001 Anima Mundi, Winssen_vastgesteld_1.doc
Tekst van het document
Hierbij verdient het materiaalgebruik speciale aandacht: uitloogbare of uitspoelbare bouwmaterialen moeten worden vermeden om watervervuiling te voorkomen. Uitgangspunten Waterschap Rivierenland De uitgangspunten die door het waterschap worden gehanteerd in het kader van de watertoets kunnen worden verwoord als: a. Waterneutraal inrichten. Om te voorkomen dat door de aanleg van nieuw verhard oppervlak wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang om het verlies aan waterberging in de bodem te compenseren. b. Schoon inrichten. Om te voorkomen dat de waterkwaliteit van het oppervlaktewater negatief wordt beïnvloed. Binnen het stedelijk gebied zal daarom schoon hemelwater van nieuwbouwprojecten gescheiden van het vuilwater moeten worden afgevoerd: afkoppelen. Het waterschap streeft naar 100 /o afkoppeling van schoon hemelwater van verharde oppervlakken (gebouwen, wegen en ander terreinverharding). c. Veilig inrichten. Door nieuwbouwplannen mag de veiligheid van een (primaire) waterkering, het waterkerend vermogen, niet worden aangetast. Dit geldt niet alleen voor de dijk zelf, maar tevens voor de beschermingszones ter weerszijden van de dijk. Voor het lozen van overtollig hemelwater op het oppervlaktewater, hetzij rechtstreeks, hetzij via een bestaande of een nieuwe inrichting (zoals een regenwaterriool), is een watervergunning noodzakelijk.
Daarnaast moeten in die gebieden die onderhevig zijn aan rivierkwel de effecten van de voorgenomen plannen op de kwel in beeld worden gebracht. Indien compensatie vereist is hanteert Waterschap Rivierenland de volgende twee ontwerpbuien ten aanzien van de benodigde bergingscapaciteit: » De 1=10+10/0 neerslag. Hierbij mag het peil (van het oppervlaktewater) niet meer dan 0,2 of 0,3 m stijgen, afhankelijk van het deelgebied waarin de ontwikkeling plaats vindt. Vuistregel hierbij is 436 m3 berging per ha verhard oppervlak, overeenkomend met een neerslag van 43,6 mm. » De T=100+10%-neerslag. Hierbij is een peilstijging toegestaan tot laagste putdekselhoogte op wijkniveau. Vuistregel hierbij is 664 m3 berging per ha verhard oppervlak, overeenkomend met een neerslag van 66,4 mm. Deze vuistregel geldt vooral voor droogvallende voorzieningen. Indien de waterberging wordt gerealiseerd in de vorm van droogvallende retentie, wordt onderscheid gemaakt tussen systemen waarbij infiltratie naar de ondergrond wel en niet mogelijk is. In dat laatste geval moet de bodem van de voorziening zich gelijk of hoger dan de GHG bevinden en mag bij een ontwerpbui 1=100+10/0 het systeem tot aan maaiveld gevuld zijn. De ledigingstijd van het systeem moet 48 tot 96 uur bedragen.
4.8.2
Doorvertaling bestemmingsplan
bestemmingsplan "Anima Mundi, Winssen" (vastgesteld)
25
bestemmingsplan Anima Mundi, Winssen
Het bestemmingsplan is in het kader van de watertoetsprocedure voorgelegd aan Waterschap Rivierenland. In een brief van 14 april 2020 (met kenmerk 2020030428/2020047830) constateert het waterschap dat de aard en de locatie van het kunstwerk Anima Mundi geen invloed heeft op de door het waterschap te beschermen functie van de waterkering. De locatie van het kunstwerk is buiten de zonering (beschermingszone waterkeringen) te realiseren. Het plan is daarmee conform de eisen en wensen van het waterschap. Het waterschap constateert dat de mogelijke secundaire entree vanaf de dijk mogelijk vergunningplichtig is. Dit betekent dat te zijner tijd mogelijk een watervergunning moet worden aangevraagd. In deze watervergunning kunnen dan nadere technische eisen worden gesteld.
4.9
Ecologie
4.9.1
Regelgeving
Soortenbescherming De Wet natuurbescherming (Wnb) kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming behoeven. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Het gaat om de volgende beschermingsregimes: 1. Vogels (paragraaf 3.1): alle vogels in de zin van de Vogelrichtlijn; 2. Dieren en planten (paragraaf 3.2): alle dieren en planten, genoemd in de bijlagen bij de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn; 3. Overige soorten (paragraaf 3.3): soorten genoemd in de bijlage bij de Wnb, die niet onder de reikwijdte van paragraaf 3.2 vallen. De verboden en afwijkingsmogelijkheden die zijn opgenomen in de paragrafen 3.1 en 3.2, zijn direct overgenomen uit de genoemde richtlijnen en verdragen. Deze bepalingen zijn dus ook uitsluitend van toepassing op de soorten waarvoor dit onmiddellijk voortvloeit uit deze richtlijnen en verdragen.
De bepalingen in paragraaf 3.3 zien op de “overige soorten” die zijn genoemd in de bijlagen A en B bij de Wnb. Laatstgenoemde groep is te vergelijken met de Tabel 2-soorten uit de Flora- en faunawet. Artikel 3.1. Verboden m.b.t. van nature in Nederland in het wild levende vogels. Het is verbaden om 1. 2. 3. 4.
Levende vogels opzettelijk te doden of te vangen. Nesten, rustplaatsen en eieren opzettelijk te vernielen ofte beschadigen of nesten van vogels weg te nemen. Eieren van vogels te rapen en deze onder zich te hebben. Vogels opzettelijk te storen.
Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Artikel 3.5. Verbodsbepalingen ten aanzien van soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen var Bern en Bonn. Het is verbaden om 1. 2. 3. 4. 5.
Het is verboden in het wild levende dieren van deze soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden ofte vangen. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen ofte rapen, Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze dieren te beschadigen of te vernielen. Het is verboden planten van soorten uit de Habitatrichtlijn of het Verdrag van Bern in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk 1e plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen ofte vernielen.
Artikel 3.10. Verbodsbepalingen t.a.v overige soorten (plant- en diersoorten). Het is verboden om: c) d) e)
In het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A1, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen. De vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B2, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen ofte vernielen.
Verbodsbepalingen Wnb In de Wnb zijn de bevoegdheden van het rijk (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)) aan
26
bestemmingsplan "Anima Mundi, Winssen" (vastgesteld)
bestemmingsplan Anima Mundi, Winssen
de provincies overgedragen. Zij maken dan de afwegingen voor de vergunningen en ontheffingen. De beschermde status van soorten kan per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. Er is dan geen ontheffing nodig voor werkzaamheden. Onder de Wnb geldt een zorgplicht voor alle in het wild levende dieren. De zorgplicht houdt in dat werkzaamheden, die nadelig kunnen zijn voor dieren en planten, in redelijkheid zo veel mogelijk worden nagelaten of maatregelen genomen om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen. Gebiedsbescherming De Wnb ziet op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vrl- en Hrl-gebieden). Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000-gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door 'externe werking') op die beschermde natuurgebieden, gelden (strenge) restricties. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Onderzocht dient te worden of een activiteit (significante) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden veroorzaakt.
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden (de voormalige Ecologische Hoofdstructuur Z EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het doel van het NNN is de instandhouding en ontwikkeling van natuurgebieden om daarmee een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan. Sinds 2014 zijn de provincies het eerste verantwoordelijke bevoegde gezag voor het NNN (daarvoor was dat de rijksoverheid). De provincies hebben in een verordening regelgeving vastgelegd ten aanzien van het NNN.
bestemmingsplan "Anima Mundi, Winssen" (vastgesteld)
27
bestemmingsplan Anima Mundi, Winssen
4.9.2
Doorvertaling bestemmingsplan
In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is zowel een quickscan naar de aanwezige flora en fauna (zie Bijlage 3 ) als een onderzoek naar de stikstofdepositie (zie Bijlage 4 en Bijlage 5) uitgevoerd. De resultaten zijn hieronder beknopt weergegeven, de volledige rapportages zijn als bijlagen aan de toelichting toegevoegd. Soortenbescherming Er is een quickscan ecologie uitgevoerd in het plangebied (zie Bijlage 3). Deze quickscan bestond uit een literatuuronderzoek en een veldbezoek. Op basis van het literatuuronderzoek is onder andere bepaald voor welke soortgroepen de aanwezigheid en/of de geschiktheid van het plangebied onderzocht diende te worden. Dit zijn de vleermuizen, vogels met een vaste verblijfplaats en grondgebonden zoogdieren. Vleermuizen De aanwezigheid van vaste verblijfplaatsen van vleermuizen kan met zekerheid uitgesloten worden. Daarnaast blijft er voldoende oppervlakte aan geschikt gebied behouden die de vleermuizen kunnen gebruiken om te foerageren en/of als vliegroute. Er zullen geen negatieve effecten optreden op het foerageergebied en/of vliegroutes door het plaatsen van de kunstwerken, het aanleggen van de trap en de fietsenstalling. Hierdoor zijn er vanuit de Wet natuurbescherming geen verdere verplichtingen ten aanzien van vleermuizen.
Vogels met een vaste verblijfplaats Er zijn geen nesten van kraaiachtigen of verblijfplaatsen van vogels met een vaste verblijfplaats aangetroffen in het plangebied. Na de werkzaamheden blijven er genoeg foerageermogelijkheden voor de Huismus (Passer domesticus) over. Daarnaast is er voldoende oppervlakte aan geschikt gebied aanwezig waar huismussen naar zouden kunnen uitwijken tijdens de werkzaamheden. Dit betekent dat de werkzaamheden geen negatieve effecten zullen opleveren voor de functionele leefomgeving, waardoor er vanuit de Wet natuurbescherming geen verdere verplichtingen voor deze soorten bestaan. Grondgebonden zoogdieren Het plangebied is mogelijk geschikt als foerageergebied voor marterachtigen. Na de werkzaamheden blijft voldoende oppervlakte leefgebied over. Daarnaast is er voldoende oppervlakte met vergelijkbaar habitat aanwezig waar grondgebonden zoogdieren naar zouden kunnen uitwijken tijdens de werkzaamheden. Hierdoor zijn er vanuit de Wet natuurbescherming geen verdere verplichtingen ten aanzien van grondgebonden zoogdieren. Gebiedsbescherming Het plangebied grenst niet aan het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Hierdoor is een toetsing aan de wet- en regelgeving omtrent het NNN niet nodig. Het plangebied bevindt zich binnen een afstand van 100 meter van Natura 2000-gebied de "Rijntakken".
Vanwege de aard van het kunstwerk en de ligging achter de dijk in de bongerd is geen sprake van externe invloed op het Natura2000-gebied. Vanwege de afstand is er wel een Aeriusberekening uitgevoerd (zie Bijlage 4) om te bepalen of sprake is van stikstofdepositie in het Natura2000-gebied. In de aanlegfase is zowel het kunstwerk (beelden, poorten en randen) meegenomen alsmede de trap vanaf de dijk. Daarbij is de wens om de uitvoering zo duurzaam mogelijk plaats te laten vinden. In de berekening is dan ook rekening gehouden met het gebruik van AdBlue of stikstoffilters, die een reductie van de stikstofemissie geven. Aangezien deze maatregel nog niet standaard in Aerius te hanteren is, is dit verwerkt door de emissiefactoren aan te passen. Tevens wordt gebruik gemaakt van een hybride kraan. Uit de berekening blijkt dat er een geringe overschrijding wordt geconstateerd. Vervolgens is de aanlegfase in drieën gesplitst (beelden en poorten, randen en trap). De geringe overschrijding wordt met name veroorzaakt door de aanleg van de beelden en poorten, aangezien hier meer voorbereidende werkzaamheden worden verricht. De andere fasen laten een stikstofdepositie zien die minder is dan 0,00 mol/ha/jr. Dit betekent dat faseren kan, maar niet noodzakelijk is.
28
bestemmingsplan "Anima Mundi, Winssen" (vastgesteld)
bestemmingsplan Anima Mundi, Winssen
De aanlegfase en dus de overschrijding van grenswaarden ten aanzien van de stikstofdepositie is echter van zéér korte duur (slechts enkele weken). Bovendien is de overschrijding zeer gering. Hierbij wordt onder meer verwezen naar een recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 22 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1110 waarin de Afdeling oordeelt dat mede vanwege een geringe en tijdelijke stikstofdepositiebijdrage geen sprake is van significante gevolgen voor het betreffende Natura 2000-gebied. Vanwege de berekende overschrijding is vervolgens ook de huidige situatie in beeld gebracht. De boomgaard wordt thans bemest en er wordt gebruik gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen. Dat gebruik komt met de realisatie van Anima Mundi te vervallen. In de verschilberekening is enkel het te vervallen gebruik van gewasbeschermingsmiddelen opgenomen, dit geldt overigens voor de gehele boomgaard. Deze berekening laat een reductie zien, met waarden onder de 0,00 mol/ha/jr. Dit betekent dus dat door de realisatie van Anima Mundi de stikstofdepositie ten opzichte van de huidige situatie sterk wordt verbeterd. In de regels is opgenomen dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen niet toegestaan is.
Het gebruik wordt middels het verlenen van een omgevingsvergunning pas toegestaan, indien aangetoond kan worden dat dit geen invloed heeft op de natuurwaarden. Naast de aanlegfase is tevens de gebruiksfase in beeld gebracht middels een Areiusberekening, zie Bijlage 5. In het verkeersonderzoek wordt aangegeven dat er minder dan vijf auto's tegelijk aanwezig zijn ten behoeve van het bezichtigen van Anima Mundi. In de berekening is 20 voertuigen als maximum per etmaal opgenomen, dit komt neer op 10 autobezoekers (heen en terug) per etmaal. Hiermee geeft de gebruiksfase een depositie die niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Ook andere verstoringsfactoren (zoals verdroging/vernatting/ Conclusie De beoogde ontwikkeling leidt derhalve niet tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Het aspect 'ecologie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.10 Archeologie Å cultuurhistorie 4.10.1 Regelgeving In artikel 3.1.6 lid 5 van het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat in de toelichting van een ruimtelijk plan ten minste een beschrijving wordt opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Met deze wetswijziging is de huidige Monumentenwet 1988 opgesplitst: een gedeelte (dat ziet op de fysieke leefomgeving) zal opgaan in de Omgevingswet, het overige gedeelte is opgenomen in de nieuwe Erfgoedwet. Daarbij is voorzien in overgangsrecht. De bedoeling is dat in de Erfgoedwet een betere integratie met verschillende soorten erfgoed komt. Daarnaast worden de procedures uniformer en daarmee overzichtelijker. Onderdelen van de Monumentenwet 1988 met betrekking tot de fysieke leefomgeving, worden opgenomen in de Omgevingswet. De aanwijzing van ruimtelijk cultureel erfgoed - beschermde stads en dorpsgezichten en cultuurlandschappen - en omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving, komen in de Omgevingswet terecht en zijn dus niet in de Erfgoedwet geregeld. Hierbij wordt wel als vuistregel gehanteerd: omgang met het erfgoed in de Omgevingswet, duiding van het erfgoed in de Erfgoedwet.
De inwerkingtreding van de Omgevingswet staat gepland voor 2021. Voor de onderdelen die in de Omgevingswet zullen worden opgenomen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de tussengelegen periode. De bepalingen uit de Monumentenwet 1988 die naar de Omgevingswet over zullen gaan, blijven van kracht tot de Omgevingswet in werking treedt. Het Besluit ruimtelijke ordening en de Erfgoedwet schrijven niet voor in welke mate met archeologie rekening moet worden gehouden. De gemeente heeft wat dit betreft beleidsvrijheid en kan het archeologische belang afwegen ten opzichte van andere belangen, de belangen van de burger en van de gemeente.
bestemmingsplan "Anima Mundi, Winssen" (vastgesteld)
29
bestemmingsplan Anima Mundi, Winssen
4.10.2 Doorvertaling bestemmingsplan Archeologie Het initiatief betreft de realisatie van een beeldend kunstwerk gesitueerd in een fruitboomgaard onderaan de Dijk, kilometerpaal 130 te Winssen. Ter plaatse geldt reeds een archeologische dubbelbestemming ('Waarde - Archeologie 2'), die met dit bestemmingsplan in stand wordt gelaten, zodat het aspect 'archeologie' op die manier wordt geborgd. Cultuurhistorie De Dijk vormt een belangrijk cultuurhistorisch element in het Beuningse landschap. De Dijk vormt na de dijkversterking nog meer dan voorheen de grens tussen het beschermde en veilige cultuurlandschap binnendijks, en het risicovolle nieuwe natuurlandschap buitendijks. Hiermee verbeeldt het net als de Anima Mundi de relatie tussen cultuur en natuur op een bijzondere wijze. De plaatsing van het kunstwerk onderaan de dijk is hiermee een ultieme integratie van kunstwerk en uniciteit van de plek (genius of place). Door de realisatie van beeldende kunstwerken onderaan de dijk, waaronder Anima Mundi, zal de cultuurhistorische waarde van de Dijk worden versterkt.
4.10.3 Conclusie De aspecten 'archeologie' en 'cultuurhistorie' vormen geen belemmering voor de vaststelling van onderhavig bestemmingsplan.
4.11
Leidingen
In of in de directe omgeving van het plangebied zijn geen hoofdtransportleidingen of persleidingen van water, olie, gas, brandstof en/of hoogspanningsleidingen gelegen, die in het kader van het bestemmingsplan op de verbeelding met bijbehorende bebouwingsvrije zones dienen te worden opgenomen. Aan de zuidkant van het perceel loopt wel een rioolleiding.
30
bestemmingsplan "Anima Mundi, Winssen" (vastgesteld)
bestemmingsplan Anima Mundi, Winssen
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische planbeschrijving
Algemeen
Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, de Wabo en het bestemmingsplan 'Buitengebied' van de gemeente Beuningen. Voor het bouwen is verder het Besluit omgevingsrecht (Bor) van belang. In het Bor zijn onder andere regels voor (bouw)vergunningvrije bouwwerken opgenomen. Hieronder wordt de opbouw en dergelijke van de regels kort toegelicht.
5.1.1
Inleidende regels
Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Bestemmingsregels In het tweede hoofdstuk komen de bestemmingen aan de orde. Het bestemmingsplan bevat 1 bestemming en 2 dubbelbestemmingen.
bestemmingsplan "Anima Mundi, Winssen" (vastgesteld)
31
bestemmingsplan Anima Mundi, Winssen
5.1.2
Opbouw bestemmingen
Bestemmingsomschrijving De bestemmingsomschrijving bevat de omschrijving van de doeleinden die met de bestemming aan de grond worden toegekend. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies zoals bedrijven, wonen, centrum etc. De aard van de toegelaten inrichtingen van gronden (bouwwerken en werken, geen bouwwerken zijnde) vloeit dan voort uit de toegelaten functies. Bouwregels In de bouwregels worden voor alle hoofdgebouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de van toepassing zijnde bouwregels gesteld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding. Specifieke gebruiksregels In dit onderdeel kan worden aangegeven welke vormen van gebruik men in ieder geval strijdig acht met de bestemming. Het is niet de bedoeling alle mogelijke strijdig gebruiksvormen te noemen, maar alleen die, waarvan het niet op voorhand duidelijk is dat deze in strijd zijn met de bestemming. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling op de doeleindenomschrijving. Afwijken van de gebruiksregels In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde gebruiksregels.
5.1.3
Algemene regels
Anti-dubbeltelbepaling Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels Deze bepaling bevat algemene regels omtrent ondergronds bouwen en ondergeschikte bouwdelen. Algemene aanduidingsregels Deze bepaling bevat de regels met betrekking tot de van toepassing zijnde gebiedsaanduidingen. Er zijn drie regelingen opgenomen ter bescherming van de beschermingszone langs het plangebied. De eerste betreft de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - dijk 1'. Binnen dit gebied is het bouwen van bouwwerken slechts toegestaan middels een binnenplanse afwijking, waarbij het waterschap wordt gehoord. De aanduiding 'vrijwaringszone - dijk 2' heeft betrekking op de buitenbeschermingszone, hieraan is geen inhoudelijke regeling gekoppeld. De derde aanduiding betreft de 'vrijwaringszone molenbiotoop'. Overige regels In deze bepaling is een parkeerregeling bouwen en gebruik opgenomen.
32
bestemmingsplan "Anima Mundi, Winssen" (vastgesteld)
bestemmingsplan Anima Mundi, Winssen
5.1.4
Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet. Slotregel Dit artikel geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.
5.2
Bestemmingsplan
Het bestemmingsplan kent één bestemming en drie dubbelbestemmingen. Hieronder volgt in het kort een beschrijving van de bestemmingen. Agrarisch met waarden Deze bestemming is opgenomen conform de regeling in het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied', met dien verstande dat in de bestemmingsomschrijving is toegevoegd dat een beeldend kunstwerk is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - beeldend kunstwerk'. In de bouwregels (artikel 3.2.2 onder h) is vervolgens bepaald dat het beeldend kunstwerk moet bestaan uit een samenstel van losse objecten (dus geen gesloten blok), om zo de transparantie te garanderen. Het kader (c.q. de omheining) aan de lange zijden is hiervan uitgezonderd. De afzonderlijke beelden mogen niet hoger zijn dan 7,5 meter. Onder een beeldend kunstwerk wordt in het kader van dit bestemmingsplan verstaan: beeldend kunstwerk: een bouwwerk of andere constructie, danwel een samenstel van verschillende bouwwerken of andere constructies, bestemd ter voortbrenging van beeldende kunsten zoals beeldhouwwerken en andere kunstzinnige objecten; Ook is in de bouwregels (artikel 3.2.2 onder d) opgenomen dat ten behoeve van een beeldend kunstwerk bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals fietsenstallingen, een omheining en een trap mogen worden opgericht.
In de regels met betrekking tot de omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (artikel 3.4.2 onder e) is opgenomen dat werken en werkzaamheden die in direct verband staan met de bouw en plaatsing van een beeldend kunstwerk als bedoeld in artikel 3.1.1 onder l en artikel 3.2.2 onder h zijn uitgezonderd van de vergunningenplicht in dezelfde bepaling In de specifieke gebruiksregels (3.4.4) is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de boomgaard verbonden aan een vergunningplicht. Verlening van deze vergunning is alleen toegestaan als blijkt dat dit gebruik geen invloed heeft op de (omliggende) natuurlijke waarden. Leiding - Riool (dubbelbestemming) In het zuiden van het plangebied geldt de dubbelbestemming Leiding - Riool. Deze dubbelbestemming heeft als doel om een rioolpersleiding aan te leggen en in stand te houden. Er mogen uitsluitend gebouwen en bouwwerken ten behoeve van deze bestemming worden gebouwd. Wel is er in de mogelijkheid voorzien om hier bij omgevingsvergunning van af te wijken en gebouwen en bouwwerken toe te staan ten behoeve van de hoofdbestemming Agrarisch met waarden. Voordat burgemeester en wethouders de vergunning verlenen, moeten zij de leidingbeheerder om advies vragen. In de regeling is verder een aanlegvergunningstelsel opgenomen.
Deze aanlegvergunning mag slechts worden verleend indien en voor zover door de werken en werkzaamheden geen veiligheidsrisico's ontstaan en de leidingen niet worden aangetast. Voordat burgemeester en wethouders de vergunning verlenen, moeten zij de beheerder van de waterkering om advies vragen.
bestemmingsplan "Anima Mundi, Winssen" (vastgesteld)
33
bestemmingsplan Anima Mundi, Winssen
Waarde - Archeologie 2 (dubbelbestemming) In het plangebied is de dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie 2' opgenomen. Deze dubbelbestemming heeft tot doel om de archeologisch te verwachten waarden in de bodem te beschermen. Bij (bouw)werkzaamheden met een in de dubbelbestemming weergegeven omvang dient de initiatiefnemer te onderzoeken of er bijzondere archeologische waarden voorkomen. Daarbij is een regeling voor de omgevingsvergunning opgenomen: hierin worden bepaalde werken en/of werkzaamheden omgevingsvergunningplichtig gesteld (inclusief enkele uitzonderingen). Bij de beoordeling van de vraag of en in welke mate bepaalde werken en/of werkzaamheden toelaatbaar worden geacht, gelden enkele maatstaven. Werken en werkzaamheden die geen verband houden met de beoogde doeleinden, of die onevenredig afbreuk doen aan de beoogde waarden en kwaliteiten zijn ontoelaatbaar. De aanvaardbaarheid van werken of werkzaamheden, die wel verband houden met (één van) de beoogde doeleinden, is afhankelijk van de mate waarin deze werken en/of werkzaamheden afbreuk doen aan de overige doeleinden binnen de desbetreffende bestemming. Zoals blijkt uit hoofdstuk 5.9 vormt het aspect 'archeologie' overigens geen belemmering en is voor de werkzaamheden geen onderzoek vereist.
Waterstaat - Waterkering (dubbelbestemming) In het noorden van het plangebied geldt de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering.' Deze dubbelbestemming heeft als doel om de waterkering (dijk) te beschermen. In de regeling is een verbod voor het bouwen van bouwwerken en een vergunningplicht voor werken en/of werkzaamheden opgenomen. Voordat burgemeester en wethouders de vergunning verlenen, moeten zij de beheerder van de waterkering om advies vragen.
34
bestemmingsplan "Anima Mundi, Winssen" (vastgesteld)
bestemmingsplan Anima Mundi, Winssen
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Alle kosten die gemaakt moeten worden het opstellen van een bestemmingplan zijn voor rekening van de initiatiefnemers.
6.2
Overleg
In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) staat dat gemeenten bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moeten plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het kader van het vooroverleg zal het plan onder andere besproken worden met de volgende partijen: » Provincie Gelderland; » Waterschap Rivierenland. De provincie heeft reeds aangegeven dat met dit plan geen provinciale belangen in het geding zijn.
6.3
Inspraak
Een bestemmingsplanprocedure start met een besluit van het college van burgemeester en wethouders. In de bestemmingsplanprocedure is plaats ingeruimd voor het inbrengen van zienswijzen. Een zienswijze houdt in dat een burger zijn mening omtrent een ruimtelijke ingreep naar voren kan brengen. Het inbrengen van die zienswijzen gebeurt dus normaal gesproken nadat de bestemmingsplanprocedure is opgestart. De Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening verplichten niet tot het bieden van een mogelijkheid tot inspraak voorafgaand aan het moment van terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan. Omwille van de zorgvuldigheid heeft de stichting Anima Mundi toch in een vroege fase, te weten het voorjaar van 2019, de directe buren (Molestraat/Haneman), de inwoners van Winssen en gemeenteraadsleden op de Tempelhof uitgenodigd om van gedachten te wisselen over het ontwerp van Anima Mundi. In het weekend van 30-31 maart 2019 zijn er informatiedagen geweest waarbij veel inwoners van Winssen en gemeenteraadsleden aanwezig zijn geweest. Tijdens deze informatiedagen, maar ook tijdens latere bijeenkomsten zijn voor- en tegenargumenten verzameld en is het ontwerp op een ingrijpende wijze aangepast. Op 17 mei 2019 is tijdens een bijeenkomst dit nieuwe ontwerp gepresenteerd.
Van de bijeenkomst en de belangrijkste bezwaren (met name de locatie van het kunstwerk en de vrees voor grote aantallen bezoekers) is een verslag gemaakt dat aan de aanwezigen is verstuurd. Zoals uit bovenstaande blijkt, is reeds in een vroeg stadium overleg geweest met direct omwonenden, inwoners en gemeenteraadsleden. Allen zijn uitgenodigd om hun visie te geven op het ontwerp en de locatie van het kunstwerk. Dit overleg leverde zowel voor- als tegenargumenten op. Er is getracht om zoveel mogelijk tegemoet te komen aan de bezwaren. Dit maakt dat de gemeente ervoor kiest om direct een ontwerpbestemmingsplan ter inzage te leggen.
6.4
Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan 'Anima Mundi, Winssen' heeft van 30 oktober 2020 tot en met 11 december 2020 voor één ieder ter inzage gelegen. Deze inzageperiode is op 29 oktober 2020 gepubliceerd in het Gemeenteblad en de Staatscourant.
bestemmingsplan "Anima Mundi, Winssen" (vastgesteld)
35
bestemmingsplan Anima Mundi, Winssen
Binnen deze inzagetermijn kon iedereen een zienswijze ten aanzien van het plan naar voren brengen. Ten aanzien van het ontwerpbestemmingsplan zijn 157 zienswijzen ontvangen. Er zijn zienswijzen ingediend waarin meerdere reclamanten een brief met overeenkomende inhoud hebben ondertekend, of een brief met overeenkomende inhoud gedeeltelijk hebben aangevuld. De overeenkomende zienswijzen van reclamanten zijn in de beantwoording gebundeld. De beantwoording van de zienswijzen is in de zienswijzennota verwerkt, zie Bijlage 6.
36
bestemmingsplan "Anima Mundi, Winssen" (vastgesteld)
bestemmingsplan Anima Mundi, Winssen
bestemmingsplan "Anima Mundi, Winssen" (vastgesteld)
37
bestemmingsplan Anima Mundi, Winssen
Bijlagen toelichting
38
bestemmingsplan "Anima Mundi, Winssen" (vastgesteld)
bestemmingsplan Anima Mundi, Winssen
Bijlage 1
Afbeeldingen Anima Mundi
bestemmingsplan "Anima Mundi, Winssen" (vastgesteld)
39
bestemmingsplan Anima Mundi, Winssen
Bijlage 2
40
Verkeersonderzoek (Loendersloot Groep, januari 2020)
bestemmingsplan "Anima Mundi, Winssen" (vastgesteld)
bestemmingsplan Anima Mundi, Winssen
Bijlage 3
Quickscan flora en fauna (NWC, februari 2020)
bestemmingsplan "Anima Mundi, Winssen" (vastgesteld)
41
bestemmingsplan Anima Mundi, Winssen
Bijlage 4
42
Stikstofdepositieberekening (aanlegfase)
bestemmingsplan "Anima Mundi, Winssen" (vastgesteld)
bestemmingsplan Anima Mundi, Winssen
Bijlage 5
Stikstofdepositieberekening (gebruiksfase)
bestemmingsplan "Anima Mundi, Winssen" (vastgesteld)
43
bestemmingsplan Anima Mundi, Winssen
Bijlage 6 Nota Zienswijzen Ontwerpbestemmingsplan Anima Mundi, Winssen
44
bestemmingsplan "Anima Mundi, Winssen" (vastgesteld)
bestemmingsplan Anima Mundi, Winssen
bestemmingsplan "Anima Mundi, Winssen" (vastgesteld)
45
bestemmingsplan Anima Mundi, Winssen
Regels
46
bestemmingsplan "Anima Mundi, Winssen" (vastgesteld)
bestemmingsplan Anima Mundi, Winssen
Hoofdstuk 1 Artikel 1
Inleidende regels
Begrippen
1.1 plan: het bestemmingsplan Anima Mundi, Winssen met identificatienummer NL.IMRO.0209.BpAnimaMundiBgWins-vadf van de gemeente Beuningen; 1.2 bestemmingsplan: de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels; 1.3 bestemmingsplan Buitengebied: de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0209.BPbuitengebied-onhe met de bijbehorende regels; 1.4 aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.5 aanduidingsgrens: de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.6 archeologische waarden: waarden van een terrein in verband met de zich mogelijk in de bodem bevindende oudheidkundige zaken die van belang zijn vanwege hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap en/of hun cultuurhistorische waarde; 1.7 bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde; 1.8 beeldend kunstwerk: een bouwwerk of andere constructie, dan wel een samenstel van verschillende bouwwerken of andere constructies, bestemd ter voortbrenging van beeldende kunsten, zoals beeldhouwwerken en andere kunstzinnige objecten; 1.9 bestaand: » t.a.v.
bebouwing: bebouwing, zoals aanwezig op het tijdstip dat het plan in werking is getreden dan wel die mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde vergunning; » t.a.v. gebruik: het gebruik van grond en opstallen, zoals aanwezig op het tijdstip dat het plan in werking is getreden; 1.10 bestemmingsgrens: de grens van een bestemmingsvlak; 1.11 bestemmingsvlak: een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.12 bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning; 1.13 bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk; 1.14 bouwgrens: de grens van een bouwvlak;
bestemmingsplan "Anima Mundi, Winssen" (vastgesteld)
47
bestemmingsplan Anima Mundi, Winssen
1.15 bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.16 bouwperceelgrens: een grens van een bouwperceel; 1.17 bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten; 1.18 bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 1.19 cultuurhistorische waarde: de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis heeft gemaakt van dat bouwwerk of dat gebied, zoals dat ondermeer tot uitdrukking komt in de beplanting, het reliëf, de verkaveling, het sloten- of wegenpatroon en/of de architectuur; 1.20 extensief recreatief medegebruik: die vormen van natuurvriendelijke recreatie welke in hoofdzaak zijn gericht op natuur- en landschapsbeleving, zoals wandelen, fietsen, picknicken, kanoën, survivaltochten en natuurgerichte recreatie zoals vogelobservatie; 1.21 gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.22 horizontale dwarsligger een onwrikbaar horizontaal
gepositioneerd constructiedeel, zoals in Bijlage 1 binnen het rode kader is weergegeven, dat de verbinding vormt tussen verticaal gepositioneerde constructiedelen zoals kolommen; 1.23 natuurwaarde: de aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door geologisch, geomorfologische, bodemkundige en biologische elementen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang; 1.24 peil: » voor bouwwerken, waarvan de hoofdtoegang van het perceel onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang van het perceel; » in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld; 1.25 recreatief medegebruik: die vormen van openluchtrecreatie, die plaats hebben in een omgeving met een niet-recreatieve hoofdfunctie, waarbij het medegebruik ondergeschikt is aan de hoofdfunctie en het hoofdgebruik; 1.26 voldoende parkeergelegenheid van voldoende parkeergelegenheid is sprake indien wordt voldaan aan de gemiddelde parkeernormering in de rij 'Buitengebied', zoals opgenomen in CROW publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren. Van parkeerkencijfers naar parkeernormen'.
Op het moment dat het CROW een opvolger van de hiervoor genoemde publicatie publiceert, wordt deze 'opvolger' gehanteerd voor het bepalen of sprake is van voldoende parkeergelegenheid; 1.27 waterhuishoudkundige doeleinden: doeleinden die het waterhuishoudingsbelang dienen, zoals watergangen, waterstaatkundige kunstwerken, onderhoudsstroken ten behoeve van het beheer en onderhoud van een watergang e.d.;
48
bestemmingsplan "Anima Mundi, Winssen" (vastgesteld)
bestemmingsplan Anima Mundi, Winssen
1.28 watergang: een voor de oppervlaktewaterkwaliteit van overwegend belang zijnde watergang;
bestemmingsplan "Anima Mundi, Winssen" (vastgesteld)
49
bestemmingsplan Anima Mundi, Winssen
Artikel 2
Wijze van meten
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 bebouwd(e) oppervlak(te) van een bouwperceel: de oppervlakte van alle op een bouwperceel aanwezige bouwwerken tezamen; 2.2 de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; 2.3 de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 2.4 de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 2.5 de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
50
bestemmingsplan "Anima Mundi, Winssen" (vastgesteld)
bestemmingsplan Anima Mundi, Winssen
Hoofdstuk 2 Artikel 3
Bestemmingsregels
Agrarisch met waarden
3.1
Bestemmingsomschrijving
3.1.1
Algemeen
De voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. de uitoefenen van agrarische activiteiten; b. behoud, herstel en ontwikkeling van cultuurhistorische, landschappelijke en aardkundige waarden; c. waterhuishoudkundige doeleinden; d. extensief recreatief medegebruik; e. erfbeplanting, wegbeplanting, landschapselementen, bosschages; f. landschapstuinen; g. de opwekking van duurzame energie in de vorm van windenergie en zonne-energie alsmede warmte-koude opslag; h. een beeldend kunstwerk ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - beeldend kunstwerk'. een en ander met bijbehorende voorzieningen, waaronder perceelsontsluitingen en sloten, en overeenkomstig de in 3.1.2 opgenomen nadere detaillering van de bestemming.
3.1.2
Nadere detaillering van de bestemming
In het onderstaande is een nadere detaillering opgenomen van het bepaalde in 3.1.1: a Verhouding tussen doeleinden Binnen de bestemming 'Agrarisch met waarden' is het beleid primair zowel gericht op het bieden van ontwikkelingsmogelijkheden voor een duurzame en concurrerende landbouw als op de bescherming van de aanwezige landschappelijke, natuur- en cultuurhistorische waarden. b Karakter De gronden binnen deze bestemming worden gekenmerkt door het halfopen landschap en het kleinschalige samenspel van bebouwingslinten, dorpen, weiden en boomgaarden in onregelmatige patronen. Het beleid binnen deze bestemming is gericht op het beheer, herstel en ontwikkeling van deze cultuurhistorische en landschappelijke waarden. c Extensief recreatief medegebruik Het gehele gebied gelegen binnen deze bestemming mag worden gebruikt ten behoeve van extensief recreatief medegebruik. Ter ondersteuning van het recreatief medegebruik worden beperkte recreatieve voorzieningen toegestaan in het gehele gebied zoals paden, banken, picknicktafels, bewegwijzering e.d. d Landschapstuin De gronden gelegen binnen deze bestemming mogen, voor zover de gronden grenzen aan een bestemmingsvlak van de bestemming 'Wonen' of een bouwvlak binnen de bestemming 'Agrarisch met waarden', worden gebruikt ten behoeve van een landschapstuin.
3.2
Bouwregels
3.2.1
Algemeen
Uitsluitend mag met inachtneming van het bepaalde in 3.2.2 worden gebouwd ten behoeve van deze bestemming.
3.2.2
(Maatvoering) bebouwing buiten bouwvlak
bestemmingsplan "Anima Mundi, Winssen" (vastgesteld)
51
bestemmingsplan Anima Mundi, Winssen
Voor het oprichten van bouwwerken geldt het volgende: a. uitsluitend mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van het agrarisch grondgebruik worden opgericht met een maximum bouwhoogte van 2,0 m, met dien verstande dat het oprichten van sleufsilo's niet is toegestaan; b. ten behoeve van het extensief recreatief medegebruik is voorts uitsluitend het oprichten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan zoals banken, picknicktafels e.d. met een maximum bouwhoogte van 2,0 m; c. in afwijking van het gestelde onder a, mogen ten behoeve van een landschapstuin als bedoeld in 3.1.1 onder f, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals erfafscheidingen en bruggetjes, worden opgericht met een maximum bouwhoogte van 2,0 m; d. in afwijking van het gestelde onder a, mogen ten behoeve van een beeldend kunstwerk als bedoeld in 3.1.1 onder h bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals fietsenstallingen, een omheining en een trap worden opgericht; e. paardenbakken buiten het bouwvlak zijn niet toegestaan; f. tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen zijn toegestaan met een maximum bouwhoogte van 3,0 m, alsmede permanente constructiepalen ten behoeve van de (tijdelijke teeltondersteunende) hagelnetten met een maximum bouwhoogte van 6,0 m; g. permanente teeltondersteunende voorzieningen zijn niet toegestaan; h.
ten behoeve van het beeldend kunstwerk als bedoeld in 3.1.1 onder h, is een beeldend kunstwerk toegestaan die voldoet aan de volgende voorwaarden: 1. het beeldend kunstwerk bestaat onder andere uit 14 zetels, 2 poorten met een horizontale dwarsligger (zoals bedoeld in Bijlage 1), 1 grondobject en met in de lengte- en breedterichting een zitrand; 2. de zetels hebben boven maaiveld een breedte en lengte van respectievelijk maximaal 3 en 4 m 3. de bouwhoogte van de zetels bedraagt niet meer dan 7,5 m; 4. de poorten hebben boven maaiveld een breedte en lengte van respectievelijk maximaal 1 en 15 m; 5. de bouwhoogte van de poorten bedraagt niet meer dan 7,5 m; 6. de zitranden hebben boven maaiveld een breedte van maximaal 1,5 m; 7. de bouwhoogte van de zitrand bedraagt boven maaiveld niet meer dan 1,5 m; 8. het grondobject bestaat uit een opgaande rand met een bouwhoogte van maximaal 0,5 m; 9. het grondobject heeft een breedte en lengte van respectievelijk maximaal 6 en 6 m. 3.3
Specifieke gebruiksregels
3.3.1
Strijdig gebruik
Onder gebruik strijdig met de bestemming wordt in ieder geval begrepen het gebruiken en/of laten gebruiken van gronden en/of opstallen voor: a. het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest, behoudens: 1. voor zover zulks noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik; b. het bedrijfsmatig vervaardigen, opslaan, verwerken of herstellen van goederen en het opslaan en be- of verwerken van producten, tenzij: 1. dit plaatsvindt ten behoeve van de agrarische productie binnen het agrarisch bedrijf dan wel uitsluitend betrekking heeft op agrarische producten van het eigen bedrijf; of c. detailhandel; d. vrijstaande bijgebouwen als zelfstandige woning en als afhankelijke woonruimte; e. woondoeleinden, met uitzondering van de toegestane bedrijfswoningen; f. het bewonen van bedrijfsruimte; g. de huisvesting van tijdelijke werknemers; h. het inpandig bedrijfsmatig houden van dieren, anders dan op de begane grondlaag van agrarische bedrijfsgebouwen; i. een seksinrichting; j. het versterkt laten horen van geluid. 3.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
52
bestemmingsplan "Anima Mundi, Winssen" (vastgesteld)
bestemmingsplan Anima Mundi, Winssen
3.4.1
Omgevingsvergunningplicht
Het is verboden op de in dit artikel bedoelde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de in het schema in 3.4.4 opgenomen omgevingsvergunningplichtige werken en werkzaamheden uit te voeren.
3.4.2
Uitzonderingen vergunningenplicht
Het in 3.4.1 vervatte verbod geldt niet voor werken en werkzaamheden: a. die plaatshebben op een agrarisch bouwblok; b. waarvoor ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan een aanleg- of omgevingsvergunning is verleend; c. die ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan in uitvoering waren; d. die het normale onderhoud en/of landschapsbeheer betreffen; e. die in direct verband staan met de bouw en plaatsing van een beeldend kunstwerk met de bijbehorende voorzieningen als bedoeld in 3.1.1 onder h en 3.2.2 onder d en h. 3.4.3
Toetsing aan aanwezige waarden
De in 3.4.1 bedoelde vergunning wordt slechts verleend indien na een belangenafweging blijkt dat er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de aanwezige waarden als opgenomen in 3.1. Ten behoeve van de belangenafweging zijn in het schema in 3.4.4 de toetsingscriteria weergegeven.
3.4.4
Schema omgevingsvergunningen
Omgevingsvergunningplichtige werken/werkzaamheden
criteria voor verlening van de omgevingsvergunning
het verwijderen van houtopstanden
deze werkzaamheden vinden plaats in het kader van het bos- of natuurbeheer; de werkzaamheden zijn noodzakelijk in het kader van de agrarische bedrijfsvoering;
het diepploegen en diepwoelen van de bodem
deze werkzaamheden vinden plaats in het kader van het bos- of natuurbeheer/ontwikkeling en/of de werkzaamheden zijn noodzakelijk in het kader van de agrarische bedrijfsvoering; de werkzaamheden mogen niet leiden tot een onomkeerbare aantasting van de aardkundige waarden;
het graven, ophogen en egaliseren van de bodem;
deze werkzaamheden vinden plaats in het kader van het waterbeheer en/of bos- of natuurbeheeryontwikkeling en/of de werkzaamheden zijn noodzakelijk in het kader van de agrarische bedrijfsvoering; de werkzaamheden mogen niet leiden tot een onomkeerbare aantasting van de aardkundige waarden;
het aanbrengen van niet omkeerbare oppervlakteverhardingen en half verhardingen.
de verhardingen zijn noodzakelijk voor het beheren dan wel verbeteren van bos en natuur dan wel voor het mogelijk maken van extensief recreatief medegebruik; de verhardingen mogen geen onevenredige aantasting betekenen van de aanwezige natuurwaarden; de werkzaamheden zijn noodzakelijk in het kader van de agrarische bedrijfsvoering;
het aanbrengen van ondergrondse leidingen
er mag geen blijvende aantasting plaatsvinden
bestemmingsplan "Anima Mundi, Winssen" (vastgesteld)
53
bestemmingsplan Anima Mundi, Winssen
van de aanwezige natuurwaarden; het wijzigen van de perceelsindeling zoals die er vindt geen onevenredige aantasting plaats van door sloten, greppels en beplantingselementen is de cultuurhistorische en landschappelijke aangegeven; waarden; deze werkzaamheden vinden plaats in het kader van het waterbeheer en /of het bos- of natuurbeheeryontwikkeling en/of de werkzaamheden zijn noodzakelijk in het kader van de agrarische bedrijfsvoering; het aanleggen van boomgaarden, behoudens de vervanging van bestaande boomgaarden;
de aanleg van boomgaarden doet binnen een afstand van 50 m rondom de boomgaard geen onevenredige afbreuk aan het woon- en leefklimaat.
het gebruik van (gewas)bestrijdingsmiddelen ten behoeve van het agrarisch grondgebruik.
het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is slechts toelaatbaar, indien door deze werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect, te verwachten gevolgen de natuurwaarden niet onevenredig worden verontreinigd door stoffen en de wijze van aanbrengen van die stoffen op de gewassen, die hetzij door hun aard, hetzij door de hoeveelheid, uit het oogpunt van ecologie gevaar opleveren voor de natuurwaarden, welke op de omliggende gronden aanwezig, dan wel geprojecteerd zijn; Alvorens te beslissen over het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in 3.4.1 wordt aan het bevoegd gezag een advies of rapport overlegd van een terzake deskundige omtrent de gevolgen op de natuurwaarden.
54
bestemmingsplan "Anima Mundi, Winssen" (vastgesteld)
bestemmingsplan Anima Mundi, Winssen
Artikel 4 4.1
Leiding - Riool
Bestemmingsomschrijving
De voor Leiding - Riool aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor aanleg en instandhouding van een rioolpersleiding, één en ander met de bijbehorende voorzieningen. 4.2
Bouwregels
Binnen deze dubbelbestemming zijn uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan ten behoeve van deze dubbelbestemming. 4.3
Afwijken van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 4.2 teneinde het oprichten van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de op deze gronden liggende hoofdbestemming toe te staan, mits hierbij uit hoofde van de bescherming van de leiding geen bezwaar bestaat; dienaangaande wordt door het bevoegd gezag advies ingewonnen bij de betrokken leidingbeheerder. 4.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 4.4.1
Omgevingsvergunningplichtige werken
Het is verboden op of in de in dit artikel bedoelde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren: a. het aanbrengen van (half-)verhardingen; b. het vergraven, ophogen, diepwoelen of diepploegen van de bodem; c. het aanbrengen van diepwortelende beplanting en/of bomen; d. het verwijderen van beplanting; e. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze ingraven c.q. indrijven van voorwerpen; f. het uitvoeren van graafwerkzaamheden anders dan normaal spit- en ploegwerk; g. het graven van sloten en het leggen van (drainage)leidingen. 4.4.2
Uitzonderingen
Het onder 4.4.1 vervatte verbod geldt niet voor werken of werkzaamheden: a. waarvoor ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan een aanleg- of omgevingsvergunning is verleend; b. welke ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan in uitvoering waren; c. welke het normale beheer en onderhoud van de leidingen betreffen. 4.4.3
Verlening
De in 4.4.1 genoemde omgevingsvergunning wordt slechts verleend indien en voor zover door de werken en werkzaamheden geen veiligheidsrisico's ontstaan en de leidingen niet worden aangetast. Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning als bedoeld in 4.4.1 wordt door het bevoegd gezag schriftelijk advies ingewonnen bij de betrokken leidingbeheerder.
bestemmingsplan "Anima Mundi, Winssen" (vastgesteld)
55
bestemmingsplan Anima Mundi, Winssen
Artikel 5 5.1
Waarde - Archeologie 2
Bestemmingsomschrijving
De voor Waarde - Archeologie 2 aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor behoud en bescherming van waardevolle verwachte archeologische informatie in de bodem. Het gaat hierbij om gebieden met een hoge archeologische verwachting, bekende vindplaatsen, oude woongronden en historische boerderijlocaties en zonering van 50 m rondom monumenten.
5.2
Bouwregels
Ten aanzien van het oprichten van bebouwing gelden de volgende regels: a. Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor bouwen voor het oprichten van een bouwwerk groter dan 120 m2 dient de aanvrager een rapport te overleggen, waarin de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld. b. In afwijking van het gestelde onder a hoeft de aanvrager van een omgevingsvergunning voor bouwen geen rapport als bedoeld onder a te overleggen, indien één van de volgende situaties van toepassing is: 1. de aanvraag om omgevingsvergunning voor bouwen betrekking heeft op het vervangen van bestaande bebouwing (waaronder een bestaande ondergrondse kelder), waarbij de oppervlakte aan bebouwing niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut; 2. de aanvraag om omgevingsvergunning voor bouwen betrekking heeft op het uitbreiden van bestaande bebouwing tot maximaal 2,5 m uit de bestaande fundering; 3. de aanvraag om omgevingsvergunning voor bouwen betrekking heeft op het bouwen in de bodem tot een diepte van 0,30 m onder het bestaande maaiveld; 4. naar oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. c.
Indien uit het onder a genoemde rapport of uit de beschikbare informatie als bedoeld in b onder 4, blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het oprichten van het vergunde bouwwerk zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning voor bouwen: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen; 3. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties; 4. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden een verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan. 5.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 5.3.1
Omgevingsvergunningsplicht
Onverminderd het in de Monumentenwet bepaalde is het verboden op of in de in dit artikel bedoelde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegde gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, te doen of te laten uitvoeren: a. grondwerkzaamheden, zoals afgraven, egaliseren, frezen, scheuren van grasland, diepploegen, aanbrengen van oppervlakteverhardingen, aanleg van drainage, verwijderen van funderingen en aanleg of rooien van bos, boomgaard, boom- of fruitteelt of diepwortelende beplanting; b. graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, sloten en greppels; c. aanleggen van leidingen.
56
bestemmingsplan "Anima Mundi, Winssen" (vastgesteld)
bestemmingsplan Anima Mundi, Winssen
5.3.2
Uitzonderingen
Het onder 5.3.1 opgenomen verbod geldt niet: a. In het kader van archeologisch onderzoek en archeologische opgravingen, mits deze worden verricht door een ter zake deskundige als bedoeld in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie; b. voor werken en werkzaamheden in het kader van normale onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen, kabels, riolering, leidingen en beplantingen; c. voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale agrarische gebruik, zoals ploegen, zaai- en oogstklaar maken, vervangen van drainage, aanbrengen van teeltondersteunende voorzieningen en vervangen van boomgaarden; d. voor werken en werkzaamheden in het kader van de plaatsing van een beeldend kunstwerk; e. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft tot een diepte van 0,30 m onder het bestaande maaiveld; f. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft over een maximale oppervlakte van 120 m2; g. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk; h. voor werken en werkzaamheden die op het moment van het van kracht worden van het plan legaal in uitvoering zijn of legaal kunnen worden uitgevoerd krachtens een voor dat tijdstip geldende dan wel aangevraagde vergunning; i. ingeval op grond van de Monumentenwet een vergunning is vereist. 5.3.3 Verlening a.
De onder 5.3.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend voor zover de archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast, hetgeen moet blijken uit een rapport dat de aanvrager bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning dient te overleggen. In het rapport moeten de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld. Een rapport is niet noodzakelijk indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. b. Indien het rapport of andere beschikbare informatie daartoe aanleiding geeft, dient op advies van een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg, die voldoet aan door het bevoegd gezag te stellen kwalificaties, zonodig archeologisch vervolgonderzoek plaats te vinden. 5.3.4
Voorwaarden
Overeenkomstig het in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht bepaalde kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning onder beperkingen verlenen en kunnen zij voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden, waaronder de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden.