01 Beleidsnota Archeologie 2010
Tekst van het document
Gemeente
Beuningen
Raadsvoorstel Datum Nummer(agenda) Registratienummer Auteur E-mail Portefeuillehouder Status openbaar heid Onderwerp
5 oktober 2010 10-11-10 BW10.01314 Koen Antonise k.antonise@beuningen.nl PJ.M. de Klein Openbaar
Raadsvergadering Commissie 1 Datum Commissie 2 Datum
: 9 november 2010 : Ruimte : 26 oktober 2010
Niet openbaar tot
Beleidsnota Archeologie
Bestuurlijke samenvatting Vanwege de verdere decentralisatie van verantwoordelijkheden ten aanzien van het archeologisch bodemarchief is de zorgplicht voor archeologische waarden een taak van de gemeenten geworden. Initiatiefnemers wor den bij bodemingrepen verplicht rekening te houden met de bekende archeologische waarden en de te verwach ten archeologische resten. Hiervoor is het van belang gemeentelijk archeologiebeleid op te stellen. Archeologie moet een plaats krijgen in bestemmingsplannen en de erfgoedverordening. Het doel van deze beleidsnota is om het belang van archeologie in Beuningen te onderstrepen en op een helde re manier duidelijkheid te verschaffen in situaties waarbij archeologische waarden en ruimtelijke ontwikkelin gen conflicteren. Op die manier kan tijdig rekening gehouden worden met archeologie en kan deze eventueel in de ruimtelijke plannen worden ingepast. Dit zal uiteindelijk kosten- en tįjdsbesparend werken._______________ Voorstel 1. Stel de Beleidsnota Archeologie, de paleogeografische kaart, de archeologische waarden- en verwachtingen kaart en de beleidsadvieskaart vast. 2. Stel de aangepaste Erfgoedverordening vast. 3. Neem de voorwaarden voor archeologisch onderzoek op in nieuwe bestemmingsplannen en bij de actualisatie van bestemmingsplannen.
______________________________________________________________________ Inleiding Vanwege de verdere decentralisatie van verantwoordelijkheden ten aanzien van het archeologisch bodem* archief (archeologische resten in de bodem) is de zorgplicht voor archeologische waarden een taak van de gemeenten geworden. Gemeenten en andere initiatiefnemers worden bij bodemingrepen verplicht rekening te houden met de bekende archeologische waarden en de te verwachten archeologische resten. Archeologie moet een plaats krijgen in bestemmingsplannen en de erfgoedverordening (Monumentenwet artikelen 3843). De gemeente Beuningen heeft een archeologische verwachtingenkaart (BW07.01397) en een Hoofdlijnen notitie Archeologische en cultuurhistorische beleidsnota (BW08.00681) waarin eisen gesteld worden aan bodemingrepen om (eventuele) archeologische resten te beschermen. De hoofdlijnennotitie is echter niet volledig en is slechts een groter kader waarbinnen het archeologisch beleid moet worden opgesteld. De hoofdlijnennotitie geeft niet aan welk type archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd en in welke gevallen er een vrijstelling geldt. Verder is in de bodemvisie van de MARN regio een hoofdstuk opgenomen over archeologische waarden (BW09.01704). De bodemvisie geeft de ambitie weer van de regiogemeenten over hoe we in de komende járen met onze bodem en al haar facetten om willen gaan.
In het hoofdstuk is onder andere gesteld dat archeologische waarden beter zichtbaar gemaakt moeten worden, hoe bodem- en archeologisch onderzoek beter op elkaar afgestemd kunnen worden en hoe archeologische waarden kunnen worden benut om de toeristische waarde van de regio te vergroten. Het doel van de beleidsnota Archeologie is om het belang van archeologie in Beuningen te onderstrepen en op een heldere manier duidelijkheid te verschaffen in situaties waarbij archeologische waarden en ruimte lijke ontwikkelingen conflicteren. Op die manier kan tijdig rekening gehouden worden met archeologie en kan deze eventueel in de ruimtelijke plannen worden ingepast. Dit zal uiteindelijk kosten- en tijdsbesparend werken.
Bescherming van het archeologisch bodemarchief Om archeologische resten beter te beschermen en de beslispunten uit de hoofdlijnennotitie te beantwoor den is de beleidsnota Archeologie met een vernieuwde archeologische waarden- en verwachtingenkaart en archeologische beleidsadvieskaart opgesteld. De archeologische waarden- en verwachtingenkaart geeft aan wat er op basis van historisch onderzoek en type en ontstaansgeschiedenis van de ondergrond (paleogeografische kaart) aan archeologische resten is te verwachten op een locatie en dient als uitgangspunt voor het opgestelde beleid. De beleidskaart is een hulpmiddel voor het uit te voeren beleid. De beargumentering van het gemeentelijk beleid en de verschillen tussen archeologische onderzoeken worden in de beleidsnota nader toegelicht. Hieronder wordt slechts een samenvatting gegeven van het gemeentelijk beleid voor be scherming van het archeologisch erfgoed: 1. 2. 3.
4.
5.
Bodemingrepen in beschermde rijksmonumenten dieper dan 30cm moeten worden voorafgegaan door een vergunningaanvraag via het ministerie van OC&W; Bodemingrepen in terreinen van archeologische waarde (monumenten) dieper dan 30cm moeten worden voorafgegaan door een bureauonderzoek en een archeologisch karterend booronderzoek; Bodemingrepen in terreinen met een hoge archeologische verwachtingswaarde dieper dan 30cm en groter dan 100 (kernyi20m2 (buitengebied) moeten worden voorafgegaan door een archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek; Bodemingrepen in terreinen met een middelhoge of lage archeologische verwachtingswaarde die per dan 30cm en groter dan 2000m2 moeten worden voorafgegaan door een archeologisch bureau onderzoek; Bodemingrepen in onderzochte of verstoorde gebieden hoeven niet te worden voorafgegaan door een archeologisch onderzoek.
Met uitzondering van de archeologische rijksmonumenten geldt een vrijstelling voor archeologisch onder zoek bij de volgende activiteiten: 1. voortzetting van normaal agrarisch gebruik zoals ploegen, zaai- en oogstklaar maken, vervangen van drainage, aanbrengen van teeltondersteunende voorzieningen en vervangen van boomgaar den; 2. bouwvergunningen waarbij het nieuw te bouwen bouwwerk zich op de bestaande fundering of ten hoogste 2,5 meter buiten de bestaande fundering bevindt; 3. vervangen of beheren van kabels, leidingen of bestrating. Relaties met ander beleid Het archeologiebeleid heeft raakvlakken met de meerdere gemeentelijke beleidsvelden, te weten de Erfgoedverordening (BW10.00705) en bestemmingsplannen. In de (vigerende) Erfgoedverordening stonden regels opgenomen over de onderzoeksplicht en vrijstellingsregels zoals deze opgenomen waren in de hoofdlijnennotitie Archeologie. De hoofdlijnennotitie is verder uitgewerkt in het gemeentelijke archeologiebeleid, de archeologische beleidsregels zijn hierin verfijnd. De beleidsregels uit de beleidsnota Archeologie dienen te worden verankerd in de Erfgoedverordening. In overleg met de afdeling BWT is de Erfgoedverordening aangepast op basis van het voorliggende archeo logiebeleid. In de bijlage is de geactualiseerde Erfgoedverordening opgenomen.
De wijzigingen ten aanzien van de vi gerende Erfgoedverordening zijn toegevoegd. Ook heeft de beleidsnota Archeologie invloed op de bestemmingsplannen. In de bestemmingsplannen moet verplicht een archeologische paragraaf worden opgenomen. Om uniform te werk te gaan is het noodzake lijk om de beleidsregels uit de beleidsnota Archeologie over te nemen in nieuwe bestemmingsplannen. Ook moeten de beleidsregels worden meegenomen bij de actualisatie van bestaande bestemmingsplannen. In 2010 start het project tot actualisatie van alle gemeentelijke bestemmingsplannen. Het cluster Milieu zal actief deelnemen in de projectgroep om te waarborgen dat het gemeentelijke archeologiebeleid integraal verankerd wordt in de te actualiseren bestemmingsplannen.
2
Kern van het beleid De kern van het beleid is een indeling van het Beuningse grondgebied in gebieden met verschillende arche ologische waarden en verwachtingen. Op basis hiervan zijn verschillende beleidsregels opgesteld en wor den verschillende onderzoeksstrategieën geëist. Een kort overzicht is weergegeven op bladzijde 17. Argumenten 1. Vooraf duidelijkheid verschaffen over de eventuele noodzaak voor archeologisch onderzoek bij ruimte lijke ontwikkelingen. Doordat vooraf beter en eerder duidelijk is welke stappen gezet moeten worden om de archeologische resten beter te waarborgen kan tijd- en kostenbesparend gewerkt worden. Tevens zijn er vrijstellingsregels voor archeologisch onderzoek opgenomen wat leidt tot een lastenverlichting voor initiatiefne mers, zowel particulieren als de gemeente. 2. Archeologische resten beter beschermen en voldoen aan de wettelijke zorgplicht voor archeologische res ten. Door regels vast te leggen in de Erfgoedverordening en bestemmingsplannen wordt voldaan aan de wettelijke zorgplicht voor archeologie en worden archeologische resten beter beschermd. 3. Uniformering van bestemmingsplannen met betrekking tot archeologie. Door het ovememen van de archeologische beleidsregels bij de actualisatie van bestaande en het op stellen van nieuwe bestemmingsplannen wordt uniformiteit ten aanzien van archeologie gecreëerd.
Financiën De monumentenwet gaat uit van het principe van ‘de verstoorder betaalt ’. De kosten voor het uitvoeren van een archeologisch onderzoek of opgraving zijn voor de verstoorder. Dit wil zeggen dat het onderzoek of opgraving gefinancierd wordt door de initiatiefnemer van de bodemverstorende ingreep. Ook advies- en/of legeskosten komen voor rekening van de initiatiefnemer. De archeologische waarden- en verwachtingenkaart en de beleidsadvieskaart zijn gefinancierd uit middelen beschikbaar gesteld door de rijksoverheid voor de bescherming van het archeologisch erfgoed. Deze ver goeding zit begrepen in de algemene uitkering, en hiertegenover is ingaande 2009 een structureel budget in de begroting opgenomen van C 8.260,- (45410044). Hiermee dient ook de actualisatie van deze kaar ten gedekt te worden. Tijdspad Zodra uw raad instemt met de paleogeografische kaart, de archeologische waarden- en verwachtingen kaart, de archeologische beleidskaart en de beleidsnota archeologie moeten de beleidsregels geïmplemen teerd worden in de bestemmingsplannen. Verder zal de archeologische waarden- en verwachtingenkaart moeten worden bijgehouden en zullen alle nieuwe archeologische onderzoeken opgenomen worden in de kaart.
Evaluatie Wanneer blijkt dat het archeologisch beleid bijsturing nodig heeft of aangepast dient te worden dan wordt dat door middel van het milieubeleidsplan of milieujaarprogramma aan de raad voorgesteld. Over structu rele werkzaamheden wordt jaarlijks verslag gedaan middels het milieujaarverslag.
Bijlage - Beleidsnota Archeologie - Aangepaste erfgoedverordening - Gewijzigde artikelen uit de vigerende erfgoedverordening Burgemeester en wethouders, A.H.W.M. Koeken RA secretaris
mr. drs. H.N.A.J. Zįjlmans burgemeester
Aldus besloten in de vergadering van de raad van 9 november 2010. Jffier, de voorzitter
v. 3
BELEIDSNOTA ARCHEOLOGIE
Gemeente
Beuningen
Behoort bij het besluit van de raad van
Auteur: Versie:
K. Antonise Oktober 2010
de griffier,
à
Inhoudsopgave
1 Inleiding .................................................................................................................................................................8 1.1 Wat is archeologie? ........................................................................................................................................ 8 1.2 Korte geschiedenis van Beuningen .............................................................................................................. 8 1.3 Waarom archeologiebeleid? ......................................................................................................................... 8 1.4 Leeswijzer....................................................................................................................................................... 9 2 Wettelijk kader....................................................................................................................................................10 2.1 Overzicht wettelijke verplichtingen ...........................................................................................................
10 2.2 Landelijk takenpakket ..................................................................................................................................10 2.3 Provinciaal takenpakket .............................................................................................................................. 11 2.4 Gemeentelijk takenpakket .......................................................................................................................... 11 2.5 Beuningse invulling wettelijke taken ......................................................................................................... 12 2.6 Relatie met andere beleidsvelden ...............................................................................................................12 3 Beunings beleid ................................................................................................................................................... 13 3.1 Archeologische waarden- en verwachtingenkaart ....................................................................................13 3.2 Beleidsadvieskaart .......................................................................................................................................
13 3.2.1 Archeologische monumenten ...............................................................................................................13 3.2.2 Terreinen met een hoge archeologische verwachtingswaarde ......................................................... 14 3.2.3 Terreinen met een middelhoge of lage archeologische verwachtingswaarde ................................. 15 3.2.4 Reeds onderzochte of verstoorde gebieden ........................................................................................ 15 3.2.5 Algehele vrijstellingsregeling ...............................................................................................................15 3.3 Meldingsplicht bij toevalsvondsten ............................................................................................................ 16 3.4 Overzicht ...................................................................................................................................................... 16 4 Het archeologietraject ........................................................................................................................................ 17 4.1 Verstoorder betaalt ......................................................................................................................................
17 4.2 Onderzoeksstrategieën ................................................................................................................................17 4.2.1 Bureauonderzoek .................................................................................................................................. 17 4.2.2 Inventariserend veldonderzoek ........................................................................................................... 17 4.3 Selectiebesluit ...............................................................................................................................................18 4.3.1 Behoud in situ ....................................................................................................................................... 18 4.3.2 Geen waarden meer aanwezig ............................................................................................................ 18 4.3.3 Er zijn geen waarden te verwachten ...................................................................................................18 4.3.4 Nader onderzoek nodig ........................................................................................................................ 18 4.3.2 Behoud ex situ ......................................................................................................................................
18 4.3.3 Archeologische begeleiding ..................................................................................................................19 4.4 Stroomschema ’s........................................................................................................................................... 19 5 Evaluatie .............................................................................................................................................................. 20 5.1 Milieujaarverslag ......................................................................................................................................... 20 5.2 Milieujaarprogramma ..................................................................................................................................20 5.3 Archeologische waarden- en verwachtingenkaart ....................................................................................20 Bijlage 1 Paleogeografische kaart met archeologische kenmerken.............................................................. 24 Bijlage 2 Archeologische waarden- en verwachtingenkaart ......................................................................... 28 Bijlage 3 Archeologische beleidsadvieskaart .................................................................................................
32 Bijlage 4 Provinciale beleidskaart “Parels en ruwe diamanten ”...................................................................36 Bijlage 5 Uitsnede gemeente Beuningen uit Provinciale kaart “parels en ruwe diamanten ”.................... 40 Bijlage 6 Stroomschema ’s onderzoekstraject ................................................................................................. 44
6
7
1 INLEIDING
1.1 Wat is archeologie? Archeologie is de wetenschap die zich bezig houdt met de in de bodem aanwezige resten van menselijk handelen in het verleden. Archeologie is daarmee een deel van het wijdere begrip cultuurhistorie. Archeologische sporen en voorwerpen vormen een niet aanvulbare voorraad gegevens uit ons verleden. Daarmee is het anders dan bijvoorbeeld natuur, dat tot op zekere hoogte in staat is zich te regenereren. Archeologische sporen en vondsten bevinden zich meestal in lagen die gekoppeld zijn aan de geschiedenis van het landschap. In principe liggen de oudste sporen het diepst, en de meer recente sporen het dichtst onder het maaiveld. De fascinatie voor zijn verleden is een typisch menselijke eigenschap. Het draagt bij aan zijn identiteit en plaatsing in een kleine of grotere context. Daar waar we als vakantieganger in het buitenland graag naar musea of historische plaatsen gaan, hebben we thuis ook een rijk verleden, dat vaak echter minder aan dacht krijgt.
1.2 Korte geschiedenis van Beuningen Beuningen en omgeving hebben een lange geschiedenis, die teruggaat tot ver voor de jaartelling. Dat heeft vooral te maken met de ligging in een zich steeds veranderend landschap. In de tijd dat ten westen van Beuningen een groot moeraslandschap begon, dat zich uitstrekte tot ver in de huidige Noordzee, leefden op de droge hogere delen vooral zogenaamde jagers-verzamelaarsgemeenschappen. Zij trokken rond van het ene tijdelijke kamp naar het volgende. De resten van deze kampen zijn gevonden op oude oeverwallen en rivierduinen. Met de introductie van de landbouw (circa 5000 v. Chr.) ontstaan permanentere nederzettin gen, die meer sporen achterlaten. De oudste tot nu toe bekende vondsten uit de gemeente Beuningen date ren uit de nieuwe steentijd, het Neolithicum (5300 - 2000 v. Chr.). Na de steentijd volgen de bronstijd (2000 - 800 v. Chr.) en de ijzertijd (800 - 20 v. Chr.). Waar in de bronstijd grotendeels op dezelfde locaties gewoond werd als in de steentijd zien we een gestage toename van bewoning in de (late) ijzertijd. Aan de ijzertijd komt een einde met de komst van de eerste Romeinen naar Nijmegen (circa 20 v. Chr.). Vanaf dat moment wordt de hele regio, inclusief Beuningen, opgenomen in de Romeinse invloedsfeer, die in en rond Nijmegen een sterk militair karakter heeft.
Het is een bloeipe riode die op veel plaatsen in de gemeente sporen achtergelaten heeft. De middeleeuwen beginnen het landschap en de inrichting zoals wij dat kennen te vormen. De meeste kernen ontstaan uit oude Romeinse nederzettingen, nieuw zijn de bedijkingen vanaf de late middeleeuwen. De nieuwe tijd brengt een intensivering van de landbouw en de opkomst van de baksteenindustrie in de uiterwaarden. De vaak vervallen fabrieken langs de rivier getuigen hier nog van. Al deze activiteiten vanaf de prehistorie tot aan de nieuwe tijd hebben hun sporen nagelaten. De gemeente Beuningen is gebouwd op een schatkamer aan historische informatie die niet verloren mag gaan.
1.3 Waarom archeologiebeleid? Tot voor kort was de zorg voor het cultureel erfgoed, zoals archeologie en bovengrondse monumenten, een zaak voor het rijk en de provincies. In het kader van de decentralisatie is de zorgplicht bij de gemeenten komen liggen, alhoewel het Rijk en de provincie nog steeds bepaalde zaken (kunnen) regelen (zie hoofd stuk 2).
8
Het is aan de gemeenten om een beleid te maken dat de zorg voor het archeologische erfgoed regelt zonder dat dit conflicteert met bijvoorbeeld de ontwikkeling van een gemeente. Daartoe is het van belang dat de belangen van de archeologie reeds vroegtijdig meegewogen worden in het planologische proces. Beuningen heeft enerzijds een rijk verleden, dat voor een deel nog onzichtbaar onder de grond ligt, en anderzijds toekomstgerichte plannen. Belangrijk is dat er al in een vroeg stadium duidelijkheid verschaft wordt over de gevolgen van keuzes die gemaakt worden ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen en over hoe om te gaan met deze soms tegenstrijdige belangen. Om de ontwikkeling van Beuningen en de bescherming van het archeologisch erfgoed te garanderen is in de gemeenteraad van 06-08-2008 de Hoofdlijnennotitie Archeologische en cultuurhistorische beleidsnota vast gesteld. Deze hoofdlijnennotitie biedt aanknopingspunten voor het nader uit te werken beleid en geeft aan in welke gevallen archeologisch onderzoek noodzakelijk is (maar is niet volledig). Hierín onderschrijft de gemeente de uitgangspunten van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE). De beleidsnota archeologie die voor u ligt is een uitwerking en verdere verfijning van de hoofdlijnennotitie.
Er is gekozen om op verzoek van de raad (22-01-2008) archeologie en cultuurhistorie te scheiden, daarom zal alleen de bescherming van archeologie behandeld worden in deze beleidsnota. Verder zijn de beslispun ten die genoemd zijn in de hoofdlijnennotitie nader onderzocht en behandelt. Het doel van deze beleidsnota is om het belang van archeologie in Beuningen nogmaals te onderstrepen en op een heldere manier duidelijkheid te verschaffen in situaties waarbij archeologische waarden en ruimte lijke ontwikkelingen kunnen conflicteren. Op die manier kan tijdig rekening gehouden worden met archeo logie en kan deze eventueel in de ruimtelijke plannen worden ingepast. Dit zal uiteindelijk kosten- en tijdsbesparend werken. Daarnaast wordt archeologische resten beter beschermd bij ruimtelijke processen in de gemeente Beuningen. Verder zijn er vrijstellingsregels opgenomen met betrekking tot het uitvoeren van archeologisch onderzoek wat zorgt voor een lastenverlichting voor de initiatiefnemer. In hoofdstuk 3 zal hierover nader worden ingegaan.
1.4 Leeswijzer In de volgende hoofdstukken wordt aandacht besteed aan de wettelijke taken van de verschillende overhe den, de mogelijkheden voor gemeenten om beleid op te stellen en de keuzes die gemaakt zijn. Verder is een overzicht gegeven van het traject dat doorlopen moet worden bij archeologisch onderzoek. In de bijlagen zijn de paleogeografische kaart (een kaart over de oorsprong en type ondergrond), de arche ologische waarden- en verwachtingenkaart, de archeologische beleidskaart, de kaart met parels en ruwe diamanten van de Provincie Gelderland met een uitsnede van de gemeente Beuningen en stroomschema ’s van dit archeologietraject opgenomen.
9
2WETTELIJK KADER
2.1 Overzicht wettelijke verplichtingen In 1992 is door de Europese lidstaten het Verdrag van Valletta (ook; Verdrag van Malta) getekend. De lid staten hebben hierin aangegeven hun bodemarchief zo goed mogelijk te beschermen. In 1998 hebben ook de Eerste en Tweede kamer hiermee ingestemd. Uiteindelijk is het Verdrag van Valletta in 2007 geïmple menteerd in de Nederlandse wetgeving middels de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMZ). Hieruit volgden het Besluit op de Archeologische Monumentenzorg (BAMZ) en de Regeling op de Archeo logische Monumentenzorg (RAMZ). De WAMZ heeft met name invloed op de Monumentenwet 1998 maar ook op bijvoorbeeld de Ontgrondin genwet, de Woningwet, de Wet ruimtelijke ordening, de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht en de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen. De nieuwe wet beoogt dat zo goed en zo vroeg mogelijk rekening wordt gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van archeologische waarden in de bodem. De belangrijkste aanpassingen die via de WAMZ geregeld zijn staan hieronder weergegeven. 1. 2. 3.
4.
5.
archeologische waarden moeten zo veel mogelijk in de bodem (in situ) worden bewaard; archeologie moet tijdig worden meegenomen in de procedures van ruimtelijke planvorming; de verstoorder van het bodemarchief betaalt de kosten van archeologisch (voor)onderzoek en noodzakelijke volwaardige opgravingen, voor zover die kosten redelijkerwijs kunnen worden toe gerekend aan de verstoorder; gemeenten en provincies krijgen een belangrijke rol in de verankering van archeologie in hun ruimtelijke plannen en vergunningen; zij krijgen de ruimte om vergunningvoorwaarden genuan ceerd in te vullen; de vergunning om een opgraving te mogen doen wordt verruimd en blijft niet langer beperkt tot overheden en universiteiten. Ook gekwalificeerde bedrijven mogen deze werkzaamheden uitvoe ren. De minister ziet toe op de kwaliteit van de uitvoering via de introductie van een kwaliteitssys teem, waaraan alle binnen de archeologie werkzame instanties en bedrijven zich dienen te confor meren.
2.2 Landelijk takenpakket De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE, het voormalige RACM, voorheen ROB) heeft in samenwer king met de provincies de archeologische monumentenkaart (AMK) opgesteld. Deze kaart is opgesteld om bij ruimtelijke plannen of bodemingrepen rekening te kunnen houden met archeologische waarden. Op de AMK staan terreinen aangegeven met bewezen archeologische waarde die als behoudenswaardig zijn ge kenmerkt. Deze kaart is dynamisch en wordt indien nodig aangepast. Er zijn drie soorten archeologische monumenten: 1. 2. 3.
terrein van zeer hoge archeologische waarde; terrein van hoge archeologische waarde; terrein van archeologische betekenis.
In de eerste groep vallen de beschermde Rijksmonumenten. Dit zijn terreinen met een nationaal of interna tionaal belang. In de gemeente Beuningen zijn op dit moment 12 terreinen aangemerkt als terreinen van zeer hoge archeologische waarde. De tweede groep bevat onder andere terreinen waarvan de exacte kwali teit en omvang nog niet vastgesteld kon worden. Oude dorps- en stadskernen vallen in deze groep. Het belang van deze groep wordt eerder op provinciaal en regionaal niveau geschat. De derde groep scoort
10
lager op de gehanteerde criteria maar is ook behoudenswaardig. Deze terreinen zijn van gemeentelijk of lokaal belang. Het Rijk draagt zorg voor de beschermde Rijksmonumenten (uit groep 1), van de andere terreinen (groep 2 en 3) van archeologische waarde die vermeld zijn op de AMK wordt verwacht dat deze planologisch be schermd worden in bestemmingsplannen. Van de beschermde Rijksmonumenten wordt verwacht dat de bestemming in overeenstemming is met de archeologische waarde. Voor bodemingrepen in deze monumenten geldt een in de Monumentenwet gere geld vergunningstelsel. Een dergelijke schríftelijke vergunning wordt alleen door de Minister van Onder wijs, Cultuur en Wetenschap (OC&W) verleend. Het is verboden een monument te beschadigen of te vernielen. Het is verboden zonder of in afwijking van een schríftelijke vergunning een beschermd (archeologisch) monument af te breken, te verstoren, te ver plaatsen of in enig opzicht te wijzigen (Monumentenwet art. 11). Verder draagt het Rijk zorg voor het beheer van het landelijk archeologisch informatiesysteem ARCHIS. Meldingen van archeologische vondsten en de registratie van vindplaatsen vindt onder meer plaats in dit systeem. Op basis van meldingen in ARCHIS kan de archeologische monumentenkaart (AMK) worden aan gepast.
De RCE treedt op als vergunningverstrekker aan de bedrijven en instellingen die gerechtigd zijn tot het uitvoeren van (gravend) archeologisch onderzoek. Onder het Ministerie van OC&W valt eveneens de eer stelijns Erfgoedinspectie (EGI) die toeziet op het archeologisch onderzoek. De eisen aan het onderzoek zijn vervat in een door het veld gemaakte Kwaliteitsnorm (Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, ook: KNA) die in beheer is bij de SIKB (Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer).
2.3 Provinciaal takenpakket Door middel van de Monumentenwet (art. 44) heeft de provincie de mogelijkheid gekregen om gemeenten te dwingen om in voldoende mate rekening te houden met het borgen van bekende en te verwachten ar cheologische waarden. Zo kan het attentiegebieden aanwijzen. Dit zijn gebieden waarvan, naar inzicht van provinciale staten, bij het vaststellen van bestemmingsplannen onvoldoende rekening is gehouden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. De gemeenteraad moet dan, binnen een door provinciale staten vast te stellen termijn, het bestemmingsplan aanpassen. De provincie Gelderland heeft (nog) geen attentiegebieden aangewezen maar kent wel de zogenaamde “Parels en ruwe diamanten ”. Dit zijn gebieden waarvan de provincie vindt dat ze bepalend voor de provin ciale cultuurhistorische identiteit zijn en representatief daarvoor zijn (zie bijlage 4). Op de kaart zijn ook de gebieden die zijn vermeld op de AMK opgenomen. In Beuningen is alleen het uiterst zuidwestelijke gedeel te aangemerkt als parel. De kernen Beuningen, Ewijk en Winssen en de tussenliggende gronden zijn ge kenmerkt als ruwe diamant (zie bijlage 5). Bij de ‘parels ’ is de provincie actiever dan bij de ruwe diamanten, maar in beide gevallen wordt er op de gemeenten gelet om te zorgen dat deze hun bestemmingsplannen afstemmen met het provinciale wensen pakket.
Indien de archeologische resten niet voldoende beschermd worden kan het de gemeente opdragen het bestemmingsplan aan te passen binnen een door de provincie gestelde termijn.
2.4 Gemeentelijk takenpakket
ïi
Vanwege de verdere decentralisatie van verantwoordelijkheden ten aanzien van het archeologisch archief is de zorgplicht voor archeologische waarden een taak van de gemeenten geworden. Initiatiefnemers worden bij bodemingrepen verplicht rekening te houden met de bekende archeologische waarden en de te ver wachten archeologische resten. Archeologie moet een plaats krijgen in bestemmingsplannen en de gemeen telijke erfgoedverordening.
2.5 Beuningse invulling wettelijke taken Om invulling te kunnen geven aan de wettelijke eisen die gelden voor de archeologische monumentenzorg heeft Beuningen een archeologische verwachtingenkaart opgesteld. Op 11 december 2007 heeft de ge meenteraad de archeologische verwachtingenkaart vastgesteld. Deze kaart geldt als uitgangspunt voor de Hoofdlijnennotitie die in juni 2008 door de gemeenteraad is vastgesteld. De hoofdlijnennotitie geeft aan in welke gebieden van de verwachtingenkaart een archeologisch onderzoek vereist is bij een bodemingreep. De hoofdlijnennotitie geeft echter niet aan welk type archeologisch onderzoek (zie hoofdstuk 4) moet wor den uitgevoerd en in welke gevallen er een vrijstelling geldt. Daarnaast is in november 2009 de bodemvisie van de MARN-gemeenten door het college vastgesteld. Hier in is in hoofdstuk 4 de ambitie uitgesproken om archeologische waarden meer zichtbaar te maken, bodem en archeologisch onderzoek beter op elkaar af te stemmen en de toeristische waarde van de regio te vergro ten door middel van archeologie. Vanwege de toenemende belangstelling voor archeologie is de kennis gegroeid en zijn er meer onderzoe ken bekend. Daarom is de verwachtingenkaart in 2010 geactualiseerd. Ook zijn de reeds onderzochte of verstoorde gebieden in de kaart opgenomen. Daarnaast is de waarden- en verwachtingenkaart vertaald in een beleidsadvieskaart.
De beleidsadvieskaart is een hulpmiddel waarbij de beleidsnota en de waarden- en verwachtingenkaart zijn samengevoegd. Op deze manier is in één oogopslag inzichtelijk of archeologisch onderzoek noodzakelijk is en welk type onderzoek. In het volgende hoofdstuk zal hier verder op ingegaan worden. Zowel de paleogeografische kaart, de archeologische waarden- en verwachtingenkaart 2010 en de beleidsadvieskaart zijn in deze beleidsnota ter vaststelling bijgevoegd (bijlagen 1, 2 en 3). Verder zijn de discussiepunten uit de hoofdlijnennotitie in deze beleidsnota weggenomen. Er zijn regels opgenomen over het type archeologisch onderzoek dat vereist is bij een bodemingreep in een bepaald ge bied en er zijn vrijstellingsregels opgesteld voor bepaalde activiteiten, verstoringsoppervlakte en verstoringsdiepte volgens de mogelijkheden die artikel 38 Monumentenwet biedt. Vervolgens stimuleert de provincie Gelderland de aanstelling van regioarcheologen middels het verstrekken van subsidie voor de eerste 3 járen van het dienstverband. Op 9 maart 2010 heeft het college besloten in te stemmen met de aanstelling van een regioarcheoloog.
Beuningen heeft (samen met de gemeenten Druten, Groesbeek, Heumen, Millingen aan de Rijn, Nijmegen, Overbetuwe, Ubbergen en Wijchen) op 1 juli 2010 een regioarcheoloog aangesteld die zorg draagt voor de uitvoering van het archeologisch beleid en de ge meente voorziet van adviezen bij nieuwe projecten.
2.6 Relatie met andere beleidsvelden Het archeologiebeleid heeft raakvlakken met de meerdere gemeentelijke beleidsvelden, te weten de Erf goedverordening en bestemmingsplannen. In deze verordening en plannen zijn regels opgenomen met betrekking tot archeologie. Deze regels moeten overeenstemmen met de beleidsregels zoals ze zijn opgenomen in deze beleidsnota Archeologie.
12
3 BEUNINGS BELEID
3.1 Archeologische waarden- en verwachtíngenkaart De mogelijkheid bij uitstek om het archeologisch beleid vorm te geven is het opstellen van een archeologi sche waarden- en verwachtíngenkaart. Op deze kaart zijn bekende gegevens over het gebied aan de hand van historische kaarten, hoogtekaarten, oude rivierbeddingen en archeologische onderzoeken verwerkt. Ook zijn de AMK terreinen en rijksmonumenten in de kaart opgenomen. Al deze informatie tezamen leidt uiteindelijk tot een bepaalde verwachting voor het aantreffen van archeologische resten. Het is ook moge lijk dat bepaalde terreinen vrijgesteld worden van archeologisch onderzoek omdat het gebied al is onder zocht of dat het teveel verstoord is in het verleden. In de archeologische waarden- en verwachtíngenkaart van Beuningen zijn op basis van de beschikbare gegevens de volgende gebieden opgenomen: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.
terreinen van zeer hoge archeologische waarde (Rijksmonument); terreinen van archeologische waarde (AMK terreinen); terreinen met een hoge archeologische verwachtingswaarde; terreinen met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde; terreinen met een lage archeologische verwachtingswaarde; vondstlocaties; historische dorpskernen; terreinen zonder archeologische waarde.
De kaart is opgenomen in bijlage 2.
3.2 Beleidsadvieskaart Op basis van de verwachte archeologische waarden en de beleidsregels zoals die in de volgende paragrafen zijn opgenomen is een beleidsadvieskaart opgesteld. Op deze advieskaart zijn geen teksten of puntbronnen meer aanwezig. Het kent slechts verschillende vlakken die een bepaald onderzoek vereisen bij een bodemingreep. De advieskaart is een hulpmiddel om direct het beleid van de gemeente in een bepaald gebied af te kunnen lezen in geval van een bodemingreep. Indien een bodemingreep meerdere archeologische beleidszones overlapt geldt het beleid van de strengste zone. De kaart is opgenomen in bijlage 3.
3.2.1
Archeologische monumenten
Zoals in paragraaf 2.2 beschreven geldt dat voor archeologische monumenten gestreefd wordt naar duur zaam behoud. Door eerder archeologisch onderzoek is de waarde vastgesteld en ook als zodanig gewaar deerd door het Rijk en provincie middels de Archeologische Monumenten Kaart (AMK). Bij terreinen die gekenmerkt zijn als archeologisch rijksmonument, moet voor werkzaamheden en activitei ten die bodemverstoringen tot gevolg kunnen hebben dieper dan 30cm een monumentenvergunning wor den aangevraagd. Het is verboden een beschermd monument te beschadigen of te vernielen en voor het wijzigen, verstoren, herstellen, afbreken of verwijderen is een vergunning noodzakelijk. Een vergunning die betrekking heeft op archeologische monumenten dient bij het Ministerie van OC 8c W te worden aange vraagd.
13
Van de overige monumenten is de archeologische waarde bepaald middels onderzoek maar als minder waardevol beschouwd dan bij de beschermde monumenten. De archeologische waarden op deze terreinen zijn op grond van criteria als gaafheid, zeldzaamheid, conserveringsgraad en belevingswaarde gewaardeerd en op basis daarvan zijn de terreinen ingedeeld in: 1. 2.
Terreinen van archeologische waarde; Terreinen van hoge archeologische waarde.
Ondanks dat deze gebieden wel zijn opgenomen in de AMK hebben ze niet dezelfde bescherming als rijks monumenten. Gemeenten mogen zelf op gemotiveerde wijze de bescherming van deze monumenten vast stellen. Omdat de waarde middels onderzoek al is bewezen en het geen verwachte waarde meer is wordt tenminste een bureauonderzoek en karterend booronderzoek geëist bij iedere bodemingreep dieper dan 30 cm, met uitzondering van vrijgestelde activiteiten zoals benoemd in 3.2.5. De keuze voor 30 cm is geba seerd op de gemiddelde verstoringsdiepte in Nederland, ook wel de bouwvoor genoemd. Deze keuze wordt onderbouwd door een uitspraak in de Raad van State van 23-05-2007 : “Voorts is aannemelijk dat bij het vergraven en het afgraven van de bodem dieper dan 0,3 meter de in de bodem aanwezige archeologische waarden onherstelbaar kunnen worden beschadigd. ” Als het uitgevoerde onderzoek aanleiding geeft voor een vervolgonderzoek dan kunnen deze door het bevoegde gezag geëist worden. Beleidsregel: Bodemingrepen in terreinen van archeologische tenminste worden voorafgegaan door een bureauonderzoek
waarde (monumenten) dieper dan 30cm moeten en een archeologisch karterend booronderzoek.
3.2.2 Terreinen met een hoge archeologische verwachtingswaarde Voor terreinen van hoge archeologische verwachting is de waarde nog niet bewezen. Wel bestaat de moge lijkheid dat zich er archeologische waarden in de bodem bevinden. Deze verwachting is gebaseerd op land schappelijk, cultuurhistorisch of bodemkundig onderzoek. Historische woonkernen en vondstlocaties zijn ook opgenomen onder de terreinen met een hoge archeologische verwachting. Rond een vondstlocatie en rond monumenten (paragraaf 3.2.1) is een gebied met een buffer van 50m aangemerkt als hoge verwach tingswaarde. Het rijk heeft een vrijstellingsomvang van 100m2 voor archeologische verwachtingsgebieden vastgesteld maar laat het aan de gemeente over of deze omvang wordt overgenomen of aangepast (artikel 41a Monu mentenwet). Vanwege het grote potentieel van gebieden met een hoge archeologische verwachtingswaarde en recente onderzoeken die aantonen dat de gebieden daadwerkelijk archeologisch interessant zijn wordt de vrijstellingsnorm van 100m2 te gehandhaafd voor gebieden die in de kernen liggen. Voor bodemingre pen in het buitengebied wordt aangesloten bij de regels die gelden in het bestemmingsplan buitengebied. Dit bestemmingsplan kent een vrijstellingregeling voor bijgebouwen tot 120m2, daarom geldt een onder zoeksplicht in dit gebied voor bodemingrepen groter dan 120m2.
Voor beide gebieden geldt dat enkel een onderzoeksplicht geldt wanneer de bodemingreep ook dieper is dan 30cm, met uitzondering van vrijgestel de activiteiten zoals benoemd in 3.2.5. De keuze voor 30 cm is gebaseerd op de gemiddelde verstorings diepte in Nederland, ook wel de bouwvoor genoemd. Deze keuze wordt onderbouwd door een uitspraak in de Raad van State van 23-05-2007 : “Voorts is aannemelijk dat bij het vergraven en het afgraven van de bodem dieper dan 0,3 meter de in de bodem aanwezige archeologische waarden onherstelbaar kunnen worden beschadigd. ” Het onderzoek in zowel het buitengebied als de bebouwde kom moet tenminste bestaan uit een bureauon derzoek en een verkennend booronderzoek. Als het uitgevoerde onderzoek aanleiding geeft voor een ver volgonderzoek dan kunnen deze door het bevoegde gezag geëist worden. Beleidsregel: Bodemingrepen in terreinen met een hoge archeologische groter dan Ĩ00fī20m 2 moeten tenminste worden voorafgegaan door verkennend booronderzoek.
verwachtingswaarde dieper dan 30cm en een archeologisch bureauonderzoek en
14
3.2.3 Terreinen met een middelhoge of lage archeologische verwachtingswaarde Het is mogelijk om voor middelhoge en lage verwachtingszones separate regels op te stellen. Vanwege de enorme vervlechting van deze verwachtingszones is ervoor gekozen de gebieden op dezelfde manier te beschermen. Dit is overzichtelijker en komt de handhaafbaarheid ten goede. De vervlechting van de ver wachtingswaarde is een gevolg van de meanderende rivieren in het verleden en het daarbij horende pa troon van leefgebieden rond deze rivieren. Omdat de trefkans op een archeologische vondst lager is dan in de hoge verwachtingszones wordt een ar cheologisch onderzoek geëist bij bodemingrepen groter dan 2000m2 én dieper dan 30cm, met uitzondering van vrijgestelde activiteiten zoals benoemd in 3.2.5. De keuze voor 30 cm is gebaseerd op de gemiddelde verstoringsdiepte in Nederland, ook wel de bouwvoor genoemd. Deze keuze wordt onderbouwd door een uitspraak in de Raad van State van 23-05-2007 : “Voorts is aannemelijk dat bij het vergraven en het afgra ven van de bodem dieper dan 0,3 meter de in de bodem aanwezige archeologische waarden onherstelbaar kunnen worden beschadigd.
” Op deze manier worden ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied, waar vooral een middelhoge of lage verwachtingswaarde geldt niet belemmerd en is de bescherming van het bodemarchief gewaarborgd bij grootschalige ontwikkelingen. Het archeologisch onderzoek moet ten minste bestaan uit een bureauonderzoek. Als het bureauonderzoek aanleiding geeft tot het uitvoeren van een vervolgonderzoek kan dit door het bevoegd gezag geëist worden. Uiteraard kan er voor gekozen worden om naast een bureauonderzoek meteen een verkennend booronderzoek uit te laten voeren. In sommige gevallen kan dit kosten- en tijdbesparend werken. Beleidsregel: Bodemingrepen in terreinen dan 30cm en groter dan 2000m 2 moeten zoek.
met een middelhoge of lage archeologische verwachtingswaarde dieper tenminste worden voorafgegaan door een archeologisch bureauonder
3.2.4 Reeds onderzochte of verstoorde gebieden Omdat deze terreinen al vrijgegeven zijn na eerder onderzoek of dusdanig verstoord zijn door eerdere bo demingrepen wordt een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk geacht bij bodemingrepen in de geroer de bodemlaag. Deze terreinen worden (gedeeltelijk) vrijgesteld van archeologisch onderzoek. Indien de vrijstelling slechts verleend tot een bepaalde diepte geldt dat wanneer een bodemverstoring dieper gaat dan is vrijgesteld er een archeologisch onderzoek geëist kan worden. De gemeente Beuningen houdt zelf een archief bij waarin de onderzochte gebieden worden opgenomen. De archeologische waarden- en verwachtingenkaart en beleidsadvieskaart zijn dynamische kaarten en zullen bijgehouden moeten worden. Beleidsregel: Bodemingrepen een archeologisch onderzoek.
in onderzochte
of verstoorde
gebieden
hoeven
niet te worden
voorafgegaan
door
3.2.5 Algehele vrijstellingsregeling īn sommige gevallen is het vanuit praktisch oogpunt niet wenselijk om een archeologisch onderzoek te eisen. Dit levert slechts administratieve lasten voor zowel de verstoorder als het bevoegd gezag op en de archeologische winst is minimaal. Dit geldt in situaties waarvan het zeer aannemelijk is dat de bodem ge roerd is en de kans op archeologische vondsten minimaal.
15
Met uitzondering van de archeologisch beschermde rijksmonumenten geldt een vrijstelling voor archeolo gisch onderzoek bij de volgende activiteiten: 1.
2. 3.
voortzetting van normaal agrarisch gebruik zoals ploegen, zaai- en oogstklaar maken, vervangen van drainage, aanbrengen van teeltondersteunende voorzieningen en vervangen van boomgaar den; bouwvergunningen waarbij het nieuw te bouwen bouwwerk zich op de bestaande fundering of ten hoogste 2,5 meter buiten de bestaande fundering bevindt; vervangen of beheren van riolering, kabels, leidingen of bestrating.
3.3 Meldingsplicht bij toevalsvondsten Als iemand, al dan niet verbonden aan een archeologische instelling, een zaak vindt waarvan hij weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat het een monument (archeologische vondst) is, dan is hij verplicht dit zo spoedig mogelijk te melden aan de minister van OC&W (artikel 53 Monumentenwet). In de praktijk bete kent dit dat de Rijksdienst Cultureel Erfgoed en de gemeente Beuningen ingelicht dienen te worden door de vinder. De vondst moet gedurende zes maanden na melding ter beschikking staan voor wetenschappe lijk onderzoek.
3.4Overzicht Beleidszone
Omschrijving
1
Terreinen van zeer hoge archeologische waarde (rijksmonumenten) Archeologische monumen ten Terreinen met een hoge archeologische verwachtingswaarde, bekende vindplaatsen, oude woongronden en historische boerderijlocaties en zone ring van 50m rondom monumenten (zones 1 en 2) Terreinen met een middel hoge of lage archeologi sche verwachtingswaarde Reeds onderzochte of ver stoorde gebieden
2 3
4
5
Onderzoek noodza kelijk bij bodemingreep groter dan 0 m2 en dieper dan 30 cm
Minimaal onderzoek
0 m2 en dieper dan 30 cm In de kern: 100m2 en dieper dan 30 cm
Karterend booronderzoek
Geregeld via vergunning OC&W
Bureauonderzoek en (verkennend) booron derzoek
Buitengebied: 120m2 en dieper dan 30 cm
2000m2 en dieper dan 30 cm volledige vrijstelling
Bureauonderzoek en (verkennend) booron derzoek volledige vrijstelling
Mocht er aanleiding zijn voor het uitvoeren van vervolgonderzoek dan kan dit door het bevoegde gezag worden geëist.
16
4HET ARCHEOLOGIETRAJECT Archeologisch onderzoek dient in Nederland uitgevoerd te worden volgens de meest recente protocollen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). Het onderzoek is onderverdeeld in verschillende onderzoeksstappen waarbij bij elke stap steeds specifieker en intenser naar het gebied wordt gekeken. Na iedere stap wordt op basis van het selectieadvies een selectiebesluit genomen door het bevoegde gezag.
4.1 Verstoorder betaalt De monumentenwet gaat uit van het principe van ‘de verstoorder betaalt ’. De kosten voor het uitvoeren van een archeologisch onderzoek of opgraving zijn voor de verstoorder. Dit wil zeggen dat het onderzoek of opgraving gefinancierd wordt door de initiatiefnemer van de bodemverstorende ingreep. Ook advies- en/of legeskosten komen voor rekening van de initiatiefnemer.
4.2 Onderzoeksstrategieën Wanneer een nieuw plan wordt ingediend bij de gemeente Beuningen of op het moment dat de gemeente zelf voornemens is bodemingrepen te verrichten wordt aan de hand van de archeologische beleidsadvieskaart besloten of archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Voordat gestart wordt met archeologisch onderzoek in het veld is het noodzakelijk te beginnen met een bureauonderzoek. Op basis van bekende (AMK-terreinen) of verwachte waarden (na bureauonderzoek of bij hoge verwachtingszone) kan worden besloten tot een booronderzoek. Hieronder wordt een beschrijving gegeven van de verschillende onderzoeken en het traject van het archeologisch onderzoek. Een uitgebreide beschrijving van de onderzoeken of de protocollen van de KNA kan gevonden worden op de website van de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer (SIKB). In de praktijk wordt vaak een combinatie van bureauonderzoek en verkennend booronderzoek uitgevoerd. Ook is het mogelijk dat er meteen al karterend geboord wordt of wordt overgegaan op het aanleggen van proefsleuven. Deze keuze is aan de verstoorder en kan kosten- of tijdsbesparend werken. Het resultaat moet in elk geval een dermate onderbouwd advies aan de bevoegde overheid zijn dat deze daarop een besluit kan nemen.
4.2.1 Bureauonderzoek Het bureauonderzoek is een literatuurstudie waarbij landschappelijke ontwikkeling, historische gegevens zoals bouwdossiers en ontgrondingsgegevens en bekende archeologische waarden worden geraadpleegd. Aan de hand van de literatuurstudie wordt een verwachtingsmodel opgesteld van de archeologische poten tie van een gebied. Op basis daarvan wordt een eventueel plan van aanpak (PvA) voor een vervolgonder zoek opgesteld en voorgelegd aan het bevoegd gezag. In het geval van proefsleuven is een programma van eisen (PvE) vereist. De eisen aan zowel PvA als PvE zijn in de KNA beschreven.
4.2.2 Inventariserend veldonderzoek Op basis van een bureauonderzoek of eerder uitgevoerde werkzaamheden kan besloten worden tot het uitvoeren van veldonderzoek. Deze onderzoeksfase bestaat uit 3 typen veldonderzoeken: 1. Verkennend booronderzoek. Het doel van de verkennende fase is het vaststellen van de intactheid vań de bodem. Als de bodem niet meer intact is, is de kans op het aantreffen van sporen klein.
17
2.
3.
Karterend booronderzoek. Het doel van de karterende fase is het opsporen van archeologische vindplaatsen. Het booronderzoek wordt gewoonlijk uitgevoerd met grotere boren en in een dichter grid dan bij de verkennende fase. Waarderend booronderzoek of de aanleg van proefsleuven. Het doel van de waarderende fase is bepalen in hoeverre een aangetroffen vindplaats de moeite van verder onderzoek of behoud waard is. Ook de begrenzing van de verwachte of al eerder aangetoonde vindplaats(en) speelt hierbij mee. Bij de waardering spelen aspecten als gaafheid, conservering en zeldzaamheid een rol.
4.3 Selectiebesluit Na elk van de bovengenoemde onderzoeken wordt een selectiebesluit genomen door het bevoegde gezag. Het besluit is gebaseerd op het advies dat volgt op het uitgevoerde onderzoek. Dit besluit kan zijn dat: 1. 2. 3. 4. 5. 6.
het project wordt ingepast in het totale plan (behoud in situ); de bodem dusdanig verstoord is dat zich geen sporen in de bodem zullen voordoen; het gebied voldoende is onderzocht en vrijgegeven kan worden; er verder onderzoek moet plaatsvinden; er opgegraven dient te worden (behoud ex situ); er archeologische begeleiding aanwezig moet zijn bij de bodemverstorende activiteit.
Hieronder worden deze besluiten
nader toegelicht.
4.3.1 Behoud in situ In het geval van een behoudenswaardig gebied heeft het de voorkeur om het terrein in te passen in het plangebied. Hierbij wordt de bodem niet verstoord en is de archeologie beschermd. Dit is het ideaalmodel waarbij al vroegtijdig in het planologische proces met de archeologische waarden gerekend wordt en dat deze in situ behouden blijven.
4.3.2 Geen waarden meer aanwezig De bodem is dusdanig verstoord dat er geen archeologische waarden meer verwacht worden. Dit kan het gevolg zijn van erosie of eerder menselijk handelen.
4.3.3 Er zijn geen waarden te verwachten Door middel van het onderzoek is duidelijk geworden dat er geen archeologische waarden te verwachten zijn. Het terrein kan daarom vrijgegeven worden voor ontwikkeling.
4.3.4Nader onderzoek nodig Er zijn archeologische waarden aangetroffen of verwacht, maar het is nog niet duidelijk wat de kwaliteit is of hoever ze zich in de ondergrond uitstrekken. Er is dus een nader onderzoek nodig om dit te bepalen. Vaak kan al na dit nadere onderzoek bepaalt worden dat grote delen van het terrein vrijgegeven kunnen worden.
4.3.2 Behoud ex situ
18
In veel gevallen is het niet mogelijk om het gebied zo in te passen dat de archeologie beschermd wordt en het initiatief verder uitgevoerd kan worden. Deze afweging maakt een opgraving noodzakelijk. Na en tij dens het opgraven worden alle sporen geïnventariseerd en gedocumenteerd. Na opgraving kan het terrein vrijgegeven worden van archeologisch onderzoek. De opgraving moet gedaan worden door een daartoe bevoegde instelling aan de hand van een goedgekeurd programma van eisen door de gemeente Beuningen (of in het geval van een beschermd rijksmonument door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed).
4.3.3Archeologische begeleiding In die gevallen waarbij behoud in situ of een opgraving onder normale voorwaarden niet mogelijk zijn kan geadviseerd worden om de bodemverstorende ingreep te laten begeleiden door een archeoloog. Voordat de archeologische begeleiding plaats kan vinden moet een programma van eisen worden goedgekeurd door de gemeente Beuningen. Een begeleiding is een laatste middel om de aanwezige archeologische waarden te documenteren en dient alleen ingezet te worden als alle andere opties afgevallen zijn.
4.4 Stroomschema’s In bijlage 5 zijn ter verduidelijking stroomschema’ s opgenomen waarin het archeologietraject schematisch is opgenomen.
19
5 EVALUATIE 5.1 Milieujaarverslag Jaarlijks wordt de raad via het milieujaarverslag ingelicht over de archeologische activiteiten die zijn uitge voerd. Dit betreft zowel de onderzoeken die zijn uitgevoerd door de gemeente zelf als particuliere initia tiefnemers waarvoor de gemeente het bevoegd gezag is. Ook activiteiten op projectbasis worden op deze manier gerapporteerd.
5.2 Milieujaarprogramma Wanneer blijkt dat het archeologisch beleid bijsturing nodig heeft of aangepast dient te worden dan wordt dat door middel van het milieujaarprogramma aan de raad voorgesteld. Ook archeologische projecten die uitgevoerd gaan worden, worden door middel van het milieujaarprogramma aangekondigd.
5.3 Archeologische waarden- en verwachtíngenkaart Om de juiste strategie te kiezen bij archeologisch onderzoek is het noodzakelijk om de uitgevoerde archeo logische rapporten goed te documenteren en archiveren. Op deze manier kan de archeologische waarden en verwachtíngenkaart aangevuld worden met de uitgevoerde onderzoeken en waar nodig bijgesteld. Ten minste iedere 5 jaar of bij een toename van 25 0Zo onderzoeken ten opzichte van de huidige kaart moet een geactualiseerde kaart worden opgesteld. De aangevulde kaart wordt dan ter vaststelling aan de raad aan geboden.
20
Bijlagen
1) 2) 3) 4) 5) 6) 7)
Paleogeografísche kaart met archeologische kenmerken Archeologische waarden- en verwachtingenkaart Archeologische beleidsadvieskaart Provinciale kaart Parels en ruwe diamanten. Uitsnede gemeente Beuningen uit ‘Parels en ruwe diamanten ’. Stroomschema ’s archeologiebeleid Gewijzigde pagina ’s Erfgoedverordening 2010
BIJLAGE 1 PALEOGEOGRAFISCHE KAART MET ARCHEOLOGISCHE KENMERKEN
24
In ,iiĩ Eîĩĩ
Ü
í , í
ţSt-Ĵgfs
26
BIJLAGE 2 ARCHEOLOGISCHE WAARDEN- EN VERWACHTINGENKAART
28
I'M. «if!Hi
İİIŪ101 mo.iifūüjí^!
t rm i
*JT.
' i wrrt
30
BIJLAGE 3
ARCHEOLOGISCHE BELEIDSADVIESKAART
32
î * fit»:) ļ ! s ļ* ‘î! Ml. uìû ’
^f/Jí
í
34
BIJLAGE 4 PROVINCIALE BELEIDSKAART “PARELS EN RUWE DIAMANTEN”
36
o
- a'
Parels en ruwe diamanten
j
(0 c o Uì ct -I
■o
c D) 0) C J5ra ra .q sio Ui ~Sś ra \—O ‘oc ra 'sz O5* Q. raĉ ~~~~~ tñ 0) ra (Ō ra û. a
(D ra c ra o cl 1—’ c ra c ra E ra -o ra 3 CĽ
T3 E ra a» s: uen 'u. ra ra> X» o Eo c c ‘ra ra T3ra ra ra 53 O 2 rt ra < < CÛ
ra c ra O) ra c rara E ra O
4
38
BIJLAGE 5 UITSNEDE GEMEENTE LEUNINGEN UIT PROVINCIALE KAART “PARELS EN RUWE DIAMANTEN”
40
Í
c
42
BIJLAGE 6
STROOMSCHEMA’S ONDERZOEKSTRAJECT
44
Gebruik archeologische beleidsadvieskaart Schema 1 Archeologietraject
Een ruimtelijk plan wordt voorgelegd aan de gemeente Beuningen
I įį ļ li !I----------------------a !
Ingreep op rijksmonument?
Ja
Voldoet de ingreep aan de uitzonderingsre gels?
Nee
Vergunnings aanvraag minis terie OC&W
Ja
Nee
Bodemingreep dieper dan 30cm?
Nee
Ja
Ja
Is het terrein verstoord of vrijgegeven?
Zie schema 3 voor vervolg
Nee
Afgeven vergun ning, vrijgeven terrein
“T Op monument?
Ja
ī
Zie schema 2 voor vervolg
Ja
Nee
“T Terrein met hoge archeologische verwachting?
Ja
Bodemingreep > 100m2 (kern) of 120m2 (buiten gebied)?
Nee
Terrein met lage/middelhoge archeologische verwachting.
Nee
Nee
į
Bodemingreep > 2000m2?
—* Ja
Zie schema 2 —^ voor vervolg
\
46
Beslismoment bevoegd gezag
Schema 2 Gebieden met een archeologische verwachting
Uitvoeren bureau onderzoek, Opstel len PvA en uitvoeren verkennend booronderzoek
Rapport + selectieadvies
Selectiebesluit vervolgonderzoek?
Afgeven vergun ning, vrijgeven terrein
Vervolg schema 3
48
Beslismoment bevoegd gezag Schema 3 Monumenten + vervolgonderzoek schema 2
Opstellen PvA 4uitvoeren karterend booronderzoek
Opstellen PvE proefsleuven of archeolo gische begeleiding
Selectiebesluit be houdenswaardig?
Rapport -I- selectieadvies
I Goedkeuring PvE
Selectiebesluit vervolgonderzoek?
Uitvoeren proefsleuven/ begelei ding
Rapport -l- selectieadvies
Behoud in situ mo gelijk?
Aanpassen bouwplannen
Controle aangepaste plannen. Akkoord?
Behoud ex situ Opstellen PvE op graving
Goedkeuring PvE
opgraving
evaluatierapport
Goedkeuring rapport
Afgeven vergun ning, vrijgeven terrein
50
Bijlage behorende bíj BW10.01314
Gewijzigde artikelen uit de vigerende erfgoedverordening
Behoort bijhetbesluit van de raad van
degriffier,
Erfgoedverordening 2010 Gemeente Beuningen
ERFGOEDVERORDENING gezien het voorstel van het college van 18 mei 2010; gelet op artikel 149 van de Gemeentewet, de artikelen 12, 15 en 38 van de Monumentenwet 1988 en de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; besluit de raad vast te stellen de volgende Erfgoedverordening en restauratie subsidieregeling 2010 gemeente Beuningen Hoofdstuk1. Algemeen Artikel 1. Begripsbepalingen Deze verordening verstaat onder: a. gemeentelijk monument: een overeenkomstig deze verordening als beschermd gemeentelijk monument aangewezen: 1. zaak, die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde; 2. terrein dat van algemeen belang is wegens een daar aanwezige zaak bedoeld onder 1; b. gemeentelijke monumentenlijst: de lijst waarop zijn geregistreerd de overeenkomstig deze verordening als gemeentelijk monument aangewezen zaken of terreinen bedoeld in onderdeel a; c. beschermd monument: beschermd monument als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; d. monumentencommissie: de op basis van art.15 Monumentenwet 1988 ingestelde commissie met als taak het college op verzoek of uit eigen beweging te adviseren over de toepassing van de Monumentenwet 1988, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de verordening en het monumentenbeleid; e.
gemeentelijke archeologische waardenkaart: topografische kaart van het gemeentelijke grondgebied of delen van het grondgebied, waarop archeologische monumenten en archeologische verwachtingsgebieden zijn aangegeven; f. landelijke Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden: landelijke kaart met een schaal van 1:50.000, die op basis van geomorfologische gegevens, de kans weergeeft op de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen, waarbij onderscheid wordt gemaakt in hoge, middelhoge, lage en zeer lage trefkans; g. provinciale Archeologische Monumentenkaart: topografische kaart van (delen van) het provinciale grondgebied, waarop archeologische monumenten en archeologische gebieden zijn aangegeven; h. archeologisch verwachtingsgebied: gebied, aangegeven op de archeologische waardenkaart, waarvan is aangegeven dat in bepaalde mate archeologische vondsten of sporen te verwachten zijn; i. hoge verwachtingswaarde: grote kans op archeologische vondsten of informatie; j. middelhoge verwachtingswaarde: gemiddelde kans op archeologische vondsten of informatie; k. lage verwachtingswaarde: kleine kans op archeologische vondsten of informatie; l. plan van aanpak: plan dat weergeeft hoe een archeologische uitvoerder de vragen zoals omschreven in het programma van eisen denkt te gaan beantwoorden; m.