CConstaterende datBest
Koppel je AI →
Document · PDF

26017.13 - Historich bodemonderzoek Hallenweg

Raadsvergadering 15 juni 2026, gemeente BestBij agendapunt: AANVULLENDE STUKKEN ONTVANGEN OP 8-6-2026:3.933 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

RAPPORT Historisch bodemonderzoek realisatie transportverdeelstation Hallenweg te Best

Klant:

Enexis BV

Referentie:

BK8988-MI-RP-260403-1347

Status:

Definitief/1.0

Datum:

3 april 2026

Projectgerelateerd

HASKONING NEDERLAND B.V.

Philitelaan 57 5617 AK Eindhoven Netherlands Mobility & Infrastructure Trade register number: 56515154 E-mail: info@haskoning.com Website: haskoning.com

Titel document:

Historisch bodemonderzoek realisatie transportverdeelstation Hallenweg te Best

Ondertitel: Referentie: Uw kenmerk Status: Datum: Projectnaam: Projectnummer: Auteur(s):

BK8988-MI-RP-260403-1347 Definitief/1.0 3 april 2026 Enexis BK8988 LGe

Gecontroleerd door:

HPe

Datum:

3 april 2026

Goedgekeurd door:

JV

Datum:

3 april 2026

Classificatie:

Projectgerelateerd

Behoudens andersluidende afspraken met de Opdrachtgever, mag niets uit dit document worden verveelvoudigd of openbaar gemaakt of worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het document is vervaardigd. Haskoning Nederland B.V. aanvaardt geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor dit document, anders dan jegens de Opdrachtgever. Let op: dit document bevat mogelijk persoonsgegevens van medewerkers van Haskoning Nederland B.V. Voordat publicatie plaatsvindt (of anderszins openbaarmaking), dient dit document te worden geanonimiseerd of dient toestemming te worden verkregen om dit document met persoonsgegevens te publiceren. Dit hoeft niet als wet- of regelgeving anonimiseren niet toestaat. Dit document kan zijn opgesteld met behulp van kunstmatige intelligentie (AI); alle door AI gegenereerde inhoud is beoordeeld en gevalideerd door onze experts. 3 april 2026

BK8988-MI-RP-260403-1347

ii

Projectgerelateerd

Inhoud 1

Inleiding en doel

1

1.1

Aanleiding

1

1.2

Doel

1

2

Vooronderzoek conform NEN 5725

3

2.1

Vooronderzoek landbodem

3

2.1.1

Bronnen

3

3

Voormalig en huidig gebruik

4

3.1

Voormalig gebruik

4

3.2

Huidig gebruik

5

3.3

Toekomstig gebruik

5

4

Bodemopbouw en geohydrologie

6

4.1

Regionale bodemopbouw

6

4.2

Grondwaterhuishouding

6

5

Beschikbare bodemkwaliteitgegevens

8

5.1

Bodembeleid

8

5.2

Beschikbare bodemkwaliteitsgegevens

10

5.3

Voormalige stortplaatsen

10

5.4

Asbest

11

6

Beantwoording onderzoeksvragen vooronderzoek

12

7

Conclusie en Aanbevelingen

14

3 april 2026

BK8988-MI-RP-260403-1347

iii

Projectgerelateerd

1

Inleiding en doel

1.1

Aanleiding

De aanleiding voor het uitvoeren van een vooronderzoek wordt gevormd door de voorgenomen realisatie van een transportverdeelstation door Enexis Netbeheer B.V ter plaatse van de Hallenweg te Best. Een transportverdeelstation is een belangrijk onderdeel van het elektriciteitsnet. Het vormt de schakel tussen het hoogspanningsnet en het regionale of lokale middenspanningsnet. De locatie van het transportverdeelstation is weergegeven in figuur 1.1. De locatie heeft een oppervlakte van circa 200m².

Figuur 1.1: aanduiding van het transportverdeelstation

Bij de uitvoering van bovenstaande is grondverzet noodzakelijk. Voor het grondverzet is het vanuit verschillende wettelijke kaders (o.a. Omgevingswet 2024 en arbo wetgeving) nodig om inzicht te krijgen in de milieuhygiënische kwaliteit van de ontvangende en vrijkomende bodem, de aanwezigheid van (potentieel) bodembedreigende activiteiten, de bruikbaarheid van de beschikbare bodemkwaliteitskaart(en) en het inschatten van de arbeidshygiënische risico’s. Om een eerste inzicht te krijgen of de projectlocatie verdacht is op het voorkomen van een bodemverontreiniging heeft Haskoning opdracht gekregen van Enexis voor het uitvoeren van een vooronderzoek conform de NEN 5725:2023 nl Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek. De resultaten van het vooronderzoek zijn uitgewerkt in deze rapportage.

1.2

Doel

Het doel van het vooronderzoek is het in beeld brengen van eventuele verdachte locaties en bronnen van bodemverontreinigingen (puntbronnen) in de bodem. Aan de hand hiervan wordt bepaald of, en in welke mate, bodemonderzoek verricht moet worden om het voorgenomen grondverzet te kunnen realiseren. Tijdens het vooronderzoek wordt informatie verzameld over het gebruik van de locatie, calamiteiten, eerder uitgevoerde bodemonderzoeken, de bodemgesteldheid en de geohydrologische situatie van het projectgebied. 3 april 2026

BK8988-MI-RP-260403-1347

1

Projectgerelateerd

Voor het verkrijgen van deze informatie zijn allerhande informatiebronnen geraadpleegd, zoals literatuur, online geraadpleegde open data, eerder uitgevoerde (bodem)onderzoeken en eventuele milieu- en vergunningendossiers. Het vooronderzoek conform NEN 5725 vormt het uitgangspunt voor eventueel uit te voeren verkennend milieukundig bodemonderzoek conform NEN 5740 (naar de chemische kwaliteit van de grond en het grondwater), nader bodemonderzoek conform de NTA 5755 (naar de mate en omvang van chemische bodemverontreiniging) en/of verkennend of nader onderzoek conform NEN 5707 (naar asbest in de grond).

3 april 2026

BK8988-MI-RP-260403-1347

2

Projectgerelateerd

2

Vooronderzoek conform NEN 5725

2.1

Vooronderzoek landbodem

Afhankelijk van de aanleiding voor het verrichten van vooronderzoek moet antwoord worden verkregen op een aantal onderzoeksvragen. De onderzoeksvragen zijn afhankelijk van de aanleidingen voor het vooronderzoek. In de NEN 5725 zijn acht aanleidingen voor het uitvoeren van vooronderzoek naar landbodems geformuleerd (A t/m H). Er kan sprake zijn van een combinatie van verschillende aanleidingen voor een vooronderzoek. In dat geval moeten voor elke afzonderlijke aanleiding de onderzoeksvragen worden beantwoord. Voor het vooronderzoek in het kader van de voorgenomen de realisatie van een transportverdeelstation zijn de volgende aanleidingen van toepassing: • Opstellen hypothese over de milieuhygiënische bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek, saneren van een milieubelastende activiteit en/of realiseren van een gebouw op een bodemgevoelige locatie (Aanleiding A); • Opstellen hypothese over de bodemkwaliteitsklasse van de ontvangende bodem voorafgaande aan het toepassen van grond of baggerspecie (Aanleiding C); • Opstellen hypothese voor toetsing gebruik bodemkwaliteitskaarten ten behoeve van de milieuverklaring bodemkwaliteit (Aanleiding F); • Opstellen hypothese voor het uitvoeren van de (milieubelastende) activiteit graven (exclusief tijdelijke uitnemen) en inschatten van arbeidshygiënische risico’s (Aanleiding H).

Het vooronderzoek is gericht op de te verwachten werkzaamheden in de bodem op het projectgebied en directe omgeving.

2.1.1

Bronnen

Ten behoeve van het uit te voeren vooronderzoek zijn de volgende bronnen geraadpleegd: 1. Algemene informatie over de locatie (voormalig en huidig gebruik): • Historische topografische kaarten (www.topotijdreis.nl); • Lucht- en locatiefoto’s (StreetSmart en PDOK); • Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG); • Gegevens bodemopbouw/ grondwater (TNO, Dinoloket); • Gegevens grondwaterbeschermings- en waterwingebieden (Kaartbank (arcgis.com)); 2. Diffuse bodemkwaliteit: • Nota bodembeheer en bodemkwaliteitskaarten 3. Puntbronnen en verdachte locaties en uitgevoerde bodemonderzoeken/-saneringen:

3 april 2026

BK8988-MI-RP-260403-1347

3

Projectgerelateerd

3

Voormalig en huidig gebruik

Het projectgebied ligt ten zuiden van de gemeente Best en ten noorden van Eindhoven. Het gebied ligt nabij het industriegebied Het Zand en fungeert als bufferstrook tussen deze industriezone en de Eindhovenseweg Zuid. De ligging van het projectgebied is weergegeven in figuur 3.1.

Figuur 3.1 Ligging projectgebied

Het projectgebied ligt in de kadastrale gemeente Best en omvat het kadastrale perceel bekend onder sectie C, nummer 4676. Het projectgebied is 0,2 hectare groot.

3.1

Voormalig gebruik

Via de website: www.topotijdreis.nl is historisch kaartmateriaal geraadpleegd van het projectgebied. De ontwikkeling van het gebied vanaf het jaar 1900 is weergegeven in onderstaande figuren 3.2 t/m 3.5.

Figuur 3.2 Projectgebied in 1900

3 april 2026

Figuur 3.3 Projectgebied in 1950

BK8988-MI-RP-260403-1347

4

Projectgerelateerd

Figuur 3.4 Projectgebied in 1970

Figuur 3.5 Projectgebied in 2000

Op de kaarten van 1900 en 1950 (figuur 3.2 en 3.3) is te zien dat het projectgebied gebruikt wordt als akker/weide. Rond 1900 was vrijwel geheel Best, inclusief het huidige gebied ’t Zand waar de Hallenweg ligt, een agrarisch landschap. Best stond bekend als een boerendorp in het Kempenland met kleine gemengde bedrijven (akkerbouw, veeteelt, heideontginning). In 1950 is de Eindhovenseweg Zuid (in het rood) verbreed en geasfalteerd. Vanaf 1960 veranderde de omgeving ingrijpend. Best werd steeds beter bereikbaar door nieuwe infrastructuur en ontwikkelde zich van een agrarisch dorp naar een gemeente met groeiende industriële activiteiten. In Best leidde dit tot de aanleg van verschillende bedrijventerreinen, waaronder ’t Zand, waar de Hallenweg deel van uitmaakt. De eerste bebouwing verscheen rond 1976. Deze panden hadden functies zoals industrie, opslag en kantoren, en markeerden daarmee de definitieve overgang van agrarisch naar bedrijvigheidsgebied. Hierbij werd ten oosten van het projectgebied ook een nieuwe weg aangelegd, die voor aansluiting vanaf de Eindhovenseweg Zuid naar het bedrijventerrein zorgde (figuur 3.4). In de periode 1980 tot 2000 werd de industriële functie verder versterkt. Het bedrijventerrein breidde uit en werd intensiever gebruikt door logistieke ondernemingen en overige bedrijfsfuncties.

Vervolgens werd in 1993 de A2 aangelegd (paars)(zie figuur 3.5), waardoor het volledige gebied transformeerde tot een logistiek en industrieel knooppunt. In jaren ‘90 verdween de in de jaren ’60 aangelegde weg weer en werd de toegang naar het bedrijventerrein verlegd naar de westkant. Op het projectgebied zelf zijn nooit bedrijfsactiviteiten geweest. Het gebied fungeerde als groenbuffer tussen het industrieterrein en de Eindhovenseweg Zuid. Voor zover bekend zijn er geen dempingen verricht ter hoogte van het projectgebied.

3.2

Huidig gebruik

Tegenwoordig bestaat het gebied rond de Hallenweg overwegend uit bedrijventerrein, zonder woonfunctie. Het projectgebied zelf is buiten het bedrijventerrein gelegen en betreft een grasland. Er zijn ter plaatse geen bebouwingen of verhardingen aanwezig.

3.3

Toekomstig gebruik

Ter hoogte van het projectgebied wordt een transportverdeelstation aangelegd om elektriciteit naar verschillende delen van de regio te verdelen. Hierbij zal tevens een verharding worden aangelegd.

3 april 2026

BK8988-MI-RP-260403-1347

5

Projectgerelateerd

4

Bodemopbouw en geohydrologie

4.1

Regionale bodemopbouw

Ter plaatse van het toekomstige verdeelstation ligt het maaiveld op circa 15 m+NAP. In figuur 4.1 is de regionale bodemopbouw weergegeven tot circa 50 m-NAP.

Figuur 4.1 Geohydrologisch model gebaseerd op REGIS II v2.2.

Het profiel geeft de door TNO onderscheiden lagen aan. Deze lagen worden beschreven in tabel 4.1. Tabel 4.1 Globale bodemopbouw Globale Diepte (m-mv)

Geohydrologische eenheid

Formatie

Samenstelling

0-26

Eerste watervoerend pakket

Formatie van Boxtel

Deze afzettingen bestaan overwegend uit zeer fijn tot matig grof (105 - 300 µm), zwak tot sterk siltig, kalkloos tot sterk kalkhoudend zand.

38-85

Tweede watervoerend pakket

Formatie van Sterksel Deze afzettingen bestaan overwegend uit matig grof tot uiterst grof (210 - 2000 µm), zwak tot sterk grindig, kalkloos tot kalkrijk, matig tot sterk glimmerhoudend zand.

4.2

Grondwaterhuishouding

Stromingsrichting Uit het isohypsenpatroon van het grondwater van de Geologische Dienst Nederland kan worden afgeleid dat het grondwater in het eerste watervoerend pakket globaal in een noordelijke richting stroomt. In figuur 4.2 zijn de isohypsen van het grondwater in het eerste watervoerend pakket weergegeven.

3 april 2026

BK8988-MI-RP-260403-1347

6

Projectgerelateerd

Figuur 4.2 Isohypsenkaart LHM-model Geologische Dienst Nederland (bron: www.grondwatertools.nl)

3 april 2026

BK8988-MI-RP-260403-1347

7

Projectgerelateerd

5

Beschikbare bodemkwaliteitgegevens

5.1

Bodembeleid

De gemeente Best beschikt over een bodemfunctieklassenkaart en bodemkwaliteitskaart welke zijn opgenomen in de ‘’Nota bodembeheer gemeente Best 2022-2033 d.d. 8 november 2022’’. Voor de provincie Noord-Brabant is een bodemkwaliteitskaart PFAS opgesteld. De gemeente Best heeft hieraan deelgenomen (Bodemkwaliteitskaart PFAS voor deelnemende gemeenten in Noord-Brabant, kenmerk 0462683.100, d.d. 28 oktober 2020, Antea Group). De gemeente Best is bevoegd gezag voor het toepassen van grond en baggerspecie op landbodem binnen de eigen gemeente. De regels volgen uit het Besluit bodemkwaliteit. Hieronder zijn de regels op basis van het generieke beleid toegelicht: Vooraf aan het toepassen van een partij grond of baggerspecie moet een dubbele toets worden uitgevoerd. De kwaliteit van de toe te passen grond of baggerspecie moet voldoen aan: - De bodemfunctieklasse van de ontvangende bodem. - De bodemkwaliteitsklasse van de ontvangende bodem. De toepassingsmogelijkheden voor een partij grond of baggerspecie hangen af van de bodemfunctieklasse en de bodemkwaliteitsklasse van de toepassingslocatie (ontvangende bodem). Hierbij geldt steeds de strengste van de twee als de toepassingseis. Daarnaast is in het generieke kader sprake van stand-still op klasseniveau. Dit houdt in dat er getoetst wordt aan een kwaliteitsklasse en niet aan de concentraties van individuele stoffen.

Een partij grond of baggerspecie mag alleen op een bepaalde locatie worden toegepast als de kwaliteitsklasse van de toe te passen partij voldoet aan de toepassingseis van deze locatie. Vanuit de bodemkwaliteitskaart voldoen de boven- en ondergrond ter plaatse van en nabij de onderzoekslocatie aan de kwaliteitszone bedrijvenzone/industrie (zie figuur 5.1). De verwachte ontgravingsklasse is in de boven- en ondergrond landbouw/natuur. De gemeente Best stelt aanvullende voorwaarden voor grondverzet op basis van de bodemkwaliteitskaart voor grond welke vrijkomt in de bodemkwaliteitszone ‘Bedrijven/Industrie’, te weten: -

-

-

Indien grond afkomstig uit de bodemkwaliteitszone ‘Bedrijven/Industrie’ vrijkomt en eveneens weer toegepast wordt binnen deze bodemkwaliteitszone, volstaat de bodemkwaliteitskaart als erkend bewijsmiddel. Voorwaarden hierbij is dat er geen sprake is van een uitgesloten locatie voor grondverzet (onverdachte locatie); Indien grond afkomstig uit de bodemkwaliteitszone ‘Bedrijven/Industrie’ vrijkomt en toegepast wordt binnen de bodemkwaliteitszones ‘Woongebieden’ en ‘Buitengebied’, volstaat de bodemkwaliteitskaart niet als erkend bewijsmiddel. In aanvulling op de bodemkwaliteitskaart moet de kwaliteitsklasse aanvullend worden vastgesteld met een verkennend bodemonderzoek conform NEN5740 of een partijkeuring (AP04); Indien grond afkomstig is van een verdachte (uitgesloten) locatie op het voorkomen van een bodemverontreiniging dient de grond altijd onderzocht te worden met een partijkeuring (AP04).

De bodemfunctie binnen de onderzoekslocatie is aangemerkt als industrie.

3 april 2026

BK8988-MI-RP-260403-1347

8

Projectgerelateerd

Uit de bodemkwaliteitskaart blijkt dat de gemeente Best gelegen is in de PFAS-bodemkwaliteitszone Zuidoost-Brabant. De gehalten aan PFAS-verbindingen voldoen aan normen voor Landbouw/Natuur uit het ‘Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie’.

Figuur 5.1: ontgravingsklasse

3 april 2026

BK8988-MI-RP-260403-1347

9

Projectgerelateerd

5.2

Beschikbare bodemkwaliteitsgegevens

De binnen het projectgebied of in de directe omgeving bekende bodemonderzoeken zijn verzameld door het raadplegen van rapportagemodule bodeminformatie van de Provincie Noord-Brabant (https://noordbrabant.nazca4u.nl/rapportage/). Uit de rapportagemodule bodeminformatie Provincie Noord-Brabant blijkt binnen de onderzoekslocatie geen bodemrapporten bekend zijn. Verder blijkt dat in de directe omgeving van het projectgebied een bodemonderzoek is uitgevoerd, te weten: - Verkennend onderzoek NEN 5740: VO Hallenweg 1-16, d.d. 22-05-2003. Uit het verkennend onderzoek van 2003 blijkt dat er zowel in de boven- als ondergrond geen verhoogde concentraties aanwezig zijn. Ook in het grondwater zijn geen verhoogde concentraties aangetoond. Hieruit kan besloten worden dat er op dit terrein geen verontreinigingen aanwezig zijn. Uit de verkregen bodeminformatie kan gesteld worden dat het projectgebied onverdacht is voor de aanwezigheid van een bodemverontreiniging.

5.3

Voormalige stortplaatsen

Binnen het projectgebied bevinden zich geen voormalige stortplaatsen. Er liggen in de buurt van de projectlocatie twee voormalige stortplaatsen (Venweg Zuid en Noord en Kievietsbleek) op respectievelijk 350m en 600m (figuur 5.2).

Figuur 5.2 aanwezigheid voormalige stortplaatsen (in het rood)

Op circa 350 meter ten noorden van het projectgebied bevindt zich de voormalige stortplaats Venweg Zuid en Noord. Uit het NAVOS-rapport (Nader onderzoek voormalige stortplaatse Venweg Zuid en Noord te Best, uitgevoerd door de Provincie Noord-Brabant, d.d. 15-06-2007) blijkt dat de deklaag slechts beperkt verontreinigd is en bovendien dunner is dan 50 cm, maar dat in het grondwater sterke verontreinigingen zijn aangetoond. Zowel bovenstrooms als benedenstrooms zijn verschillende verontreinigingen vastgesteld. 3 april 2026

BK8988-MI-RP-260403-1347

10

Projectgerelateerd

In het middeldiepe grondwater, dat in noordelijke richting stroomt, zijn bovenstrooms onder meer arseen, chroom, zink, tolueen, xylenen en tetrachlooretheen aangetroffen. In het ondiepe grondwater is sprake van een sterke verontreiniging met koper. Benedenstrooms zijn onder andere nikkel, arseen, zink, benzeen en xylenen aangetoond. Deze bevindingen laten zien dat een relatie tussen de grondwaterverontreinigingen en de voormalige stortplaats niet kan worden uitgesloten. Het projectgebied bevindt zich tussen een voormalige stortplaats op circa 350 meter ten noorden van de locatie en een kanaal direct ten zuiden daarvan. De regionale grondwaterstromingsrichting is noordwaarts, waardoor het grondwater op grotere schaal van het projectgebied af richting het noorden stroomt. Hierdoor is het hydrologisch gezien onwaarschijnlijk dat grondwater afkomstig van de stortplaats in zuidelijke richting naar het projectgebied migreert. Het kanaal aan de zuidzijde heeft naar verwachting een lokaal drainerend effect, zoals gebruikelijk is bij watergangen waarvan het waterpeil lager ligt dan de omgeving. Dit kan ertoe leiden dat ondiep grondwater lokaal zuidwaarts afstroomt richting het kanaal. Dit effect beïnvloedt echter voornamelijk de oppervlakkige grondwaterstroming en wijzigt de regionale stromingsrichting niet.

Gezien deze combinatie van factoren — een regionale stroming die van het projectgebied weg beweegt en een lokaal drainerend kanaal — is het waarschijnlijk dat het kanaal geen invloed heeft op de mogelijke grondwaterstroming afkomstig van de voormalige stortplaats. Omdat hydrologische systemen nooit volledig met zekerheid kunnen worden vastgesteld, kan echter niet met absolute zekerheid worden uitgesloten dat er onder specifieke omstandigheden enige invloed zou kunnen optreden. Op basis van de beschikbare informatie kan wel worden geconcludeerd dat invloed vanuit de stortplaats op het projectgebied hydrologisch zeer onwaarschijnlijk is.

5.4

Asbest

Uit historische kaarten blijkt dat er op het meest oostelijke deel van het projectgebied een weg is aangelegd rond 1960. Mogelijk werd de weg verhard om toegang tot het bedrijventerrein te creëren. Wegen en paden die vóór 1994 met puin zijn verhard, worden beschouwd als asbestverdacht, omdat in die tijd regelmatig sloopmateriaal werd toegepast voor het verharden van zandwegen en erven. Dat puin kon asbest bevatten. Het is aannemelijk dat ook de weg destijds is verhard om ze steviger en beter berijdbaar te maken. Aangezien het aannemelijk is dat de weg in die tijd met puin is versterkt, wordt dit deel van de locatie als asbestverdacht geclassificeerd. Dit betekent dat in het kader van grondverzet rekening moet worden gehouden met de aanwezigheid van asbesthoudende puinlagen.

3 april 2026

BK8988-MI-RP-260403-1347

11

Projectgerelateerd

6

Beantwoording onderzoeksvragen vooronderzoek

-

Zijn er potentiële bronnen van bodembelasting (verdachte deellocaties, zowel vanuit het verleden als het heden)? Zo ja, wat zijn deze potentiële bronnen van bodembelasting, waar liggen ze en wat zijn de mogelijk bodembedreigende stoffen. Voor zover bekend zijn er ter plaatse van het projectgebied geen bodembedreigende (bedrijfs)activiteiten verricht. Op basis van de beschikbare gegevens wordt de aanwezigheid van een sterke bodemverontreiniging niet verwacht. -

Welke kwaliteitsklasse is toegekend aan de bodem in de bodemkwaliteitskaart en welke lagen zijn daarbij onderscheiden? Het gemeentelijk bodembeleid is beschreven in hoofdstuk 5. Vanuit de bodemkwaliteitskaart voldoen de boven- en ondergrond ter plaatse van en nabij de onderzoekslocatie aan de kwaliteitszone bedrijvenzone/industrie. De verwachte ontgravingsklasse is in de boven- en ondergrond landbouw/natuur. De gemeente Best stelt aanvullende voorwaarden voor grondverzet op basis van de bodemkwaliteitskaart voor grond welke vrijkomt in de bodemkwaliteitszone ‘Bedrijven/Industrie’, Deze zijn terug te vinden in hoofdstuk 5.1. - Is de bodem asbestverdacht? De terreindelen zijn over het algemeen onbebouwd en onverhard. Wel was er tot de jaren ’90 een weg aanwezig. Hoewel er op dit moment geen directe aanwijzingen zijn dat de historische (zand)weg binnen de projectlocatie daadwerkelijk is verhard met puin of asbesthoudend materiaal, wordt deze locatie conform de geldende onderzoeksrichtlijnen als asbestverdacht beschouwd. -

Wat is de bodemopbouw en geohydrologie en is er binnen het onderzoeksgebied sprake van verschillende fysische kwaliteiten en of bodemvreemde lagen? Voor informatie over de regionale bodemopbouw en de geohydrologie van de locatie wordt verwezen naar hoofdstuk 4. De aanwezigheid van (aanzienlijke hoeveelheden) bodemvreemd materiaal wordt niet verwacht. -

Wordt de bodemkwaliteit of de kwaliteit van het grondwater op de locatie beïnvloed door de omgeving? Zo ja, hoe en waar? Er zijn ter plaatse of nabij de onderzoekslocatie geen bekende mobiele verontreinigingen in de bodem aanwezig. De bodem- en grondwaterkwaliteit op de locatie wordt waarschijnlijk niet beïnvloed door de omgeving. De regionale stromingsrichting is noordwaarts, waardoor verontreinigingen vanuit de voormalige stortplaats niet naar het projectgebied kunnen migreren. Het kanaal ten zuiden kan lokaal drainerend werken, maar heeft waarschijnlijk geen effect op mogelijke verontreinigingsstromen vanuit de stortplaats.

-

Wordt op de locatie of een deel daarvan een geval van ernstige bodemverontreiniging of een sterke verontreiniging (boven interventiewaarde) vermoed? De aanwezigheid van een ernstige bodemverontreiniging wordt niet verwacht.

3 april 2026

BK8988-MI-RP-260403-1347

12

Projectgerelateerd

-

Is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem afdoende bekend of is bodemonderzoek noodzakelijk? Op dit moment is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem op de projectlocatie niet volledig bekend, omdat er geen bodemonderzoek op de locatie zelf is uitgevoerd. De informatie van het aangrenzende perceel geeft wel aan dat daar geen significante bodemverontreinigingen zijn aangetroffen, maar deze gegevens kunnen niet zonder meer als representatief worden beschouwd voor de gehele projectlocatie. Daarnaast geldt dat het oostelijke deel van de locatie als asbestverdacht moet worden beschouwd vanwege de aanwezigheid van een historische (zand)weg die mogelijk vóór 1994 is verhard met puin. Puinverhardingen uit die periode worden binnen de geldende normen (NEN 5725 en NEN 5707) standaard als potentieel asbesthoudend aangemerkt. Gezien deze omstandigheden wordt geconcludeerd dat de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem nog niet afdoende bekend is. Daarom wordt aanbevolen om een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 uit te voeren. Indien tijdens dit onderzoek of tijdens graafwerkzaamheden puin, bodemvreemd materiaal of visueel asbestverdacht materiaal wordt aangetroffen, moet het onderzoek worden uitgebreid met een verkennend asbestonderzoek conform NEN 5707.

-

Welke hypothese over de bodemkwaliteit en welke strategie is van toepassing bij de uitvoering van het bodemonderzoek? De projectlocatie wordt beschouwd als verdacht, omdat er op (een deel van) de locatie een mogelijke historische puinverharding aanwezig kan zijn die vóór 1994 is aangebracht, en dergelijke puinlagen als asbestverdacht worden beschouwd.

Onderzoeksstrategie (NEN 5740): De toepasselijke strategie is VED-HE-NL (Verdacht – Heterogeen – Niet-lijnvormig). Deze strategie schrijft een verkennend bodemonderzoek voor, waarbij in het veld nadrukkelijk moet worden gelet op puinbijmengingen. Indien tijdens het onderzoek puin of visueel asbestverdacht materiaal wordt aangetroffen, moet het onderzoek worden uitgebreid met een verkennend asbestonderzoek conform NEN 5707.

3 april 2026

BK8988-MI-RP-260403-1347

13

Projectgerelateerd

7

Conclusie en Aanbevelingen

Ter plaatse van het toekomstige verdeelstation aan de Hallenweg te Best heeft een historisch vooronderzoek plaatsgevonden om eventuele verdachte locaties en bronnen van bodemverontreinigingen in de bodem in beeld te brengen. Aan de hand hiervan wordt bepaald of bodemonderzoek verricht moet worden om het voorgenomen grondverzet te kunnen realiseren. Uit het historisch onderzoek blijkt het volgende: - De locatie is onbebouwd en onverhard en bestaat volledig uit grasland - Ter plaatse van het verdeelstation hebben geen (bedrijfs)activiteiten plaatsgevonden die de bodemkwaliteit bedreigd hebben. - Binnen het projectgebied bevinden zich geen voormalige stortplaatsen. Op 350m van de locatie bevindt zich een voormalig stort. De regionale stromingsrichting is noordwaarts, waardoor verontreinigingen vanuit de voormalige stortplaats niet naar het projectgebied kunnen migreren. Het kanaal ten zuiden kan lokaal drainerend werken, maar heeft waarschijnlijk geen effect op mogelijke verontreinigingsstromen vanuit de stortplaats. - De destijds aanwezige landweg wordt als asbestverdacht beschouwd - Binnen het projectgebied zijn geen puntbronnen van PFAS bekend. - Er zijn geen bekende bodemonderzoeken uitgevoerd op de locatie zelf. Op het naastgelegen perceel zijn geen significante bodem- of grondwaterverontreinigingen vastgesteld.

- Op basis van de gemeentelijke kwaliteitskaarten wordt verwacht dat de kwaliteit van de boven- en ondergrond voldoet aan kwaliteitsklasse industrie. Voor de parameter PFAS geldt landbouw/natuur. Uit het vooronderzoek kan het volgende geconcludeerd en aanbevolen worden: Op dit moment is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem op de projectlocatie niet volledig bekend, omdat er geen bodemonderzoek op de locatie zelf is uitgevoerd. De informatie van het aangrenzende perceel geeft wel aan dat daar geen significante bodemverontreinigingen zijn aangetroffen, maar deze gegevens kunnen niet zonder meer als representatief worden beschouwd voor de gehele projectlocatie. Daarnaast geldt dat het oostelijke deel van de locatie als asbestverdacht moet worden beschouwd vanwege de aanwezigheid van een historische (zand)weg die mogelijk vóór 1994 is verhard met puin. Puinverhardingen uit die periode worden binnen de geldende normen (NEN 5725 en NEN 5707) standaard als potentieel asbesthoudend aangemerkt. Gezien deze omstandigheden wordt geconcludeerd dat de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem nog niet afdoende bekend is. Daarom wordt aanbevolen om een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 uit te voeren met strategie VED-HE-NL (Verdacht – Heterogeen – Niet-lijnvormig).

Indien tijdens dit onderzoek of tijdens graafwerkzaamheden puin, bodemvreemd materiaal of visueel asbestverdacht materiaal wordt aangetroffen, moet het onderzoek worden uitgebreid met een verkennend asbestonderzoek conform NEN 5707.

3 april 2026

BK8988-MI-RP-260403-1347

14

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/17050798/1