CConstaterende datBest
Koppel je AI →
Document · PDF

26011.10 - Bijlage 7 bij Regels - Archeologisch bureau- en vooronderzoek (A)

Raadsvergadering 15 juni 2026, gemeente BestBij agendapunt: Rik Dijkhoff10.055 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Transect-rapport 6166 Best

,

Aarleseweg 24

Gemeente Best (NB) Archeologisch bureauonderzoek (BO) en inventariserend Veldonderzoek (IVO) , verkennende fase

archeologie, erfgoed, ruimte

transect:

Overijsselhaven 127

T:

030-7620705

3433 PH

E:

informatie@transect.nl

Nieuwegein

(geanonimise rd) (geanonimiseerd)

Versie

Versie 2.1

Projectcode

25070081

Datum

07-10-2025

Opdrachtgever

Van Doormaal

Uitvoerder

Transect b.v.

Advies

Overijsselhaven 3433

Nieuwegein

(geanonimiseerd)

Bureauonderzoek

Veldonderzoek

Inhoudelijke

PH

127

controle

Onderzoeksmelding

5845109001

Bevoegde

overheid

Gemeente

Best

Adviseur

bevoegde

Gemeente

Best

overheid

Status

te beoordelen

Nog

Beheer documentatie

Transect, Nieuwegein

Voorblad

Foto

van

het

plangebied ten tijde van (11-09-2025)

het

veldonderzoek

Autorisatie Naam

(geanonimiseerd) (Senior

Datum

Paraaf

18-12-2025

(geanonimiseerd)

Prospector)

KNA

Ps

ISSN: 2211-7067

© Transect, Niets

Nieuwegein

uit deze

op welke

uitgave dan

wijze

mag

worden

ook zonder

voorafgaande schriftelijke toestemming

transect:

van

de

door

archeologie, erfgoed, ruimte

middel van

druk, fotokopie of

uitgevers.

aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend gebruik van de resultaten van dit onderzoek.

Transect aanvaardt geen adviezen of het

vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt

uit de

toepassing van

de

Samenvatting In opdracht van Van Doormaal Advies heeft Transect b. v. in oktober 2025 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in een plangebied aan de Aarleseweg 24 in Best (gemeente Best). Het plangebied is ongeveer 4500 m 2 waarbinnen de planvorming bestaat uit het slopen van de twee huidige gebouwen (circa 555 m)2 voor nieuwbouw. Het archeologisch vooronderzoek wordt gedaan binnen het RO-kader TAM IMRO en bestaat hier uit een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en een Inventariserend veldonderzoek (IVO). De vraagstelling van deze onderzoeken richt zich op het vaststellen en toetsen van de archeologische verwachting en de bepaling in hoeverre de voorgenomen ingrepen in het kader van de planvorming effect hebben op eventuele archeologische resten in het gebied. ,

,

Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied is gelegen op een dekzandwelving. De regio kent al bewoning sinds de prehistorie met sporen direct ten oosten van het plangebied. Hier zijn onder andere urnenvelden vuursteenconcentraties en nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de IJzertijd aangetroffen. Ook zijn er archeologische vondsten uit de Romeinse periode waaronder een Romeinse villa. In de Vroege Middeleeuwen ontstond op een dekzandrug tussen de Aarlese Akkers een agrarische gemeenschap waarvan in de 9e eeuw bewoningssporen zijn gedocumenteerd. Deze nederzetting groeide en verschoof tussen de 12e en 15e eeuw geleidelijk naar het westen. In de 15e eeuw ontstond de huidige situatie waarbij de erven zich langs de Aarleseweg vestigden en op de brink aan de Kapelweg een kapel werd gebouwd. Vanuit deze locatie kon Aarle gedurende de Nieuwe Tijd verder ontwikkelen. Dit alles leidt tot een hoge archeologische verwachting in het plangebied met name voor resten uit het Laat-Paleolithicum tot en met de Nieuwe Tijd. De relatief hogere ligging van het gebied bood in de prehistorie tot en met de Romeinse tijd goede bewoningsmogelijkheden ten opzichte van de natte beekdalen.

Voor de Vroege Middeleeuwen geldt dat de nederzetting Aarle ten oosten van het plangebied ontstond waarna de boerderijen zich geleidelijk westwaarts verplaatsten tot zij rond 1500 langs de Aarleseweg gevestigd waren ter hoogte van het plangebied. Dit betekent dat sporen van deze migratie zich mogelijk in de bodem van het plangebied bevinden en de verwachting daarop is hoog. In het begin van de 19e eeuw staat ter hoogte van het plangebied bebouwing hetgeen mogelijk indicatief is geweest voor de perioden daarvoor. Rond 1900 is de bebouwing verdwenen. Wel is deze verwachting afhankelijk van de mate waarin de bodemopbouw intact is gebleven aangezien in de jaren ’70 van de vorige eeuw op deze locatie een bedrijfsterrein is aangelegd. ,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

Op basis van de resultaten van het veldonderzoek wordt de hoge archeologische verwachting uit het bureauonderzoek bevestigd. De top van het dekzand die als archeologisch relevant niveau wordt beschouwd is op basis van de aanwezigheid van roestvlekken en een mogelijke verweringshorizont archeologisch gezien intact. Dit houdt in dat ondanks het ontbreken van een duidelijke vondstlaag er in de top van het dekzand nog grondsporen van vroegere bewoning en landgebruik aanwezig kunnen zijn. Uit het bureauonderzoek bleek al dat de kans op dergelijke sporen uit de Middeleeuwen tot de Nieuwe Tijd groot is aangezien historisch gezien de Aarleseweg sinds de 15 e eeuw een bewoningslint vormde waarbij boerderijen vanuit het oosten naar het plangebied zijn gemigreerd. Oudere sporen zijn ook niet uit te sluiten. Voor de locaties met bestaande bebouwing geldt dat waarschijnlijk eventuele archeologische resten daar door verstoring verdwenen zijn. Dit kon tijdens het veldonderzoek niet worden bevestigd vanwege de aanwezige verharding. Deze aanname is gebaseerd op de ondiepe ligging van het archeologisch niveau (25-40 cm -Mv) en de vermoedelijke funderingsdiepte van de panden (circa 40 cm -Mv). Ondiepe sporen zullen onder de bebouwing waarschijnlijk verdwenen zijn maar diepere grondsporen zoals waterputten en beerkuilen kunnen ,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

mogelijk nog aanwezig zijn. Een verwachting voor militair erfgoed is laag kunnen hiervan nooit uitgesloten worden.

,

maar

eventuele resten

Advies Uit het onderzoek blijkt dat het plangebied een hoge archeologische verwachting kent onder meer vanwege de ligging binnen een historisch bewoningslint en de aanwezigheid van verschillende archeologische vindplaatsen ten oosten van het gebied. De boringen tonen aan dat de bodemopbouw deels is verstoord maar dat er zeker nog grondsporen aanwezig kunnen zijn die waardevolle inzichten kunnen geven in de bewoningsgeschiedenis van Aarle. Er zal dus in het kader van de planontwikkeling rekening moeten worden gehouden met de aanwezigheid van archeologische waarden in het gebied. Ten behoeve van het herzien van de functie van het terrein (van bedrijfsterrein naar wonen) zal de hoge archeologische verwachting in het omgevingsplan moeten worden uitgewerkt. De huidige planregels uit het vigerend beleid van de gemeente kunnen hieraan worden toegevoegd (250 m 2 en 40 cm -Mv). ,

,

,

De exacte werkzaamheden binnen het plangebied moeten nog worden bepaald. Voor de verbouwing van de woning zijn in ieder geval geen bodemingrepen voorzien ; de omvang van de toekomstige loods moet nog worden bepaald. Afhankelijk van de uiteindelijke omvang van de bodemingrepen en de regels in het omgevingsplan moet worden besloten of archeologisch vervolgonderzoek nodig is. Mochten ingrepen binnen 250 m 2 en 40 cm -Mv blijven kan waarschijnlijk archeologisch onderzoek achterwege blijven. Mochten de werkzaamheden deze planregels overschrijden adviseren wij om in het plangebied een archeologisch onderzoek uit te voeren om te bepalen of er nog archeologische resten aanwezig zijn op de plaatsen waar de ingrepen gepland zijn. Gezien de verwachting op grondsporen kan dit het beste middels een proefsleuvenonderzoek plaatsvinden. Voor een dergelijk onderzoek is vooraf een Programma van Eisen (PvE) – een opgravingsbestek – noodzakelijk dat door de gemeente dient te worden beoordeeld en goedgekeurd vóór aanvang van de werkzaamheden. ,

,

,

,

Bovenstaande vormt een advies. Op basis van de uitkomsten van het rapport en dit advies zal de bevoegde overheid (de gemeente Best) een definitief besluit nemen over de omgang met eventuele archeologische waarden binnen het plangebied.

Inhoud 1.

Aanleiding

1

2.

Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek

1

3.

Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied

2

4.

Planvorming en consequenties toekomstig gebruik

4

5.

Beleidskader

5

6.

Landschap geomorfologie en bodem

6

7.

Beschrijving bekende archeologische kenmerken

8

8.

Historische situatie huidig gebruik en bodemverstoringen

13

9.

Gespecificeerde archeologische verwachting

19

10.

Resultaten veldonderzoek

22

11.

Beantwoording onderzoeksvragen

24

12.

Conclusie en Advies

25

13.

Geraadpleegde bronnen

27

,

,

Bijlage 1: Archeologische periode-indeling voor Nederland

29

Bijlage 2: Plantekening

30

Bijlage 3: Archeologische beleidskaart van de gemeente Best

31

Bijlage 4: Geomorfologie

33

Bijlage 5: Hoogtekaart

34

Bijlage 6: Bodemkaart

35

Bijlage 7: Archeologische informatie

37

Bijlage 8: Boorpuntenkaart

38

Bijlage 9: Foto’s van boringen

39

Bijlage 10: Boorbeschrijvingen

45

1. Aanleiding In opdracht van Van Doormaal Advies heeft Transect b. v. 1 in oktober 2025 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in een plangebied aan de Aarleseweg 24 in Best (gemeente Best). De aanleiding voor het onderzoek vormt de aanvraag van een omgevingsvergunning ten behoeve van de sloop van de bestaande bebouwing en de nieuwbouw van een bijgebouw. Voor het plangebied geldt op basis van het Parapluplan Archeologie 2017 de dubbelbestemming Waarde – Archeologie 3. Deze bestemming houdt in dat bij bodemingrepen groter dan 250 m² en dieper dan 30 cm onder maaiveld een archeologisch onderzoek verplicht is. Omdat de geplande ontwikkeling een oppervlakte van ongeveer 250 m² omvat met bodemingrepen mogelijk die dieper reiken dan 50 cm onder maaiveld is archeologisch vooronderzoek noodzakelijk. ,

,

1 Transect

b. v. voldoet aan de eisen zoals gesteld in de kwaliteitsnorm ‘BRL SIKB 4000’ , versie 4.2 , en is gecertificeerd door middel van een procescertificaat. Transect b. v. is certificaathouder van de volgende protocollen: ‘KNA Protocol 4001 Programma van Eisen’ , ‘KNA Protocol 4002 Bureauonderzoek’ , ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek , variant Overig’ , ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek , variant Proefsleuven’ en ‘Protocol 4004 Opgraven’ , en staat geregistreerd bij de RCE en de SIKB.

1

2. Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek Het archeologisch vooronderzoek bestaat uit een gecombineerd onderzoek te weten een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en een Inventariserend Veldonderzoek (IVO) verkennende fase. ,

,

Het doel van het archeologisch bureauonderzoek is het specificeren van de archeologische verwachting dat wil zeggen het aan de hand van beschikbare en nieuwe informatie over de archeologie cultuurhistorie geomorfologie bodemkunde en grondgebruik bepalen van de kans dat binnen het plangebied archeologische resten kunnen voorkomen. Hiervoor is onder andere het centraal Archeologisch Informatiesysteem (Archis) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geraadpleegd waarin de Archeologische MonumentenKaart (AMK) is opgenomen. Aanvullende (cultuur)historische informatie is verkregen uit historische kaarten. Om inzicht te krijgen in de opbouw en ontwikkeling van het landschap zijn onder andere de bodemkaart en beschikbare geologische en geomorfologische kaarten geraadpleegd. Ook is contact opgenomen met de Heemkundekring Dye van Best eventuele verkregen informatie zal verwerkt worden in deze rapportage. ,

,

,

,

,

,

,

Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen en waar mogelijk bijstellen van de gespecificeerde archeologische verwachting door het verzamelen van informatie over de feitelijke bodemopbouw bodemreliëf en bodemintactheid in het plangebied. Hiermee ontstaat inzicht in de landschapsvormende processen en landschappelijke eenheden uit het verleden. Op basis hiervan kan een oordeel worden gegeven over waar wanneer en in hoeverre het gebied in het verleden geschikt was voor de mens. Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een booronderzoek (IVO-O). De toegepaste methodiek in het veld wordt beschreven bij de beschrijving van de veldresultaten (Hoofdstuk 10). ,

,

,

Het onderzoek probeert hiermee aan de hand van feitelijke informatie antwoord te geven op de volgende vragen: • Hoe heeft het plangebied oorspronkelijk in het natuurlijk landschap gelegen? •

Zijn er binnen de bodemopbouw archeologisch relevante bodemniveaus te onderscheiden en hoe diep liggen deze?

•

In hoeverre zijn de archeologisch relevante bodemniveaus nog intact (verstoring erosie afdekkend substraat)?

•

Wat is de archeologische verwachting van het plangebied en in hoeverre is deze te differentiëren in laag middelhoog en hoog?

,

,

,

Het resultaat van het archeologisch vooronderzoek is dit rapport met een conclusie omtrent het risico dat eventueel aanwezige archeologische waarden in het plangebied worden verstoord als gevolg van de voorgenomen plannen. Op basis van dit rapport neemt de bevoegde overheid een beslissing in het kader van de vergunningverlening of planprocedure. Het rapport bevat waar mogelijk gegevens over de – verwachte – aan- of afwezigheid aard omvang ouderdom gaafheid conservering en (relatieve) kwaliteit van archeologische waarden. Het bureauonderzoek is uitgevoerd conform protocol 4002 van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie versie 4. 2 (KNA 4. 2). Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd conform protocol 4003 van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie versie 4. 2 (KNA 4. 2). ,

,

,

,

,

,

1

3. Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied Gemeente

Best

Plaats

Best

Toponiem

Aarleseweg 24

Kaartblad

51B

Centrumcoördinaat

153. 423 / 391633

Bij het archeologisch bureauonderzoek is onderscheid gemaakt in het plangebied en het onderzoeksgebied. Het plangebied is het gebied waarin de geplande bodemingrepen zullen plaatsvinden. Het onderzoeksgebied omvat het plangebied en een deel van het direct omringende gebied en wordt bij het onderzoek betrokken om tot een beter inzicht te komen in de archeologische (cultuur)historische en bodemkundige situatie in het plangebied. Het onderzoeksgebied beslaat in dit geval een straal van circa 500 meter rond het plangebied.

,

Het plangebied bevindt zich aan de Aarleseweg 24 in Best binnen de gemeente Best. In figuur 1 is de exacte locatie van het plangebied weergegeven. Kadastraal omvat het plangebied de percelen BES00 K 2460 2461 en 2462. De totale oppervlakte van het plangebied bedraagt ongeveer 4. 500 m². ,

,

2

Figuur 1: Ligging van het plangebied (met rode lijnen aangegeven , bron: www. pdok. nl).

3

4. Planvorming en consequenties toekomstig gebruik Kader

Aanvraag omgevingsvergunning TAM-IMRO

Oppervlakte plangebied

4500

Planvorming

Sloop bestaande bedrijfsloods

m 2

Nieuwbouw bijgebouw verwijderen verharding ,

2

Omvang verstoringen

200 m bedrijfsloods 3600 m 2 verharding

Bodemverstorende werkzaamheden

Graafwerkzaamheden sloopwerkzaamheden

Diepte verstoring

40 cm -Mv

,

Het plan bestaat om binnen het plangebied de huidige bedrijfswoning om te zetten naar een particuliere woning waarbij de bedrijfsloods midden op het terrein gesloopt wordt en vervangen wordt door een nieuw bouwwerk met een omvang van maximaal 300 m.2 De huidige verharding in het oosten van het plangebied zal worden verwijderd deze bestaat uit klinkers en stelconplaten van maximaal 12 cm dik en zullen bovengronds verwijderd worden middels haakogen. Deze verharding zal van bovenaf worden verwijderd en er zijn hiervoor geen bodemingrepen voorzien (bron: opdrachtgever). Een overzicht van de toekomstige inrichting is opgenomen in bijlage 2. Voor deze herontwikkeling is een omgevingsvergunning vereist aangezien de geplande ingrepen de toegestane omvang volgens het bestemmingsplan overschrijden. Naar verwachting zullen de werkzaamheden aan de bodem waaronder bouwwerkzaamheden en funderingswerkzaamheden het bodemarchief beïnvloeden en daarmee eventuele aanwezige archeologische waarden kunnen aantasten. De geplande bebouwing is nog nader te bepalen en beslaat maximaal 300 m 2 ; de geplande sloop circa 200 m.2 Hoe diep de ingrepen precies zullen zijn is op dit moment nog onbekend omdat de technische uitwerking van de bouwplannen nog in voorbereiding is.

Het oostelijke gedeelte van het terrein veranderd in agrarisch landgebruik waar volgens de opdrachtgever geen bodemingrepen plaats zullen vinden. ,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

Er worden geen veranderingen in het grondwaterpeil verwacht.

4

5. Beleidskader Onderzoekskader

Aanvraag omgevingsvergunning

Beleidskader

Bestemmingsplan Parapluplan archeologie 2017

Onderzoeksgrens

250 m 2 en dieper dan 40 cm –Mv

In 1992 heeft Nederland het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed ondertekend ook wel bekend als het Verdrag van Malta of Valletta vernoemd naar de plaats van ondertekening. Dit verdrag is in 1998 geratificeerd en op 1 september 2007 geïmplementeerd via de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz). De Wamz is een wijzigingswet die aanpassingen heeft doorgevoerd in onder meer de Monumentenwet 1988 de Wet Milieubeheer de Ontgrondingenwet en de Woningwet. Hierdoor zijn overheden verplicht om bij bodemingrepen rekening te houden met het behoud van archeologische waarden. ,

,

,

,

Sinds juli 2016 is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld via de Erfgoedwet die de Monumentenwet 1988 vervangt. Voor het deel dat betrekking heeft op besluitvorming in de fysieke leefomgeving is sinds 1 januari 2024 de Omgevingswet van kracht. Deze wet bepaalt dat gemeenten bij het opstellen van het omgevingsplan rekening moeten houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed waaronder bekende en/of te verwachten archeologische monumenten. Dit is vastgelegd in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) artikel 5.130 lid 1. In het belang van de archeologische monumentenzorg kan een gemeente via het omgevingsplan lokale regels stellen bijvoorbeeld door monumenten in de bodem te beschermen of gecontroleerd te laten opgraven (lid 3 4 en 5). Ook kunnen er eisen aan het archeologisch onderzoek worden gesteld zoals het onderzoeksthema en de onderzoeksmethode. Gemeenten hebben tot eind 2031 de tijd om een definitief omgevingsplan op te stellen ; tot die tijd geldt een tijdelijk omgevingsplan. ,

,

,

,

,

,

,

,

Volgens het Parapluplan archeologie 2017 van de gemeente Best heeft het plangebied de aanduiding Waarde – Archeologie 3 (bron: omgevingswet. overheid. nl). Deze bepaling is gebaseerd op de gemeentelijke beleidskaart waarop aan het plangebied een hoge verwachtingswaarde is toegekend op basis van de historische kern (zie bijlage 3). Bij bouwwerken of bodemingrepen die groter zijn dan 250 m² en dieper gaan dan 40 cm –Mv is daarom archeologisch (voor)onderzoek verplicht. Gezien de omvang en diepte van de geplande werkzaamheden is in dit geval in het kader van de aanvraag voor een omgevingsvergunning archeologisch (voor)onderzoek noodzakelijk (zie hoofdstuk 4). ,

,

,

,

In het kader van de omgevingsvergunning moet de aanvrager een rapport aan de gemeente overleggen waarin de archeologische waarde van het plangebied naar het oordeel van burgemeester en wethouders voldoende is vastgesteld. Afhankelijk van de uitkomsten van het archeologisch (voor)onderzoek kunnen aan de ontwikkeling voorwaarden worden verbonden ter bescherming van belangrijke archeologische waarden. Dit kan bestaan uit technische aanpassingen of het veiligstellen via opgraving. Het archeologisch vooronderzoek kan hiervoor worden uitgebreid met een karterend en waarderend onderzoek zodat op basis van de KNA-waarderingssystematiek een waardestelling kan worden opgesteld. ,

,

5

6. Landschap , geomorfologie en bodem Archeoregio

Brabants zandgebied

Geomorfologie

Bebouwd gebied dekzandwelving

Maaiveld

14. 7 m NAP

Bodem

Laarpodzolgronden

Grondwater

GWT-V

,

Landschapsgenese Het plangebied bevindt zich landschappelijk gezien op het dekzand aan de rand van de Roerdalslenk. De ontstaansgeschiedenis van dit landschap gaat terug tot de laatste ijstijd het Weichselien (115. 000 – 11. 700 jaar geleden). Tijdens de koudste en droogste fase van deze periode het laat-Pleniglaciaal (26. 000 – 13. 000 jaar geleden) heerste er in Nederland een poolklimaat. De bodem was permanent bevroren waardoor er nauwelijks tot geen vegetatie aanwezig was. Onder deze omstandigheden kregen wind en water vrij spel. Sedimenten uit eerdere perioden werden door verstuiving en smeltwater voortdurend verplaatst en opnieuw afgezet. Deze afzettingen bekend als fluvio-eolische fluvioperiglaciale of nat-eolische zanden kenmerken zich door het voorkomen van grind- en leemlagen. Dit valt onder de Formatie van Boxtel. In de Roerdalslenk is het dekzandpakket vaak meer dan 15 meter dik. Oudere afzettingen zijn door tektonische activiteit en bodemdaling op grotere diepte terechtgekomen (Stouthamer et al. 2015). ,

,

,

,

,

,

,

,

,

In de daaropvolgende periode het Bølling-Allerød-interstadiaal (13. 000 – 11. 000 jaar geleden) verbeterde het klimaat en kon vegetatie zich weer ontwikkelen waardoor erosie minder invloed had. Hierdoor kwam er een einde aan de cyclus van erosie en sedimentatie en kon bodemvorming plaatsvinden. Toen vervolgens het Jonge Dryas-stadiaal aanbrak (11. 000 – 10. 000 jaar geleden) ontstond er een toendraklimaat. De permafrost verdween geleidelijk en het vegetatiedek werd opengebroken waardoor lokaal zand opnieuw kon verstuiven. sDit eolisch afgezet zand wordt aangeduid als het Laagpakket van Wierden een subcategorie binnen de Formatie van Boxtel en staat ook bekend als Jong Dekzand (de Mulder et al. 2003). De dekzandgordels bemoeilijkten de afwatering door beken waardoor lokaal kleine meren ontstonden. Later hebben samenvloeiende beken en rivieren bijvoorbeeld nabij ’s-Hertogenbosch door de dekzandgordels heen gebroken (Berendsen 2005). Het plangebied ligt op een dekzandwelving omringd door dalvormige laagtes (bijlage 5 ; Vos 2015). ,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

In de huidige warmere periode het Holoceen (vanaf 10. 000 jaar geleden) ontwikkelde zich steeds meer vegetatie en nam de actieve sedimentatie sterk af. Binnen het dekzand ontstonden verschillende bodemtypen. Omdat de dekzandlaag mineraalarm is ontwikkelden zich op de hogere en drogere delen van het landschap vooral podzolgronden: voedselarme bleke bodems. In de lagere en nattere delen spoelen mineralen vanuit de hogere delen naar beneden waardoor hier geen podzolering plaatsvindt. In deze gebieden ontstaan beekeerdgronden en gooreerdgronden: kalkloze zandgronden met een hoge voedingswaarde en een donkere kleur. ,

,

,

,

,

,

6

Geologie Uit boring B51B0809 afkomstig uit het Dinoloket van TNO blijkt dat er op ongeveer 30 meter ten westen van het plangebied afzettingen aanwezig zijn van de Formatie van Boxtel specifiek het Laagpakket van Liempde (periglaciaal dekzand) tot een diepte van 24 m -Mv. Dit Laagpakket van Liempde bestaat uit verspoelde sedimenten die tot leem zijn gevormd. Daaronder bevindt zich opnieuw dekzand uit de Formatie van Boxtel (dekzand). De meest dichtbij zijnde substantiële natuurlijke watervoorkomen ligt circa 1950 meter ten zuiden van het plangebied ; het Wilhelminakanaal. ,

,

,

,

,

Geomorfologie Op basis van de geomorfologische kaart bevindt het plangebied zich binnen een bebouwd gebied waarbij dekzandwelvingen het bebouwde gebied omringen. Dit impliceert dat het plangebied eveneens op een dergelijke dekzandwelving gelegen is (code 3B72 bijlage 4 www. pdok. nl). ,

,

,

Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Uit het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) blijkt dat het maaiveld in het plangebied ligt op 147 meter boven NAP (bron: www.ahn.nl ; versie 5 ; bijlage 3). Zowel binnen het plangebied als in de directe omgeving is het maaiveld relatief vlak en zijn er nauwelijks hoogteverschillen waarneembaar. ,

Bodem en grondwatertrap Volgens de bodemkaart zijn in het plangebied laarpodzolgronden te verwachten (kaartcode cHn23 ; bijlage 6 ; www. pdok. nl). Deze gronden bestaan doorgaans uit lemig fijn zand kenmerkend voor de Pleistocene zandgebieden in Nederland (zie landschapsgenese). ,

De grondwatertrap in het plangebied is V (volgens de bodemkaart). Dit betekent dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) tot binnen 40 cm onder maaiveld kan komen. De gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) ligt daarentegen beneden 120 cm onder maaiveld. Door deze schommelingen in de grondwaterstand worden organische resten zoals bot- en plantenmateriaal tot 120 cm onder maaiveld aangetast door oxidatie. Binnen deze diepte kunnen echter nog wel anorganische resten zoals vuursteen en aardewerk of verbrande organische resten worden aangetroffen. Beneden 120 cm onder maaiveld bestaat daarnaast theoretisch de mogelijkheid om onverbrande organische resten aan te treffen. ,

,

,

,

7

7. Beschrijving bekende archeologische kenmerken Wettelijk beschermd monument

Nee

AMK terrein

Nee

Verwachting gemeentelijke kaart

Hoog Historische kern

Archeologische waarden en/of informatie

Nee

,

Wettelijk beschermde status Het plangebied heeft volgens het centraal archeologisch informatiesysteem (Archis) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geen archeologisch wettelijk beschermde status. Archeologische Monumentenkaart (AMK) Het plangebied is niet opgenomen op de Archeologische MonumentenKaart (AMK). Archeologische verwachting Op de gemeentelijke beleidskaart heeft het plangebied een hoge archeologische verwachting. Deze verwachting is gebaseerd op de ligging van het plangebied in de historische kern. In bijlage 3 is de ligging van het plangebied te zien en de oostelijke helft van het gebied heeft een gewone hoge verwachting. Hier kunnen ook nog resten van de historische kern aangetroffen worden. ,

Bekende archeologische waarden In het plangebied zijn voor zover bekend in het verleden geen archeologische waarnemingen gedaan en heeft in het verleden niet eerder onderzoek plaatsgevonden. In de omgeving van het plangebied is wel informatie bekend (bijlage 7). In tabel 1 is een overzicht gegeven van de verschillende onderzoeken in de omgeving van het plangebied in tabel 2 zijn de verschillende vondstmeldingen weergegeven. Op basis van de uitgevoerde archeologische onderzoeken en vondstmeldingen in en rondom het plangebied kunnen verschillende archeologische kenmerken van verwachte vindplaatsen worden onderscheiden. Uit de proefsleuvenonderzoeken en opgravingen blijkt dat het gebied een rijke en gelaagde bewoningsgeschiedenis kent met sporen die teruggaan tot de prehistorie Romeinse tijd vroege middeleeuwen en de nieuwe tijd. ,

,

,

•

,

Resten van oude erven en bewoning: In de directe omgeving van het plangebied zijn sporen aangetroffen van oude boerderijen en hoeves met name uit de zestiende en zeventiende eeuw. Onder ophogingslagen zijn nog intacte oude bodems aanwezig waarin aardewerk metaal glas dierlijke resten en bouwmateriaal zijn gevonden. Dit wijst op de aanwezigheid van voormalige erven waarvan mogelijk diepere oudere bewoningslagen bewaard zijn gebleven. Nederzettingssporen vanaf de prehistorie tot en met de Nieuwe Tijd: Grootschalig archeologisch onderzoek ten oosten van het plangebied heeft uitgewezen dat het gebied continu bewoond is geweest vanaf de 9 e eeuw met zelfs sporen uit de bronstijd ijzertijd en Romeinse periode. Opvallend is de ontwikkeling van het akkerlandschap en de ervenstructuur wat wijst op langdurig agrarisch gebruik en een sterke verbondenheid met het landschap. Sporen van ambachtelijke activiteiten: In de omgeving zijn sporen van leemwinningskuilen en afval van baksteenproductie gevonden met name uit de achttiende en negentiende eeuw. Historische veldnamen en vondstmateriaal suggereren dat in het noordwesten van het gebied mogelijk veldovens hebben gestaan hoewel hiervan geen directe sporen zijn gevonden. Deze sporen zijn vaak oppervlakkig en deels verdwenen door latere verstoringen. ,

,

,

,

,

,

•

,

,

,

•

,

,

8

Samenvattend zijn de te verwachten archeologische vindplaatsen in het plangebied vooral gerelateerd aan oude erven langlopende nederzettingsstructuren agrarisch gebruik en ambachtelijke activiteiten zoals leemwinning en baksteenproductie. De vondsten wijzen op een rijk verleden met mogelijk waardevolle archeologische resten vooral in minder verstoorde delen en onder ophogingslagen. ,

,

,

9

Tabel 1: Overzicht van de archeologische onderzoeken rondom het plangebied (500 < m).

Zaak-ID

Toponiem

Afstand-windrichting

Type onderzoek

2682878100

Broekstraat – Aarleseweg

450 m ten noorden

Proefsleuvenonderzoek

Bevindingen

Bron

Het proefsleuvenonderzoek in deelgebied Broekstraat heeft uiteindelijk geen behoudenswaardige vindplaats opgeleverd. Er zijn wel archeologische sporen aangetroffen maar deze blijken zich grotendeels te beperken tot enkele verkavelingssloten en greppels uit de nieuwe of subrecente tijd. Verder zijn ook sporen van leemwinningskuilen uit de nieuwe tijd (vermoedelijke 18e-19e eeuw) gevonden met afval van een baksteenproductie. De leemrijke locatie nabij een waterloop (in het noordwesten van het deelgebied) was uitermate geschikt voor de combinatie van leemwinning en baksteenproductie. Het vondstmateriaal en de veldnaam ‘Steenoven’ op historische kaarten uit de 19e eeuw doen dan ook vermoeden dat in of nabij het deelgebied ook een of meerdere veldovens zijn ingericht. Sporen van veldovens - doorgaans zeer ondiepe sporen zijn echter niet aangetroffen. Uitgaande van de lokale verstoringen binnen het deelgebied door jarenlange beakkering en recente afgravingen zijn deze ook niet meer te verwachten. De informatiewaarde van de vindplaats is hierdoor beperkt.

Hemminga Goossens 2015

,

en

,

5625323100

Aarleseweg

400 m ten noorden

Booronderzoek

Het rapport is niet beschikbaar in Archis of Dans.

Archis3

4695752100

Aarle

Ten zuiden in en van het plangebied

Proefsleuvenonderzoek

Het proefputtenproject in Aarle betroffen een pilot gericht op het uittesten van een methode werkwijze en organisatie van een gemeenschapsarcheologie project. Hierbij zijn in totaal vijf putjes (1x1m) onderzocht samen met inwoners van het buurtschap. Bij het onderzoek werd

Verspay e.a. 2019

,

,

10

enkele plaatsen vastgesteld dat het terrein in de afgelopen decennia moet zijn verbeterd en/of opgehoogd. Hoewel deze waarnemingen zelf niet veel hebben opgeleverd is uit aanvullende waarnemingen en gesprekken met omwonende gebleken dat andere delen van deze vindplaatsen (oa St. Annakapel & Hagelaarweg 5) minder verstoord zullen zijn en veel kansrijker voor het vinden van een oudere materiële neerslag. Deze observaties worden meegenomen naar het vervolgproject. Bij de waarneming op de Aarleseweg 20 bleek dat onder de recente ophogingslaag nog een nog intacte oude A/C-bodem bevond. Enkele grotere scherven veronderstellen dat we ons wel degelijk op het erf van een oude hoeve bevonden. De oudste stukken tot dusver dateren uit de zestiende/zeventiende eeuw maar het onderste niveau was nog niet bereikt. Deze put is uiteindelijk gestaakt omdat de tijd om was. Deze locatie wordt opnieuw voorgedragen voor het vervolgonderzoek. op

,

2340610100

Aarle en Best

200 meter ten oosten

Opgraving

In het kader van nieuwbouwontwikkeling heeft grootschalig archeoloigsch onderzoek plaatsgevonden op de Aarlese akkers. Dit gebeurde tussen 2009 en 2012. Het resultaat zoals eerder beschreven was spectaculair en leverde een schat aan kennis op. Men kon de ontwikkelingsgeschiedenis van het akkerlandschap en de erven nauwkeurig in kaart brengen: van de boerderij uit de 9e eeuw in het midden tot de afsplitsingen richting rand tussen de 12e en 15e eeuw. Daarmee werd wetenschappelijk bevestigd wat historisch al werd vermoed. Ook kwam bewijs van prehistorische bewoning (restanten uit bronstijd/ijzertijd) en een Romeinse periode aanwezigheid (mogelijk een kleine

Tol e.a. 2017 ,

,

,

11

landbouwnederzetting of sporen van akkertjes uit de 2e eeuw na Chr. ). Uit de archeologische synthese bleek verder dat Aarle exemplarisch is voor een Brabants dekzandlandschap met zeer lange agrarische continuïteit. Het rapport concludeert dat dit gebied een bewoningsgeschiedenis van meer dan 3000 jaar heeft – van eerste boeren in de late prehistorie via een onderbreking in de Romeinse tijd (toen het wellicht tijdelijk bos of heide was) naar een doorlopende bewoning vanaf de vroege middeleeuwen. ,

,

2100989100

Best

150 meter ten oosten

booronderzoek

Het rapport is niet beschikbaar in Archis of Dans

Archis3

5449481100

Best Kapelweg

200 meter ten zuidoosten

opgraving

Het rapport is niet beschikbaar in Archis of Dans

Archis3

2179949100

Aarle

Plangebied en groot stuk omgeving

booronderzoek

Het rapport is niet beschikbaar in Archis of Dans

Archis

Tabel 2: Overzicht van de vondstmeldingen rondom het plangebied (500 < m).

Zaak-ID

Toponiem

Afstandwindrichting

Datering

Type onderzoek

Omschrijving vondstmelding

4695752100

Aarle

Ten zuiden in en van het plangebied

Vroege-Middeleeuwen – Nieuwe Tijd

Proefsleuven

Aardewerk metaal glas dierlijke resten bouwaardewerk steen en plastic ,

,

,

,

,

,

12

8. Historische situatie , huidig gebruik en bodemverstoringen Landschapstype 2 Cultuurhistorische

Brabant van het Zand elementen 3

Nee

Aard historisch landgebruik

Bouwland

Historische bebouwing aanwezig

Nee

Bebouwing van cultuurhistorische waarde

Nee

Historische achtergronden van het cultuurlandschap en -situatie Het plangebied maakt deel uit van het buurtschap Aarle gelegen tussen Best en Oirschot. Aarle ontstond als een middeleeuws gehucht zonder duidelijke dorpskern en wordt gekenmerkt door open akkerland met boerderijen langs de randen van oude wegen. Aan de zuidwestzijde bevindt zich een verhoogde brink bij een driesprong van wegen met het plangebied aan de rand van het historische akkercomplex nabij oude boerderijen. ,

,

,

In de vroege middeleeuwen werd hier op een zandrug de eerste boerderij gesticht. Dit markeerde het begin van akkerbouw en veeteelt in het gebied. De naam “Aarle” verwijst naar een bos bij een waterloop. Vanaf de 12e/13e eeuw werd plaggenlandbouw geïntroduceerd waardoor de akkers hoger kwamen te liggen. De bewoning bleef lang op dezelfde plek geconcentreerd. In de hoge middeleeuwen werd het gebied een zelfstandig leengoed binnen het domein van de hertog van Brabant met meerdere boerderijfasen als gevolg (Berkvens 2010). ,

,

,

,

,

e e eeuw) verhuisden boerderijen Tijdens de late middeleeuwen (14-15 van het akkercentrum naar de wat leidde tot langs huidige Aarleseweg is een van die randen meerdere erven de zandwegen. De wegen. Tegen 1500 was de huidige structuur van boerderijen aan de akkerrand grotendeels gevormd en kreeg de gemeenschap een eigen kapel met de bouw van de Sint-Annakapel. In de vroegmoderne tijd (16e-18e eeuw) werd het agrarisch gebruik werd geïntensiveerd en het eigendomsbeheer veranderde na de Reformatie (brabantserfgoed. nl). Herverkaveling trad op en percelen werden individueel toegekend. Tot diep in de 19 e eeuw bleef Aarle een klein agrarisch gehucht met vrijwel ongewijzigde akkerstructuur en boerderijligging omgeven door heide en bossen. ,

,

Dit is ook op historische kaarten te zien waarbij het plangebied altijd als agrarische grond in gebruik is. Aan de wegzijde van het plangebied staat bebouwing in het begin van de 19 e eeuw. Deze is op de kaart van 1925 niet meer aanwezig. Pas vanaf de jaren ’70 van de 20 e eeuw verschijnt de huidige bebouwing (1966 ; aan de straatzijde) in het plangebied en wordt het terrein ingericht als bedrijfsterrein. De bedrijfsloodsen dateren uit 2000 (volgens bagviewer. kadaster. nl). ,

Militair Erfgoed Volgens de Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME) is het plangebied niet als aandachtsgebied aangemerkt. Er zijn daarnaast geen aanwijzingen of verwachtingen met betrekking tot militaire objecten inslagen van raketten of fenomenen die samenhangen met de Wereldoorlogen (bronnen: www.ikme.nl www.vergeltungswaffen.nl www.bunkerinfo.nl www.tracesofwar.com www.explosievenopsporing.nl www. bhic. nl). ,

,

,

,

,

,

2 Cultuurhistorische Waardenkaart 3 Cultuurhistorische Waardenkaart

Noord-Brabant (CHW , 2010 ; herziening 2016) Noord-Brabant (CHW , 2010 ; herziening 2016)

13

Huidig gebruik en bodemverstoringen Ten tijde van het onderzoek zijn er in het plangebied enkele bedrijfsloodsen en een bedrijfswoning aanwezig. Het overige deel van het terrein is voorzien van betonplaten en andere verhardingen. Er zijn op dit moment geen milieukundige onderzoeken bekend die betrekking hebben op het plangebied. De geplande verbouwing vindt plaats in het centrale deel van het terrein waar momenteel een bedrijfsloods staat. De huidige bedrijfsloods is gefundeerd tot 40 cm -Mv (bron: opdrachtgever). Het is aannemelijk dat de aanleg van deze bedrijfsloods het bodemarchief heeft aangetast. Het plangebied is verder niet opgenomen op de provinciale ontgrondingenkaart van Noord-Brabant (2005). Er zijn geen aanvullende aanwijzingen gevonden voor bodemverstoringen in het gebied. ,

De kabels en leidingen in het plangebied volgen voor zover bekend de algemene richtlijnen (bron: KLIC-app. nl): • • • •

Laagspanningskabels minimaal onder 60 cm -Mv liggen. Lagedruk gasleidingen minimaal onder 80 cm -Mv liggen. Waterleidingen moeten minimaal onder 100 cm -Mv liggen. Rioolleidingen moeten minimaal onder 80 cm -Mv liggen.

14

Figuur 2: Het plangebied (rood omlijnd) op het Kadastrale Minuutplan uit 1811-1832 (bron: beeldbank. cultureelerfgoed. nl).

Figuur 3: Uitsnede van een topografische kaart uit 1880 (bron: www. topotijdreis. nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven.

15

Figuur 4: Uitsnede van een topografische kaart uit 1925 (bron: www. topotijdreis. nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven.

Figuur 5: Uitsnede van een topografische kaart uit 1955 (bron: www. topotijdreis. nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven.

16

Figuur 6: Uitsnede van een topografische kaart uit 1975 (bron: www. topotijdreis. nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven.

Figuur 7: Uitsnede van een topografische kaart uit 1995 (bron: www. topotijdreis. nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven.

17

Figuur 8: Uitsnede van een luchtfoto uit 2019. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven (bron: www. pdok. nl).

18

9.

Gespecificeerde archeologische verwachting

Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied is gelegen op een dekzandwelving. De regio kent al bewoning sinds de prehistorie met sporen direct ten oosten van het plangebied. Hier zijn onder andere urnenvelden vuursteenconcentraties en nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de IJzertijd aangetroffen. Ook zijn er archeologische vondsten uit de Romeinse periode waaronder een Romeinse villa. In de Vroege Middeleeuwen ontstond op een dekzandrug tussen de Aarlese Akkers een agrarische gemeenschap waarvan in de 9 e eeuw bewoningssporen zijn gedocumenteerd. Deze nederzetting groeide en verschoof tussen de 12 e en 15 e eeuw geleidelijk naar het westen. In de 15e eeuw ontstond de huidige situatie waarbij de erven zich langs de Aarleseweg vestigden en op de brink aan de Kapelweg een kapel werd gebouwd. Vanuit deze locatie kon Aarle gedurende de Nieuwe Tijd verder ontwikkelen. ,

,

,

,

,

Dit alles leidt tot een hoge archeologische verwachting in het plangebied met name voor resten uit het Vroeg-Paleolithicum tot en met de Nieuwe Tijd. De relatief hogere ligging van het gebied bood in de prehistorie tot en met de Romeinse tijd goede bewoningsmogelijkheden ten opzichte van de natte beekdalen. Voor de Vroege Middeleeuwen geldt dat de nederzetting Aarle ten oosten van het plangebied ontstond waarna de boerderijen zich geleidelijk westwaarts verplaatsten tot zij rond 1500 langs de Aarleseweg gevestigd waren ter hoogte van het plangebied. Dit betekent dat sporen van deze migratie zich mogelijk in de bodem van het plangebied bevinden en de verwachting daarop is hoog. In het begin van de 19 e eeuw staat ter hoogte van het plangebied bebouwing hetgeen mogelijk indicatief is geweest voor de perioden daarvoor. Rond 1900 is de bebouwing verdwenen. Wel is deze verwachting afhankelijk van de mate waarin de bodemopbouw intact is gebleven aangezien in de jaren ’70 van de vorige eeuw op deze locatie een bedrijfsterrein is aangelegd. Een verwachting voor militair erfgoed is laag maar eventuele resten kunnen hiervan nooit uitgesloten worden. ,

,

,

,

,

,

,

Stratigrafische positie Archeologische resten worden vermoedelijk aangetroffen in de top van het dekzand dat zich waarschijnlijk op een diepte tussen circa 50 en 100 cm onder het maaiveld bevindt. In deze laag kunnen sporen van bodemvorming aanwezig zijn die inzicht geven in de mate van intactheid van de dekzandtop. ,

,

Resten uit de Late Middeleeuwen tot en met de Nieuwe Tijd kunnen zich daarnaast ook bevinden in humeuze ophogingslagen boven op het dekzand. Deze ophogingslagen zijn naar verwachting vooral aanwezig in het westelijke deel van het plangebied met name dicht bij de Aarleseweg. Hier kunnen archeologische resten zelfs al direct vanaf het maaiveld worden aangetroffen. ,

Complextypen In het plangebied kunnen nederzettingssporen worden aangetroffen hetzij in de vorm van (seizoensgebonden) jachtkampementen hetzij in de vorm van verhoogde huisplaatsen (boerderijen). Jachtkampementen kenmerken zich door een dichte vondstenstrooiing van onder andere fragmenten bewerkt vuursteen hetgeen met name afhankelijk is van de langdurigheid en/of intensiteit van eventuele bewoning op die plek. De omvang ervan kan variëren tussen ongeveer 100 en 1000 m.2 De aanwezigheid hiervan is in eerste instantie afhankelijk van de intactheid van de top van het dekzand in het gebied. ,

,

,

Wat betreft verhoogde huisplaatsen kenmerken deze zich naar verwachting door de aanwezigheid van een cultuurlaag in de top van het veen. Hierin zijn afvalresten aanwezig in de vorm van aardewerk al dan niet verbrand bot en baksteenresten. Ook zullen in deze lagen grondsporen aanwezig zijn als ,

19

onderdeel van palen van structuren (huizen bijgebouwen) en afval- en beerkuilen en waterputten. De omvang van nederzettingen is naar schatting 500-2000 m.2 ,

De gespecificeerde archeologische verwachting is nader weergegeven in onderstaande tabel 3. Prospectiekenmerken , zoekstrategie en advies Op basis van de uitkomsten van het bureauonderzoek rijst allereerst de vraag in hoeverre er binnen het plangebied nog archeologisch relevante bodemlagen aanwezig zijn. De top van het dekzand waarin archeologische resten doorgaans worden aangetroffen kan immers door eerdere graafwerkzaamheden zijn verstoord met name door de aanleg van het huidige bedrijfsterrein. Dit aspect is bepalend voor het vaststellen van de archeologische verwachting. Om dit te kunnen beoordelen is het noodzakelijk de lithologische opbouw van de ondergrond en de mate van intactheid van de bodem te onderzoeken. Dit kan worden uitgevoerd middels een verkennend booronderzoek. Op basis van de resultaten hiervan kan worden vastgesteld of en in welke mate archeologische resten te verwachten zijn. De onderzoeksmethode wordt nader toegelicht in Hoofdstuk 10. ,

,

,

,

,

,

20

Tabel 3: Gespecificeerde archeologische verwachtingstabel.

1

Archeologische verwachting Datering

Reden Dit omdat vooral 1 tot 3 kilometer ten zuiden van het plangebied resten uit deze periode is aangetroffen maar geen resten in de directe omgeving. Het plangebied en omgeving waren echter gunstige bewoonbare plekken in deze periode met vruchtbare grond. – hoog Vroege-Middeleeuwen – Hoog Zeer Nieuwe Dit vanwege de bekende bebouwing vanaf de Tijd 12e eeuw en het 9e -eeuwse erf wat vlakbij het plangebied aangetroffen is. Ook geeft de gemeentelijke verwachtingskaart aan dat het plangebied in een oude stadskern ligt. Omdat de bebouwing vanaf de 9e eeuw al plaats kan vinden in het plangebied is de verwachting hier resten van aan te treffen erg hoog. Nederzettingen (jachtkamp) huisplaatsen sporen van landgebruik water-gerelateerde resten 2 100-1000 m 2 (omvang jachtkamp) ; 500-2000 m(omvang huisplaats algemeen) Indien aanwezig: top van het veen (circa 24 m -Mv) en boven circa 115 m -Mv De kans is groot dat erosie van de relevante archeologische niveaus heeft plaatsgevonden door de Mark. Onbekend op dit moment het hele plangebied. Vindplaatsen kenmerken zich naar verwachting door vondsten of cultuurlagen. Gemiddeld

Vroeg-Paleolithicum – Romeinse Tijd

,

,

,

,

2 3 4 5

Complextype Omvang Diepteligging Gaafheid en conservering

6 7

Locatie Uiterlijke kenmerken (artefacten en type indicatoren) Mogelijke verstoringen

8

,

,

,

,

,

,

,

Er zijn geen verstoringen bekend.

21

10. Resultaten veldonderzoek Onderzoeksmethodiek Het doel van het booronderzoek is het toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting in het plangebied zoals deze is opgesteld in Hoofdstuk 9. Hiertoe is in het plangebied ten behoeve van de herontwikkeling van het gebied een verkennend booronderzoek uitgevoerd (volgens het opgestelde Plan van Aanpak ; Van den Bos 2025). De boringen zijn daarbij gebruikt om zowel de mate van intactheid van de bodem als de bodemopbouw zelf te bepalen. In totaal zijn in het plangebied vijf boringen gezet (boring 1-5). ,

,

De boringen hebben een diepte tot maximaal 150 cm –Mv en zijn handmatig gezet met behulp van een Edelmanboor met een diameter van 7 cm. De boringen zijn beschreven volgens de NEN5104 en de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode (ASB ; SIKB 2008). Deze beschrijvingen zijn terug te vinden in bijlage 10. De boringen zijn gelijkmatig in het plangebied uitgezet op de onverharde terreindelen binnen het gebied of plaatsen waar verharding te verwijderen was. Het meest westelijk deel van het plangebied was niet toegankelijk vanwege de aanwezigheid van beton. Daar was het niet mogelijk handmatig een boring uit te voeren. De ligging van de boringen is opgenomen in bijlage 7. De coördinaten van de boorpunten zijn bepaald met een meetlint aan de hand van de bestaande topografie en de hoogte is aan de hand van het AHN bepaald (bron: www. ahn. nl). ,

Veldwaarnemingen Ten tijde van het veldonderzoek was het plangebied in gebruik als bedrijfsterrein met diverse loodsen. Het terrein was verhard met beton en klinkers. Het maaiveld is vlak en er is geen sprake van reliëf. Tijdens het onderzoek kon niet goed worden vastgesteld op welke wijze de panden gefundeerd zijn. Vermoedelijk betreft het een beperkte fundering op staal met een vorstrand op circa 70-80 cm –Mv. Foto’s van het plangebied tijdens het veldonderzoek zijn opgenomen in figuur 9. ,

Figuur 9: Foto's van het plangebied ten tijde van het veldonderzoek (11-09-2025).

22

Bodemopbouw en lithologie Direct onder het maaiveld (0 cm -Mv / 1470 m +NAP) ligt overal een bouwvoor of verstoorde bovenlaag. Deze bestaat uit matig fijn zwak siltig en vaak humeus zand doorgaans bruin van kleur en kalkloos met een dikte van circa 25 tot 40 cm. Onder deze bouwvoor bevindt zich het dekzand te herkennen aan lichtgrijsgele tot grijsgroene tinten en een matig fijne korrelgrootte. De bovenzijde van het dekzand ligt meestal rond 25-40 cm -Mv (1445-1430 m +NAP) en reikt tot ongeveer 80-130 cm Mv (1390-1340 m +NAP). In deze dekzandlagen komen geregeld roest- en ijzervlekken (Fe-vlekken) voor een aanwijzing voor bodemvorming en schommelingen in de grondwaterstand. In boring 3 lijkt zelfs sprake van een verweringshorizont (Cw-horizont). Op grotere diepte doorgaans vanaf circa 80130 cm -Mv (1390-1340 m +NAP) is een leemlaag aanwezig die zwak zandig grijsgeel van kleur en matig stevig is. De overgang naar deze laag verloopt geleidelijk. Vermoedelijk betreft het Brabants leem gevormd als eolisch-lacustrien sediment. ,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

De top van het dekzand is archeologisch gezien intact wat blijkt uit de aanwezigheid van roest en mogelijke verwerkingslagen in de bovenste laag. Een klein deel van deze laag is mogelijk verdwenen door verstoring of het verwijderen van een humeuze laag. De verwering in deze laag doet vermoeden dat het om Oud Dekzand gaat. Er is geen verdere gelaagdheid te zien in het dekzand. In enkele boringen zijn brokken leem en bouwpuin aangetroffen in de bouwvoor. Bij boring 4 is het onderzoek gestaakt vanwege oppervlakteverharding. ,

Archeologische indicatoren De opgeboorde grondmonsters zijn ter plaatse zorgvuldig onderzocht op de aanwezigheid van archeologische indicatoren maar deze zijn niet aangetroffen. Dit is gedaan door middel van het doorzoeken van de boorkernen. Eventueel aangetroffen bouwpuin is niet meegenomen voor verder onderzoek. ,

Interpretatie Op basis van de resultaten van het veldonderzoek wordt de hoge archeologische verwachting uit het bureauonderzoek bevestigd. De top van het dekzand die als archeologisch relevant niveau wordt beschouwd is op basis van de aanwezigheid van roestvlekken en een mogelijke verweringshorizont archeologisch gezien intact. Dit houdt in dat ondanks het ontbreken van een duidelijke vondstlaag er in de top van het dekzand nog grondsporen van vroegere bewoning en landgebruik aanwezig kunnen zijn. Uit het bureauonderzoek bleek al dat de kans op dergelijke sporen uit de Middeleeuwen tot de Nieuwe Tijd groot is aangezien historisch gezien de Aarleseweg sinds de 15 e eeuw een bewoningslint vormde waarbij boerderijen vanuit het oosten naar het plangebied zijn gemigreerd. Oudere sporen zijn ook niet uit te sluiten. Voor de locaties met bestaande bebouwing geldt dat waarschijnlijk eventuele archeologische resten daar door verstoring verdwenen zijn. Dit kon tijdens het veldonderzoek niet worden bevestigd vanwege de aanwezige verharding. Deze aanname is gebaseerd op de ondiepe ligging van het archeologisch niveau (25-40 cm -Mv) en de vermoedelijke funderingsdiepte van de panden (circa 70-80 cm -Mv). Ondiepe sporen zullen onder de bebouwing waarschijnlijk verdwenen zijn maar diepere grondsporen zoals waterputten en beerkuilen kunnen mogelijk nog aanwezig zijn. ,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

23

11. Beantwoording onderzoeksvragen 1.

Hoe heeft het plangebied oorspronkelijk in het natuurlijk landschap gelegen? Het plangebied bevindt zich in een historisch bebouwingslint dat in de 15 e eeuw hier is ontstaan. Waarschijnlijk ligt het op een dekzandwelving wat hoger in het landschap waarmee er ook oudere sporen van bewoning aanwezig kunnen zijn. ,

2.

Zijn er binnen de bodemopbouw archeologisch relevante niveaus te onderscheiden en hoe diep liggen deze? De top van het dekzand is archeologisch intact getuige de aanwezigheid van sporen van bodemvorming. De top ligt op een diepte van 25-40 cm -Mv. Er is geen sprake van diepreikende verstoringen.

3.

In hoeverre zijn de archeologisch relevante niveaus nog intact (verstoring , erosie , afdekkend substraat)? Zie antwoord vraag 2.

4.

Wat is de archeologische verwachting van het plangebied en in hoeverre is deze te differentiëren in laag , middelhoog en hoog? Op basis van de resultaten van het veldonderzoek is vastgesteld dat in het plangebied sprake is van een hoge archeologische verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten uit de periode Laat-Paleolithicum-Nieuwe tijd.

24

12. Conclusie en Advies Conclusie • Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied is gelegen op een dekzandwelving. De regio kent al bewoning sinds de prehistorie met sporen direct ten oosten van het plangebied. Hier zijn onder andere urnenvelden vuursteenconcentraties en nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de IJzertijd aangetroffen. Ook zijn er archeologische vondsten uit de Romeinse periode waaronder een Romeinse villa. In de Vroege Middeleeuwen ontstond op een dekzandrug tussen de Aarlese Akkers een agrarische gemeenschap waarvan in de 9e eeuw bewoningssporen zijn gedocumenteerd. Deze nederzetting groeide en verschoof tussen de 12e en 15e eeuw geleidelijk naar het westen. In de 15e eeuw ontstond de huidige situatie waarbij de erven zich langs de Aarleseweg vestigden en op de brink aan de Kapelweg een kapel werd gebouwd. Vanuit deze locatie kon Aarle gedurende de Nieuwe Tijd verder ontwikkelen. Dit alles leidt tot een hoge archeologische verwachting in het plangebied met name voor resten uit het Laat-Paleolithicum tot en met de Nieuwe Tijd. De relatief hogere ligging van het gebied bood in de prehistorie tot en met de Romeinse tijd goede bewoningsmogelijkheden ten opzichte van de natte beekdalen.

Voor de Vroege Middeleeuwen geldt dat de nederzetting Aarle ten oosten van het plangebied ontstond waarna de boerderijen zich geleidelijk westwaarts verplaatsten tot zij rond 1500 langs de Aarleseweg gevestigd waren ter hoogte van het plangebied. Dit betekent dat sporen van deze migratie zich mogelijk in de bodem van het plangebied bevinden en de verwachting daarop is hoog. In het begin van de 19e eeuw staat ter hoogte van het plangebied bebouwing hetgeen mogelijk indicatief is geweest voor de perioden daarvoor. Rond 1900 is de bebouwing verdwenen. Wel is deze verwachting afhankelijk van de mate waarin de bodemopbouw intact is gebleven aangezien in de jaren ’70 van de vorige eeuw op deze locatie een bedrijfsterrein is aangelegd. • Op basis van de resultaten van het veldonderzoek wordt de hoge archeologische verwachting uit het bureauonderzoek bevestigd. De top van het dekzand die als archeologisch relevant niveau wordt beschouwd is op basis van de aanwezigheid van roestvlekken en een mogelijke verweringshorizont archeologisch gezien intact. Dit houdt in dat ondanks het ontbreken van een duidelijke vondstlaag er in de top van het dekzand nog grondsporen van vroegere bewoning en landgebruik aanwezig kunnen zijn.

Uit het bureauonderzoek bleek al dat de kans op dergelijke sporen uit de Middeleeuwen tot de Nieuwe Tijd groot is aangezien historisch gezien de Aarleseweg sinds de 15 e eeuw een bewoningslint vormde waarbij boerderijen vanuit het oosten naar het plangebied zijn gemigreerd. Oudere sporen zijn ook niet uit te sluiten. Voor de locaties met bestaande bebouwing geldt dat waarschijnlijk eventuele archeologische resten daar door verstoring verdwenen zijn. Dit kon tijdens het veldonderzoek niet worden bevestigd vanwege de aanwezige verharding. Deze aanname is gebaseerd op de ondiepe ligging van het archeologisch niveau (25-40 cm -Mv) en de vermoedelijke funderingsdiepte van de panden (circa 40 cm -Mv). Ondiepe sporen zullen onder de bebouwing waarschijnlijk verdwenen zijn maar diepere grondsporen zoals waterputten en beerkuilen kunnen mogelijk nog aanwezig zijn. ,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

Advies Uit het onderzoek blijkt dat het plangebied een hoge archeologische verwachting kent onder meer vanwege de ligging binnen een historisch bewoningslint en de aanwezigheid van verschillende archeologische vindplaatsen ten oosten van het gebied. De boringen tonen aan dat de bodemopbouw deels is verstoord maar dat er zeker nog grondsporen aanwezig kunnen zijn die waardevolle inzichten kunnen geven in de bewoningsgeschiedenis van Aarle. Er zal dus in het kader van de planontwikkeling rekening moeten worden gehouden met de aanwezigheid van archeologische waarden in het gebied. Ten behoeve van het herzien van de functie van het terrein (van bedrijfsterrein naar wonen) zal de ,

,

,

25

hoge archeologische verwachting in het omgevingsplan moeten worden uitgewerkt. De huidige planregels uit het vigerend beleid van de gemeente kunnen hieraan worden toegevoegd (250 m 2 en 40 cm -Mv). De exacte werkzaamheden binnen het plangebied moeten nog worden bepaald. Voor de verbouwing van de woning zijn in ieder geval geen bodemingrepen voorzien ; de omvang van de toekomstige loods moet nog worden bepaald. Afhankelijk van de uiteindelijke omvang van de bodemingrepen en de regels in het omgevingsplan moet worden besloten of archeologisch vervolgonderzoek nodig is. Mochten ingrepen binnen 250 m 2 en 40 cm -Mv blijven kan waarschijnlijk archeologisch onderzoek achterwege blijven. Mochten de werkzaamheden deze planregels overschrijden adviseren wij om in het plangebied een archeologisch onderzoek uit te voeren om te bepalen of er nog archeologische resten aanwezig zijn op de plaatsen waar de ingrepen gepland zijn. Gezien de verwachting op grondsporen kan dit het beste middels een proefsleuvenonderzoek plaatsvinden. Voor een dergelijk onderzoek is vooraf een Programma van Eisen (PvE) – een opgravingsbestek – noodzakelijk dat door de gemeente dient te worden beoordeeld en goedgekeurd vóór aanvang van de werkzaamheden. ,

,

,

,

Bovenstaande vormt een advies. Op basis van de uitkomsten van het rapport en dit advies zal de bevoegde overheid (de gemeente Best) een definitief besluit nemen over de omgang met eventuele archeologische waarden binnen het plangebied.

26

13. Geraadpleegde bronnen Archeologische kaarten en databestanden: • Archeologische Monumenten Kaart (AMK) Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE) Amersfoort 2007. • Archeologisch Informatie Systeem III (Archis3) Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE) Amersfoort 2016. • www. ruimtelijkeplannen. nl • archis. cultureelerfgoed. nl • www. kadastralekaart. com • www. archieven. nl • www. pdok. nl • www. ahn. nl • Bodemkaart van Nederland 1:50. 000 (Stiboka) • Geomorfologische kaart van Nederland • www. bodemloket. nl • bagviewer. kadaster. nl • www. kadaster. nl • www. dinoloket. nl • www. brabant. nl/onderwerpen/cultuur-en-erfgoed/erfgoed/cultuurhistorische-waarden-inbrabant • www. bhic. nl • beeldbank. cultureelerfgoed. nl • www. topotijdreis. nl • library. wur. nl/WebQuery/geoportal/raf • noordbrabant. omgevingsrapportage. nl • www. ikme. nl • www. tracesofwar. com • www. euroradar. nl/explosieven-opsporing/ruimingskaart/ • https://omgevingswet. overheid. nl • klic-app. nl ,

,

,

,

,

,

Lijst met afbeeldingen Figuur 1 Ligging van het plangebied (bron: www. pdok. nl) Figuur 2: Het plangebied (rood omlijnd) op het Kadastrale Minuutplan uit 1811-1832 (bron: beeldbank. cultureelerfgoed. nl). Figuur 3: Uitsnede van een topografische kaart uit 1880 (bron: www. topotijdreis. nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven. Figuur 4: Uitsnede van een topografische kaart uit 1925 (bron: www. topotijdreis. nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven. Figuur 5: Uitsnede van een topografische kaart uit 1955 (bron: www. topotijdreis. nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven. Figuur 6: Uitsnede van een topografische kaart uit 1975 (bron: www. topotijdreis. nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven. Figuur 7: Uitsnede van een topografische kaart uit 1995 (bron: www. topotijdreis. nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven. Figuur 8: Uitsnede van een luchtfoto uit 2019. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven (bron: www. pdok. nl). 27

Figuur 9: Foto's van het plangebied ten tijde van het veldonderzoek (11-09-2025). Literatuur Bakker H. de 1966. De subgroepen van het systeem voor bodemclassificatie voor Nederland. In: Boor en Spade. ,

,

Bakker H. de en J. Schelling 1989. Systeem van bodemclassificatie voor Nederland. De hogere niveaus. Wageningen. ,

,

Berendsen H. J. A. & E. Stouthamer (eds.) 2001. Palaeogeographical development of the Rhine-Meuse delta the Netherlands. Assen. ,

,

,

Berendsen H.J.A. 2005. Landschappelijk Nederland. Assen (Fysische Geografie van Nederland). Derde geheel herziene druk. ,

,

Berendsen H.J.A. 2004. De vorming van het land. Assen (Fysische geografie van Nederland). Vierde geheel herziene druk. ,

,

,

,

Cohen K.M. E. Stouthamer H. J. Pierik A. H. Geurts 2012. Digitaal Basisbestand Paleogeografie van de Rijn-Maas Delta. Dept. Fysische Geografie. Universiteit Utrecht. Digitale Dataset. ,

,

,

,

,

Maas G. J. W. M. van der Meij S. P. J. v. Delft A. H. Heidema. 2019. Toelichting bij de legenda Geomorfologische kaart van Nederland 1:50 000. http://legendageomorfologie. wur. nl/. Wageningen Wageningen Environmental Research. ,

,

,

,

,

,

Mulder E. F. J de. M. C. Geluk I. Ritsema W. E. Westerhof & T. E. Wong 2003 De ondergrond van Nederland Groningen. ,

,

,

,

,

,

Schokker J. 2003. Patterns and processes in a Pleistocene fluvio-aeolian environment (Roer Graben south-eastern Netherlands) Utrecht (Thesis Nederlandse Geografische Studies 314). ,

,

,

,

,

Stouthamer E. K. M. Cohen W. Z. Hoek 2015. De vorming van het Land. Utrecht (Fysische geografie van Nederland). Achtste geheel herziene druk. ,

,

,

,

,

TNO 2020. Geologische Overzichtskaart van Nederland schaal 1:600 000. ,

,

Vos P.C. 2015. Origin of the Dutch coastal landscape. Longterm landscape evolution of the Netherlands during the Holocene described and visualized in national regional and local palaeogeographical map series. PhD dissertation Utrecht University Barkhuis Groningen. ,

,

,

,

,

,

Vos P. M. van der Meulen H. Weerts en J. Bazelmans 2018 Atlas van Nederland in het Holoceen. Landschap en bewoning vanaf de laatste ijstijd tot nu Amsterdam (Prometheus). ,

,

,

,

,

,

Zijverden Leiden.

,

van , W. K. & J. de

Moor 2014. Het groot profielenboek. Fysische geografie voorarcheologen. ,

28

Bijlage 1: Archeologische periode-indeling voor Nederland Periode

Deel-/subperiode

Recent

Van

Tot

1945 na Chr.

2050 na Chr.

Nieuwe Tijd

Late-Nieuwe tijd Midden-Nieuwe tijd Vroege-Nieuwe tijd

1850 na Chr. 1650 na Chr. 1500 na Chr.

1945 na Chr. 1850 na Chr. 1650 na Chr.

Middeleeuwen

Late-Middeleeuwen B Late-Middeleeuwen A Vroege-Middeleeuwen D Vroege-Middeleeuwen C Vroege-Middeleeuwen B Vroege-Middeleeuwen A

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16876309/1