CConstaterende datBeuningen
Koppel je AI →
Document · PDF

01 Toelichting en Regels BP Van Heemstraweg 38 Beuningen.pdf

Commissie Ruimte 25 mei 2021, gemeente BeuningenBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling bestemmingsplan Van Heemstraweg 38 Beuningen18.372 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Van Heemstraweg 38 Beuningen

bestemmingsplan Van Heemstraweg 38 Beuningen

Inhoudsopgave

Vaststellingsbesluit

5

Toelichting

7

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging plangebied 1.3 Geldende plannen 1.4 Leeswijzer

8 8 8 10 10

Hoofdstuk 2 Gebiedsvisie 2.1 Bestaande situatie 2.2 Toekomstige situatie

12 12 13

Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Nationaal beleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid 3.4 Conclusie

16 16 17 19 20

Hoofdstuk 4 Milieu- & omgevingsaspecten 4.1 Verkeer & parkeren 4.2 Bodem 4.3 Geluid 4.4 Milieuzonering 4.5 Luchtkwaliteit 4.6 Geur 4.7 Externe veiligheid 4.8 Waterhuishouding 4.9 Ecologie 4.10 Archeologie & cultuurhistorie 4.11 Leidingen 4.12 Vormvrije MER-beoordeling

21 21 21 22 23 24 25 26 29 31 33 34 34

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen 5.2 Bestemmingen

36 36 37

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Overleg 6.3 Inspraak

39 39 39 39

Bijlagen toelichting (externe bijlagen) Bijlage 1

Verkennend bodemonderzoek

Bijlage 2

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai

Bijlage 3

Quickscan Wet Natuurbescherming

Bijlage 4

Rapport stikstofdepostie

Bijlage 5

Verkennend archeologisch onderzoek

Bijlage 6

Selectiebesluit archeologie

2

bestemmingsplan "Van Heemstraweg 38 Beuningen" (vastgesteld)

bestemmingsplan Van Heemstraweg 38 Beuningen

Regels

49

Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2

Inleidende regels Begrippen Wijze van meten

50 50 53

Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4

Bestemmingsregels Wonen Waarde - Archeologie 2

54 54 58

Hoofdstuk 3 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8

Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene wijzigingsregels

60 60 61 63 64

Hoofdstuk 4 Artikel 9 Artikel 10

Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel

65 65 66

Bijlagen regels

67

Bijlage 1

Staat van bedrijfsactiviteiten

68

Bijlage 2

Beeldkwaliteit

69

Bijlage 3

Landschappelijke inpassing

70

bestemmingsplan "Van Heemstraweg 38 Beuningen" (vastgesteld)

3

bestemmingsplan Van Heemstraweg 38 Beuningen

4

bestemmingsplan "Van Heemstraweg 38 Beuningen" (vastgesteld)

bestemmingsplan Van Heemstraweg 38 Beuningen

Vaststellingsbesluit

bestemmingsplan "Van Heemstraweg 38 Beuningen" (vastgesteld)

5

bestemmingsplan Van Heemstraweg 38 Beuningen

6

bestemmingsplan "Van Heemstraweg 38 Beuningen" (vastgesteld)

bestemmingsplan Van Heemstraweg 38 Beuningen

Toelichting

bestemmingsplan "Van Heemstraweg 38 Beuningen" (vastgesteld)

7

bestemmingsplan Van Heemstraweg 38 Beuningen

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Het college van B&W heeft op 18 februari 2020 het besluit genomen om de bouw van één extra woning op het perceel Van Heemstraweg 38, kadastraal bekend als sectie F, nr, 1784, in Beuningen mogelijk te maken. De initiatiefnemer wil samen met de bouw van de nieuwe woning ook het bijbehorende perceel landschappelijk aanpakken. Uitheemse beplanting en bomen worden verwijderd, het doorzicht naar het achterland verbeterd. Het plan brengt dus qua beeldkwaliteit een landschappelijke verbetering met zich mee, waarvan de aanleg en het behoud in het bestemmingsplan juridisch verankerd zal worden. Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken, zal het geldende bestemmingsplan voor de gronden in het plangebied moeten worden herzien.

1.2

Ligging plangebied

Het plangebied is gelegen in de kern van Beuningen. Het plangebied omvat een deel van het perceel dat kadastraal bekend staat als gemeente Beuningen, sectie F, nummer 1784. Het plangebied wordt begrensd door: » Noordzijde: de kas en schoorsteen als restanten van de tuinbouw op dit perceel uit het verleden; » Oostzijde: het woonperceel Van Heemstraweg 38; » Zuidzijde: Van Heemstraweg; » Westzijde: tuin met perceelsbeplanting. Navolgende afbeeldingen tonen globaal de ligging en begrenzing van het plangebied in de omgeving. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding.

8

bestemmingsplan "Van Heemstraweg 38 Beuningen" (vastgesteld)

bestemmingsplan Van Heemstraweg 38 Beuningen

ĥoji l 4» ^

į~'

. - -V-

V,V

«

fŬĄíffiríia;

I Beuningen.

s. ţtf*

\*íí» Globale ligging plangebied (rood markeerpunt, Bron: maps.google.nl)

'Ĩv «es

Z??0

ÍN í»'.v , Me . r vt

:

r

Vs ì ^ ’

*r

—

Globale begrenzing plangebied (rode omkadering, Bron: luchtfoto Pdok)

bestemmingsplan "Van Heemstraweg 38 Beuningen" (vastgesteld)

9

bestemmingsplan Van Heemstraweg 38 Beuningen

1.3

Geldende plannen

De gronden in het plangebied vallen binnen het bestemmingsplannen 'Buitengebied', zoals de gemeenteraad deze heeft vastgesteld op 14 juni 2011. De gronden in het plangebied hebben hierin de bestemming 'Wonen' (artikel 16). Daarnaast is het hele plangebied voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' (artikel 21).

* 0-jļ

Uitsnede geldend bestemmingsplan met ligging plangebied (rode omkadering) De beoogde ontwikkeling past weliswaar functioneel binnen de bestemming 'Wonen', maar omdat per bestemmingsvlak maar één burgerwoning is toegestaan, mag er geen tweede woning gebouwd worden.

1.4

Leeswijzer

Het bestemmingsplan bestaat uit meerdere onderdelen: een verbeelding waarop de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven en regels waarin de bepalingen voor de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen. Het bestemmingsplan gaat vergezeld van een toelichting waarin de achtergronden van het bestemmingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de regels het juridische bindende deel van het bestemmingsplan. In de toelichting worden de keuzes die in het bestemmingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord. De toelichting kan globaal opgedeeld worden in vier delen: Inleiding en gebiedsvisie In hoofdstuk 1 zijn de aanleidingen en het kader voor de planherziening beschreven. Hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van de huidige en toekomstige situatie in het plangebied. Verantwoording Hoofdstukken 3 en 4 geven de achtergronden, toelichting en motivatie op de gemaakte keuzen weer die uiteindelijk hebben geleid tot de uitgewerkte planopzet. In dit planonderdeel worden onder meer het (beleids)kader en de milieuaspecten uiteengezet.

10

bestemmingsplan "Van Heemstraweg 38 Beuningen" (vastgesteld)

bestemmingsplan Van Heemstraweg 38 Beuningen

Juridische planbeschrijving In hoofdstuk 5 wordt de juridische planopzet beschreven. Doel is een nadere onderbouwing te geven wat met het plan wordt beoogd en hoe de instrumenten regels en verbeelding hierbij worden gehanteerd. Uitvoerbaarheid Het laatste deel (hoofdstuk 6) gaat in op de financieel-economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.

bestemmingsplan "Van Heemstraweg 38 Beuningen" (vastgesteld)

11

bestemmingsplan Van Heemstraweg 38 Beuningen

Hoofdstuk 2 2.1

Gebiedsvisie

Bestaande situatie

In de bestaande situatie is aan de oostzijde van het perceel een vrijstaande burgerwoning (nr. 38) gelegen, bestaande uit twee bouwlagen met kap met twee achterliggende bijgebouwen. Aan de noordzijde van het perceel bevinden zich a) een karakteristieke industriële schoorsteen (behorende bij het voormalige ketelhuis) en b) een hobbykas met daarnaast een klein bijgebouw. Voorheen was vrijwel het gehele perceel in gebruik voor tuinbouwkassen. Afgezien van de huidige hobbykas zijn deze niet meer aanwezig. Ter plaatse zijn de gronden in gebruik als tuin met een hobbyboomgaard en dichte begroeiing.

J| a

ŕ

I

ī T

' íJ

.Ķjapŗposstraat

Uitsnede BGT - bestaande situatie met globale begrenzing plangebied (rode omkadering) Op navolgende foto een impressie van de bestaande situatie:

•1

12

bestemmingsplan "Van Heemstraweg 38 Beuningen" (vastgesteld)

bestemmingsplan Van Heemstraweg 38 Beuningen

In de directe nabijheid van het plangebied zijn burgerwoningen gelegen. Aan de zijde van de Van Heemstraweg wordt het perceel vrijwel compleet aan het zicht onttrokken door de dichte beplanting langs de openbare weg. Aan de noordzijde van het plangebied is zicht mogelijk op het achterliggende landschap. Het plangebied grenst aan de noordzijde aan een A-watergang met bijbehorende beschermingszone.

2.2

Toekomstige situatie

Op navolgende afbeelding is de visie met een voorstel ^proefverkaveling) voor de stedenbouwkundige opzet en landschappelijke inrichting van het plangebied weergegeven: Van Heemstraweg 38, Beuningen

ĽTT

Passend in de bestaande ritmiek van het bebouwtngsiint

achterliggende landschep j

SI Nieuwe woning wordt onderdeel vani bestaand erf Į

'-v? * IV-p

AO.o

Visie inpassing nieuwe woning (erfensemble) Belangrijk hierbij is dat met de beoogde opzet, ritmiek en korrelgrootte van de nieuwe vrijstaande woning aangesloten wordt bij dat van de bestaande omgeving. Door daarnaast te kiezen voor een bebouwingsopzet, waarbij de nieuwe vrijstaande woning als het ware op het bestaande erf van nr. 38 wordt gerealiseerd ^ compact erfensemble) in de vorm van een schuurwoning, wordt tevens de mogelijkheid geboden om, meer dan in de voormalige en huidige situatie, een landschappelijke relatie tussen de Van Heemstraweg en het achterliggende oeverwallenlandschap te creëren. Passend binnen het erfensemble wordt de schuurwoning, ten opzichte van de bestaande woning op nr. 38, circa 10 m naar achteren op het perceel gerealiseerd. Meer vooraan op het perceel wordt dan het bijgebouw te gesitueerd (dus voor de nieuwe woning) in de vorm van een soort kapschuur. Het totaal plaatje ziet er dan uit als een erf met een bedrijfswoning en agrarische bebouwing. Samen met de bestaande fruitbomen en de kas en schoorsteen aan de noordzijde blijft het (voormalige) agrarische karakter dan goed behouden. De schuurwoning krijgt een omvang van maximaal 1.000 m3, het vrijstaande bijgebouw is maximaal 120 m2. de ontsluiting van de woning verloopt via de bestaande inrit op de Van Heemstraweg.

bestemmingsplan "Van Heemstraweg 38 Beuningen" (vastgesteld)

13

bestemmingsplan Van Heemstraweg 38 Beuningen

Van Heemstraweg 38, Beuningen

Plangrens van bestemmingsplan Noordelijk deel perceel vrijwaren van opgaande beplanting/bomen. ----------------------------------De kas blijft behouden.

.«V «

De schoorsteen blijft behouden.

De nieuwe woning staat dwars ten opzichte van de garage, gericht op het landschap. — Boomgaarden blijven behouden.

®**

Bomen blijven zoveel mogeī 'behouden.

Het erf wordt omzoomd door een haag met streekeigen beplanting. ----------------Onderbegroeiing wordt verwijderd voor een beter doorzicht naar het landschap.-----De twee dennen aan de voorkant van het perceel worden verwijderd Er wordt gebruik gemaakt van de bestaande inrit. -----------------------------------------------------

Schaal: 1:500 (Al-foi Datum: 06-10-2020

buro WAAL , BRUG

Landschappelijke inpassing De nieuwe vrijstaande woning met bijgebouw vormt samen met de bestaande woning met bijgebouw (nr. 38) een compact erfensemble. Vandaar dat ook bewust gekozen is voor een situering van de woning evenwijdig aan de Van Heemstraweg. Er is daarom ook maar sprake van één inrit voor beide woningen. De bestaande inrit wordt hiervoor gebruikt. De nieuwe woning wordt naar achteren gepositioneerd ten opzichte van de bestaande woning. De vrijstaande garage komt hier dwars op te staan. Door de situering en uitstraling van de nieuwe woning is deze ondergeschikt aan de bestaande woning en wordt het erfensemble gecreëerd. De karakteristieke elementen op het perceel (kas en schoorsteen) blijven behouden. Om de samenhang tussen de bestaande en nieuwe woning te versterken wordt een haag aangeplant rondom het voorerf van de schuurwoning. Om de ondergeschiktheid van dit perceel te benadrukken mag deze hoger uitgroeien (maximaal 2 m). Door de aanplant van de haag ontstaat op het perceel ook een herkenbaar onderscheid tussen het formele deel (de tuinen met woningen) en het informele deel (boomgaarden, grasveld). Om de landschappelijke relatie tussen de Van Heemstraweg en het achterliggende oeverwalgebied te herstellen wordt de onderbegroeiing langs de zuidelijke perceelsgrens voor een groot deel verwijderd.

Ook de naaldbomen (niet gebiedseigen) aan de noordzijde worden verwijderd. De bestaande boomgaarden op het perceel evenals de bestaande bomen aan de zijde van de Van Heemstraweg en de westzijde van het perceel blijven behouden. Uitzondering hierop vormen de niet-gebiedseigen naaldbomen direct voor de bestaande woning (nr. 38). Deze zullen ook verwijderd worden. Aanvullend op de bestaande beplanting zal het nieuwe erf zoals gezegd worden omzoomd door een haag met streekeigen beplanting.

14

bestemmingsplan "Van Heemstraweg 38 Beuningen" (vastgesteld)

bestemmingsplan Van Heemstraweg 38 Beuningen

Referentiebeelden schuurwoning Refererend aan het historische gebruik van de gronden zal de woning qua vorm en massa de kenmerken vertonen van een schuur (schuurwoning). Denk hierbij aan een ‘rustig’ architectuurbeeld dat door gebruik van grotere eenheden en vlakverdeling eenvoud uitstraalt. Er wordt gebruik gemaakt van een (eventueel asymetrisch) zadeldak. De schuurwoning zal overwegend worden uitgevoerd in één bouwlaag en een ruime kap, waarbij anderhalve bouwlaag met kap ook ondergeschikt is toegestaan. Het kleur- en materiaalgebruik is ingetogen, met natuurlijke kleuren en materialen. De architectonische hoofdopzet geeft de bebouwing een uitstraling die past bij de landschappelijke karakteristieken. Door de nadere vormgeving en toe te passen materialen en detailleringen kan hier een hedendaagse invulling aan gegeven worden. De landschappelijke inpassing en beeldkwaliteitsvisie zijn als voorwaardelijke verplichting aan de bestemmingsregels gekoppeld, waardoor de beoogde kwaliteiten ook planologisch-juridisch geborgd zijn.

bestemmingsplan "Van Heemstraweg 38 Beuningen" (vastgesteld)

15

bestemmingsplan Van Heemstraweg 38 Beuningen

Hoofdstuk 3

Beleidskader

3.1

Nationaal beleid

3.1.1

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De kaders van het rijksbeleid zijn opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). In de SVIR schetst het Rijk de ambities tot 2040 en de doelen, belangen en opgaven tot 2028. Daarmee moet Nederland concurrerend, bereikbaar en veilig worden. De structuurvisie gaat uit van het adagium 'decentraal, tenzij'. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Dit betekent dat de verantwoordelijkheid voor het ruimtelijk beleid meer bij provincies en gemeenten komen te liggen. Het Rijk zal zich alleen bezig houden met de zaken die prioriteit hebben. Afspraken over verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk over aan de provincies en gemeenten. Bij het beheren en ontwikkelen van natuur krijgen boeren en particulieren in het landelijk gebied een grotere rol. De structuurvisie is juridisch vertaald in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), zie subparagraaf 3.1.2. Planspecifiek Voor onderhavig plangebied zijn geen specifieke doelstellingen geformuleerd. De SVIR is verder niet specifiek van toepassing op het plangebied.

3.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) borgt een aantal van de nationale ruimtelijke belangen die deel uitmaken van het geldende nationale ruimtelijke beleid, zoals beschreven in de SVIR. In het Barro, ook wel bekend als de AMvB Ruimte, zijn 14 nationale belangen opgenomen die juridische borging vereisen. Het besluit is gericht op doorwerking van de nationale belangen in provinciaal beleid en gemeentelijke bestemmingsplannen. Dat betekent dat het Barro voor de opgenomen onderwerpen regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden. Daarnaast kan zij aan de gemeente opdragen in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren. Planspecifiek Voor onderhavig plangebied zijn geen specifieke doelstellingen geformuleerd. Het Barro is verder niet specifiek van toepassing op het plangebied.

3.1.3

Ladder voor duurzame verstedelijking

De in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geïntroduceerde 'ladder voor duurzame verstedelijking' is als procesvereiste vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet in de toelichting een onderbouwing opgenomen worden van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De ladder worden in artikel 3.1.6, lid 2 Bro als volgt omschreven: 'De toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied.'

16

bestemmingsplan "Van Heemstraweg 38 Beuningen" (vastgesteld)

bestemmingsplan Van Heemstraweg 38 Beuningen

In het kader van de duurzame ladder wordt ten aanzien van de definitie van bestaand stedelijk gebied de definitie uit de Bro gehanteerd: “bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.” Volgens de nota van toelichting bij artikel 3.1.6, tweede lid, aanhef en onder b, van het Bro moet worden bekeken of door het benutten van leegstaande verstedelijkingsruimte in bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien in de behoefte. Zoals ook volgt uit onder andere de uitspraak met het nummer 201303578/1/R4 kunnen naar het oordeel van de Raad van State planologische mogelijkheden waarvan nog geen gebruik is gemaakt, als leegstaande verstedelijkingsruimte worden aangemerkt. Een dergelijke locatie wordt gezien als onderdeel van het bestaand stedelijk gebied. Conform actuele jurisprudentie wordt een ontwikkeling van 12 woningen of meer gezien als stedelijke ontwikkeling. Planspecifiek Er wordt één extra vrijstaande burgerwoning mogelijk gemaakt binnen bestaand bebouwd gebied. Daarmee is volgens de definitie uit het Bro geen sprake van een stedelijke ontwikkeling en hoeft niet getoetst te worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

Bovendien kan gesteld worden dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de regionale woonagenda, zie ook 3.2.3)

3.1.4

Conclusie

In het plangebied zijn geen nationale belangen in het geding.

3.2

Provinciaal beleid

Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening vastgesteld. In de Omgevingsvisie staan de hoofdlijnen van het beleid en in de Omgevingsverordening de regels en afspraken om de opgaven uit de Omgevingsvisie te realiseren. De Omgevingsvisie en -verordening zijn allebei op 1 maart 2019 in werking getreden. De Omgevingsvisie en -verordening zijn dynamische instrumenten. Doordat wetten veranderen of door de komst van nieuwe initiatieven, kijkt de provincie 2 keer per jaar of de plannen moeten worden aangepast.

3.2.1

Omgevingsvisie Gaaf Gelderland

De wereld verandert ingrijpend en er komt veel op de inwoners van Gelderland af. Het energievraagstuk, klimaatverandering, uitputting van grondstoffen, kwetsbare biodiversiteit, digitalisering, internationalisering. Deze zaken vragen stevige antwoorden en oplossingen als investering in de toekomst. Met de schaarse ruimte en de vele uiteenlopende belangen en inzichten gaat dit niet vanzelf. We moeten samen keuzes maken over de voorliggende vraagstukken en de betekenis daarvan voor de inrichting van Gelderland. In onderling overleg zoeken naar synergie, samenhang en uitruilmogelijkheden. Daarom zet de provincie een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal. Om Gelderland voor mensen en bedrijven aantrekkelijk te houden, is de kwaliteit van de leefomgeving van groot belang, zoals goed bereikbare voorzieningen, aansprekende evenementen, unieke cultuurhistorie, inspirerende culturele voorzieningen en een mooie natuur. Ook goed wonen hoort daarbij. Gelderland heeft op woongebied een bijzondere positie met uiteenlopende stedelijke en landelijke woonkwaliteiten. Om het landschap open, groen en het voorzieningenniveau op peil te houden en leegstand te voorkomen, is bouwen binnen bestaand verstedelijkt gebied het vertrekpunt. De provincie geeft de voorkeur aan het benutten van bestaande gebouwen en het concentreren van bebouwing.

Pas als er geen andere goede mogelijkheden zijn, kan er aan de randen van steden of dorpen uitgebreid worden.

bestemmingsplan "Van Heemstraweg 38 Beuningen" (vastgesteld)

17

bestemmingsplan Van Heemstraweg 38 Beuningen

De dynamiek op de woningmarkt is groot. Mensen worden ouder, wonen steeds langer alleen en zelfstandig, worden steeds meer energiebewust en zijn mobieler dan vroeger, waardoor ze ook meer en makkelijker verhuizen. Het grootste deel van de woningen die in 2050 in Gelderland nodig zijn, staat er al. Maar deze woningen zijn niet klaar voor de toekomst en moeten aangepast of vervangen worden. Gelderland heeft de ambitie om een aanbod aan woningtypen en woonmilieus te hebben, dat past bij de diversiteit van de woningvraag; voor iedereen een passende (levensloopgeschikte), duurzame woning. Voor de provincie staat een goede balans tussen de vraag en aanbod van woningen in verschillende prijscategorieën voorop, ook voor specifieke doelgroepen. De meeste woningen zijn verre van energieneutraal en klimaatbestendig. De provincie stimuleert innovaties op dit terrein, zoals het aardgasloos maken van bestaande woningen en het verduurzamen van woonwijken. Daarnaast is de provincie met haar partners in gesprek over hoe het vraagstuk van klimaatadaptatie en wonen slimmer aangepakt kan worden. Voldoende groene ruimte, koele plekken, opvang van water in het licht van de klimaatverandering is immers van belang, zeker met het oog op de gezondheid van de Gelderlanders.

Planspecifiek De beoogde ontwikkeling sluit aan bij het vertrekpunt dat zoveel mogelijk binnen bestaand verstedelijkt gebied gebouwd wordt. De nieuwe woning wordt bovendien zonder aardgasaansluiting gerealiseerd. Voor het onderhavige plangebied zijn geen specifieke doelstellingen geformuleerd. Aangezien behoudens de bouw van één nieuwe woning, geen nieuwe planologische ontwikkelingen in het plangebied mogelijk worden gemaakt, is het plan passend binnen de omgevingsvisie

3.2.2

Omgevingsverordening Gelderland

De Omgevingsverordening vormt de juridische doorwerking in regels van het beleid uit de Omgevingsvisie. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening.Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en bodem. In het verstedelijkingsbeleid wordt de Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik toegepast. In lijn met de Omgevingsvisie is het zodoende mogelijk lokaal maatwerk te leveren.

Ten aanzien van 'Wonen' is in artikel 2.2.1.1 opgenomen dat in een bestemmingsplan nieuwe woonlocaties en de daar te bouwen woningen slechts worden toegestaan wanneer dit past in het geldende door Gedeputeerde Staten vastgestelde Kwalitatief Woonprogramma voor de betreffende regio successievelijk de door Gedeputeerde Staten vastgestelde kwantitatieve opgave wonen voor de betreffende regio. Planspecifiek Aangezien het toevoegen van één woning passend is binnen het gemeentelijke woningbouwprogramma (dat op zijn beurt past binnen de regionale woonagenda, zie ook 3.2.3), is de voorgenomen ontwikkeling niet strijdig met artikel 2.2.1.1 uit de Omgevingsverordening. Voor het onderhavige plangebied zijn geen andere specifieke doelstellingen geformuleerd in de Omgevingsverordening.

3.2.3

Regionale woningbouwafspraken

De gemeenten Berg en Dal, Beuningen, Druten, Heumen, Mook en Middelaar, Nijmegen en Wijchen hebben begin februari 2018 gezamenlijk een nieuwe regionale woonagenda 2017 - 2027 vastgesteld. Op basis van een analyse van de regionale behoefte, kunnen in de regio gedurende de looptijd van de agenda circa 16.500 woningen worden gebouwd. Waarvan 950 woningen in de gemeente Beuningen. Dit is een toename ten opzichte van de eerdere regionale woningbouwafspraken.

18

bestemmingsplan "Van Heemstraweg 38 Beuningen" (vastgesteld)

bestemmingsplan Van Heemstraweg 38 Beuningen

Planspecifiek De toevoeging van één woning past binnen de regionale woningbouwafspraken.

3.2.4

Conclusie

In het plangebied zijn geen provinciale belangen in het geding.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1

Structuurvisie

De gemeentebrede Structuurvisie is op 8 mei 2012 vastgesteld. De structuurvisie is een ontwikkelingsvisie met een richtinggevend en programmatisch karakter. Het bevat integrale keuzen voor de hoofdlijnen van het gemeentelijk ruimtelijk beleid voor de komende jaren en wordt ingezet als onderdeel van een ruimtelijke onderbouwing voor bestemmingsplannen, omgevingsvergunningen en voorbereidingsbesluiten. Motto van de structuurvisie is dat de gemeente groen en dynamisch wil zijn. In essentie is het ruimtelijk beleid er op gericht om ruimte te geven aan dynamiek, waarbij de groene kwaliteiten van het gebied gerespecteerd en deze waar dat kan versterkt worden. Het motto wordt in de structuurvisie doorvertaald in enkele kernambities: 1. Beuningen: groene flank van de stadsregio 2. Beuningen woongemeente: gedoseerde groei, oog voor kwaliteit 3. Versterken en verbinden van landschappen 4. Ruimte voor water en recreatie 5. Toekomstgerichte basisvoorzieningen in elke kern 6. Doorstroming én oversteekbaarheid Van Heemstraweg Ambitie II Beuningen woongemeente: gedoseerde groei, oog voor kwaliteit Beuningen wil zich, binnen de regio, onderscheiden als woongemeente in een sterke groene setting. Het streven is tweeledig.

Enerzijds gaat de gemeente voor een gedoseerde groei van het aantal woningen, waarbij gedifferentieerd wordt gebouwd voor de juiste doelgroepen (senioren, starters, kleine huishoudens). De gemeente biedt een gevarieerd aanbod aan woonmilieus: landelijk, dorps en centrum-dorps wonen. Elke kern heeft een eigen karakter en de sociale structuur binnen de kern is een groot goed. Hiermee voegt Beuningen echt iets toe aan het regionale woningaanbod (vooral grootstedelijke milieus) en wordt geanticipeerd op de vraag uit de markt naar deze woonmilieus. De gemeente bouwt woningen om invulling te geven aan de eigen woningbehoefte. Anderzijds zet de gemeente in op de versterking van de kwaliteit van de bestaande bebouwing en omgeving. Binnen de plancapaciteit die Beuningen nu heeft, maakt de gemeente keuzes op basis van kwaliteit en geld. Sommige ontwikkelingen worden in tijd naar achteren geschoven. Planspecifiek De gemeente vindt het belangrijk dat er de komende jaren in iedere kern gebouwd wordt en dat daarbij sprake is van organische groei, passend bij de ontwikkeling van de kern. Geen grootschalige uitbreidingen, maar kleinschalige impulsen, passend bij de bestaande sfeer en identiteit. Daar waar mogelijk geeft de gemeente voorkeur aan inbreidingslocaties boven uitbreidingslocaties. De realisatie van de woning is passend binnen de gemeentelijke structuurvisie.

3.3.2

Woonvisie

bestemmingsplan "Van Heemstraweg 38 Beuningen" (vastgesteld)

19

bestemmingsplan Van Heemstraweg 38 Beuningen

De gemeenteraad heeft de woonvisie voor de periode 2018 - 2023 op 19 december 2017 vastgesteld. Met deze Woonvisie stelt de gemeente haar woonbeleid voor de komende jaren vast. De Woonvisie vormt de basis voor het woningbouwprogramma in de komende jaren, afstemming met de buurgemeenten en prestatieafspraken met Standvast Wonen. De woonvisie gaat uit van een vitaal, zorgzaam en duurzame gemeente. In de toekomst (stip op de horizon circa 2030) bestaat de gemeente uit dorpen waarin het fijn wonen is voor mensen, ongeacht hun leeftijd, inkomen, mobiliteit of gezondheid. Kernen in een rustige, groene omgeving met de kracht van de nabijheid en bereikbaarheid van werk en voorzieningen in de stedelijke agglomeratie. De kernen zijn aantrekkelijke, duurzame en gezonde leefgemeenschappen, passend bij de (veranderende) vraag van de consument. De gemeente Beuningen is een bewuste keuze voor jonge gezinnen die de stad verlaten om in de gemeente rust en ruimte te zoeken, alsmede voor ouderen en zorgbehoevenden die in de gemeente willen blijven wonen. Met duurzame en zorgzame woonmilieus beschikt Beuningen over een onderscheidend, kwalitatief hoogwaardig palet aan woonmilieus in de regio.

Planspecifiek De voorgenomen bouw van één vrijstaande woning in het plangebied past zowel binnen de woonvisie, alsmede binnen het gemeentelijke woningbouwprogramma (en daarmee binnen de regionale woonagenda). In kwalitatieve zin sluit de realisatie van de woning aan bij de behoefte om op eigen grond een woning te kunnen bouwen (particulier opdrachtgeverschap). Hiermee is het initiatief passend binnen de gemeentelijke woonvisie.

3.3.3

Conclusie

Het bestemmingsplan is daarmee passend binnen de gemeentelijke beleidskaders.

3.4

Conclusie

Dit bestemmingsplan is overeenkomstig binnen het nationaal, provinciaal en gemeentelijke beleid.

20

bestemmingsplan "Van Heemstraweg 38 Beuningen" (vastgesteld)

bestemmingsplan Van Heemstraweg 38 Beuningen

Hoofdstuk 4

Milieu- Ä omgevingsaspecten

4.1

Verkeer S parkeren

4.1.1

Verkeer

Omdat er één extra vrijstaande woning gerealiseerd wordt, komen er circa 7 voertuigbewegingen per gemiddelde weekdag voor terug. De nieuwe woning zal gebruik maken van de bestaande inrit van Van Heemstraweg 38. De extra voertuigbewegingen zijn prima af te wikkelen op de Van Heemstraweg. Het aspect 'verkeer' vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.1.2

Parkeren

Op grond van het gemeentelijke parkeerbeleid, dat is verankerd in het bestemmingsplan ‘Parapluplan Parkeren’, dient bij nieuwbouw van een woning rekening te worden gehouden dat er 2,3 parkeerplaatsen op eigen terrein worden ingericht. In het inpassingsplan is voldoende gelegenheid opgenomen om op eigen terrein te voorzien in deze parkeerbehoefte. Dat voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid, is als voorwaarde in de bestemmingsregels opgenomen. Het aspect 'parkeren' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.2

Bodem

4.2.1

Regelgeving

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet in verband met de uitvoerbaarheid van een project rekening worden gehouden met de bodemgesteldheid. Bij functiewijzigingen moet worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig moet worden gesaneerd, dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). De Wet bodembescherming heeft betrekking op landbodems; waterbodems vallen onder de Waterwet. Op grond van de Woningwet en de Bouwverordening moet voor elke individuele bouwlocatie aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor de beoogde bebouwing, alvorens een omgevingsvergunning verleend kan worden. Bij het opstellen van een bestemmingsplan is de vraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Het uitgangspunt hierbij is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet. Dit is het zogenaamde stand still-beginsel.

Het vaststellen van de bodemkwaliteit wordt bij het opstellen/wijzigen van een bestemmingsplan dan ook alleen van belang geacht voor de locaties waar ontwikkelingen gepland zijn (zoals functiewijzigingen, bouwen, graven/ophogen).

4.2.2

Doorvertaling bestemmingsplan

Er is ten behoeve van de aankoop van het perceel door de huidige eigenaar een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd in het plangebied, zie Bijlage 1 Hierna worden de onderzoeksresultaten kort samengevat. Op basis van de resultaten van het vooronderzoek is uitgegaan van een “verdachte locatie” omdat op basis van het gebruik ten behoeve van de tuinbouw een eventuele verontreiniging van de bovengrond met organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB) niet is uit te sluiten. Daarnaast is op basis van de beschikbare informatie sprake van de volgende (potentieel) verdachte deellocaties: voormalig ketelhuis en de oprit.

bestemmingsplan "Van Heemstraweg 38 Beuningen" (vastgesteld)

21

bestemmingsplan Van Heemstraweg 38 Beuningen

Op basis van het uitgevoerde onderzoek blijkt dat de grond, ondanks enkele lichte verontreinigingen, overwegend voor hergebruik in aanmerking komt, bij voorkeur binnen eigen terrein. Ter plaatse van boring 13 is de kleiige bodemlaag tot 0,2 m-mv sterk verontreinigd (overschrijding interventiewaarde) is met PAK. Door het aanvullend onderzoek is afdoende aangetoond dat de omvang van de sterke verontreiniging minder dan 25 m3 bedraagt en dat derhalve geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging met PAK. Deze verontreiniging is reeds gesaneerd. Indien ter plaatse van boring 13 grondwerk moet plaatsvinden, wordt aanbevolen een plan van aanpak op te stellen en voor te leggen aan de gemeente Beuningen. Als grond van het overige terrein vrijkomt, moet er rekening mee worden gehouden dat deze niet zonder meer elders toepasbaar is. Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.3

Geluid

4.3.1

Regelgeving

Belangrijke basis voor de ruimtelijke afweging van het aspect geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Overeenkomstig de Wgh zijn (spoor-)wegen en industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen voorzien van zones. Het gebied binnen deze zones geldt als akoestisch aandachtsgebied waar een toetsing uitgevoerd moet worden. Daarbij beperkt de Wgh zich tot een toetsing ter plaatse van zogenaamde geluidsgevoelige objecten. Dit zijn onder andere woningen, onderwijsgebouwen, gezondheidszorggebouwen, kinderdagverblijven, woonwagenstandplaatsen en ligplaatsen voor woonboten. Voor de geluidsgevoelige gebouwen en terreinen die binnen bepaalde afstanden (zones) van de verschillende geluidsbronnen liggen, schrijft de Wgh voor dat een aangewezen bevoegd gezag (meestal Burgemeester en Wethouders) (maatwerk)grenswaarden bepaalt. De terminologie die de wet hiervoor hanteert is: ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting. De getalsmatige invulling van deze grenswaarden voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per locatie en per geluidssoort. Naast grenswaarden op de gevels van de geluidsgevoelige gebouwen, zijn er in de Wgh ook grenswaarden gericht op de bescherming van het akoestische klimaat binnen de bestaande gebouwen. De grenswaarden moeten bij de aanleg, dan wel wijzigingen van een (spoor)weg of industrieterrein in acht worden genomen.

Dit geldt ook bij vaststelling of herziening van een bestemmingsplan of bij een projectbesluit wanneer de betreffende gronden/gebouwen voor een geluidgevoelige functie in een geluidszone zijn gelegen. Onder bepaalde voorwaarden is een hogere geluidsbelasting dan de voorkeursgrenswaarde mogelijk (tot de maximaal toelaatbare geluidsbelasting). Hiervoor moet een 'hogere waarde procedure' worden doorlopen door het college van burgemeester en wethouders. Een uitzondering waar toetsing aan de grenswaarden niet hoeft, is wanneer een geluidsgevoelig gebouw een zogenoemde 'dove' gevel heeft. Een 'dove gevel' is een bouwkundige constructie: » waarin geen te openen delen aanwezig zijn en met een bepaalde geluidwering; » waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits de delen niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte. Bij ontheffing van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting kan (in het kader van de omgevingsvergunning) een nader akoestisch onderzoek noodzakelijk zijn ten behoeve van het woonen leefklimaat in de woning. De karakteristieke geluidwering van de gevel moet voor nieuwbouw zodanig zijn dat wordt voldaan aan de eisen uit het Bouwbesluit, zijnde het verschil tussen de geluidsbelasting op de gevel en het gewenste binnenniveau met een minimum van 20 dB.

Regelgeving In de Wgh en het Bgh is de zonering van wegen en het daarbij horende normenstelsel geregeld. Een zone is het akoestisch aandachtsgebied. Volgens de Wgh bevinden zich langs alle wegen wettelijke geluidzones, met uitzondering van woonerven, 30-km/uur-gebieden en wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveaukaart blijkt dat de geluidsbelasting op 10 m uit de meest nabij gelegen wegas 48 dB of minder bedraagt. Bij vaststelling van een bestemmingsplan moet voor alle wegen waarvan de zone een overlap met het plangebied kent, een akoestisch onderzoek worden verricht (artikel 76 lid 1 Wgh). De breedte van deze zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de aard van de omgeving (stedelijk of

22

bestemmingsplan "Van Heemstraweg 38 Beuningen" (vastgesteld)

bestemmingsplan Van Heemstraweg 38 Beuningen

buitenstedelijk), zie navolgende tabel. Zontbrccdtc Aantal rijstroken 5 of meer 3 of 4 1 of 2

Stedelijk gebied 350 meter 350 meter 200 meter

BĽiiten5tedŖ|ijk gebiţtļ 500 meter 400 meter 250 meter

Overzicht zonebreedtes (vanaf de as van de weg tot de volgende breedte aan weerszijden van de weg) De definities van het buitenstedelijk en stedelijk gebied zijn opgenomen in artikel 1 van de Wgh. Als buitenstedelijk gebied wordt aangemerkt het gebied buiten de bebouwde kom en het gebied binnen de zone van een autoweg of autosnelweg, die binnen de bebouwde kom ligt. Voor nieuwe woningen bedraagt de wettelijke (voorkeurs)grenswaarde 48 dB.

4.3.2

Doorvertaling bestemmingsplan

Ten behoeve van de realisatie van de nieuwe woning ten westen op het perceel Van Heemstraweg 38, is er een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd (zie Bijlage 2). Door de nieuwe ontwikkeling wordt één woning (geluidsgevoelige bestemming) gerealiseerd. De nieuwe woning ligt nabij diverse wegen. De geluidsbelasting van de nieuwe woning is getoetst aan de normen uit de Wet geluidhinder (Wgh). De hoogste geluidsbelasting, afkomstig van de Van Heemstraweg, bedraagt 51 dB, inclusief aftrek op grond van artikel 110g Wgh. Bij de nieuwe woning wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wgh overschreden, echter de hoogst toelaatbare geluidsbelasting van 63 dB wordt niet overschreden.De hoogste geluidsbelasting, afkomstig van de Haagstraat, bedraagt 40 dB, inclusief aftrek op grond van artikel 110g Wgh. Bij de nieuwe woning wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wgh. Gezien de beperkte schaal van dit plan (realisatie van één woning) is het niet mogelijk of gewenst om effectieve maatregelen te treffen die de geluidsbelastingen terugbrengen tot de voorkeursgrenswaarde van 48 dB Op basis van de Wgh kan de gemeente Beuningen een hogere waarde verlenen voor de geluidsbelasting van 51 dB afkomstig van de Van Heemstraweg. De woning kan na de verlening van hogere waarden worden gerealiseerd.

4.4

Milieuzonering

4.4.1

Regelgeving

Wanneer ruimtelijke ontwikkelingen in de directe omgeving van inrichtingen en/of bedrijven worden gerealiseerd, zal een milieukundig onderzoek uit moeten wijzen in hoeverre er sprake is van mogelijke beperkingen ten gevolge van de aanwezige inrichtingen en of bedrijven. Maar ook andersom moet aandacht worden besteed aan de rechten van de aanwezige inrichtingen en/of bedrijven. Het is immers niet de bedoeling dat nieuwe ontwikkelingen de huidige bedrijfsvoering in de directe omgeving zullen beperken. Datzelfde geldt uiteraard ook voor de situatie dat inrichtingen en/of bedrijven wijzigen in de nabijheid van bestaande gevoelige functies. Via de milieuwetgeving wordt milieuhinder zoveel mogelijk voorkomen. Alle bedrijven en inrichtingen die in potentie hinder zouden kunnen veroorzaken, moeten een vergunning hebben in het kader van de Wet milieubeheer of moeten middels een melding aantonen dat zij aan de hierin gestelde richtwaarden kunnen voldoen. De gestelde richtwaarden zijn veelal vertaald in minimale afstanden tussen de inrichtingen waar activiteiten plaatsvinden en de milieugevoelige functies in de directe omgeving. Behalve van de aard en omvang van een bedrijf of inrichting, is deze mede afhankelijk van de omgevingskarakteristiek. Voor een rustige woonomgeving gelden andere afstanden (strengere eisen) dan voor bijvoorbeeld drukke woonwijken of een gemengd gebied.

bestemmingsplan "Van Heemstraweg 38 Beuningen" (vastgesteld)

23

bestemmingsplan Van Heemstraweg 38 Beuningen

Voor het vaststellen van de genoemde minimum richtafstanden tussen inrichtingen en milieugevoelige functies worden in de regel de lijsten zoals deze zijn opgenomen in de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' gebruikt. Bedrijven zijn in de VNG-handreiking ingedeeld in een aantal categorieën met bijbehorende gewenste richtafstanden tot milieugevoelige functies. De categorieën geven de zwaarte van bedrijvigheid en mogelijke milieuhinder weer. De richtafstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied. Milieu categorie i 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2

S.ä 6

Richtafstand omgevingstype rustige woonwijk, ruslřg burtcngcbied 10 m 3ûm 50 m 1Ū0im zon Ki 300 m 500 m 700 ju 1,000 m 1 500 ril

Richlafstand omgevingstype gemengd gebied 0 rr 10 m 30 m 50 m 100' m 200 m 300 m 500 m 700' m 1 000 m

Richtafstanden VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' Bovenstaande tabel geeft een overzicht van de richtafstanden voor verschillende bedrijfscategorieën ten opzichte van een woonwijk en gemengd gebied. Indien de richtafstand niet wordt overschreden, kan verdere toetsing voor het aspect in beginsel achterwege blijven: inpassing is dan mogelijk. Indien niet aan de richtafstanden wordt voldaan, is een nadere beschouwing danwel onderzoek nodig.

4.4.2

Doorvertaling bestemmingsplan

In de directe omgeving van het plangebied komen uitsluitend burgerwoningen voor. Bedrijven worden niet belemmerd en er is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Het aspect 'milieuzonering' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.5

Luchtkwaliteit

4.5.1

Regelgeving

Op 15 november 2007 is de wijziging van de Wet milieubeheer in werking getreden. Deze wet vervangt het 'Besluit luchtkwaliteit 2005' en is één van de maatregelen die de overheid heeft getroffen om: » negatieve effecten op de volksgezondheid als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken. » mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling te creëren ondanks de overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit. De paragraaf luchtkwaliteit in de Wet milieubeheer voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als: » er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde. » een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt. » een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging (meer dan 3 “/o ten opzichte van de grenswaarde).

Het gaat hier bijvoorbeeld om woningbouwlocaties met één ontsluitingsweg en niet meer dan 1.500 nieuwe woningen, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen. » een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat in werking is getreden nadat de EU in april 2009 derogatie heeft verleend.

24

bestemmingsplan "Van Heemstraweg 38 Beuningen" (vastgesteld)

bestemmingsplan Van Heemstraweg 38 Beuningen

Als aannemelijk kan worden gemaakt dat aan één of meerdere van de bovengenoemde criteria wordt voldaan, kan het project zonder toetsing aan de gestelde grenswaarden voor luchtkwaliteit worden uitgevoerd. In de Ministeriële regeling 'niet in betekenende mate bijdragen' zijn voor verschillende categorieën van projecten grenzen gesteld aan de projectomvang, waaronder een project met zekerheid NIBM bijdraagt aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) extra bescherming: substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 m van een provinciale weg of 300 m van een rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden, waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico's optreden. De zones worden afgemeten vanaf de rand van de weg. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties dus niet als gevoelige bestemming gezien.

4.5.2

Doorvertaling bestemmingsplan

De realisatie van één extra vrijstaande woning wordt aangemerkt als een project met een 'NIBM'-bijdrage aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.6

Geur

4.6.1

Regelgeving

Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningsplichtig zijn op basis van de Wet milieubeheer (Wm). Het beoordelingskader is als volgt: » voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld (in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv)) geldt een maximale geurbelasting) op een geurgevoelig object; » voor andere diercategorieën geldt een minimale afstand van de dierenverblijven ten opzichte van geurgevoelige objecten. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden (conform Reconstructiewet) en niet-concentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. De wet beschrijft in artikel 3 de maximale norm voor geurbelasting van een veehouderij ten opzichte van een gevoelig object in vier situaties, zie navolgende tabel.

Binnen bebouwde kom

Buiten bebouwde kom

Concentratiegebied

Niet-conceníraíiegebìed

diercategorieën Rgv

maximaal 3 oue/iti8

maximaal 2 oue/iti8

andere diercategorieën

minimaal 100 m t.o.v. geurgevoelig object

minimaal 100 m t.o.v. geurgevoelig object

diercategorieën Rgv

maximaal 14 oue/iĩi*

maximaal 8 ouE/m®

andere diercategorieën

minimaal 50 m t.o.v. geurgevoelig object

minimaal 50 m t.o.v. geurgevoelig object

Geurnormen Wgv De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid om afwijkende geurnormen vast te stellen voor (delen van) het grondgebied. Op deze wijze kan de gemeente een geurhinderbeleid vaststellen dat is afgestemd op de plaatselijke situatie. Regeling geurhinder en veehouderij In de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) is de wijze vastgelegd waarop: » de geurbelasting wordt bepaald; » de afstand tussen veehouderij en geurgevoelig object) wordt gemeten.

bestemmingsplan "Van Heemstraweg 38 Beuningen" (vastgesteld)

25

bestemmingsplan Van Heemstraweg 38 Beuningen

Activiteitenbesluit Per 1 januari 2013 zijn agrarische activiteiten onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit gebracht. In het Activiteitenbesluit zijn voor alle agrarische activiteiten, waaronder akkerbouwbedrijven en veehouderijen, eisen opgenomen. Voor de veehouderijen is aangesloten bij de systematiek uit de Wgv, dat wil zeggen dat in bepaalde gevallen een maximaal toegestane geurbelastingen geldt (diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld, bijvoorbeeld varkens en pluimvee) en in andere gevallen vaste afstandseisen gelden (diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, waaronder melkrundvee). Geur bij niet-agrarische bedrijven Het voorkomen van (nieuwe) geurhinder is het algemene uitgangspunt in het rijksbeleid. Dit uitgangspunt is uitgewerkt in het landelijk informatiedocument ‘Handleiding Geur Industrie’ en beschrijft de methodiek voor de bepaling van het aanvaardbaar hinderniveau voor geur ten gevolge van bedrijfsmatige activiteiten. Vanwege het lokale aspect van geurhinder is de hoogte van het aanvaardbaar hinderniveau niet landelijk vastgelegd. Het bevoegd gezag moet daar een eigen afweging in maken. De provincie Gelderland heeft deze afweging uitgewerkt in de ‘Beleidsregels geur bedrijven (niet-veehouderijen) Gelderland 2017’ voor de industriële bedrijven waarvoor de provincie het bevoegde gezag is.

Daarin is het aanvaardbaar geurhinderniveau vertaald naar streef-, richt- en grenswaarden. De streefwaarde is de waarde waaronder geen sprake is van hinder. De grenswaarde is de waarde waarboven sprake is van ernstige hinder. Over het algemeen wordt een geurcontour die ligt tussen streef- en grenswaarde als aanvaardbaar geurhinderniveau vastgesteld en vastgelegd in de milieuvergunning voor een industrieel geurrelevant bedrijf.

4.6.2

Doorvertaling bestemmingsplan

Er is geen sprake van agrarische bedrijven in de directe omgeving met een geurcontour die (deels) over het plangebied gelegen is. Bovendien zijn tussen omliggende agrarische bedrijven en het plangebied al andere gevoelige (woon)bestemmingen gelegen, die maatgevend zijn voor de bedrijfsvoering van de betreffende agrarische bedrijven. Het aspect 'geurhinder' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.7

Externe veiligheid

4.7.1

Regelgeving

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen als vuurwerk, lpg en munitie over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid rondom externe veiligheid is vastgelegd in circulaires, regelingen, AMvB's en wetten. In Nederland worden twee maten gehanteerd voor externe veiligheidsrisico's, namelijk het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij het plaatsgebonden risico (PR) gaat het om de kans per jaar dat een denkbeeldig persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen als deze persoon zich onafgebroken en onbeschermd in de nabijheid van een risicovolle inrichting of transportas bevindt. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven als een contour rondom de risicovolle inrichting of de transportas. Het groepsrisico (GR) is de cumulatieve kans dat een (werkelijk) aanwezige groep van 10, 100 of 1.000 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet verantwoord worden voor het gebied waarbinnen zich de gevolgen van een incident met gevaarlijke stoffen voordoen. Dit is de zogenaamde 1 %-letaliteitsgrens; de afstand vanaf een risicobedrijf waarop nog slechts 1 /o van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval op het risicobedrijf (invloedsgebied).

26

bestemmingsplan "Van Heemstraweg 38 Beuningen" (vastgesteld)

bestemmingsplan Van Heemstraweg 38 Beuningen

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein, bijvoorbeeld rondom chemische fabrieken, LPG-tankstations en spoorwegemplacementen waar goederentreinen met gevaarlijke stoffen rangeren. Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij woningen, kantoren, ziekenhuizen, scholen of winkels. Het besluit verplicht gemeenten en provincies wettelijk vanaf de inwerkingtreding van het besluit bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van ruimtelijke plannen met externe veiligheid rekening te houden. Het gaat daarbij niet alleen om het oprichten van of veranderen van inrichtingen of projecteren van nieuwe bestemmingen. Ook bij het vaststellen of herzien van een bestemmingsplan moet de externe veiligheid worden beoordeeld. Het besluit is op 27 oktober 2004 in werking getreden. Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Daarin wordt geregeld hoe een gemeente moet omgaan met risico’s langs relevante buisleidingen. De hogedruk gasleidingen van Gasunie zijn het meest relevant. De risico’s worden met name bepaald door de maximale druk en diameter van de leiding, maar ook door getroffen maatregelen. Op 1 april 2015 is de Wet basisnet in werking getreden.

De Wet basisnet voorziet in een wijziging van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen ('Wvgs') ter verankering van een landelijk basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het basisnet is een samenstel van wegen, binnenwateren en hoofdspoorwegen waaraan een bepaalde risicoruimte voor het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt toegekend. Als deze risicoruimte, de zogenaamde risicoplafonds, door een groei van het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt overschreden of dreigt te worden overschreden, moet de minister maatregelen nemen. De risicoplafonds moeten daarnaast in acht worden genomen bij het toestaan van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van basisnetroutes. Op deze manier kan de veiligheid langs de transportroutes voor gevaarlijke stoffen in toenemende mate worden gegarandeerd. Gelijktijdig met de Wet Basisnet zijn ook andere regelingen in werking getreden zoals de wijziging van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen (Bvgs), de Regeling basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) is een aandachtsgebied gedefinieerd waarbinnen het groepsrisico verantwoord moet worden (200 m). Buiten deze zone hoeft in het invloedsgebied alleen ingegaan te worden op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid (beperkte verantwoording).

4.7.2

Doorvertaling bestemmingsplan

Op navolgende afbeelding is een uitsnede weergegeven van de provinciale risicokaart. Hierop is informatie weergegeven ten aanzien van inrichtingen met gevaarlijke stoffen, transportroutes en buisleidingen:

bestemmingsplan "Van Heemstraweg 38 Beuningen" (vastgesteld)

27

bestemmingsplan Van Heemstraweg 38 Beuningen

.-«SřC

Uitsnede risicokaart met globale aanduiding plangebied (rode omkadering, Bron: www.risicokaart.nl)

Inrichtingen c.q. bedrijven Het plangebied is niet gelegen binnen invloedsgebieden van inrichtingen c.q. bedrijven. Vervoer van gevaarlijke stoffen Het plangebied is niet gelegen in de directe nabijheid van een transportroute over water. De Waal is op circa 1.400 m gelegen. Ook de transportroutes voor gevaarlijke stoffen over de A73 en de A50 liggen op ruime afstand van het plangebied en zijn niet relevant in het kader van het aspect externe veiligheid. Vervoer van gevaarlijke stoffen door een buisleiding Op circa 470 m ligt een tweetal buisleidingen (48 inch, 66 bar). De leidingen hebben geen 10-6 contour die een overlapt kent met het plangebied. Het invloedsgebied betreft 580 m. Gezien de grote afstand tot het plangebied, de ontwikkeling één woning betreft, het plangebied gelegen is tussen/nabij andere woningen (en het gemeentehuis), zal het groepsrisico niet significant toenemen. Voldaan kan worden met een beperkte verantwoording. Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen.

Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om dit advies tijdig op te volgen.

28

bestemmingsplan "Van Heemstraweg 38 Beuningen" (vastgesteld)

bestemmingsplan Van Heemstraweg 38 Beuningen

Gelet op de hiervoor genoemde overwegingen zijn er voldoende mogelijkheden voor de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid bij een zwaar ongeval bij de genoemde inrichting. Dit betekent dat geen nadere eisen aan het plan gesteld hoeven te worden in het kader van het aspect externe veiligheid. Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.8

Waterhuishouding

4.8.1

Regelgeving

Algemeen Voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, hanteert de overheid het volgende criterium met betrekking tot het duurzaam omgaan met water: Doordat een toename van het verhard oppervlak ertoe leidt dat het afvoerverloop niet meer natuurlijk is, is het beleid erop gericht het regenwater zoveel mogelijk te infiltreren naar het freatisch grondwater, waardoor een meer natuurlijk afvoerverloop ontstaat. Dit vertaalt zich in de volgende richtlijnen: 1. Nieuwe plannen moeten voldoen aan het principe van het “hydrologisch neutraal” bouwen. Hierbij moet de hydrologische situatie, voor wat betreft de afvoer van hemelwater, minimaal gelijk blijven aan de oorspronkelijke situatie. De oorspronkelijke landelijke afvoer (naar het oppervlaktewater) mag niet overschreden worden. 2. In aansluiting op het landelijk beleid hanteert het waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht moet worden hoe met het schone hemelwater omgegaan kan worden. 3. Bij alle nieuwbouwplannen moet (vuil) afvalwater en (schoon) hemelwater gescheiden worden behandeld. Het schone en vuile water worden daarbij apart aangeleverd aan de riolering of, indien mogelijk, wordt het schone water aan de natuur teruggegeven. Dit is ook het geval als in openbaar gebied nog steeds een gemengd rioolstelsel aanwezig is.

Bij de inrichting, het bouwen en het beheer moeten zo min mogelijk vervuilende stoffen aan het bodem- en oppervlaktewatersysteem worden toegevoegd. Hierbij verdient het materiaalgebruik speciale aandacht: uitloogbare of uitspoelbare bouwmaterialen moeten worden vermeden om watervervuiling te voorkomen. Uitgangspunten Waterschap Rivierenland Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Rivierenland. De uitgangspunten die door het waterschap worden gehanteerd in het kader van de watertoets kunnen worden verwoord als: a. Waterneutraal inrichten. Om te voorkomen dat door de aanleg van nieuw verhard oppervlak wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang om het verlies aan waterberging in de bodem te compenseren. b. Schoon inrichten. Om te voorkomen dat de waterkwaliteit van het oppervlaktewater negatief wordt beïnvloed. Binnen het stedelijk gebied zal daarom schoon hemelwater van nieuwbouwprojecten gescheiden van het vuilwater moeten worden afgevoerd: afkoppelen. Het waterschap streeft naar 100 /o afkoppeling van schoon hemelwater van verharde oppervlakken (gebouwen, wegen en ander terreinverharding). c. Veilig inrichten. Door nieuwbouwplannen mag de veiligheid van een (primaire) waterkering, het waterkerend vermogen, niet worden aangetast.

Dit geldt niet alleen voor de dijk zelf, maar tevens voor de beschermingszones ter weerszijden van de dijk. Voor het lozen van overtollig hemelwater op het oppervlaktewater, hetzij rechtstreeks, hetzij via een bestaande of een nieuwe inrichting (zoals een regenwaterriool), is een watervergunning noodzakelijk. Daarnaast moeten in die gebieden die onderhevig zijn aan rivierkwel de effecten van de voorgenomen plannen op de kwel in beeld worden gebracht. Indien compensatie vereist is hanteert Waterschap Rivierenland de volgende twee ontwerpbuien ten aanzien van de benodigde bergingscapaciteit: » De 1=10+10/0 neerslag. Hierbij mag het peil (van het oppervlaktewater) niet meer dan 0,2 of 0,3 m stijgen, afhankelijk van het deelgebied waarin de ontwikkeling plaats vindt. Vuistregel hierbij is 436 m3 berging per ha verhard oppervlak, overeenkomend met een neerslag van 43,6 mm. » De T=100+10%-neerslag. Hierbij is een peilstijging toegestaan tot laagste putdekselhoogte op wijkniveau. Vuistregel hierbij is 664 m3 berging per ha verhard oppervlak, overeenkomend met een neerslag van 66,4 mm. Deze vuistregel geldt met name voor droogvallende voorzieningen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Beuningen&id=03ba2deb-80b7-4800-aa85-bc4e57fb6d5c