslag. Hierbij is een peilstijging toegestaan tot laagste putdekselhoogte op wijkniveau. Vuistregel hierbij is 664 m3 berging per ha verhard oppervlak, overeenkomend met een neerslag van 66,4 mm. Deze vuistregel geldt met name voor droogvallende voorzieningen. Indien de waterberging wordt gerealiseerd in de vorm van droogvallende retentie, wordt onderscheid gemaakt tussen systemen waarbij infiltratie naar de ondergrond wel en niet mogelijk is. In dat laatste geval moet de bodem van de voorziening zich gelijk of hoger dan de GHG bevinden en mag bij een ontwerpbui 1=100+10/0 het systeem tot aan maaiveld gevuld zijn. De ledigingstijd van het systeem moet 48 tot 96 uur bedragen. Uitgangspunten gemeente Gemeentelijk riool- en waterplan 2018 - 2022 De gemeenteraad heeft het Gemeentelijk Riool- en waterplan in januari 2018 vastgesteld.