26017.10 - Weging waterbelang Hallenweg
Tekst van het document
Haskoning Nederland B.V. Mobility & Infrastructure
Notitie Aan: Van: Datum: Kopie: Ons kenmerk: Classificatie: Gecontroleerd door
Enexis MVe (Haskoning) 30 maart 2026 BK8988-MI-ME-260330-1129 Projectgerelateerd HvD (Haskoning)
Onderwerp:
Weging van het waterbelang Transportverdeelstation Hallenweg Best
1
Inleiding
Enexis heeft het voornemen om op perceel 4676 aan de Hallenweg in Best een transportverdeelstation te ontwikkelen. Momenteel is het huidige perceel onbebouwd en is de huidige situatie ingericht als gras. Bij nieuwe ontwikkelingen is het belangrijk dat de waterbelangen in het gebied goed in beeld zijn. Bij het vaststellen van het omgevingsplan en het opstellen omgevingsvergunning of -verordening (conform art. 5.37 van het Besluit kwaliteit Leefomgeving (Bkl)) dienen de waterbelangen, de opvattingen van gemeente/ waterschap en de effecten van de ontwikkelingen opgenomen te worden in de weging van het waterbelang. Voor water geldt de opgave dat er hydrologisch neutraal gebouwd moet worden. Dit betekent dat de bouw geen negatieve effecten mag hebben op de waterhuishouding in de omgeving (riolering, grondwater & oppervlaktewater). Haskoning is gevraagd om meer inzicht te geven in de waterhuishoudkundige aspecten van de nieuwe ontwikkeling. In deze notitie wordt als eerste ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied, gevolgd door het beleid van de gemeente Best en waterschap De Dommel. Vervolgens wordt de toekomstige situatie beschreven, waarbij voor de hemelwaterverwerking op het terrein, de benodigde waterberging, de mogelijke invulling en de afvoer wordt besproken. Als laatste wordt kort de mogelijke effecten op het grondwater besproken.
30 maart 2026
BK8988-MI-ME-260330-1129
1/19
2
Huidige situatie
2.1
Locatiebeschrijving
Het transportverdeelstation is gelegen op kadastraal perceel 4676 in de gemeente Best en wordt aan de westzijde begrensd door de straat Hallenweg. Aan de noordzijde grenst het perceel aan een parkeerplaats en aan de zuidzijde is het terrein onverhard (gras). Ten westen grenst het gebied aan een bomenrij. Het plangebied heeft een totaal oppervlak van ca. 360 m2. In de huidige situatie is het perceel grasland. In Figuur 1 is de locatie van het perceel weergegeven.
Figuur 1 Locatie transportverdeelstation Hallenweg Best
30 maart 2026
BK8988-MI-ME-260330-1129
2/19
2.2
Maaiveldhoogte
In Figuur 2 is een overzicht weergegeven van de bestaande maaiveldhoogte ter plaatse van de geplande ontwikkeling. De bestaande maaiveldhoogte op het perceel ligt op ongeveer NAP +17,3 m en loopt in het oosten af tot NAP +17,2 m. Ten zuiden ligt het gebied ongeveer 20 centimeter lager dan het plangebied; de rest van de directe omgeving ligt op vergelijkbare hoogte. De Hallenweg ten zuidoosten van het plangebied ligt op ongeveer NAP +17,3.
Figuur 2 Maaiveldhoogte plangebied (bron: AHN5)
2.3
Bodemopbouw
Regionale bodemopbouw In Tabel 1 is een overzicht gegeven van de regionale bodemopbouw ter plaatse van de projectlocatie op basis van de gegevens van TNO (BRO REGIS II). Vanaf het maaiveld wordt een zandige eenheid aangetroffen van circa 3 meter dik. Dit pakket wordt aan de onderzijde afgesloten door een kleiige eenheid met een dikte van ca. 3 m. Daaronder bevindt zich een dik watervoerend pakket met een horizontale doorlatendheid van 2,5 tot 5 m/d. Dit pakket wordt afgesloten door een kleiige eenheid van circa 9 m dik. Vanaf NAP -13 m wordt een zandige eenheid (watervoerend pakket) aangetroffen met een horizontale doorlatendheid van 5 tot 10 m/d. In Figuur 3 is een dwarsprofiel opgenomen van de regionale bodemopbouw ter plaatse van het plangebied. Meer dan 300 meter van de projectlocatie bevindt zich een voormalige stortplaats. In het historisch bodemonderzoek wordt toegelicht of deze stortplaats een effect heeft op de projectlocatie. Andere typen bodemverontreinigingen zijn nog niet onderzocht binnen de projectlocatie.
30 maart 2026
BK8988-MI-ME-260330-1129
3/19
Tabel 1 Regionale bodemopbouw projectlocatie (bron: TNO, BRO REGIS II v2.2.3)
Doorlatendheid (Kv) [m/d]
Doorlatendheid (Kh) [m/d]
Diepte* [m+NAP]
Geohydrologische schematisatie **
Formatie
Sediment
+18 tot +15
Deklaag/WVP
Formatie van Boxtel
Zandige eenheid
+15 tot +12
SDL
Formatie van Boxtel
Kleiige eenheid
+12 tot -4
WVP
Formatie van Boxtel
Zandige eenheid
-4 tot -13
SDL
Formatie van Boxtel
Kleiige eenheid
-13 tot 18
WVP
Formatie van Boxtel
Zandige eenheid
5 tot 10
-18 en dieper
WVP
Formatie van Sterksel
Formatie van Boxtel
50 tot 100
2,5 tot 5 0,001 tot 0,005 2,5 tot 5 0,005 tot 0,01
* Gemiddelde diepte ** WVP = watervoerend pakket, SDL = slecht doorlatende laag
30 maart 2026
BK8988-MI-ME-260330-1129
4/19
Figuur 3 Lengteprofiel regionale bodemopbouw (bron: BRO, REGIS II)
30 maart 2026
BK8988-MI-ME-260330-1129
5/19
Lokale bodemopbouw In DINOloket zijn drie boorprofielen in de directe omgeving aangetroffen. Deze bevinden zich in de onverharde berm en Hallenweg, zie Figuur 4. Op basis van deze boringen is te concluderen dat de lokale bodem opgebouwd is uit fijn tot matig zand. De aanwezigheid van klei- en leemlagen in dit zandpakket door zijn nog niet uit te sluiten aan de hand van deze gegevens.
Figuur 4 Boorprofielen B51B0369, B51B1838 en B51B0018 rondom projectlocatie (bron: Dinoloket)
30 maart 2026
BK8988-MI-ME-260330-1129
6/19
2.4
Grondwater
In Figuur 5 is een overzicht gegeven van de isohypsen (lijnen met gelijke stijghoogte van de gemiddelde grondwaterstand). Te zien is dat de gemiddelde grondwaterstand nabij het plangebied op ca. NAP +16,2m ligt. Uitgaande van de bestaande maaiveldhoogte variërend van NAP +17,2m tot NAP +17,3m, wordt de gemiddelde grondwaterstand ter hoogte van het plangebied op ruim 1 m-mv aangetroffen.
Figuur 5 Gemiddelde grondwaterstand (bron: Geologische Dienst Nederland)
In de directe omgeving zijn drie peilbuizen aanwezig (B51B0391, B51B0395 en B51B1831). Figuur 6 geeft het verloop van de gemeten grondwaterstanden in de betreffende peilbuizen weer. De GHG (gemiddelde hoogste grondwaterstand) wordt bepaald aan de hand van de 90-percentiel. De gemeten 90-percentiel ligt op 60 cm-mv (NAP +16,7m) en 180cm-mv (NAP +15,9m) bij de gemeten locaties. Het maaiveld bij peilbuis B51B0391 ligt 1 meter lager dan de projectlocatie en het filter is mogelijk onder een kleilaag aangelegd. Hierdoor is het aannemelijk dat de GHG op de projectlocatie hoger ligt dan getoonde GHG-hoogte van NAP +14,45 m. Op de projectlocatie is in diverse voorjaren tussen 1989 en 1994 een grondwaterstand van 1,0 tot 1,2 mmv gemeten, zie Figuur 7. Deze metingen zijn uitgevoerd nadat het huidige industrieterrein was aangelegd. Aangezien de gegevens inmiddels verouderd zijn, kunnen zij niet meer worden meegenomen bij de bepaling van de GHG. Aan de hand van deze gegevens is nog geen GHG vast te stellen, maar vermoedelijk ligt de GHG minimaal 60 cm-mv op de projectlocatie (ca. NAP +16,7m). Vervolgonderzoek is nodig om de definitieve GHG vast te stellen.
30 maart 2026
BK8988-MI-ME-260330-1129
7/19
Figuur 6 Gemeten grondwaterstand in peilbuizen B51E0176 en B51E0032 (bron: Geologische Dienst Nederland)
Figuur 7 Gemeten grondwaterstanden op projectlocatie (voor locatie van peilbuis B51B0369, zie Figuur 4)
30 maart 2026
BK8988-MI-ME-260330-1129
8/19
2.5
Oppervlaktewater
Ten zuiden van het plangebied ligt het Wilhelminakanaal en deze is in beheer van Rijkswaterstaat, zie Figuur 8. Benedenstrooms van het projectgebied bevindt zich een sluis in Haghorst. Het streefpeil bovenstrooms van deze sluis is NAP +15,0 m. Deze sluis bevindt zich op ca. 15 kilometer benedenstrooms van de projectlocatie. Ter hoogte van de projectlocatie werd in februari 2021 een waterstand van NAP +15,4 m gemeten (bron: AHN4) en in april 2024 een waterstand van NAP +15,5 m gemeten (bron: AHN5). Op basis van deze gegevens is het aannemelijk dat het water in het Wilhelminakanaal ter hoogte van de projectlocatie ongeveer 0,5 m hoger opstuwt dan het streefpeil in Haghorst.
Figuur 8 Ligging oppervlaktewater
30 maart 2026
BK8988-MI-ME-260330-1129
9/19
2.6
Bestaande riolering
In Figuur 9 is een overzicht weergegeven van de bestaande riolering rondom het plangebied. In het plangebied is momenteel geen riolering aanwezig. In de Hallenweg is naast een vuilwaterstelsel een hemelwaterstelsel (ø300mm) aanwezig. Het hemelwater afkomstig van het ten westen gelegen industrieterrein is volledig afgekoppeld en stroomt via het hemelwaterstelsel af richting het Wilhelminakanaal. Aan de noordzijde van het industrieterrein in de Willem de Zwijgerweg is het hemelwaterstelsel met een hoge verbinding aangesloten op het bestaande gemengde stelsel.
Figuur 9 Bestaand rioolstelsel (bron: export rioolbeheermodel gemeente Best)
30 maart 2026
BK8988-MI-ME-260330-1129
10/19
3
Beleid
In verschillende beleidsvisies wordt gestreefd naar een veilig, gezond, duurzaam en robuust watersysteem in landelijk en stedelijk gebied. In dit hoofdstuk wordt kort een overzicht gegeven van de belangrijkste beleidsuitgangspunten die van toepassing zijn voor deze weging van het waterbelang
3.1
Beleid Waterschap De Dommel
Het waterbeleid van Waterschap De Dommel is verwoord in: • Waterbeheerplan ‘Waardevol water’ 2022-2027; • Waterschapsverordening Waterschap De Dommel; • Watak (Waterakkoord Midden Limburgse en Noord-Brabantse Kanalen 2021). Waterbeheerplan 2022-2027 Het Waterbeheerprogramma (WBP) van Waterschap De Dommel omschrijft de koers en de ambities van het waterschap voor de periode 2022 – 2027. Dit Waterbeheerprogramma maakt onderdeel uit van een groter geheel aan beleidsplannen. Het waterschap werkt aan een toekomstbestendige leefomgeving, waarvoor een toekomstbestendige waterhuishouding nodig is. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in het hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water.
De drietal disciplines (elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt, functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan en wat schoon is moet schoon blijven) geven betekenis aan de ambitie en de gewenste situatie in het beheergebied. Waterschapsverordening Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema's/speerpunten uit het waterbeheerplan en heeft het waterschap een eigen verordening; Waterschapsverordening. De Waterschapsverordening van Waterschap De Dommel (2024) bevat regels voor activiteiten die invloed hebben op het watersysteem, zoals werken aan beken, sloten, waterkeringen en gemalen. De verordening vervangt de oude Keur en sluit aan op de Omgevingswet, waardoor regels digitaal en gebiedsgericht zijn. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt een algemene zorgplicht om nadelige gevolgen voor het watersysteem te voorkomen. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De legger Een kaart waarop alle aanwezige sloten en beken (waterlopen) en dijken (waterkeringen), inclusief ‘kunstwerken’ zoals stuwen, sluizen, gemalen e.d. zijn opgenomen. Verder is in de legger aangegeven wie verantwoordelijk is voor het beheer en onderhoud en waar de beschermingszones liggen.
30 maart 2026
BK8988-MI-ME-260330-1129
11/19
3.2
Toepassing beleid waterschap De Dommel
Voor de afvoer van het hemelwater geldt het uitgangspunt ‘hydrologisch neutraal ontwikkelen’. Dit houdt in dat het hemelwater dat op daken en verhardingen valt, niet versneld mag worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. Voor dit hemelwater geldt de waterkwantiteitstrits (1. is meest wenselijk; 4. het minst wenselijk): 1. Hergebruik van hemelwater. 2. Vasthouden/infiltreren. 3. Bergen. 4. Afvoeren naar oppervlaktewater. Deze trits dient bij afvoer van hemelwater afkomstig van nieuwe plannen doorlopen te worden en beargumenteerd te worden waarom voor welke optie gekozen wordt. Als hergebruik en infiltratie niet mogelijk zijn, is het noodzakelijk om water te bergen. Deze berging dient op eigen terrein en boven de GHG (gemiddeld hoogste grondwaterstand) gerealiseerd te worden. Het is wettelijk verplicht om de hemelwaterafvoer zo te ontwerpen dat het hemelwater niet wordt afgewenteld op de omgeving. De directe omgeving mag geen wateroverlast ervaren van de nieuwe ontwikkeling. De afvoer vanuit de berging mag niet meer bedragen dan de afvoer in de oorspronkelijke situatie. Deze afvoer is locatie gebonden en varieert grofweg van 0,1 tot 2 l/s/ha. Daarnaast dient er aangetoond te worden dat er geen schade ten gevolge van wateroverlast optreedt. Vanaf september 2025 gelden de bepalingen uit de waterschapsverordening.
In deze beleidsregels is opgenomen dat vanuit een plan hemelwater via toename verhard oppervlak of door afkoppelen van verhard oppervlak afgevoerd mag worden naar oppervlaktewater indien: • Het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m2 is, of; • De toename van verhard oppervlak maximaal 500 m2 is, of; • De toename van verhard oppervlak bestaat uit een groen dak; • De toename van verhard oppervlak tussen 2.000 m2 en 10.000 m2 is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale compensatie conform de rekenregel: Benodigde compensatie (in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m) *Gevoeligheidsfactor: nominale waarde die de hydrologische gevoeligheid en infiltratiepotentie van de locatie uitdrukt, zie kaart gevoeligheid piekafvoeren opgenomen in bijlage 1 van de algemene regels
Dit betekent dat er 60mm (600m3/ha) per toename verhard oppervlak gecompenseerd dient te worden in de vorm van berging. • Bij toename van meer dan 10.000m2 wordt niet bovenstaande rekenregel toegepast maar de beleidsregel. Voor grote plannen is daarom altijd een waterhuishoudkundig onderzoek door de initiatiefnemer noodzakelijk en dient het waterschap vroegtijdig te worden betrokken. De voorziening dient te voldoen aan de volgende eisen: 1. De bodem van de voorziening ligt boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG); 2. De afvoer uit de voorziening vindt plaats via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben;
30 maart 2026
BK8988-MI-ME-260330-1129
12/19
3. Daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om beschadiging van het oppervlaktewaterlichaam te voorkomen. Groene daken (vegetatiedaken) Alle groene daken worden beschouwd als onverhard oppervlak. Het belangrijkste argument hierbij is dat groene daken, onafhankelijk van de uitvoeringsvorm, altijd bijdragen aan het beperken van de (piek)afvoer. Gemeente Tilburg hanteert dit uitgangspunt echter niet. Zij vragen om een berekening van de capaciteit. Groene daken worden niet als reductie op de compensatievoorziening gerekend, omdat het slechts neerslag van het eigen oppervlak vasthoudt. Uitvoering Bij de inrichting, bouwen en beheer dienen zo min mogelijk vervuilende stoffen te worden toegevoegd aan de bodem en grond- en oppervlaktewatersysteem. Conform de waterkwaliteitstrits (schoonhouden, scheiden en zuiveren) dienen de mogelijkheden voor het toepassen van bronmaatregelen (schoonhouden) onderzocht te worden. Materiaalkeuze, geen blootstelling aan uitloogbare materialen en verantwoord beheer zijn hier voorbeelden van. Bij leggerwatergangen gelden op grond van de waterschapsverordening verbods- en/of gebodsbepalingen binnen 5m vanuit de insteek van de leggerwatergang. Voor een aantal werkzaamheden dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het waterschap.
Dit geldt voor: • Werkzaamheden binnen 5m uit de insteek van de leggerwatergangen; • Realisatie van bouw/hekwerken/verhardingen/andere werken en aanplant bomen binnen 5m uit de insteek van watergangen; • Werkzaamheden waarbij oppervlaktewater wordt aangebracht of gewijzigd; • Lozingen van (hemel)water op oppervlaktewater; • Aanleg van drainage in beschermings- en attentiegebieden; • Lozen van bronneringswater; • Bedrijfsmatige lozingen op oppervlaktewater; • Realisatie van kunstwerken (duikers, stuwen) in watergangen.
30 maart 2026
BK8988-MI-ME-260330-1129
13/19
3.3
Beleid gemeente Best
Water- en rioleringsplan Het waterbeleid van de gemeente Best is vastgelegd in het Water- en Rioleringsplan 2025-2029. In het Water- en rioleringsplan wordt ingegaan op de gemeentelijke zorgplicht voor stedelijk afvalwater, hemelwater, grondwater, oppervlaktewater en drinkwater. Hieronder wordt per relevante zorgplicht, de bijbehorende speerpunten toegelicht. Hemelwater De gemeente Best streeft naar het zo veel mogelijk afkoppelen van verharding en de wateroverlast te beperken. Het doel is om het hemelwater zo lokaal mogelijk te verwerken om bij te dragen aan de droogtebestendigheid van het groen. De gemeente past de voorkeursvolgorde voor de verwerking van hemelwater toe: vasthouden-bergen-afvoeren. Het hemel- en grondwater dient in eerste instantie op eigen terrein te worden verwerkt. Alleen wanneer dit niet mogelijk is, kan afvoer naar het openbaar gebied voor centrale verwerking worden overwogen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zoals nieuwbouw, herinrichting en reconstructies dienen hydrologisch positief ontwikkeld te worden. Dit betekent dat er meer water in het gebied blijft dan dat er uitgaat, bijvoorbeeld door water vast te houden in plaats van af te voeren. Het hemelwater moet op een zo natuurlijk mogelijke manier opgevangen en geïnfiltreerd worden in de bodem. De voorkeur gaat hierbij uit naar bovengrondse oplossingen in combinatie met open water en groen.
Hierdoor kan het grondwaterniveau zich herstellen en wordt een zoetwaterbuffer gecreëerd. Op deze manier ontstaat een veerkrachtige waterhuishoudkundige situatie in de regio. Grondwater Het beheersen van de grondwaterstanden om de kans op grondwateroverlast en -onderlast te beperken. Bij nieuwbouw wordt bij bebouwing een ontwateringsdiepte van 0,7 m ten opzichte van de GHG geadviseerd. Oppervlaktewater De gemeente wil overstorten van het rioolstelsel op het oppervlaktewater zo veel mogelijk voorkomen. De gemeente zet in op bovengrondse verwerking van hemelwater om de waterbeleving te bevorderen. Toepassing beleid De gemeente Best hanteert een vaste norm van 70 mm waterberging per vierkante meter nieuw of vernieuwd verhard oppervlak. Er geldt binnen de gemeente Best geen vrijstelling voor kleine toenames in verhard oppervlak. Uitgangspunt is dat elke druppel binnen het plangebied wordt vastgehouden, geborgen of geïnfiltreerd. Afwenteling op het bestaande riool of omgeving is niet toegestaan.
30 maart 2026
BK8988-MI-ME-260330-1129
14/19
4
Toekomstige situatie
4.1
Beschrijving toekomstige situatie
Enexis heeft het voornemen om op het perceel 4676 aan de straat Hallenweg in Best een transportverdeelstation te ontwikkelen. Binnen het plangebied wordt een trafoverdeelstation (TVS) inclusief kelder gerealiseerd met daaromheen verharding. De kelder is 2,2 meter diep en bevindt zich onder het gehele bebouwde oppervlak. Er bevindt zich een inrit naar de TVS toe. Het overige oppervlak wordt ingevuld als groen. Figuur 10 geeft het ontwerp weer.
Figuur 10 Ontwerp transportverdeelstation
30 maart 2026
BK8988-MI-ME-260330-1129
15/19
4.2
Benodigde waterberging
De compenserende waterberging dient te voldoen aan het beleid van de gemeente Best en waterschap De Dommel. De toename aan verhard oppervlak door de ontwikkeling bedraagt minder dan 500 m². Hierdoor is vanuit het beleid van het waterschap geen berging vereist. De gemeente Best hanteert een bergingseis van 70 mm per vierkante meter verharding en heeft geen vrijstelling voor kleine toenames in verharding. Hierdoor komt de bergingseis uit op 6 m3. In Figuur 11 is een overzicht gegeven van de toename aan verhard oppervlak. De berekening van de benodigde waterberging voor de locatie is weergegeven in Tabel 2.
Figuur 11 Toename verhard oppervlak Tabel 2 Bergingseis ten gevolge van toename verhard oppervlak
Type
Verhardingspercentage
Oppervlak toekomstige situatie [m2]
Waarvan verhard oppervlak [m2]
Benodigde waterberging [mm]
Benodigde waterberging [m3]
Gesloten- of elementen verharding
100
31
31
70
2,2
Grijs plat dak
100
54
54
70
3,8
Groen
0
274
0
0
0
359
85
Totaal
4.3
6,0
Invulling waterberging
Voor de invulling van de benodigde waterberging kan gedacht worden aan verschillende oplossingen. Het ontwerp en de uitwerking van deze oplossingen hangt mede af of de ondergrond geschikt is voor infiltratie in de bodem. Factoren die van belang zijn of het plangebied geschikt is voor infiltratie zijn: • Grondwaterstand: De GHG ligt minimaal 0,6 m-mv. Een infiltrerende berging dient volledig boven de GHG te worden aangebracht. Een geohydrologische beschouwing kan een diepere GHG vaststellen, wat positief is voor de infiltratiemogelijkheden. • Bodemopbouw: De bodem bestaat naar verwachting uit fijn tot matig zand, wat doorgaans zorgt voor een goede doorlatendheid. Er kunnen enkele storende leemlagen aangetroffen worden tussen het zand door.
30 maart 2026
BK8988-MI-ME-260330-1129
16/19
•
Bodemkwaliteit: Indien er geen bodemverontreinigingen aanwezig zijn, kan gesteld worden dat hemelwater in de bodem kan infiltreren.
Op basis van bovenstaande kan de benodigde waterberging voor dit plangebied ingevuld worden door de volgende oplossingen. Wadi op maaiveld Rondom de verharding is ruimte om een wadi aan te leggen in de groenstrook. Er kan 6,5 m3 water geborgen bij een wadioppervlak (bij insteek) van 6m (breed) * 7m (lengte), een waterhoogte van 20cm, een waking van 30cm en een talud van 1:1. Het voorstel is om een overstortvoorziening aan te brengen naar het ondergrondse hemelwatersysteem in de Hallenweg. Wanneer de bodem van de wadi boven de GHG wordt aangelegd, is er geen leegloopvoorziening nodig. Als dit niet haalbaar is, moet de berging waterdicht aangebracht worden om te voorkomen dat de berging continue grondwater afvoert. Hierbij moet een leegloopvoorziening naar het nabijgelegen hemelwatersysteem worden gerealiseerd, bijvoorbeeld in de vorm van een kleine buis of een pomp. In Tabel 3 wordt uitgegaan van een bodemhoogte van NAP +16,7 m (geschatte maximale GHG, zie paragraaf 2.4) en een waterpeil van NAP +16,9 m.
Oppervlak insteek
Oppervlak Waterlijn
Oppervlak bodem
Talud
Waterhoogte
Waking
[m]
[m]
[m2]
[m2]
[m2]
[1:x]
[m]
[m]
[m3]
6
7
42
35
30
1
0,20
0,30
6,5
Beschikbare berging
Lengte op insteek
Wadi
Breedte op insteek
Tabel 3 Overzicht beschikbare berging
Ondergrondse waterberging De benodigde berging (6 m3) kan ook ondergronds aangelegd worden in de vorm van bijvoorbeeld kratten, watershell-elementen (kunststofelementen) of bufferblocks (betonnen waterelementen). Deze voorzieningen kunnen onder de verharding aangelegd worden. Bij een verharding van 30 vierkante meter betekent dat deze voorziening ten minste 21 centimeter hoog dient te worden (bij een vullingsgraad van 95%). Indien de voorziening leegloopt door middel van infiltratie is er altijd een overstort voorziening benodigd naar het naastgelegen hemelwaterrioolstelsel om ervoor te zorgen dat bij een volledig gevulde berging de volgende regenbui afgevoerd kan worden. Infiltratie in deze voorziening is alleen mogelijk wanneer deze volledig boven de GHG wordt aangebracht. Indien dit niet mogelijk is, moet de voorziening als een waterdichte ondergrondse waterberging worden uitgevoerd. In dat geval moet de berging worden voorzien van zowel een overstortals een leegloopvoorziening naar het naastgelegen ondergrondse watersysteem om te kunnen leeglopen. Aanvullend onderzoek moet uitwijzen of een pomp noodzakelijk is voor het leegpompen van de berging.
30 maart 2026
BK8988-MI-ME-260330-1129
17/19
Groendak Een andere mogelijkheid is om deels waterberging op het dak aan te brengen. Indien de volledige 70mm waterberging ten behoeve van de daken wordt ingevuld in een groendak, dan zal alleen de waterberging ten behoeve van de laaggelegen verharde oppervlakken (verharding) ergens anders ingevuld dienen te worden. Bijvoorbeeld in een bovengrondse wadi of ondergrondse berging. In Tabel 4 is een overzicht gegeven van de beschikbare waterberging bij twee varianten: • Variant 1: 35mm waterberging op groendak; • Variant 2: 70mm waterberging op groendak. Te zien is dat bij een waterberging van 35mm op het dak nog 4,1 m3 aan waterberging elders op het terrein gevonden dient te worden. Bij 70mm op het dak dient nog 1,2 m3 waterberging gevonden te worden.
Totaal benodigde berging [m3]
Nog in te vullen berging op mv [m3]
54
5
95
1,9
6,0
4,1
2: 70 mm
54
5
95
3,8
6,0
1,2
Benodigde berging over dak [m3]
Variant
Vullingsgraad [%]
1: 35 mm
Dakoppervlak [m2]
Beschikbare berging op dak [m3]
Tabel 4 Overzicht beschikbare berging bij 35 mm en 70 mm dakberging TVS
Advies Het advies is om een wadi toe te passen, aangezien dit de goedkoopste en meest duurzame oplossing biedt. Daarnaast is het onderhoud bij een bovengrondse berging eenvoudiger dan bij een ondergrondse berging. Bij de toepassing moet rekening worden gehouden met het benodigde ruimtebeslag en worden ingepast in het ontwerp. Bij het opstellen van deze notitie heeft geen afstemming plaatsgevonden met de gemeente en het waterschap. Voor de vervolgstappen is het noodzakelijk om het ontwerp van de berging af te stemmen, zodat de voorziening goed aansluit bij het bestaande watersysteem.
4.4
Oppervlaktewater
Er worden geen aanpassingen uitgevoerd aan het huidige oppervlaktewatersysteem.
4.5
Vuilwater
Binnen het plangebied zijn er geen vuilwaterstromen die afgevoerd dienen te worden.
30 maart 2026
BK8988-MI-ME-260330-1129
18/19
4.6
Effecten grondwater
Onder de TVS wordt een kelder met een diepte van 2,2 meter gerealiseerd. Deze kelder kan een geringe opstuwing in de grondwaterstromen veroorzaken. Omdat de kelder (54 m2) echter zo klein is, is het aannemelijk dat deze opstuwing zeer beperkt zal optreden. Om opstuwing te voorkomen kan een mitigerende maatregel worden toegepast. Een mitigerende maatregel is bijvoorbeeld het aanbrengen van een goed doorlatend zand onder- en om de kelder heen. Het verlies aan doorlatendheid door het aanbrengen van de kelder wordt door dit zand gecompenseerd. Vervolgonderzoek kan uitsluiten of deze maatregel nodig is. De gemeente Best adviseert om bij nieuwbouw de bebouwing 70 centimeter boven de GHG van de aan te brengen. Uitgaande van een geschatte maximale GHG van NAP +16,7 m (zie paragraaf 2.4), resulteert dit in een minimaal bouwpeil van NAP +17,3 m. Daarbij wordt geadviseerd om de bebouwing 20 centimeter hoger aan te leggen dan het aanliggende straatpeil (NAP +17,3 m). Voor de aanleg van de TVS geldt een geadviseerd minimaal bouwpeil van NAP +17,5 m.
30 maart 2026
BK8988-MI-ME-260330-1129
19/19