25055.10a - Beantwoording aanvullende vragen A. Krol (VVD) voor voortzetting raadsvergadering op 6 januari 2026
Tekst van het document
Vragen: U kunt uw vraag mailen naar raadsgriffie@gembest.nl * Naam + politieke partij Raadsvoorstel/onderwerp Vragen en antwoorden:
Inleiding vraag
Aram Krol VVD Vaststellen Groen- en biodiversiteitsplan
Dorpsplein 2 Postbus 50 5680 AB Best T: 0499 360 375 raadsgriffie@gembest.nl www.gemeentebest.nl
A. Reikwijdte Omgevingswet – functionele werking van het document Vraag 1 – Functionele werking Het Groenbeleid- & Biodiversiteitsplan stelt dat het geen programma is onder de Omgevingswet en zich richt op beheer. Tegelijkertijd bevat het document expliciete afwegingskaders, compensatieverplichtingen en richtlijnen voor ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder: • de compensatieplicht bij ruimtelijke ontwikkelingen (par. 4.3.1) • richtlijnen voor nieuw te ontwikkelen groen (par. 1.3) • de afspraak om 8 m² groen per nieuwe woning toe te voegen (par. 1.2.8)
Vraag 1:
a. Los van de formele kwalificatie van het Groen- & Biodiversiteitsplan 2026–2036 (het is geen omgevingsvisie, programma of omgevingsplan in de zin van de Omgevingswet): kunnen de juristen beoordelen of dit beleidsdocument, gelet op de inhoud en formuleringen ervan (zoals groencompensatie bij ruimtelijke ontwikkelingen, richtlijnen voor nieuw te ontwikkelen groen en kwantitatieve afspraken gekoppeld aan woningbouw), feitelijk wordt of kan worden betrokken bij besluitvorming over de fysieke leefomgeving? b. En indien dat het geval is: geldt dan dat dit beleidsplan bij die besluitvorming moet voldoen aan de eisen die de Omgevingswet en de Awb stellen aan integrale belangenafweging, motivering en zorgvuldigheid, ongeacht het ontbreken van een formele titel onder de Omgevingswet? c.
Antwoord 1:
Kan het college, gelet op vaste bestuursrechtelijke jurisprudentie waarin de feitelijke doorwerking van beleid bepalend is voor de toetsing, gemotiveerd aangeven waarom dit beleidsplan in bezwaar en beroep buiten beschouwing zou blijven?
a. De vraag is nogal globaal gesteld. In beantwoording van vraag 6 van de eerste set van vragen is aangegeven wat de scope van dit document is: Op pag. 11 van beleidsplan Afbakening staat: “Dit plan richt zich op het beheer van bestaande openbare groen en laat zien hoe groen kan bijdragen aan belangrijke thema’s als klimaatadaptie, gezondheid en biodiversiteit. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen – zoals de aanleg van nieuwbouwwijken waar openbaar groen deel van uitmaakt – vallen niet onder dit plan. Binnen deze scope wordt dit document betrokken bij de besluitvorming.
1
b. Deze vraag is reeds beantwoord in vraag 1 van de eerste set van vragen. c.
Inleiding vraag 2
Op deze vraag valt geen eenduidig antwoord te geven zonder te weten waar mogelijk toekomstig bezwaar zich op richt.
Vragen – Zelfgekozen afbakening Het plan stelt expliciet dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen niet onder de scope vallen (par. 1.3) , maar bevat vervolgens bindend ogende passages over: • groencompensatie bij ruimtelijke ontwikkelingen (4.3.1) • stelposten in grondexploitaties voor ontwikkelaars (idem) • afwegingskaders bij herinrichting en ontwikkeling.
Vraag 2:
a. Is deze combinatie juridisch consistent? Of geldt hier dat de feitelijke inhoud van het document (richtinggevend voor projecten) zwaarder weegt dan de formele afbakening die het document zichzelf toekent? b. Gelet op artikel 2.1 van de Omgevingswet, dat bestuursorganen verplicht tot een integrale afweging van alle relevante belangen in de fysieke leefomgeving, is het juridisch houdbaar om een gemeentelijk groenbeheerbeleid vast te stellen dat expliciet los wordt gepositioneerd van ruimtelijke ontwikkeling, woningbouw en infrastructuur, terwijl beheerkeuzes en groencompensatie aantoonbaar doorwerken in diezelfde ruimtelijke afwegingen?
Antwoord 2:
a. Ja, anders hadden we het niet aangeboden. b. Ja, anders hadden we het niet aangeboden.
Inleiding vraag 3
Beleidsmatige zelfbinding Het plan gebruikt termen als: • “afwegingskader” (par. 1.2.8 en 4.3.1), • “richtlijnen”, • “moet altijd worden gecompenseerd”.
Vraag 3:
Kunnen de juristen aangeven in hoeverre deze formuleringen leiden tot beleidsmatige zelfbinding van het college bij vergunningverlening en projectbesluiten, ook als het document formeel geen programma of verordening is?
Antwoord 3:
Dit is in aantal Raadsinformatiebrieven beschreven en ook nog in een themasessie aan de orde geweest. Voor de beantwoording van deze vraag verwijzen we u naar de Raadsinformatiebrieven van juni 2024 en vooral die van januari 2025.
Vraag 4:
Stel: een vergunning voor woningbouw wordt aangevochten met een beroep op het Groen- & Biodiversiteitsplan (“onvoldoende biodiversiteit / onvoldoende compensatie”). Kunnen de juristen toelichten op basis van welke concrete, toetsbare criteria het college zo’n besluit juridisch kan motiveren, gezien het ontbreken van normen, streefwaarden en meetbare indicatoren in het plan?
2
Antwoord 4:
De stelling dat toetsbare criteria ontbreken delen we niet. Zie ook antwoord vraag 3 uit de vorige set. Maar los daarvan dit Groenbeleid en Biodiversiteitsplan gaat niet over woningbouw maar heeft als scope:
Dit plan richt zich op het beheer van bestaande openbare groen en laat zien hoe groen kan bijdragen aan belangrijke thema’s als klimaatadaptie, gezondheid en biodiversiteit. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen – zoals de aanleg van nieuwbouwwijken waar openbaar groen deel van uitmaakt – vallen niet onder dit plan. Vraag 5:
Het plan bevat: • geen nulmeting, • geen KPI’s, • geen monitoringsmethodiek. Vraag: Kunnen juristen bevestigen of besluiten die mede worden gebaseerd op dit plan, zonder deze elementen, voldoen aan de zorgvuldigheidseis van artikel 3:2 Awb?
Antwoord 5:
Artikel 3.2 Awb houdt in:
Artikel 3:2 Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. Dit is een open norm. In voorkomende gevallen moet het college de in artikel genoemde zorgvuldigheidseis betrachten, en zal dit ook doen. De mening dat daarom nu al bij dit Beleidsplan een nulmeting, KPI’s en montoring noodzakelijk is (deze worden zoals ook is aangegeven verder uitgewerkt) wordt niet gedeeld. Vraag 6:
Artikel 20.1 Omgevingswet verplicht bestuursorganen de effecten van beleid voor de fysieke leefomgeving te monitoren. Vraag: Kunnen de juristen aangeven hoe het college aan deze monitoringsplicht kan voldoen met dit beleidsplan, gelet op het ontbreken van meetbare doelen, indicatoren en een nulmeting?
Antwoord 6:
Deze vraag is al beantwoord bij vraag 1 in de vorige serie vragen: Art 20.1 Gaat over een monitorplicht bij een omgevingsplan, omgevingswaarde en programma. Omdat hier geen sprake is van een van deze drie objecten is dit wetsartikel hier niet aan de orde.
Vraag 7:
De Omgevingsvisie Best 2040 bevat abstracte ambities (bijv. versterken biodiversiteit). Het Groen- & Biodiversiteitsplan herhaalt deze ambities grotendeels, maar operationaliseert ze niet. Vraag: Kunnen de juristen bevestigen of een beleidsuitwerking die inhoudelijk even abstract blijft als de Omgevingsvisie, voldoet aan de systematiek van de Omgevingswet (visie → beleid → omgevingsplanregels)?
Antwoord 7:
We delen niet het beeld dat het Groenbeleids & Biodiversiteitsplan een herhaling is van de ambitie van de omgevingsvisie. 3
Vraag 8:
Gezien: • de abstracte formuleringen, • het ontbreken van normering, • en het feit dat het plan wél richting geeft aan ruimtelijke ontwikkelingen, Vraag: Kunnen de juristen inschatten of vaststelling van dit plan de kans op succesvolle bezwaren en beroepsprocedures tegen bouwprojecten vergroot, juist omdat belanghebbenden zich op dit plan kunnen beroepen terwijl het college weinig houvast heeft voor weerlegging?
Antwoord 8:
Dit plan richt zich op het beheer van het bestaande openbare groen en laat zien hoe groen kan bijdragen aan belangrijke thema’s als klimaatadaptie, gezondheid en biodiversiteit. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen – zoals de aanleg van nieuwbouwwijken waar openbaar groen deel van uitmaakt – vallen niet onder dit plan.
Vraag 9:
De gemeenteraad stelt dit plan vast als beleidskader. Vraag: Kunnen de juristen aangeven of het vaststellen van een beleidsdocument dat niet kan worden toegepast, gemotiveerd of gemonitord binnen de Omgevingswet, verenigbaar is met de kaderstellende verantwoordelijkheid van de raad?
Antwoord 9:
De vraag naar de relatie tussen de kaderstellende rol van de raad en de Omgevingswet, is in aantal Raadsinformatiebrieven beschreven en ook nog in een themasessie aan de orde geweest. Voor de beantwoording van deze vraag verwijzen we u naar de Raadsinformatiebrieven van juni 2024 en januari 2025.
Vraag 10:
Het college positioneert het Groen- & Biodiversiteitsplan als een beheergericht document zonder relatie tot ruimtelijke ontwikkeling. Vraag: Hoe verhoudt deze positionering zich tot passages in het plan waarin expliciet wordt gesproken over: • groencompensatie bij ruimtelijke ontwikkelingen, • richtlijnen voor de inrichting van nieuw te ontwikkelen groen, • en een kwantitatieve afspraak gekoppeld aan woningbouw (8 m² groen per woning)? Op welk moment en op basis van welke overweging heeft het college vastgesteld dat deze elementen geen invloed hebben op ruimtelijke besluitvorming?
Antwoord 10:
Deze redenering is onjuist. Er is niet gesteld dat er geen relatie ligt met ruimtelijke ontwikkelingen. Alleen nogmaals: “Dit plan richt zich op het beheer van het bestaande openbare groen en laat zien hoe groen kan bijdragen aan belangrijke thema’s als klimaatadaptie, gezondheid en biodiversiteit. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen – zoals de aanleg van nieuwbouwwijken waar openbaar groen deel van uitmaakt – vallen niet onder dit plan. Ook bij nieuwe ontwikkelingen speelt (openbaar) groen natuurlijk een rol. Juist om dit krachtiger aan te zetten is in de begroting van 2026 één FTE opgenomen, die we hopen spoedig in te zetten.
Vraag 11:
Vraag: Op welke wijze maakt het college binnen dit beleidsplan een inhoudelijk en toepasbaar onderscheid tussen: • beheer van bestaand groen, 4
• •
herinrichting van de openbare ruimte, en nieuwbouw- en gebiedsontwikkelingen?
Hoe wordt voorkomen dat dit onderscheid in de praktijk vervaagt bij vergunningverlening en projectbesluiten? Antwoord 11:
Juist om o.a. dit risico te verminderen in onder meer dit traject ingezet. Omdat er sprake was van één medewerker groen die vanuit beheer opereerde, was dit risico aanwezig. Juist door deze aanpak waar in 2026 ook een strategisch medewerker groen en ecologie wordt aangetrokken en voorliggend plan met deze afbakening wordt een betere balans gecreëerd en wordt vervaging voorkomen. Uit de kadernota 2026: 1 fte strategisch medewerker groen en ecologie (schaal 11) Afgelopen periode is steeds meer duidelijk geworden dat er structureel noodzaak is aan advisering op ecologie en groenontwikkeling (onder meer de extra in MRE verband afgesproken groencompensatie bij bouwplannen, maar zeker ook op ecologie/ flora- en fauna en biodiversiteit bij ruimtelijke plannen). Er wordt momenteel door verschillende medewerkers, vanuit verschillende invalshoeken en ad hoc geadviseerd over dit onderwerp. Hierdoor ontbreekt een eenduidig beeld en toekomstbestendig beleid op ecologische onderwerpen en op groenontwikkeling in bijvoorbeeld nieuwe woningbouwontwikkelingen. Deze formatie is ook bij de begroting vastgesteld.
Vraag 12:
Het plan gebruikt termen als “afwegingskader”, “richtlijnen” en “moet worden gecompenseerd”. Vraag: Beschouwt het college deze formuleringen als: • niet-bindende richtinggevende uitspraken, • of als beleidsmatig kader waaraan het college zichzelf bindt bij besluitvorming? Welke betekenis hecht het college hieraan bij bezwaar en beroep?
Antwoord 12:
Dit is moeilijk te zeggen zonder een beeld te hebben waar bezwaar en beroep tegen wordt ingesteld. Dit is een beleidsplan en over het (zelf) bindend karakter hiervan is ingegaan in de Raadsinformatiebrief van januari 2025.
Vraag 13:
In het plan worden enkele getallen en begrippen genoemd (zoals 8 m² groen per woning en groencompensatie), zonder nadere uitwerking. Vraag: Beschouwt het college deze elementen als: • harde beleidsnormen, • streefwaarden, • of louter ambities? Hoe kunnen raad, ontwikkelaars en inwoners in de praktijk vaststellen wanneer aan deze elementen is voldaan, en wanneer niet?
Antwoord 13:
De 8m2 is een regionaal vastgestelde norm (zie Verstedelingsakkoord). De nadere uitwerking vindt plaats in de onder handen zijnde nota ‘Natuurinclusief Bouwen’. Verder wordt in de ruimtelijke procedures -Tam IMRO, BOPA , Wijziging omgevingsplan- de noodzakelijke aandacht besteed aan groen. Deze procedures kennen participatie en zienswijze procedures.
5
Vraag 14:
Vraag: Hoe ziet het college de toepassing van dit beleidsplan in situaties waarin groene ambities botsen met: • woningbouw, • infrastructuur, • economische ontwikkeling, • of andere maatschappelijke opgaven? Op basis van welke vastgelegde criteria wordt dan een afweging gemaakt, en waar zijn deze criteria in het plan terug te vinden?
Antwoord 14:
Juist omdat -zoals ook enigszins in de vraag is verwoord- mogelijke intensiveringsambities op gespannen kunnen staan met andere maatschappelijke opgaven, waaronder groen, wordt in 2026 ook een strategisch medewerker groen en ecologie aangetrokken. Dit punt zal dus het komende jaar verder worden uitgewerkt.
Vraag 15:
Vraag: Het college heeft aangegeven dat nadere concretisering van dit beleidsplan op een later moment kan plaatsvinden. Kan het college expliciet aangeven: • welke essentiële beleidskeuzes (zoals normering, afwegingskaders, zonering, monitoring en prioritering) bewust níet in dit plan zijn opgenomen; • waarom het college het aanvaardbaar acht om deze keuzes niet vooraf aan de raad voor te leggen; • via welk instrument deze nadere invulling zal plaatsvinden (raadsbesluit, collegebesluit, uitvoeringsnota); • en hoe wordt voorkomen dat deze latere invulling feitelijk de kaderstellende rol van de raad uitholt, terwijl het huidige document na vaststelling wél direct werking heeft bij besluitvorming? Acht het college het bestuurlijk en democratisch verantwoord om de raad nu een beleidsplan te laten vaststellen waarvan essentiële kaders pas ná vaststelling worden ingevuld?
Antwoord 15:
a. In het plan zijn de vervolgstappen gegeven. Dit is uitwerking van het beleidsplan en is daarmee een college verantwoordelijkheid. Mocht in de verdere uitwerking bijstelling van dit Groenbeleid & Diversiteitsplan nodig zijn zal dat aan de raad worden voorgelegd. b. Het college deelt niet de mening dat essentiële kaders pas na de vaststelling worden ingevuld. Dat vindt al in dit plan plaats. Verdere uitwerking volgt echter nog wel.
Vraag 16:
Vraag: Kan het college gemotiveerd toelichten of — en zo ja, op welke gronden — het ervan overtuigd is dat vaststelling van dit beleidsplan in de huidige vorm niet zal leiden tot vertraging van bouw- en gebiedsontwikkelingsprojecten, bijvoorbeeld doordat belanghebbenden zich bij bezwaar en beroep op de in het plan opgenomen ambities en richtlijnen beroepen?
Antwoord 16:
Zoals al eerder is aangegeven nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen – zoals de aanleg van nieuwbouwwijken waar openbaar groen deel van uitmaakt – vallen niet onder dit beleidsplan.
6
Het college kiest ervoor dit plan als een afzonderlijk, beheergericht beleidsdocument te positioneren. Vraag: Kan het college gemotiveerd uiteenzetten waarom deze beleidsmatige scheiding wenselijk wordt geacht, terwijl: • groenbeheerkeuzes directe randvoorwaarden creëren voor herinrichting en gebiedsontwikkeling, • het plan zelf uitspraken doet over groencompensatie bij ruimtelijke ontwikkelingen, • en de Omgevingswet juist beoogt sectorale scheidingen te doorbreken? Welke concrete voordelen levert deze scheiding volgens het college op, en welke risico’s voor samenhang, uitvoerbaarheid en besluitvorming neemt het college daarbij expliciet voor lief? Antwoord 17:
Zie antwoord vraag 11.
Vraag 18:
Welke beleidsmatige overwegingen liggen eraan ten grondslag dat het college dit document in de huidige vorm geschikt acht voor vaststelling door de raad als beleidskader voor een periode van tien jaar, ondanks het ontbreken van uitgewerkte normen, toetsingscriteria en monitoring?
Antwoord 18:
1. In de omgevingsvisie pag. 71 is aangegeven dat er een verdere uitwerking komt op Biodiversiteit. Ook is aangegeven dat het voornemen in 2022 was dit binnen drie jaar aan de raad aan te bieden. Het college vond het getuigen van goed bestuur om dit nog in deze periode en in 2025 aan de raad aan te bieden. 2. Omdat dit document aangeboden is als beleidsdocument en niet als programma, zijn de eisen die de omgevingswet aan een programma stelt, niet van toerpassing. Wel wordt aangegeven welke vervolgstappen voor verdere uitwerking worden gezet. 3. Met dit beleidsplan wordt een eerste stap gezet in de in deze fase van de ontwikkeling van Best noodzakelijke scheiding tussen beheer en ontwikkeling.
Meer vragen over hetzelfde onderwerp? Voeg dan rijen toe met de tab-toets.
7