01 Toelichting en regels BP Ecowieck Ewijk.pdf
Tekst van het document
4.5
Geur
4.5.1
Regelgeving
Vergunningplichtige veehouderijen moeten voor wat betreft geur van dierenverblijven voldoen aan de Wet geurhinder en veehouderij. Verder moeten op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht de beste beschikbare technieken worden toegepast. Veehouderijen die onder het Activiteitenbesluit vallen, moeten voldoen aan de in dat besluit genoemde minimumafstanden en of norm voor de geurbelasting tot geurgevoelige objecten. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningen op grond van de Wet milieubeheer, waar het gaat om stank veroorzaakt door het houden van dieren. Daarnaast is de wet van belang in verband met de zogenoemde 'omgekeerde werking' in het kader van de ruimtelijke ordening. De Wgv kent een aantal standaardnormen. De Wgv stelt alleen eisen aan de geurhinder vanwege dierenverblijven. De Wgv maakt hierbij onderscheid tussen dieren met geuremissiefactoren en dieren zonder geuremissiefactoren: » De wet schrijft voor dat bij dieren waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld de geurbelasting op een 'geurgevoelig object' niet meer mag bedragen dan een bepaalde waarde. De geuremissiefactoren zijn opgenomen in bijlage 1 van de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv). » Voor dieren waarvoor geen geuremissiefactor is opgenomen, moet tenminste een minimale afstand tussen een veehouderij en een 'geurgevoelig object' worden aangehouden.
De maximaal toegestane geurbelasting op 'geurgevoelige objecten' is bij dieren met een geuremissiefactor afhankelijk van de liggen van de objecten. Deze maximale waarde voor de geurbelasting is opgenomen in artikel 3 van de Wgv en wordt uitgedrukt in aantallen Europese odour units in een volume-eenheid lucht (OUe/m3). Hierbij wordt uitgegaan van de 98-percentiel geurconcentratie. Dat betekent dat de berekende geurconcentratie gedurende 98 procent van het jaar niet wordt overschreden. Daarnaast hebben gemeenten de mogelijkheid gekregen om binnen een wettelijk bepaalde bandbreedte van deze standaardnormen af te wijken. Op deze wijze kan de gemeente een geurhinderbeleid vaststellen dat is afgestemd op de plaatselijke situatie.
4.5.2
Doorvertaling bestemmingsplan
In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen agrarische bedrijven gevestigd met een geurcontour die raakt aan het plangebied.
26
bestemmingsplan "Ecowieck Ewijk" (vastgesteld)
bestemmingsplan Ecowieck Ewijk
Het aspect 'geur' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.6
Externe veiligheid
4.6.1
Regelgeving
Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen als vuurwerk, lpg en munitie over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid rondom externe veiligheid is vastgelegd in circulaires, regelingen, AMvB's en wetten. In Nederland worden twee maten gehanteerd voor externe veiligheidsrisico's, namelijk het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij het plaatsgebonden risico (PR) gaat het om de kans per jaar dat een denkbeeldig persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen als deze persoon zich onafgebroken en onbeschermd in de nabijheid van een risicovolle inrichting of transportas bevindt. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven als een contour rondom de risicovolle inrichting of de transportas. Het groepsrisico (GR) is de cumulatieve kans dat een (werkelijk) aanwezige groep van 10, 100 of 1.000 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet verantwoord worden voor het gebied waarbinnen zich de gevolgen van een incident met gevaarlijke stoffen voordoen. Dit is de zogenaamde 1 %-letaliteitsgrens; de afstand vanaf een risicobedrijf waarop nog slechts 1 /o van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval op het risicobedrijf (invloedsgebied).
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein, bijvoorbeeld rondom chemische fabrieken, LPG-tankstations en spoorwegemplacementen waar goederentreinen met gevaarlijke stoffen rangeren. Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij woningen, kantoren, ziekenhuizen, scholen of winkels. Het besluit verplicht gemeenten en provincies wettelijk vanaf de inwerkingtreding van het besluit bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van ruimtelijke plannen met externe veiligheid rekening te houden. Het gaat daarbij niet alleen om het oprichten van of veranderen van inrichtingen of projecteren van nieuwe bestemmingen. Ook bij het vaststellen of herzien van een bestemmingsplan moet de externe veiligheid worden beoordeeld. Het besluit is op 27 oktober 2004 in werking getreden. Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Daarin wordt geregeld hoe een gemeente moet omgaan met risico’s langs relevante buisleidingen. De hogedruk gasleidingen van Gasunie zijn het meest relevant. De risico’s worden vooral bepaald door de maximale druk en diameter van de leiding, maar ook door getroffen maatregelen. Op 1 april 2015 is de regeling ‘Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ in werking getreden.
Het Basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het Basisnet beheerst de afweging tussen enerzijds een noodzaak en toename van het vervoer van gevaarlijke stoffen en anderzijds een behoefte om de fysieke ruimte langs en boven de infrastructuur intensiever te benutten. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Als deze risicoruimte, de zogenaamde risicoplafonds, door een groei van het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt overschreden of dreigt te worden overschreden, moet de minister maatregelen nemen. De risicoplafonds moeten daarnaast in acht worden genomen bij het toestaan van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van basisnetroutes. Op deze manier kan de veiligheid langs de transportroutes voor gevaarlijke stoffen in toenemende mate worden gegarandeerd.
4.6.2
Risicokaart
De provinciale risicokaart informeert onder andere de inwoners van Gelderland over de risico's waarmee zij in hun leefomgeving kunnen worden geconfronteerd en hoe te handelen. Op navolgend kaartfragment is een uitsnede van de risicokaart rondom Ewijk weergegeven:
bestemmingsplan "Ecowieck Ewijk" (vastgesteld)
27
bestemmingsplan Ecowieck Ewijk
•a
apa; - ÏS5-
WľJį'. VV: -
ĩř M
ïŵĩ t
7:ï
* Z -s -----,''3
... . . --':ř
Wãm •T' ñ į~ Uitsnede risicokaart met globale aanduiding plangebied (blauwe omkadering)
4.6.3
Doorvertaling bestemmingsplan
Inrichtingen c.q. bedrijven Op bedrijventerrein Schoenaker (buiten het plangebied) is het bedrijf InterCheM gelegen met een veiligheidsrisico als bedoeld in het Bevi, waarvan het invloedsgebied tot in het plangebied reikt. Voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moet gekeken worden naar de ligging van de10-6)jaar plaatsgebonden risicocontour. Nieuwe kwetsbare bestemmingen mogen niet binnen deze plaatsgebonden risicocontour worden geplaatst. Het plangebied ligt met een afstand van circa 1,2 km ruimschoots buiten deze plaatsgebonden risicocontour van InterCheM. Verder zijn er geen bedrijven in de directe omgeving van het plangebied aanwezig waarvan het invloedsgebied tot in het plangebied reikt. Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg Het plangebied is op circa 1,2 km van de A50 gelegen waarover vervoer van gevaarlijke stoffen mogelijk is. De PR 10-6 contour wordt vanuit de as van de weg gemeten en bedraagt 18 m. Van een GR-plafond is geen sprake. Het plasbrandaandachtsgebied bedraagt 30 m uit de zijkant van de weg. Al deze zones zijn buiten het plangebied van onderhavig bestemmingsplan gelegen. Vervoer van gevaarlijke stoffen over het water Het plangebied is op ruim 1,6 km van de Waal gelegen. Het vervoer van gevaarlijke stoffen over deze rivier is dan ook niet van invloed op onderhavige ontwikkeling.
Vervoer van gevaarlijke stoffen door een buisleiding Ten oosten van het plangebied ligt een tweetal hoofdtransportleidingen. Voor de leidingen gelden de volgende kenmerken: Naam
Druk
Diameter
10-6)jr PR contour
Invloedsgebied
A-505
66 bar
48 inch
Nihil
540 m
A-507
66 bar
48 inch
Nihil
540 m
Het woningbouwgebied ligt op minimaal circa 540 m tot de dichtstbijzijnde hogedrukgasleiding. De nieuwe woningen zijn daarmee buiten de invloedssfeer van de gasleidingen gelegen. Het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is dan ook niet van invloed op onderhavige ontwikkeling. Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen.
28
bestemmingsplan "Ecowieck Ewijk" (vastgesteld)
bestemmingsplan Ecowieck Ewijk
Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om dit advies tijdig op te volgen. Tevens biedt het plan voldoende mogelijkheid om in verschillende richtingen te kunnen vluchten. Gelet op de hiervoor genoemde overwegingen zijn er voldoende mogelijkheden voor de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid bij een zwaar ongeval bij de genoemde inrichting. Dit betekent dat geen nadere eisen aan het plan gesteld hoeven te worden in het kader van het aspect externe veiligheid. Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
4.7
Waterhuishouding
Wettelijk kader In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het uitvoeren van een watertoets juridisch verplicht bij bestemmingsplannen, inpassingsplannen en projectbesluiten. Voor overige plannen, zoals een structuurvisie, wordt een watertoets uitgevoerd op basis van de afspraken uit het Nationaal Bestuursakkoord Water. Het Bro regelt onder meer de verplichte waterparagraaf in de plantoelichting (artikel 3.1.6 Bro) en het vooroverleg met de waterbeheerder (artikel 3.1.1 Bro). Watertoets De watertoets is bedoeld om ruimtelijke plannen en besluiten meer waterbestendig te maken. Dit wordt bereikt door waterbelangen van gemeente, waterschap en eventueel andere waterbeheerders vroegtijdig en expliciet mee te nemen in de planvorming. In het ruimtelijk plan moet voldoende rekening zijn gehouden met de waterhuishouding en waterhuishoudkundige voorzieningen. Waterparagraaf De waterparagraaf beschrijft hoe rekening is gehouden met de eventuele gevolgen van het ruimtelijk plan voor de waterhuishouding en andersom. Onderdeel hiervan is een beschrijving van beleidsuitgangspunten en regelgeving, waterhuishoudkundige situatie en -opgaven, meest geschikte oplossingen (motiveren) en de ruimtelijke consequenties daarvan. Indien aan de orde is tevens het advies van het waterschap in de waterparagraaf verwerkt.
4.7.1
Relevant beleid en regelgeving
Nationaal en provinciaal De Rijksoverheid is verantwoordelijk voor het nationale beleid en landelijke maatregelen op het gebied van de waterhuishouding. De provincie is verantwoordelijk voor de vertaling van het nationale waterbeleid naar regionale maatregelen. Waterschap Rivierenland De gemeente valt binnen het beheersgebied van Waterschap Rivierenland. Het Waterschap geeft in het kader van de Waterwet vergunningen af voor lozingen op oppervlaktewater (Waterwet artikel 6.2). Ook verstrekt het waterschap ontheffingen/vergunningen voor activiteiten in en nabij watergangen en waterkeringen. Daarnaast verzorgt het waterschap het onderhoud van A-watergangen en draagt zorg voor het zuiveren van afvalwater (Waterwet art. 6.4). Het beleid en de regelgeving van het waterschap is beschreven in: » Waterbeheerprogramma 2016 - 2021 'Koers houden en kansen benutten'; » Nota riolering 'Samen door één buis' (2019) en; » Keur voor waterkeringen en wateren; Gemeente Beuningen Het gemeentelijk waterbeleid is gericht op het voorkomen, beperken of tot een aanvaardbaar risico terugbrengen van wateroverlast en schade aan milieu en volksgezondheid. Het Gemeentelijk Riool-
bestemmingsplan "Ecowieck Ewijk" (vastgesteld)
29
bestemmingsplan Ecowieck Ewijk
en Waterplan (GRWP 2018-2022) beschrijft de gemeentelijke zorgplicht voor afvalwater, hemelwater en grondwater. In het kader van de watertoets wordt een vertaalslag gemaakt naar de concrete plansituatie. Zorgplicht afvalwater De gemeente heeft voor zover doelmatig een zorgplicht voor de inzameling en transport van stedelijk afvalwater dat binnen de gemeente vrijkomt (zie Wmb artikel 10.33). Zorgplicht hemelwater Perceeleigenaren dienen hemelwater in eerste instantie op eigen terrein te verwerken of op oppervlaktewater te lozen. Als dit redelijkerwijs niet mogelijk is draagt de gemeente zorg voor de doelmatige inzameling en verwerking van afvloeiend hemelwater (Waterwet artikel 3.5). Zorgplicht grondwater In eerste instantie zijn perceeleigenaren zelf verantwoordelijk voor het treffen van maatregelen op eigen terrein om structurele nadelige gevolgen van grondwater voor de aan de grond gegeven bestemming te voorkomen of beperken. De gemeente heeft een zorgplicht bij het treffen van maatregelen in openbaar gebied, voor zover doelmatig en geen verantwoordelijkheid van provincie of waterschap (Waterwet artikel 3.6).
4.7.2
Beschrijving watersysteem
Het plangebied is, op de Hekkeslag na, momenteel volledig onverhard. Grondwatersysteem Voor de beoogde ontwikkeling is een geohydrologisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 6 bij de toelichting gevoegd. De gemeten grondwaterstanden liggen tussen de GHG- en GLG-waarden van de monitoringspeilbuizen uit het Dinoloket, de op basis hiervan afgeleide GHG- en GLG-waarden worden als representatief beschouwd voor het plangebied. De waarden zijn vrij homogeen en variëren tussen circa +6,6 m NAP en +6,5 m NAP. Er kan een gemiddelde grondwaterstand van +6,6 m NAP ^ circa 1,3 m -mv) worden genomen als een representatieve waarde voor het plangebied. Aanbevolen wordt om in natte periodes er rekening mee te houden dat de grondwaterstand hoger kan zijn dan de basis van de kleilaag. Deze situatie kan in natte periode het risico van opbarsting veroorzaken. Oppervlaktewater Langs de oostkant, tegen Keizershoeve II, ligt een A-watergang. Langs de boomgaard tot de stuw is het zomerpeil + 6,9 m en het winterpeil +6J5 m. Na de stuw is het zomerpeil +6,6 m en het winterpeil +6,3 m. De drie oost-west gelegen C-watergangen, net ten noorden van het plangebied, centraal in het plangebied en net ten zuiden van plangebied, wateren af op de A-watergang. Daarnaast ligt er een B-watergang langs de Hekkeslag (oost-west gericht), die ook op deze A-watergang afwatert.
30
bestemmingsplan "Ecowieck Ewijk" (vastgesteld)
bestemmingsplan Ecowieck Ewijk
Hemelwatersysteem Binnen het plangebied zelf is in de bestaande situatie geen sprake van gescheiden afvoer van hemelwater en afvalwater. Het hemelwater infiltreert vrij in de bodem. Eventueel overtollig hemelwater stroomt oppervlakkig af naar de omliggende watergangen. Afvalwatersysteem In het plangebied is ter plaatse van de Hekkeslag een vuilwaterriool aanwezig, met uitliggers naar de te ontwikkelen gebieden in zowel het noorden als zuiden. De afwateringsrichting is in de richting van gemaal Ewijk.
4.7.3
Doorvertaling bestemmingsplan
Watercompensatie In het kader van de beoogde ontwikkeling wordt een deel van het plangebied verhard (woningen, straten, parkeerplekken etc). Door deze verharding kan een deel van het regenwater niet op een natuurlijke manier worden opgevangen en/of afgevoerd. Om deze toename te compenseren wordt de hoeveelheid oppervlaktewater in of om het gebied vergroot. Op de ontwikkelkaart (zie subparagraaf 2.2) staat aangegeven waar deze ruimte wordt gevonden. In en om Ecowieck wordt 2.930 m2 oppervlaktewater toegevoegd ter compensatie van de toegenomen aantal m2 verharding. Deze compensatie is gebaseerd op onderstaande formule: (m2 verhard + bebouwd oppervlak x 0,0436) : 0,3 = het oppervlak dat moet worden gerealiseerd ter compensatie. Voor het bepalen van het verhard oppervlak op de uitgeefbare gronden rekent het waterschap bij grotere ontwikkelingen vaak met percentages voor particulier bezit. Deze percentages zijn gebaseerd op ervaringsgetallen uit de beheerregio van het waterschap. Dit om te voorkomen dat particulieren elke keer watercompensatie moeten realiseren bij aanpassingen van de verharding. » Rij- en hoekwoningen (met bijhorende tuinen): 90 07o afstromend verhard oppervlak
bestemmingsplan "Ecowieck Ewijk" (vastgesteld)
31
bestemmingsplan Ecowieck Ewijk
»
Vrijstaande woningen en grotere twee-onder-één-woningen (met veelal grotere tuinen): 60 /o afstromend verhard oppervlak
Oppervlaktewater De A-watergang die van noord naar zuid loopt, wordt in de richting van het plangebied verbreed. De bestaande watergang aan de noordkant van het plangebied wordt eveneens verbreed ten behoeve van de watercompensatie. Deze verbredingen voldoen aan de uitgangspunten van Waterschap Rivierenland. In het gebied ten zuiden van de Hekkenslag wordt een nieuwe watergang toegevoegd. De ontwikkelgebieden worden vanuit meerdere punten ontsloten. Bij de wegen vanaf de Hekkeslag in noordelijke richting wordt het water twee keer gekruist. De westelijke weg gaat over een eenvoudige platte brug naar het noordelijke gebied. De oostelijke waterpassage wordt met een brede duiker opgelost. Deze duiker (de oevers ervan) worden zodanig ingericht dat deze geschikt zijn voor migrerende dieren. De zuidelijke ontwikkelgebieden worden op drie punten ontsloten, waarvan twee via een brug over de nieuw aan te leggen watergang. Hemelwaterafvoer Het hemelwater van verharding en het dakoppervlak wordt niet gekoppeld aan het hemelwaterstelsel. Dit betekent dat het hemelwater binnen het plangebied moet worden verwerkt. Een eventuele oplossing is oppervlakkige (of zelfs ondergrondse) afstroom naar de omliggende watergangen. Afvalwater De nieuwe woningen worden aangesloten op het aanwezige rioolstelsel ter plaatse van de Hekkeslag.
Eventuele afwijkingen hiervan zijn, mits onderbouwd, alleen toegestaan in afstemming met, en met toestemming van, het bevoegde gezag. Wateroverlast Om grondwateroverlast te voorkomen dient bij het ontwerp rekening gehouden te worden met minimale ontwateringsdiepten en droogleggingseisen. De ontwateringsdiepte is het verschil in hoogte tussen het maaiveld en de maximaal optredende grondwaterstand. Uitgangspunt hierbij is dat bij de inrichting van (nieuw) stedelijk gebied in principe wordt aangesloten bij de huidige grond- en oppervlaktewaterpeilen, en dat er ten gevolge van de inrichting van het betreffende gebied geen negatieve effecten op de omgeving ontstaan (verdroging of vernatting). Met andere woorden, hydrologisch neutraal ontwerpen. Gangbare normen voor de ontwateringsdiepte zijn: » Woningen met kruipruimte: 0,7 m -mv » Woningen zonder kruiruimte: 0,3 m -mv (Vloerpeil van woningen 0,3 m + maaiveld) Het noordelijk plangebied kan niet worden opgehoogd omdat de fruitbomen de gevolgen van het ophogen niet overleven. De grondwaterstand wordt beïnvloed en de worteldruk neemt toe. In het kader van wateroverlast, is ophoging van dit deelgebied niet nodig, omdat de hoogte voldoende is en het deelgebied driezijdig aan watergangen ligt. Het huidige maaiveldniveau is gelegen op een hoogte van circa 7,9 m +NAP.
Er kan op basis van het geohydrologisch onderzoek een gemiddelde grondwaterstand van +6,6 m NAP (s circa 1,3 m -mv) worden genomen als een representatieve waarde voor het plangebied. De ontwatering zal ten aanzien van de (bouw)peilen in de toekomstige situatie voldoende zijn. Geadviseerd wordt om de toekomstige bouwpeilen circa 0,2 m hoger aan te leggen dan het naastgelegen wegpeil. In het zuidelijk deelgebied is de aanwezige grondslag te laag, vandaar dat deze gronden zodanig worden opgehoogd dat voldaan wordt aan de minimale ontwateringsdiepten en droogleggingseisen. Mede om het deelgebied aan te laten sluiten op de aanwezige aanliggende weg/fietspad. Conclusie Het aspect 'waterhuishouding' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. Bij de nadere uitwerking van het plan wordt nog een watertoets uitgevoerd.
32
bestemmingsplan "Ecowieck Ewijk" (vastgesteld)
bestemmingsplan Ecowieck Ewijk
4.8
Ecologie
4.8.1
Regelgeving
Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Wnb kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming behoeven. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Het gaat om de volgende beschermingsregimes: 1. Vogels (paragraaf 3.1): alle vogels in de zin van de Vogelrichtlijn; 2. Dieren en planten (paragraaf 3.2): alle dieren en planten, genoemd in de bijlagen bij de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn; 3. Overige soorten (paragraaf 3.3): soorten genoemd in de bijlage bij de Wnb, die niet onder de reikwijdte van paragraaf 3.2 vallen. De verboden en afwijkingsmogelijkheden die zijn opgenomen in de paragrafen 3.1 en 3.2, zijn direct overgenomen uit de genoemde richtlijnen en verdragen. Deze bepalingen zijn dus ook uitsluitend van toepassing op de soorten waarvoor dit onmiddellijk voortvloeit uit deze richtlijnen en verdragen.
De bepalingen in paragraaf 3.3 zien op de “overige soorten” die zijn genoemd in de bijlagen A en B bij de Wnb. Laatstgenoemde groep is te vergelijken met de Tabel 2-soorten uit de Flora- en faunawet. Artikel 3.1. Verboden m.b.t. van nature in Nederland in het wild levende vogels. Het is verboden om: 1. 2. 3. 4.
Levende vogels opzettelijk te doden of te vangen. Nesten, rustplaatsen en eieren opzettelijk te vernielen ofte beschadigen of nesten van vogels weg te nemen. Eieren van vogels te rapen en deze onder zich te hebben. Vogels opzettelijk te storen.
Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Artikel 3.5. Verbodsbepalingen ten aanzien van soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn. Het is verboden om: 1. 2. 3. 4. 5.
Het is verboden in het wild levende dieren van deze soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen ofte rapen. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze dieren te beschadigen of te vernielen. Het is verboden planten van soorten uit de Habitatrichtlijn of het Verdrag van Bem in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen ofte vernielen.
Artikel 3.10. Verbodsbepalingen t.a.v overige soorten (plant- en diersoorten). Het is verboden om: c) d) e)
In het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A1, bíj deze wet, opzettelijk te doden of te vangen. De vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B2, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen ofte vernielen.
Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming De Wnb brengt voor de bescherming van soorten in ieder geval de volgende drie voor de praktijk belangrijke wijzigingen met zich: 1. Allereerst is onder de Wnb niet langer de minister van Economische Zaken, maar zijn Gedeputeerde Staten van de provincies het bevoegd gezag voor het verlenen van ontheffingen. 2. Ten tweede kunnen de in de praktijk gehanteerde “tabelsoorten” niet langer gebruikt worden. In plaats daarvan wordt met de nieuwe indeling van de Wnb gewerkt. 3. Tot derde is de inhoud van de verboden en de ontheffingsgrondslagen gewijzigd. In de Wet natuurbescherming zijn de bevoegdheden van het rijk (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)) aan de provincies overgedragen. Zij maken dan de afwegingen voor de vergunningen en ontheffingen. De beschermde status van soorten kan per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor
bestemmingsplan "Ecowieck Ewijk" (vastgesteld)
33
bestemmingsplan Ecowieck Ewijk
nationaal beschermde soorten. Er is dan geen ontheffing nodig voor werkzaamheden. Onder de Wet natuurbescherming geldt een zorgplicht voor alle in het wild levende dieren. De zorgplicht houdt in dat werkzaamheden, die nadelig kunnen zijn voor dieren en planten, in redelijkheid zo veel mogelijk worden nagelaten of maatregelen genomen om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen.
4.8.2
Doorvertaling bestemmingsplan
Er is een oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna uitgevoerd in het plangebied. Dit onderzoek is als bijlage 3 bij de toelichting gevoegd. Het plangebied maakt mogelijk deel uit van het leefgebied van kleine marterachtigen als de bunzing en wezel. Voor deze soorten is een aanvullend onderzoek uitgevoerd. Voor de poelkikker moeten er maatregelen getroffen worden, om negatieve effecten op de soort te voorkomen. Om het overwinteringshabitat van de poelkikker te ontzien en negatieve effecten van de soort te voorkomen, moeten beide bermzijdes van de sloot, langs de noordzijde van het plangebied, onaangetast blijven. Hierbij wordt een marge van 4,0 m aan elke zijde aangehouden. Het plangebied is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden moet rekening worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voor deze soorten moeten eventueel maatregelen worden getroffen om effecten te voorkomen. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake.
In het plangebied zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een melding- of vergunningplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Te treffen maatregelen » Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Zorgplicht). » Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. » Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. » Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. » Er dient aanvullend onderzoek naar de kleine marterachtigen (in het bijzonder bunzing en wezel) uitgevoerd te worden om vast te stellen of het plangebied deel uitmaakt van het functioneel leefgebied. Ten aanzien van de bunzing en wezel wordt het gebruik van cameravallen geadviseerd. Voor kleine marterachtigen wordt geadviseerd om een cameraval te plaatsen in een marterbox. Ten tijde van de actieve periode, respectievelijk maart - augustus, dienen de cameravallen minsten zes weken in het gebied te worden geplaatst.
Buiten de actieve periode dienen de cameravallen minsten twaalf wekengeplaatst te worden. » Voor de poelkikker moeten beide bermzijdes van de sloot ontzien worden van werkzaamheden, om het overwinteringshabitat onaangetast te laten. Hierdoor zullen er geen negatieve effecten voor de soort optreden. » De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur minimaal verlichten en hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel) en de werkzaamheden in de periode april-oktober tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes).
34
bestemmingsplan "Ecowieck Ewijk" (vastgesteld)
bestemmingsplan Ecowieck Ewijk
»
De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Indien de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd moet voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Indien dit niet mogelijk is moeten de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt worden.
Aanvullend onderzoek kleine marterachtigen Naar aanleiding van de bevinding uit het oriënterend onderzoek, dat de aanwezigheid van kleine marterachtigen niet volledig uit te sluiten is, is een aanvullend onderzoek kleine marterachtigen uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 4 bij de toelichting opgenomen. Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat de planlocatie door de bunzing gebruikt wordt. Ondanks dat de soort slechts één keer is gezien (d.d. 18 april 2020), wordt aannemelijk functioneel leefgebied voor de soort door de beoogde ontwikkeling weggenomen. De exacte functie voor de soort is onbekend. Gezien de grootte van het gebied, is het aannemelijk dat de soort meerdere malen het gebied heeft gepasseerd en dat het gebied mogelijk dient als foerageergebied. De beelden toonden namelijk een grote hoeveelheid muizensoorten aan. Dit is de voornaamste voedselbron van de soort. De trefkans van kleine marterachtigen is over het algemeen zeer laag. Door de grootte van de ontwikkeling én de cumulatieve effecten (recentelijke nieuwbouw in de directe omgeving), kan niet anders geconcludeerd worden dat de groenstructuur aan de noordzijde een essentiële functie in beslag neemt voor de bunzing. Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken, moet daarom een ontheffing in het kader van Wet natuurbescherming voor functioneel leefgebied voor de bunzing aangevraagd worden.
Dit betekent dat het gebied gecompenseerd moet worden. Voor de overige kleine marterachtigen (wezel en hermelijn) zijn geen indicaties waargenomen dat deze soorten tijdens het onderzoek gebruikt maakten van het leefgebied. Beide soorten blijven echter lastig waar te nemen met de gebruikte methoden (marterbox, struikrover en sporenbuizen). Bij het mitigeren van het leefgebied van de bunzing, zullen ook de soorten wezel en hermelijn profiteren van deze ontwikkeling. Voor de uitvoering van de beoogde ontwikkelingen is daarom een ontheffing van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de bunzing aangevraagd en in de zomer van 2021 ook verleend. Bij elk gedeelte van het inrichtingsplan is rekening gehouden met de bunzing. Met het inrichtingsplan zullen alternatieve essentiële migratieroutes voor de bunzing aangelegd worden. Onderzoek stikstofdepositie Ten aanzien van de stikstofdepositie naar stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000gebieden is een onderzoek voor zowel de aanleg- als de gebruiksfase uitgevoerd. De resultaten zijn opgenomen in bijlage 5 bij de toelichting. De gebruiksfase en aanlegfase leiden tot stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’. Uit de verschilberekening met de referentiesituatie blijkt dat er sprake is van een toename van stikstofdepositie van 0,04 mol/ha/j in de aanlegfase op het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’.
De toename van stiksofdepositie in de gebruiksfase bedraagt 0,00 mol/ha/j. Desalniettemin voldoet het plan op basis van de ‘Handreiking Voortoets Stikstof van februari 2021 (voorbeeld 6). Samenvattend is hierin opgenomen: Voor het aspect stikstof is geen vergunning op grond van de Wnb noodzakelijk wanneer de stikstofdepositie kleiner dan of gelijk is aan 0,05 mol N/ha/jaar gedurende maximaal twee jaar op een overbelast stikstofgevoelig habitat. Significante gevolgen kunnen dan op voorhand worden uitgesloten. Het aspect 'ecologie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
bestemmingsplan "Ecowieck Ewijk" (vastgesteld)
35
bestemmingsplan Ecowieck Ewijk
4.9
Cultureel Erfgoed
4.9.1
Regelgeving
Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Met deze wetswijziging wordt de huidige Monumentenwet 1988 opgesplitst: een gedeelte (dat ziet op de fysieke leefomgeving) zal naar verwachting in 2022 opgaan in de Omgevingswet, het overige gedeelte is opgenomen in de nieuwe Erfgoedwet. Daarbij is voorzien in overgangsrecht. De bedoeling is dat in de Erfgoedwet een betere integratie met verschillende soorten erfgoed komt. Daarnaast worden de procedures uniformer en daarmee overzichtelijker. Onderdelen van de Monumentenwet 1988 met betrekking tot de fysieke leefomgeving, worden opgenomen in de Omgevingswet. De aanwijzing van ruimtelijk cultureel erfgoed - beschermde stads en dorpsgezichten en cultuurlandschappen - en omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving, komen in de Omgevingswet terecht en zijn dus niet in de Erfgoedwet geregeld. Hierbij wordt wel als vuistregel gehanteerd: omgang met het erfgoed in de Omgevingswet, duiding van het erfgoed in de Erfgoedwet. Voor de onderdelen die in de Omgevingswet zullen worden opgenomen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de tussenliggende periode. De bepalingen uit de Monumentenwet 1988 die naar de Omgevingswet over zullen gaan, blijven van kracht tot de Omgevingswet in werking treedt.
4.9.2
Doorvertaling bestemmingsplan
Archeologie Tussen 14 april en 20 april en 15 tot 19 juni 2009 heeft een inventariserend onderzoek (IVO-p) plaatsgevonden in het totale plangebied voor Keizershoeve 3. Doel van dit onderzoek was het in kaart brengen van de aard, omvang, kwaliteit en de ouderdom van aanwezige archeologische resten. Booronderzoek door RAAP in november 1999 heeft aangetoond dat er binnen het plangebied archeologische resten aanwezig zijn. Het betrof mogelijk resten van een fossiele geul of van een oud loopniveau waarin vondstmateriaal werd aangetroffen. Het vondstmateriaal bestond voornamelijk uit handgevormd aardewerk, waarvan de ouderdom niet exact kon worden vastgesteld. Op grond van de resultaten van dit onderzoek zijn er 2 vindplaatsen binnen het plangebied gedefinieerd, te weten vindplaats 23 in het noorden en vindplaats 24 in het zuiden. Vervolgens is op basis van deze resultaten een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd (ADC ArcheoProjecten, nr. 2401, d.d. oktober 2010). De doelstelling van dit onderzoek was om de vindplaatsen nader in kaart te brengen, volgens de algemeen geldende criteria voor het inventariserend onderzoek. Hiertoe zijn 6 noord-zuid georiënteerde putten aangelegd, verspreid over het plangebied. Uit de resultaten van de afzonderlijke putten kan een redelijk coherent beeld worden afgeleid.
Diagonaal over het onderzoeksterrein heeft een waterloop (crevasse) zich in de ondergrond ingesneden, waarlangs op verscheidene locaties bewoning heeft plaatsgevonden in het Neolithicum en de Bronstijd. Voor twee locaties kan een residentiële functie worden verondersteld. De functie van de overige vindplaatsen uit deze periode is onduidelijk omdat de aanwezigheid alleen indirect kon worden aangetoond op grond van concentraties vondstmateriaal. Ten zuiden van de crevassegeul is een gedeelte van een waarschijnlijk rechthoekige greppelstructuur aangetroffen. De interpretatie hiervan is onduidelijk. Zowel een gebouw-als een grafstructuur zijn mogelijke interpretaties. Om deze structuur is een afbakenende greppel aangelegd. Een mogelijk vergelijkbare structuur is aangetroffen in het noordoostelijke puttencluster. Verondersteld wordt dat deze structuren uit de IJzertijd of de Romeinse tijd stammen. Verder is er een beperkt aantal sporen uit de Late Middeleeuwen aangetroffen. Laatstgenoemde vormt waarschijnlijk de randzone van een erf dat zich langs de Klaphekstraat heeft bevonden. Op grond van dit onderzoek kan, verspreid over het onderzoeksterrein, meerdere clusters met archeologische sporen en/ of vondsten worden onderscheiden. Deze onderzoeksresultaten leiden ertoe dat delen van het plangebied als behoudenswaardig kunnen worden aangemerkt.
36
bestemmingsplan "Ecowieck Ewijk" (vastgesteld)
bestemmingsplan Ecowieck Ewijk
Op basis van de resultaten en de in het rapport getrokken conclusies, wordt voor de ontwikkeling van Keizershoeve 3 een vervolgonderzoek geadviseerd in de vorm van een definitief archeologisch onderzoek, anders gezegd een opgraving, indien de verschillende vindplaatsen niet kunnen blijven behouden. Dit advies wordt onderschreven door de regioarcheoloog. Op basis van het kaartbeeld uit het proefsleuvenonderzoek dient te worden getracht de vindplaatsen in het stedenbouwkundig ontwerp in te passen en zo te behouden. Daar waar inpassing niet mogelijk is zal door middel van een opgraving het bodemarchief moeten worden veiliggesteld. Voor deze opgraving is een Programma van Eisen opgesteld. Om het aspect archeologie bij de verdere uitwerking te borgen is in het bestemmingsplan de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' opgenomen. Cultuurhistorie De gemeente heeft een zogenaamde cultuurhistorische kenmerkenkaart opgesteld (RAAP-rapport 1603, kaartbijlage 3). Het plangebied behoort tot de gebiedscategorie 'oud cultuurland (vroege middeleeuwen)' en een deel van het plangebied is aangemerkt als 'oude woongrond'. Daarnaast is afleesbaar dat de Klaphekstraat tot de oude lintstructuur van Ewijk behoort. De straat is aangeduid als 'weg of pad, situatie 1832', 'wegbeplanting', 'veedrift' en 'overloopgeul', met daarlangs enkele 'historische huislocaties (1932)'.
In het plangebied komen geen rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten voor. Bovendien wordt de nieuwe woonwijk op gepaste afstand van de het cultuurhistorische lint de Klaphekstraat gerealiseerd, zodat deze als structurerend kenmerk in het landschap blijft bestaan.
4.9.3
Conclusie
De aspecten 'archeologie' en 'cultuurhistorie' vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.10 Leidingen In of in de directe omgeving van het plangebied zijn geen hoofdtransportleidingen of persleidingen van water, olie, gas, brandstof en/of hoogspanningsverbindingen gelegen, die in het kader van het bestemmingsplan op de verbeelding met bijbehorende bebouwingsvrije zones moeten worden opgenomen.
4.11
Vormvrije MER-beoordeling
Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D (betreft de m.e.r.beoordeling) van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben, de zogenaamde 'vergewisplicht'. De consequentie van de nieuwe regeling is dat in elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst aandacht moet worden besteed aan m.e.r. Het komt er op neer dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die beneden de drempelwaarden vallen uit de D-lijst, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets, die dus een nieuw element is in de m.e.r.-regelgeving, wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: » belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; » belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r.
In bijlage D van het Besluit m.e.r. is een groot aantal activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.beoordelingsplicht geldt. Eén van de genoemde activiteiten betreft ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of
bestemmingsplan "Ecowieck Ewijk" (vastgesteld)
37
bestemmingsplan Ecowieck Ewijk
parkeerterreinen’ (activiteit D11.2). Deze activiteit is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien deze betrekking heeft op een oppervlakte van 100 ha of meer of een aangesloten gebied van 2.000 of meer woningen omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De voorgenomen activiteiten in het plan liggen ruim onder de plandrempel waarvoor conform het Besluit m.e.r. een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is: het totale aantal geplande woningen bedraagt maximaal 73 woningen. Gelet hierop, kan worden geconcludeerd dat de drempelwaarden niet worden overschreden, waardoor in onderhavig plan kan worden volstaan met het uitvoeren van een zogenaamde ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’. De in dit hoofdstuk beschreven onderzoeksresultaten voldoen niet alleen aan de onderzoeksverplichting van het Besluit ruimtelijke ordening, maar kunnen ook worden opgevat als de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Daarbij kan worden geconcludeerd dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten.
38
bestemmingsplan "Ecowieck Ewijk" (vastgesteld)
bestemmingsplan Ecowieck Ewijk
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische planbeschrijving
Algemeen
Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. In deze paragraaf worden de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd moeten worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, de Wabo en andere bestemmingsplannen van de gemeente Beuningen. Voor het bouwen is verder het Besluit omgevingsrecht (Bor) van belang. In de Bor zijn onder andere regels voor vergunningvrije bouwwerken opgenomen.
5.1.1
Inleidende regels
Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.
5.1.2
Opbouw bestemmingen
Bestemmingsomschrijving Bevat de omschrijving van de doeleinden die met de bestemming aan de grond worden toegekend. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies zoals bedrijven, wonen, centrum etc. De aard van de toegelaten inrichtingen van gronden (bouwwerken en werken, geen bouwwerken zijnde) vloeit dan voort uit de toegelaten functies. Bouwregels In de bouwregels worden voor alle hoofdgebouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de van toepassing zijnde bouwregels gesteld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding. Afwijken van de bouwregels In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde bouwregels. Specifieke gebruiksregels In dit onderdeel kan worden aangegeven welke vormen van gebruik men in ieder geval strijdig acht met de bestemming. Het is niet de bedoeling alle mogelijke strijdig gebruiksvormen te noemen, maar alleen die, waarvan het niet op voorhand duidelijk is dat deze in strijd zijn met de bestemming. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling op de doeleindenomschrijving. Afwijken van de gebruiksregels In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde gebruiksregels.
bestemmingsplan "Ecowieck Ewijk" (vastgesteld)
39
bestemmingsplan Ecowieck Ewijk
5.1.3
Algemene regels
Anti-dubbeltelregel Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels Deze bepaling bevat algemene regels omtrent ondergronds bouwen en ondergeschikte bouwdelen. Algemene gebruiksregels Deze bepaling bevat de vormen van gebruik, die in ieder geval strijdig zijn met de regels van het bestemmingsplan. Algemene afwijkingsregels In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan door middel van een omgevingsvergunning afgeweken kan worden van het bestemmingsplan. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Algemene wijzigingsregels In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.
5.1.4
Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bouwregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan, mag eveneens worden voortgezet. Slotregel Dit artikel geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.
5.2
Bestemmingsplan
Het bestemmingsplan kent meerdere bestemmingen. Hieronder volgt in het kort een beschrijving van de bestemmingen: Groen De bestemming 'Groen' regelt de ruimtelijk relevante en structurele openbare groengebieden. Binnen deze bestemming zijn ook paden en voorzieningen voor waterbeheer mogelijk. Het bosplantsoen, de ontsluitingswegen, de inritten en de parkeervoorzieningen zijn met een aanduiding 'ontsluiting' aangegeven. Het bosplantsoen is voorwaardelijk verplicht in de regels binnen Artikel 7 Woongebied. Verkeer Deze bestemming is opgesteld voor de weg de Hekkeslag en een gedeelte van de Klaphekstraat. Water Deze bestemming is bedoeld voor de A-watergang langs de oostzijde van het plangebied, die van belang is voor de afwatering van het gebied. Binnen deze bestemming zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de bestemming toegestaan.
40
bestemmingsplan "Ecowieck Ewijk" (vastgesteld)
bestemmingsplan Ecowieck Ewijk
Wonen Op de gronden binnen de bestemming 'Wonen' is het mogelijk om twee wooneenheden te realiseren, in de vorm van twee-aaneen gebouwde woningen. Woongebied Deze bestemming maakt de realisatie van maximaal 73 woningen mogelijk, waarvan 300Zo sociale woningen. De bestemming is tevens bedoeld voor de bijbehorende groen- en verkeersvoorzieningen, nutsvoorzieningen en voorzieningen voor regenwaterretentie. In het noordelijk deelgebied is ter plaatse van de aanduiding 'maatschappelijk' de realisatie van een gemeenschappelijke voorziening mogelijk. In de regels zijn voor de woningen bouwbepalingen opgenomen voor het hoofdgebouw en de bijbehorende bouwwerken. De hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken moeten binnen de bouwvlakken gerealiseerd worden. Ook is binnen de bouwvlakken aangegeven wat de maximum goot- en bouwhoogte van de woningen is. Waarde - Archeologie 1 (dubbelbestemming) De bestemming 'Waarde - Archeologie 1' is toegekend aan het gehele plangebied, omdat het nog niet permanent is vrijgegeven naar aanleiding van het uitgevoerde archeologisch onderzoek. De bestemming richt zich daarom op het behoud en het beheer van het hier voorkomende bodemarchief. Waterstaat - Waterlopen (dubbelbestemming) Ter bescherming van de A-watergang binnen het plangebied en aangrenzend aan het plangebied is de dubbelbestemming “Waterstaat - Waterlopen” opgenomen in het bestemmingsplan.
Naast het aanvragen van een omgevingsvergunning kan het ook noodzakelijk zijn om voor bepaalde werken en werkzaamheden in de beschermingszone van een waterstaatswerk een watervergunning aan te vragen, zoals voor het aanbrengen of verwijderen van (hout)beplantingen. Op dergelijke werken en werkzaamheden is de Keur van het waterschap Rivierenland van toepassing.
bestemmingsplan "Ecowieck Ewijk" (vastgesteld)
41
bestemmingsplan Ecowieck Ewijk
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
De Wet ruimtelijke ordening maakt het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten wanneer de bouw planologisch mogelijk wordt gemaakt in een bestemmingsplan of een projectafwijkingsbesluit. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is staan in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro): » de bouw van één of meer woningen; » de bouw van één of meer andere hoofdgebouwen; » de uitbreiding van een hoofdgebouw met tenminste 1.000 m2 of met één of meer woningen; » de verbouwing van één of meer aangesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; » de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.000 m2 bedraagt; » de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m2. Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is.
Omdat de gemeente alle gronden en/of opstallen in eigendom heeft, zelf de grondexploitatie voert en de bouwgrond uiteindelijk tegen een marktconforme prijs bouwrijp levert, wordt ook voldaan aan de eis van verplicht kostenverhaal.
6.2
Inspraak & Overleg
Inspraak In verband met corona zijn omwonenden geïnformeerd middels een brief. Daarnaast heeft de gemeente een film over het plan opgenomen en op de gemeentelijke webpagina geplaatst. Daarin is ook aangegeven dat wanneer omwonenden nog vragen hebben, zij vragen kunnen stellen tijdens een vragenuur. Deze zijn vervolgens ingepland, waarbij ook is verwezen naar de formele inspraakmogelijkheden. Overleg In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) staat dat de gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moet plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het kader van het vooroverleg is het plan voorgelegd aan de volgende partijen: » Provincie Gelderland » Waterschap Rivierenland. Er zijn geen vooroverlegreacties ingediend.
6.3
Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan heeft van dinsdag 22 juni 2021 tot en met maandag 2 augustus 2021 (gedurende zes weken) ter visie gelegen. Er zijn tijdens deze periode 4 zienswijzen ingediend. De zienswijzen zijn in een aparte nota zienswijzen van een gemeentelijke reactie voorzien (zie bijlage 7). Tevens zijn er enkele ambtshalve wijzigingen in het bestemmingsplan doorgevoerd. Ook deze zijn in de nota zienswijzen benoemd.
42
bestemmingsplan "Ecowieck Ewijk" (vastgesteld)
bestemmingsplan Ecowieck Ewijk
bestemmingsplan "Ecowieck Ewijk" (vastgesteld)
43
bestemmingsplan Ecowieck Ewijk
Bijlagen toelichting
44
bestemmingsplan "Ecowieck Ewijk" (vastgesteld)
bestemmingsplan Ecowieck Ewijk
Bijlage 1
Verkennend en nader bodemonderzoek
bestemmingsplan "Ecowieck Ewijk" (vastgesteld)
45
bestemmingsplan Ecowieck Ewijk
Bijlage 2
46
Onderzoek bedrijven en milieuzonering
bestemmingsplan "Ecowieck Ewijk" (vastgesteld)
bestemmingsplan Ecowieck Ewijk
Bijlage 3
Oriënterend onderzoek flora en fauna
bestemmingsplan "Ecowieck Ewijk" (vastgesteld)
47
bestemmingsplan Ecowieck Ewijk
Bijlage 4
48
Aanvullend onderzoek kleine marterachtigen
bestemmingsplan "Ecowieck Ewijk" (vastgesteld)
bestemmingsplan Ecowieck Ewijk
Bijlage 5
Stikstofdepositieonderzoek
bestemmingsplan "Ecowieck Ewijk" (vastgesteld)
49
bestemmingsplan Ecowieck Ewijk
Bijlage 6
50
Geohydrologisch Onderzoek
bestemmingsplan "Ecowieck Ewijk" (vastgesteld)
bestemmingsplan Ecowieck Ewijk
Bijlage 7
Nota Zienswijzen
bestemmingsplan "Ecowieck Ewijk" (vastgesteld)
51
bestemmingsplan Ecowieck Ewijk
Regels
52
bestemmingsplan "Ecowieck Ewijk" (vastgesteld)
bestemmingsplan Ecowieck Ewijk
Hoofdstuk 1 Artikel 1
Inleidende regels
Begrippen
In deze regels wordt verstaand onder: 1.1 plan het bestemmingsplan Ecowieck Ewijk met identificatienummer NL.IMRO.0209.BPEcowieckEw-vadf van de gemeente Beuningen; 1.2 bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels; 1.3 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolgde deze regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.4 aanduidingsgrens grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.5 archeologische waarden waarden van een terrein in verband met de zich mogelijk in de bodem bevindende oudheidkundige zaken die van belang zijn vanwege hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap en/of hun cultuurhistorische waarde; 1.6 A-watergang een voor de oppervlaktewaterkwantiteit van overwegend belang zijnde watergang, zoals deze door het Waterschap Rivierenland is opgenomen in een legger A met kaart, en waarvoor de Keur van het Waterschap Rivierenland van toepassing is met de daarin opgenomen beschermingszones en beperkingen; 1.7 bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde; 1.8 begane grondbouwlaag de onderste bouwlaag van een gebouw, niet zijnde een kelder; 1.9 bestaand » t.a.v.
bebouwing: bebouwing, zoals aanwezig op het tijdstip dat het plan in werking is getreden dan wel die mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde vergunning; » t.a.v. gebruik: het gebruik van grond en opstallen, zoals aanwezig op het tijdstip dat het plan in werking is getreden; 1.10 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak; 1.11 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.12 bevoegd gezag bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning; 1.13 bijbehorend bouwwerk een gebouw dat ten dienste staat van een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw, al dan niet aan het hoofdgebouw gebonden, zoals een berging, hobbyruimte, dierenverblijf of garagebox, en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.
bestemmingsplan "Ecowieck Ewijk" (vastgesteld)
53
bestemmingsplan Ecowieck Ewijk
1.14 bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk; 1.15 bouwgrens de grens van een bouwvlak; 1.16 bouwlaag een begane grond of hoger gelegen verdieping, waarbij ruimten in de kap zonder zelfstandige functie niet worden meegerekend; 1.17 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.18 bouwperceelsgrens de grens van een bouwperceel; 1.19 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten; 1.20 bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 1.21 bouwwijze de wijze van bouwen van een hoofdgebouw, te weten vrijstaand, twee-aaneen, aaneengebouwd of gestapeld, waarbij: a. onder 'vrijstaand' wordt verstaan dat het hoofdgebouw van een woning niet begrensd is door scheidsmuren van andere hoofdgebouwen; b. onder 'twee-aaneen' wordt verstaan dat het hoofdgebouw van een woning naar één zijde door een scheidsmuur van een naastgelegen hoofdgebouw is begrensd; c.
onder 'aaneengebouwd' wordt verstaan dat het hoofdgebouw deel uitmaakt van een blok van meer dan twee hoofdgebouwen, die naar twee zijden door scheidsmuren van naastgelegen hoofdgebouwen zijn begrensd, met uitzondering van de hoofdgebouwen die de aldus gevormde rij beëindigen; d. onder 'gestapeld' wordt verstaan een gebouw, dat uit meerdere naast elkaar en/of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen (appartementen) bestaat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid beschouwd kan worden. 1.22 detailhandel het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling ten verkoop, het verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; 1.23 ecologische principes duurzaamheidsprincipes voor de ecowijk: » diversiteit in beplanting, creëren verschillende biotopen; » meer ruimte voor groen en water (biodiversiteit en wateropvang); » geen fossiel energieverbruik; mogelijkheden toepassen warmtenet, wko-installatie en/of zonneenergie; » hittebestendig + goede luchtkwaliteit: groene daken en gevels, meer (opgaand) groen, creëren oppervlakte water (koeling); » klimaatadaptief vermogen (bergen toenemende neerslag, hittebestendig); » circulaire economie (zelfvoorzienend, C2C, buurtbatterij).
54
bestemmingsplan "Ecowieck Ewijk" (vastgesteld)
bestemmingsplan Ecowieck Ewijk
1.24 gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.25 hoofdgebouw een (deel van een) gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie en/of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als belangrijkste gebouw valt aan te merken; 1.26 langzaamverkeersroute routes voor ongemotoriseerd verkeer, scootmobielen, wandelaars, skeeleraars, en dergelijke, met daarbij behorende bermen en straatmeubilair; 1.27 kamerverhuur het verhuren of het aanbieden van kamers voor bewoning. Hieronder wordt niet verstaan de verhuur door particulieren van maximaal twee kamers in de door hen zelf bewoonde woning; 1.28 mantelzorg het anders dan bedrijfsmatig bieden van zorg aan een of meer leden van een op dat perceel wonende huishouding, die hulpbehoevend is of zijn op fysiek, psychisch en/of sociaal vlak; 1.29 niet-publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit een beroeps- of bedrijfsactiviteit, waarvan de activiteiten niet specifiek publiekgericht zijn, en dat op kleine schaal in een woning en/of de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende activiteit een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie ter plaatse; publieksgerichte beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis