26017.11 - Ecologisch onderzoek Hallenweg
Tekst van het document
RAPPORT Natuurtoets Enexis Hallenweg, Best In het kader van de Omgevingswet en de omgevingsverordening Klant:
Enexis
Referentie:
BK8988-MI-RP-260410-1157
Status:
Definitief/1.0
Datum:
10 april 2026
HASKONING NEDERLAND B.V.
Philitelaan 57 5617 AK Eindhoven Netherlands Mobility & Infrastructure Trade register number: 56515154 E-mail: info@haskoning.com Website: haskoning.com
Titel document: Ondertitel: Referentie: Uw kenmerk Status: Datum: Projectnaam: Projectnummer: Opgesteld door:
Natuurtoets Enexis Hallenweg, Best In het kader van de Omgevingswet en de omgevingsverordening BK8988-MI-RP-260410-1157 ID0878 Definitief/1.0 10 april 2026 Hallenweg BK8988 TdW
Gecontroleerd door:
RH
Datum:
3 april 2025
Goedgekeurd door:
JV
Datum:
10 april 2025
Classificatie:
Projectgerelateerd
Behoudens andersluidende afspraken met de Opdrachtgever, mag niets uit dit document worden verveelvoudigd of openbaar gemaakt of worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het document is vervaardigd. Haskoning Nederland B.V. aanvaardt geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor dit document, anders dan jegens de Opdrachtgever. Let op: dit document bevat mogelijk persoonsgegevens van medewerkers van Haskoning Nederland B.V. Voordat publicatie plaatsvindt (of anderszins openbaarmaking), dient dit document te worden geanonimiseerd of dient toestemming te worden verkregen om dit document met persoonsgegevens te publiceren. Dit hoeft niet als wet- of regelgeving anonimiseren niet toestaat. Dit document kan zijn opgesteld met behulp van kunstmatige intelligentie (AI); alle door AI gegenereerde inhoud is beoordeeld en gevalideerd door onze experts.
10 april 2026
NATUURTOETS HALLENWEG
BK8988-MI-RP-260410-1157
ii
Projectgerelateerd
Inhoud 1
Inleiding
5
1.1
Aanleiding
5
1.2
Doel & scope natuurtoets
5
1.3
Werkwijze
6
2
Natuurwet- en regelgeving
8
2.1
Natura 2000
8
2.2
Flora en fauna
9
2.3
Natuurnetwerk Brabant
12
3
Beschrijving plangebied en voorgenomen ingreep
13
3.1
Beschrijving plangebied en de directe omgeving
13
3.2
Voorgenomen ingreep
14
4
Toetsing Natura 2000-gebieden (Voortoets)
15
4.1
Beschrijving omliggende Natura 2000-gebieden
15
4.2
Bepaling en beoordeling relevante storingsfactoren
15
4.3
Conclusie Natura 2000-toetsing
17
5
Toetsing flora en fauna
18
5.1
Beschrijving aanwezige biotopen
18
5.2
Effectbeoordeling flora en fauna
18
5.2.1 5.2.2 5.2.3 5.2.4 5.2.5 5.2.6 5.2.7
Vaatplanten Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen Vogels Vissen en amfibieën Ongewervelden Rode lijst soorten
18 18 20 21 22 23 23
5.3
Conclusie toetsing flora en fauna
23
6
Toetsing NNN en overige planologisch beschermde gebieden
25
6.1
Aanwezige NNN-gebieden en overige planologische beschermde gebieden
25
6.2
Conclusie NNN en overige planologisch beschermde gebieden
25
7
Conclusie en aanbevelingen
26
7.1
Natura 2000
26
7.2
Flora en fauna
26
7.3
NNB
26
10 april 2026
NATUURTOETS HALLENWEG
BK8988-MI-RP-260410-1157
3
7.4
Advies bovenwettelijke maatregelen
26
Literatuur
28
Bijlage 1: Belang Bovenwettelijke maatregelen
29
10 april 2026
NATUURTOETS HALLENWEG
BK8988-MI-RP-260410-1157
4
Projectgerelateerd
1
Inleiding
1.1
Aanleiding
Enexis is voornemens een transportverdeelstation aan te leggen langs de Hallenweg in Best in NoordBrabant. Ruimtelijke plannen en/of ingrepen als deze dienen getoetst te worden aan vigerende natuurweten regelgeving. In Nederland worden de natuurwaarden via de ‘Omgevingswet’ (hierna Ow) beschermd. Onder de Ow is de bescherming geregeld van Natura 2000-gebieden, soorten die genoemd zijn in de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn alsook overige soorten opgenomen in de bijlagen van de Ow en van houtopstanden. Naast de wettelijke bescherming worden natuurgebieden planologisch beschermd via het Natuurnetwerk Nederland (hierna NNN). Haskoning is gevraagd om de geplande ruimtelijke ontwikkeling te toetsen aan voorgenoemde natuurwet- en regelgeving.
1.2
Doel & scope natuurtoets
Dit rapport geeft inzicht in de effecten van het voornemen op de (potentieel) aanwezige beschermde natuurwaarde, of er mitigerende en/of compenserende maatregelen nodig en/of een omgevingsvergunning nodig is en/of vervolgonderzoeken nodig zijn. Specifiek gaat het in voorliggend rapport om de beoordeling van de volgende onderdelen: ▪ Natura 2000 voortoets ▪ Flora en Fauna (soortenbescherming) quickscan ▪ Planologisch beschermde natuurgebieden, NNB, gemeentelijke ecologische structuren In de voortoets van Natura 2000 wordt bepaald of op basis van beschikbare gegevens significant negatieve gevolgen op voorhand zijn uit te sluiten. Wanneer dit niet het geval is, is aanvullend nader onderzoek nodig in de vorm van een passende beoordeling. De quickscan flora en fauna wordt uitgevoerd op basis van bureaustudie aangevuld met een veldbezoek. Hieruit volgt wat het effect is van het voornemen op (potentieel) aanwezige beschermde soorten en/of er voldoende natuurgegevens zijn en zo niet voor welke soorten aanvullend gericht onderzoek noodzakelijk is. Binnen het plan/projectgebied komen geen houtopstanden, waaronder bos, bomen of overige beplanting voor. Een toetsing aan het onderdeel Houtopstanden van de Ow maakt daarom geen deel uit van deze natuurtoets
Uit de natuurtoets volgt of planologische beschermde gebieden door het voornemen worden aangetast en/of maatregelen nodig zijn om de aantasting te voorkomen of te compenseren. Aanvullende onderzoeken vallen buiten de scope van deze natuurtoets. Onder de Omgevingswet geldt een geldigheidstermijn van drie jaar voor ecologische resultaten. Dit houdt in dat de jongste gegevens niet ouder mogen zijn dan drie jaar. Na drie jaar dienen de gegevens derhalve geactualiseerd te worden. Dit is vastgelegd in de Omgevingsregeling (art 7.197j lid 2 b OR). Bovenwettelijke maatregelen Vanuit de algemene opgave voor biodiversiteit wordt aanvullend op de verplichte maatregelen een beknopt advies gegeven over zogenaamde bovenwettelijke maatregelen die aansluiten op mogelijkheden vanuit project of plan. Dit betreft bijvoorbeeld versterking van leefgebied van inheemse soorten door blauwgroene elementen en natuurinclusief bouwen. De voorgestelde maatregelen hebben een positief effect op de lokale biodiversiteit. 10 april 2026
NATUURTOETS HALLENWEG
BK8988-MI-RP-260410-1157
5
1.3
Werkwijze
Om een beoordeling te kunnen maken in de natuurtoets ten aanzien van Natura 2000-gebieden, beschermde flora en fauna, houtopstanden en planologisch beschermde gebieden zijn de volgende onderdelen doorlopen: ▪ Beschrijving van de toetsingskaders (opgenomen in hoofdstuk 2). ▪ Beschrijving van het voornemen en bijbehorende werkzaamheden en mogelijke (milieu)effecten (opgenomen in hoofdstuk 3) ▪ Inventarisatie van aanwezige beschermde natuurwaarden ▪ Beschrijving van de effecten ▪ Beschrijving van vervolgstappen, waaronder eventueel nader onderzoek, mitigerende maatregelen en compensatie ▪ Conclusie & aanbevelingen De laatste vier onderdelen zijn per beschermingskader doorlopen en is hieronder nader toegelicht. Natura 2000 voortoets Voor de Natura 2000-gebieden is de ligging ten opzichte van het plangebied in beeld gebracht. Wanneer het plangebied in of nabij een Natura 2000-gebied is gelegen is op basis van beschikbare gegevens gekeken of het Habitat- en of Vogelrichtlijngebied betreft en/of in het plangebied kwalificerende habitattypen en/of soorten kunnen voorkomen. Vervolgens zijn op basis van de geplande ingreep, de indicatieve reikwijdte van de (milieu)effecten en de gevoeligheid van beschermde waarden van de omliggende Natura 2000-gebieden de effecten op de Natura 2000-doelen op hoofdlijn bepaald.
Dit is beoordeeld aan de hand van de negentien storingsfactoren van de Effectenindicator (minLNV/WER, 2024 1) en expert judgement. Uit de beoordeling volgt per Natura 2000-gebied of significant negatieve gevolgen wel of niet op voorhand zijn uit te sluiten en of er vervolgstappen nodig zijn. De Natura 2000 voortoets wordt behandeld in hoofdstuk 4. Flora en fauna Inventarisatie van (potentieel) aanwezige beschermde en bijzondere flora en fauna Om inzicht te krijgen in het voorkomen en gebruik van beschermde planten en dieren en soorten van de Rode Lijst in het plangebied is een bureaustudie en biotoopanalyse uitgevoerd. Hiervoor zijn waarnemingen opgevraagd uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF, 12 februari 2026) voor het projectgebied en omgeving. De NDFF omvat gevalideerde waarnemingen op basis van onder meer gerichte veldonderzoeken, meetnetten alsook gegevens van waarneming.nl. Het studiegebied is afhankelijk van de omvang en type van het plangebied. In deze natuurtoets zijn enkele kilometers rondom het onderzoeksgebied bestudeerd. Afhankelijk van de soortgroep zijn gegevens gebruikt van de afgelopen vijf tot tien jaar. Waarnemingen in NDFF zijn afhankelijk van meldingen en inventarisaties en daarmee niet altijd dekkend in tijd en ruimte. Daarbij worden soorten die eenvoudig zijn waar te nemen eerder geregistreerd.
Aanvullend is daarom ook gebruik gemaakt van verspreidingsatlassen van soorten om inzicht te krijgen in de regionale verspreiding van soorten (Verspreidingsatlas, 2026). Vervolgens is op 26 maart 2026 een verkennend veldbezoek uitgevoerd (weersomstandigheden: 100C, overwegend bewolkt, wisselvallig en 2 Bft) door een deskundig ecoloog werkzaam bij Haskoning. Tijdens het veldbezoek was er geen sprake van specifieke omstandigheden, zoals zware regenval (voorafgaand aan het veldbezoek) of extreme droogte. 1
De effectenindicator is tegenwoordig niet meer online. De achterliggende informatie van deze tool is te vinden op (Beschermde SoortenIndicator (BeSI) - BIJ12). 10 april 2026
NATUURTOETS HALLENWEG
BK8988-MI-RP-260410-1157
6
Projectgerelateerd
Tijdens het veldbezoek is een analyse van aanwezige biotopen gedaan. Het veldbezoek betreft geen gerichte inventarisatie van soorten. Eventuele waarnemingen van soorten, nesten en/of sporen worden wel meegenomen. De beschikbare gegevens in combinatie van de biotoopanalyse geven inzicht in (potentieel) voorkomen van beschermde flora en fauna in het plangebied. Effectbeoordeling voornemen op (potentieel) aanwezig soorten Op basis van de voorgenomen werkzaamheden is beoordeeld of leefgebied, verblijfplaatsen van (potentieel) voorkomende beschermde soorten worden aangetast en/of er sprake is van verstoring en/of doding. Effecten op beschermde soorten zijn onder te verdelen in tijdelijke effecten (zoals verstoring) die optreden tijdens de aanlegfase van een project en permanente effecten die optreden tijdens de gebruiksfase (verlies leefgebied). Permanente effecten kunnen overigens ook optreden in de aanlegfase, bijvoorbeeld bodemverdichting. Met maatregelen in ruimte en tijd kunnen negatieve effecten die leiden tot overtreding van verbodsbepalingen (doding, verstoring, verlies verblijfplaatsen) veelal voorkomen (gemitigeerd) worden of vervangen worden door compensatie. De quickscan geeft aan of mitigatie en/of compensatie benodigd is.
Indien de onderzoeksresultaten onvoldoende zekerheid geven over het voorkomen van beschermde soorten wordt aangegeven dat nader soortgericht onderzoek noodzakelijk is. De flora en fauna quickscan wordt behandeld in hoofdstuk 5. Planologisch beschermde gebieden, zoals NNN Voor de natuurgebieden vallend onder het Natuurnetwerk en overige planologische beschermde leefgebieden is evenals bij Natura 2000-gebieden de ligging van het plangebied ten opzichte van deze gebieden weergegeven en zijn afhankelijk van de ligging de bijbehorende wezenlijke kenmerken en waarden en overige waarden weergegeven. Vervolgens is getoetst of het voornemen de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN significant aantast en/of mitigerende en/of compenserende maatregelen mogelijk zijn. De planologisch beschermde gebieden worden behandeld in hoofdstuk 6. Conclusie en aanbevelingen In de conclusie wordt bepaald of het waarschijnlijk is dat het project in het licht van de wet- en regelgeving ten aanzien van beschermde natuurwaarden doorgang kan vinden. Er worden indien nodig vervolgstappen beschreven om het project doorgang te laten vinden. Daarnaast wordt als onderdeel van de aanbevelingen een advies gegeven over bovenwettelijke maatregelen. Voor de bovenwettelijke maatregelen worden specifiek voor het project maatregelen aangedragen die de lokale biodiversiteit kunnen versterken.
Deze maatregelen worden alleen benoemd wanneer kansen aanwezig zijn in het plan of project voor biodiversiteit. De conclusie en aanbevelingen staat beschreven in hoofdstuk 7.
10 april 2026
NATUURTOETS HALLENWEG
BK8988-MI-RP-260410-1157
7
2
Natuurwet- en regelgeving
Natuurwaarden en biodiversiteit zijn per 1 januari 2024 beschermd via de Omgevingswet. In deze wet zijn alle wetten voor de leefomgeving opgenomen, zoals voorheen de Wet natuurbescherming (Wnb), en de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), waarin de planologische bescherming van natuur is geregeld. In de volgende paragrafen worden de wettelijke en planologische natuurbeschermingskaders kort beschreven. De Wnb (vigerend 2017-2023) en bijbehorende wetsartikelen zijn als algemene rijksregels opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) van de omgevingswet (vigerend per 1 januari 2024). Naast de passieve soortenbescherming die via verbodsbepalingen gericht is op nalaten, is de wet ook gericht op een actieve soortenbescherming. De opdracht aan de overheden is om actief beleid te voeren om een gunstige staat van instandhouding van de soorten te bereiken. Deze verplichting om aan actieve soortenbescherming te doen, vloeit voort uit de Vogel- en Habitatrichtlijn. In het Bal is de algemene zorgplicht uit de Omgevingswet opgenomen die inhoudt dat eenieder voldoende zorg draagt voor de fysieke leefomgeving. Deze is uitgewerkt in een specifieke zorgplicht voor Natura 2000 en inheemse soorten zie onderstaand kader. Specifieke zorgplicht Natura 2000-activiteit & Flora en fauna activiteit Art. 11.6 Natura 2000 en art.
11.27 Flora en Fauna Degene die een Natura 2000 of flora en fauna activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang is verplicht: a) alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b) voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c) als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
Het bevoegd gezag, voor het al dan niet verlenen van vergunningen en/of vrijstellingen, is in principe de provincie. Bij projecten met een groot openbaar belang zoals rijks- en spoorwegen, grote wateren en defensieterreinen of die de provinciegrens overschrijden is het ministerie van LVVN het bevoegd gezag. Voor dit project betreft het bevoegd gezag provincie Noord-Brabant.
2.1
Natura 2000
Natura 2000 is een samenhangend Europees netwerk van beschermde natuurgebieden bestaande uit aangewezen Vogel- en/of Habitatrichtlijngebieden die een grote bijdrage leveren voor de instandhouding van het type of soort. Dit netwerk vormt de hoeksteen van het EU-beleid voor behoud en herstel van biodiversiteit. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat de duurzame instandhouding van soorten en habitats binnen de Europese Unie wordt gewaarborgd. In Nederland zijn 162 Natura 2000-gebieden aangewezen die onderdeel vormen van een Europees Natura 2000-netwerk. Voor elk Natura 2000-gebied zijn in een aanwijzingsbesluit de begrenzing van habitat- en/of vogelrichtlijngebieden en de instandhoudingsdoelstellingen vastgelegd. Het aanwijzingsbesluit en het Natura 2000 beheerplan, waarin de doelen in tijd en ruimte zijn uitgewerkt, gelden als toetsingskader. Het realiseren van een project of activiteit, dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, moet beoordeeld worden in hoeverre deze activiteit significant verslechterende of significant verstorende gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden (Bal art. 11.6).
In de effectbeoordeling in het kader van Natura 2000-gebieden staat de vraag centraal of de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden in het licht van diens instandhoudingsdoelen (significant) worden aangetast.
10 april 2026
NATUURTOETS HALLENWEG
BK8988-MI-RP-260410-1157
8
Projectgerelateerd
In geval van de bepaling van mogelijke effecten op Natura 2000-gebieden dient rekening te worden gehouden met de zogenoemde externe werking. Hierdoor moet ook worden bekeken of activiteiten buiten een Natura 2000-gebied (significant) negatieve effecten kunnen hebben op de voor het betreffende gebied vastgestelde instandhoudingsdoelstellingen. De reikwijdte is afhankelijk van het milieueffect (bijvoorbeeld geluid, stikstofdepositie) als gevolg van een project. Toetsing aan Natura 2000-gebieden Een voortoets in de oriëntatiefase kan uitsluitsel geven of het project geen (significante) negatieve effecten in cumulatie met andere vergunde activiteiten heeft (geen vergunningplicht). Indien significant negatieve effecten op voorhand niet kunnen worden uitgesloten, is een aanvullende voortoets of Passende beoordeling vereist. In een voortoets wordt aan de hand van de voormalige Effectenindicator (Ministerie van LVVN, 2024) nagegaan welke storingsfactoren relevant zijn en zo ja óf (significante) negatieve effecten op geformuleerde instandhoudingsdoelstellingen (op voorhand) kunnen worden uitgesloten.
Wanneer een activiteit, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante effecten heeft (of dit niet is uit te sluiten) voor een Natura 2000-gebied betreft dit een Natura 2000-activiteit waarvoor een omgevingsvergunning nodig is (artikel 5.1, 1e lid, sub e, Omgevingswet).
2.2
Flora en fauna
De bescherming van inheemse soorten voor behoud van biodiversiteit, ongeacht voorkomen in en buiten natuurgebied, volgt uit de Vogel- en Habitatrichtlijn en is geregeld in Bal paragraaf 11.2. Voor de inheemse soorten gelden verschillende beschermingsregimes. Deze zijn: ▪ Vogelrichtlijnsoorten Ow Bal § 11.2.2 ▪ Habitatrichtlijnsoorten Ow Bal § 11.2.3 ▪ Andere soorten Ow Bal § 11.2.4 Het beschermingsregime voor Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten is strikter dan voor andere soorten. In Tabel 2-1 zijn de verschillende verbodsbepaling voor soorten van de Omgevingswet opgenomen. Tabel 2-1.Soortenbescherming: overzicht verbodsartikelen Omgevingswet met Besluit activiteiten leefomgeving (Ow Bal). HR: Habitatrichtlijn. VR: Vogelrichtlijn. N.v.t.: Niet van toepassing. Verbodsbepalingen Vogelrichtlijn Ow Bal art.11.37
Verbodsbepalingen Habitatrichtlijn Ow Bal art.11.46
Verbodsbepalingen Andere soorten Ow Bal art. 11.54
art. 11.37, lid 1 a, Bal Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen.
art 11.46, lid 1 a, Bal Het is verboden in het wild levende dieren van soorten genoemd in bijlage IV, onder a, bij de HR, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.
art. 11.54, lid 1 a Bal Het is verboden in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A, bij het Bal, opzettelijk te doden of te vangen;
art. 11.37, lid 1 b, Bal Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in lid 1 a, te vernielen of te beschadigen, of opzettelijk nesten van die vogels weg te nemen.
art 11.46, lid 1 d, Bal Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in lid 1 a, te beschadigen of te vernielen.
art. 11.54, lid 1 b, Bal Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of te vernielen van dieren, als bedoeld in lid 1 a.
art. 11.37, lid 1 c , Bal Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in lid 1 a, te rapen en deze onder zich te hebben.
art. 11.46, lid 1 c, Bal Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in lid 1 a, in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen.
N.v.t.
art. 11.37, lid 1 d, Bal
art 11.46, lid 1 b, Bal
N.v.t.
10 april 2026
NATUURTOETS HALLENWEG
BK8988-MI-RP-260410-1157
9
Verbodsbepalingen Vogelrichtlijn Ow Bal art.11.37
Verbodsbepalingen Habitatrichtlijn Ow Bal art.11.46
Het is verboden vogels als bedoeld in lid 1 a opzettelijk te storen.
Het is verboden dieren als bedoeld in lid 1 a, opzettelijk te verstoren.
Verbodsbepalingen Andere soorten Ow Bal art. 11.54
art. 11.37, lid 3, Bal Het verbod op het opzettelijke verstoren van vogels geldt niet als de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. N.v.t.
art. 11.46, lid 1 e, Bal Het is verboden planten van soorten genoemd in bijlage IV, onder B bij de HR of bijlage I bij het verdrag van Bern in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen
art. 11.54, lid 1c, Bal Het is verboden vaatplanten van de soorten genoemd in bijlage IX, onder B, bij het Bal, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Vrijstellingsmogelijkheden ‘andere soorten’ Voor de ‘andere soorten’ van art. 11.54 Bal kunnen provincies en het ministerie van LVVN een algemene vrijstelling van de vergunningsplicht vaststellen middels een verordening. De provincie is doorgaans het bevoegd gezag voor het al dan niet verlenen van vergunningen. Het bevoegd gezag voor dit project is Noord-Brabant. In Tabel 2-2 zijn de vrijgestelde soorten voor de provincie Noord-Brabant weergegeven. Tabel 2-2. Overzicht van de soorten met een algemene vrijstelling voor ruimtelijke ingrepen in provincie Noord-Brabant Grondgebonden zoogdiersoorten
Amfibieën
Aardmuis
Haas
Tweekleurige bosspitsmuis
Bruine kikker
Bosmuis
Huisspitsmuis
Veldmuis
Gewone pad
Dwergmuis
Konijn
Vos
Kleine watersalamander
Dwergspitsmuis
Ondergrondse woelmuis
Woelrat
Meerkikker
Egel
Ree
Gewone bosspitsmuis
Rosse woelmuis
Bastaardkikker
Broedvogels Het verstoren van broedende vogels en hun nesten tijdens de broedtijd is verboden, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de vogelsoort. Het verstoren van broedende vogels wat leidt tot het mislukken van een broedsel is ten alle tijden verboden. Nesten of holten die ieder jaar opnieuw gebruikt worden of ook buiten het seizoen van belang zijn voor de instandhouding van de soort, vallen ook buiten het broedseizoen onder de definitie van ‘vaste nest- of rustplaatsen’. Deze nesten zijn jaarrond beschermd tenzij ze permanent verlaten zijn. In 2021 heeft de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) de lijst jaarrond beschermde vogelnesten gepubliceerd met onderverdeling in vijf categorieën. Deze categorieën zijn in onderstaand kader toegelicht. Provincies kunnen van deze lijst en categorieën afwijken. De provincie Noord-Brabant hanteert geen eigen categorie indeling en hanteert geen eigen lijst.
10 april 2026
NATUURTOETS HALLENWEG
BK8988-MI-RP-260410-1157
10
Projectgerelateerd
Vogelnesten die het gehele jaar door zijn beschermd Op de volgende categorieën gelden de verbodsbepalingen van artikel 11.37 lid 1b Bal het gehele jaar: 1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats (voorbeeld: steenuil). 2. Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: roek, gierzwaluw en huismus). 3. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: ooievaar, kerkuil en slechtvalk). 4. Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (voorbeeld: boomvalk, buizerd en ransuil). 5. Nesten die niet jaarrond beschermd vanwege voldoende flexibiliteit, tenzij er sprake is van zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden, die jaarronde bescherming van de nesten eisen Bron: RVO 2021. Landelijke lijst.
Provincies kunnen deze lijst aangepast hebben gebaseerd op provinciale omstandigheden Tabel 2-3 Vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest (cat. 1 tot en met 5) in de provincie Noord-Brabant Vogels jaarrond beschermde nesten (categorie 1 t/m 4) Boomvalk
Havik
Ooievaar
Sperwer
Buizerd
Huismus
Ransuil
Steenuil
Gierzwaluw
Kerkuil
Roek
Wespendief
Grote gele kwikstaart
Oehoe
Slechtvalk
Zwarte wouw
Vogels jaarrond beschermde nesten als er sprake is van ecologisch zwaarwegende redenen (categorie 5) Blauwe reiger
Ekster
Kleine bonte specht
Tapuit
Boerenzwaluw
Gekraagde roodstaart
Kleine vliegenvanger
Torenvalk
Bonte vliegenvanger
Glanskop
Koolmees
Zeearend
Boomklever
Grauwe vliegenvanger
Kortsnavelboomkruiper
Zwarte kraai
Boomkruiper
Groene specht
Oeverzwaluw
Zwarte mees
Bosuil
Grote bonte specht
Pimpelmees
Zwarte roodstaart
Brilduiker
Hop
Raaf
Zwarte specht
Draaihals
Huiszwaluw
Ruigpootuil
Eidereend
IJsvogel
Spreeuw
Specifieke zorgplicht (Rode Lijstsoorten) In de Omgevingswet is een specifieke zorgplicht opgenomen, die geldt voor alle dier- en plantensoorten. Echter wordt voor een flora- en fauna-activiteit naast andere beschermde soorten (zoals beschreven in bovenstaande koppen) specifiek gekeken naar beschermde soorten van de Rode Lijst (Artikel 11.27 van het Bal). In de Omgevingswet is opgenomen dat er op basis van objectieve gegevens beoordeeld moet worden of er nadelige gevolgen kunnen optreden voor flora en fauna (hun nesten, foerageerplaatsen, voortplantingsplaatsen, rustplaatsen en eieren). Wanneer dit het geval is moeten passende preventieve maatregelen worden getroffen om nadelige gevolgen te voorkomen. Invasieve exoten Binnen de Omgevingswet zijn regels opgesteld om introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten in de natuur te voorkomen. Deze regels gelden voor een aantal schadelijke exotische planten en dieren die behoren tot de Europese Unielijst. Op deze Unielijst staan soorten die in delen van Europa schade toebrengen (of dat in de toekomst waarschijnlijk zullen gaan doen) aan biodiversiteit en/of ecosystemen. Ze kunnen ook nadelige gevolgen hebben voor menselijke gezondheid, veiligheid of economie. Voor soorten
10 april 2026
NATUURTOETS HALLENWEG
BK8988-MI-RP-260410-1157
11
op deze lijst geldt een Europees verbod op bezit, handel, kweek, transport en import. EU-landen zijn verplicht om in de natuur aanwezige populaties op te sporen en te verwijderen. Wanneer dit niet lukt moeten zij de populatie zodanig beheren dat verspreiding en schade zoveel mogelijk wordt voorkomen.
2.3
Natuurnetwerk Brabant
De natuurgebieden in de provincie Noord-Brabant vormen tezamen het Natuurnetwerk Brabant (hierna: NNB) en het beleidskader hiervoor is vastgelegd in de Provinciale Omgevingsverordening (januari 2025). Het ruimtelijk beleid voor het NNB, is gericht op het behoud, herstel en de ontwikkeling van de kwaliteit van een gebied en het effectief functioneren van de ecologische verbindingszones. De bescherming van deze waarden vindt plaats conform de Provinciale Omgevingsverordeningen. Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op locaties in het NNB, wordt een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toegelaten als deze strekt tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken. Naast de ecologische waarden en kenmerken dient daarbij ook rekening gehouden te worden met rust, stilte en cultuurhistorische waarden en kenmerken. Ecologische kenmerken en waarden zijn vastgelegd in natuurbeheertypenkaarten en ambitiekaarten. De bescherming van deze waarden vindt plaats conform de Provinciale Omgevingsverordeningen. Nieuwe plannen en/of projecten zijn niet toegestaan als deze een significant negatief effect hebben op hierboven beschreven waarden, tenzij daarmee een groot openbaar belang gediend is en er geen reële alternatieven voorhanden zijn.
In dat geval moet de schade zoveel mogelijk beperkt worden door het treffen van mitigerende maatregelen en moet de resterende schade worden gecompenseerd. Hiervoor is goedkeuring (of een verklaring van geen bezwaar) van Gedeputeerde Staten (bevoegd gezag voor Natuurnetwerk Brabant) vereist. Voor de Provincie Noord-Brabant geldt dat toetsing ten aanzien van externe werking op Natuurnetwerk Brabant wel benodigd is.
10 april 2026
NATUURTOETS HALLENWEG
BK8988-MI-RP-260410-1157
12
Projectgerelateerd
3
Beschrijving plangebied en voorgenomen ingreep
3.1
Beschrijving plangebied en de directe omgeving
Het plangebied is gelegen in het industrieterrein van Best. Het plangebied is omsloten door wegen. Tussen de weg en het plangebied aan de noordoostkant ligt een houtsingel met grote abelen met ondergroei van hazelaar en Amerikaanse krentenboompjes. Aan de westkant ligt de Hallenweg en het industrieterrein.
Figuur 3-1 De ligging van het plangebied in de omgeving.
10 april 2026
NATUURTOETS HALLENWEG
BK8988-MI-RP-260410-1157
13
Figuur 3-2 Impressie van het plangebied. Foto Haskoning 2026.
3.2
Voorgenomen ingreep
Om tot het beoogde transportverdeelstation (TVS) te komen (Figuur 3-3) moeten de volgende werkzaamheden plaatsvinden: Aan en afvoer materiaal • Graafwerkzaamheden (kelder van circa 2 diep) • Plaatsen transportverdeelstation • Werkplaats opruimen
Figuur 3-3 Een weergave van de beoogde eindsituatie
10 april 2026
NATUURTOETS HALLENWEG
BK8988-MI-RP-260410-1157
14
Projectgerelateerd
4
Toetsing Natura 2000-gebieden (Voortoets)
4.1
Beschrijving omliggende Natura 2000-gebieden
Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Kempenland West en ligt op circa 10 kilometer afstand van het plangebied (zie Figuur 4-1). Andere Natura 2000-gebieden binnen 25 km zone zijn Vlijmens Ven, Moerputten en Bossche Broek, Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen, Kampina & Oisterwijkse Vennen, Strabrechtse Heide & Beuven en Leenderbos, Groote Heide & de Plateaux De Natura 2000-gebieden zijn aangewezen als Habitatrichtlijngebied (HR) en/of Vogelrichtlijn- (VR) en hebben stikstofgevoelige habitattypen en/of leefgebied.
Figuur 4-1 Ligging van het plangebied ten opzichte van de beschermde Natura 2000-gebieden (Ministerie van LVVN, 2026).
4.2
Bepaling en beoordeling relevante storingsfactoren
Analyse van relevante storingsfactoren (scoping) De voorgenomen activiteit leidt niet tot aanvullend ruimtebeslag in en rond Natura 2000-gebieden en grijpt niet in op het regionale grondwater of watersystemen waar enig Natura 2000-gebied onderdeel van is. Hierdoor is geen sprake van storingsfactoren als verdroging of vernatting. Ook is geen sprake van permanente aanpassingen aan de ruimtelijke inrichting van een Natura 2000-gebied. Er doen zich daarom geen storingsfactoren als oppervlakteverlies of versnippering voor. Ook storingsfactoren als veranderingen door populatiedynamiek en bewuste soortensamenstelling doen zich niet voor. De afstand van de Natura 2000-gebieden tot het plangebied is dusdanig groot dat indirect negatieve effecten door geluid, licht, trillingen en optische verstoring op voorhand uitgesloten kunnen worden. Dit als gevolg van het gegeven
10 april 2026
NATUURTOETS HALLENWEG
BK8988-MI-RP-260410-1157
15
dat emissies van geluid, licht en trillingen, door tussenliggend landgebruik als snelwegen en woonkernen, in combinatie met de afstand, ter plaatse van geen enkele Natura 2000-gebied nog waarneembaar zijn. Daarmee blijven alleen nog storingsfactoren verzuring en vermesting door atmosferische stikstofdepositie over, waarvoor geldt dat significant negatieve effecten niet op voorhand uitgesloten kunnen worden. Deze worden in de volgende paragraaf nader beoordeeld. In Tabel 4-1 is de scoping van de bovengenoemde storingsfactoren samenvattend weergegeven. Met rood is aangegeven of de storingsfactoren mogelijk van toepassing zijn bij de voorgenomen ingreep. Tabel 4-1 Potentiële storingsfactoren in Natura 2000-gebieden. De storingsfactoren die mogelijk van toepassing zijn bij het voornemen zijn met rood gemarkeerd. Storingsfactoren Oppervlakteverlies
Verzilting
Verandering overstromingsfrequentie
Optische verstoring
Versnippering
Verontreiniging
Verandering dynamiek substraat
Verstoring door mechanische effecten
Verzuring door stikstofdepositie uit de lucht
Verdroging
Verstoring door geluid
Verandering door populatiedynamiek
Vermesting door stikstof-depositie uit de lucht
Vernatting
Verstoring door licht
Bewuste verandering soortensamenstelling
Verzoeting
Verandering stroomsnelheid
Verstoring door trilling
Verzuring en vermesting door stikstofdepositie De inzet van werktuigen (met verbrandingsmotoren) tijdens werkzaamheden leidt mogelijk tot een tijdelijke toename in stikstofdepositie in de omgeving van het plangebied. De gebruiksfase leidt niet tot een toename in stikstofdepositie. Een toename van verkeer (met verbrandingsmotoren) is bijvoorbeeld niet aan de orde. In de Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied zijn diverse stikstofgevoelige habitattypen aanwezig. Een toename van stikstofdepositie in deze gebieden kan leiden tot verzuring en/of vermesting. Door verzuring kunnen de daarvoor gevoelige plantensoorten verdwijnen, wat kan resulteren in een verslechtering van de kwaliteit van een habitattype en daarmee mogelijk het verdwijnen van het habitattype. Door vermesting kan een beperkt aantal plantensoorten sterk toenemen (zoals grassen en bramen) ten koste van andere (zeldzame) plantensoorten die vaak gebaad zijn bij weinig stikstof. Dit heeft eveneens een negatief effect op de kwaliteit van het habitattype. Voor diersoorten betekent verzuring en/of vermesting mogelijk verandering van het leefgebied. Significant negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden en bijbehorende instandhoudingsdoelstellingen, als gevolg van verzuring en/of vermesting door stikstofdepositie uit de lucht (tijdens de aanlegfase) zijn niet op voorhand uit te sluiten.
Voor de aanlegwerkzaamheden dient een AERIUS-berekening uitgevoerd te worden. Indien uit deze berekening blijkt dat de toename van stikstof gelijk is aan of meer is dan 0,01 N mol/ha/j ter hoogte van zeer stikstofgevoelige habitattypen zijn vervolgstappen nodig. Dit betreft mogelijke inzet van schoner materieel en een aanvullende ecologische effectbeoordeling stikstofdepositie.
10 april 2026
NATUURTOETS HALLENWEG
BK8988-MI-RP-260410-1157
16
Projectgerelateerd
4.3
Conclusie Natura 2000-toetsing
Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Kempenland West en ligt op circa 10 km afstand van het plangebied. Binnen 25 km rond het plangebied zijn een aantal Natura 2000-gebieden aanwezig waarvan Natura 2000-gebieden stikstofgevoelig zijn. Vanuit het voornemen zijn significant negatieve gevolgen als gevolg van tijdelijke stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden niet op voorhand uitgesloten. Voor het voornemen dient een AERIUS-berekening te worden uitgevoerd en is bij een berekende bijdrage van 0,01 N mol/ha/j of hoger een ecologische beoordeling nodig.
10 april 2026
NATUURTOETS HALLENWEG
BK8988-MI-RP-260410-1157
17
5
Toetsing flora en fauna
5.1
Beschrijving aanwezige biotopen
Het plangebied bestaat uit een intensief beheerd grasland met weinig kruiden. De aanwezig kruiden waren veelal voedselrijk (gewoon biggenkruid, winterpostelein en smalle weegbree) Ten noordwesten van het plangebied is een haag aanwezig. Ten noordoosten van het plangebied is een boomsingel met abelen aanwezig met ondergroei van hazelaar, haagbeuk en Amerikaanse krentenboompjes. Ten zuidwesten van het plangebied is het industrieterrein aanwezig. Aan de andere kant van de boomsingel is de Eindhovenseweg-zuid aanwezig. Dit is een vrij drukke ontsluitingsweg.
Figuur 5-1 Impressie van elementen in het plangebied. Foto’s Haskoning 2026.
5.2
Effectbeoordeling flora en fauna
5.2.1
Vaatplanten
Uit raadpleging van de NDFF-gegevens van de afgelopen 5 jaar volgt dat de volgende beschermde vaatplanten zijn waargenomen in de omgeving van het plangebied: Kartuizer anjer en de schubvaren. Op basis van de verspreidingsgegevens van de NDFF kan worden gesteld dat het gaat om niet wilde exemplaren. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde vaatplanten waargenomen. Waargenomen soorten zijn onder andere: raaigras, winterpostelein, smalle weegbree, gewoon biggenkruid. Daarnaast zijn verder nog de boomsoorten: Abeel (spec), hazelaar, Amerikaans krentenboompje en haagbeuk. Dit duidt op een voedselrijk habitat. Het plangebied is volledig geïnspecteerd op het voorkomen van beschermde vaatplanten. Deze zijn niet aangetroffen. Het voorkomen van beschermde vaatplanten kan op basis van het veldbezoek en habitatgeschiktheid worden uitgesloten.
5.2.2
Grondgebonden zoogdieren
Uit raadpleging van de NDFF-gegevens van de afgelopen 5 jaar volgt dat de volgende beschermde grondgebonden zoogdieren zijn waargenomen in de omgeving van het plangebied: Bever, das, eekhoorn en kleine marterachtigen. Verder kunnen meer algemeen voorkomende beschermde zoogdieren zoals konijn, mol en muizen voorkomen.
10 april 2026
NATUURTOETS HALLENWEG
BK8988-MI-RP-260410-1157
18
Projectgerelateerd
Tijdens het veldbezoek zijn geen zoogdieren waargenomen. Wel zijn er sporen aangetroffen van mol. Bever Bevers hebben hun leefgebied in het overgangsgebied tussen land en water zoals moerassen, langs beken, rivieren en meren. De aanwezigheid van bossen op de oevers is een vereiste, evenals een waterdiepte van minimaal 50 cm. Als verblijfplaats bouwen bevers burchten die bestaan uit zelf gegraven gangen in oevers. Indien steile oevers ontbreken om gangen in te graven, worden hutten van takken, planten en modder in het water of op het land gebouwd (Zoogdiervereniging, 2026). De bever is waargenomen in het kanaal ten zuiden van het plangebied. Op circa 1,5 van het plangebied. Het plangebied zelf is ongeschikt als leefgebied van de bever doordat het ontbreekt aan oppervlaktewater en de geïsoleerde ligging van het plangebied door de omliggende wegen. Het voorkomen van de bever kan op voorhand worden uitgesloten. Das De das leeft in allerlei soorten biotopen, met een voorkeur voor kleinschalig akker- en weidelandschap met verspreide bosjes, heggen en houtwallen. Het leefgebied van de das moet voldoen aan voldoende dekking, weinig verstoring, een groot voedselaanbod en een bodem waarin ze goed kunnen graven, met een grondwaterstand van tenminste 1,5 meter onder het maaiveld. Burchten zijn doorgaans gelegen in bos(jes) of houtwallen.
Foerageergebied omvat weiden, akkerland en bos (Zoogdiervereniging, 2026). Waarnemingen van de das komen uit de bossen ten oosten van het plangebied. Het plangebied biedt geen geschikt leefgebied voor de das door de geïsoleerde ligging, de aanwezige verstoring en het ontbreken van voldoende dekking. Het voorkomen van de das kan op voorhand worden uitgesloten.
Kleine marterachtigen De bunzing komt in allerlei landschapstypen voor. Het dier lijkt echter een voorkeur te hebben voor kleinschalig landschap met voldoende schuilmogelijkheden en water in de nabijheid. Ook in een bebouwde omgeving met veel groen kan de bunzing voorkomen, evenals in open bossen. In de winter wordt de bunzing ook wel in schuurtjes, kelders of hooizolders aangetroffen aangezien deze locaties goede beschutting bieden tegen de kou. De wezel heeft een voorkeur voor open en droog natuur- en cultuurlandschap, maar komt tevens voor in allerlei andere soorten habitat zoals bossen, duinen, wei- en akkerland. De hermelijn komt voor in vergelijkbaar habitat met als uitzondering dat de soort ook voorkomt op vochtig terrein. Voor alle drie de soorten kleine marters geldt dat goede schuilmogelijkheden met voldoende rust en de aanwezigheid van geschikt voedsel (met name woelmuizen) een vereiste is voor het voorkomen (Zoogdiervereniging, 2026). Er zijn waarnemingen gedaan van bunzing en wezel in de ruimere omgeving van het plangebied. Binnen het plangebied is geen geschikt leefgebied aanwezig door het ontbreken aan dekking en rust. Wel kan de boomsingel dienen als migratieroute. Deze wordt echter niet aangetast. Steenmarter De steenmarter komt voornamelijk voor in de nabijheid van dorpen en boerderijen en tegenwoordig ook in grote steden.
Daarbij is de aanwezigheid van elementen zoals groenstroken, heggen, bosjes, greppels en bermen van belang, omdat de steenmarter daar zijn voedsel zoekt. De soort heeft vaak zijn verblijfplaats in gebouwen, zoals op zolders, in kruipruimtes, spouwmuren of ruimten onder de dakbedekkingen. Echter, ook boomholtes, takkenhopen en dichte struwelen waar weinig verstoring is, zijn geschikt als (voortplantings-) verblijfplaats voor de steenmarter (zoogdiervereniging, 2026). De steenmarter is waargenomen in de omgeving van het plangebied. Het plangebied is ongeschikt als verblijfplaats voor steenmarter door het ontbreken geschikte elementen met voldoende dekking. Wel kan de steenmarter sporadisch de bomenrij gebruiken voor migratie. Echter is in de omgeving beter en meer alternatief foerageergebied aanwezig, waardoor er geen sprake is van essentieel foerageergebied.
10 april 2026
NATUURTOETS HALLENWEG
BK8988-MI-RP-260410-1157
19
Effectbeoordeling Het plangebied betreft een intensief beheerd grasland tussen wegen (Hallenweg en de EindhovensewegZuid) in. Het plangebied biedt dan ook geen geschikt foerageergebied, verblijf- of voortplantingsplaatsen voor bever, das, kleine marterachtigen en steenmarter. Wel kunnen kleine marterachtigen en steenmarter mogelijk migrerend voorkomen. Het verstoren van eventueel migrerende individuen van kleine marterachtigen en steenmarter is echter geen overtreding op de Ow.. Algemeen voorkomende vrijgestelde grondgebonden zoogdieren Het plangebied, is geschikt als leefgebied voor algemeen voorkomende vrijgestelde grondgebonden zoogdiersoorten zoals mol, muizen. Vaste voortplantings- of rustplaatsen (holen) van deze soorten zijn tijdens het veldbezoek waargenomen. Door voorzichtig de graafwerkzaamheden uit te voeren kunnen overtredingen op de Ow op voorhand worden uitgesloten.
5.2.3
Vleermuizen
Uit raadpleging van de NDFF-gegevens van de afgelopen 5 jaar volgt dat de volgende vleermuissoorten zijn waargenomen in de omgeving van het plangebied: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en rosse vleermuis. Op basis van de verspreidingsgegevens (VZZ, 12 februari 2026) kunnen daarnaast nog de volgende soorten vleermuizen voorkomen: bosvleermuis, meervleermuis, rosse vleermuis en tweekleurige vleermuis. Vleermuizen worden in vrijwel het gehele land waargenomen. Ze maken gedurende een jaar gebruik van meerdere type verblijfplaatsen (zomer-, kraam-, paar- en winterverblijfplaatsen). Vleermuizen kunnen globaal opgedeeld worden in boombewonende soorten (zoals rosse vleermuis) en gebouwbewonende soorten (zoals laatvlieger en gewone dwergvleermuis). Een aantal soorten maken zowel van gebouwen als van bomen gebruik als verblijfplaats (bijvoorbeeld ruige dwergvleermuis). Vleermuizen foerageren over het algemeen op relatief windluwe plaatsen, zoals tuinen en langs bosranden. Om van de verblijfplaats naar foerageergebied te komen (en andersom) wordt gebruikt gemaakt van zogenaamde vliegroutes, die bestaan uit lijnvormige elementen zoals bomenrijen en watergangen. Deze lijnvormige elementen kunnen tevens dienen als migratieroute van soorten die buiten Nederland overwinteren. Verblijfplaatsen (zomer-kraam-paar-winter-) Het plangebied bevat geen gebouwen en geen bomen.
Daarnaast zijn geen holtes aangetroffen in de bomen in de bomenrij. Het voorkomen van vaste rust- en verblijfplaatsen is daarom uitgesloten. Vliegroutes De boomsingel ten noordoosten van het plangebied kan mogelijk dienen als vliegroute voor vleermuizen. Deze blijft echter onaangetast waardoor negatieve effecten kunnen worden uitgesloten mits er voorzorgsmaatregelen worden getroffen. Foerageergebied Het is mogelijk dat vleermuizen in en rondom het plangebied foerageren. Gezien het plangebied weinig kruidenrijk is en er voldoende alternatieven in de omgeving aanwezig zijn, is dit geen essentieel foerageergebied, maar kan er wel verstoring ontstaan van individuele foeragerende vleermuizen.
10 april 2026
NATUURTOETS HALLENWEG
BK8988-MI-RP-260410-1157
20
Projectgerelateerd
Effectbeoordeling Aanlegfase: Hoewel binnen het plangebied geen verblijfplaatsen, essentieel foerageergebied of essentiële vliegroute aanwezig is, kunnen de werkzaamheden leiden tot verstoring op langsvliegende en foeragerende vleermuizen. Wanneer in de actieve periode van de vleermuizen (half maart t/m half november) in de nacht wordt gewerkt (alleen bij noodzaak) dienen maatregelen getroffen te worden om verstoring en daarmee een overtreding van de Ow te voorkomen. Gebruiksfase: Verlichting van het verdeelstation kan een permanente verstoring zijn voor langsvliegende en foeragerende vleermuizen. Dit is een overtreding van de Omgevingswet (artikel 11.46, lid 1b, van het Bal). Dit effect kan worden voorkomen door aangepaste verlichting te plaatsen. Denk hierbij aan: • Alleen strikt noodzakelijke verlichting gebruiken • Amberkleurig licht • Uitstraling beperken Voorzorgsmaatregelen en vervolgstappen Om het verstoren van foeragerende of langsvliegende vleermuizen in de omgeving van het plangebied (en overtreding van verbodsartikelen van de Ow) te voorkomen zijn de volgende maatregelen nodig: ▪ De aanlegwerkzaamheden bij daglicht uit te voeren van zonsopkomst tot zonsondergang of bij nachtelijke werkzaamheden aangepaste verlichting te gebruiken die gericht is op de bouwplaats en niet op het omringende landschap.
▪ In de gebruiksfase wordt aangepast licht gebruikt dat zo min mogelijk effecten heeft voor de vleermuizen. De maatregelen tijdens de aanlegwerkzaamheden is van toepassing indien gewerkt wordt in de actieve periode van vleermuizen. Indien buiten de actieve periode van vleermuizen gewerkt wordt, (half november t/m half maart), zijn geen aanvullende maatregelen nodig en kan regulier licht worden toegepast. Hierbij moet wel alsnog worden voorkomen dat licht verstrooit naar de omgeving ten aanzien van leefgebieden van bijvoorbeeld zoogdieren en vogels. Voorgenoemde voorzorgsmaatregelen dienen door (of ten minste onder begeleiding van) een ecologisch deskundige voor de uitvoering verder te worden uitgewerkt in een ecologisch werkprotocol (hierna EWP).
5.2.4
Vogels
Uit de gegevens van de NDFF is gebleken dat in de omgeving van het plangebied waarnemingen bekend zijn van verschillende soorten broedvogels met zowel jaarrond als niet-jaarrond beschermde nesten. Op basis van de verspreidingsgegevens kunnen onder andere koolmees, pimpelmees, zwarte kraai, merel en ekster voorkomen. Tijdens het veldbezoek zijn de volgende vogelsoorten waargenomen: merel, roodborst, koolmees, pimpelmees, zwarte kraai, houtduif. Tijdens het veldbezoek zijn meerdere algemene nestlocaties aangetroffen. In de bomenrij zijn nesten aanwezig van vermoedelijk houtduif en ekster. Vogels met jaarrond beschermde nesten De nesten van een aantal vogelsoorten zijn jaarrond beschermd. Deze nesten zijn beschermd omdat ze jaarrond worden gebruikt, of omdat een soort zeer honkvast is en er elk jaar naar terugkeert en moeilijk in staat is om een nieuw nest te maken. Dit kan zowel gaan om soorten die broeden in bebouwing als om soorten die broeden in bomen.
10 april 2026
NATUURTOETS HALLENWEG
BK8988-MI-RP-260410-1157
21
Tijdens het veldbezoek zijn de bomen in de omgeving van het plangebied geïnspecteerd op de aanwezigheid van grote nesten of horsten, deze zijn niet waargenomen. Verder zijn geen braakballen of krijtsporen waargenomen. De aanwezigheid van potentieel jaarrond beschermde nesten van boom broedende soorten als: ransuil, buizerd, boomvalk en sperwer is daarom uitgesloten in de bomen nabij het plangebied. Wel is een nest van een ekster aangetroffen. Dit betreft een categorie 5 soort (zie tabel 2-3). Dat wil zeggen dat het nest beschermd is wanneer er ecologisch zwaarwegende redenen zijn. Dat is hier niet aan de orde. Gezien het nest wel behouden blijft en er maatregelen getroffen worden ten aanzien van algemene soorten, zijn negatieve effecten op het nest op voorhand uitgesloten. In het plangebied zijn geen gebouwen aanwezig. De aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van vogelsoorten die in gebouwen broeden, zoals huismus en gierzwaluw, is op voorhand uitgesloten. Vogels zonder jaarrond beschermd nest In het plangebied is geen geschikt leefgebied aanwezig voor deze vogelsoorten om tot broeden te komen. In de directe omgeving kunnen algemene broedvogels zoals merel en houtduif wel voorkomen. Gezien er ook nesten zijn aangetroffen is het aannemelijk dat algemene broedvogels binnen de invloedssferen van de werkzaamheden voorkomen.
Effectbeoordeling Aanlegfase Wanneer de werkzaamheden worden uitgevoerd in het broedseizoen kunnen broedende vogels in de directe omgeving worden verstoord. Wanneer broedende vogels voortijdig het nest verlaten, geldt dit als het opzettelijk vernietigen en beschadigen van nesten en eieren van vogels. Dit is een overtreding van artikel 11.37, lid 1 b van de Ow. Het broedseizoen valt voor de meeste soorten tussen half maart en half augustus. Ook daarbuiten is het mogelijk dat broedende vogels worden aangetroffen. Een houtduif kan bijvoorbeeld nog tot half oktober broeden. Voorzorgsmaatregelen en vervolgstappen Vergunning voor vernietiging van broedgevallen wordt in principe niet verleend, waardoor het voorkomen van (langdurige) verstoring of vernietiging van broedgevallen noodzakelijk is. Het verstoren van broedgevallen is te voorkomen door: ▪ Buiten het broedseizoen te werken, of; ▪ Indien gewerkt wordt in het broedseizoen, de werkzaamheden ecologisch te laten begeleiden zodat gewerkt wordt buiten de verstoringsafstand van aanwezige broedgevallen. Methoden om tijdens het broedseizoen door te kunnen werken, zijn niet “waterdicht”; het is vaak niet te garanderen dat broedgevallen niet zullen optreden. Buiten het broedseizoen werken heeft dan ook de voorkeur om overtreding van de Ow ten aanzien van broedvogels te voorkomen.
Het broedseizoen loopt grofweg van maart tot augustus, afhankelijk van de weersomstandigheden. Het is echter mogelijk dat buiten deze periode ook broedgevallen aanwezig zijn. Het is daarom van belang om het terrein enkele dagen voor aanvang van de werkzaamheden te laten inspecteren door een ter zake kundig ecoloog. In de periode van november tot en met januari is dit niet nodig omdat de kans op broedgevallen dan nihil is.
5.2.5
Vissen en amfibieën
Het plangebied bevat geen watergang of -partij. Het voorkomen van vissen binnen het plangebied is daarom op voorhand uitgesloten. De watergang ten oosten van het plangebied is beschoeid waardoor amfibieën nabij het plangebied er niet uit kunnen. Hierdoor is het voorkomen van amfibieën eveneens uitgesloten.
10 april 2026
NATUURTOETS HALLENWEG
BK8988-MI-RP-260410-1157
22
Projectgerelateerd
5.2.6
Ongewervelden
Onder beschermde ongewervelden vallen verschillende soortgroepen, namelijk (dag/nacht)vlinders, libellen, kevers, slakken en kreeften. Van de groep mieren, krekels, bijen en hommels staan geen soorten op de beschermde lijst. Uit de NDFF blijkt dat de volgende soorten in de ruimere omgeving van het plangebied voorkomen: Bosbeekjuffer, gevlekte witsnuitlibel, Teunisbloempijlstaart en grote vos voorkomen. Deze zijn vaak gebonden aan specifieke leefgebieden en waardplanten (beken, kruiden als teunisbloemen, harig wilgenroosje en vrijstaande bomen). Het plangebied betreft een intensief beheerd grasland. Deze leefgebieden zijn dan ook niet aanwezig binnen het plangebied waardoor het voorkomen van beschermde ongewervelden op voorhand kan worden uitgesloten.
5.2.7
Rode lijst soorten
In de Ow is de specifieke zorgplicht opgenomen waarbij specifiek dieren en planten van de Rode lijst soorten worden benoemd. In de Ow is opgenomen dat er op basis van objectieve gegevens vastgesteld moet worden of er nadelige gevolgen kunnen optreden voor dieren van de Rode lijst, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en/of hun eieren. Indien dit het geval is dienen passende preventieve maatregelen getroffen te worden om nadelige gevolgen te voorkomen. Daarom is er aanvullend in de NDFF een check gedaan op het voorkomen van Rode lijst soorten in de directe omgeving van het plangebied. Uit de geraadpleegde gegevens van de NDFF blijkt dat geen Rode lijst soorten zijn waargenomen in of nabij het plangebied. De Rode lijst is een uitgebreide lijst met soorten uit allerlei soortgroepen. De lijst omvat ook soorten waarvan de ecologie niet goed bekend is. De soorten van de Rode lijst worden daarom ook niet altijd goed onderzocht of gemonitord. Zeker buiten natuurgebieden, er is weinig bekend over de verspreiding van veel Rode lijstsoorten. Gezien het hier een intensief beheerd grasland betreft kunnen negatieve effecten op rode lijst soorten op voorhand worden uitgesloten.
5.3
Conclusie toetsing flora en fauna
Het onderstaande overzicht (Tabel 5-1) geeft een samenvatting van de mogelijk voorkomende beschermde soorten in en rondom het plangebied en de hierboven beschreven effecten. In deze samenvatting is ook beschreven of nader vervolgonderzoek of een vergunning noodzakelijk is.
10 april 2026
NATUURTOETS HALLENWEG
BK8988-MI-RP-260410-1157
23
Tabel 5-1. Overzicht van mogelijk voorkomende soorten in het plangebied, waarvoor geldt dat het optredende van negatieve tijdelijke en/of permanente effecten, en een overtreding van de Ow niet op voorhand uitgesloten is. Er is aangegeven welke vervolgstappen noodzakelijk zijn. Soortgroep
Soort(en)
(Mogelijke) effecten en bijbehorende Verbodsbepaling Ow
Vervolgstappen/ Voorzorgsmaatregelen
Grondgebonden zoogdieren
Algemeen voorkomende soorten als haas, mol, ree en vos
Doding en verwonding van individuen (Art. 11.54, lid 1a) & vernietiging van vaste rust- en of verblijfplaatsen (Art. 11.54, lid 1b)
Nemen voorzorgsmaatregelen specifieke zorgplicht
Vleermuizen
Foeragerende en langsvliegende soorten
Verstoring van individuen (Art. 11.46, lid 1b)
Aanlegwerkzaamheden buiten kwetsbare periode uitvoeren. Indien dit niet kan, alleen overdag werken. Gebruiksfase: aanbrengen van aangepaste verlichting om negatieve effecten te voorkomen.
Broedvogels
10 april 2026
Algemeen voorkomende brodvogels
Vernieling van nesten (Art. 11.37, lid 1b)
NATUURTOETS HALLENWEG
Buiten broedseizoen werken. Indien dit niet mogelijk is, vooraf controle door ecoloog (met risico op uitstel)
BK8988-MI-RP-260410-1157
24
Projectgerelateerd
6
Toetsing NNN en overige planologisch beschermde gebieden
6.1
Aanwezige NNN-gebieden en overige planologische beschermde gebieden
Aanwezige NNN-gebieden Het plangebied maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het dichtstbijzijnde NNNgebied ligt op circa 200 meter afstand van het plangebied (zie Figuur 7-1). Hiervoor is gebruik gemaakt van webviewer van provincie Noord-Brabant.
Figuur 7‑1. De Ligging van het plangebied (weergegeven in rood) ten opzichte van Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Effectbeoordeling Het plangebied ligt niet in het NNB en de afstand tussen het plangebied en het NNB is dusdanig (200 meter) en de werkzaamheden kleinschalig genoeg dat het bosschage naast het plangebied mogelijke negatieve effecten zoals geluid en trilling al voldoende tegenhoudt. Negatieve effecten op het NNB zijn daarom uitgesloten.
6.2
Conclusie NNN en overige planologisch beschermde gebieden
Het plangebied maakt geen deel uit van NNN en/of overige planologisch beschermde gebieden. De werkzaamheden hebben ook geen effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden. Er zijn geen vervolgstappen nodig.
10 april 2026
NATUURTOETS HALLENWEG
BK8988-MI-RP-260410-1157
25
7
Conclusie en aanbevelingen
Enexis is voornemens een transportverdeelstation aan te leggen langs de Hallenweg in Best. Het voornemen zoals beschreven in hoofdstuk 3 is getoetst aan de kaders van de natuurwet- en regelgeving. Als het plan en de uitgangspunten wijzigen dient contact opgenomen te worden met de begeleidend ecoloog om te bepalen of deze natuurtoets nog volstaat.
7.1
Natura 2000
Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Strabrechtse Heide & Beuven en ligt op ongeveer 18 kilometer afstand van het plangebied. In totaal zijn er binnen 25 km rond het plangebied zijn drie Natura 2000gebieden aanwezig (Strabrechtse Heide & Beuven, Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux en Deurnsche Peel & Mariapeel) die alle drie stikstofgevoelig zijn. Vanuit het voornemen zijn significant negatieve gevolgen als gevolg van tijdelijke stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden niet op voorhand uitgesloten. Voor het voornemen dient een AERIUS-berekening te worden uitgevoerd en is bij een berekende bijdrage van 0,01 N mol/ha/j of hoger een ecologische beoordeling nodig.
7.2
Flora en fauna
In het plangebied kunnen mogelijk beschermde zoogdieren, vogels en vleermuizen voorkomen. Deze soorten kunnen gebruik maken van het plangebied en de directe omgeving als leefgebied. Voor de zoogdieren, vogels en vleermuizen zijn negatieve effecten en een overtreding van de Ow te voorkomen door het nemen van voorzorgsmaatregelen zoals beschreven in hoofdstuk 5. Er is voor deze soorten geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen van de Ow en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna- activiteit is niet noodzakelijk.
7.3
NNB
Het plangebied maakt geen deel uit van NNB en/of overige planologisch beschermde gebieden. De werkzaamheden hebben ook geen effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden. Er zijn geen vervolgstappen nodig.
7.4
Advies bovenwettelijke maatregelen
Het project biedt kansen om, in aanvulling op de beoogde werkzaamheden, de ecologische kwaliteit van het plangebied te verbeteren. Dit hoofdstuk beschrijft enkele kansrijke maatregelen die Enexis kan nemen binnen het plangebied kan nemen om de ecologische kwaliteit van het gebied te verbeteren. Omdat de voorgestelde maatregelen geen verplichting vormen vanuit de Omgevingswet, wordt voor deze maatregelen de term “bovenwettelijke maatregelen ecologie” gebruikt. Zie bijlage 1 voor een toelichting op het belang van deze bovenwettelijke maatregelen. Door het nemen van enkele bovenwettelijke maatregelen, kan de ecologische kwaliteit van het plangebied verbeterd worden. Groendaken Groendaken bieden niet alleen voedsel en schuilmogelijkheden voor vogels en insecten, maar hebben ook een verkoelende en isolerende werking. Bij groendaken kan het onderscheid gemaakt worden tussen extensieve groendaken en intensieve groendaken. In dit geval zou een extensief groendak een optie bieden.
10 april 2026
NATUURTOETS HALLENWEG
BK8988-MI-RP-260410-1157
26
Projectgerelateerd
Extensieve groendaken Extensieve groendaken hebben een dunnere voedingsbodem, zijn lichter dan intensieve groendaken en bestaan veelal uit een beperkte verscheidenheid aan plantensoorten. Het gaat vooral om laagblijvende vegetatie, zoals vetplanten. Dit wordt ook wel een sedumdak genoemd. Doordat de beplanting meestal bewaterd kan worden met regenwater en de vegetatielaag blijft, is het onderhoud aan deze daken lager dan bij intensieve groendaken. Sedumdaken worden soms aangelegd doormiddel van kant-en-klare cassettes. Deze worden afgeraden, omdat dit in de toekomst zal leiden tot onnodig (plastic) afval. Sedumdaken hebben een grotere meerwaarde voor biodiversiteit dan een regulier dak met bijvoorbeeld dakleer. Insectenvoorziening Een nestheuvel is eenvoudig te maken door een hoop (zavel houdende)grond op een zonbeschenen plek neer te leggen. Er komt veel zand vrij door de graafwerkzaamheden en deze zou gemengd kunnen worden met zavel om een nestheuvel te maken voor grondbijen. De nestheuvel moet op een zonnige plek worden aangelegd. Deze moet in het midden tussen de 60-80 cm hoog zijn. Om de heuvel wat te verstevigen kan het zand lichtjes worden aangedrukt. (Stichting landschapsbeheer Zeeland) Alleen wanneer er voldoende groen is gerealiseerd, is het plaatsen van een insectenvoorziening zinvol. Derhalve is het van belang dat er ook bloemrijke planten worden aangebracht.
Deze kunnen een goede aanvulling zijn om het leefgebied voor de insecten compleet te maken. Daarnaast kan een extensiever beheer ook helpen met het spontaan opkomen van kruiden en nectarrijke vegetatie.