CConstaterende datBest
Koppel je AI →
Document · PDF

25055.11a - Beantwoording aanvullende vragen A. Krol (VVD) voor voortzetting raadsvergadering op 6 januari 2026

Raadsvergadering 6 januari 2026, gemeente BestBij agendapunt: 25055 - Vaststellen Groen- en biodiversiteitsplan 20262.269 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Vragen:

Dorpsplein 2 Postbus 50 5680 AB Best

U kunt uw vraag mailen naar raadsgriffie@gembest.nl * Naam + politieke partij Raadsvoorstel/onderwerp Vragen en antwoorden:

Inleiding vraag

Aram Krol VVD Vaststellen Groen- en biodiversiteitsplan

T: 0499 360 375 raadsgriffie@gembest.nl www.gemeentebest.nl

1. Omgevingswet en beleidsplannen – hoe ziet u de koppeling? U heeft eerder aangegeven dat beleidsnota’s “vormvrij” zijn en “geen directe link hebben met de Omgevingswet”. Volgens onze lezing van de wet zijn echter de volgende bepalingen wél rechtstreeks van toepassing: - Art. 1.2 Ow – definitie fysieke leefomgeving (inclusief groen & biodiversiteit) - Art. 1.3 Ow – opdracht tot verbetering fysieke leefomgeving - Art. 2.1 Ow – integrale belangenafweging - Art. 4.1 Ow – beleidsbasis voor Omgevingsplan - Art. 20.1 Ow – monitoringsplicht

Vraag 1:

Antwoord 1:

Vraag: Kunt u toelichten hoe u deze artikelen ziet in relatie tot dit beleidsplan en hoe hieruit volgt dat het plan volgens u geen koppeling heeft met de Omgevingswet? Allereerst wil ik opmerken dat bovengenoemde opmerkingen “U heeft eerder aangegeven enz.” niet voortkomen uit de antwoorden die gegeven zijn in beeldvormende of oordeelsvormende sessie, maar de interpretatie zijn van de opsteller, naar aanleiding van een informele nazit bij heel ander onderwerp een regionale sessie over mobiliteit.

1

De genoemde artikelen van de omgevingswet hebben geen directe relatie met dit beleidsplan. In artikel 1.2 wordt (niet limitatief) opgesomd waar de Omgevingswet over gaat. In tegenstelling wat in de inleiding wordt gesuggereerd komen noch groen noch biodiversiteit (in tegenstelling tot bijvoorbeeld water en bodem) in deze opsomming voor. De veronderstelde koppeling dat een beleidsplan moet voldoen aan de eisen is op basis van dit artikel niet aan de orde. Artikel 1.3 door opsteller onjuist opdracht tot verbetering fysieke leefomgeving genoemd – de wettekst luidt: maatschappelijke doelen van de wetheeft ook geen directe koppeling met dit beleidsplan. En in tegenstelling wat de vragensteller veronderstelt volgen hieruit ook geen inhoudelijke eisen aan dit beleidsplan. Behalve de globale eis dat dit beleidsplan niet contrair aan de maatschappelijke doelstelling van de wet moet zijn: wat natuurlijk ook niet het geval is. Art 2.1 Is een algemene bepaling die ingaat op de wijze hoe het bestuursorgaan – in dit geval de gemeente- zijn taken en bevoegdheden uitoefent. De indiener refereert aan dit artikel met integrale belangenafweging. Dat is onjuist de titel van het artikel is uitoefening van taken en bevoegdheden.

Er is geen logische redenering op te stellen dat met het aanbieden van dit beleidsplan daaraan voorbij wordt gegaan, maar er volgt zeker niet uit dat het beleidsplan niet in lijn is of niet voldoet aan de -niet nader door de indiener gespecificeerde- eisen van de wet. Art 4.1 Gaat over decentrale regels in omgevingsplan, waterschapsverordening en omgevingsverordening. Daar is hier geen sprake van. Het artikel heet overigens decentrale regels over activiteiten en niet beleidsbasis voor Omgevingsplan hetgeen het amendement suggereert. Art 20.1 Gaat over een monitorplicht bij een omgevingsplan, omgevingswaarde en programma. Omdat hier geen sprake is van een van deze drie objecten is dit wetsartikel hier niet aan de orde. Het ingediende amendement stelt in de toelichting dat dit beleidsplan niet voldoet aan de eisen van de omgevingswet. Uit de toelichting kan gedestilleerd worden dat de eisen die de indiener noemt (groten)deels overeenkomen met de eisen die aan een programma onder de omgevingswet worden gesteld. Alleen dit beleidsplan is geen programma onder de omgevingswet. Nog even op een rijtje 1. 2. 3. 4. 5.

De Omgevingswet kent een aantal verplichte programma’s. Bijvoorbeeld Programma Geluid. Een Groenbeleid- en Biodiversiteitsplan is geen verplicht programma onder de Omgevingswet. Een programma onder de omgevingswet moet voldoen aan een aantal eisen. Hierover hebben we u geïnformeerd in de RIB van juni 2024 In de RIB 21-01-2025 hebben we u geïnformeerd dat we beperkt gebruik maken van het instrument programma onder omgevingswet. Intern is een uitgebreide nota opgesteld om nader te bepalen of we het instrument programma onder de omgevingswet zouden hanteren of een het meer traditioneel zouden doen met een beleidsplan met uitvoeringsnota. 6. Dit Goenbeleids- en Biodiversiteitsplan is een ‘traditioneel’ beleidsplan en de in het amendement genoemde link met de omgevingswet en in het amendement geformuleerde eisen gelden dus niet.

2

Onderstaand een gedetailleerde toelichting waarom dit niet een programma onder de omgevingswet is. Mede onder verwijzing naar de op 21-01-2025 verzonden Raadsinformatiebrief (RIB) aan de raad (PU24-01791) over de stand van zaken diverse onderdelen Omgevingswet (Ow), waarin de kenmerken van Programma’s onder Ow zijn aangegeven: In het Groen- en Biodiversiteitsplan (GBP) worden richtlijnen gegeven om de bestaande openbare ruimte te vergroenen en om als input te dienen voor andere visies, beleid én programma’s. Voor een Programma onder de Ow dienen doelen zeer concreet geformuleerd te zijn (maatregelen) en binnen een vastgestelde periode te worden bereikt. Monitoring dient daarbij plaats te vinden. De doelen in het GBP zijn nog niet concreet geformuleerd, want in 2026 worden nog een beheerplan en een uitvoeringsprogramma/-plan opgesteld (zie elders in deze beantwoording). Het GBP gaat daarnaast over de periode 2026-2036. Om te bepalen of een document als een programma onder de omgevingswet valt is intern een nota met bijbehorende beslisboom opgesteld. In deze beslisboom (zie onderstaande stroomschema) valt het GBP dus door de zeef bij de stappen 5 en 6 (bij stap 4 was het ook al te betwijfelen, omdat de zeer concrete stappen in het uitvoeringsprogramma/-plan benoemd zullen gaan worden).

Inleiding vraag 2

2. Motivering en zelfbinding – juridische houdbaarheid Een beleidsplan bindt het bestuur aan het eigen afwegingskader (Awb art. 3:2, 3:46 en 4:81–4:84). In de huidige versie ontbreken:

3

- normen, - definities, - beheerzonering, - toetsingskaders voor groencompensatie, - prioritering, - uitvoeringskaders. Hierdoor bestaat het risico dat besluiten over groen en ruimtelijke ontwikkeling niet of onvoldoende gemotiveerd kunnen worden, wat in bezwaar en beroep tot vernietiging kan leiden.

Vraag 2:

Hoe ziet u de motiveringsruimte van het college wanneer het beleidsplan geen concrete afwegingskaders bevat?

Antwoord 2:

Het Beleidsplan bevat voor een beleidsplan voldoende kaders, waarbij ook nog helder wordt aangegeven hoe een verdere detaillering tot stand komt. De in de inleiding van vraag ingebrachte veronderstelling wordt niet onderschreven.

Inleiding vraag 3

3. Monitoring en KPI’s – wettelijke plicht onder de Omgevingswet Het beleidsplan bevat geen KPI’s, geen nulmeting en geen monitoringssystematiek. Zonder meetbare doelen is het voor de gemeente niet mogelijk om te voldoen aan art. 20.1 Ow (monitoringsplicht).

Vraag 3:

Hoe ziet u monitoring en rapportage voor zich zonder indicatoren of nulmeting?

Antwoord 3:

Naar onze mening is de absoluutheid waarmee wordt gesteld dat er in dit Beleidsplan geen KPI’s genoemd worden te stellig. Dit beeld wordt niet herkend. Dit beleidsplan biedt meer dan voldoende basis voor verdere invulling van het toekomstbestendig maken van het groen en om biodiversiteit te behouden en verbeteren. Hoe dat de komende tijd wordt vormgegeven wordt ook duidelijk aangegeven. Ten aanzien van monitoring en nulmeting wordt bovendien zeer duidelijk aangegeven wat de vervolgstappen zijn. In het in 2026 op te stellen Beheerplan Stedelijk Groen en Uitvoeringsprogramma/-plan Biodiversiteit wordt vervolgens uitgewerkt wat, waar en wanneer (inclusief begroting) we welke acties gaan uitzetten om het groen toekomstbestendig te maken en de biodiversiteit te behouden en te verbeteren. In deze twee uitvoeringsdocumenten worden ook zaken als nul- en vervolgmetingen (monitoring) opgenomen. We geven in paragraaf 5.5 ook duidelijk aan dat: •

“De verdere uitwerking en borging van de monitoring wordt vastgelegd in een monitoringsplan. ”

4

En ook: • “Hierin worden de locaties, onderzoeksmethodiek, frequentie, indicatoren en eventuele betrokken partijen beschreven. Het plan vormt de basis

voor een eenduidige, meerjarige aanpak en maakt het mogelijk om ontwikkelingen te volgen en onderbouwd te rapporteren over de voortgang van het biodiversiteitsbeleid. Voor De Scheeken en de ecologische bermen is dit al gedaan, de andere gebieden volgen nog. ” Overigens merken we op dat in het voorliggend GBP al wel een aantal meetbare doelen zijn geformuleerd, onder andere in paragraaf 4.3.3 waar we meetbare doelen voor bomen benoemen zoals de Santamour-regel en voor het verlengen van de levensduur van bomen. Voor de biodiversiteit heeft bovendien al een nulmeting plaats gevonden op basis van gegevens uit de Nationale Databank Flora en Fauna en reeds bestaande inventarisatierapporten die zijn opgesteld in het kader van monitoringsprojecten binnen de gemeente Best (zie paragraaf 2.2). Op basis van deze gegevens hebben we de GEN-kaart huidige situatie (paragraaf 5.7.1) en Ambitiekaart (paragraaf 5.7.2) opgesteld. Tot slot: Er heeft integrale afstemming met andere domeinen plaats gevonden. Daarnaast zijn keuzes vanuit participatie meegenomen in het beleid van het GBP. In paragraaf 3.1 en in bijlagen 2 en 3 is duidelijk terug te lezen dat we rekening hebben gehouden met diverse ideeën en wensen vanuit de samenleving. Inleiding vraag 4

Zonering – beschrijvende taal biedt geen beleidskader Het plan geeft beschrijvende richting zoals: - “Centrum: nadruk op klimaatbomen” - “Randwijken: inheemse soorten” - “Verbindingszones: groene linten” en toont een ambitiekaart met kansenlocaties. Dat is waardevolle visie, maar geen beheer- of besluitvormingskader, omdat er: - geen bindende kaart is met zones, - geen beheernormen zijn toegewezen, - geen koppeling bestaat met KOR/CROW, - geen juridisch toepasbare systematiek is uitgewerkt.

Vraag 4:

4. Op basis waarvan ziet u deze beschrijvende zonering als toepasbaar kader voor uitvoering, vergunningverlening en Omgevingsplanregels?

5

Antwoord 4:

Deze vraag gaat uit van een onjuiste veronderstelling. De bovengenoemde kwaliteitsnormen vormen geen onderdeel – en hoeven ook geen onderdeel te vormen- van dit beleidsplan. Dit wordt in het Groenbeleids- en Biodiversiteitsplan (GBP) ook expliciet aangegeven. Daar staat in paragraaf 1.3 (en ook in hoofdstuk 7) duidelijk het volgende: “ De kwaliteitsnormen voor het beheer en onderhoud van openbaar groen zijn vastgelegd in het Kwaliteitsplan Beheer Openbare Ruimte (KOR) en vallen buiten de scope van dit plan ”. Hierin is door de gemeenteraad een beheerzonering met beeldkwaliteitsnormen vastgesteld. De beeldkwaliteitsnormen zijn opgenomen voor het beheer en onderhoud van openbaar groen op basis van de landelijke CROW-normering. Het voorliggend GBP verandert daar niets aan. Hoewel beheeraccenten kunnen worden toegevoegd in het huidige openbaar groen om de biodiversiteit te bevorderen, verandert dit an sich niets aan de gemeentelijke KOR. Mocht bij verdere uitwerking blijken dat de KOR aanpassing behoeft zal dit natuurlijk aan de raad worden voorgelegd.

Inleiding Vraag 5:

5. Financiële onderbouwing – huidige hoofdstuk 7 beschrijft, maar onderbouwt niet Hoofdstuk 7 geeft een inventarisatie van de huidige vervangingswaarde, maar geen:

Vraag 5:

Antwoord 5:

- kostenraming van beleidsmaatregelen, - meerjarige beheerlasten, - dekking of financieringsstrategie, - uitvoeringsprogramma of fasering. Hoe kan de raad de financiële haalbaarheid van het beleidsplan beoordelen zonder koppeling tussen beleidsvoornemens en middelen? Hoe kunnen we de inwoners uitleggen dat gelden effectief worden besteed om welke doelstellingen te behalen? De vraag gaat naar het lijkt uit van de veronderstelling dat bij een beleidsstuk altijd een detaildoorvertaling noodzakelijk is met daaraan gekoppelde middelen. Dat is niet zo en in het verleden ook bij veel ander beleidsplannen niet het geval geweest. Een scheiding tussen beleid op het ene moment en een later besluit -na verdere uitwerking- over de beschikbare financiële middelen komt vaker voor. Bovendien, in de beeldvorming is aangegeven welke middelen nu voor handen zijn en in het raadsvoorstel en beleidsplan wordt wel zeer duidelijk aangegeven wat de vervolgstappen zijn en waar de raad dan nog aan zet komt.

6

In hoofdstuk 7 (Financiën) staat onder het kopje ‘Actiepunten’ duidelijk aangegeven dat: • “Als actiepunt vanuit dit beleidsplan wordt voor het stedelijk, openbaar groen (bomen, plantsoenen et cetera) een beheerplan voor een periode van vijf jaar opgesteld met een concrete, financiële uitwerking van vervangingen van stedelijk groen in Best. ” En er staat ook dat: • “Een tweede actiepunt vanuit dit beleidsplan is het opstellen van een uitvoeringsprogramma biodiversiteit, waarin concrete maatregelen met kostenraming ter bevordering van de biodiversiteit worden beschreven.” We hebben in het raadsvoorstel als actiepunten in 2026 ook expliciet aangegeven het opstellen van een Beheerplan Stedelijk Groen en een Uitvoeringsprogramma Biodiversiteit op te pakken. Deze actiepunten pakken wij op nadat de gemeenteraad het GPB vaststelt. Immers: het voorliggend GBP is een beleidsplan. Beleidsplannen zijn kaderstellend cq. geven richtlijnen. De richtlijnen in het GBP geven aan hoe we het stedelijk groen en de biodiversiteit toekomstig bestendig willen maken en houden.

Inleiding Vraag 6:

6. Ruimtelijke ontwikkeling & woningbouw – risico op vertraging en juridische kwetsbaarheid Omdat het beleidsplan geen duidelijk afwegingskader bevat voor: - groencompensatie, - ecologische waarden, - groeninpassing in verdichting, - prioritering tussen projecten, bestaat het risico dat besluiten in de ruimtelijke ordening juridisch kwetsbaar worden en procesvertraging oplopen. Wanneer kaders ontbreken, wordt elk bouwproject kwetsbaar voor bezwaar en beroep. Dat geeft tegenstanders een effectief instrument om processen te vertragen — precies het tegenovergestelde van wat onze regio nodig heeft in deze periode van forse schaalsprong en woningbouwdruk.”

Vraag 6 Antwoord 6:

Hoe beoordeelt u deze risico’s voor woningbouwprojecten binnen uw portefeuille Uit de vraagstelling lijkt dat de scope van dit Beleidsplan onduidelijk is, terwijl dit toch vrij helder in dit plan geformuleerd is en er in de beeldvormende sessie ook aandacht aan is besteed. Op pag. 11 Afbakening staat:

7

“Dit plan richt zich op het beheer van bestaande openbare groen en laat zien hoe groen kan bijdragen aan belangrijke thema’s als klimaatadaptie, gezondheid en biodiversiteit. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen – zoals de aanleg van nieuwbouwwijken waar openbaar groen deel van uitmaakt – vallen niet onder dit plan. Als zodanig is er geen reden om aan te nemen dat dit plan de in de inleiding genoemde risico’s -die op woningbouwontwikkeling betrekking hebbenzal vergroten. Sterker als men dit plan vergelijkt met het Groenbeleidsplan 2012, zijn verschillende onderwerpen (o.a. groencompensatie) helderder en flexibeler geformuleerd, zodat dit plan eerder behulpzaam zal zijn, om procesvertragingen en andere risico’s te mitigeren.

Meer vragen over hetzelfde onderwerp? Voeg dan rijen toe met de tab-toets.

8

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16449602/1