CConstaterende datBest
Koppel je AI →
Document · PDF

25040.04 - Bijlage Ruimtelijke onderbouwing BOPA transportverdeelstation Breeven

Raadsvergadering 15 september 2025, gemeente BestBij agendapunt: 25040 - Bindend advies BOPA (Buitenplanse omgevingsplanactiviteit) transportverdeelstation tegenover Maas 69.283 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

2 alinea's met “breed”: 129 140

ID0428

TOELICHTING AANVRAAG TRANSPORTVERDEELSTATION DE MAAS IN BEST MET ONDERBOUWING EVENWICHTIGE TOEDELING VAN FUNCTIES AAN LOCATIES (ETFAL) BUITENPLANSE OMGEVINGSPLANACTIVITEIT (BOPA)

Enexis Netbeheer B.V.

Toelichting aanvraag

Documenttitel

Toelichting aanvraag transportverdeelstation De MAAS in best met onderbouwing Evenwichtige Toedeling van Functies Aan Locaties (ETFAL) BUITENPLANSE OMGEVINGSPLANACTIVITEIT (BOPA)

Soort document

Toelichting aanvraag

Datum

15 augustus 2025

Projectnaam

Transportverdeelstation Best Breeven

Projectnummer

ID0428

Opdrachtgever

Enexis Netbeheer B.V.

Auteur

Daan Roelofs

Vrijgave

1

Inhoud 1.

Toelichting op de aanvraag

2

1.1 Aanleiding en doel

2

1.2 Locatie

3

1.3 Leeswijzer

3

2.

4

Voorgenomen ontwikkeling

2.1 Projectbeschrijving

4

2.2 Toetsing aan het omgevingsplan

5

2.3 Conclusie strijdigheid en scope van de aanvraag

7

2.4 Procedures en bevoegd gezag

7

3.

8

Toetsing aan het beleid

3.1 Rijksbeleid

8

3.2. Provinciaal beleid

8

3.3 RES

10

3.4 Gemeentelijk beleid

10

4.

Toetsing instructieregels

11

4.1 Instructieregels & scope beoordeling

11

4.2 Waarborgen van de veiligheid / externe veiligheid

12

4.3 Beschermen van waterbelangen

12

4.4 Gezondheid en milieu

14

4.4.1 Luchtkwaliteit

14

4.4.2 Geluid

14

4.4.3 Trillingen

16

4.4.4 Bodemkwaliteit

17

4.4.5 Geur

18

4.4.6 Elektromagnetische velden (EMV)

18

4.5 Landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed

19

4.5.1 Ladder voor duurzame verstedelijking

19

4.5.2 Cultureel erfgoed en werelderfgoed

19

4.5.3 Omgevingskwaliteit

20

4.6 Verkeer en mobiliteit

20

5. Toetsing voorbeschermingsregels

21

6.

22

Uitvoerbaarheid

0

6.1 mer- (beoordelings-)plicht

22

6.2 Natuur

23

6.2.1 Gebiedsbescherming

23

6.2.2 Soortenbescherming

25

6.2.3 Bomen

25

6.3 Financieel - economische uitvoerbaarheid

26

6.4 Grondposities

26

7.

Participatie

27

8.

Belangenafweging en conclusie

27

9.

Toelichting (bouw) Omgevingsplanactiviteit

27

1

1.

TOELICHTING OP DE AANVRAAG

1.1 Aanleiding en doel Als regionaal netbeheerder onderhoudt Enexis Netbeheer B.V. (hierna: ‘Enexis’) het energienet en legt nieuwe netten aan. Ook zorgt Enexis voor het transport van energie. Via onze kabels en leidingen, worden gas en elektriciteit naar woningen en bedrijven gebracht. Enexis doet dit voor het verzorgingsgebied Groningen, Drenthe, Overijssel, Noord-Brabant en Limburg. Enexis heeft op het bedrijventerrein Breeven in Best al een transportverdeelstation staan. Dit transportverdeelstation staat op het terrein van PostNL aan De Dommel. Dit transportverdeelstation is aan het einde van zijn technische levensduur en is niet meer veilig. Het station kan een kortsluiting niet meer opvangen. Mocht er een kortsluiting ontstaan in het station, dan kan de stroom uitvallen, en in het worstcasescenario kan het station ontploffen. Vanwege de kans dat het station kan ontploffen, mogen monteurs het station niet meer betreden om regulier onderhoud te plegen. Het station moet dus op korte termijn vervangen worden. Naast de veiligheid van het huidige station, plaatst Enexis het nieuwe transportverdeelstation ook om het elektriciteitsnet uit te breiden. Het nieuwe transportverdeelstation is namelijk groter dan het huidige station. Dat is nodig vanwege de energietransitie.

Als gevolg van de energietransitie is er een sterke toename van duurzame initiatieven, in het bijzonder de toename van decentrale elektriciteitsopwekking. De transitie van het gebruik van fossiele brandstoffen naar het gebruik van hernieuwbare elektriciteit zorgt voor een druk op het elektriciteitsnet. Deze toename heeft als gevolg dat de infrastructuur van Enexis Netbeheer (hierna: Enexis) uitgebreid moet worden. Netsituatie gemeente Best

Figuur 1 Capaciteitskaart (bron: Netbeheer Nederland, 2024).

2

In Figuur 1 staat de netsituatie in de omgeving van het station weergegeven. De rood gekleurde gebieden kennen acuut een tekort aan transportcapaciteit: hier geldt een wachtlijst voor nieuwe aansluitingen. Er is dus een noodzaak om het station op korte termijn uit te breiden en zo nieuwe bedrijven en woningen in de gemeente Best op het elektriciteitsnet aan te kunnen sluiten.

1.2 Locatie Enexis Netbeheer wil een transportverdeelstation bouwen op een gedeelte van een perceel kadastraal bekend gemeente Best, sectie F, perceelnummer 1200. Het perceel is in eigendom van de gemeente Best. De beoogde projectlocatie bevindt zich in een bos op het bedrijventerrein ‘Breeven’. Figuur 2 geeft de locatie van het transportverdeelstation weer. Het rode kader geeft het perceel weer waar het transportverdeelstation gebouwd gaat worden. Voor het perceel komt een uitweg.

Figuur 2 Locatie van het transportverdeelstation

1.3 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk, wordt in de rest van deze motivering uitgelegd waarom het transportverdeelstation bijdraagt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op het project. In hoofdstuk 3 wordt getoetst in hoeverre het project passend is binnen het Rijksbeleid, provinciaal beleid, regionaal beleid, en gemeentelijk beleid. Daarna wordt het project getoetst aan de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving en de Omgevingsverordening Noord-Brabant (hoofdstuk 4). Vervolgens wordt, in hoofdstuk 5, getoetst aan de voorbeschermingsregels, instructies en projectbesluiten. In hoofdstuk 6 komt de uitvoerbaarheid aan

3

bod. In hoofdstuk 7 wordt ingegaan op participatie. Uiteindelijk volgt, in hoofdstuk 8, de eindconclusie. In hoofdstuk 9 wordt de bouwactiviteit (omgevingsplan) kort toegelicht.

2.

VOORGENOMEN ONTWIKKELING

2.1 Projectbeschrijving Het project bestaat uit de bouw van een transportverdeelstation. Het gebouw is 14,56 meter breed, 3,72 meter lang, en 3,67 meter hoog. Onder het station komt een kelder van 2,35 meter diep. Het transportverdeelstation krijgt de kleur dennengroen (RAL 6009). Ook zal Enexis een uitweg aanleggen. In de bijlage bij deze onderbouwing zijn de bouwtekeningen van het transportverdeelstation en de situatietekeningen opgenomen. Op het transportverdeelstation komen twee airco’s te staan. De airco’s reguleren de temperatuur en de luchtvochtigheid in het station. De totale hoogte inclusief airco’s bedraagt 4,34 meter. Er zal altijd slechts één airco in werking zijn. De andere airco dient als backup. Tekeningen van het transportverdeelstation inclusief airco’s staan in de bijlage.

Figuur 3 Vooraanzicht transportverdeelstation met airco's

Figuur 4 Aanzicht transportverdeelstation in dennengroen

4

Het dak van het transportverdeelstation wordt een groen dak (sedum). Dit zal als voorschrift in de BOPA komen te staan.

2.2 Toetsing aan het omgevingsplan Door de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn bestemmingsplannen van rechtswege omgezet in een (tijdelijk) omgevingsplan. Het (tijdelijk) omgevingsplan bestaat uit de voormalige bestemmingsplannen, de bruidsschat omgevingsplan (voormalige rijksregels) en enkele gemeentelijke verordeningen (erfgoedverordening, hemelwater- en geurverordening). De belangrijkste regels staan in het bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Best – ’t Zand, Breeven en Heide’. Bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Best – ’t Zand, Breeven en Heide’ Gebruiksregels De projectlocatie valt binnen de bestemming ‘Groen’ en binnen de bestemming ‘Verkeer’. De locatie van de uitweg valt binnen de bestemming ‘Verkeer’.

Figuur 5 Omgevingsplan

Het project past binnen de gebruiksregels van de bestemming ‘Groen’. Binnen de bestemming zijn nutsvoorzieningen toegestaan op grond van artikel 12.1, aanhef, en sub f. Het project past ook binnen de gebruiksregels van de bestemming ‘Verkeer’. Binnen de bestemming zijn nutsvoorzieningen toegestaan op grond van artikel 16.1, aanhef, en sub l. Gebruik van de grond voor de kabels voor een transportverdeelstation is dus toegestaan. De uitweg is echter in strijd met de gebruiksregels van de bestemming ‘Verkeer’ in artikel 16.1

5

Bouwregels De bouwregels uit het bestemmingsplan voor de bestemming ‘Groen’ zijn als volgt: “12.2 Bouwregels Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. b.

op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, worden gebouwd; de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 6 m.”

Het transportverdeelstation voldoet niet aan deze regels omdat het een gebouw is en alleen bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gebouwd mogen worden. Ondergronds bouwwerk Daarnaast is het transportverdeelstation in strijd met artikel 30.3.2 sub a en sub c van het bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Best – ’t Zand, Breeven en Heide’. Artikel 30.3.2 bevat bepalingen over ondergrondse bouwwerken. Het transportverdeelstation heeft een kelder en is dus een ondergronds bouwwerk volgens artikel 1.65 van het bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Best – ’t Zand, Breeven en Heide’. Artikel 30.32 sub a bepaalt dat een ondergronds bouwwerk alleen is toegestaan daar waar bovengronds mag worden gebouwd. Het transportverdeelstation wordt gebouwd op een plek waar geen gebouwen gebouwd mogen worden en dus is de bouw van kelder in strijd met artikel 30.3.2 sub a. Artikel 30.3.2 sub c bepaalt dat de minimale bouwdiepte 2,6 meter onder peil is. De kabelkelder is 2,35 meter diep en voldoet dus niet aan de minimale bouwdiepte. Kabeltracé De kabels lopen tot aan de rand van het perceel. Een gedeelte van het kabeltracé is buiten de situatieschets gelaten. De kabels geven een indicatie van de breedte van het kabeltracé. De kabels kunnen binnen de bestemming ‘Verkeer’ zonder omgevingsvergunning worden aangelegd.

Het ontbrekende deel van het kabeltracé maakt daarom geen deel uit van deze aanvraag. Overige bestemmingsplannen Daarnaast gelden de volgende bestemmingsplannen op de projectlocatie: •

‘Gerechtelijke uitspraak Bedrijventerreinen Best – ’t Zand, Breeven en Heide’;

•

‘Parkeernormen en archeologie’;

•

‘Paraplubestemmingsplan geluidzone bedrijventerrein Heide/Breeven in Best’;

•

‘Parapluplan Wonen en kamerverhuur’.

Het ‘Paraplubestemmingsplan geluidzone bedrijventerrein Heide/Breeven in Best’ bevat regels omtrent de gecumuleerde geluidbelasting op het bedrijventerrein. Het transportverdeelstation produceert geluid, maar dat is dermate weinig dat het verwaarloosbaar is. In par. 4.4.2 van deze onderbouwing zal dit nader worden onderbouwd. Er is dus geen strijd met de regels in het ‘Paraplubestemmingsplan geluidzone bedrijventerrein Heide/Breeven in Best’.

6

2.3 Conclusie strijdigheid en scope van de aanvraag Het project is in strijd met de bouwregels van het omgevingsplan, omdat het bouwen van gebouwen binnen de bestemming ‘Groen’ niet is toegestaan en omdat ondergrondse bouwwerken op de projectlocatie ook niet zijn toegestaan. De uitweg is in strijd met de bestemming ‘Verkeer’. De overige onderdelen van het project passen wel binnen het omgevingsplan. In art. 8.0a en 8.0b van het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl) zijn de beoordelingsregels opgenomen voor de aanvraag van de BOPA. Een BOPA dient te worden verleend, indien er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Dit houdt in dat de beoogde ontwikkeling: in lijn moet zijn met het nationaal, provinciaal en gemeentelijk beleid. Dit wordt getoetst in hoofdstuk 3. moet passen binnen de instructieregels, afkomstig van het Rijksoverheid en de provincie NoordBrabant. Dit zal besproken worden in hoofdstuk 4. niet in strijd is met een rijks- of provinciale instructie, een voorbeschermingsregel in het omgevingsplan, of een belemmering vormen voor de uitvoer van een project waarvoor een rijks-

of provinciaal projectbesluit is vastgesteld. Hier wordt in hoofdstuk 5 aandacht aan besteed. niet kennelijk onuitvoerbaar zijn. Dit zal in hoofdstuk 6 worden getoetst.

2.4 Procedures en bevoegd gezag De voorliggende aanvraag voor een omgevingsvergunning betreft een aanvraag voor (buitenplanse) omgevingsplanactiviteit (art. 5.1. lid 1 sub a van de Omgevingswet), hierna ‘BOPA’. Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd gezag voor het verlenen van deze omgevingsvergunning (art. 5.8 Ow). Op de aanvraag is de reguliere voorbereidingsprocedure met een beslistermijn van 8 weken (art. 16.64 Ow). Op grond van artikel 16.15a, sub b, onder 1, jo. artikel 16.15b, jo. artikel 16.16, eerste lid, Omgevingswet, jo. artikel 4.21, lid 2, kan de gemeenteraad gevallen aanwijzen waarin de gemeenteraad advies- en instemmingsrecht heeft bij een omgevingsvergunning voor een BOPA. De gemeenteraad van de gemeente Best (hierna: ‘de gemeenteraad’) heeft dat gedaan in ‘de beleidsnotitie Omgevingswet: bindend adviesrecht bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten 2022’ (hierna: ‘de beleidsnotitie’). De relevante categorie staat in artikel 2, lid 2 van de beleidsnotitie.

“Artikel 2 Categorieën van gevallen binnen het stedelijk gebied en bedrijventerreinen met uitzondering van beschermde stads- of dorpsgezichten (…) De realisatie van bouwwerken ten behoeve van een infrastructurele voorziening, een nutsvoorziening, of een openbare voorziening hoger dan 5m, of groter dan 50m²;” Het transportverdeelstation wordt op het bedrijventerrein Breeven gebouwd, en de oppervlakte is 54,2 m2. De gemeenteraad heeft dus adviesrecht.

7

3.

TOETSING AAN HET BELEID

3.1 Rijksbeleid Nationale omgevingsvisie Met de Nationale omgevingsvisie (NOVI) en het programma Energie Hoofdstructuur (PEH) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Energie is daar ook een onderwerp in. In de NOVI zijn vier prioriteiten genoemd: 1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie 2. duurzaam economisch groeipotentieel 3. sterke en gezonde steden en regio’s 4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Beoordeling Door de bouw van het transportverdeelstation wordt rechtstreeks bijgedragen aan de energietransitie (prioriteit 1). Indirect maakt de uitbreiding van de netcapaciteit duurzame economische groei mogelijk (prioriteit 2) en draagt het bij aan sterke en gezonde steden en regio’s (prioriteit 3). Door de netcongestie te verminderen, kan de aansluiting van nieuwe bedrijven en woningen op het net mogelijk worden gemaakt.

Conclusie Het beoogde project past binnen het Rijksbeleid.

3.2. Provinciaal beleid Omgevingsvisie Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant geldt vanaf december 2018 de Omgevingsvisie Noord-Brabant. De Brabantse Omgevingsvisie bevat de ambities van de provincie Noord-Brabant voor de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving in de periode tot 2050 en zet in op het behouden en verdere ontwikkeling van een veilige, gezonde en duurzame fysieke leefomgeving. Daarbij richt de provincie zich op vier hoofdopgaven: -

De energietransitie;

-

Ontwikkeling van een Noord-Brabant dat om kan gaan met klimaatverandering;

-

Noord-Brabant als slimme netwerkstad;

-

Behouden en verder ontwikkelen van een concurrerende en duurzame economie.

Energie en milieu Mede door de klimaatverandering dringt het besef door dat verduurzaming in de provincie Noord-Brabant noodzakelijk is. In toenemende mate wordt erkent dat er op een andere manier naar onze samenleving en economie moet worden gekeken en naar hoe die anders georganiseerd moet worden. Efficiënter en zorgvuldiger omgaan met energie, grondstoffen en natuurlijke hulpbronnen staat daarbij centraal. Er is een transitie noodzakelijk naar (vooral ook) decentrale opwekking van hernieuwbare energie, hergebruik van grondstoffen en energie-efficiëntie. De provincie speelt een belangrijke rol bij de ruimtelijke keuzen die samenhangen met de opwekking van hernieuwbare energie en het bij elkaar brengen van partijen.

8

Duurzame energiehuishouding De provincie Noord-Brabant wil een significante bijdrage leveren aan deze energietransitie. Eén van de ambities zijn om een duurzame energiehuishouding te realiseren: hernieuwbare energie voor iedereen beschikbaar en betaalbaar te houden. Een transitie die noodzakelijk is vanwege de klimaatverandering en het opraken van fossiele grondstoffen. Als stip aan de horizon ziet de provincie een circulair, CO2neutraal Noord-Brabant. Energie-infrastructuur De huidige energie-infrastructuur in de provincie Noord-Brabant bestaat voor een belangrijk deel uit energienetwerken van elektriciteit en gas. Met de energietransitie zullen meer decentrale, kleine netwerken ontstaan, geënt op andere energiebronnen. Denk bij dit laatste bijvoorbeeld aan (hoge en lage temperatuur) warmte, biogas en hernieuwbaar opgewekte elektriciteit. Dit betekent dat aanpassing dan wel uitbreiding van zowel bovengrondse als ondergrondse energie-infrastructuur noodzakelijk is. Omgevingsverordening Noord-Brabant Op grond van de omgevingsverordening Noord-Brabant geldt de algemene instructieregel van artikel 5.7 (zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit).

Een omgevingsplan en een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit geven bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties invulling aan een veilige gezonde leefomgeving met een goede leefomgevingskwaliteit. Daartoe wordt krachtens lid 2 van artikel 5.7 toepassing gegeven aan •

Zorgvuldig ruimtegebruik als bedoeld in artikel 5.8

•

De lagenbenadering als bedoeld in artikel 5.9 en

•

Meerwaardecreatie als bedoeld in artikel 5.10.

De bouw van het transportverdeelstation voldoet aan de eis van zorgvuldig ruimtegebruik in artikel 5.8 van de Omgevingsverordening. Enexis bouwt het transportverdeelstation binnen bestaand ruimtebeslag als bedoeld in artikel 5.8 lid 1 sub a van de Omgevingsverordening omdat de locatie van het transportverdeelstation in ‘Stedelijk gebied’ ligt. Daarnaast voldoet de bouw van het transportverdeelstation aan de lagenbenadering in artikel 5.9 van de Omgevingsverordening. De voornaamste ‘laag’ in de omgeving van het transportverdeelstation is het NNB. Het transportverdeelstation heeft geen negatieve invloed op het NNB. Dit staat verder uitgelegd in par. 6.2 van deze onderbouwing. Ook liggen er geen aardkundige, landschappelijke, of archeologische waarden op de projectlocatie. De bouw van het transportverdeelstation tast dus ook geen aardkundige, landschappelijke, of archeologische waarden aan. Verder voldoet de bouw van het transportverdeelstation aan de meerwaardecreatie in artikel 5.10 van de Omgevingsverordening. Het transportverdeelstation draagt namelijk ook bij aan de klimaatadaptatie doordat het een sedumdak krijgt. Op grond van de ‘TAM-omgevingsverordening Noord-Brabant’ (hierna: ‘Omgevingsverordening’) heeft de projectlocatie de aanduidingen ‘Diep grondwaterlichaam’, ‘Geen attentiezone waterhuishouding’, ‘Beperking grootschalige logistiek’, en ‘Stedelijk gebied’.

Deze aanduidingen bevatten geen verbod of motiveringsplicht voor de bouw van het transportverdeelstation.

9

Conclusie Met het beoogde project wordt bijgedragen aan de opgave van de energietransitie, dit is aldus in lijn met de Omgevingsvisie. Het beoogde project past binnen het beleid van de provincie. Het beoogde project is ook in overeenstemming met de regels in de Omgevingsverordening

3.3 RES RES staat voor Regionale Energie Strategie. Er zijn door de overheid 30 RES-regio’s benoemd waarbij provincies, waterschappen, gemeenten en organisaties gezamenlijk een RES opstellen waarin ze keuzes maken in de duurzame opwek van elektriciteit (zon en wind) en warmte. Het doel vanuit het Klimaatakkoord is dat Nederland in 2030 voor 35 terrawattuur (TWh) aan duurzame stroom gaat opwekken. De gemeente Best maakt onderdeel uit van de RES-regio Metropoolregio Eindhoven (hierna: ‘MRE’). De RES MRE 1.0 is eind 2021 vastgesteld. De MRE heeft als einddoel om in 2050 klimaatneutraal te zijn. Als tussenstap wil de MRE uiterlijk in 2030 49% minder CO2 uitstoten dan in 1990. Ook wil de MRE 2 TWh aan duurzame energie opwekken. Tot slot staat in RES 1.0 dat uitbreiding van het elektriciteitsnet noodzakelijk is om ontwikkelingen in RES 1.0 mogelijk te maken. De bouw van het een nieuw transportverdeelstation past binnen het beleid van de RES 1.0. Conclusie De bouw van het transportverdeelstation draagt bij aan het voldoen aan de doelstellingen in de RES en het Klimaatakkoord.

3.4 Gemeentelijk beleid Deze paragraaf gaat in op het gemeentelijk beleid op het gebied van gezondheid, veiligheid, goede omgevingskwaliteit en duurzaamheid als centrale thema’s gekoppeld aan de maatschappelijke doelen uit artikel 1.3 van de Omgevingswet. 3.4.1 Omgevingsvisie De gemeenteraad heeft op 31 januari 2022 de ‘Omgevingsvisie Best’ (hierna: ‘de Omgevingsvisie’) vastgesteld. De bouw van het transportverdeelstation draagt bij aan meerdere kernopgaven die de gemeenteraad in de Omgevingsvisie heeft vastgesteld. De gemeenteraad heeft in de kernopgave ‘Ruimte voor comfortabel wonen’ de volgende ambitie geformuleerd: “De woningvoorraad en fysieke leefomgeving zijn duurzaam, aangepast aan het veranderende klimaat en dragen positief bij aan de energietransitie en circulaire economie.”1 De bouw van het transportverdeelstation zorgt voor meer capaciteit op elektriciteitsnet, waardoor meer woningen van het gas afkunnen en positief kunnen bijdragen aan de energietransitie.

1

Omgevingsvisie Best, p.31.

10

Daarnaast heeft de gemeenteraad als kernopgave het “accommoderen van een vitale en schone economie” geformuleerd.2 Daar horen onder andere de volgende ambities bij: “Best draagt met een vitale en schone economie bij aan een duurzame economische ontwikkeling van de Brainportregio.”3 “Best is een duurzame gemeente en levert in regionaal verband een volwaardige bijdrage aan de 95% broeikasgasreductie in 2050 ten opzichte van 1990 - met als tussendoel 49% broeikasgasreductie in 2030.”4 “Energie wordt voor een groot deel duurzaam opgewekt, zowel collectief als op het niveau van het gebouw. In Best is de benodigde energie infrastructuur op een kwalitatieve manier ingepast in de fysieke leefomgeving.”5 De bouw van het transportverdeelstation draagt bij aan de realisering van bovenstaande ambities. Het elektriciteitsnet moet uitgebreid worden om de toenemende vraag naar elektriciteit aan te kunnen. Alleen met een uitbreiding van het elektriciteitsnet is het mogelijk om de transitie te maken naar een duurzame gemeente waar het grootste deel van energie duurzaam wordt opgewekt.

Conclusie De gemeente Best zet zich in voor verduurzaming binnen de gemeente. Onderhavig project past binnen het gemeentelijk beleid en draagt bij aan het bereiken van gemeentelijke ambities voor de verduurzaming.

4.

TOETSING INSTRUCTIEREGELS

4.1 Instructieregels & scope beoordeling Instructieregels Bkl In het Bkl zijn de Rijksinstructies opgenomen met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Afdeling 5.1van het Bkl bevat instructieregels omtrent:

-

Dienstenrichtlijn (§ 5.1.1);

-

Waarborgen van de veiligheid (§ 5.1.2);

-

Beschermen van waterbelangen (§ 5.1.3);

-

Beschermen van gezondheid en milieu (kwaliteit buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit) (§ 5.1.4);

-

Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking (§ 5.1.5);

2

Omgevingsvisie Best, p. 37. Omgevingsvisie Best, p. 38. Omgevingsvisie Best, p. 38. 5 Omgevingsvisie Best, p. 38. 3 4

11

-

Behoud van ruimte voor toekomstige functies voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden (§ 5.1.6);

-

Het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën (§ 5.1.7); Het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (§ 5.1.8).

-

4.2 Waarborgen van de veiligheid / externe veiligheid Deze paragraaf ziet op de vraag of bij de voorgenomen activiteit voldoende rekening is gehouden met de veiligheid van de omgeving (externe veiligheid). Als algemeen uitgangspunt geldt dat een brand, ramp of crisis dient te worden voorkomen, beperkt en te worden bestreden. Personen moeten zich in veiligheid kunnen brengen en de toegankelijkheid voor hulpdiensten moet zijn gewaarborgd (art 5.1 Bkl). De rijksinstructies bevatten daarbij specifieke regels over het waarborgen van de veiligheid (§ 5.1.2 Bkl). Het gaat daarbij – kort gezegd- om de bescherming van personen in gebouwen en op locaties in de omgeving van een risicovolle activiteit. Als er sprake is van een risicovolle activiteit is er in de regel een onderzoek naar externe veiligheid nodig. Als risicovolle activiteiten zijn in het Bkl aangewezen: •

Opslag, productie gebruik en vervoer gevaarlijke stoffen en windturbines (§ 5.1.2.2 Bkl en bijlage VII). Hierbij gaat het om o.a. aardgas (tanken LPG), opslaan van brandstoffen, & ammoniak schaatsbanen) en opwekken van elektriciteit door drie windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 m.

•

Buisleidingen gevaarlijke stoffen (§ 5.1.2.3 Bkl jo. 3.101 Bal) Hierbij gaat het – kort gezegd - om brandbare, explosieve of giftige stoffen of warmte, als onderdeel van het warmtenet.

•

Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik (§ 5.1.2.4 Bkl)

•

Veiligheid rond luchthavens (§ 5.1.2.5 Bkl)

•

Veiligheid van infrastructuur rond Seveso-inrichtingen (§ 5.1.2. Bkl)

Beoordeling De beoogde activiteit is niet aangewezen als risicovolle activiteit in de zin van het Bkl. Het te plaatsen bouwwerk voldoet daarbij aan de technische veiligheidseisen zoals opgenomen in het Bbl en er is geen belemmering voor hulpdiensten.

Conclusie Het aspect ‘waarborgen van de veiligheid’ vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.3 Beschermen van waterbelangen Deze paragraaf ziet op de vraag of met de voorgenomen activiteit voldoende rekening is gehouden met de gevolgen hiervan voor het beheer van watersystemen. Voor een duiding van de gevolgen wordt de opvatting van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van het betreffende watersysteem betrokken (art. 5.37 Bkl). In Nederland zijn er verschillende bestuursorganen betrokken bij het waterbeheer. Waterbeheerders zijn: Rijkswaterstaat (voor o.a. primaire waterkeringen), gedeputeerde

12

staten (voor o.a. regionale vaarwegen en de kwaliteit van het grondwater in grondwaterbeschermingsgebieden), de waterschappen (o.a. regionale wateren en zuivering stedelijk afvalwater) en gemeente (o.a. afvloeiend hemelwater, grondwaterstand en stedelijk afvalwater). Hieronder wordt kort toegelicht dat er voldoende rekening wordt gehouden met de waterbelangen van elke waterbeheerder. Rijkswaterstaat (RWS) In het Bkl zijn voor een aantal onderdelen specifieke regels vastgesteld. Dit gaat over primaire waterkeringen, de kust, de grote rivieren en het IJsselmeergebied. De projectlocatie ligt niet binnen een beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam dat in beheer is van het Rijk en de voorgenomen ontwikkeling heeft geen invloed op de belangen van RWS. Waterschap De Dommel De beperkingengebieden in beheer bij het waterschap staan in de Waterschapsverordening van het betreffende waterschap. Dit kan gaan om zowel oppervlaktewater als waterkeringen. Daarnaast gelden er algemene regels voor het aanbrengen van verharding, het onttrekken van grondwater en het lozen op het oppervlaktewater. In dit geval gaat het om het Waterschap De Dommel. De projectlocatie ligt niet binnen een beperkingengebied dat in beheer is bij het Waterschap De Dommel. Als in het kader van de uitvoering grondwater wordt onttrokken voor bouwputbemaling dan worden de hiervoor geldende maatregelen nageleefd.

De Waterschapsverordening bevat ook regels dat een toename van verharding gecompenseerd moet worden met het aanleggen van waterberging. Er geldt echter een vrijstelling van deze verplichting als het verhard oppervlak met maximaal 500 m2 toeneemt op grond van artikel 2.31, lid 3, sub a, van de Waterschapsverordening. De toename van verharding blijft ruim onder de drempelwaarde van 500 m 2. Provincie Noord-Brabant De provincie beheert vaarwegen in haar beheer. Daarnaast heeft de provincie de taak om de kwaliteit van het grondwater te beheren (artikel 2.18, lid 1 onder c, Ow). Elke provincie stelt eigen regels over activiteiten binnen deze grondwaterbeschermingsgebieden. Tevens staan in de Omgevingsverordening regels over grondwatersanering en de ontgrondingsactiviteit. De beoogde ontwikkeling ligt niet een beperkingengebied en daarbij is er geen sprake van grondwatersanering of een ontgrondingsactiviteit. De belangen van de provincie als waterbeheerder worden niet geschaad. Gemeente Gemeenten zijn verantwoordelijk voor een goed grondwaterpeil. Gemeenten kunnen regels opnemen in een Hemelwaterverordening of het omgevingsplan. De Hemelwaterverordening maakt van rechtswege onderdeel uit van het omgevingsplan (art. 22.2, onder a Ow en art. 4.6 Iow). In dit geval zijn geen regels opgenomen in de Hemelwaterverordening en het omgevingsplan.

Conclusie

13

Het aspect water vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.4 Gezondheid en milieu Deze paragraaf ziet op de vraag of bij de voorgenomen activiteit voldoende rekening is gehouden met de gevolgen hiervan voor de gezondheid en het milieu. Instructieregels De rijksinstructieregels voor ETFAL zien toe op: -

Kwaliteit van de buitenlucht (§ 5.1.4.1)

-

Geluid door activiteiten (§ 5.1.4.2), waaronder: o Geluid door industrieterreinen o Geluid door wegen, spoorwegen, industrieterreinen o Geluid door industrieterreinen met geluidproductieplafonds als omgevingswaarden

-

Trillingen (§ 5.1.4.4)

-

Bodemkwaliteit (§ 5.1.4.5)

-

Geur (§ 5.1.4.6)

Volledigheidshalve wordt tot slot ingegaan op het onderwerp elektromagnetische velden (EMV).

4.4.1 Luchtkwaliteit Deze paragraaf ziet op de vraag of bij de voorgenomen activiteit voldoende rekening is gehouden met de gevolgen hiervan voor de luchtkwaliteit. Instructieregels In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn in paragraaf 5.1.4.1 Bkl instructieregels opgenomen voor luchtkwaliteit in verband met de aanleg of wijziging van wegtunnels en auto(snel)wegen (art. 5.50 Bkl) en op de aanleg of wijziging van wegen, vaarwegen en spoorwegen of activiteiten die zorgen voor een toename van de verkeersintensiteit op wegen, vaarwegen en spoorwegen (art. 5.51 Bkl). Een locatie waartoe het publiek geen toegang heeft en waar geen vaste bewoning plaatsvindt is uitgezonderd van de regels (art. 5.52 Bkl). De locatie van de beoogde activiteit is niet publiek toegankelijk en er vindt ook geen bewoning plaats. Gelet hierop bestaat er geen belemmering op grond van de luchtkwaliteit.

Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.4.2 Geluid Deze paragraaf ziet op de vraag of bij de voorgenomen activiteit voldoende rekening is gehouden met de gevolgen hiervan voor het geluid. In het Bkl zijn in paragraaf 5.1.4.2 Bkl instructieregels opgenomen voor geluid. Het uitgangspunt is dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het geluid door activiteiten op geluidsgevoelige gebouwen (art. 5.59 Bkl).

Geluidsnormen omgevingsplan

14

Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet (01-01-2024) staan van rechtswege geluidsnormen in het omgevingsplan, deze zijn standaard opgenomen in paragraaf 22.3.4 In tabel 22.3.1 van het omgevingsplan zijn de volgende waarden vastgesteld voor geluid op een geluidgevoelig gebouw:

Activiteiten en milieuzonering 2024 Op 17 oktober 2024 is de nieuwe VNG-handreiking Activiteiten en milieuzonering (hierna: nieuwe Handreiking) gepubliceerd, ter vervanging van de eerdere handreikingen Bedrijven en milieuzonering (2009) en Milieuzonering nieuwe stijl. De nieuwe Handreiking bevat in bijlage A5 een indicatieve lijst met activiteiten, waarin per activiteit de verwachte geluid- en geurbelasting is weergegeven. De activiteiten van Enexis vallen onder categorie CO, specifiek Productie en distributie van stroom, aardgas, stoom en warm water. Binnen deze categorie richt de beoordeling zich op subcategorie C01: Electriciteitsdistributiebedrijven met transformatorvermogen. Het is belangrijk om op te merken dat de nieuwe Handreiking niet van toepassing is op activiteiten die als "grote lawaaimaker" worden aangemerkt conform artikel 5.78b, lid 1, onder c Bkl, en waarvoor geen uitzonderingen conform het tweede lid gelden. Bij grote lawaaimakers zijn de regels voor Industrieterrein (IT) van toepassing. Deze BOPA ziet niet op een grote lawaaimaker. Voor de beoordeling van de ruimtelijke inpasbaarheid kan gebruik worden gemaakt van de transponeringstabel zoals opgenomen in de Nieuwe Handreiking.

In onderstaande tabel zijn de oude richtafstanden opgenomen in relatie tot het transformatorvermogen, evenals de corresponderende positie in de nieuwe handreiking en transponeringstabel. De afstanden worden gemeten vanaf de grens van de locatie waar de activiteit wordt verricht (hekwerk of de uiterste begrenzing van de bebouwing) tot aan de grens van het gebied waar geluidgevoelige gevels (woningen, scholen en zorginstellingen) staan of gebouwd mogen worden, al dan niet vergunningsvrij.

15

Het transportverdeelstation bevat geen transformatoren die geluid veroorzaken. Wel worden er twee airco’s op het transportverdeelstation geplaatst. De airco’s hebben een brongeluid van 63 dB. Er zal slechts één airco tegelijk aan te staan. De tweede airco staat alleen aan op het moment dat de andere airco uitvalt. De dichtstbijzijnde geluidgevoelige objecten liggen op ongeveer 75 meter afstand van het transportverdeelstation. Dit zijn de woningen aan de Looierstraat. Bij een dergelijk grote afstand zal één airco geen geluidhinder van meer dan 40 dB(A) veroorzaken. Gezoneerd industrieterrein Daarnaast ligt het transportverdeelstation op het gezoneerde industrieterrein Best-Breeven. Dit betekent dat de gecumuleerde geluidbelasting van alle bedrijfsactiviteiten op het industrieterrein ’s nachts maximaal Letmaal 40 dB(A) mag bedragen op de zonegrens op grond van het zonebeheerplan. Het transportverdeelstation ligt op ongeveer 73 meter afstand van de zonegrens. Met een geluidvermogen van 63 dB(A) zal het ‘langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT’ van een airco op een afstand van 73 meter ongeveer 17 dB(A) bedragen. Dit is een worstcasescenario: de airco-unit is continue in bedrijf is en straalt dit geluidvermogen continue uit, ook ’s nachts. In de nacht mag de geluidbelasting vanwege het hele industrieterrein samen 40 dB(A) zijn.

De geluidbijdrage van de airco-unit is dus minimaal 23 dB lager. Als 17 dB(A) energetisch wordt opgeteld bij 40 dB(A), dan neemt het geluidniveau toe met 0,02 dB. Een dergelijke toename is volledig verwaarloosbaar. De beoogde ontwikkeling vormt op het onderdeel geluid dan ook geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.4.3 Trillingen Deze paragraaf ziet op de vraag of bij de voorgenomen activiteit voldoende rekening is gehouden met de gevolgen hiervan voor trillingen.

16

Instructieregels In het Bkl zijn in paragraaf 5.1.4.4 Bkl instructieregels opgenomen voor trillingen. Het uitgangspunt is dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen (art. 5.83 Bkl). Een trillinggevoelig gebouw is een gebouw met een woonfunctie; onderwijsfunctie, gezondheidszorgfunctie of bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied (5.80 Bkl). Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet staan van rechtswege trillingsnormen in het omgevingsplan, deze zijn standaard opgenomen in paragraaf 22.3.5. van de planregels. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. In art. 5.87a van het Bkl zijn standaardwaarden voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen. Beoordeling In onderhavig project worden geen activiteiten verricht die herhaalde of continue trillingen veroorzaken in een trilling gevoelige ruimte van een trilling gevoelig gebouw.

Conclusie Het initiatief behelst geen activiteiten die continue trillingen veroorzaken in een trilling gevoelige ruimte van een trilling gevoelig gebouw. Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.4.4 Bodemkwaliteit Deze paragraaf ziet op de vraag of bij de voorgenomen activiteit voldoende rekening is gehouden met de gevolgen hiervan voor de bodem. Op verschillende plekken in de Omgevingswet zijn regels te vinden over de bodem. Er gelden instructieregels over bodemkwaliteit vanuit het Bkl waar het initiatief aan dient te voldoen. Instructieregels De rijksinstructieregels over bodemkwaliteit staan in paragraaf 5.1.4.5 Bkl, onder meer over het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie (§ 5.1.4.5.1). De instructieregels uit § 5.1.4.5.1 Bkl zijn alleen van toepassing op bodemgevoelige gebouwen. Van een bodemgevoelig gebouw is alleen sprake voor zover het aannemelijk is dat personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten in het gebouw aanwezig zullen zijn. De beoogde ontwikkeling bevat geen gebouwen waar mensen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Beoordeling Het transportverdeelstation is niet geschikt voor menselijk verblijf. Enkel in het kader van onderhoud zullen er incidenteel mensen aanwezig zijn op het station. De instructieregels uit het Bkl zijn daarmee niet van toepassing op het project. Bodemonderzoek Op 17 maart 2025 is een historisch bodemonderzoek uit gevoerd. Uit het onderzoek blijkt dat er in de buurt van de locatie geen interventiewaarden overschrijdingen zijn aangetoond. Ook wordt er niet

17

verwacht dat in de bodem op de locatie noemenswaardige PFAS-gehalten aanwezig zijn. Verder is asbest zowel visueel als analytisch niet aangetoond. Bij het uitvoeren van de beoogde ontwikkeling zal worden voldaan aan de regels voor de milieubelastende activiteit met betrekking tot graven in de landbodem onder interventiewaarde voor bodemkwaliteit.

Conclusie Het aspect ‘bodem’ vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.4.5 Geur Deze paragraaf ziet op de vraag of bij de voorgenomen activiteit voldoende rekening is gehouden met de gevolgen hiervan voor het onderdeel geur. Instructieregels In het Bkl zijn in paragraaf 5.1.4.6 Bkl instructieregels opgenomen voor geur. Het uitgangspunt is dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen (art. 5.92 Bkl). Door de inwerkingtreding van de Omgevingswet staan van rechtswege geurregels in het omgevingsplan, deze zijn standaard opgenomen in paragraaf 22.3.6. De regels gelden voor activiteiten die geur veroorzaken door landbouwhuisdieren en paarden en pony’s te berijden in een dierenverblijf, geur als gevolg van overige agrarische activiteiten en geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken. Beoordeling De beoogde activiteit veroorzaakt geen geur.

Conclusie Het aspect ‘geur’ vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.4.6 Elektromagnetische velden (EMV) In beginsel is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als aan de instructieregels van hoofdstuk 5 Bkl is voldaan. Volledigheidshalve besteden we in onderstaande paragraaf aandacht aan het onderwerp Elektromagnetische velden. EMV komen overal voor. EMV ontstaan bij het opwekken, transporteren en gebruiken van elektriciteit. Deze ontstaan bij hoogspanningslijnen, kabels en elektriciteitsstations, maar ook bij het gebruik van huishoudelijke apparaten zoals een stofzuiger, scheerapparaat en waterkoker. Een EM-veld ziet op een gebied rondom apparaten, kabels en elektriciteitsstations waarbinnen elektromagnetische straling meetbaar is. Deze mag niet hoger zijn dan een Europees vastgestelde limiet. Deze limiet is 100 microtesla. Enexis zorgt ervoor dat de sterkte van de EM-velden buiten het stationsterrein altijd beneden deze waarde blijft. Op 18 juli 2023 is er tussen Netbeheer Nederland en de minister van Klimaat en Energie een convenant gesloten over het nemen van proportionele bronmaatregelen die zien op het realiseren van nieuwe

18

netcomponenten, waaronder op hoog- en middenspanningstations. Enexis past de genoemde bronmaatregelen uit dit convenant toe bij de bouw en het gebruik van het transportverdeelstation ter beperking van magneetvelden.

Conclusie Het aspect ‘EMV’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.5 Landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed Deze paragraaf ziet op de vraag of bij de voorgenomen activiteit voldoende rekening is gehouden met de gevolgen hiervan voor de landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed. De rijksinstructieregels voor ETFAL zien – voor zover van belang – toe op: -

Ladder voor duurzame verstedelijking (§ 5.1.5.4 Bkl)

-

Cultureel en werelderfgoed (§ 5.1.5.5 Bkl)

4.5.1 Ladder voor duurzame verstedelijking De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand (§ 5.1.5.4). De ladder voor duurzame verstedelijking is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft reeds overwogen dat de realisatie van een transformatorstation, gelet op de Nota van Toelichting bij het Besluit ruimtelijke ordening en de strekking van de regeling die mede gericht is op het tegengaan van leegstand, niet kan worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling.6 Er is geen aanleiding te veronderstellen dat deze jurisprudentielijn onder de Omgevingswet wordt verlaten.

Conclusie Het aspect ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.5.2 Cultureel erfgoed en werelderfgoed Deze paragraaf ziet op de vraag of bij de voorgenomen activiteit voldoende rekening is gehouden met het behoud van cultureel erfgoed. Instructieregels Deze paragraaf ziet op de vraag of bij de voorgenomen activiteit voldoende rekening is gehouden met het behoud van cultureel erfgoed. In § 5.1.5.5 Bkl zijn instructieregels opgenomen voor cultureel erfgoed. Het gaat daarbij – onder andere – om het voorkomen van aantasting van: 1) rijksmonumenten; (2) beschermde stads- of dorpsgezichten of beschermde cultuurlandschappen; (3) archeologische monumenten; (4) verrichten van archeologisch onderzoek (bij meer dan 100 m 2 niet van toepassing, tenzij anders is bepaald) en (5) behoud van werelderfgoed.

6

ABRvS 26 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1123 en ABRvS 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724.

19

Beoordeling Uit het omgevingsplan gemeente Best volgt dat de locatie geen rijksmonument is, niet ligt in beschermde stads- of dorpsgezichten of beschermde cultuurlandschappen, geen archeologisch monument is en niet behoort tot het werelderfgoed. De gemeente Best heeft geen archeologische aanduidingen in het omgevingsplan vastgelegd voor de locatie van het transportverdeelstation. Tevens heeft de gemeente een cultuurhistorische waardenkaart vastgesteld, maar de locatie heeft geen cultuurhistorische waarde.

4.5.3 Omgevingskwaliteit Bij omgevingskwaliteit speelt een rol of de bebouwing aansluit op de directe omgeving in het plangebied.

Landschappelijke inpassing De locatie van het transportverdeelstation ligt op het bedrijventerrein Breeven. Het transportverdeelstation wordt aan de rand van een bos gebouwd. Het transportverdeelstation valt weg tegen de achtergrond van de bomen. Daarnaast krijgt het transportverdeelstation de kleur dennengroen (RAL 6009). Verder ligt het station op een bedrijventerrein zodat een uitgebreide landschappelijke inpassing niet noodzakelijk is. Welstand De Welstandsnota ‘Welstand met beleid 2003’ is van toepassing op de projectlocatie. De projectlocatie ligt in een industriegebied, namelijk het bedrijventerrein ‘Breeven’. De Welstandsnota bevat algemene criteria voor industriegebieden: “Voor nog nieuw te bouwen bedrijfsgebouwen is het van belang dat deze op zichzelf met een consequent doorgevoerde architec- tuur worden uitgevoerd, waarbij de architectuur van direct omliggende gebouwen gerespecteerd moet worden. Dit is gezien de grote verscheidenheid van architectuur van de betreffende gebouwen niet vooraf in criteria uit te drukken.” Beoordeling De architectuur van het station is consequent doorgevoerd en de vorm van het transportverdeelstation past bij de omliggende bebouwing op het bedrijventerrein. De commissie Ruimtelijke Kwaliteit heeft op 30 juni 2025 een positief welstandsadvies gegeven voor het transportverdeelstation. Het welstandsadvies is als bijlage bijgevoegd.

Het transportverdeelstation is dus niet in strijd met de redelijke eisen van welstand.

Conclusie Het aspect omgevingskwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.6 Verkeer en mobiliteit De invloed van het project op de verkeer- en vervoersbewegingen in de omgeving kan een rol spelen bij de beoordeling of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (zie bijv.: ECLI:NL:RBGEL:2024:2827). Hieronder vallen eveneens de invloed van het initiatief op de parkeerdruk en de verkeersveiligheid in de omgeving.

20

Beoordeling De bouw van transportverdeelstation zorgt voor een tijdelijke toename van het bouwverkeer. Dit zal naar verwachting een geringe invloed hebben op de verkeersstromen en verkeersveiligheid het bedrijventerrein Breeven. Na afronding van de werkzaamheden zal het transportverdeelstation enkel bezocht worden in het kader van onderhoudswerkzaamheden. Een structurele toename van de verkeers- en parkeerdruk kan redelijkerwijs worden uitgesloten.

Conclusie Het aspect ‘verkeer’ vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5. TOETSING VOORBESCHERMINGSREGELS Rijks instructies – voorbeschermingsregels – projectbesluit Artikel 8.0b Bkl bepaalt dat een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt geweigerd als de omgevingsplanactiviteit zou leiden tot een situatie die niet is toegelaten op grond van een instructie, of als deze betrekking heeft op een voorbeschermingsregel in het omgevingsplan, of als door de activiteit het uitvoeren van een project waarvoor een rijks projectbesluit is vastgesteld, zou worden belemmerd. Beoordeling Het omgevingsplan gemeente Best bevat Rijksvoorbeschermingsregels met betrekking tot hyperscale datacentra. De ontwikkeling die deze Bopa mogelijk maakt, valt niet onder de reikwijdte van deze voorbeschermingsregels. Er zijn verder geen instructies of projectenbesluiten van toepassing op de locatie. Provinciale instructies – voorbeschermingsregels – projectbesluit Artikel 8.0b Bkl bepaalt dat een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt geweigerd als de omgevingsplanactiviteit zou leiden tot een situatie die niet is toegelaten op grond van een instructie of een –regel, of als deze betrekking heeft op een voorbeschermingsregel in het omgevingsplan, of als door de activiteit het uitvoeren van een project waarvoor een provinciaal projectbesluit is vastgesteld, zou worden belemmerd.

Beoordeling Het omgevingsplan gemeente Best bevat voorbeschermingsregels vanuit de provincie met betrekking tot mobiele verontreinigingssituaties. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, sub b, van de voorbeschermingsregels is het verboden om een bouwactiviteit te verrichten zonder voorafgaand bodemonderzoek. Enexis heeft een bodemonderzoek laten uitvoeren waaruit blijkt dat de bodem op locatie niet verontreinigd is. Het verbod in artikel 2.1, eerste lid, sub b, van de voorbeschermingsregels is daarom niet van toepassing. Er zijn vanuit de provincie Noord-Brabant verder geen instructies of projectenbesluiten van toepassing op de locatie.

21

Conclusie Het beoogde project past binnen de voorbeschermingsregels van de Rijksoverheid en de provincie Noord-Brabant.

6.

UITVOERBAARHEID

Onder de wetgeving vóór de Omgevingswet gold op grond van art. 5.20 Bor jo, 3.1.6 Bro en de jurisprudentie dat in de toelichting/onderbouwing van een plan c.q omgevingsvergunning (2.12, eerste lid, onder a, onder 3° Wabo) moet worden ingegaan op de inzichten over de uitvoerbaarheid van een plan/project. Onder de Omgevingswet zijn deze bepalingen niet teruggekomen. Uit de toelichting van de wetgever valt op te maken dat er geen sprake zou zijn van ETFAL indien op voorhand aannemelijk is dat een activiteit niet kan worden uitgevoerd. Een evenredige belangenafweging (art. 3:4, tweede lid Awb) kan hierbij ook een rol spelen.7 Gelet hierop worden in deze paragraaf op enkele aspecten met betrekking tot de uitvoerbaarheid ingegaan.

6.1 mer- (beoordelings-)plicht De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (mer) is opgenomen in afdeling 16.4 Ow en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Het aanwijzen van mer.-(beoordelings-) plichtige projecten vindt plaats op basis van artikel art. 16.43 Ow en art. 11.6 Omgevingsbesluit en Bijlage V van het Omgevingsbesluit. Beoordeling Eén van de in bijlage V genoemde categorieën betreft de Energie-industrie (categorie C), hieronder vallen onder andere: -

thermische centrales en andere verbrandingsinstallaties voor de productie van elektriciteit, stoom of warm water;

-

Windparken;

-

Kerncentrales en andere kernreactoren;

Installaties voor de productie of verijking van splijtstoffen. Enexis is een netbeheerder en produceert geen elektriciteit. De beoogde ontwikkeling valt niet onder één van de onder C aangewezen categorieën. Het project valt evenmin onder categorie J, infrastructuur en ruimte. Meer specifiek niet onder categorie J8, de aanleg of wijziging van hoogspanningsleidingen, deze aanvraag ziet immers op de bouw van een transportverdeelstation voor de middenspanning. De beoogde ontwikkeling valt evenmin onder categorie J10 – Industrieterrein. Dat is het geval als de ontwikkeling zou inhouden dat er sprake is van een gelijktijdig ingeschakeld vermogen van meer dan 200MVA (artikel 2.11a Ow in combinatie met artikel 5.78b, lid 1 onder c Bkl). Een dergelijke ontwikkeling kan alleen worden mogelijk gemaakt door wijziging van het omgevingsplan. Er zou dan

7

Nota van Toelichting Omgevingsbesluit Stb 2018, 290, paragraaf 3.2.4.3 .

22

sprake zijn van een mer.-beoordelingsplicht (kolom 3), waarvoor een mededeling/aanmeldnotitie moet worden gedaan (zie artikel 16.45 jo 11.10 Ob). In voorliggende ontwikkeling is dit niet aan de orde. De beoogde ontwikkeling valt tot slot niet onder categorie J11 – ‘stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen’. Uit jurisprudentie blijkt dat het begrip ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ ruimte voor interpretatie laat. Echter, niet iedere wijziging of uitbreiding binnen een stedelijke context kan automatisch worden beschouwd als een wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject. Dit hangt af van de concrete omstandigheden, zoals de aard en omvang van de beoogde wijziging of uitbreiding. Uit de toelichting volgt dat stedelijke ontwikkelingsprojecten doorgaans betrekking hebben op bouwprojecten zoals woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en vergelijkbare voorzieningen, of een combinatie daarvan. Dergelijke projecten hebben een verkeersaantrekkende werking, wat niet het geval is bij het onderhavige traject. De milieugevolgen van het project hebben vooral betrekking op geluid, wat ook dient te worden meegewogen bij de beoordeling van de aanvraag. Daarbij is de omvang van het project gering. Er is dan ook geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject.

Conclusie Van een mer.(-beoordelings-)plicht is geen sprake.

6.2 Natuur Er gelden op grond van het Bal wel verbodsbepalingen voor het onderdeel natuur. Het gaat om activiteiten die mogelijk gevolgen hebben voor Natura 2000-gebieden of bijzondere nationale natuurgebieden (afdeling 11.1 Bal), activiteiten met betrekking tot dieren en planten in het wild (afdeling 11.2 Bal) en activiteiten die houtopstanden, hout en houtproducten betreffen (afdeling 11.3 Bal). Deze regels kunnen het project kennelijk onuitvoerbaar maken, wat de afgifte van een Bopa in de weg staat.

6.2.1 Gebiedsbescherming De aanwijzing van is geregeld in paragraaf 2.6.3 van de Omgevingswet (Ow). -

Natura 2000-gebieden,

-

Natuurnetwerk Nederland, Provinciale natuurgebieden en provinciale landschappen.

Natura 2000-gebieden De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn ‘Kempenland-West’ en ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen’. ‘Kemenland West’ ligt in zuidwestelijke richting op ongeveer 7-13 kilometer afstand van de projectlocatie. ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen’ ligt in noordwestelijke richting op ongeveer 10 kilometer afstand van de projectlocatie.

23

Figuur 6 Natura 2000-gebieden

Beoordeling Gelet op de afstand tussen de projectlocatie en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied valt uit te sluiten dat de uitvoering van dit project een negatieve invloed heeft in de zin van geluids-, licht- of trillingshinder op dit Natura 2000-gebied. Met behulp van de AERIUS-Calculator, versie 2023.2, is de stikstofdepositie berekend tijdens de bouw van het transportverdeelstation. Uit de berekening volgt dat er geen stikstofdepositie plaatsvindt op stikstofgevoelige natuurgebieden. Een negatief effect is daarmee uitgesloten. Deze berekening is als bijlage opgenomen. De berekening is alleen opgesteld voor de bouwfase. In de gebruiksfase zal het transportverdeelstation een enkele verkeersbeweging per jaar genereren voor eventueel onderhoud. De stikstofuitstoot in de gebruiksfase is dus verwaarloosbaar en daarom niet meegenomen in de berekening. Natuur Netwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het dichtstbijzijnde gebied dat onderdeel is van het Natuur Netwerk Nederland (NNN voormalige EHS) ligt op ongeveer 160 meter afstand van de projectlocatie. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. Beoordeling Hoewel de Omgevingsverordening diverse bepalingen bevat voor ontwikkelingen in deze gebieden (o.a.

compensatieplicht), hebben deze regels -gezien de afstand tussen het NNN-gebied en de projectlocatiegeen invloed op de uitvoering van dit project. Van afname van areaal is geen sprake. Tevens worden geen externe effecten, zoals geluidshinder of lichthinder, verwacht die de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN significant aantasten. Dit staat in de natuurtoets die Enexis heeft laten uitvoeren. De natuurtoets is in de bijlage opgenomen.

24

6.2.2 Soortenbescherming Het is, voor zover aangewezen in het Bal, verboden om een flora-en fauna- activiteit te verrichten zonder omgevingsvergunning (art. 5.1, tweede lid onder g, Ow). Een flora- en fauna-activiteit is gelet op de definitie een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. In afdeling 11.2 van het Bal zijn vergunningplichten opgenomen met betrekking tot vogelrichtlijn (§ 11.2.2), soorten op grond van de habitatrichtlijn (§ 11.2.3) en voor andere soorten (§ 11.2.3). Beoordeling Enexis heeft een onderzoek laten uitvoeren naar de gevolgen van het uitvoeren van de activiteit op de fysieke leefomgeving, zie de bijlage. De uitkomst van de natuurtoets is dat als gevolg van de werkzaamheden geen effecten te verwachten zijn die van negatieve invloed zullen zijn op de gunstige staat van instandhouding van de waargenomen soorten of mogelijk aanwezige soorten en hun functioneel leefgebied, mits de werkzaamheden buiten het broedseizoen worden verricht. Daarnaast zullen ter bescherming van vleermuizen en broedvogels de volgende voorschriften aan de BOPA verbonden worden: -

Er moeten twee vleermuisverblijven voor bomen worden gerealiseerd in bomen rondom het projectgebied alvorens de kap plaatsvindt.

-

De bomen worden gekapt buiten de kwetsbaarste periode voor vogels, met andere woorden het broedseizoen (15 maart-15 juli). Binnen het broedseizoen mag alleen worden gekapt als na een broedvogelinspectie blijkt dat er geen broedvogelnesten in het projectgebied aanwezig zijn.

-

De bomen worden gekapt buiten de kwetsbare periode van boombewonende vleermuizen (buiten 15 oktober- 31 maart en buiten 1 mei – 31 juli).

-

Werk buiten het broedseizoen, als dit niet mogelijk is moet tenminste de vegetatie worden verwijderd buiten de hierboven beschreven kwetsbare perioden.

6.2.3 Bomen Er vindt bomenkap plaats. De projectlocatie valt binnen de bebouwde komgrenzen van de gemeente Best. Het college van burgemeester en wethouders is daarom het bevoegd gezag voor een omgevingsvergunning voor het kappen van bomen. Op grond van artikel 4.11 van de ‘Algemene Plaatselijke Verordening 2023’ (APV) is het verboden om een houtopstanden te kappen als: “a. die staan vermeld op de in het eerste lid genoemde lijst bijzondere bomen; b. op of aan een openbare plaats indien de stamomtrek van de houtopstand op 1,30 meter hoogte meer is dan 63 centimeter.” De weigeringsgronden voor de omgevingsvergunning staan in artikel 1:8 en artikel 4:11b van de APV: ”Artikel 1:8 Weigeringsgronden 1. Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: a. de openbare orde; b. de openbare veiligheid; c. de volksgezondheid; d. de bescherming van het milieu.

25

2.

Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.”

“Artikel 4:11b Weigeringsgronden In afwijking van artikel 1:8 kan de vergunning als bedoeld in artikel 4:11 worden geweigerd op grond van: a. b. c. d. e. f.

de natuurwaarde van de houtopstand; de landschappelijke waarde van de houtopstand; de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon; de beeldbepalende waarde van de houtopstand; de cultuurhistorische waarde van de houtopstand; of de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand.”

Enexis heeft een bomeneffectanalyse (BEA) laten opstellen. De BEA is als bijlage bijgevoegd. In het projectgebied staan 19 bomen. Van deze bomen, kunnen de bomen 4 t/m 11 en 21 t/m 23 niet behouden blijven. De adviezen in de BEA voor het behoud van de overige bomen zullen als voorwaarde in de BOPA komen te staan. Enexis zal een omgevingsvergunning aanvragen voor de kap van de bomen. De verwachting is dat het college de omgevingsvergunning zal verlenen. Enexis zal de kap van de bomen compenseren door een bijdrage in het groenfonds te storten. Daarnaast moet Enexis het bosplantsoen dat verloren gaat compenseren. Ook dat zal met een financiële compensatie gebeuren. Conclusie Vanuit onderdeel natuur is geen sprake van een belemmering voor dit project.

6.3 Financieel - economische uitvoerbaarheid Het initiatief wordt volledig gefinancierd door de initiatiefnemer. De gemeente dient kosten die het maakt vanwege in het Omgevingsbesluit aangewezen kostensoorten, te verhalen op degene die een activiteit – aangewezen in het Omgevingsbesluit – op grond van een nieuwe toegedeelde functie verricht. Het project als hier aan de orde is niet één van de in artikel 8.13 Ob aangewezen bouwactiviteiten. Daarmee is er geen sprake van verplicht kostenverhaal. De kosten die gemoeid zijn met onderhavige vergunningverlening worden via de legesverordening in rekening gebracht bij Enexis als initiatiefnemer.

6.4 Grondposities De grondposities zijn als volgt: Het perceel is in eigendom van de gemeente Best. Er lopen vergevorderde onderhandelingen tussen Enexis en de gemeente Best over de overdracht van dit perceel aan Enexis. Aangezien het terrein binnenkort eigendom wordt van Enexis, staat het eigendomsrecht niet aan de uitvoerbaarheid van deze aanvraag in de weg.

26

7.

PARTICIPATIE

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze uitvoering wordt gegeven aan participatie met het oog op de voorgenomen ontwikkeling. Op grond van artikel 16.55 lid 7 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad gevallen aanwijzen waarin participatie een verplicht aanvraagvereiste is. Dit kan alleen bij een omgevingsvergunning voor een BOPA waarvoor het college van burgemeester en wethouders bevoegd gezag is. Bij het ‘Omgevingswet: lijst aangewezen gevallen van activiteiten voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten met verplichte participatie 2022’ (hierna: ‘Aanwijsbesluit’) heeft de gemeenteraad van de gemeente Best gevallen aangewezen waarin participatie voorafgaand aan de aanvraag om een omgevingsvergunning verplicht (gesteld) is. De bouw van het transportverdeelstation valt onder geen van de aangewezen gevallen. Meer specifiek valt de bouw van het transportverdeelstation niet onder artikel 2 lid 3 (het oprichten, veranderen of uitbreiden van bedrijvigheid in een hogere categorie dan het (tijdelijk) omgevingsplan toestaat) en artikel 2 lid 6 (een functiewijziging van meer dan 100 m² gebruiksoppervlakte, voor bedrijventerreinen geldt meer dan 200 m2 gebruiksoppervlakte) van het Aanwijsbesluit. Met deze BOPA wordt namelijk geen nieuwe bedrijvigheid toegestaan en wordt de functie ook niet gewijzigd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15915882/1