CConstaterende datBeuningen
Koppel je AI →
Document · PDF

006 Bijlagen toelichting_Bijlage 3 Quickscan flora en fauna (NWC, februari 2020)

Raadsvergadering 23 maart 2021, gemeente BeuningenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Anima Mundi Winssen6.168 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Quickscan flora en fauna i.h.k.v. realisatie Anima Mundi aan de Dijk in Winssen concept

Februari 2020 P20-010/W1776 Auteur: N. Hermans Natuur-Wetenschappelijk Centrum 078-6213921 info@nwcadvies.nl www.nwcadvies.nl

‘i

Quickscan flora en fauna i.h.k.v. realisatie Anima Mundi aan de Dijk in Winssen concept

Natuur-Wetenschappelijk Centrum, Noorderelsweg 4A, 3329 KH Dordrecht

Quickscan flora en fauna i.h.k.v. realisatie Anima Mundi aan de Dijk in Winssen

Opdrachtgever:

Bureau Waalbrug

Uitvoering:

Natuur-Wetenschappelijk Centrum

Veldwerk:

Annemijn de Groot, Victor van Os

Samenstelling:

Noortje Hermans

Foto’s:

NWC

Quickscan flora en fauna i.h.k.v. realisatie Anima Mundi aan de Dijk in Winssen [Samenst.: Hermans, N.] [Foto’s: NWC] Met lit. opg., Dordrecht: Strix/NWC.

Trefw.: Wet natuurbescherming, realisatie, Anima Mundi, Dijk in Winssen

W1776/P20-010

Niets uit deze uitgave mag openbaar worden gemaakt of verveelvoudigd, door middel van; druk, fotokopie, microfilm of op enige andere wijze, zonder toestemming van de uitgever of de op­ drachtgever.

uitgeverij

Dordrecht, februari 2020

Inhoud

Samenvatting

1

Inleiding

7

2

Gebiedsbeschrijving

9

3

Wettelijk kader

11

4

Methode

17

5

Resultaten

19

6

Effecten, verplichtingen en aanbevelingen

21

Referenties

Bijlagen: Bijlage 1: Beschermde soorten Wet natuurbescherming Bijlage 2: Vleermuizen en ruimtelijke ingrepen Bijlage 3: Vogels en ruimtelijke ingrepen

Samenvatting

Onderstaande tabel geeft de conclusies uit voorliggend rapport weer. Voor de volledigheid en om een verkeerde interpretatie te voorkomen, dient ook hoofdstuk 6 (effecten, verplichtingen en aanbevelingen) gelezen te worden. Soortgroep

Effecten beschermde soorten

Verplichtingen

Vleermuizen

Geen.

Zorgplicht.

Vogels vaste

Geen.

Zorgplicht.

Overige vogels

Geen

Zorgplicht

Grondgebonden zoogdieren

Geen.

Zorgplicht.

Verblijfplaats

Quickscan flora en fauna i.h.k.v. realisatie Anima Mundi aan de Dijk in Winssen

1.

Inleiding Er zijn plannen om aan de Dijk, ter hoogte van nummer 130 in Winssen de al bestaande beeldentuin ‘De Tempelhof’ uit te breiden met het kunstwerk Anima Mundi. Hierbij komt mogelijk aan de zijde van de dijk een trap met een fietsenstalling onder aan de dijk, zodat het kunstwerk ook vanaf de dijk betreden kan worden. Het kunstwerk ‘Anima Mundi’ is bedoeld als een 21e-eeuwse stilteplek, ontstaan vanuit de gedachte dat alle mensen baat hebben bij (zelf) reflectie, ontmoeting en verbinding met elkaar. Anima Mundi is toegankelijk voor iedereen en wil onderdeel zijn van de maatschappij. De zuilenrijen wor­ den 100 meter lang, de poorten 14 meter breed, de afzonderlijke beelden 6,66 meter hoog en het lichtveld middenin wordt 5,55 meter (figuur 1). Deze werkzaamheden kun­ nen van invloed zijn op de aanwezige beschermde flora en fauna in het plangebied. In het kader van de Wet natuurbescherming dient hiervoor daarom eerst een quickscan (en mogelijk aanvullend onderzoek) naar de aanwezigheid van beschermde natuurwaar­ den plaats te vinden en moet een beoordeling van de effecten op deze natuurwaarden gemaakt worden, inclusief maatregelen om eventuele schade en verstoring te verzach­ ten en er zorg voor te dragen dat de functionaliteit van het gebied voor aanwezige be­ schermde soorten gewaarborgd blijft.

Buro Waalbrug heeft het Natuur-Wetenschappelijk Centrum (NWC) gevraagd een quickscan flora en fauna en een Aerius-berekening uit te voeren en voor advisering om­ trent de relevante natuurwetgeving.

XMÁ A

[jfĘï.ŝI

: . e«

Figuur 1: Impressie van het te realiseren kunstwerk Anima Mundi in de perenboomgaard.

7

ţi

Quickscan flora en fauna i.h.k.v. realisatie Anima Mundi aan de Dijk in Winssen

8

Quickscan flora en fauna i.h.k.v. realisatie Anima Mundi aan de Dijk in Winssen

2.

Gebiedsbeschrijving en voorgenomen plannen Gebiedsbeschrijving Het plangebied bevindt zich aan de Dijk in Winssen (Gelderland). Het plangebied bevindt zich in perenboomgaard ‘De Bongerd’ en grenst aan beeldentuin ‘De Tempelhof’ (figuur 2 en 3). Het plangebied bestaat uit rijen met perenbomen met aan de noordzijde een dijk en aan de zuidzijde een wijk.

Hoek Winssen

ļţm

j&ŗşwM,

Figuur 2: Globale ligging van het plangebied (rood omlijnd).

J Jp ţĮS.'m-u r ®

Figuur 3: Ligging van het plangebied (rood omlijnd).

9

m arT B

*

Quickscan flora en fauna i.h.k.v. realisatie Anima Mundi aan de Dijk in Winssen

Beschermde gebieden Het plangebied bevindt zich binnen 100 meter afstand van Natura 2000-gebied de ‘Rijn­ takken’ (figuur 4). Vanwege deze afstand en de aard van de werkzaamheden tot aan het Natura 2000-gebied dient er een Aerius-berekening uitgevoerd te worden. Deze bereke­ ning maakt geen onderdeel uit van onderhavig rapport. Het plangebied grenst niet aan het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Hierdoor is een toetsing aan de wet- en regelgeving omtrent het NNN niet nodig.

Rijntakken

Figuur 4: Ligging van het plangebied (rode cirkel) ten opzichte van Natura 2000-gebied Rijntakken (geel gearceerd).

10

Quickscan flora en fauna i.h.k.v. realisatie Anima Mundi aan de Dijk in Winssen

3.

Wettelijk kader In Nederland is de bescherming van belangrijke natuurwaarden vanaf 2017 wettelijk vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Het gaat hierbij zowel om bescherming van soorten als bescherming van gebieden. Onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming De provincies zijn sinds 1 januari 2017 verantwoordelijk voor de uitvoering van de Wet natuurbescherming en dus ook voor ontheffingsaanvragen. Om een ontheffingsaanvraag in behandeling te nemen, dient het onderzoek aan goed­ gekeurde voorwaarden (o.a. ten aanzien van methode, intensiteit, periode, tijd tussen onderzoeksmomenten) te voldoen. Slechts als het onderzoek volgens deze voorwaar­ den uitgevoerd is, kan volgens de wetgever een goed onderbouwde uitspraak gedaan worden over; -

de aanwezigheid van beschermde soorten;

-

de functie van een gebied of onderdelen binnen een gebied voor deze beschermde soorten;

-

het belang van een gebied of onderdelen binnen een gebied voor aanwezige be­ schermde soorten;

-

de effecten van plannen op deze soorten;

-

de keuze voor te nemen (mitigerende- en/of compenserende) maatregelen.

De voorwaarden waaraan onderzoek moet voldoen, staan beschreven in de kennisdo­ cumenten die in opdracht van de wetgever door BIJ12 opgesteld zijn en de inventarisatieprotocollen van het Netwerk Groene Bureaus. Onderzoeken die niet volgens deze voorwaarden uitgevoerd zijn, kunnen volgens het bevoegd gezag geen basis en onder­ bouwing vormen van ontheffingsaanvragen en aanvragen zullen om die reden afgewe­ zen worden. Het NWC is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus en werkt volgens bovenge­ noemde kennisdocumenten en inventarisatieprotocollen. Soortbescherming Voor dier- en plantensoorten zijn in de Wnb een aantal verbodsbepalingen opgenomen, waarvan vooral de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 belangrijk zijn in het kader van flora- en faunaonderzoek bij onder andere ruimtelijke ontwikkelingen (tekstvak 1). De verbodsbepalingen uit de artikelen gelden overal in Nederland, ongeacht het type of de omvang van de werkzaamheden of activiteiten die uitgevoerd worden. De bepalingen uit de Wnb kunnen daarom van invloed zijn op ruimtelijke ingrepen, zoals het aanleggen van infrastructuur, het slopen en realiseren van bebouwing, het uitbreiden van industrie­ gebieden en het kappen van bomen. Ook bij het opstellen of herzien van bestemmings­ plannen zijn de bepalingen uit de Wnb van belang. 11

In het kader van het

Quickscan flora en fauna i.h.k.v. realisatie Anima Mundi aan de Dijk in Winssen

zorgvuldigheidsbeginsel en het voorzorgsbeginsel (Algemene Wet Bestuursrecht) dient bij het opstellen en herzien van bestemmingsplannen en bij (ruimtelijke) activiteiten een toetsing aan de Wnb plaats te vinden. Deze toetsing moet de volgende onderdelen be­ vatten: ^

Een inventarisatie van het voorkomen van wettelijk beschermde dier- en plantensoor­ ten in het plangebied en binnen de invloedssfeer van de activiteit;

^

Een inventarisatie en beoordeling van (significant) nadelige effecten als gevolg van de activiteit, op beschermde soorten die binnen het plangebied en/of binnen de in­ vloedssfeer van de activiteit aanwezig zijn;

^

Indien nodig een opname van maatregelen die de negatieve effecten op de be­ schermde soorten en hun leefgebieden mitigeren en/of compenseren.

De Wnb kent drie categorieën van beschermde soorten die ook terug te vinden zijn in de artikelen met verbodsbepalingen: alle vogels uit de Europese Vogelrichtlijn (artikel 3.1), alle soorten die in de Europese Habitatrichtlijn vermeld worden (artikel 3.5) en "overige soorten” (artikel 3.10) die alleen op nationaal niveau beschermd worden. Provincies mo­ gen afwijken van de lijst met "overige soorten” door vrijstelling te verlenen voor bepaalde soorten. Hierdoor kan deze lijst per provincie verschillen. Een overzicht van alle be­ schermde soorten is te vinden in bijlage 1. Soorten Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn Wanneer één of meerdere verbodsbepalingen uit artikel 3.1 en/of artikel 3.5 Wnb over­ treden worden door de voorgenomen activiteit, dient een ontheffing aangevraagd te wor­ den bij de provincie waarin de activiteit plaatsvindt. Een ontheffing voor het overtreden van verbodsbepalingen wordt voor soorten uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn alleen verleend wanneer voldaan wordt aan elk van de volgende voorwaarden: ^

Er bestaat geen andere bevredigende oplossing;

^ Zij is nodig: a) In het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; of b) In het belang van een dwingende reden van groot openbaar belang; of c) In het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; ^

Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.

Voor vogels kan echter geen beroep gedaan worden op belang b "dwingende reden van groot openbaar belang”. Wanneer overtreding van de verbodsbepalingen voorkomen kan worden door het treffen van mitigerende maatregelen, is het aanvragen van een ontheffing niet nodig. Wel kan in dergelijke gevallen toch ontheffing aangevraagd worden om de te treffen maatregelen goed te laten keuren. Indien het bevoegd gezag de maatregelen goedkeurt, wordt door hen een "positieve afwijzing” afgegeven.

12

Quickscan flora en fauna i.h.k.v. realisatie Anima Mundi aan de Dijk in Winssen

Tekstvak 1: Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming

Artikelen 3.1,3.5 en 3.10 Wet natuurbescherming: Artikel 3.1 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als be­ doeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Artikel 3.5 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te van­ gen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van de dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als be­ doeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5.

Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn of bijdrage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied op­ zettelijk te plukken en te verzamelen of af te snijden, te ontwortelen of te vernie­ len. Artikel 3.10 1. Het is verboden: a) In het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlin­ ders, libellen en kevers van de soorten genoemd in de bijlage, onder­ deel A bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b) De vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen; c) Vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Bij de a anvraag van een ontheffing in het kader van de Wnb zijn een activiteitenplan en, in sommige gevallen, een compensatieplan noodzakelijk. Hierin staan de bevindingen uit de flora- en faunatoets vermeld en worden maatregelen beschreven die uitgevoerd zullen worden om ervoor te zorgen dat de nadelige effecten op beschermde plant- en diersoorten in en binnen de invloedssfeer van de activiteit zoveel mogelijk voorkomen, dan wel beperkt worden.

13

Quickscan flora en fauna i.h.k.v. realisatie Anima Mundi aan de Dijk in Winssen

Overige soorten Voor de soorten uit deze categorie geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 mits een door het ministerie van EZ goedgekeurde gedragscode van toe­ passing is op de activiteit. Indien aantoonbaar gewerkt kan worden volgens een der­ gelijke gedragscode, hoeft geen ontheffing aangevraagd te worden voor het overtreden van één of meerdere verbodsbepalingen uit artikel 3.10 van de Wnb. Indien er geen goedgekeurde gedragscode van toepassing is op de activiteit of het niet mogelijk is om volgens een dergelijke gedragscode te werken, dient bij overtreding van verbodsbepalingen wel een ontheffing aangevraagd te worden. De ontheffing kan voor deze soorten echter op grond van meer belangen verleend worden dan het geval is voor de Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten. Zorgplicht Tenslotte geldt voor alle plant- en diersoorten (ook de onbeschermde) de zorgplicht uit artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming. Deze houdt in dat mogelijke nadelige gevol­ gen voor planten en dieren, voor zover redelijk, zoveel mogelijk vermeden moeten wor­ den. Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden en hun bijzondere natuurwaarden vindt onder de Wet natuurbescherming plaats via (Europese) Natura 2000-gebieden.

De Wet natuurbe­ scherming regelt de bescherming van specifieke natuurwaarden in gebieden die in het kader van de Europese Vogel- en -Habitatrichtlijn aangewezen en/of aangemeld zijn als speciale beschermingszone (Natura 2000-gebieden). Voor deze beschermde gebieden zijn aanwijzingsbesluiten opgesteld waarin beschreven staat voor welke (natuurlijke) ha­ bitats en dier- en plantensoorten het gebied aangewezen is. Voor deze kwalificerende waarden zijn instandhoudingsdoelen opgesteld. Projecten, plannen en andere handelingen die nadelige effecten hebben op één of meer­ dere instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied, zijn vergunningplicht of moeten de goedkeuring, een “bestuurlijk oordeel”, van het bevoegd gezag hebben (in veel gevallen zijn dit Gedeputeerde Staten en in andere gevallen is dit de minister van Economische Zaken). Zij oordelen dan dat een vergunning niet nodig is. Of deze goed­ keuring wordt gegeven, is afhankelijk van de uitkomst van de zogenaamde habitattoets. Uit de habitattoets kunnen twee mogelijkheden volgen: ^

Er is zeker geen nadelig effect. In dit geval is er geen vergunning nodig in het kader van de Wet natuurbescherming;

^

Er is sprake van een mogelijk significant nadelig effect in de vorm van verstoring en/of er is sprake van verslechtering van aangewezen habitats. In dit geval dient een pas­ sende beoordeling opgesteld te worden en is een vergunning nodig.

14

Quickscan flora en fauna i.h.k.v. realisatie Anima Mundi aan de Dijk in Winssen

Een ‘passende beoordeling’ is een rapport waarin (de zo exact mogelijke omvang van) de effecten, afzonderlijk of in combinatie met andere activiteiten, van een plan, project of handeling op een Natura 2000-gebied beschreven staan. Deze nadelige effecten wor­ den in relatie tot de instandhoudingsdoelen bepaald. Indien uit de passende beoordeling volgt dat er significant nadelige gevolgen op zullen treden, moeten de plannen getoetst worden aan de zogenaamde ADC-criteria; 1. Zijn er Alternatieven? 2. Is er sprake van een Dwingende reden van groot openbaar belang? 3. Zijn er Compenserende maatregelen voorzien? Wanneer er een alternatief bestaat voor de voorgenomen plannen dat niet tot significant nadelige effecten op instandhoudingsdoelstellingen leidt, moet dit alternatief gekozen worden. De ecologische belangen hebben in dit geval voorrang op de economische be­ langen. Wanneer er geen alternatieven voorhanden zijn, er sprake is van een dwingende reden van groot openbaar belang en/of er voldoende compenserende maatregelen getroffen worden, kan vergunning voor de voorgenomen plannen verleend worden. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur) is een Neder­ lands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit Natuurnetwerk.

De be­ scherming van het Natuurnetwerk is opgenomen in de Verordening Ruimte van de des­ betreffende provincie en valt hiermee buiten de Wet natuurbescherming. Natuurwaarden van het NNN worden afgemeten aan doelsoorten. Het is belangrijk dat verlies van en winst aan belangrijke natuurwaarden hieraan worden afgemeten. Ruim­ telijke ingrepen moeten vooraf worden getoetst op hun effect op het areaal, de samen­ hang en de kwaliteit van het NNN. Ingrepen die geen significant negatief effect op we­ zenlijke kenmerken en waarden van het NNN hebben, kunnen in principe doorgang vin­ den. Als echter het tegenovergestelde geldt, hangt doorgang van de plannen onder meer af van het belang van de plannen en van de mogelijkheden voor mitigatie en compen­ satie. Hierbij geldt het 'Nee, tenzij-regime'. Per saldo dient de kwaliteit en/of kwantiteit van het NNN te verbeteren. Waar Natura 2000-gebieden met het NNN overlappen, blijft ook het NNN-regime gelden.

15

Quickscan flora en fauna i.h.k.v. realisatie Anima Mundi aan de Dijk in Winssen

16

Quickscan flora en fauna i.h.k.v. realisatie Anima Mundi aan de Dijk in Winssen

4.

Methode In het kader van de Wet natuurbescherming is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Deze quickscan bestond uit een literatuuronderzoek en een veldbezoek. Voor het litera­ tuuronderzoek is gebruikgemaakt van verspreidingsgegevens van soorten verzameld door instanties zoals o.a. Stichting RAVON en de Databank NWC. Op basis van het literatuuronderzoek is o.a. bepaald voor welke soortgroepen de aanwezigheid en/of de geschiktheid van het plangebied onderzocht diende te worden. Tijdens de quickscan is rekening gehouden met de mogelijke aanwezigheid van vleermuizen, vogels met een vaste verblijfplaats en grondgebonden zoogdieren. Het plangebied vormt geen geschikt leefgebied voor beschermde dagvlinders omdat de bodem te voedselrijk is om als biotoop voor de waardplanten van deze vlindersoorten te kunnen dienen. Bovendien komen de meeste beschermde vlindersoorten op slechts een aantal locaties in Nederland voor (voornamelijk natuurgebieden). Om deze redenen is deze soortgroep buiten beschouwing van de quickscan gelaten. Beschermde reptielen en amfibieën worden op basis van habitateisen, verspreidingsgegevens en/of kenmer­ ken van het plangebied niet verwacht. Om deze reden kon de aanwezigheid van be­ schermde soorten uit deze soortgroep eveneens op voorhand worden uitgesloten. Het veldbezoek is op 24 januari 2020 uitgevoerd door medewerkers van het NWC.

De temperatuur tijdens het veldbezoek bedroeg ongeveer 4 X, het was bewolkt en de wind had een kracht van 1 Bft. Deze gegevens zijn door de medewerkers in het veld gemeten of ingeschat. Vleermuizen Het plangebied is beoordeeld op de mogelijke waarde voor vleermuizen (bijlage 2). Hier­ bij is gelet op de geschiktheid van de aanwezige bomen als verblijfplaats voor vleermui­ zen. Hierbij moet gedacht worden aan de ouderdom van de bomen, de aanwezigheid van holtes en spleten en de kenmerken van deze holtes en spleten. Ook is beoordeeld of er in en in de directe omgeving van het plangebied potentieel belangrijke vliegroutes en foerageergebied voor vleermuizen aanwezig zijn, zoals bomenrijen, andere groene, lijnvormige landschapselementen en half open gebieden. Vogels met een vaste verblijfplaats Vogels met een vaste verblijfplaats worden jaarrond beschermd door de Wet natuurbe­ scherming. Dit geldt ook voor hun functionele leefomgeving (bijlage 3). Voorbeelden van deze soorten zijn de Buizerd (Buteo buteo), de Huismus (Passer domesticus) en de Gierzwaluw (Apus apus). Tijdens de quickscan is het plangebied onderzocht op de aan­ wezigheid van verblijfplaatsen van vogels met een vaste verblijfplaats en is bepaald welke gevolgen de voorgenomen plannen voor deze vogels met zich meebrengen (zoals

17

Quickscan flora en fauna i.h.k.v. realisatie Anima Mundi aan de Dijk in Winssen

verstoring door geluid). Er is onder meer gelet op sporen (braakballen, veren, uitwerp­ selen, etc.), nesten en waarnemingen van de betreffende vogelsoorten (geluid/zicht/ territorium-indicerend gedrag). Tevens is bekeken of het plangebied een significant onder­ deel zou kunnen zijn van de functionele leefomgeving van een vogelsoort met een vaste verblijfplaats. Grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek is er beoordeeld in hoeverre het plangebied geschikt leefgebied vormt voor strikt beschermde marterachtigen en andere beschermde grondgebonden zoogdieren. Hierbij is onder andere gelet op de aanwezigheid van sporen van deze soor­ ten, holtes in de bomen, holen, burchten en de aanwezigheid van functionele leefomge­ ving voor deze soorten.

18

Quickscan flora en fauna i.h.k.v. realisatie Anima Mundi aan de Dijk in Winssen

5.

Resultaten Vleermuizen Binnen het plangebied zijn geen bomen met geschikte holten en/of spleten of gebouwen aanwezig. Om deze reden kan de aanwezigheid van een vaste verblijfplaats van vleer­ muizen uitgesloten worden. Echter kan het plangebied wel dienen als vliegroute en foerageergebied, maar is er voldoende geschikt gebied in de omgeving aanwezig zoals boomgaarden, weilanden, polders en tuinen met groen. Het plangebied maakt zodoende geen deel uit van een essentiële vliegroute en/of foerageergebied (foto 1 en 2). Het kunstwerk gaat 60Zo van de oppervlakte van de perenboomgaard innemen. Zodoende blijft er na de uitvoering van de plannen 9407o van de oppervlakte van de perenboom­ gaard behouden en kan het plangebied nog steeds gebruikt worden als vliegroute en/of om te foerageren. Door de werkzaamheden die plaatselijk worden uitgevoerd waarbij de kunstwerken in hun geheel op de locatie geplaatst worden (zonder fundering) en de kleinschalige werkzaamheden van de trap en de fietsenstalling, worden er geen nadelige effecten verwacht op de genoemde onderdelen van het leefgebied van vleermuizen. Na uitvoering van de plannen blijft er voldoende gebied over om te foerageren.

■tWsü

Foto 1: Impressie van het plangebied.

Foto 2: Impressie van het plangebied.

Vogels met een vaste verblijfplaats Nesten van vogels met een vaste verblijfplaats zijn jaarrond beschermd. Ook nesten van kraaiachtigen zijn jaarrond beschermd als ze in gebruik zijn door een vogelsoort met een vaste verblijfplaats zoals Buizerd (Buteo buteo) of Sperwer (Accipiter nisus). Binnen het plangebied zijn echter geen bomen aanwezig met nesten van kraaiachtigen of van vo­ gelsoorten met een vaste verblijfplaats. Daarnaast zijn er ook geen sporen als uitwerp­ selen, braakballen en/of pluisjes aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van de Buizerd, de Sperwer of een andere vogelsoort met een vaste verblijfplaats. Wel zou het plangebied onderdeel kunnen uitmaken van het foerageergebied van de Huismus. Deze soort is in de aangrenzende woonwijk maar niet in het plangebied zelf gehoord. (foto 3 en 4) Er zijn verder geen nest- en rustplaatsen van deze soort in het plangebied waar­ genomen. Door de eerder genoemde kleinschalige omvang van de werkzaamheden 19

Quickscan flora en fauna i.h.k.v. realisatie Anima Mundi aan de Dijk in Winssen

worden er geen nadelige effecten op de nesten, rustplaatsen en functionele leefomge­ ving van de Huismus verwacht.

'į i

Foto 3: Impressie van het plangebied.

Foto 4: Impressie van het plangebied.

Grondgebonden zoogdieren In het plangebied zijn geen holen en holten gevonden die gebruikt kunnen worden door (strikt) beschermde grondgebonden zoogdieren. Verder zijn er ook geen andere sporen van grondgebonden zoogdieren aangetroffen. Het plangebied bestaat uit rijen perenbo­ men waar schuilmogelijkheden en voedsel beschikbaar zijn voor soorten (foto 3). In het plangebied zijn reeën waargenomen. Deze soort is echter niet strikt beschermd en door alle provincies vrijgesteld. Het plangebied is mogelijk geschikt als foerageergebied voor marterachtigen. Na de bouwwerkzaamheden blijft er voldoende oppervlakte leefgebied over. Er zal alleen tijdelijke verstoring plaatsvinden tijdens de bouwwerkzaamheden, maar er zijn genoeg vergelijkbare gebieden waar eventueel aanwezige dieren naar uit kunnen wijken en die als foerageergebied kunnen dienen.

20

Quickscan flora en fauna i.h.k.v. realisatie Anima Mundi aan de Dijk in Winssen

6.

Effecten, verplichtingen en aanbevelingen Vleermuizen De aanwezigheid van vaste verblijfplaatsen van vleermuizen kan met zekerheid uitge­ sloten worden. Daarnaast blijft er voldoende oppervlakte aan geschikt gebied behouden die de vleermuizen kunnen gebruiken om te foerageren en/of als vliegroute. Er zullen geen negatieve effecten optreden op het foerageergebied en/of vliegroutes door het plaatsen van de kunstwerken, het aanleggen van de trap en de fietsenstalling. Hierdoor zijn er vanuit de Wet natuurbescherming geen verdere verplichtingen ten aanzien van vleermuizen. Vogels met een vaste verblijfplaats Er zijn geen nesten van kraaiachtigen of verblijfplaatsen van vogels met een vaste verblijfplaats aangetroffen in het plangebied. Na de werkzaamheden blijven er genoeg forageermogelijkheden voor de Huismus (Passer domesticus) over. Daarnaast is er voldoende oppervlakte aan geschikt gebied aanwezig waar huismussen naar zouden kunnen uitwijken tijdens de werkzaamheden. Dit betekent dat de werkzaamheden geen negatieve effecten zullen opleveren voor de functionele leefomgeving, waardoor er vanuit de Wet natuurbescherming geen verdere verplichtingen voor deze soorten bestaan. Grondgebonden zoogdieren Het plangebied is mogelijk geschikt als foerageergebied voor marterachtige. Na de werk­ zaamheden blijft voldoende oppervlakte leefgebied over.

Daarnaast is er voldoende op­ pervlakte met vergelijkbaar habitat aanwezig waar grondgebonden zoogdieren naar zou­ den kunnen uitwijken tijdens de werkzaamheden. Hierdoor zijn er vanuit de Wet natuur­ bescherming geen verdere verplichtingen ten aanzien van grondgebonden zoogdieren.

21

Referenties

Database NWC Ravon.nl Telmee.nl Vlindernet.nl

Zoogdiervereniging.nl

Bijlage 1: Beschermde soorten Wet natuurbescherming In het kader van de Wet natuurbescherming worden alle in Europa voorkomende en in het wild le­ vende vogels beschermd en onderstaande soorten uit overige soortgroepen:

Amfibieën Alpenwatersalamander Bastaard kikker1 Boomkikker Bruine kikker1 Geelbuikvuurpad Gewone pad1

Heikikker Kamsalamander Kleine watersalamander1 Knoflookpad Meerkikker1 Middelste groene kikker

Poelkikker Rugstreeppad Vinpootsalamander Vroedmeesterpad Vuursalamander

Grote vos Grote vuurvlinder Grote weerschijnvlinder Iepenpage Kleine heivlinder Kleine ijsvogelvlinder Kommavlinder Moerasparelmoervlinder Pimpernelblauwtje Sleedoornpage

Spiegeldikkopje Tijmblauwtje Veenbesblauwtje Veenbesparelmoervlinder Veenhooibeestje Veldparelmoervlinder Zilveren maan Zilverstreephooibeestje

Dagvlinders Aardbeivlinder Apollovlinder Bosparelmoervlinder Boszandoog Bruin dikkopje Bruine eikenpage Donker pimpernelblauwtje Duinparelmoervlinder Gentiaanblauwtje Grote parelmoervlinder

Haften Oeveraas

Kevers Brede geelrandwaterroofkever Gestreepte waterroofkever Juchtleerkever

Vermiljoenkever Vliegend hert

Kreeftachtigen Europese rivierkreeft

Landzoogdieren Aardmuis1 Bever Boommarter Bosmuis1 Bunzing3 Damhert Das Dwergmuis1 Dwergspitsmuis1 Edelhert Eekhoorn Egel1 Eikelmuis Gewone bosspitsmuis1

Gewone zeehond Grote bosmuis Haas1 Hamster Hazelmuis Hermelijn3 Huisspitsmuis1 Konijn1 Lynx Molmuis Noordse woelmuis Ondergrondse woelmuis4 Otter Ree1

Rosse woelmuis1 Steenmarter5 Tweekleurige bosspitsmuis4 Veldmuis1 Veldspitsmuis Vos1 Waterspitsmuis Wezel3 Wilde kat Wild zwijn6 Woelrat1 Wolf

Libellen Beekrombout Bosbeekjuffer Bronslibel Donkere waterjuffer Gaffellibel Gevlekte glanslibel

Gevlekte Witsnuitlibel Gewone Bronlibel Groene glazenmaker Kempense heidelibel Mercuurwaterjuffer Hoogveenglanslibel

Noordse winterjuffer Oostelijke witsnuitlibel Rivierrombout Sierlijke witsnuitlibel Speerwaterjuffer

Kemp's zeeschildpad Lederschildpad Levendbarende hagedis Muurhagedis

Ringslang Soepschildpad Zandhagedis

Nachtvlinders Teunisbloempijlstaart

Reptielen Adder Dikkopschildpad Gladde slang Hazelworm

Sporenplanten Varens Kleine vlotvaren Blaasvaren Groensteel Schubvaren

Bladmossen Geel schorpioenmos Tonghaarmuts

Vissen Beekdonderpad Beekprik Elrits

Gestippelde alver Grote modderkruiper Houting

Kwabaal Steur

Weekdieren Bataafse stroommossel

Platte schijfhoren

Vaatplanten Akkerboterbloem Akkerdoornzaad Akkerogentroost Beklierde ogentroost Berggamander Bergnachtorchis Blauw guichelheil Bokkenorchis Bosboterbloem Bosdravik Brave hendrik Brede wolfsmelk Breed wollegras Bruinrode wespenorchis Dennenorchis Dreps Drijvende waterweegbree Echte gamander Gevlekt zonneroosje Glad biggenkruid Gladde zegge

Groenknolorchis Groot spiegelklokje Grote bosaardbei Grote leeuwenklauw Honingorchis Kalkboterbloem Kalketrip Karthuizeranjer Karwijselie Kleine ereprijs Kleine schorseneer Kleine wolfsmelk Kluwenklokje Knollathyrus Knolspirea Korensla Kranskarwij Kruipend moerasscherm Kruiptijm Lange zonnedauw Liggende raket

Pijlscheefkelk Roggelelie Rood peperboompje Rozenkransje Ruw parelzaad Scherpkruid Schubzegge Smalle raai Spits Havikskruid Steenbraam Stijve wolfsmelk Stofzaad Tengere distel Tengere veldmuur Trosgamander Veenbloembies Vliegenorchis Vroege ereprijs Wilde averuit Wilde ridderspoor Wilde weit

Groen nachtorchis

Naaldenkervel

Zomerschroeforchis

Grote hoefijzerneus Grote rosse vleermuis Ingekorven vleermuis Kleine dwergvleermuis Kleine hoefijzerneus Laatvlieger Meervleermuis

Mopsvleermuis Noordse vleermuis Rosse vleermuis Ruige dwergvleermuis Tweekleurige vleermuis Vale vleermuis Watervleermuis

Gewone vinvis Griend Grijze dolfijn Kleine zwaardwalvis Narwal Noordse vinvis Orca Potvis

Spitsdolfijn van gray Tuimelaar Walrus Witflankdolfijn Wits nuitdolfijn Witte dolfijn

Vleermuizen Baardvleermuis Bechsteins vleermuis Bosvleermuis Brandts vleermuis Franjestaart Gewone dwergvleermuis Gewone grootoorvleermuis Grijze grootoorvleermuis

Zeezoogdieren Bruinvis Bultrug Butskop Dwergpotvis Dwergvinvis Gestreepte dolfijn Gewone dolfijn Gewone spitsdolfijn

1 Voor deze soort geldt een vrijstelling in alle provincies. 2 Voor deze soort geldt een vrijstelling in aļļe provincies m.u.v. Flevoland. 3 Voor deze soort geldt een vrijstelling in ajje provincies m.u.v. Gelderland, Noord-Holland en Noord-Brabant. 4 Voor deze soort geldt een vrijstelling in ale provincies m.u.v. Zuid-Holland. 5 Voor deze soort geldt enkel in Friesland een vrijstelling. 6 Voor deze soort geldt enkel in Noord-Brabant een vrijstelling.

Bijlage 2: Vleermuizen en ruimtelijke ingrepen

Vleermuizen en hun leefgebied worden beschermd door de Wet natuurbescherming. In deze wet is bepaald dat in het geval van een ruimtelijke ingreep ruim van tevoren bekeken moet worden of de ingreep nadelige invloed kan hebben op vleermuizen en hoe hiermee omgegaan moet worden. Verblijfplaatsen Vleermuizen maken het hele jaar door gebruik van verschillende verblijfplaatsen (o.a. in bomen en ge­ bouwen). Vleermuisverblijfplaatsen zijn op te delen in verschillende typen: winterverblijfplaats (waar overwinterd wordt), dagkwartieren (waar de mannetjes in de kraamkolonieperiode overdag zitten, alleen of in kleine groepjes), kraamkolonies (vrouwtjes en hun jongen, vaak in grote groepen), paar-verblijven (waar gepaard wordt, vaak in het najaar, soms gelijk aan de winterverblijfplaats) en tussenkwartieren (gebruikt in de periode tussen overwinteren en de zomerperiode in). Per type verblijfplaats gebruiken vleermuizen vaak meerdere verblijven waar tussen gewisseld wordt, bijvoorbeeld wanneer elders het klimaat geschikter is of om aan parasieten te ontkomen. Vleermuizen zijn wel zeer honkvast wat betreft de typen verblijven die ze gebruiken. Dit betekent dat hun verblijven belangrijk zijn voor instandhouding van de populatie en dat deze daarom beschermd worden door de wet. Sinds mei 2009 is het Vleermuisprotocol vastgesteld.

Dit is opgesteld door het Netwerk Groene Bureaus en de Zoogdiervereniging VZZ in overleg met de Dienst Landelijk Gebied (DLG) en de Gegevensautoriteit Natuur (GaN). Het protocol dient als leidraad voor het bepalen hoe en hoe vaak geïnventariseerd moet worden om te voldoen aan de wetgeving. Voor het bepalen of een gebouw of een potentieel ge­ schikte boom van belang is als vleermuisverblijfplaats, is over het algemeen een langlopend onderzoek nodig (van april/mei t/m september/oktober) en zijn 4 tot 7 bezoeken nodig. Om onnodige vertraging te voorkomen, wordt daarom aangeraden om in de planning van de voorgenomen plannen rekening te houden met deze onderzoeksperiode. Maatregelen ten behoeve van vleermuizen zijn nodig: ^

indien sprake is van een verblijfplaats die van significant belang is of zou kunnen zijn en/of;

^

indien vleermuizen aangetroffen zijn.

Er is sprake van een significant belangrijke verblijfplaats (ook wel vaste verblijfplaats genoemd, een verblijfplaats die van belang is voor een populatie) als: •

er sprake is van een kraamkolonie;

^

er sprake is van een belangrijke overwinteringsplaats of paarplaats;

^

er geen alternatieve verblijfplaatsen in de directe omgeving beschikbaar zijn;

^

de gunstige staat van instandhouding van de (populatie van) de soort in het geding is bij het verdwijnen van de verblijfplaats.

De te nemen maatregelen moeten er voor zorgen dat verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming niet overtreden worden. Dit betekent dat er geen dieren gedood, verwond of actief verstoord mogen worden en dat in geval van significant belangrijke verblijfplaatsen deze behouden moeten blijven of anders tijdig op een goede manier vervangen dienen te worden. De functie die het leefgebied voor de betreffende populatie vervult, moet onverminderd blijven bestaan.

Om te voorkomen dat dieren gedood, verwond of actief verstoord worden, kunnen de volgende mitige­ rende maatregelen nodig zijn: ^

niet slopen in de winterslaapperiode (in deze periode kan zelden met zekerheid worden vast­ gesteld dat vleermuizen afwezig zijn in een potentieel geschikt en onoverzichtelijk object, omdat ze dan ook ’s nachts passief zijn. Dat maakt ze in deze periode overigens extra kwetsbaar);

^

vlak voor de sloop onderzoeken of er individuen aanwezig zijn in het te slopen object. Zijn deze wel aanwezig dan geldt dat gewacht moet worden tot het dier of de dieren weg zijn.

Om zeker te weten of de mitigerende maatregelen voldoende zijn kan een ontheffing aangevraagd wor­ den bij de provincie waarin de ingreep plaatsvindt. Een afwijzingsbrief, die stelt dat geen ontheffing nodig is, ‘omdat als de voorgestelde maatregelen genomen worden er immers geen verboden over­ treden worden’ geldt als goedkeuring van de voorgestelde maatregelen. Zijn de maatregelen niet vol­ doende, dan moeten deze aangepast worden. Als dat niet mogelijk is of wanneer compenserende maat­ regelen nodig zijn (bijvoorbeeld aanbieden van alternatieve verblijfplaatsen), is een ontheffing nodig. Deze wordt alleen verstrekt in geval van projecten waarbij sprake is van een groot openbaar belang. Jachtgebied en vliegroutes Naast verblijfplaatsen bestaat het leefgebied van vleermuizen ook uit foerageergebied en vliegroutes (vaak bomenrijen of waterlopen). Deze zijn ook beschermd als zij van significant belang zijn. Zij gelden als significant belangrijk indien bij aantasting de functionaliteit van de verblijfplaats(en) in het geding komt. Is dat het geval, dan zijn maatregelen nodig die dit voorkomen, anders is een ontheffing nodig. Ook hier geldt dat deze alleen verstrekt wordt in geval van projecten waarbij sprake is van een groot openbaar belang.

Bijlage 3: Vogels en ruimtelijke ingrepen

Als mitigerende maatregelen genomen kunnen worden om de functionaliteit van de voortplantings- en/of vaste rust- en verblijfplaats te garanderen, hoeft geen ontheffing van de Wet natuurbescherming aan­ gevraagd te worden. Om zeker te weten of de mitigerende maatregelen voldoende zijn en er inderdaad geen ontheffing nodig is, kan een ontheffing aangevraagd worden om de maatregelen (goed) te laten keuren. Indien goedgekeurd, wordt door de provincie een “positieve afwijzing” afgegeven. Als geen maatregelen genomen kunnen worden om de functionaliteit van de voortplantings- en/of rust­ en verblijfplaats te garanderen of wanneer compenserende maatregelen nodig zijn (bijvoorbeeld het aanbieden van alternatieve verblijfplaatsen), dient een ontheffing aangevraagd te worden op grond van een wettelijk belang uit de Vogelrichtlijn. De aanvraag wordt beoordeeld op de volgende punten: ^

Is er een wettelijk belang?

^

Is er een andere bevredigende oplossing?

^

Komt de gunstige staat van instandhouding in gevaar?

“Ruimtelijke inrichting en ontwikkeling” of een “dwingende reden van groot openbaar belang” gelden echter rneţ als een wettelijk belang. Dit betekent dat de provincie in het kader van ruimtelijke ingrepen alleen een positieve afwijzing af kan geven. Bescherming van vogelnesten Artikel 3.1 lid 2 uit de Wet natuurbescherming luidt: “Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen”. Voorafgaand en tijdens de werkzaamheden moet rekening gehouden worden met eventueel aanwezige vogelnesten. Er is sprake van een nest wanneer er nestindicatief gedrag is waargenomen en/of er een broedsel aanwezig is. Het vernielen of beschadigen van een nest is verboden. Dit geldt voor aļļe vogel­ soorten. De meeste vogels maken echter elk broedseizoen een nieuw nest of zijn goed in staat om een nieuw nest te maken. Deze vogelnesten voor eenmalig gebruik vallen alleen onder de bescherming van de Wnb wanneer het in gebruik is (tijdens het broedseizoen). Wanneer een dergelijk nest niet in gebruik is, is geen ontheffing nodig voor het vernielen of beschadigen ervan. Verstoring van vogels is ook verboden, maar er bestaat een uitzondering voor verstoring die niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort (artikel 3.1 lid 5 Wnb).

Dit betekent dat verstoring tijdens het broedseizoen toegestaan is, mits de staat van instandhou­ ding van de betreffende vogelsoort gewaarborgd blijft. Een (beperkt) aantal soorten bewoont het nest permanent of keert elk jaar terug naar hetzelfde nest. Verblijfplaatsen van deze vogelsoorten zijn niet alleen beschermd wanneer ze in gebruik zijn, maar het hele jaar: 1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats (voorbeeld: Steenuil).

2.

Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk zijn van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: Roek, Gierzwaluw en Huismus).

3.

Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: Ooievaar, Kerkuil en Slecht­ valk).

4.

Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (voorbeeld: Boomvalk, Buizerd en Ransuil).

Tot slot is er nog een categorie 5: Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Voor deze soorten is extra onderzoek nodig, ook al zijn hun nesten niet jaarrond beschermd; deze soorten zijn namelijk wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat recht­ vaardigen. Hieronder de lijst met jaarrond beschermde vogelnesten:

Nesten van de volgende soorten zijn jaarrond beschermd indien ze nog in functie zijn: Boomvalk

Falco subbuteo

Buizerd

Buteo buteo

Gierzwaluw

Apusapus

Grote gele kwikstaart

Motacilla cinerea

Havik

Accipiter gentilis

Huismus

Passer domesticus

Kerkuil

Tyto alba

Oehoe

Bubo bubo

Ooievaar

Ciconia ciconia

Ransuil

Asio otus

Roek

Corvus frugilegus

Slechtvalk

Falco peregrinus

Sperwer

Accipiter nisus

Steenuil

Athene noctua

Wespendief

Pernis apivorus

Zwarte wouw

Milvus migrans

Nesten van de volgende soorten zijn niet jaarrond beschermd (categorie 5), maar hiervan is inventarisatie wel gewenst: Blauwe reiger

Ardea cinerea

Boerenzwaluw

Hirundo rustica

Bonte vliegenvanger

Ficedula hypoleuca

Boomklever

Sitta europaea

Boomkruiper

Certhia brachydactyla

Bosuil

Strix aluco

Brilduiker

Bucephala clangula

Draaihals

Jynx torquilla

Eider

Somateria mollissima

Ekster

Pica pica

Gekraagde roodstaart

Phoenicurus phoenicurus

Glanskop

Parus palustris

Grauwe vliegenvanger

Muscicapa striata

Groene specht

Picus viridis

Grote bonte specht

Dendrocopos major

Hop

Upupa epops

Huiszwaluw

Delichon urbica

IJsvogel

Alcedo atthis

Kleine bonte specht

Dendrocopos minor

Kleine vliegenvanger

Ficedula parva

Koolmees

Parus major

Kortsnavelboomkruiper

Certhia familiaris macrodactyla

Oeverzwaluw

Riparia riparia

Pimpelmees

Parus caeruleus

Raaf

Corvus corax

Ruigpootuil

Aegolius funereus

Spreeuw

Sturnus vulgaris

Tapuit

Oenanthe oenanthe

Torenvalk

Falco tinnunculus

Zeearend

Haliaeëtus albicilla

Zwarte kraai

Corvus corone

Zwarte mees

Parus ater

Zwarte roodstaart

Phoenicurus ochruros

Zwarte specht

Dryocopus martius

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Beuningen&id=bc6d9907-1640-4245-8a2a-994e7a463987