01 Beleidsnota Archeologie 2010.pdf
Tekst van het document
programma van eisen: programma dat door het college wordt vastgesteld en waarmee kaders worden gesteld voor het ontwerp en de uitvoering van archeologisch onderzoek. n. gemeentelijke beleidsadvieskaart: kaart behorende bij de archeologische paragraaf van het bestemmingsplan. o. bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. p. het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Beuningen q. vergunning: een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, of 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. r. Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
pagina 3 van 28
Erfgoedverordening 2010 Gemeente Beuningen
Hoofdstuk5. Instandhouding van archeologische terreinen Artikel 16. Instandhoudingbepaling 1. Het is verboden om in een archeologisch rijksmonument, bedoeld in artikel 1, onder a, sub onder de oppervlakte te verstoren. 2. Het verbod in lid 1 is niet van toepassing indien; a. het een verstoring betreft van een archeologisch monument of archeologisch verwachtingsgebied als aangegeven op de provinciale Archeologische Monumentenkaart of de landelijke Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden, en waarbij die verstoring plaatsvindt: « in een gebied met hoge archeologische verwachtingswaarde en het te verstoren gebied kleiner is dan100 m2. b. sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 2.12, eerste en tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en hierin voorschriften zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg. d. het college nadere regels stelt met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden die leiden tot een verstoring van een archeologisch monument of archeologisch verwachtingsgebied als aangegeven op gemeentelijke archeologische waardenkaart of de gemeentelijke beleidsadvieskaart, dan wel bij het ontbreken daarvan.de provinciale Archeologische Monumentenkaart of de landelijke Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden; e.
een rapport is overgelegd waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat: * het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden geborgd; of « de archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig worden geschaad; of * in het geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn. Artikel 17. Opgravingen en begeleiding 1. Indien binnen het grondgebied van de gemeente Beuningen onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van het doen van opgravingen in de zin van artikel 1 sub h Monumentenwet 1988, dient, onverminderd de overige bepalingen van deze wet: a. het college een programma van eisen vast te stellen als bedoeld in artikel 1 onder m, waarbij nadere regels worden gesteld ten aanzien van het onderzoek. b. de verstoorder, voorafgaande aan het onderzoek, een plan van aanpak als bedoeld in artikel 1 onder I van deze verordening ter goedkeuring aan het bevoegd gezag te overleggen,. 2. In de nadere regels neemt het college bepalingen op met betrekking tot het toezicht op de feitelijke uitvoering van het plan van aanpak. Tijdens het onderzoek dienen aanwijzingen van het college in acht te worden genomen. 3.
Om te kunnen beoordelen of het plan van aanpak aan het programma van eisen en eventuele nadere regels voldoet, vraagt het bevoegd gezag advies aan een deskundige, zoals omschreven in de Wet op de Archeologische monumentenzorg. Artikel 18. Procedure De bepalingen uit artikel 11, 12, 13 en 14 zijn van overeenkomstige toepassing op de bepalingen uit artikel 16, tweede lid, onder e, en artikel 17, eerste lid, onder b.
pagina 6 van 28
Erfgoedverordening 2010 Gemeente Beuningen
Hoofdstuk6 Overige bepalingen Artikel 19. Tegemoetkoming in schade Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven, kent het bevoegd gezag hem op zijn aanvraag een naar billijkheid te bepalen tegemoetkoming toe, indien de schade in relatie staat tot: a. de weigering van het bevoegd gezag een vergunning als bedoeld in artikel 10 te verlenen; b. de voorschriften door het bevoegd gezag verbonden aan een vergunning als bedoeld in artikel 10;
c. de door het college nader te stellen regels als bedoeld in artikel 10, derde lid; d. de door het college nader te stellen regels als bedoeld in artikel 16, tweede lid, onder d; e. een aanwijzing als bedoeld in artikel 17, tweede lid, tweede volzin.
Artikel 20. Strafbepaling Degene, die handelt in strijd met het derde lid van artikel 10 en artikel 16 met uitzondering van het bepaalde in het tweede lid, onder e, van deze verordening, wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie of een hechtenis van ten hoogste drie maanden. Artikel 21. Toezichthouders 1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast: a. Met betrekking tot zakelijke monumenten als bedoeld in artikel 1, onder a, sub 1; door het college aangewezen toezichthouders als bedoeld in artikel 5.11 Awb. b. Met betrekking tot monumentale terreinen als bedoeld in artikel 1, onder a, sub 2 door het college aangewezen toezichthouders als bedoeld in artikel 5.11 Awb. 2. Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college dan wel de burgemeester aan te wijzen personen.
HOOFDSTUK 7 RESTAURATIE SUBSIDIES GEMEENTELIJKEMONUMENTEN Artikel 22 Algemene bepalingen 1.
Subsidieverlening: de beschikking voorafgaand aan de subsidievaststelling, indien een aanvraag daartoe is ingediend vóóraanvang van de onderhouds- of restauratiewerkzaamheden.
2.
Subsidievaststelling:de beschikking tot subsidievaststelling, die aanspraak geeft op betaling na gereedmelding van de werkzaamheden, financiële verantwoording en eindinspectie, tot een maximum van de subsidieverlening.
HOOFDSTUK 8
SUBSIDIE
Artikel 23 Bijdrage ineens gemeentelijke monumenten. 1.
Aan de eigenaar van een gemeentelijk monument als bedoeld in artikel 1, van deze Verordening kan een bijdrage ineens worden toegekend ter tegemoetkoming in de kosten van onderhoud of restauratie van dit monument.
2.
De gemeenteraad stelt jaarlijks het budget voor de bijdragen ineens en kosten voor externe advisering vast.
3.
De bijdrage ineens bedraagt 25 0Zo van de door burgemeester en wethouders subsidiabel kosten met een maximum van ê 3.400,-- (euro) per kalenderjaar per monument.
geachte
pagina 7 van 28
Erfgoedverordening 2010 Gemeente Beuningen
Hoofdstuk5. Instandhouding van archeologische terreinen Artikel 16. Instandhoudingbepaling De Wet op de archeologische monumentenzorg van 21 december 2006 verplicht de raad om, bij de vaststelling van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening, rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. Het uitgangspunt van deze wet (voortvloeiend uit het Verdrag van Malta) en daarmee ook van deze verordening, is daarom primair dat in het bestemmingsplan, door middel van een gemeentelijke archeologische waardenkaart, wordt vastgelegd waar zich archeologische waarden in de bodem kunnen bevinden. Dit artikel voorziet in de behoefte aan een overgangsperiode tot het moment dat een bestemmingplan 'Malta-proof is. Lid 1 Tot het moment dat een 'Malta-proof'-bestemmingsplan kan worden vastgesteld, biedt deze verordening bij wijze van artikel 16 de nodige bescherming aan archeologische waarden in de bodem. Het eerste lid van artikel 16 biedt bescherming door het opgenomen verbod om dieper dan ... cm de bodem te verstoren. In de bepaling is nadrukkelijk geen standaard diepte opgenomen, aangezien de lokale situatie zeer uiteen kan lopen.
In het buitengebied kan mogelijk volstaan met een diepte van 30 cm, waarbij nog steeds voldoende bescherming kan worden geboden, terwijl een dichtbevolkt stedelijk gebied of een middeleeuwse stadskern mogelijk al bij 10 cm problemen kan hebben om archeologische waarden voldoende te beschermen. Gemeenten moeten hier dus zelf een invulling aan geven. Lid 2 In het tweede lid van artikel 16 worden een vijftal uitzonderingsmogelijkheden gegeven op het eerste lid. Onderdeel a is niet van toepassing, indien de verstoring plaats vindt in een archeologisch monument of verwachtingsgebied als aangegeven op de landelijk of een provinciale archeologische waardenkaart. Een gemeente kan van deze kaarten gebruik maken, indien het zelf nog niet beschikt over een gemeentelijke archeologische waardenkaart. Deze waardenkaarten hanteren over het algemeen een driedeling wat betreft de mate waarin archeologische waarden in de bodem kunnen worden aangetroffen. Deze archeologische verwachtingswaarden zijn vervolgens gekoppeld aan een aantal m2 te verstoren verwachtingsgebied. Hoe lager de verwachte archeologische waarden, hoe groter het aantal m2 kan zijn waarbinnen een verstoring mag plaatsvinden. Bij een hoge verwachtingswaarde zal het aantal m2 waarbinnen een verstoring mag plaatsvinden echter aanzienlijk kleiner zijn.
Bij de bepaling van deze grenzen dient voldoende rekening gehouden te worden met de vraag wat er binnen het verwachtingsgebied aan archeologische sporen kan worden aangetroffen. In ieder geval moet binnen de gehanteerde oppervlakte dusdanig zijn dat voldoende informatie verkregen kan worden over de aard, het karakter en de datering van de (mogelijk) in de bodem aan te treffen archeologische sporen. Om dezelfde reden als in het eerste lid zijn ook in dit onderdeel geen standaardwaarden opgenomen, zodat de lokale situatie hieraan een invulling moet geven. Onderdeel b ziet op de situatie dat het bestemmingsplan wel up-to-date is als bedoeld in de inleidende toelichting bij dit artikel. In dat geval biedt het bestemmingplan, aan de hand van een bijbehorende archeologische waardenkaart, voldoende bescherming aan de in de bodem aanwezige ofte verwachten archeologische waarden.
pagina 24 van 21
Erfgoedverordening 2010 Gemeente Beuníngen
In onderdeel c worden een aantal mogelijkheden genoemd die voorheen in de Wet ruimtelijke ordening waren opgenomen en nu in artikel 2.12 Wabo. Het gaat hierom het oude projectbesluit, de oude binnenplanse ontheffing, de oude tijdelijke ontheffing en de oude buitenplanse ontheffing (voorheen de artikelen 3.10, 3.22 en 3.23 Wro) Deze bepalingen zijn met de Invoeringswet Wabo komen te vervallen. Wel geldt nog steeds dat dergelijke besluiten tot stand kunnen komen doordat bij de aanvraag voorschriften kunnen worden opgenomen met betrekking tot archeologische waarden in het gebied waarvoor de aanvraag geldt. Aan de aanvraag kan dan de voorwaarde worden verbonden dat een rapportage wordt overlegd waarin de archeologische waarden van het te verstoren terrein in voldoende mate is vastgesteld. Onderdeel e ziet op situaties buiten de aanvraag als bedoeld in onderdeel c. Het gaat hier in de eerste plaats om een verkapt vergunningstelsel ten behoeve van het realiseren van een fysiek project. Er is voor gekozen om deze bepaling dan ook onder de Wabo te laten vallen. Op grond van artikel 18 zijn de bepalingen uit hoofdstuk 3 van overeenkomstige toepassing verklaard op de beoordeling van het rapport door het bevoegd gezag.
Dit rapport kan ook in de nadere regels onder d worden gevraagd en komt overeen met de mogelijkheid in artikel 39, lid 2, van de Monumentenwet 1988 in geval van een bestemmingsplan in de geest van het Verdrag van Malta. Als laatste wordt in het rijtje het onderdeel d toegelicht. Op grond van dit artikel kan het college nadere regels stellen wat betreft de eisen aan de uitvoering van de bodemverstorende werkzaamheden in een archeologisch monument of verwachtingsgebied. Vooruitlopend op een 'Malta-proof bestemmingsplan' kunnen deze nadere regels inhoudelijk aansluiten op de situatie dat (in een bestemmingsplan waarin een archeologische paragraaf is opgenomen) de verstorende werkzaamheden worden uitgevoerd aan de hand van een aanlegvergunning, waarin vereisten betreffende de bescherming van archeologische waarden zijn opgenomen, een en ander conform de handreiking van de VNG Verder met Valletta ’. Artikel 17. Opgravingen en begeleiding De verplichtingen die in deze bepaling zijn opgenomen kunnen alleen goed functioneren, indien een gemeente hierover actief de archeologische onderzoekers informeert, immers, indien een gemeente deze bepaling in haar verordening opneemt, wordt gekozen voor een uitgebreide regiefunctie bij archeologische opgravingen binnen het gemeentelijk grondgebied.
Indien een dergelijk regierol niet uitdrukkelijk gewenst, dient deze bepaling niet overgenomen te worden. In dat geval bestaat nog steeds voldoende bescherming bij opgravingen, aangezien al in de Monumentenwet 1988 een aantal zaken uitputtend is geregeld. Zo bestaat een vergunningvereiste voor het doen van opgravingen; dient een rechthebbende van een terrein te dulden dat de opgravingbevoegde zijn terrein betreedt en eventueel opgravingen verricht; en is ook de eigendomskwestie van de archeologische vondsten uitputtend geregeld. Om de bedoelde regierol goed te kunnen uitoefenen dient het college een programma van eisen op te stellen waarmee de kaders worden gesteld voor het ontwerp en de uitvoering van archeologisch onderzoek (lid 1, onder a). Vervolgens wordt van de opgraver verwacht dat hij in een plan van aanpak weergeeft hoe hij specifiek de gestelde kaders, zoals omschreven in het programma van eisen, denkt te gaan invullen (lid 1, onder b). Ook hier is sprake van een verkapt vergunningstelsel ten behoeve van de realisering van een fysiek project. Net als bij onderdeel e, van het tweede lid van artikel 16 is ervoor gekozen om deze bepaling onder de werking van de Wabo te laten vallen. Op grond van de leden 2 en 3 kunnen vervolgens nadere regels worden gesteld met betrekking tot de feitelijke uitvoering (en het toezicht daarop) en de beoordeling van het plan van aanpak.
Artikel 18. Procedure Zoals hierboven al is aangegeven is er bij artikel 16, tweede lid, onder e en artikel 17, eerste lid, onder b sprake van een verkapt vergunningstelsel en de uitvoering van een fysiek project. Om deze reden is de Wabo van toepassing verklaard. De bepalingen uit de artikelen 11, 12, 13 en 14, welke zien op de verlening van de omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten, kunnen derhalve van overeenkomstige toepassing worden verklaard. Voor de toelichting wordt verwezen naar de artikelgewijze toelichting bij deze artikelen.
pagina 25 van 2
©j@jniE@i@!fiiit@} Bte:u itniiin.cjjeti*
Erfgoedverordening 2010 Gemeente Beuningen
INHOUDSOPGAVE HOOFDSTUK 1. ALGEMEEN HOOFDSTUK 2. AANWIJZING GEMEENTELIJKE MONUMENTEN HOOFDSTUK 3. INSTANDHOUDING VAN GEMEENTELIJKE MONUMENTALE ZAKEN HOOFDSTUK 4. BESCHERMDE MONUMENTEN HOOFDSTUK 5. INSTANDHOUDING VAN ARCHEOLOGISCHE TERREINEN HOOFDSTUK 6. OVERIGE BEPALINGEN HOOFDSTUK 7. RESTAURATIE SUBSIDIES GEMEENTELIJKE MONUMENTEN HOOFDSTUK 8. SUBSIDIE HOOFDSTUK 9. TERMIJNEN HOOFDSTUK 10. SLOTBEPALINGEN
3 4 5 5 6 7 8 8 10 12
A. ALGEMENE TOELICHTING
13
B. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING HOOFDSTUK 1.ALGEMEEN HOOFDSTUK 2. AANWIJZING GEMEENTELIJKE MONUMENTEN HOOFDSTUK 3. INSTANDHOUDING VAN GEMEENTELIJKE MONUMENTALE ZAKEN HOOFDSTUK 4. BESCHERMDE MONUMENTEN HOOFDSTUK 6. INSTANDHOUDING VAN ARCHEOLOGISCHE TERREINEN HOOFDSTUK 10. OVERIGE BEPALINGEN
16 16 19 21 24 25 25
pagina 2 van 29
Erfgoedverordening 2010 Gemeente Beuningen
ERFGOEDVERORDENING gezien het voorstel van het college van 5 oktober 2010; gelet op artikel 149 van de Gemeentewet, de artikelen 12, 15 en 38 van de Monumentenwet 1988 en de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; besluit de raad vast te stellen de volgende Erfgoedverordening en restauratie subsidieregeling 2010 gemeente Beuningen Hoofdstuk1. Algemeen Artikel 1. Begripsbepalingen Deze Verordening verstaat onder: a. gemeentelijk monument: een overeenkomstig deze Verordening als beschermd gemeentelijk monument aangewezen: 1. zaak, die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde: 2. terrein dat van algemeen belang is wegens een daar aanwezige zaak bedoeld onder 1; b. gemeentelijke monumentenlijst: de lijst waarop zijn geregistreerd de overeenkomstig deze Verordening als gemeentelijk monument aangewezen zaken of terreinen bedoeld in onderdeel a; c. beschermd monument: beschermd monument als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; d. monumentencommissie: de op basis van art. 15 Monumentenwet 1988 ingestelde commissie met als taak het college op verzoek of uit eigen beweging te adviseren over de toepassing van de Monumentenwet 1988, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Verordening en het monumentenbeleid; e.
gemeentelijke archeologische verwachtingenkaart: topografische kaart van het gemeentelijke grondgebied of delen van het grondgebied, waarop archeologische monumenten en archeologische verwachtingsgebieden zijn aangegeven; f. landelijke Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden: landelijke kaart met een schaal van 1:50.000, die op basis van geomorfologische gegevens, de kans weergeeft op de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen, waarbij onderscheid wordt gemaakt in hoge, middelhoge, lage en zeer lage trefkans; g. provinciale Archeologische Monumentenkaart: topografische kaart van (delen van) het provinciale grondgebied, waarop archeologische monumenten en archeologische gebieden zijn aangegeven; h. archeologisch verwachtingsgebied: gebied, aangegeven op de archeologische verwachtingenkaart, waarvan is aangegeven dat in bepaalde mate archeologische vondsten of sporen te verwachten zijn; i. hoge verwachtingswaarde: grote kans op archeologische vondsten of informatie; j. middelhoge verwachtingswaarde: gemiddelde kans op archeologische vondsten of informatie; k. lage verwachtingswaarde: kleine kans op archeologische vondsten of informatie; l. plan van aanpak: plan dat weergeeft hoe een archeologische uitvoerder de vragen zoals omschreven in het programma van eisen denkt te gaan beantwoorden; m.
programma van eisen: programma dat door het college wordt vastgesteld en waarmee kaders worden gesteld voor het ontwerp en de uitvoering van archeologisch onderzoek. n. gemeentelijke beleidsadvieskaart: kaart behorende bij de archeologische paragraaf van het bestemmingsplan. o. bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. p. het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Beuningen q. vergunning: een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, of 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. r. Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht s. gekende archeologische waarde: gebieden waarvan door eerder onderzoek bepaald is dat zich archeologisch waardevolle resten in de bodem voordoen.
pagina 3 van 29
Erfgoedverordening 2010 Gemeente Beuningen
Hoofdstuk2. Aanwijzing gemeentelijke
monumenten
Artikel 2. Het gebruik van het monument Bij de toepassing van deze Verordening wordt rekening gehouden met het gebruik van het monument. Artikel 3. De aanwijzing tot gemeentelijk monument 1. Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een monument aanwijzen als gemeentelijk monument. 2. Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt het college advies aan de monumentencommissie. 3. Voordat het college een monument met een religieuze bestemming dat uitsluitend of in overwegend deel wordt gebruikt voor de uitoefening van de eredienst, als gemeentelijk monument aanwijst, voert hij overleg met de eigenaar. 4. De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op grond van artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of dat is aangewezen op grond van de Monumentenverordening van de provincie Gelderland. Artikel 4.Voorbescherming Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een monument de kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als gemeentelijk monument ontvangt tot het moment dat de aanwijzing en registratie als bedoeld in artikel 7 plaatsvindt, dan wel vaststaat dat het monument niet wordt geregistreerd, zijn de artikelen 10 tot en met 14 van overeenkomstige toepassing. Artikel 5. Termijnen advies en aanwijzingsbesluit 1. De monumentencommissie adviseert schríftelijk binnen 8 weken na ontvangst van het verzoek van het college. 2.
Het college beslist binnen 8 weken na ontvangst van het advies van de monumentencommissie, maar in ieder geval binnen 20 weken na de adviesaanvraag. Artikel 6. Mededeling aanwijzingsbesluit De aanwijzing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt medegedeeld aan degenen die als zakelijk gerechtigden in de kadastrale legger bekend staan. Artikel 7. Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst 1. Het college registreert het gemeentelijke monument op de gemeentelijke monumentenlijst. 2. De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke aanduiding, de datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijke monument. Artikel 8. Wijzigen van de aanwijzing 1. Het college kan al dan niet op aanvraag van een belanghebbende de aanwijzing wijzigen. 2. Artikel 3, tweede en derde lid, alsmede artikel 4, 5 en 6 zijn van overeenkomstige toepassing op het wijzigingsbesluit. 3. Indien de wijziging naar het oordeel van het college van ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing, als bedoeld in lid 2, achterwege. 4. De ínhoud en de datum van de wijziging worden op de gemeentelijke monumentenlijst aangetekend. Artikel 9. Intrekken van de aanwijzing 1. Indien het college de aanwijzing intrekt, zijn artikel 3, tweede lid, en artikel 5 van overeenkomstige toepassing. 2.
De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien toepassing wordt gegeven aan artikel 3 van de Monumentenwet 1988. 3. De intrekking wordt op de gemeentelijke monumentenlijst geregistreerd.
pagina 4 van 29
Erfgoedverordening 2010 Gemeente Beuningen
Hoofdstuk3. Instandhouding van gemeentelijke monumentale zaken Artikel 10. Instandhoudingbepaling 1. Het is verboden een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder a, sub 1, te beschadigen of te vernielen. 2. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag: a. een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder a, sub 1, af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen; b. een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder a, sub 1, te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. 3. Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het tweede lid, gelden niet indien het college nadere regels stelt met betrekking tot de wijze waarop werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd. 4. Het bevoegd gezag verleent, met betrekking tot een monument met een religieuze bestemming, geen vergunning als bedoeld in het tweede lid, dan in overeenstemming met de eigenaar indien en voor zover het een vergunning betreft, waarbij wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het monument in het geding zijn. Artikel 11. De schríftelijke aanvraag Een aanvraag als bedoeld in artikel 4.2. Besluit omgevingsrecht voor een vergunning als bedoeld in artikel 10 en de daarbij te overleggen gegevens en bescheiden worden in 5 voud ingediend. Artikel 12. Termijnen advies 1.
Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een gemeentelijk monument aan de monumentencommissie voor advies. 2. Binnen 4 weken na de datum van verzending van het afschrift brengt de monumentencommissie schríftelijk advies uit aan het college. Artikel 13. Weigeringsgronden De vergunning kan slechts worden verleend indien het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing houdt het bevoegd gezag rekening met het gebruik van het monument. Artikel 14. Intrekken van de vergunning De vergunning kan door het bevoegd gezag worden ingetrokken indien: a. blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend; b. de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument zwaarder dient te wegen. Hoofdstuk4.Beschermde monumenten Artikel 15. Vergunning voor beschermd monument 1. Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een beschermd monument aan de monumentencommissie. 2. De monumentencommissie adviseert schríftelijk over de aanvraag binnen acht weken na de datum van verzending van het afschrift.
pagina 5 van 29
Erfgoedverordening 2010 Gemeente Beuningen
Hoofdstuk5. Instandhouding van archeologische terreinen Artikel 16. Instandhoudingbepaling 1. Het is verboden om in een beschermd archeologisch monument, bedoeld in artikel 1, onder c van de Monumentenwet 1988 onder de oppervlakte te verstoren. 2. Het verbod in lid 1 is niet van toepassing indien een vergunning voor een bodemingreep is verleend door het ministerie van OC&W. 3. Het is verboden om bodemingrepen te plegen in gebieden die niet vallen onder lid 1 zonder hiervoor een archeologisch onderzoek te overleggen aan het bevoegd gezag. 4. Het verbod in lid 3 is niet van toepassing indien; a. het een verstoring betreft van een archeologisch monument of archeologisch verwachtingsgebied als aangegeven op de gemeentelijke archeologische verwachtingenkaart, en waarbij die verstoring plaatsvindt: I. In een gebied met gekende archeologische waarden en de verstoring niet dieper is dan 0.3m. II. in een gebied met hoge archeologische verwachtingswaarde in gebieden bestemd als woonkern en het te verstoren gebied kleiner is dan100 m2 of de verstoring niet dieper is dan 0.3m. III. in een gebied met hoge archeologische verwachtingswaarde in het buitengebied en het te verstoren gebied kleiner is dan 120 m2 of de verstoring niet dieper is dan 0.3m. IV.
In een gebied met een lage of middelhoge verwachtingswaarde en het te verstoren gebied kleiner is dan 2000m2 of de verstoring niet dieper is dan 0.3m. V. In een gebied dat in een eerder stadium is vrijgegeven voor archeologisch onderzoek door het bevoegd gezag en waarbij tot het dieptetraject van de bodemingreep geen archeologische resten worden verwacht. VI. ten behoeve van de voortzetting van normaal agrarisch gebruik zoals ploegen, zaai- en oogstklaar maken, vervangen van drainage, aanbrengen van teeltondersteunende voorzieningen en vervangen van boomgaarden; VII. waarbij het nieuw te bouwen bouwwerk zich op de bestaande fundering often hoogste 2,5 meter buiten de bestaande fundering bevindt; VIII. ten behoeve van het vervangen of beheren van riolering, kabels, leidingen of bestrating b. sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 2.12, eerste en tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en hierin voorschriften zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg. c.
het college nadere regels stelt met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden die leiden tot een verstoring van een archeologisch monument of archeologisch verwachtingsgebied als aangegeven op gemeentelijke archeologische waardenkaart of de gemeentelijke beleidsadvieskaart, dan wel bij het ontbreken daarvan,de provinciale Archeologische Monumentenkaart of de landelijke Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden; d. een rapport is overgelegd waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat: I. het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden geborgd; of II. de archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig worden geschaad; of III. in het geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn. 5 In alle gevallen geldt dat, overeenkomstig artikel 53 Monumentenwet 1998, indien iemand, al dan niet verbonden aan een archeologische instelling, een zaak vindt waarvan hij weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat het een monument (archeologische vondst) is, hij verplicht is dit zo spoedig mogelijk te melden aan de minister van OC&W.
pagina 6 van 29
Erfgoedverordening 2010 Gemeente Beuningen
Artikel 17. Opgravingen en begeleiding 1. Indien binnen het grondgebied van de gemeente Beuningen onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van het doen van opgravingen in de zin van artikel 1 sub h Monumentenwet 1988, dient, onverminderd de overige bepalingen van deze wet: a) het college een programma van eisen vast te stellen als bedoeld in artikel 1 onder m, waarbij nadere regels worden gesteld ten aanzien van het onderzoek. b) de verstoorder, voorafgaande aan het onderzoek, een plan van aanpak als bedoeld in artikel 1 onder I van deze Verordening ter goedkeuring aan het bevoegd gezag te overleggen. 2. In de nadere regels neemt het college bepalingen op met betrekking tot het toezicht op de feitelijke uitvoering van het plan van aanpak. Tijdens het onderzoek dienen aanwijzingen van het college in acht te worden genomen. 3. Om te kunnen beoordelen of het plan van aanpak aan het programma van eisen en eventuele nadere regels voldoet, vraagt het bevoegd gezag advies aan een deskundige, zoals omschreven in de Wet op de Archeologische monumentenzorg. Artikel 18. Procedure De bepalingen uit artikel 11, 12, 13 en 14 zijn van overeenkomstige toepassing op de bepalingen uit artikel 16, tweede lid, onder d, en artikel 17, eerste lid, onder b. Hoofdstuk6 Overige bepalingen Artikel 19.
Tegemoetkoming in schade Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven, kent het bevoegd gezag hem op zijn aanvraag een naar billijkheid te bepalen tegemoetkoming toe, indien de schade in relatie staat tot: a. de weigering van het bevoegd gezag een vergunning als bedoeld in artikel 10 te verlenen; b. de voorschriften door het bevoegd gezag verbonden aan een vergunning als bedoeld in artikel 10;
c. de door het college nader te stellen regels als bedoeld in artikel 10, derde lid; d. de door het college nader te stellen regels als bedoeld in artikel 16, tweede lid, onder c; e. een aanwijzing als bedoeld in artikel 17, tweede lid, tweede volzin.
Artikel 20. Strafbepaling Degene, die handelt in strijd met het derde lid van artikel 10 en artikel 16 met uitzondering van het bepaalde in het tweede lid, onder d, van deze Verordening, wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie of een hechtenis van ten hoogste drie maanden. Artikel 21. Toezichthouders 1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze Verordening zijn belast: a. Met betrekking tot zakelijke monumenten als bedoeld in artikel 1, onder a, sub 1; door het college aangewezen toezichthouders als bedoeld in artikel 5.11 Awb. b. Met betrekking tot monumentale terreinen als bedoeld in artikel 1, onder a, sub 2 door het college aangewezen toezichthouders als bedoeld in artikel 5.11 Awb. 2. Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze Verordening belast de bij besluit van het college dan wel de burgemeester aan te wijzen personen.
pagina 7 van 29
Erfgoedverordening 2010 Gemeente Beuningen
HOOFDSTUK 7 RESTAURATIE SUBSIDIES GEMEENTELIJKEMONUMENTEN Artikel 22. Algemene bepalingen 1.
Subsidieverlening: de beschikking voorafgaand aan de subsidìevaststelling, indien een aanvraag daartoe is ingediend vóóraanvang van de onderhouds- of restauratiewerkzaamheden.
2.
Subsidìevaststelling:de beschikking tot subsidìevaststelling, die aanspraak geeft op betaling na gereedmelding van de werkzaamheden, financiële verantwoording en eindinspectie, tot een maximum van de subsidieverlening.
HOOFDSTUK 8
SUBSIDIE
Artikel 23. Bijdrage ineens gemeentelijke monumenten 1. Aan de eigenaar van een gemeentelijk monument als bedoeld in artikel 1, van deze Verordening kan een bijdrage ineens worden toegekend ter tegemoetkoming in de kosten van onderhoud of restauratie van dit monument. 2.
De gemeenteraad stelt jaarlijks het budget voor de bijdragen ineens en kosten voor externe advisering vast.
3.
De bijdrage ineens bedraagt 25 07o van de door burgemeester en wethouders subsidiabel kosten met een maximum van 6 3.400,-- (euro) per kalenderjaar per monument.
geachte
Artikel 24. De aanvraag 1. Een aanvraag om een bijdrage ineens als bedoeld in artikel 2 dient te worden ingediend door middel van een daartoe bestemd formulier, voorzien van alle bescheiden die nodig zijn om genoemde bijdrage vast te stellen, waaronder tenminste één gespecificeerde begroting van een erkend vakbedrijf. 2.
Burgemeester en wethouders kunnen terzake dezelfde werkzaamheden een tweede begroting verlangen of na kennisgeving aan de eigenaar zelf opvragen.
3.
Een aanvraag als bedoeld kan niet eerder worden ingediend dan drie maanden voorafgaand aan het kalenderjaar waarin zal worden begonnen met de restauratie dan wel onderhoud van het monument.
4.
De aanvragen om een bijdrage ineens zullen met het oog op de beschikbaarheid worden behandeld op datum van binnenkomst.
van budget
pagina 8 van 29
Erfgoedverordening 2010 Gemeente Beuningen
Artikel 25. Subsidiabele kosten 1. Een bijdrage ineens kan worden toegekend in de geraamde en door of namens burgemeester en wethouders goedgekeurde bedragen/kosten van: a. onderhoud, restauratie of vernieuwen van rieten daken, (met deklatten en beperkt herstel van sporen); b. onderhoud, restauratie of vernieuwen van dakvlakken gedekt met pannen, leien, lood, zink of koper; c. onderhoud, restauratie of vernieuwen van goten (in zink, koper of lood) inclusief bijbehoren de hemelwaterafvoeren; het aanbrengen van goten waar deze niet eerder aanwezig waren; d. onderhoud, restauratie en vernieuwen van buitenkozijnen, buitendeuren, raampartijen, luiken, stoepen, roedenverdeling, lijstwerk; e. onderhoud, restauratie of vernieuwen van windveren, schoorstenen, kapellen, hoek- en keperlood; f. onderhoud, restauratie of vernieuwen van dak-Aorenluiken, loopbruggen, het luiken afgazen van de torens; g. inboeten, beperkt herstel muurwerk en opvoegen of pleisteren van gevels; h. natuursteen: beperkt vervangen of inboeten; i. behandeling van muur- en houtwerk ter regulering van de vochthuishouding danwel ter bestrijding van zwamaantasting of houtaantasters; j. onderhoud, vernieuwen of aanbrengen van bliksembeveiliging; k. onderhoud, restauratie of vernieuwen van dragende constructies (ankerbalk-gebinten, schoren en platen, balkkappen, spantbenen); l.
uitwendig onderhoud, restauratie of vernieuwen van diverse bijgebouwen, zoals hooibergen, schuren, bakhuisjes, pompen, hekken, bruggen, koetshuizen, oranjerieën, theekoepels, voor zover opgenomen in de redengevende omschrijving; m. onderhoud, restauratie of vernieuwen van glas-in-lood en beglazing; n. restauratie of vervanging van zowel externe als interne bouwelementen van grote zeldzaamheid en/of grote historische waarde, indien en voorzover betreffende bouwelementen als zodanig opgenomen zijn in de redengevende beschrijving. o. onderhoud of restauratie van de 'vanwege ’ beschermde delen van een object. p. Kosten noodzakelijke steigerwerken. q. Bestrijding door erkende bedrijven van houtaantastingen door houtaanvretende insecten (worm/keveren boktor) en schimmels/zwammen. r. Algemene bouwplaatskosten, algemene kosten en kosten van winst en risico tot een maximum overeenkomstig de door de Rijksdienst voor de Monumentenzorg gehanteerde norm. 2.
Onder de in 1 bedoelde kosten worden niet begrepen: a. de kosten van arbeidsloon per uur boven het maximum uurloon overeenkomstig de norm van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg. b. de leges voor de omgevingsvergunning en voor enige andere vergunning die nodig is voor het treffen van de voorzieningen. c. onderhouds- en restauratiekosten aan de binnenzijde met uitzondering van het gestelde onder lid 1 sub k en n. d. arbeids- en materiaalkosten, indien de werkzaamheden zijn uitgevoerd in eigen beheer anders dan in de uitoefening van een eigen bedrijf.
pagina 9 van 29
Erfgoedverordening 2010 Gemeente Beuningen
HOOFDSTUK 9 TERMIJNEN
Artikel 26. Beslistermijn subsidieaanvraag 1. Burgemeester en wethouders beslissen binnen acht weken na indiening van een aan vraag als vermeld in artikel 3, onverminderd het bepaalde in artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (onvolledige aanvraag). 2. Zij kunnen hun beslissing eenmaal met acht weken verdagen. Het besluit tot verdaging zenden zij aan de aanvrager. 3. Indien voor werkzaamheden die begrepen zijn in de subsidieaanvraag een omgevingsvergunning nodig is, gaat de termijn als bedoeld in artikel 5 lid 1 onder a in op de dag waarop de wijzigingsvergunning is verleend en onherroepelijk is. 4. De bijdrage ineens wordt verleend op grond van de beschikbare gegevens. HOOFDSTUK 10 VOORWAARDEN, WEIGERING EN INTREKKING Artikel 27. Voorwaarden 1 . Om in aanmerking te komen voor subsidie mag met de uitvoering van de werkzaamheden niet worden begonnen dan nadat subsidie is verleend. 2.
Van lid 1 kan ontheffing worden verleend in bijzondere gevallen. Dit dient door plekke te zijn geconstateerd en in een rapport worden vastgelegd.
een inspecteur ter
3.
De uitvoering van de werkzaamheden dient conform de door burgemeester en wethouders vastgestelde uitvoeringsvoorschriften en voorwaarden te zijn voltooid binnen maximaal 24 maanden na dagtekening van de beschikking tot subsidieverlening. Als aanvulling op of in afwijking van de standaardvoorschriften kunnen andere voorschriften worden gegeven.
4.
De werkzaamheden ten behoeve waarvan subsidie is verleend, mogen niet in afwijking van de terzake verstrekte gegevens worden uitgevoerd, tenzij na schríftelijke toestemming.
5.
Na afloop van de restauratie of het onderhoud aan het monument, maar uiterlijk binnen acht weken na het gereedkomen van de werkzaamheden, dient de aanvrager dit schríftelijk aan burgemeester en wethouders te melden onder overlegging van de originele rekeningen en overige bescheiden die noodzakelijk zijn om de bijdrage ineens vast te stellen.
pagina 10 van 2ĥ
Erfgoedverordening 2010 Gemeente Beuningen
Artikel 28. Weigering Geen subsidie wordt verstrekt: 1. Indien het object met cultuurhistorische bliksemschade.
waarde niet verzekerd is tegen water-, brand-, storm- en
2.
Voorzover de te subsidiëren werkzaamheden: a. op grond van een verzekeringsovereenkomst gedekt zijn; b. op grond van de Wet op de omzetbelasting op verschuldigde belasting in aftrek gebracht kunnen worden.
3.
Ten behoeve van objecten met cultuurhistorische provincie of waterschap.
4.
In de kosten van onderhoud of restauratie uitgevoerd door een bedrijf dat geen vergunning bezit van de Kamer van Koophandel en Fabrieken als bedoeld in de Vestigingswet Bedrijven dan wel in de op basis van deze wet vastgestelde Vestigingsbesluiten.
5.
Indien de aanvraag kosten betreft die niet op de lijst subsidiabele
6.
Indien het door de gemeenteraad bij de jaarlijkse begrotingsbehandeling behoeve van monumenten in het betreffende kalenderjaar verbruikt is.
7.
Gedurende één kalenderjaar, indien gedurende twee achtereenvolgende kalenderjaren voorafgaand een bijdrage ineens is verleend ten behoeve van hetzelfde monument.
8.
Indien een subsidie is verleend en de op die subsidie betrekking hebbende gereed zijn gemeld onder overlegging van de financiële verantwoording.
9.
Indien het onderhoud- of restauratie niet binnen de bij beschikking gestelde termijn is voltooid, mits de aanvrager in de gelegenheid is gesteld alsnog binnen redelijke termijn het werk te voltooien.
waarde, die in het bezit zijn van de staat,
kosten voorkomt. vastgestelde budget ten
werkzaamheden niet
Artikel 29. Intrekking 1. Burgemeester en wethouders kunnen de subsidieverlening intrekken indien niet binnen twaalf maanden na dagtekening van de beschikking tot subsidieverlening met de uitvoering van de werkzaamheden is begonnen. Voor herstelwerkzaamheden aan rieten daken geldt een termijn van achttien maanden. 2.
Burgemeester en wethouders kunnen op verzoek de in lid 1 gestelde termijn een maal verdagen met zes maanden.
HOOFDSTUK 11 OVERIGE BEPALINGEN Artikel 30. Overige bepalingen 1. Aan een weigering op grond van artikel 7 lid 6 kan geen recht worden ontleend voor subsidie in het kalenderjaar volgend waarop de aanvraag is afgewezen. 2.
Per gemeentelijk monument wordt niet meer dan het maximale bedrag van C 3.400,- per kalenderjaar verleend.
3.
Indien het object/monument artikel 7 lid 7 niet.
gesplitst is in eigendom en gebruik geldt de beperking als bedoeld in
pagina 11 van 2ĥ
Erfgoedverordening 2010 Gemeente Beuningen
Hoofdstuk10. Slotbepalingen Artikel 22. Intrekken oude regelingen De Monumentenverordening, Beuningen, 22 april 2008 en de Erfgoedverordening, 15 juni 2010, worden ingetrokken. Artikel 23. Overgangsrecht 1. De op grond van de onder artikel 22 ingetrokken Verordening Monumentenverordening gemeente Beuningen aangewezen en geregistreerde gemeentelijke monumenten, worden geacht aangewezen en geregistreerd te zijn overeenkomstig de bepalingen van deze Verordening. 2. Aanvragen om vergunning die zijn ingediend vóórde inwerkingtreding van deze Verordening worden afgehandeld met inachtneming van de in artikel 22 ingetrokken Verordening. Artikel 24. Inwerkingtreding Deze Verordening treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in werking treedt. Artikel 25. Citeertitel Deze Verordening wordt aangehaald als Erfgoedverordening en restauratie subsidieregeling Gemeente Beuningen.
2010
Beuningen, 9 november 2010. De raad voornoemd,
Ie voorzitter,
pagina 12
Erfgoedverordening 2010 Gemeente Beuningen
A. ALGEMENE TOELICHTING Gelet op het project Deregulering VNG-modelverordeningen en de verplichtingen die voortvloeien uit de Wet op de archeologische monumentenzorg van september 2007, alsmede de feitelijke samenhang tussen monumenten en archeologie, is de model Erfgoedverordening in 2008 aangevuld met een archeologisch deel en heeft een vereenvoudiging van de model monumentenverordening in het kader van deregulering plaatsgevonden. De huidige wijziging van de model monumentenverordening houdt verband met de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna te noemen: Wabo), de Invoeringswet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna te noemen: Invoeringswet Wabo), het Besluit omgevingsrecht (hierna te noemen: Bor) en de Regeling omgevingsrecht (hierna te noemen: Mor). Wet algemene bepalingen omgevingsrecht De Wabo regelt de omgevingsvergunning die in de plaats komt van een reeks vergunningen, ontheffingen of toestemmingen voor het realiseren van een fysiek project. De meest bekende daarvan zijn: de bouwvergunning; de aanlegvergunning; de sloopvergunning; de monumentenvergunning; de milieuvergunning; de kapvergunning. De Wabo beoogt tegemoet te komen aan het belang van een snelle dienstverlening. Het bevorderen van de tijdige besluitvorming vormt hiervan een onderdeel.
Eén aanvraag; éénbevoegd gezag; éénloket De centrale gedachte bij de ontwikkeling van de Wabo is de “één loket gedachte ”. Dit houdt in dat de aanvrager vanaf een nader te bepalen moment in 2010 één omgevingsvergunning hoeft aan te vragen voor zijn project. De aanvrager geeft aan op welke activiteiten (bouw, aanleg, sloop enz.) zijn aanvraag betrekking heeft. Voor de erfgoedverordening betekent dit dat bijvoorbeeld de omgevingsvergunning voor het bouwen en de omgevingsvergunning voor monumenten in één verzoek worden aangevraagd. De omgevingsvergunning wordt vervolgens door één bevoegd gezag beoordeeld en doorloopt één procedure. De beslissing op de aanvraag kent ook één procedure van rechtsbescherming. Bevoegd gezag Het bevoegd gezag is in de meeste gevallen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar het project in hoofdzaak zal worden verricht. Het bevoegd gezag is integraal verantwoordelijk voor het te nemen besluit en is tevens belast met de bestuursrechtelijke handhaving. In het Bor worden een aantal uitzonderingen op deze hoofdregel gemaakt. Een minister dan wel het college van gedeputeerde staten wordt in deze gevallen als het bevoegde gezag aangewezen. Deze gevallen zijn aangewezen in artikel 3.3 van de Wabo. Gedeputeerde staten van de provincie is bevoegd gezag indien het gaat om de meer complexere categorieën inrichtingen.
Deze zijn specifiek in bijlage I van het Bor omschreven. Toestemmingsstelseis Er bestaan verschillende methoden om de toestemmingstelsels (vergunning en ontheffing) te integreren in de omgevingsvergunning. De toestemmingstelsels die altijd zien op plaatsgebonden activiteiten zijn volledig in de Wabo geïntegreerd; de bestaande toestemmingstelsels in de betreffende wetten of verordeningen vervallen. Het gaat om een procedurele integratie van de verschillende toestemmingstelsels. De inhoudelijke beoordeling vindt gecoördineerd plaats. Dit betekent dat de verschillende toetsingskaders niet zijn geïntegreerd. Het toetsingskader van de Wabo bestaat derhalve uit een optelling van de afzonderlijke toetsingskaders. Deze verschillende toetsingskaders wegen allen even zwaar.
pagina 13 van 2î
Erfgoedverordening 2010 Gemeente Beuningen
De procedure In de Wabo is onderscheid gemaakt tussen de reguliere voorbereidingsprocedure en de uitgebreide voorbereidingsprocedure. Slechts op een enkel punt is voor deze beide procedures afgeweken van de reguliere- en de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure van de Awb. Wanneer voor een project meerdere toestemmingen uit de Wabo nodig zijn wordt door de aanvrager één aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend. De aanvrager kan er echter ook voor kiezen zijn project op te delen in deelprojecten en voor elk van die deelprojecten een afzonderlijke omgevingsvergunning aan te vragen. Het moet gaan om een onderdeel van het project dat fysiek te scheiden is van de andere onderdelen van het totale project. Ook wel de zogenaamde "onlosmakelijke verbondenheid ”. Het criterium van de onlosmakelijkheid is neergelegd in artikel 2.7 Wabo. Van onlosmakelijke samenhang is sprake als de activiteiten zien op dezelfde handeling. Het gaat dan om een activiteit die tegelijkertijd ook aangemerkt moet worden als een andere activiteit als omschreven in de artikelen 2.1 en 2.2. van de Wabo. Deze activiteiten overlappen elkaar en zijn niet te scheiden. Zij vormen een en dezelfde handeling die binnen twee of meer activiteitenomschrijvingen vallen. Vanwege de overlap in de activiteitenomschrijvingen is het in deze gevallen niet mogelijk om de handeling op te knippen in deelvergunningen.
Een omgevingsvergunning voor een deelproject geeft de bevoegdheid het deelproject ook daadwerkelijk al uit te voeren. Hieraan bestaat bijvoorbeeld behoefte bij een project waarbij voor de nieuwbouw van woningen grond bouwrijp gemaakt moet worden en/of enkele oude opstallen gesloopt moeten worden wat door verschillende partijen wordt uitgevoerd. De omgevingsvergunning voor het bouwrijp maken en/of het slopen van opstallen kan aangevraagd worden en de werkzaamheden kunnen na het verlenen van dit gedeelte van de omgevingsvergunning ook starten. Vervolgens kan een omgevingsvergunning voor de bouw van de woningen worden aangevraagd. Het gaat om verschillende besluiten waartegen een afzonderlijke rechtsbeschermingsprocedure open staat. Daarnaast heeft de aanvrager de mogelijkheid om een gefaseerde omgevingsbeschikking aan te vragen. Hij bepaalt zelf welke activiteit wordt gefaseerd. De beoordeling in de eerste fase is erop gericht te onderzoeken of één van de door de aanvrager voorgenomen activiteiten, bijvoorbeeld het oprichten en inwerking hebben van een inrichting, kan worden verricht en dus een gerede kans heeft om een omgevingsvergunning te krijgen. Het betreft een volledige toetsing. Tenuitvoerlegging van een omgevingsvergunning is pas mogelijk nadat ook een omgevingsbeschikking tweede fase is verleend en een volledige vergunning is verkregen.
De tweede fase omgevingsbeschikking bevat de noodzakelijke toestemmingen die niet in een eerste fase zijn vergund. Door aanvraag van een omgevingsbeschikking eerste fase kan een financieel risico voor de aanvrager worden beperkt. Hij hoeft in dit geval nog niet aan alle indieningsvereisten te voldoen. Het rechtsgevolg van een eerste fase-beschikking is dat bij de beoordeling van de gedetailleerde aanvraag voor de overige activiteiten (de tweede fase-aanvraag) niet meer getoetst wordt aan de criteria van de eerste fase. De eerste fase-beschikking kan door het bevoegd gezag worden ingetrokken, indien niet binnen twee jaar nadat deze beschikking is genomen een aanvraag voor een tweede fase-beschikking is ingediend. Beide beschikkingen treden tezamen in werking. Tegen beide beschikkingen staat rechtsbescherming op grond van de Awb open. Informatie over de omgevingsvergunning Er is een kennisplein omgevingsvergunning: http://omgevingsvergunning.vrom.nl. hierop vindt u tal van brochures over de omgevingsvergunning. Als u nog geen beeld hebt van wat er allemaal verandert, geven wij u in overweging de volgende informatie te lezen: Infoblad De omgevingsvergunning (september 2008); Handreiking Afstemming omgevingsvergunning: -afstemmen op; afstemmen met - (augustus 2008; een online product).
pagina 14 van 2ĥ
Erfgoedverordening 2010 Gemeente Beuningen
De Wabo en de Erfgoedverordening De monumentenvergunning uit de model-erfgoedverordening integreert volledig in de omgevingsvergunníng, omdat het om plaatsgebonden activiteiten gaat. Daarom is in artikel 2.2 van de Wabo bepaald dat het verboden is zonder een omgevingsvergunning een krachtens een verordening aangewezen monument te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen of te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waarop het wordt ontsierd of in gevaar wordt gebracht. Een extra overweging voor het volledig integreren van de monumentenvergunning in de omgevingsvergunning is dat de verlening van de monumentenvergunning in de praktijk vaak samenliep met de verlening van de omgevingsvergunning of de aanlegvergunning. Er is voor gekozen om de instandhoudingsvergunning van archeologische terreinen op grond van artikel 2.2, tweede lid, Wabo aan te haken bij de omgevingsvergunning (facultatieve integratie). Zolang gemeentelijke bestemmingsplannen nog niet 'Malta-proof zijn, kan op deze wijze in de omgevingsvergunning bescherming aan archeologische waarden in de bodem worden geboden bij de realisatie van een fysiek project. De model-erfgoedverordening bevat de mogelijkheid om nadere regels te stellen. De Wabo ziet op vergunningen en ontheffingen en niet op nadere regels. Het college blijft hiervoor het bevoegd gezag.
Het inhoudelijke toetsingskader van de omgevingsvergunning inzake de gemeentelijke monumenten is in de verordening bepaald. Voor het overige is bij het opstellen van deze modelverordening rekening gehouden met de 'Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving’. Ook in dit nieuwe model zijn de bepalingen van de Monumentenwet 1988 en de daarin gekozen systematiek als uitgangspunt genomen. In de verordening zijn geen bepalingen opgenomen met betrekking tot de gemeentelijke beschermde stads en dorpsgezichten, ondanks dat hiervan in de gemeentelijke praktijk wel gebruik wordt gemaakt. In een voorgaand dereguleringstrajectzijn deze artikelen gesneuveld, aangezien het instrument hoge administratieve lasten bij burgers genereert. In het verlengde van het dereguleringsproject in 2007 is er thans voor gekozen om deze bepalingen daarom niet opnieuw in de modelverordening op te nemen. Het staat gemeenten uiteraard vrij om het VNG-model op dit en op andere onderdelen zelf aan te vullen.
pagina 15 van 2ĥ
Erfgoedverordening 2010 Gemeente Beuningen
B. ARTIKELSGEWIJZETOELICHTING Hoofdstuk1. Algemeen Artikel 1. Begripsbepalingen Sub a Bij de omschrijving van het begrip 'gemeentelijk monument' is, met uitzondering van de 50-jaar grens, aansluiting gezocht bij de omschrijving van een monument in de Monumentenwet 1988. De cultuurhistorische waarde is volgens de Memorie van Toelichting de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan en het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt. Dit is een zo ruime omschrijving dat het ook betrekking kan hebben op zaken en gebieden met een geschiedkundige en of bouwhistorische waarde. Het begrip ‘terreinen ’, als bedoeld in sub 2 van artikel 1, dient ruim te worden uitgelegd. Hoofdzakelijk betreft het locaties waar archeologische waarden in de bodem (kunnen) zitten, maar daarnaast kan het bijvoorbeeld ook gaan om parken, tuinen en een perceel met een of meer bomen. Het is niet vereist dat op het terrein ook een bouwkundig monument voorkomt om over een gemeentelijk monument te kunnen spreken. Een 'zaak' is immers een veel ruimer begrip.
Omdat de 50-jaargrens voor rijksmonumenten niet voor gemeentelijke monumenten is overgenomen, biedt de verordening ook de mogelijkheid om monumenten die (nog) niet op de rijksmonumentenlijst zijn geplaatst omdat ze ‘te jong zijn’, al op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen. Uitgangspunt in deze verordening is dat onder het begrip ‘zaak ’ alleen onroerende zaken worden verstaan. Immers, het effectueren van de bescherming vormt een probleem, aangezien roerende monumenten meestal eenvoudig kunnen worden verplaatst en daardoor ongemerkt over de gemeentegrens en daarmee buiten de werking van de verordening worden gebracht. Zaken die naar hun aard roerend zijn, zoals een kerkorgel, kunnen wel de beschermde status krijgen, op basis van de redengevende omschrijving. Met het voorgaande in het achterhoofd is het echter aan gemeenten zelf om met de verordening ook roerende monumenten aan te wijzen. Daarnaast is het ook mogelijk dat gemeenten door middel van aanvullende regelgeving voorkomen dat cultuurhistorische voorwerpen, die als gemeentelijk monument zijn aangewezen, buiten de gemeentegrenzen verdwijnen. Controle en handhaving van deze regelgeving zijn echter nauwelijks mogelijk. Subb Dit betreft de lijst waarop de gemeente de overeenkomstig de verordening aangewezen monumenten registreert. Het plaatsen op de monumentenlijst heeft geen rechtsgevolg.
Het betreft slechts een administratieve handeling. Voorafgaand aan de plaatsing op de lijst is het de aanwijzing tot gemeentelijk monument die rechtsgevolg beoogt. Het is inzichtelijker om de aanwijzing en de plaatsing op de lijst uit elkaar te trekken. Zie ook de toelichting op artikel 3, lid 1, en artikel 7. Sub c Voor de begripsomschrijving van een 'beschermd monument' is aangesloten bij de begripsomschrijving uit de Wabo De Wabo zelf verwijst weer naar de Monumentenwet 1988. Deze wet omschrijft een beschermd monument als een onroerend monument die is ingeschreven in een ingevolge de Monumentenwet 1988 vastgesteld register. Op de vergunningverlening voor rijksmonumenten zijn de bepalingen uit de Wabo van toepassing.
pagina 16 van 2S
Erfgoedverordening 2010 Gemeente Beuningen
Subd Sinds de komst van de Wet dualisering gemeentebestuur in 2002 kan elk bevoegd orgaan in de gemeente (raad, college en burgemeester) zelf zijn commissies instellen. De monumentencommissie is een commissie die adviseert aan het bevoegd gezag. In de Erfgoedverordening wordt door de raad bepaald dat een monumentencommissie advies moet uitbrengen aan het bevoegd gezag. Dit vloeit voort uit de Monumentenwet 1988. In artikel 15 van deze wet is bepaald dat de gemeente in een verordening de inschakeling van een commissie moet regelen die adviseert aan het bevoegd gezag over aanvragen om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f van de Wabo. De wetgever geeft hier dus aan dat het college in dit geval geen keuzevrijheid heeft ten aanzien van het instellen van een commissie. Het instellen van de monumentencommissie door het college moet door middel van een apart collegebesluit. Er bestaat geen modelbesluit voor het instellen van een (monumenten) commissie door het college. Wij adviseren het college bij het besluit tot instellen van een monumentencommissie gebruik te maken van de VNG-modelverordening op de raadscommissie. Deze verordening is te downloaden via de databank van de Sdu Uitgevers, www.modelverordeningen.nl . De taken van de monumentencommissie strekken zich uit over de Erfgoedverordening de Monumentenwet 1988 en de Wabo.
Door de monumentencommissie in deze begripsomschrijving bevoegd te verklaren over de toepassing van de Wabo te adviseren aan het bevoegd gezag, is voldaan aan het vereiste, genoemd in artikel 15 van de Monumentenwet 1988. Mocht een gemeente niet over een monumentenbeleid beschikken, dan moet dit niet in de bepaling opgenomen worden. Overigens kan de monumentencommissie worden gecombineerd met een welstandscommissie. Sub n De gemeentelijke beleidsadvieskaart kan een praktische oplossing bieden in het geval dat nog geen Malta-proof bestemmingsplan is vastgesteld. In dat geval kunnen gebieden op een dergelijke beleidsadvieskaart worden opgenomen, indien blijkt dat daar op grond van gemeentelijk historisch onderzoek mogelijk archeologische sporen in de bodem kunnen worden aangetroffen.
pagina 17 van 2ĥ
Erfgoedverordening 2010 Gemeente Beuningen
Sub o Zoals ook in de algemene toelichting is aangegeven is de hoofdregel dat burgemeester en wethouders van de gemeente waar het project zich in hoofdzaak afspeelt het bevoegd gezag is. Voor een verdere toelichting wordt verwezen naar de algemene toelichting behorend bij deze verordening. De overige begripsbepalingen zijn in hun definitie al ruim omschreven, zodat deze geen nadere toelichting behoeven. Wat nog wel een nadere toelichting behoeft is het bouwhistorisch onderzoek. Dit begrip was al bij de vorige gedereguleerde verordening geschrapt: »
het bouwhistorisch onderzoek; deze rapportage maakt formeel niet langer deel uit van de verordening (het oude artikel 3, waarin was bepaald dat het college ten behoeve van de aanwijzing tot monument een bouwhistorisch onderzoek kon laten verrichten). Bij de aanwijzing tot monument kan de eigenaar/gebruiker echter niet gedwongen worden een dergelijk onderzoek te verrichten, voornamelijk vanwege de kosten. Daarnaast is dwang ook niet mogelijk wegens het ontbreken van de mogelijkheid om binnen te kunnen treden puur in het geval dat een dergelijk onderzoek gewenst is. Bij niet-woningen is dat wel mogelijk, maar bij woningen is binnentreden gebonden aan het Huisvrederecht. De strenge eisen die hieraan verbonden zijn, maken het niet mogelijk dat voor slechts een bouwhistorisch onderzoek bij de aanwijzing tot monument wordt binnengetreden. Dat is wezenlijk anders dan wanneer wordt binnengetreden in het kader van toezicht op de naleving van de verordening. Het ontbreken van de mogelijkheid om een bouwhistorisch onderzoek bij de aanwijzing af te dwingen kan worden ondervangen nadat een woning is aangewezen tot monument. De voorwaarden die de gemeente betreffende de afhandeling van aanvragen om een beschikking (in casu de monumentenvergunning) op grond van artikel 4:5 Awb kan stellen, bieden voldoende houvast.
Argument hierbij is dat inzicht in de cultuurhistorische waarde van een gebouw bij de beoordeling van de aanvraag tot wijziging van een monument van belang is. De gemeente bepaalt dan dat (de uitkomst van) een bouwhistorisch onderzoek tot de noodzakelijke gegevens behoort om tot een beoordeling van de aanvraag te komen. Hierbij moet wel sprake zijn van evenredigheid wat betreft de omvang van de wijziging van het monument in relatie tot de omvang van het onderzoek en de daaraan verbonden kosten. Deze bepaling uit de Awb maakt het daarmee niet noodzakelijk dat het laten verrichten van een bouwhistorisch onderzoek in de verordening opgenomen hoeft te worden. Ook de nieuwe systematiek van de modelverordening, voortvloeiend uit het dereguleringstraject en gebaseerd op het stellen van nadere regels, maakt het gebruik van het historisch bouwonderzoek een te zwaar instrument. Immers, de nadere regels in het derde lid van artikel 10 vragen om een vereenvoudigde aanpak bij lichte wijzigingen aan een monument (het draait hier feitelijk om de gevolgen die de aanwijzing heeft op reguliere onderhoudswerkzaamheden). Het zou noch proportioneel noch evenredig zijn om bij een dergelijke vereenvoudigde aanpak een bouwhistorisch onderzoek verplicht te stellen. Het niet langer verplicht stellen doet echter niets af aan het intrinsieke belang van bouwhistorisch onderzoek.