26018.09 - ETFAL transportverdeelstation Hokkelstraat (A)
Tekst van het document
ID0879 Best
TOELICHTING AANVRAAG TRANSPORTVERDEELSTATION HOKKELSTRAAT BEST [Onderwerp]
Enexis Netbeheer B. V.
Behorend bij conceptaanvraag
Documenttitel
Toelichting aanvraag transportverdeelstation Hokkelstraat Best
Soort document
Behorend
Datum
10
Projectnaam
Transportverdeelstation Hokkelstraat
Projectnummer
1D0879
Opdrachtgever
Enexis Netbeheer B.V.
Auteur
Vrijgave
bij conceptaanvraag
april 2026
(geanonimise rd) (geanonimiseerd) |
Inhoud 1.
Toelichting op de aanvraag
2
1. 1 Aanleiding en doel 1. 2 Locatie 1. 3 Leeswijzer
2 3 6
2.
7
Voorgenomen ontwikkeling
2. 1 Projectbeschrijving 2. 2 Toetsing aan het omgevingsplan 2. 3 Conclusie strijdigheid en scope van de aanvraag 2. 4 Procedures en bevoegd gezag
7 9 12 12
3.
12
Toetsing aan het beleid
3. 1 Rijksbeleid 3. 2. Provinciaal beleid 3. 3 RES Metropoolregio Eindhoven 3. 4 Gemeentelijk beleid
12 13 14 14
4.
16
Toetsing instructieregels
4. 1 Instructieregels & scope beoordeling 4. 2 Waarborgen van de veiligheid / externe veiligheid 4. 3 Beschermen van waterbelangen 4. 4 Gezondheid en milieu 4. 4. 1 Luchtkwaliteit 4. 4. 2 Geluid 4. 4. 3 Trillingen 4. 4. 4 Bodemkwaliteit 4. 4. 5 Geur 4. 4. 6 Elektromagnetische velden (EMV) 4. 5 Landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed 4. 5. 1 Ladder voor duurzame verstedelijking 4. 5. 2 Cultureel erfgoed en werelderfgoed 4. 5. 3 Omgevingskwaliteit 4. 6 Verkeer en mobiliteit 4. 7 Instructieregels Omgevingsverordening Noord-Brabant
16 16 17 18 19 19 22 23 23 24 24 24 25 25 26 26
5.
28
Toetsing voorbeschermingsregels
6.
Uitvoerbaarheid
28
6. 1 mer- (beoordelings-)plicht 6. 2 Natuur 6. 2. 1 Gebiedsbescherming 6. 2. 2 Soortenbescherming 6. 2. 3 Bomen 6. 3 Grondposities
29 30 30 31 31 31
7.
Participatie
32
8.
Belangenafweging en conclusie
32
9.
Toelichting (bouw) Omgevingsplanactiviteit
32
Bijlagen
33
Bijlagen bij het aanvraagformulier Later indienen van gegevens en bescheiden
33 33
1.
TOELICHTING OP DE AANVRAAG
1. 1 Aanleiding en doel Als regionaal netbeheerder onderhoudt Enexis Netbeheer B. V. (hierna: ‘Enexis’) het energienet en legt nieuwe netten aan. Ook zorgt Enexis voor het transport van energie. Via onze kabels en leidingen , worden (aard)gas en elektriciteit naar woningen en bedrijven gebracht. Enexis doet dit voor het verzorgingsgebied Groningen , Drenthe , Overijssel , Noord-Brabant en Limburg. Als gevolg van de energietransitie is er een sterke toename van duurzame initiatieven , in het bijzonder de toename van decentrale elektriciteitsopwekking. De transitie van het gebruik van fossiele brandstoffen naar het gebruik van hernieuwbare elektriciteit zorgt voor een druk op het elektriciteitsnet. Deze toename heeft als gevolg dat de infrastructuur van Enexis Netbeheer (hierna: Enexis) uitgebreid moet worden. Enexis moet nieuwe middenspanningsgebouwen en transformatorhuisjes bouwen , en nieuwe middenspanningskabels aanleggen. In dit licht is ook de uitbreiding van het middenspanningsnet in de gemeente Best noodzakelijk. Volgens de prognose voor 2035 wordt een significante toename van elektriciteitsvraag verwacht als gevolg van de energietransitie. Dit omvat onder andere de uitbreiding van laadpunten voor elektrische voertuigen , de groei van decentrale opwek , en de toenemende elektrificatie van huishoudens , industriële processen en warmtevoorziening.
De huidige netcapaciteit is onvoldoende om aan deze toekomstige vraag te voldoen , wat resulteert in de noodzaak voor netverzwaring.
Wegens grote toename van de belasting (met name opwek) loopt het transportnet naar het dorp Best vol. Daarnaast blijkt uit het belastingscenario van Enexis dat de belasting nog sterk zal toenemen. Om overbelasting te voorkomen en klanten te kunnen blijven aansluiten , is een uitbreiding van het transportnet nodig. Netsituatie BEST
Figuur 1 Aansluitmogelijkheden energienet gemeente Best (bron: Netbeheer Nederland) In Figuur 1 staat de netsituatie in de omgeving van het transportverdeelstation weergegeven. De rood gekleurde gebieden kennen acuut een tekort aan transportcapaciteit: hier geldt een wachtlijst voor nieuwe aansluitingen. De gemeente Best is in het geheel rood gekleurd. Kortom , er is een noodzaak om het station op korte termijn te plaatsen en zo nieuwe bedrijven en woningen in de gemeente Best op het elektriciteitsnet aan te sluiten.
1. 2 Locatie Enexis Netbeheer is voornemens om een transportverdeelstation te realiseren aan de Hokkelstraat in Best. Het nieuwe station komt op een gedeelte van de percelen kadastraal bekend gemeente Best , sectie L , perceelnummer 736 en737 , .
Figuur 2a A Ligging kadastraal perceel
Figuur 2B Ligging en indeling
Perceel 736 is in eigendom van de gemeente Best. Perceel 737 is in eigendom van Waterschap de Dommel. In de nabijheid van het perceel bevinden zich woningen. Figuur 3 geeft de locatie van het transportverdeelstation weer.
Figuur 3 Luchtfoto locatie Huidig gebruik Zoals uit figuur 3 blijkt , ligt de projectlocatie op een terrein dat nu niet wordt gebruikt. Er is gras aanwezig op de projectlocatie.
1. 3 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk , wordt in de rest van deze motivering uitgelegd waarom de bouw van het transportverdeelstation bijdraagt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op het project. In hoofdstuk 3 wordt getoetst in hoeverre het project passend is binnen het Rijks- , provinciaal- , regionaal- en gemeentelijk beleid. Daarna wordt het project getoetst aan de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving en de Omgevingsverordening Noord-Brabant (hoofdstuk 4). Vervolgens wordt , in hoofdstuk 5 , getoetst aan de voorbeschermingsregels , instructies en projectbesluiten. In hoofdstuk 6 komt de uitvoerbaarheid aan bod. In hoofdstuk 7 wordt ingegaan op
participatie. Uiteindelijk volgt , in hoofdstuk 8 , de eindconclusie. In hoofdstuk 9 wordt de bouwactiviteit (omgevingsplan) kort toegelicht.
2.
VOORGENOMEN ONTWIKKELING
2. 1 Projectbeschrijving Het project bestaat uit de bouw van een transportverdeelstation. Een transportverdeelstation (of schakelstation) versterkt het elektriciteitsnet. Het zorgt ervoor dat elektriciteit over lange afstanden wordt verdeeld. In een transportverdeelstation worden geen transformatoren gebruikt omdat er geen spanning wordt omgezet. De stroom wordt alleen verdeeld. Het station is te vergelijken met een stekkerdoos waar andere elektriciteitsstations op worden aangesloten. Het transportverdeelstation is 1456 , meter breed , 372 , meter lang , en 367 , meter hoog. Het transportverdeelstation heeft ook een kelderbak van 235 meter diep. De kelderbak en het , transportverdeelstation worden inde fabriek geproduceerd (prefab). Op het transportverdeelstation komen twee airco’s te staan om de temperatuur en de luchtvochtigheid in het transportverdeelstation te reguleren. De maximale bouwhoogte van het transportverdeelstation , inclusief airco’s , is 434 , meter. Gelet op artikel 2. 27 lid 2 sub n Besluit bouwwerken leefomgeving is het transportverdeelstation technisch bouwvergunningsvrij. Het transportverdeelstation krijgt de kleur dennengroen (RAL6009). Figuur 7 laat het vooraanzicht van het transportverdeelstation zien. In de bijlage zijn de bouwtekeningen van het transportverdeelstation opgenomen.
Figuur 4 Vooraanzicht transportverdeelstation Als gevolg van de bouw van het transportverdeelstation hoeven er geen zaken te worden verwijderd , zoals hekwerken , verharding of bomen.
2. 2 Toetsing aan het omgevingsplan Best Door de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn bestemmingsplannen van rechtswege omgezet in (tijdelijk) omgevingsplan. Het (tijdelijk) omgevingsplan bestaat uit de voormalige een bestemmingsplannen , de bruidsschat omgevingsplan (voormalige rijksregels) en enkele gemeentelijke verordeningen (erfgoedverordening , hemelwater- en geurverordening). De belangrijkste regels staan in het bestemmingsplan Salderes 2010 en het paraplubestemmingsplan Parkeernormen en Archeologie dat tijdelijk onderdeel uitmaakt van het Omgevingsplan Best. Bestemmingsplan Salderes 2010
Figuur 5 Omgevingsplan Best De projectlocatie heeft de bestemming groen in het bestemmingsplan Salderes 2010. Figuur 5 laat een uitsnede uit het bestemmingsplan Salderes 2010 zien. Het groene vlak geeft de bestemming ‘Groen’ aan.
Gebruiks- en bouwregels Op grond van artikel 9.1 , van het bestemmingsplan Salderes 2010 is gebruik van gronden met de bestemming ‘Groen’ bestemd voor: a groenvoorzieningen ; b bermen en beplanting ; paden voor langzaam verkeer ; c d in- en uitritten ten behoeve van aangrenzende woondoeleinden ; e speelvoorzieningen ; f water- en waterhuishoudkundige voorzieningen ; g hondentoilet ; h ter plaatse van de aanduiding ‘waterberging’ tevens een waterbassin’. “Voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken , geen gebouwen zijnde gelden de volgende bepalingen: 9. 2. 1 Gebouwen Op deze gronden mogen alleen gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen worden gebouwd , met dien verstande dat: a De oppervlakte niet meer dan 15 m² mag bedragen. b De bouwhoogte niet meer dan 3 m mag bedragen. 9. 2. 2 Bouwwerken , geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken , geen gebouwen zijnde , gelden de volgende bepalingen: a De bouwhoogte van speeltoestellen mag niet meer dan 5 m bedragen. b De bouwhoogte van lichtmasten mag niet meer dan 9 m bedragen. c De bouwhoogte van overige bouwwerken , geen gebouwen zijnde , mag niet meer dan 3 m bedragen. 9. 3 Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing , ten behoeve van: a De verkeersveiligheid. b De sociale veiligheid. Een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld.
c Er zijn geen binnenplanse afwijkingsmogelijkheden ten aanzien van de bestemming groen. Voor zover een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een BOPA betrekking heeft op de realisatie van bouwwerken ten behoeve van een nutsvoorziening groter dan 50 m2 , wordt conform artikel 16.15a , aanhef en sub b van de Omgevingswet en het Besluit Bindend Adviesrecht bij Buitenplanse Omgevingsplanactiviteiten 2022 van de gemeente Best een bindend advies gevraagd aan de gemeenteraad.
Toets aan de gebruiksregels Op grond van artikel 9.1 , van het bestemmingsplan Salderes 2010 is gebruik van gronden met de bestemming ‘Groen’ voor openbare nutsvoorzieningen niet toegestaan. Toets aan de bouwregels Artikel 9.2 , van het bestemmingsplan Salderes 2010 bepaalt dat gebouwen ten behoeve van openbare 2 nutsvoorzieningen een maximale oppervlakte van 15 men een maximale bouwhoogte van 3 meter mogen hebben. Het transportverdeelstation voldoet niet aan de bouwregels omdat , de oppervlakte groter 2 is dan 15 men de bouwhoogte hoger is dan 3 meter. Tot slot is er geen aanlegverbod voor de graafwerkzaamheden en het aanleggen van kabels binnen de projectlocatie. Aanlegactiviteiten zijn hierdoor vergunningsvrij en zijn dus geen onderdeel van deze aanvraag.
Overige bestemmingsplannen Naast het bestemmingsplan ‘Salderes 2010’ gelden de volgende bestemmingsplan(nen) op de projectlocatie: ‘Paraplubestemmingsplan Parkeernormen en archeologie’. De projectlocatie heeft de bestemming waarde archeologie 4 en de gebiedsaanduiding overige zone – esdekken agrarisch. In artikel 6. 2 van het Paraplubestemmingsplan Parkeernormen en archeologie’ is het volgende bepaald: Binnen het gebied met 'Waarde - Archeologie 4' mogen uitsluitend bouwwerken worden opgericht ten behoeve van de op deze gronden liggende bestemming(en) , indien en voor zover het een bouwplan betreft: 1. 2. 3. 4.
met een oppervlakte van maximaal 500 m2 , of ; met een oppervlakte groter dan 500 m2 en een verstoringsdiepte van minder dan 03, m ten opzichte van het maaiveld , of ; met een oppervlakte groter dan 500 m2 en een verstoringsdiepte van minder dan 05, m ten opzichte van het maaiveld , uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - esdekken agrarisch' , of ; dat betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken , waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut , dan wel niet meer dan 25, m uit de bestaande fundering wordt gebouwd.
2 2. Het transportverdeelstation heeft een oppervlakte van 54 men blijft onder de 500 mEr is geen strijdigheid met artikel 6. 2.
In artikel 8. 1 van het Paraplubestemmingsplan Parkeernormen en archeologie’ is het volgende bepaald: De gronden ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - esdekken agrarisch' zijn , behalve voor de daar voorkomende bestemming(en) , mede bestemd voor instandhouding en bescherming van de in de grond aanwezige archeologische waarden , zoals geregeld in de ter plaatse geldende bestemming 'Waarde - Archeologie'. Er zal niet in strijd worden gehandeld met artikel 8. 2.
2. 3 Conclusie strijdigheid en scope van de aanvraag Het project is in strijd met de gebruiksregels en bouwregels van het omgevingsplan , omdat nutsvoorzieningen niet zijn genoemd in de toegestane gebruiksregels en het transportverdeelstation niet voldoet aan de maximale afmetingen. De overige onderdelen van het project passen wel binnen het omgevingsplan. In art. 8. 0a en 8. 0b van het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl) zijn de beoordelingsregels opgenomen voor de aanvraag van de BOPA. Een BOPA dient de worden verleend , indien er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Dit houdt in dat: De bouw van het transportverdeelstation in lijn moet zijn met het nationaal , provinciaal , regionaal , en gemeentelijk beleid. Dit wordt getoetst in hoofdstuk 3. De bouw van het transportverdeelstation moet passen binnen de instructieregels , afkomstig van de Rijksoverheid en de provincie Noord-Brabant. Dit zal besproken worden in hoofdstuk 4. De bouw van het transportverdeelstation niet in strijd is met een rijks- of provinciale instructie , een voorbeschermingsregel in het omgevingsplan , of een belemmering vormen voor de uitvoer van een project waarvoor een rijks- of provinciaal projectbesluit is vastgesteld. Hier wordt in hoofdstuk 5 aandacht aan besteed. De bouw van het transportverdeelstation niet kennelijk onuitvoerbaar is.
Dit zal in hoofdstuk 6 worden getoetst.
2. 4 Procedures en bevoegd gezag De voorliggende aanvraag voor een omgevingsvergunning betreft een aanvraag voor (buitenplanse) omgevingsplanactiviteit (art. 5. 1. lid 1 sub a van de Omgevingswet) , de ‘BOPA’. Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd gezag voor het verlenen van deze omgevingsvergunning (art. 5. 8 Ow). Op de aanvraag is de reguliere voorbereidingsprocedure met een beslistermijn van 8 weken van toepassing (art. 16. 64 Ow). Op grond van artikel 16.15a , sub b , onder 1 , jo. artikel 16.15b , jo. artikel 16.16 , eerste lid , Omgevingswet , jo. artikel 4.21 , lid 2 , kan de gemeenteraad gevallen aanwijzen waarin de gemeenteraad advies- en instemmingsrecht heeft bij een omgevingsvergunning voor een BOPA. De gemeenteraad van de gemeente Best heeft op 7 juli 2022 in het besluit ‘Adviesrecht bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten’ gevallen aangewezen waarin de gemeenteraad adviesrecht heeft. Deze BOPA valt onder geen van de aangewezen gevallen. Het bouwwerk is lager dan 5 meter en heeft een oppervlakte van minder dan 50m². Daarom is artikel 2 lid 2 van het Besluit adviesrecht niet van toepassing. De gemeenteraad heeft dus geen adviesrecht.
3.
TOETSING AAN HET BELEID
3. 1 Rijksbeleid Nationale omgevingsvisie Met de Nationale omgevingsvisie (NOVI) en het programma Energie Hoofdstructuur (PEH) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Energie is daar ook een onderwerp in. In de NOVI zijn vier prioriteiten genoemd: 1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie 2. duurzaam economisch groeipotentieel
3. sterke en gezonde steden en regio’s 4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Beoordeling Door de bouw van het transportverdeelstation wordt rechtstreeks bijgedragen aan de energietransitie (prioriteit 1). Indirect maakt de uitbreiding van de netcapaciteit duurzame economische groei mogelijk (prioriteit 2) en draagt het bij aan sterke en gezonde steden en regio’s (prioriteit 3). Door de netcongestie te verminderen , kan de aansluiting van nieuwe bedrijven en woningen op het net mogelijk worden gemaakt. De relevante aspecten voor de beoogde ontwikkeling zijn: waarborgen van de veiligheid , beschermen van waterbelangen , beschermen van de gezondheid en het milieu , landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed. De beoogde ontwikkeling is niet in strijd met de instructieregels (zie paragraaf 4. 1-4. 4 voor een nadere motivatie).
Conclusie Het beoogde project past binnen het Rijksbeleid.
3. 2. Provinciaal beleid Omgevingsvisie Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant geldt vanaf december 2018 de Omgevingsvisie Noord-Brabant. De Brabantse Omgevingsvisie bevat de ambities van de provincie Noord-Brabant voor de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving in de periode tot 2050 en zet in op het behouden en verdere ontwikkeling van een veilige , gezonde en duurzame fysieke leefomgeving. Daarbij richt de provincie zich op vier hoofdopgaven: De energietransitie ; Ontwikkeling van een Noord-Brabant dat om kan gaan met klimaatverandering ; Noord-Brabant als slimme netwerkstad ; Behouden en verder ontwikkelen van een concurrerende en duurzame economie. Energie en milieu Mede door de klimaatverandering dringt het besef door dat verduurzaming in de provincie Noord-Brabant noodzakelijk is. In toenemende mate wordt erkent dat er op een andere manier naar onze samenleving en economie moet worden gekeken en naar hoe die anders georganiseerd moet worden. Efficiënter en zorgvuldiger omgaan met energie , grondstoffen en natuurlijke hulpbronnen staat daarbij centraal. Er is een transitie noodzakelijk naar (vooral ook) decentrale opwekking van hernieuwbare energie , hergebruik van grondstoffen en energie-efficiëntie.
De provincie Noord-Brabant speelt een belangrijke rol bij de ruimtelijke keuzen die samenhangen met de opwekking van hernieuwbare energie en het bij elkaar brengen van partijen. Duurzame energiehuishouding De provincie Noord-Brabant wil een significante bijdrage leveren aan deze energietransitie. Eén van de ambities zijn om een duurzame energiehuishouding te realiseren: hernieuwbare energie voor iedereen beschikbaar en betaalbaar te houden. Een transitie die noodzakelijk is vanwege de klimaatverandering
en het opraken van fossiele grondstoffen. Als stip aan de horizon ziet de provincie een circulair , CO2-
neutraal Noord-Brabant. Energie-infrastructuur De huidige energie-infrastructuur in de provincie Noord-Brabant bestaat voor een belangrijk deel uit energienetwerken van elektriciteit en gas. Met de energietransitie zullen meer decentrale , kleine netwerken ontstaan , geënt op andere energiebronnen. Denk bij dit laatste bijvoorbeeld aan (hoge en lage temperatuur) warmte , biogas en hernieuwbaar opgewekte elektriciteit. Dit betekent dat aanpassing dan wel uitbreiding van zowel bovengrondse als ondergrondse energie-infrastructuur noodzakelijk is. Conclusie Met het beoogde project wordt bijgedragen aan de opgave van de energietransitie , dit is aldus in lijn met de Omgevingsvisie. Het beoogde project past binnen het beleid van de provincie Noord-Brabant.
3. 3 RES Metropoolregio Eindhoven RES staat voor Regionale Energie Strategie. Er zijn door de overheid 30 RES-regio’s benoemd waarbij provincies , waterschappen , gemeenten en organisaties gezamenlijk een RES opstellen waarin ze keuzes maken in de duurzame opwek van elektriciteit (zon en wind) en warmte. Het doel vanuit het Klimaatakkoord is dat Nederland in 2030 voor 35 terrawattuur (TWh) aan duurzame stroom gaat opwekken. De gemeente Best maakt onderdeel uit van de RES-regio Metropoolregio Eindhoven (hierna: ‘MRE’). De RES MRE 1. 0 is eind 2021 vastgesteld. De MRE heeft als einddoel om in 2050 klimaatneutraal te zijn. Als tussenstap wil de MRE uiterlijk in 2030 49% minder CO 2 uitstoten dan in 1990. Ook wil de MRE 2 TWh aan duurzame energie opwekken. Tot slot staat in RES 1. 0 dat uitbreiding van het elektriciteitsnet noodzakelijk is om ontwikkelingen in RES 1. 0 mogelijk te maken. De bouw van het een nieuw transportverdeelstation past binnen het beleid van de RES 1. 0.
Conclusie Met het beoogde project wordt bijgedragen aan de doelstellingen in de RES MRE 1. 0. Het beoogde project past binnen het beleid van RES MRE.
3. 4 Gemeentelijk beleid Deze paragraaf gaat in op het gemeentelijk beleid op het gebied van gezondheid , veiligheid , goede omgevingskwaliteit en duurzaamheid als centrale thema’s gekoppeld aan de maatschappelijke doelen uit artikel 1. 3 van de Omgevingswet. 3. 4. 1 Omgevingsvisie De gemeenteraad heeft op 8 mei 2023 de gewijzigde ‘Omgevingsvisie Best 2040: dorp van formaat’ vastgesteld (hierna: ‘de Omgevingsvisie’). De bouw van het transportverdeelstation is in overeenstemming met de doelen en uitgangspunten in de Omgevingsvisie. Enexis zal dat hierna toelichten.
Klimaatneutraal De gemeente Best heeft de ambitie om klimaatneutraal te zijn. 1 Om uiteindelijk te bereiken dat gemeente Best energieneutraal is houdt gemeente Best zich aan de afspraken die zijn gemaakt in het Nationale Klimaatakkoord. Een afspraak is dat in 2030 49 % minder Co2 wordt uitgestoten dan in 1990. 2 De gemeente Best wil grootschalig duurzame energie opwekken in het buitengebied. De gemeente geeft t. a. v. duurzame energie het volgende aan: Duurzame energie is er niet altijd en kan per moment van de dag of per seizoen verschillen. Daardoor is het aanbod niet altijd gelijk aan de vraag , of andersom. Dat heeft gevolgen voor de opwek van duurzame elektriciteit en hoe we onze warmtevraag in gaan vullen. Door de warmtevraag elektrisch in te vullen wordt de druk op het elektriciteitsnet vergroot. Dit kan in de toekomst leiden tot piekbelasting van het elektriciteitsnet , waardoor niet alle energie meer (aan)geleverd kan worden. 3 Het elektriciteitsnet in en rond de gemeente Best is vol. Zonder een verzwaring en uitbreiding van het elektriciteitsnet is de energietransitie niet mogelijk. Gemeente Best wil namelijk duurzame energie op wekken met zonnepanelen op daken en in velden gelegen in het buitengebied van Best. Deze kunnen , dan niet worden aangesloten op het elektriciteitsnet.
Het transportverdeelstation is dus cruciaal om de duurzaamheidsdoelen van de gemeente Best te kunnen halen. Daarnaast is in de Omgevingsvisie benoemd dat door de warmtevraag elektrisch in te vullen de druk op het elektriciteitsnet wordt vergroot. 4 Transitievisie warmte In de Transitievisie Warmte (TVW) is beschreven hoe de gemeente Best kan stoppen met het gebruik van aardgas. Dit doet ze niet alleen , maar onder andere met ons en woningbouwcorporaties. Woonbeleid Best 2024-2028 Uitgangspunt is dat de woningen in gemeente Best duurzaam zijn. De woningen dienen energieneutraal te worden en uitsluitend nog gevoed te worden met hernieuwbare energie zoals zon en wind. 5 Warmteprogramma 2024 De gemeente heeft één-op-één gesprekken gevoerd met Enexis. Deze hadden een informerend karakter over de stand van zaken van de warmtetransitie en een verkennend karakter over samenwerkingsmogelijkheden in de lokale warmtetransitie. De energietransitie komt in veel gevallen neer op extra elektrificatie. Dat is bijvoorbeeld het geval bij elektrische auto’s (in plaats van benzineauto’s) en elektrische verwarming (in plaats van aardgas). Daarnaast is er ruimte op het elektriciteitsnet nodig voor terug levering van particulier opgewekte energie met zonnepanelen op daken.
Op veel plekken in Nederland is de capaciteit van het elektriciteitsnet daarom onvoldoende om alle nieuwe ontwikkelingen te faciliteren. Netbeheerders (zowel van het
1 Omgevingsvisie , p. 85. 2 Omgevingsvisie , p. 85. 3 Omgevingsvisie , p. 86 4 Omgevingsvisie , p. 86.
5 Woonbeleid Best
2024-2028 , 4. 3. Thema: Duurzame woning en woonomgeving
hoogspannings-als netcapaciteit. 6
midden-en
laagspanningsnet) investeren
daarom
in de uitbreiding
van
de
Gelet op het vorenstaande zijn de ambities in het gemeentelijk beleid alleen mogelijk als het elektriciteitsnet wordt uitgebreid. Zonder een uitbreiding is er geen ruimte op het elektriciteitsnet om de ambities waar te maken. De bouw van het transportverdeelstation draagt dus bij aan het realiseren van de ambities van de gemeente Best.
Conclusie De gemeente Best zet zich in voor verduurzaming binnen de gemeente. Onderhavig project past binnen het gemeentelijk beleid en draagt bij aan het bereiken van gemeentelijke ambities voor de verduurzaming.
4.
TOETSING INSTRUCTIEREGELS
4. 1 Instructieregels & scope beoordeling Instructieregels Bkl In het Bkl zijn de Rijksinstructies opgenomen met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Afdeling 5. 1 van het Bkl bevat diverse instructieregels. Niet alle instructieregels in afdeling 5. 1 van het Bkl zijn relevant voor dit project. De instructieregels die in hoofdstuk 4 getoetst worden zijn: Waarborgen van de veiligheid (§ 5.1.2) ; Beschermen van waterbelangen (§ 5.1.3) ; Beschermen van gezondheid en milieu (kwaliteit buitenlucht , trillingen , geluid en geur en bodemkwaliteit) (§ 5.1.4) ; Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking (§ 5.1.5) ;
4. 2 Waarborgen van de veiligheid / externe veiligheid Deze paragraaf ziet op de vraag of bij de voorgenomen activiteit voldoende rekening is gehouden met de veiligheid van de omgeving (externe veiligheid). Als algemeen uitgangspunt geldt dat een brand , ramp of crisis dient te worden voorkomen , beperkt en te worden bestreden. Personen moeten zich in veiligheid kunnen brengen en de toegankelijkheid voor hulpdiensten moet zijn gewaarborgd (art 5. 1 Bkl). De rijksinstructies bevatten daarbij specifieke regels over het waarborgen van de veiligheid (§ 5. 1. 2 Bkl). Het gaat daarbij – kort gezegd- om de bescherming van personen in gebouwen en op locaties in de omgeving van een risicovolle activiteit. Als er sprake is van een risicovolle activiteit is er in de regel een onderzoek naar externe veiligheid nodig. Als risicovolle activiteiten zijn in het Bkl aangewezen: • Opslag , productie gebruik en vervoer gevaarlijke stoffen en windturbines (§ 5. 1. 2. 2 Bkl en bijlage VII). Hierbij gaat het om o. a. aardgas (tanken LPG) , opslaan van brandstoffen , & 6 Warmteprogramma
2024 , Actuele ontwikkelingen
•
• • •
ammoniak schaatsbanen) en opwekken van elektriciteit door drie windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 m. Buisleidingen gevaarlijke stoffen (§ 5. 1. 2. 3 Bkl jo. 3. 101 Bal) Hierbij gaat het – kort gezegd - om brandbare , explosieve of giftige stoffen of warmte , als onderdeel van het warmtenet. Veiligheid rond opslaan , herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik (§ 5. 1. 2. 4 Bkl) Veiligheid rond luchthavens (§ 5. 1. 2. 5 Bkl) Veiligheid van infrastructuur rond Seveso-inrichtingen (§ 5. 1. 2. Bkl)
Beoordeling De beoogde activiteit is niet aangewezen als risicovolle activiteit in de zin van het Bkl. Het te plaatsen bouwwerk voldoet daarbij aan de technische veiligheidseisen zoals opgenomen in het Bbl en er is geen belemmering voor hulpdiensten. Conclusie Het aspect ‘waarborgen van de veiligheid’ vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4. 3 Beschermen
van
waterbelangen
Deze paragraaf ziet op de vraag of met de voorgenomen activiteit voldoende rekening is gehouden met de gevolgen hiervan voor het beheer van watersystemen. Voor een duiding van de gevolgen wordt de opvatting van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van het betreffende watersysteem betrokken (art. 5. 37 Bkl). In Nederland zijn er verschillende bestuursorganen betrokken bij het waterbeheer. Waterbeheerders zijn: Rijkswaterstaat (voor o. a. primaire waterkeringen) , gedeputeerde staten (voor o. a. regionale vaarwegen en de kwaliteit van het grondwater in grondwaterbeschermingsgebieden) , de waterschappen (o. a. regionale wateren en zuivering stedelijk afvalwater) en gemeente (o. a. afvloeiend hemelwater , grondwaterstand en stedelijk afvalwater). Hieronder wordt kort toegelicht dat er voldoende rekening wordt gehouden met de waterbelangen van elke waterbeheerder. Rijkswaterstaat (RWS) In het Bkl zijn voor een aantal onderdelen specifieke regels vastgesteld. Dit gaat over primaire waterkeringen , de kust , de grote rivieren en het IJsselmeergebied. De projectlocatie ligt niet binnen een gebied dat in beheer is van het Rijk en de voorgenomen ontwikkeling heeft daarom geen invloed op de belangen van RWS. Waterschap De Dommel De beperkingengebieden in beheer bij het waterschap staan in de Waterschapsverordening van het betreffende waterschap.
Dit kan gaan om zowel oppervlaktewater als waterkeringen. Daarnaast gelden er algemene regels voor het aanbrengen van verharding , het onttrekken van grondwater en het lozen op het oppervlaktewater. In dit geval gaat het om het Waterschap De Dommel.
Uit de Waterschapsverordening Waterschap De Dommel 2024 en de kaart met beperkingengebieden m. b. t. een oppervlaktelichaam blijkt dat de projectlocatie niet binnen een beperkingengebied ligt dat in beheer is bij het Waterschap De Dommel. Als in het kader van de uitvoering grondwater wordt onttrokken voor bouwputbemaling dan worden de hiervoor geldende
maatregelen nageleefd. De Waterschapsverordening heeft in artikel 2.2 , vijfde lid , een omgevingsvergunningplicht voor het lozen van water in een oppervlaktewaterlichaam. In artikel 2.31 , derde lid , sub a , van de Waterschapsverordening staat dat er geen omgevingsvergunningplicht geldt voor het afvoeren van hemelwater naar een oppervlaktewaterlichaam als het verhard oppervlak met maximaal 500 m 2 toeneemt. Het transportverdeelstation zorgt voor een toename van 54 m 2 aan verharding. Daarnaast is er een verharde toegangsweg en liggen er grasbetontegels aan de voorzijde van het transportverdeelstation. De verharding neemt dus met minder dan 500 m 2 toe. Er geldt dus geen omgevingsvergunningplicht voor het afvoeren van hemelwater naar een oppervlaktewater. Provincie Noord-Brabant De provincie heeft vaarwegen in beheer. Daarnaast heeft de provincie de taak om de kwaliteit van het grondwater te beheren (artikel 2.18 , lid 1 onder c , Ow). Elke provincie stelt eigen regels over activiteiten binnen deze grondwaterbeschermingsgebieden. Tevens staan in de Omgevingsverordening regels over grondwatersanering en de ontgrondingsactiviteit. De beoogde ontwikkeling ligt niet een beperkingengebied en daarbij is er geen sprake van grondwatersanering of een ontgrondingsactiviteit. De belangen van de provincie als waterbeheerder worden niet geschaad.
Gemeente Best Gemeenten zijn verantwoordelijk voor een goed grondwaterpeil. Gemeenten kunnen regels opnemen in een Hemelwaterverordening of het omgevingsplan. Algemeen uitgangspunt inzake hemelwater is dat deze niet in het riool komt maar in het lokale milieu. Bij hemelwater afkomstig van het transportverdeelstation is dit het geval. In de omgevingsverordening zijn regels opgenomen over hemelwater. Hemelwater afkomstig van het transportverdeelstation lijkt niet in strijd met het omgevingsplan Best. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4. 4 Gezondheid en milieu Deze paragraaf ziet op de vraag of bij de voorgenomen activiteit voldoende rekening is gehouden met de gevolgen hiervan voor de gezondheid en het milieu.
Instructieregels De rijksinstructieregels voor ETFAL zien toe op: Kwaliteit van de buitenlucht (§ 5. 1. 4. 1) Geluid door activiteiten (§ 5.1.4.2) , waaronder: o Geluid door industrieterreinen o Geluid door wegen , spoorwegen , industrieterreinen o Geluid door industrieterreinen met geluidproductieplafonds als omgevingswaarden Trillingen (§ 5. 1. 4. 4) Bodemkwaliteit (§ 5. 1. 4. 5) Geur (§ 5. 1. 4. 6) Volledigheidshalve wordt tot slot ingegaan op het onderwerp elektromagnetische velden (EMV). In deze onderbouwing wordt niet ingegaan op aspecten die niet relevant kunnen zijn bij een transportverdeelstation. Hieronder vallen bijvoorbeeld aspecten zoals endotoxinen en spuitzones omdat die alleen relevant zijn bij agrarische bedrijven.
4. 4. 1 Luchtkwaliteit Deze paragraaf ziet op de vraag of bij de voorgenomen activiteit voldoende rekening is gehouden met de gevolgen hiervan voor de luchtkwaliteit. Instructieregels In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn in paragraaf 5. 1. 4. 1 Bkl instructieregels opgenomen voor luchtkwaliteit in verband met de aanleg of wijziging van wegtunnels en auto(snel)wegen (art. 5. 50 Bkl) en op de aanleg of wijziging van wegen , vaarwegen en spoorwegen of activiteiten die zorgen voor een toename van de verkeersintensiteit op wegen , vaarwegen en spoorwegen (art. 5. 51 Bkl). Een locatie waartoe het publiek geen toegang heeft en waar geen vaste bewoning plaatsvindt is uitgezonderd van de regels (art. 5. 52 Bkl). Beoordeling De locatie van de beoogde activiteit is niet publiek toegankelijk en er vindt ook geen bewoning plaats. Gelet hierop bestaat er geen belemmering op grond van de luchtkwaliteit. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4. 4. 2 Geluid Deze paragraaf ziet op de vraag of bij de voorgenomen activiteit voldoende rekening is gehouden met de gevolgen hiervan voor het geluid. In het Bkl zijn in paragraaf 5. 1. 4. 2 Bkl instructieregels opgenomen voor geluid. Het uitgangspunt is dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het geluid door activiteiten op geluidsgevoelige gebouwen (art. 5. 59 Bkl). Het transportverdeelstation zelf is geen geluidgevoelig gebouw. Wel moet inzichtelijk worden gemaakt of de omgeving hinder gaat ondervinden als gevolg van het initiatief. Op het dak van het transportverdeelstation zijn standaard twee airco installaties geplaatst.
Geluidsnormen omgevingsplan Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet (01-01-2024) staan van rechtswege geluidsnormen in het omgevingsplan , deze zijn standaard opgenomen in sub paragraaf 22. 3. 4. 2. In artikel 22. 63 Omgevingsplan en tabel 22. 3. 1 van het omgevingsplan zijn de volgende waarden vastgesteld voor geluid op een geluidgevoelig gebouw: Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit op een geluidgevoelig gebouw , niet hoger dan de waarde , bedoeld in tabel 22. 3. 1. Tabel 22. 3. 1 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw 07. 00 – 19. 00 19. 00 – 23. 00 23. 00 – 07. 00 uur
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LArLT , als gevolg 50 dB(A) van activiteiten. Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten. 70 dB(A)
uur
uur
45 dB(A)
40 dB(A
65 dB(A)
60 dB(A)
Activiteiten en milieuzonering 2024 Op 17 oktober 2024 is de nieuwe VNG-handreiking Activiteiten en milieuzonering (hierna: nieuwe Handreiking) gepubliceerd , ter vervanging van de eerdere handreikingen Bedrijven en milieuzonering (2009) en Milieuzonering nieuwe stijl. De nieuwe Handreiking bevat in bijlage A5 een indicatieve lijst met activiteiten , waarin per activiteit de verwachte geluid- en geurbelasting is weergegeven. De activiteiten van Enexis vallen onder categorie CO , specifiek Productie en distributie van stroom , aardgas , stoom en warm water. Binnen deze categorie richt de beoordeling zich op subcategorie C01: Elektriciteitsdistributiebedrijven met transformatorvermogen. Voor de beoordeling van de ruimtelijke inpasbaarheid kan gebruik worden gemaakt van de transponeringstabel zoals opgenomen in de Nieuwe Handreiking. In onderstaande tabel zijn de oude richtafstanden opgenomen in relatie tot het transformatorvermogen , evenals de corresponderende positie in de nieuwe handreiking en transponeringstabel. De afstanden worden gemeten vanaf de grens van de locatie waar de activiteit wordt verricht (hekwerk of de uiterste begrenzing van de bebouwing) tot aan de grens van het gebied waar geluidgevoelige gevels (woningen , scholen en zorginstellingen) staan of gebouwd mogen worden , al dan niet vergunningsvrij.
Het transportverdeelstation heeft een vermogen van < 10 MVA en valt dus onder milieucategorie 2. Daarnaast ligt de projectlocatie in de nabijheid van woningen. Onderstaande uitsnede uit het bestemmingsplan ‘’ laat dit zien.
Figuur 6 Uitsnede bestemmingsplan Salderes 2010 Voor een bedrijf in milieucategorie 2 dat in de nabijheid van een rustige woonwijk ligt , geldt een richtafstand van 30 meter tot een geluidsgevoelige functie.
Het transportverdeelstation zelf bevat geen geluidsbronnen omdat er geen transformator wordt geplaatst. Echter , er staan twee airco’s op het dak die wél geluid produceren. De airco’s hebben een bronvermogen van 63 dB(A). De dichtstbijzijnde woonwijk ligt op een afstand van ongeveer 60 meter afstand van het transportverdeelstation. Aan de overzijde van het geplande transportverdeelstation aan de andere kant van de Hokkelstraat is een skatepark gesitueerd. Bij een dergelijke afstand zullen de twee airco’s minder dan 40 dB(A) geluidbelasting op de woningen produceren. De richtafstand voor het transportverdeelstation is namelijk 30 meter. Enexis gebruikt bij de geluidsberekening de opgestelde standaard door Peutz. Het beoogde TVS voldoet hieraan. De beoogde ontwikkeling vormt op het onderdeel geluid dan ook geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De beoogde ontwikkeling vormt op het onderdeel geluid dan ook geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voldaan wordt aan zowel de geluidsnormen in het omgevingsplan als de systematiek van milieuzonering.
Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4. 4. 3 Trillingen Deze paragraaf ziet op de vraag of bij de voorgenomen activiteit voldoende rekening is gehouden met de gevolgen hiervan voor trillingen. Instructieregels In het Bkl zijn in paragraaf 5. 1. 4. 4 Bkl instructieregels opgenomen voor trillingen. Het uitgangspunt is dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen (art. 5. 83 Bkl). Een trillinggevoelig gebouw is een gebouw met een woonfunctie ; onderwijsfunctie , gezondheidszorgfunctie of bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied (5. 80 Bkl). Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet (01-01-2024) staan van rechtswege trillingsnormen in het omgevingsplan , deze zijn standaard opgenomen in paragraaf 22. 3. 5. van de planregels. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. In art. 5. 87a van het Bkl zijn standaardwaarden voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen. Beoordeling In onderhavig project worden geen activiteiten verricht die herhaalde of continue trillingen veroorzaken in een trilling gevoelige ruimte van een trilling gevoelig gebouw. Het transportverdeelstation zelf is geen trillinggevoelig gebouw. Conclusie Het initiatief behelst geen activiteiten die continue trillingen veroorzaken in een trilling gevoelige ruimte van een trilling gevoelig gebouw.
Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4. 4. 4 Bodemkwaliteit Deze paragraaf ziet op de vraag of bij de voorgenomen activiteit voldoende rekening is gehouden met de gevolgen hiervan voor de bodem. Op verschillende plekken in de Omgevingswet zijn regels te vinden over de bodem. Er gelden instructieregels over bodemkwaliteit vanuit het Bkl waar het initiatief aan dient te voldoen. Instructieregels De rijksinstructieregels over bodemkwaliteit staan in paragraaf 5. 1. 4. 5 Bkl , onder meer over het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie (§ 5. 1. 4. 5. 1). De instructieregels uit § 5. 1. 4. 5. 1 Bkl zijn alleen van toepassing op bodemgevoelige gebouwen. Van een bodemgevoelig gebouw is alleen sprake voor zover het aannemelijk is dat personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten in het gebouw aanwezig zullen zijn. Beoordeling Het transportverdeelstation is niet geschikt voor menselijk verblijf. Het transportverdeelstation is geen gebouw waar mensen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Enkel in het kader van onderhoud zullen er incidenteel mensen aanwezig zijn in het transportverdeelstation. De instructieregels uit het Bkl zijn daarmee niet van toepassing op het project. Bodemonderzoek Op 3 april 2026 heeft Haskoning een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het bodemonderzoek is als bijlage bijgevoegd.
Uit het bodemonderzoek blijkt dat zowel de grond als het grondwater op de projectlocatie niet verontreinigd is. Bij het uitvoeren van de beoogde ontwikkeling zal worden voldaan aan de regels voor de milieubelastende activiteit met betrekking tot graven in de landbodem onder interventiewaarde voor bodemkwaliteit.
Conclusie Het aspect ‘bodem’ vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4. 4. 5 Geur Deze paragraaf ziet op de vraag of bij de voorgenomen activiteit voldoende rekening is gehouden met de gevolgen hiervan voor het onderdeel geur. Instructieregels In het Bkl zijn in paragraaf 5. 1. 4. 6 Bkl instructieregels opgenomen voor geur. Het uitgangspunt is dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen (art. 5. 92 Bkl). Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet (01-01-2024) staan van rechtswege geurregels in het omgevingsplan , deze zijn standaard opgenomen in paragraaf 22. 3. 6. De regels gelden voor activiteiten die geur veroorzaken door landbouwhuisdieren en paarden en pony’s te berijden in een dierenverblijf , geur als gevolg van overige agrarische activiteiten en geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken.
Beoordeling Het transportverdeelstation is geen geurgevoelig gebouw , daarbij veroorzaakt het transportverdeelstation ook geen geurhinder. Verder blijkt uit de kaart van OMGEVINGSDIENST dat in de omgeving van het projectgebied de achtergrondbelasting van geur als goed wordt gekwalificeerd. Conclusie Het aspect ‘geur’ vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4. 4. 6 Elektromagnetische velden (EMV) In beginsel is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als aan de instructieregels van hoofdstuk 5 Bkl is voldaan. Volledigheidshalve besteden we in onderstaande paragraaf aandacht aan het onderwerp Elektromagnetische velden. EMV komen overal voor. EMV ontstaan bij het opwekken , transporteren en gebruiken van elektriciteit. Deze ontstaan bij hoogspanningslijnen , kabels en elektriciteitsstations , maar ook bij het gebruik van huishoudelijke apparaten zoals een stofzuiger , scheerapparaat en waterkoker. Een EM-veld ziet op een gebied rondom apparaten , kabels en elektriciteitsstations waarbinnen elektromagnetische straling meetbaar is. Deze mag niet hoger zijn dan een Europees vastgestelde limiet. Deze limiet is 100 microtesla. Enexis zorgt ervoor dat de sterkte van de EM-velden buiten het stationsterrein altijd beneden deze waarde blijft. Op 18 juli 2023 is er tussen Netbeheer Nederland en de minister van Klimaat en Energie een convenant gesloten over het nemen van proportionele bronmaatregelen die zien op het realiseren van nieuwe netcomponenten , waaronder op hoog- en middenspanningstations. Enexis past de genoemde bronmaatregelen uit dit convenant toe bij de bouw van het transportverdeelstation ter beperking van magneetvelden. Conclusie Het aspect ‘EMV’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4. 5 Landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed Deze paragraaf ziet op de vraag of bij de voorgenomen activiteit voldoende rekening is gehouden met de gevolgen hiervan voor de landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed. De rijksinstructieregels voor ETFAL zien – voor zover van belang – toe op: Ladder voor duurzame verstedelijking (§ 5. 1. 5. 4 Bkl) Cultureel en werelderfgoed (§ 5. 1. 5. 5 Bkl)
4. 5. 1 Ladder voor duurzame verstedelijking De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand (§ 5. 1. 5. 4). De ladder voor duurzame verstedelijking is van toepassing op een
stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein , een zeehaventerrein , een woningbouwlocatie , kantoren , een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft reeds overwogen dat de realisatie van een transformatorstation , gelet op de Nota van Toelichting bij het Besluit ruimtelijke ordening en de strekking van de regeling die mede gericht is op het tegengaan van leegstand , niet kan worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling. 7 Er is , mede gelet op de ligging buiten de dorpskern en de geringe oppervlakte , geen aanleiding te veronderstellen dat deze jurisprudentielijn onder de Omgevingswet wordt verlaten. Conclusie Het aspect ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4. 5. 2 Cultureel erfgoed en werelderfgoed Deze paragraaf ziet op de vraag of bij de voorgenomen activiteit voldoende rekening is gehouden met het behoud van cultureel erfgoed. Instructieregels Deze paragraaf ziet op de vraag of bij de voorgenomen activiteit voldoende rekening is gehouden met het behoud van cultureel erfgoed. In § 5. 1. 5. 5 Bkl zijn instructieregels opgenomen voor cultureel erfgoed. Het gaat daarbij – onder andere – om het voorkomen van aantasting van: 1) rijksmonumenten ; (2) beschermde stads- of dorpsgezichten of beschermde cultuurlandschappen ; (3) , archeologische monumenten ; (4) verrichten van archeologisch onderzoek (bij meer dan 100 m 2 niet van toepassing , tenzij anders is bepaald) en (5) behoud van werelderfgoed. Beoordeling Uit het omgevingsplan gemeente Best volgt dat de locatie geen rijksmonument is , niet ligt in beschermde stads- of dorpsgezichten of beschermde cultuurlandschappen , geen archeologisch monument is en niet behoort tot het werelderfgoed. Volgens het paraplubestemmingsplan Parkeernormen en Archeologie zijn de gronden mede bestemd voor instandhouding en bescherming van de in de grond aanwezige archeologische waarden. In artikel 6.
2 van het paraplubestemmingsplan is bepaald dat er op de gronden uitsluitend bouwplannen mogen worden opgericht ten behoeve van de op deze gronden liggende bestemming(en) met een maximale oppervlakte van 500 m2. Het beoogde transportverdeelstation blijft onder de 500 m2.
4. 5. 3 Omgevingskwaliteit Bij omgevingskwaliteit speelt een rol of de bebouwing aansluit op de directe omgeving in het plangebied. Landschappelijke inpassing Het station ligt op een stuk grond dat is bedekt met gras.
7 ABRvS 26 april 2017 , ECLI:NL:RVS:2017:1123 en ECLI:NL:RVS:2017:1724.
Welstand De Welstandsnota van de gemeente Best is van toepassing op de projectlocatie. Beoordeling Het transportverdeelstation is beoordeeld door de ‘Commissie Ruimtelijke Kwaliteit’ van de gemeente De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit heeft getoetst aan de Welstandsnota van de gemeente. De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit staat niet negatief tegenover de aanvraag. Conclusie Het aspect omgevingskwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4. 6 Verkeer en mobiliteit De invloed van het project op de verkeer- en vervoersbewegingen in de omgeving kan een rol spelen bij de beoordeling of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (zie bijv. : ECLI:NL:RBGEL:2024:2827). Hieronder vallen eveneens de invloed van het initiatief op de parkeerdruk en de verkeersveiligheid in de omgeving. Beoordeling Voor parkeren heeft de gemeente Best de nota parkeernormen 2022. Het uitgangspunt van deze beleidsregel is onder meer dat Enexis als initiatiefnemer verantwoordelijk is voor het realiseren van de eigen parkeeroplossing. Daarnaast is een uitgangspunt dat het bouwinitiatief geen overlast mag veroorzaken. Na plaatsing van het transportverdeelstation zullen er geen personen aanwezig op de locatie. Het kan echter sporadisch voorkomen dat werknemers in dienst van Enexis onderhoud moeten plegen of reparatie werkzaamheden dienen uit te voeren.
Conclusie Het aspect ‘verkeer’ vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4. 7 Instructieregels Omgevingsverordening Noord-Brabant Op grond van de omgevingsverordening Noord-Brabant geldt de algemene instructieregel van artikel 5. 7 (zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit). Een omgevingsplan en een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit geven bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties invulling aan een veilige gezonde leefomgeving met een goede leefomgevingskwaliteit. Daartoe wordt krachtens lid 2 van artikel 5. 7 toepassing gegeven aan • Algemeen belang als bedoeld in artikel 5. 5 • Zorgvuldig ruimtegebruik als bedoeld in artikel 5. 8 • De lagenbenadering als bedoeld in artikel 5. 9 en • Meerwaardecreatie als bedoeld in artikel 5. 10. De bouw van het transportverdeelstation is in overeenstemming met de uitgangspunten in artikel 5. 5 5.8 , 5. 9 en 5. 10 van de Omgevingsverordening.
Artikel 5. 5 van de Omgevingsverordening bepaalt dat een omgevingsplan een bouw- of gebruiksactiviteit mogelijk kan maken buiten bestaand ruimtebeslag als dit vanuit het algemeen belang nodig is voor: het transporteren en leveren van energie , gas of water. Artikel 5. 8 lid 1 sub a van de Omgevingsverordening bepaalt dat ‘zorgvuldig ruimtegebruik’ inhoudt dat een ontwikkeling plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag. De projectlocatie ligt binnen bestaand ruimtelijk gebied , waardoor het project voldoet aan artikel 5. 8 van de Omgevingsverordening. Artikel 5. 9 lid 1 van de Omgevingsverordening bepaalt: “Het toepassen van de lagenbenadering biedt inzicht in: a. welke effecten een ontwikkeling heeft op de lagen afzonderlijk , de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd ; en b. hoe negatieve effecten worden voorkomen. ” Artikel 5. 9 lid 2 van de Omgevingsverordening bepaalt: “Voor de toepassing van het eerste lid worden de volgende lagen onderscheiden: a. de ondergrond , zoals het bodem- en watersysteem , aardkundige- en archeologische waarden ; b. de netwerklaag , zoals natuurnetwerk , energienetwerk , infrastructuur inclusief waterwegen , en een goede , multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer ; en c.
de bovenste laag , zoals cultuurhistorische- en landschappelijke waarden , de omvang van de functie en de bebouwing , de effecten op bestaande en toekomstige functies , de effecten op lucht , milieu , veiligheid en een gezonde leefomgeving. ” De bouw van het transportverdeelstation heeft geen gevolgen voor de aardkundige of archeologische waarden. Op de projectlocatie zijn geen aardkundige waarden aanwezig en het project is in overeenstemming met de archeologische dubbelbestemming. Ook draagt het transportverdeelstation bij aan de netwerklaag. Het transportverdeelstation breidt namelijk het energienetwerk uit. Ook tast de bouw van het transportverdeelstation het natuurnetwerk niet aan. Dit staat verder uitgelegd in par. 6. 2 van deze onderbouwing. Tot slot zijn er geen cultuurhistorische en landschappelijke waarden aanwezig op de projectlocatie. Enexis onderbouwt verderop in de BOPA dat deze onderbouwing van het transportverdeelstation geen gevolgen heeft voor de lucht , milieu , veiligheid , en de gezonde leefomgeving. Artikel 5. 10 bepaalt dat ‘meerwaardecreatie’ een evenwichtige benadering van de economische , ecologische , en sociale aspecten in een gebied bij een ontwikkeling zijn betrokken. De bouw van het transportverdeelstation is een goede afweging van economische en ecologische aspecten.
Het transportverdeelstation draagt bij aan de economie in de gemeente Best doordat het elektriciteitsnet wordt uitgebreid en meer bedrijven op het elektriciteitsnet kunnen worden aangesloten. Daarnaast heeft Enexis ecologisch onderzoek laten doen. Uit het ecologische onderzoek blijkt dat de bouw van het transportverdeelstation geen afbreuk doet aan de verplichtingen rondom soortenbescherming en gebiedsbescherming.
Met opmerkingen [Kv1]: Wachten op ecologisch onderzoek
5.
TOETSING VOORBESCHERMINGSREGELS
Rijks instructies – voorbeschermingsregels – projectbesluit Artikel 8. 0b Bkl bepaalt dat een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt geweigerd als de omgevingsplanactiviteit zou leiden tot een situatie die niet is toegelaten op grond van een instructie , of als deze betrekking heeft op een voorbeschermingsregel in het omgevingsplan , of als door de activiteit het uitvoeren van een project waarvoor een rijks projectbesluit is vastgesteld , zou worden belemmerd. Beoordeling Het omgevingsplan gemeente Best bevat voorbeschermingsregels Rijk met betrekking tot Hyperscale datacentra. De ontwikkeling die deze BOPA mogelijk maakt , valt niet onder de reikwijdte van deze voorbeschermingsregels. Provinciale instructies – voorbeschermingsregels – projectbesluit Artikel 8. 0b Bkl bepaalt dat een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt geweigerd als de omgevingsplanactiviteit zou leiden tot een situatie die niet is toegelaten op grond van een instructie of een –regel , of als deze betrekking heeft op een voorbeschermingsregel in het omgevingsplan , of als door de activiteit het uitvoeren van een project waarvoor een provinciaal projectbesluit is vastgesteld , zou worden belemmerd.
Beoordeling Het omgevingsplan gemeente Best bevat voorbeschermingsregels vanuit de provincie met betrekking tot mobiele verontreinigingssituaties , grootschalige logistiek en verbod veehouderij. De regels betreffende grootschalige logistiek en veehouderij zijn niet relevant voor het beoogde transportverdeelstation. Het is op grond van artikel 2.1 , eerste lid , sub b , van de voorbeschermingsregels verboden om een bouwactiviteit te verrichten zonder voorafgaand bodemonderzoek. Enexis heeft een historisch bodemonderzoek (datum 3 april 2026) laten uitvoeren waaruit blijkt dat het projectgebied niet verdacht is op bodemverontreiniging. Er is daarom geen sprake van een verbod op grond van artikel 2.1 , eerste lid , sub b , van de voorbeschermingsregels om het transportverdeelstation te bouwen.
Conclusie Het beoogde project past binnen de voorbeschermingsregels van de Rijksoverheid en de provincie Noord-Brabant.
6.
UITVOERBAARHEID
Onder de wetgeving vóór de Omgevingswet gold op grond van art. 5. 20 Bor jo , 3. 1. 6 Bro en de jurisprudentie dat in de toelichting/onderbouwing van een plan c. q omgevingsvergunning (2.12 , eerste lid , onder a , onder 3° Wabo) moet worden ingegaan op de inzichten over de uitvoerbaarheid van een plan/project. Onder de Omgevingswet zijn deze bepalingen niet teruggekomen. Uit de toelichting van
de wetgever valt op te maken dat er geen sprake zou zijn van ETFAL indien op voorhand aannemelijk is dat een activiteit niet kan worden uitgevoerd. Een evenredige belangenafweging (art. 3:4 , tweede lid Awb) kan hierbij ook een rol spelen. 8 Gelet hierop worden in deze paragraaf op enkele aspecten met betrekking tot de uitvoerbaarheid ingegaan.
6. 1 mer- (beoordelings-)plicht De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (mer) is opgenomen in afdeling 16. 4 Ow en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Het aanwijzen van mer. -(beoordelings-) plichtige projecten vindt plaats op basis van artikel art. 16. 43 Ow en art. 11. 6 Omgevingsbesluit en Bijlage V van het Omgevingsbesluit. Beoordeling Eén van de in bijlage V genoemde categorieën betreft de Energie-industrie (categorie C) , hieronder vallen onder andere: thermische centrales en andere verbrandingsinstallaties voor de productie van elektriciteit , stoom of warm water ; Windparken ; Kerncentrales en andere kernreactoren ; Installaties voor de productie of verijking van splijtstoffen. Enexis is een netbeheerder en produceert geen elektriciteit. De beoogde ontwikkeling valt niet onder één van de onder C aangewezen categorieën. Het project valt evenmin onder categorie J , infrastructuur en ruimte. Meer specifiek niet onder categorie J8 , de aanleg of wijziging van hoogspanningsleidingen , deze aanvraag ziet immers op de bouw van een transportverdeelstation voor het middenspanningsnet. De beoogde ontwikkeling valt evenmin onder categorie J10 – Industrieterrein. Dat is het geval als de ontwikkeling zou inhouden dat er sprake is van een gelijktijdig ingeschakeld vermogen van meer dan 200MVA (artikel 2.
11a Ow in combinatie met artikel 5.78b , lid 1 onder c Bkl). Een dergelijke ontwikkeling kan alleen worden mogelijk gemaakt door wijziging van het omgevingsplan. Er zou dan sprake zijn van een mer. -beoordelingsplicht (kolom 3) , waarvoor een mededeling/aanmeldnotitie moet worden gedaan (zie artikel 16. 45 jo 11. 10 Ob). In voorliggende ontwikkeling is dit niet aan de orde. De beoogde ontwikkeling valt tot slot niet onder categorie J11 – ‘stedelijk ontwikkelingsproject , met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen’. Uit jurisprudentie blijkt dat het begrip ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ ruimte voor interpretatie laat. Echter , niet iedere wijziging of uitbreiding binnen een stedelijke context kan automatisch worden beschouwd als een wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject. Dit hangt af van de concrete omstandigheden , zoals de aard en omvang van de beoogde wijziging of uitbreiding. Uit de toelichting volgt dat stedelijke ontwikkelingsprojecten doorgaans betrekking hebben op bouwprojecten zoals woningen , parkeerterreinen , bioscopen , theaters , sportcentra , kantoorgebouwen en vergelijkbare voorzieningen , of een combinatie daarvan. 9 Dergelijke projecten hebben een verkeersaantrekkende werking , wat niet het geval is bij het onderhavige project , zoals aangegeven in 8 Nota van Toelichting Omgevingsbesluit
Stb 2018 , 290 , paragraaf 3. 2. 4. 3
paragraaf 4. 6. De milieugevolgen van het project hebben vooral betrekking op geluid , wat ook dient te worden meegewogen bij de beoordeling van de aanvraag. Daarbij is de omvang van het project , gelet op oppervlakte van 54 m 2 , beperkt. Er is dan ook geen sprake van een stedelijk ontwikkelingstraject. Conclusie Van een mer. (-beoordelings-)plicht is geen sprake.
6. 2 Natuur Er gelden op grond van het Bal wel verbodsbepalingen voor het onderdeel natuur. Het gaat om activiteiten die mogelijk gevolgen hebben voor Natura 2000-gebieden of bijzondere nationale natuurgebieden (afdeling 11. 1 Bal) , activiteiten met betrekking tot dieren en planten in het wild (afdeling 11. 2 Bal) en activiteiten die houtopstanden , hout en houtproducten betreffen (afdeling 11. 3 Bal). Deze regels kunnen het project kennelijk onuitvoerbaar maken , wat de afgifte van een Bopa in de weg staat.
6. 2. 1 Gebiedsbescherming De aanwijzing van is geregeld in paragraaf 2. 6. 3 van de Omgevingswet (Ow). Natura 2000-gebieden , Natuurnetwerk Nederland , Provinciale natuurgebieden en provinciale landschappen. Natura 2000-gebieden Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Kemperland West. Het gebied ligt op ongeveer 10 kilometer afstand van de projectlocatie. Beoordeling Gelet op de afstand tussen de projectlocatie en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied valt uit te sluiten dat de uitvoering van dit project een negatieve invloed heeft in de zin van geluids- , licht- of trillingshinder op dit Natura 2000-gebied. Enexis heeft op 20 februari 2026 de stikstofdepositie berekend voor de bouwfase van het transportverdeelstation. Uit de berekening volgt dat er geen stikstofdepositie plaatsvindt op stikstofgevoelige natuurgebieden. Een negatief effect is daarmee uitgesloten. Deze berekening en de toelichting op de berekening zijn in de bijlagen opgenomen. De berekening is alleen opgesteld voor de bouwfase. In de gebruiksfase stoot het transportverdeelstation geen stikstof uit en zal het transportverdeelstation een enkele verkeersbeweging per jaar genereren voor eventueel onderhoud. De stikstofuitstoot in de gebruiksfase is dus verwaarloosbaar en daarom niet meegenomen in de berekening.