CConstaterende datBest
Koppel je AI →
Document · PDF

25006.04.f. - Bijlage 5.a. - Regionaal Risicoprofiel 2025-2028 (B2024307)

Raadsvergadering 10 maart 2025, gemeente BestBij agendapunt: Véronique Zeeman38.980 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

Door de klimaatverandering met tot gevolg de toename van weersextremen in de zomer, neemt ook in die periodes de kans op een doorbraak toe. Ook de onderhoudstoestand van dijken kan van invloed zijn op het risico op een doorbraak. Daarnaast kunnen menselijke activiteiten, zoals graafwerkzaamheden en bouwprojecten nabij dijken, de stabiliteit aantasten. Structurele defecten in het ontwerp of de constructie van dijken vormen eveneens een risico (een deel van de keringen wordt momenteel aangepast naar de meest recente klimaatextremen (die ook tot hogere waterpeilen kunnen leiden). Daarnaast kunnen dierlijke graafactiviteiten (bijv. van vosse, konijnen, dassen e.d.) tunnels en holtes in dijken creëren en leiden tot instabiliteit. Bepaalde vegetatie kan de stabiliteit ondermijnen (bijv. omwaaien van bomen op keringen tijdens een storm waardoor grote spoelgaten in een kering achterblijven). Objecten van belang Bij een eventuele dijkdoorbraak in de regio Zuidoost-Brabant zijn verschillende objecten en gebieden bijzonder kwetsbaar. Laaggelegen woonwijken en dorpen langs de rivieren de Dommel en de Aa lopen groot risico op overstromingen, wat kan leiden tot aanzienlijke materiële schade en gezondheidsrisico's door water- en schimmelgerelateerde problemen.

Infrastructuur zoals bruggen en wegen die deze rivieren kruisen, kan beschadigd raken, wat mobiliteitsproblemen veroorzaakt en de bereikbaarheid belemmert, met economische verliezen door reparatiekosten en vertragingen als gevolg. Daarnaast zijn agrarische gebieden langs de rivieren kwetsbaar; overstromingen kunnen leiden tot gewasschade en economische verliezen voor boeren, wat de voedselvoorziening en economische stabiliteit van de regio beïnvloedt. Kritieke infrastructuur zoals stroom-, water- en gasleidingen kunnen beschadigd raken, wat storingen in de levering van deze vitale voorzieningen veroorzaakt en het dagelijks leven en de bedrijfsvoering verstoort. Verder is cultureel erfgoed, zoals historische gebouwen en monumenten in laaggelegen gebieden langs de rivieren, bijzonder kwetsbaar voor waterschade. Dit kan leiden tot structureel verval en verlies van cultureel erfgoed, wat onomkeerbare schade betekent voor de historische waarde van de regio. Overstromingen kunnen ook natuurlijke habitats beschadigen en verontreiniging veroorzaken, wat de biodiversiteit en het milieu negatief beïnvloedt en langdurige gevolgen heeft voor de ecologie van de regio. De impact van een dijkdoorbraak zou aanzienlijk zijn en

63

benadrukt de noodzaak van preventieve maatregelen en een goed gecoördineerde respons om de veiligheid en veerkracht van Zuidoost-Brabant te waarborgen. Ontwikkelingen Klimaatverandering verhoogt de waarschijnlijkheid en impact van dijkdoorbraken in Zuidoost-Brabant door intensievere en frequentere regenbuien, wat leidt tot hogere waterstanden in rivieren zoals de Dommel en de Aa. Nattere winters en lentes brengen meer smeltwater en regen, wat de druk op dijken vergroot. Daarnaast kunnen droogteperiodes dijken verzwakken, waardoor ze vatbaarder zijn voor doorbraken na hevige regenval. Capaciteiten en maatregelen Preventief -

Waterschappen brengen bestaande keringen op orde i.r.t. de meest recente klimaatinzichten (w.o. ophoging), verwijderen waar nodig risicovolle vegetatie en treffen waar nodig maatregelen ter bestrijding van graverij door dieren op risicovolle locaties.

Reactief Plaatsen noodpompen en nooddijkjes door het waterschap. Het waterschap zorgt voor de inzet van de waterbergingsgebieden waarmee druk op keringen soms verlaagd kan worden. -

De gemeente laat gebieden ontruimen (mensen en dieren) en wegen afsluiten.

Partners In de regio Zuidoost-Brabant zijn de belangrijkste partners voor het beheersen van dijkdoorbraken de waterschappen, gemeenten en Rijkswaterstaat. Waterschappen zoals De Dommel en Aa en Maas zijn verantwoordelijk voor het beheer en onderhoud van dijken, evenals voor waterkwaliteit en waterpeilbeheer. Ze voeren inspecties uit, versterken dijken en beheren waterbergingen om overstromingen te voorkomen. Gemeenten werken samen met waterschappen aan ruimtelijke ordening. Ze coördineren lokale noodplannen en ondersteunen bij evacuaties en herstelwerkzaamheden. Rijkswaterstaat beheert de hoofdwatersystemen, kanaaldijken en grote waterkeringen in Nederland, monitort waterstanden en verstrekt waarschuwingen en advies tijdens hoogwaterperiodes, en coördineert grootschalige waterbeheersingsprojecten. Perceptie De angst voor dijkdoorbraken in de regio Zuidoost-Brabant is beperkt. Er is een beperkt aantal dijken en de mogelijke overstromingsdieptes zijn eveneens beperkt (anders dan in de Randstad waar men op sommige locaties tot wel 6 m onder NAP niveau leeft). Daarnaast liggen de meeste dijken (keringen) langs relatief kleine rivieren en beekjes.

(Verwachte) maatschappelijke aandacht De aandacht voor het op orde zijn van de keringen groeit, met name ingegeven door de diverse wateroverlast situaties van afgelopen jaren in de regio (maar dat was vooral overlast waarbij het water niet voldoende kon worden afgevoerd, en niet zo zeer als gevolg van een doorbraak. In hoeverre de gemiddelde inwoner in het gebied dat onderscheid maakt of relevant acht, is nog maar de vraag.

64

Gevolgen en waarschijnlijkheid Gevolgen Impactcriteria 1.1

Aantasting integriteit grondgebied

2.1

Doden

2.2

Ernstig gewonden en chronisch zieken

2.3

Lichamelijk lijden (gebrek aan primaire levensbehoeften)

3.1

Kosten

4.1

Langdurige aantasting natuur en milieu

5.1

Verstoring van het dagelijks leven

5.2

Aantasting lokaal en regionaal bestuur

5.3

Sociaal psychologische impact

6.1

Aantasting cultureel erfgoed

Score

Een dijkdoorbraak in de regio Zuidoost-Brabant kan aanzienlijke gevolgen hebben. In het ergste geval kunnen dijkdoorbraken leiden tot doden en gewonden door overstromingsgerelateerde incidenten. Gebieden langs de Dommel en de Aa kunnen te maken krijgen met aanzienlijke wateroverlast, wat mogelijk schade aan huizen en eigendommen veroorzaakt. Ook ontstaan onveilige situaties door ondergelopen straten. Daarnaast kunnen drinkwaterbronnen mogelijk besmet raken omdat vuilwater zich mengt met schoon water. Schoon drinkwater kan hierdoor tijdelijk niet meer te gebruiken zijn. Als water op straat zich mengt met rioolwater en vuil op straat kunnen ook ziektes uitbreken. Ook infrastructuur zoals bruggen, wegen, en spoorlijnen kan ernstig beschadigd raken, wat leidt tot grote verstoringen in de mobiliteit en vertraagde responstijd van hulpdiensten. Verder kunnen bedrijven stilgelegd worden, wat leidt tot productieverlies en economische schade, terwijl agrarische gebieden overspoeld kunnen raken, met gewasschade en financiële verliezen voor boeren als gevolg. Nutsvoorzieningen zoals stroom, water en gas kunnen uitvallen, wat het dagelijks leven van bewoners en de werking van bedrijven verstoort. Historische gebouwen en monumenten kunnen onherstelbare schade oplopen, wat leidt tot verlies van cultureel erfgoed.

Maar ook natuurlijke habitats kunnen beschadigd raken, wat negatieve effecten heeft op de biodiversiteit en de ecologie van de regio. Waarschijnlijkheid De waarschijnlijkheid van een dijkdoorbraak in de regio Zuidoost-Brabant is relatief klein, maar niet uitgesloten. Dit komt omdat de regio Zuidoost-Brabant voornamelijk wordt beïnvloed door kleinere rivieren zoals de Dommel en de Aa, die minder waterafvoer hebben in vergelijking met grote rivieren zoals de Maas of de Rijn. Desondanks kunnen periodes van zware regenval en smeltwater, vooral tijdens de winter en het vroege voorjaar, de waterstanden in deze rivieren aanzienlijk verhogen, waardoor de druk op de dijken toeneemt en het risico op een doorbraak groter wordt. Verder speelt klimaatverandering hierbij een belangrijke rol, aangezien het leidt tot extremere en frequentere regenbuien, wat de kans op hoge waterstanden verhoogt. Bovendien kunnen verouderde of slecht onderhouden dijken, in combinatie met extreme weersomstandigheden, de kans op een doorbraak vergroten. De kans op een overstroming door een dijkdoorbraak wordt dus groter door klimaatverandering.

65

3 Illustratief scenario In een koude, natte winterperiode heeft een week van zware regenval en smeltwater uit hogere gebieden geleid tot uitzonderlijk hoge waterstanden in de rivieren de Dommel en de Aa. De dijken, die normaliter deze waterwegen in bedwang houden, staan onder grote druk. Ondanks de inspanningen van het waterschap om de dijken te versterken, komt het tot een kritieke doorbraak op een zwakke plek in een van de dijken langs de Dommel. De dijkdoorbraak leidt tot een ongecontroleerde waterstroom die zich ook verspreidt naar omliggende laaggelegen gebieden. Sommige woningen lopen waterschade op, met ondergelopen kelders en lichte schade aan woonruimtes. De waterdruk kan in enkele gevallen leiden tot kleinere structurele problemen, zoals vochtplekken en beginnende schimmelvorming. De infrastructuur wordt ook aangetast; belangrijke wegen worden onbegaanbaar door het water, wat verkeerschaos en economische verliezen veroorzaakt door vertragingen en omleidingen. Daarnaast zorgen de overstroomde riolen voor een mengsel van vuil- en regenwater op straat, wat ernstige gezondheidsrisico's met zich meebrengt. Drinkwaterbronnen zijn mogelijk besmet, waardoor schoon drinkwater tijdelijk onbruikbaar wordt. Er ontstaat een risico op ziektes door vermenging van rioolwater met het water op straat.

Daarnaast zijn de stroom- en gasleidingen beschadigd in een deel van het getroffen gebied, wat leidt tot uitval van elektriciteit en verwarming voor veel bewoners.

66

9.3.4

Natuurbranden

De landelijke Handreiking Regionaal Risicoprofiel geeft als variabele dat de genoemde natuurgebieden een aaneengesloten oppervlakte dienen te hebben van minstens 100 hectare. Voor registratie op de Risicokaart wordt eveneens gekeken naar natuurgebieden met een aaneengesloten oppervlakte van minstens 100 hectare. Eigenschappen risico Geografische en temporele kenmerken In totaal zijn er 103 natuurgebieden in de regio Zuidoost-Brabant die groter zijn dan 100 hectare. Deze gebieden beslaan in totaal 25.827 hectare. In zijn geheel heeft de regio Zuidoost-Brabant een oppervlakte van 144.016 hectare. Op het grensgebied tussen de regio Zuidoost-Brabant en de 15-kilometerzone in België bevinden zich veel grote bos- en heidegebieden. Het merendeel van deze gebieden is groter dan 100 hectare. Een brand die in België begint zou ook een risico voor de regio Zuidoost-Brabant kunnen vormen. Met name in de maanden april tot en met september komen in de regio Zuidoost-Brabant met enige regelmaat natuurbranden voor. Daarnaast is er ook in de maanden januari tot en met maart sprake van een verhoogd risico op natuurbranden. Naar verwachting wordt het natuurbrandseizoen langer. Het aantal natuurbranden loopt sterk uiteen tussen natte en droge jaren.

67

Casuïstiek en statistiek Een natuurbrand in Nederland is geen uniek incident; ieder jaar komen honderden natuurbranden voor. In 2020 bereikte een natuurbrand in de Deurnese Peel een omvang van 710 hectare waarmee dit de grootste (bekende) natuurbrand ooit in Nederland was en leidde tot maandenlange (rook)overlast. Gedurende de periode tussen 2017 en 2021 waren drie van de vijf jaren (erg) droog en kwamen er enkele honderden tot bijna duizend natuurbranden per jaar voor. De relatief natte jaren 2017 (321 natuurbranden) en 2021 (212 natuurbranden) waren rustiger, terwijl in bijvoorbeeld 2018 er 949 geregistreerde natuurbranden waren. Ook in de regio Zuidoost-Brabant komen ieder jaar meerdere natuurbranden voor. De richting en snelheid van een natuurbrand laat zich moeilijk voorspellen. Andere factoren die meespelen bij een natuurbrand zijn onder andere in hoeverre het gebied aaneengesloten is, de aard en vegetatie en wijze van beheren, de aard van het gebruik van het gebied, de beschikbaarheid van bluswater maar ook de weersomstandigheden. Oorzaken De oorzaken van een natuurbrand kunnen divers zijn, waaronder onbewust of moedwillig menselijk handelen. Hierbij kan worden gedacht aan weggegooide sigaretten, vuurkorven en barbecues. Of bijvoorbeeld brandstichting. Soms is een natuurinvloed zoals blikseminslag de oorzaak.

De gevoeligheid voor het ontstaan van natuurbranden kan worden beschreven met een drietal factoren, te weten biomassa en de beschikbaarheid om te branden, weersomstandigheden en ontstekingen. Voor wat betreft de weersomstandigheden gaat hierbij om de temperatuur, hoeveelheid neerslag, luchtvochtigheid en windsnelheid. De kans op het ontstaan van een natuurbrand neemt toe bij droogte en een lage luchtvochtigheid, omdat fijn brandbaar materiaal dan sneller kan ontsteken. Daarnaast breidt een natuurbrand sneller uit bij een hogere windsnelheid, met name in open gebieden. Vaak komen dergelijke weersomstandigheden in grote delen van Nederland op hetzelfde moment voor, waardoor ook vrijwel gelijktijdig op meerdere locaties natuurbranden kunnen ontstaan. Objecten van belang In en om de natuurgebieden in de regio Zuidoost-Brabant zijn verschillende objecten van belang. Hoe intensief een natuurgebied gebruikt en bewoond wordt en hoeveel mensen er daardoor bij een brand getroffen kunnen worden varieert. Natuurgebieden in de regio Zuidoost-Brabant zijn in meer of mindere mate verweven met andere gebruiksfuncties. Zo bevinden zich in en om de natuurgebieden bewoonde gebieden (met onder andere zorginstellingen) maar ook gebieden met recreatieve en militaire functies.

Bij de zeer grote natuurbrand op de Strabrechtse Heide in 2010 bleek dat transportroutes die dwars door natuurgebieden lopen ook kwetsbaar zijn. Voor de regio Zuidoost-Brabant gaat het om de snelwegen A2, de A58 en de A67 en diverse provinciale wegen. Ook spoorwegen lopen op diverse plaatsen door natuurgebieden. Verder is er ook een reële kans dat culturele erfgoederen getroffen worden door een natuurbrand. Een cultureel erfgoed kan een monumentaal pand zijn maar ook een beschermd natuurlandschap. Een voorbeeld van een dergelijk beschermd natuurlandschap is de Groote Peel, dit gebied bestaat in totaal uit 1400 hectare. Hiervan bevindt zich ongeveer 600 hectare in de regio Zuidoost-Brabant. In diverse natuurgebieden zijn daarnaast ook elektriciteitsmasten gesitueerd, die als gevolg van een brand buiten werking kunnen raken. Dit met als gevolg dat grote groepen mensen zonder elektriciteit kunnen komen te zitten.

68

Ontwikkelingen Er is een aantal ontwikkelingen van invloed op de waarschijnlijkheid en mogelijke impact van een natuurbrand. Allereerst gaat het hierbij om klimaatverandering. Door klimaatverandering wordt het weer in Nederland extremer. De kans op extreme droogte en hoge temperaturen neemt toe en de verwachting is dat droge perioden langer zullen aanhouden. Vooral in april en mei is sinds 1965 een significante trend te zien naar hogere waardes van het maximale neerslagtekort. De toename in de kans op droogte komt door hogere temperaturen en meer zonnestraling, waardoor de verdamping toeneemt. Droogte en hoge temperaturen zijn belangrijke factoren voor het ontstaan van natuurbranden. Daarnaast is de verwachting dat perioden van extreme droogte worden afgewisseld met extreme regenval. Vegetatie groeit in de natte perioden goed, waardoor er meer brandstof is in de droge perioden. Door klimaatverandering is er dus zowel een toename in de hoeveelheid brandrisicovolle dagen als de hoeveelheid brandstof. De verwachting is dan ook dat de kans op onbeheersbare natuurbranden zal toenemen. Naast klimaatverandering kunnen landschapsinrichting en natuurbeheer invloed hebben op het natuurbrandrisico. Enerzijds zorgt bijvoorbeeld vervanging van grootschalige en brandbare naaldhoutpercelen door minder brandbaar gemengd bos en loofhoutpercelen voor een verminderd risico op natuurbranden.

Anderzijds is er de laatste decennia ruimte gekomen voor een meer natuurlijke ontwikkeling in natuurgebieden om biodiversiteit te bevorderen. Hierbij blijft dood hout liggen en worden natuurgebieden met elkaar verbonden. Dit zorgt voor een toename in brandstof, een afname van de bereikbaarheid voor hulpdiensten en grotere uitbreidingsmogelijkheden voor natuurbranden. Maatregelen Wanneer meerdere natuurbranden tegelijk ontstaan, levert dit uitdagingen op voor de verdeling van capaciteiten. Preventief: -

Staatsbosbeheer neemt preventieve maatregelen ter voorkoming van bosbranden (bijvoorbeeld preventief afbranden).

-

Met behulp van de Risico-Index Natuurbranden (RIN) is er per (risico)gebied gekeken hoe het gebied in elkaar zit en hoe hoog het risico daardoor is en zijn op basis hiervan maatregelen getroffen.

-

Aanleg bluswatervoorzieningen in natuurgebieden.

-

Voor een aantal natuurgebieden zijn aanvalsplannen opgesteld.

-

De standaard inzetvoorstellen worden aangepast bij (te verwachten en/of) aanhoudende droogte, zodat meteen met een grotere slagkracht kan worden opgetreden.

-

Bij de eerste publieksfasewisseling natuurbrandrisico (zie natuurbrandrisico.nl) van het jaar wordt ingezet op risicocommunicatie. Dit gebeurt meestal in maart of april. De lijn die hierbij wordt aanhouden en de hulpmiddelen om gemeenten te faciliteren voor het inzetten van risicocommunicatie zijn opgenomen in een toolkit.

Reactief: -

Inzet loonwerkbedrijven voor mensen en materieel (bijvoorbeeld een kraan met grijper) door de brandweer op basis van een ’waakvlamovereenkomst’.

69

-

De inzet van blushelikopters (‘Fire Bucket Operations’) kan bij defensie worden aangevraagd. Of deze kunnen worden ingezet hangt onder meer af van de weersomstandigheden en het tijdstip (niet in het donker). Zij worden hierbij ondersteund door een speciaal opgeleid team vanuit veiligheidsregio Noord- en Oost Gelderland.

-

Voor het inzichtelijk maken van de brand en de ontwikkeling kunnen drones worden ingezet (bijvoorbeeld het droneteam van veiligheidsregio Midden- en West Brabant).

-

De Handcrew Zuid-Nederland

Partners De meeste bos- en heidegebieden in Nederland zijn eigendom van de landelijke of lokale overheid. Zo ook in de regio Zuidoost-Brabant. Staatsbosbeheer is in opdracht van de landelijke overheid verantwoordelijk voor het beheer en onderhoud van vele hectaren bos- en heidegebieden in Nederland. Andere gebiedsbeheerders zijn de provincie en (particuliere) terreineigenaren. Namens de vakantieparken, vaak in en om natuurgebieden gelegen, is de brancheorganisatie Recron een belangrijke partij. Perceptie Risicoperceptie onderzoek VRBZO 2021, natuurbranden. Maakt zich wel eens zorgen: 48% van de inwoners maakt zich minimaal 1 keer per jaar zorgen. Ik ben niet voorbereid: 88% van de inwoners vindt zich niet voorbereid. Informatiebehoefte: 21% geeft aan in (zeer) grote mate informatiebehoefte te hebben. In de regionale factsheet VRBZO van de najaarsmeting Risico- en Crisisbarometer 2023 is het risico ‘natuurbrand’ opgenomen. Uit de factsheet blijkt: -

Ingeschatte waarschijnlijkheid: 47% van de inwoners in de regio Zuidoost-Brabant vindt het (zeer) waarschijnlijk dat het risico ‘natuurbrand’ plaatsvindt. Dit is exact hetzelfde als het percentage van de Nederlanders.

-

Zorgen over risico’s en dreigingen: 7% van de inwoners in de regio Zuidoost-Brabant geeft aan zich zorgen te maken over het risico ‘natuurbrand’, dit is exact hetzelfde als het percentage van de Nederlanders.

70

Gevolgen en waarschijnlijkheid Gevolgen Impactcriteria 1.1

Aantasting integriteit grondgebied

2.1

Doden

2.2

Ernstig gewonden en chronisch zieken

2.3

Lichamelijk lijden (gebrek aan primaire levensbehoeften)

3.1

Kosten

4.1

Langdurige aantasting natuur en milieu

5.1

Verstoring van het dagelijks leven

5.2

Aantasting lokaal en regionaal bestuur

5.3

Sociaal psychologische impact

6.1

Aantasting cultureel erfgoed

Score

De toename van het aantal natuurbranden en de intensiteit kan leiden tot grote gevolgen voor gezondheid, welzijn, economie en natuur. De mate van de gevolgen zijn onder andere afhankelijk van de locatie van de natuurbrand. Er is bijvoorbeeld verschil in hoe intensief natuurgebieden gebruikt en bewoond worden en hoeveel mensen er daardoor bij een brand getroffen kunnen worden. Bij een brand in een natuurgebied dat veel voor recreatie wordt gebruikt, bijvoorbeeld in de vorm van campings, zijn de gevolgen groot. Maar ook grote evenementen in of rondom de natuurgebieden kunnen zorgen voor grotere gevolgen door de aanwezigheid van grote groepen mensen. De gevolgen van een natuurbrand zijn niet perse beperkt tot de locatie van de brand, maar kan ook bovenregionale effecten hebben, waardoor grotere delen van de maatschappij er hinder van zullen ondervinden Ook de beperkte bereikbaarheid, toegankelijkheid en ontsluiting van gebieden kan voor de hulpdiensten problemen opleveren. Doorgaans zijn slachtofferaantallen bij natuurbranden niet groot maar desondanks kunnen er wel slachtoffers vallen als direct gevolg van de natuurbrand. Het gaat daarbij om bijvoorbeeld brandwonden, maar ook om luchtwegklachten die ontstaan door de rook. Rookontwikkeling kan overigens overlast veroorzaken die verder strekt dan het gebied van de natuurbrand.

Verder kan ook impact op de mentale gezondheid ontstaan door de natuurbrand, bijvoorbeeld bij mensen die geëvacueerd moeten worden. In het geval dat er een grootschalige evacuatie nodig is zal de verstoring van het dagelijks leven voor het getroffen gebied erg groot zijn. De economische schade bij natuurbranden wordt onderverdeeld in directe en indirecte schade. De directe schade omvat alles wat er in het gebied van de natuurbrand staat. Dit kunnen campings, gebouwen, wegen spoor en andere bebouwing en infrastructuur zijn. In diverse gebieden zijn elektriciteitsmasten gesitueerd, die als gevolg van een brand buiten werking kunnen raken. Wanneer een natuurgebied wordt getroffen waarin bijvoorbeeld een hoogspanningstracé met transformatiestations is gelegen die bij de brand beschadigd raken, kan een grote groep mensen zonder elektriciteit komen te zitten. De criteria gebrek aan primaire levensbehoeften, kosten en verstoring van het dagelijks leven kunnen in dat geval (ernstiger) geraakt worden. Indirecte schade betreft bijvoorbeeld imagoschade van de recreatiesector, indirecte

71

bedrijfsschade door uitval/aantasting van de vitale infrastructuur en herstelkosten voor infrastructurele voorzieningen en het natuurgebied zelf. Natuurbranden veroorzaken ecologische schade. Zo kan de hitte van een natuurbrand de bodem aantasten en die waterafstotend maken, waardoor de kans op erosie en overstromingen sterk toeneemt. Wanneer een natuurbrand plaatsvindt heeft dit invloed op flora en fauna. Een winterbrand heeft wel minder negatieve effecten dan een brand in het voorjaar of in de zomer, wanneer het voortplantingsseizoen plaatsvindt. Desondanks kunnen de gevolgen van een natuurbrand op flora en fauna groot zijn. Veelal gaat namelijk veel bestaande fauna, en soms zeer zeldzame diersoorten, verloren. De duur van de aantasting van natuur is verschillend; bij bepaalde type vegetatie treedt vrij snel herstel op, bijvoorbeeld bij heide. Andere type vegetatie gaat bij brand verloren, waardoor de aantasting blijvend is. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer veen wordt aangetast. Een natuurbrand kan echter ook positieve gevolgen hebben voor de natuur, omdat de brand voor verjonging van de vegetatie zorgt. Waarschijnlijkheid Het is volgens de deskundigen niet de vraag of maar wanneer een onbeheersbare natuurbrand optreedt, waarbij ernstige gevolgen zullen ontstaan. Afgelopen jaren zijn er meerdere voorbeelden van natuurbranden geweest.

Klimaatveranderingen met droogte en warmte als gevolg, zeker in combinatie met watertekorten, zorgen voor ook voor een grotere kans op (onbeheersbare) natuurbranden. In de RbRa is het scenario van natuurbranden geclassificeerd als zeer waarschijnlijk.

72

Illustratief scenario In grote delen van Nederland is er al geruime tijd nauwelijks regen gevallen. Omdat de windrichting zuidoostelijk is, is ook de luchtvochtigheid erg laag. Vandaag is het wederom een warme, droge, zonnige dag met temperaturen rond de 30°C. Het mooie weer valt samen met de meivakantie, waardoor veel mensen vrij zijn en eropuit trekken in de natuur. In de middag zal de wind aantrekken tot 30 km/u (5 Bft), wat de brandweer doet besluiten het uitbreidingsrisico op zeer hoog in te schalen. De weersomstandigheden zorgen ervoor dat in grote delen van Nederland alle ingrediënten voor het ontstaan van snel uitbreidende natuurbranden aanwezig zijn. Aan het begin van de middag zijn er al een aantal natuurbranden door de snelle inzet van de brandweer bestreden.Om 14.00 uur breekt er een brand uit in een heideveld. De brandweer zet direct groot in. Door de meteorologische omstandigheden verspreidt deze brand zich snel in zuidwestelijke richting. In dat gebied ligt onder andere een bezoekerscentrum, waar het op dat moment druk is met bezoekers. De gealarmeerde brandweereenheden worden ter plaatse geconfronteerd met een extreem snel groter wordende brand, die bij aankomst al een oppervlak van ongeveer 4 hectare beslaat. Door de snelle branduitbreiding is het onmogelijk om een aanval te doen op de kop van de brand.

Bij aankomst van de brandweer is er feitelijk al sprake van een onbeheersbare brand. Omdat in het direct bedreigde gebied het bezoekerscentrum ligt, heeft dit centrum de hoogste prioriteit. Door de grote rookontwikkeling kunnen de daar aanwezige bezoekers niet zonder hulp van de brandweer het gebouw veilig verlaten. De meldkamer van de brandweer ontvangt diverse noodoproepen. De brandweer weet de aanwezigen tijdig uit hun benarde positie te bevrijden, maar hierbij vallen helaas diverse gewonden. Tijdens deze reddingsactie groeit de brand verder en heeft inmiddels een omtrek van ruim 2 kilometer bereikt. De brandweer kan niet voorkomen dat het bezoekerscentrum, mede door het droge, brandbare dak en het intense vliegvuur, wordt verwoest. Inmiddels heeft de brand, twee uur na het ontstaan, een oppervlakte van 70 hectare bereikt. Aan de staart van de brand wordt met man en macht gewerkt om van achteruit de uitbreiding van de flanken tegen te gaan. De kop van de brand is nog altijd onbereikbaar voor de brandweer. De condities aan de kop zijn in de afgelopen uren alleen maar verder verslechterd. De vlammen bereiken op sommige plaatsen lengtes tot 5 meter. De uitbreiding van de kop van de brand gaat onverminderd snel met 50 meter per uur. Omdat de brand in de komende uren 120 gebouwen bedreigt, gaat er veel capaciteit naar het beschermen van de gebouwen en het evacueren van personen.

De brandweer kan echter niet voorkomen dat een groot aantal bouwwerken volledig in de as wordt gelegd. Het is ook onduidelijk of er slachtoffers zijn gevallen en of de in de stallen aanwezige dieren de brand hebben overleefd. Vier uur na het ontstaan van de brand loopt de kop gedeeltelijk dood op de in het gebied aanwezige compartimentsgrenzen. De kop van de brand bevindt zich nu in een smaller gebied en met de avond die begint te vallen, doet de brandweer een ultieme poging om de brand door middel van de inzet van meerdere handcrewteams en helikopters tot staan te brengen. Ook wordt een zorgcentrum en delen van enkele nabijgelegen woonkernen bedreigd door de brand. Besloten wordt de inwoners te evacueren. In totaal gaat het om circa 4.500 mensen, onder wie een aantal slecht ter been. De rookontwikkeling van de brand is zo hevig dat tot op een afstand van 65 kilometer sprake is van stankoverlast en het neerdalen van roetdeeltjes. Vanwege de rookontwikkeling wordt het verkeer op de nabijgelegen snelweg stilgelegd. Omdat de snelweg een belangrijke transportader voor vrachtverkeer uit het buitenland is, zijn de logistieke en financiële gevolgen groot. Het verkeer wordt omgeleid via andere snelwegen in de omgeving, wat leidt tot verkeersinfarcten.

De problemen op de omliggende wegen bemoeilijken de evacuatie van mensen uit het gebied en beperken de bereikbaarheid van de branden voor hulpdiensten.

73

9.3.5

Koudegolf, sneeuw en ijzel

Met betrekking tot het crisistype ‘Extreem weer’ wordt een onderscheid gemaakt tussen de incidenttypen ‘Koudegolf, sneeuw en ijzel’, ‘Hittegolf’ en ‘Storm en windhozen’. In de landelijke Handreiking Regionaal Risicoprofiel worden geen variabelen genoemd over de ondergrens. Eigenschappen risico Geografische en temporele kenmerken Koudegolven, sneeuw en ijzel zijn seizoensgebonden maar niet specifiek aan een locatie. Sneeuw is in Nederland in het winterhalfjaar redelijk gewoon. Koudegolf Een koudegolf is een opeenvolging van minimaal 5 ijsdagen (maximumtemperatuur lager dan 0,0 °C), waarvan tenminste drie dagen met strenge vorst (minimumtemperatuur lager dan -10,0 °C). Sneeuw Sneeuw kan aanzienlijke problemen veroorzaken, vooral wanneer het door de wind wordt voortgejaagd, wat bekend staat als sneeuwjacht. Het is veel hinderlijker dan sneeuw die rustig dwarrelt. In een sneeuwjacht is het zeer onaangenaam, zeker bij temperaturen ver onder nul. Het hoeft dan niet te sneeuwen. Sneeuw kan ook op drift raken door de wind, wat verschillende problemen met zich meebrengt, vooral bij hoge windsnelheden. Weerkundigen maken onderscheid tussen hoge en lage driftsneeuw. Van lage driftsneeuw is sprake als de sneeuw door de wind tot geringe hoogte boven de grond wordt opgewerveld, waarbij het horizontale zicht op ooghoogte (1,8 meter) niet merkbaar vermindert.

Hoge driftsneeuw is sneeuw die door de wind zo hoog opwervelt dat het horizontale zicht ook op ooghoogte aanmerkelijk vermindert. Sneeuwval of driftsneeuw bij windkracht 8 of meer wordt een sneeuwstorm genoemd. Een sneeuwstorm is in Nederland uitzonderlijk. In de twintigste eeuw kwam dat gemiddeld eens in de vijf jaar voor maar zeer onregelmatig in de tijd verdeeld. De volgende sneeuwstorm liet soms meer dan twintig jaar op zich wachten. In strenge winters woedde soms enkele malen een sneeuwstorm. IJzel IJzel is regen die bevriest zodra deze de grond bereikt. IJzel kan op twee manieren ontstaan. Het meest voorkomend is dat relatief warme regendruppels op een bevroren oppervlak vallen. De regen bevriest dan vrijwel direct waardoor een laagje ijs ontstaat. Regen kan ook in de lucht al een temperatuur onder nul bereiken terwijl het nog vloeibaar blijft (onderkoelde regen). De regen vormt ijs zodra het een oppervlakte raakt en hecht zich daar direct aan. Demografische kenmerken Dak- en thuislozen, ouderen, kinderen en mensen met een lage weerstand zijn kwetsbaarder voor onderkoeling en bevriezing. Ouderen en mensen die slecht ter been zijn komen moeilijker de deur uit en kunnen daardoor geïsoleerd raken ten opzichte van bepaalde voorzieningen.

74

Sociaaleconomische kenmerken Sociaaleconomisch zwakkeren hebben minder mogelijkheden om de woning te isoleren, hierdoor is het noodzakelijk om veel te stoken/verwarmen. Dit gaat echter samen met de hoge kosten van gas en elektriciteit. Gevolg is dat zij mogelijk sneller in de kou komen te zitten. Casuïstiek en statistiek Afgelopen decennia hebben verschillende periodes van (extreme) koude, sneeuw en ijzel zich voorgedaan. Vanaf 1901 tot en met nu zijn er 33 koudegolven in Nederland geweest. De laatste koude golf in Nederland vond plaats in 2012, deze duurde 10 dagen. Op 10 en 11 december 2017 veroorzaakten twee storingen die over Nederland trokken veel sneeuw. De intensiteit van de sneeuwval varieerde tussen licht en zwaar. Daarbij stond er vooral in de westelijke helft van het land een matige tot vrij krachtige wind uit het noordoosten. Sneeuwval in combinatie met de wind zorgden ervoor dat het zicht soms terugliep tot slechts een paar honderd meter. Door de soms intense sneeuwval groeide het sneeuwdek vooral in het zuiden en midden van het land, inclusief de Randstad, snel aan. De sneeuw zorgde voor grote problemen op de Nederlandse wegen, het spoor en voor de luchtvaart. Op de wegen stonden lange files en soms was rijden vrijwel onmogelijk. De luchthavens van Eindhoven en Rotterdam werden tijdelijk gesloten en op Schiphol moesten veel vluchten worden geannuleerd.

Ook op het spoor waren er problemen. Op 7 februari 2021 was code rood van kracht voor sneeuwjacht in heel Nederland. Het sneeuwde bijna overal, behalve in de zuidelijke helft van Limburg. Ook stond er een stevige oostenwind, hierdoor werd de sneeuw voortgejaagd met als gevolg sneeuwduinen die voor het verkeer gevaarlijke situaties opleverden. Vanwege de zeldzaamheid kreeg de weerssituatie de stormnaam Darcy. De combinatie van sneeuwval, harde wind en temperaturen onder nul komen in Nederland niet vaak voor. Daarmee is Darcy de eerste sneeuwstorm in lange tijd geworden. Rijkswaterstaat rapporteerde vele ongelukken. De hele dag was er geen treinverkeer mogelijk en Eindhoven Airport werd gesloten vanwege de sneeuwval. Oorzaken Een koudegolf, sneeuw en ijzel zijn gekoppeld aan een weerfront (overgang van warme en koude lucht). Het betreft een oorzaak waarop geen invloed uitgeoefend kan worden. Objecten van belang De belangrijkste objecten betreffen de (rijks)wegen, de kanalen (scheepvaart op het Wilhelminakanaal, ZuidWillemsvaart, Beatrix kanaal en Eindhovens kanaal kan worden stilgelegd) en het spoorwegnetwerk (wissels, bovenleidingen, etc. kunnen bevriezen) en Eindhoven Airport. Binnen de regio Zuidoost-Brabant kan daarnaast sprake zijn van onbereikbaarheid van vitale objecten (waaronder ziekenhuizen) en stagnatie van nutsvoorzieningen, voedselvoorziening en (spoedeisende) zorg.

Ook de hulpverleningsdiensten kunnen belemmerd worden door sneeuw of andere neerslag op de weg. Verder kunnen hoogspanningsmasten en –draden worden ingekapseld door het ijs en daardoor breken. Ontwikkelingen Door de klimatologische veranderingen is extreem weer in de vorm van koude, sneeuw en ijzel minder waarschijnlijk maar nog steeds een mogelijkheid. Het wordt namelijk steeds minder koud en koudegolven nemen af. Sinds 1901 nam het gemiddeld aantal vorstdagen per jaar af met bijna twee weken, en het gemiddeld aantal ijsdagen met 5. Dit komt doordat in de winter steeds vaker sprake is van een westenwind in plaats van koudere wind uit het noordoosten. Als de

75

wind wel uit het noordoosten komt is de aangevoerde lucht bovendien minder koud dan voorheen omdat het noordpoolgebied snel opwarmt. Door de opwarming neemt ook het aantal 'potentiële' sneeuwdagen af. Dit zijn dagen waarop het koud genoeg is om sneeuw en geen regen te krijgen. De kans op een sneeuwstorm wordt de komende jaren naar verwachting dan ook steeds kleiner. Maatregelen Preventief Het KNMI alarmeert door middel van weercodes. Prorail zet extra storingsploegen paraat. Reactief -

Het Landelijk Zoutloket zorgt voor een optimale verdeling van het strooizout. Gemeenten stellen extra opvanglokaties voor daklozen open. Wegbeheerders schuiven wegen schoon, strooien zout en sluiten wegen af indien nodig.

Partners De belangrijkste actoren zijn de (vaar)wegbeheerders, zoals de provincie (provinciale wegen), gemeenten en Rijkswaterstaat (vaarwegen en rijkswegen) en Waterschappen, de spoorbeheerders (Prorail), Luchthaven Eindhoven en de energieleveranciers. Perceptie Risicoperceptie onderzoek VRBZO, 2021 risico koudegolf, sneeuw en ijzel. Maakt zich minimaal 1 keer per jaar zorgen: 52% van de inwoners maakt zich minimaal 1 keer per jaar zorgen. Ik ben niet voorbereid: 45% van de inwoners vindt zich niet voorbereid. Heeft een (zeer) grote Informatiebehoefte: 9% geeft aan in (zeer) grote mate informatiebehoefte te hebben. In de regionale factsheet VRBZO van de najaarsmeting Risico- en Crisisbarometer 2023 is het risico ‘extreem weer’ opgenomen. Hoewel dit breder is dan alleen ‘koudegolf, sneeuw en ijzel’, geeft dit wel een indicatie van de perceptie van de inwoners in de regio. Uit de factsheet blijkt: Ingeschatte waarschijnlijkheid: 65% van de inwoners van de regio Zuidoost-Brabant vindt het (zeer) waarschijnlijk dat het risico ‘extreem weer’ plaatsvindt. Dit is exact hetzelfde als het percentage van de Nederlanders. Zorgen over risico’s en dreigingen: 40% van de inwoners in de regio Zuidoost-Brabant geeft aan zich zorgen te maken over het risico ‘extreem weer’, tegenover 36% van de Nederlanders.

76

Gevolgen en waarschijnlijkheid Gevolgen Impactcriteria 1.1

Aantasting integriteit grondgebied

2.1

Doden

2.2

Ernstig gewonden en chronisch zieken

2.3

Lichamelijk lijden (gebrek aan primaire levensbehoeften)

3.1

Kosten

4.1

Langdurige aantasting natuur en milieu

5.1

Verstoring van het dagelijks leven

5.2

Aantasting lokaal en regionaal bestuur

5.3

Sociaal psychologische impact

6.1

Aantasting cultureel erfgoed

Score

Typerend voor dit incidenttype is dat er een zeer grote verstoring van het dagelijks leven kan zijn, maar dat dit over het algemeen van vrij beperkte duur is. Optreden van dit incidenttype kan er toe leiden dat mensen direct of indirect worden getroffen. In directe zin bijvoorbeeld door het optreden van ongevallen door gladheid of verminderd zicht. Het aantal slachtoffers en gewonden als direct gevolg van een sneeuwstorm of ijzel is over het algemeen beperkt, maar er vallen ook slachtoffers als gevolg van de kou (onderkoeling en bevriezing). Door klimaatverandering neemt in de toekomst het aantal sterfgevallen gerelateerd aan koude af. Voorbeelden van indirecte gevolgen hebben voornamelijk betrekking op het geïsoleerd raken ten opzichte van bepaalde voorzieningen. Dergelijke koude weersomstandigheden kunnen economische schade veroorzaken. Bij aanhoudende kou en winterse neerslag kan de mobiliteit sterk verminderen. IJzel, overgaand in ijsregen, bedekt alles onder een dikke ijslaag. Wegen en spoor worden onbegaanbaar, boomkruinen buigen onder de last van het ijs en knappen af, hoogspanningsmasten en –draden worden ingekapseld door het ijs en kunnen breken. Ook kan er logistieke ontwrichting optreden met minimale bevoorrading als gevolg.

Binnen de regio Zuidoost-Brabant kan dit incidenttype leiden tot onbereikbaarheid van vitale objecten (waaronder ziekenhuizen) en stagnatie van nutsvoorzieningen, voedselvoorziening en (spoedeisende) zorg. Maar ook kunnen de gevolgen voor het (doorstromen van) verkeer groot zijn. Voornamelijk bij ijzel zullen veel mensen gebruik willen maken van het openbaar vervoer. Echter zal het openbaar vervoer beperkt functioneren. Daarnaast kunnen er ook gevolgen zijn voor het vliegverkeer van en naar Eindhoven Airport. En ook hulpverleningsdiensten kunnen ernstig worden belemmerd door bijvoorbeeld gladde wegen. Hulpverleners kunnen mogelijk hulpbehoevenden of kritische locaties niet tijdig bereiken of mensen niet tijdig in veiligheid of bij medische zorg brengen. Ook de thuiszorg kan mogelijk niet meer alle patiënten bereiken. Mensen die hiervan afhankelijk zijn kunnen in de problemen komen. Koudegolf, ijzel en sneeuw kunnen daarmee leiden tot gevolgrisico’s, waaronder ‘uitval energievoorziening’ (door bijvoorbeeld het breken van hoogspanningsleidingen) en ‘uitval ICT- en Telecommunicatie’. Deze zijn als aparte crisistypen uitgewerkt.

77

Waarschijnlijkheid De waarschijnlijkheid van dit incidenttype wordt in de RbRa ingeschat op eens in de 50 jaar. De kans dat sneeuwval of ijzel in dat geval dermate extreem is dat het de regio Zuidoost-Brabant enkele dagen stillegt is niet groot. Eens in de zoveel tijd komen er wel winterse sneeuw- en ijzelsituaties voor waarbij er voor korte tijd overlast is (enkele uren of een dagdeel), maar dat leidt niet tot dagenlange totale maatschappelijke ontwrichting. Door klimaatverandering met de toenemende temperaturen wordt de kans op een sneeuwstorm de komende jaren naar verwachting steeds kleiner.

78

Illustratief scenario Het is zaterdagavond 12 februari. Over Nederland ligt een front met een scheiding van koude lucht in het noorden en zachtere lucht in het zuiden. Aan de noordkant van het front is het volop winter met 1 tot 3 graden vorst. Ten zuiden hiervan is de temperatuur ruim boven nul, bijna tien graden. Door de botsing van zachte en koude lucht ontstaat een actief neerslaggebied. Het aanwezige hogedrukgebied in Noord-Scandinavië breidt zijn invloed steeds verder uit naar het zuiden, waardoor het steeds kouder wordt. Met het opdringen van een depressie vanuit neemt de oostenwind toe tot stormachtig. Op de avond van 13 februari komt de kou in alle hevigheid over Nederland en er volgt een zeer zware sneeuwstorm. De meeste sneeuw valt in Zuid-Nederland. Daarbij bereikt de stevige oostenwind in vlagen snelheden van 100 kilometer per uur. Door de wind wordt de sneeuw voortgejaagd met als gevolg sneeuwduinen. Het KNMI heeft voor ZuidNederland code rood afgekondigd vanwege het noodweer. Drie dagen lang houdt de sneeuwval aan. Voor het gevoel is het snijdend koud. Doordat de sneeuw gepaard gaat met een stevige wind, is er sprake van een gevoelstemperaturen van -15 graden. Mensen worden overvallen door het extreme weer en de sneeuwstorm ontwricht de samenleving in Zuid-Nederland. Het verkeer raakt verlamd, doordat de wegen geblokkeerd raken door sneeuwduinen.

Dit in combinatie met het slechte zicht zorgt ervoor dat Rijkswaterstaat oproept om de weg niet meer op te gaan, omdat de verkeerssituatie te gevaarlijk is. Er zijn al veel ongelukken gebeurd en gestrande auto’s dreigen ingesneeuwd te raken. Op de snelwegen loopt het verkeer muurvast. Een aantal mensen wordt door de kou onwel. De sneeuwval beïnvloedt ook de aanrijdtijden en operationele inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. Vanwege het winterweer en de grote hoeveelheden sneeuw komt ook het treinverkeer in Noord-Brabant stil te liggen. Passagiers stranden op verschillende stations en moeten de nacht doorbrengen in opvangcentra. Ook Eindhoven Airport is gesloten. Door het gewicht van de sneeuw breken op meerdere plaatsen hoogspanningskabels, waardoor in een deel van Zuid-Nederland de elektriciteit uitvalt. Ook komen er meldingen binnen van mensen waarbij de Cv-ketel is uitgevallen, waardoor zij zonder verwarming zitten. Verder blijven ook de scholen dicht vanwege het extreme weer, ziekenhuizen zijn zeer slecht bereikbaar en de bevoorrading van winkels is niet meer mogelijk waardoor winkels noodgedwongen de deuren sluiten. Sommige ouderen komen nog maar moeilijk de deur uit doordat zij slecht ter been zijn.

79

9.3.6

Hittegolf

Met betrekking tot het crisistype ‘Extreem weer’ wordt een onderscheid gemaakt tussen de incidenttypen ‘Koudegolf, sneeuw en ijzel’, ‘Hittegolf’ en ‘Storm en windhozen’. In de landelijke Handreiking Regionaal Risicoprofiel worden geen variabelen genoemd over de ondergrens. Eigenschappen risico Geografische en temporele kenmerken Een hittegolf is een opeenvolging van in De Bilt minimaal 5 zomerse dagen (maximumtemperatuur 25,0 °C of hoger), waarvan er minimaal drie tropisch (maximumtemperatuur 30,0 °C of hoger) zijn. Een hittegolf is seizoensgebonden maar niet aan een specifieke locatie in de regio. In de steden is het over het algemeen warmer ten opzichte van de landelijke omgeving. In steden wordt meer warmte geproduceerd en daarnaast wordt warmte door bebouwing ook beter vastgehouden. Maar ook zijn in de steden gemiddeld lagere windsnelheden dan daarbuiten waardoor de warmte langer blijft hangen. Deze factoren kunnen leiden tot een verschil in temperatuur van enkele graden in steden ten opzichte van de landelijke omgeving. Dit effect wordt ook wel het ‘stedelijk hitte-eilandeffect’ of ‘urban heat island effect’ (UHI) genoemd. ‘s Nachts is dit effect het grootst en kan het verschil tussen de stad en haar omgeving meer dan 5 °C bedragen.

Het verschil tussen de temperatuur in de stad en op het platteland neemt daarbij af van het centrum van de stad naar de buitenwijken en is vooral afhankelijk van de omvang en geometrie van de stad, tijdstip van dag en de weersomstandigheden.

Bron: atlasleefomgeving kaart Stedelijk hitte-eilandeffect

80

Demografische kenmerken Mensen ouder dan 75 vormen de grootste kwetsbare groep. Dat komt omdat bij ouderen het lichaam minder controle heeft over de lichaamstemperatuur. Hun lichaam koelt daardoor minder goed af. Ook hebben ze minder snel dorst en drinken uit zichzelf vaak niet genoeg water. Andere groepen die zonder maatregelen last kunnen krijgen van hitte zijn: (Zeer) jonge kinderen Mensen met een chronische aandoening Zwangeren Personen in een sociaal isolement Daklozen -

Mensen met overgewicht

Sociaaleconomische kenmerken Mensen die in armoede leven zijn mogelijk ook extra kwetsbaar voor hitte omdat ze beperkte financiële middelen hebben om zichzelf te beschermen tegen de risico’s van hitte. Buurten waar relatief veel huishoudens wonen die rond of onder het sociaal minimum leven zijn daarmee mogelijk extra kwetsbaar voor hitte. Casuïstiek en statistiek In het recente verleden hebben zich meerdere situaties voorgedaan met langdurige en extreme hitte. In 2018 waren er twee hittegolven. In 2019 waren er ook twee hittegolven, in juli en augustus. Tijdens de hittegolf in juli overleden bijna vierhonderd mensen meer dan gemiddeld in de zomer, vooral personen van 80 jaar en ouder. De andere hittegolf begon eind augustus. Nog nooit eerder sinds het begin van de metingen was er zo laat in het jaar een hittegolf. In 2022 was de laatste landelijke hittegolf, deze hield 8 dagen aan. Vijf dagen daarvan waren tropische dagen. De afgelopen jaren werd in de zomer soms meermaals het Nationaal Hitteplan afgekondigd om (verzorgers van) mensen die kwetsbaar zijn voor hitte – met name heel jonge kinderen, ouderen en mensen met bepaalde chronische aandoeningen – te waarschuwen. In de zomer van 2019 vonden verschillende incidenten plaats waarbij personen bevangen werden door de hitte. Perioden van hitte kunnen dan ook negatieve gevolgen hebben op de volksgezondheid.

Dit kan variëren van verminderd welbevinden, huidaandoeningen, uitdroging, ademhalings- en circulatieproblemen tot een hitteberoerte. In ernstige gevallen kan dit leiden tot (vervroegd) overlijden. Uit onderzoek blijkt ook dat tijdens hittegolven het bezoek aan ziekenhuizen voor noodgevallen toeneemt en ook de sterfte stijgt. Het is lastig om het exacte verband tussen temperatuurverhoging en sterfte vast te stellen, omdat verschillende factoren een rol spelen, zoals de duur van de hitteperiode en de dag- en nachttemperatuur. De toename van sterfte gedurende hitteperiodes is echter onmiskenbaar. Oorzaken Perioden van hitte worden mogelijk mede veroorzaakt door de sterke opwarming van het noordpoolgebied. Door een afname van het temperatuurverschil tussen de noordpool en de tropen wordt de straalstroom (op circa 10 kilometer hoogte van de aarde) zwakker. Hoe trager de straalstroom meandert, hoe groter de kans dat eenzelfde weerbeeld langer blijft bestaan, waardoor Nederland voor een langere periode met eenzelfde weertype te maken kan krijgen. Daarnaast

81

hangen hitteperioden samen met de opwarming van Zuid-Europa: in de zomer is in dit gebied de opwarming het grootst van heel Europa en de lucht afkomstig uit dit gebied leidt in Nederland tot warme dagen. Objecten van belang Objecten van belang zijn onder andere zorginstellingen met kwetsbare groepen zoals ouderen en (zeer) jonge kinderen. Ander belangrijke objecten betreffen de wegen (bijvoorbeeld schade door smeltend asfalt), de kanalen (scheepvaart op het Wilhelminakanaal, Zuid-Willemsvaart, Beatrix kanaal en Eindhovens kanaal kan worden stilgelegd) en het spoorwegnetwerk (er kunnen spoorspattingen ontstaan). Verwant aan hitte is droogte. Door toenemende droogte neemt ook de kans op gevolgrisico’s, zoals natuurbranden en landbouwschade (door verzilting) toe. Daarnaast kan door extreme droogte zetting van de bodem ontstaan waardoor data- en telecomkabels kunnen breken. Ook de natuur ondervindt nadelige gevolgen van een tekort aan water. De biodiversiteit kan afnemen door verdroging van natuur- en leefgebieden. Ook tast een periode van warm en droog weer de waterkwaliteit aan. In oppervlaktewater kunnen dan makkelijker ziekteverwekkers groeien. In natuurlijk zwemwater kan bijvoorbeeld al vroeg in het seizoen blauwalg ontstaan en in fonteinen kan de legionellabacterie voorkomen.

Maar ook is er meer kans op botulisme in het oppervlaktewater, wat met name gevaarlijk is voor vissen en watervogels. Ook kan een aanhoudende hitteperiode leiden tot waterschaarste. Veel sectoren en maatschappelijke voorzieningen kunnen in droge periodes hinder ondervinden van onvoldoende beschikbaar water. Wanneer er bijvoorbeeld koelwaterbeperkingen worden ingesteld als gevolg van een hittegolf kunnen energiecentrales stil komen te liggen waardoor er minder elektriciteit beschikbaar is of een verhoogde kans van uitval. Tevens is er bij hitte een grotere kans op uitval van IT. Ontwikkelingen De wereldwijde klimaatverandering leidt tot meer zomerse en tropische dagen. In de afgelopen decennia was er in Nederland ook steeds vaker sprake van een hittegolf. Zowel de frequentie van de hitteperiodes, alsook de intensiteit van de hitte en de duur van de hitteperiode is toegenomen. Volgens de klimaatscenario’s van het KNMI zal de gemiddelde temperatuur in de toekomst verder toenemen: de zomers worden fors warmer, de warmste zomerdagen zelfs bovengemiddeld. Ook klimaatstudies geven aan dat extreme weersomstandigheden zoals hittegolven zich in de toekomst mogelijk vaker voordoen. Omdat de verstedelijking verder zal toenemen verwacht het KNMI dat de gevolgen van hitte een groter probleem worden in toekomst. Hittegolven hebben veel impact op de maatschappij.

Na intense warmte overdag volgen vaak tropische nachten. In de stedelijke omgeving kan het meer dan 5°C warmer worden dan in het buitengebied. Nu al komen hittegolven veel vaker voor dan vroeger. In een warmer klimaat zet deze toename door. Hierdoor worden zomers zoals 2018 en 2019, die in het huidige klimaat ‘extreem’ waren, steeds normaler. Drie factoren bepalen de impact van een hittegolf: de intensiteit, de duur en de ruimtelijke omvang. In een warmer klimaat nemen alle drie toe, terwijl het aantal ‘afkoeldagen’ (met temperaturen onder de 25°C) juist afneemt. Naast de klimaatveranderingen is er nog een andere ontwikkeling te benoemen die bijdraagt aan de gezondheidseffecten tijdens een langdurige hitteperiode: vergrijzing. Door de toename van de levensverwachting kan een groeiend aantal mensen tot de risicogroep worden gerekend. In het bijzonder binnen de context van veranderingen in de gezondheidszorg en de trend dat kwetsbare groepen ouderen steeds vaker en langer thuis blijven wonen. Zij kunnen vaak niet goed voor zichzelf zorgen en hebben op warme dagen meer aandacht nodig van anderen om voldoende te drinken en koel te blijven. Het risico op uitdroging of oververhitting is groot onder zelfstandig wonende ouderen.

82

Maatregelen Bij hitte zijn vooral capaciteiten op het gebied van de gezondheidszorg van belang. Preventief Alarmering met weercodes door het KNMI met impact- en handelingsadviezen. Bij de vergunningverlening voor evenementen die in de zomer plaatsvinden, kan een gemeente advies inwinnen bij de GGD. In de vergunning kunnen onder andere afspraken worden gemaakt over voorgenomen handelingen bij warm weer (zoals de zorg voor verkoeling en de inrichting van EHBO-posten). Vergroening van stedelijk gebied zoals meer groen in tuinen en parken en groene daken om de warmteeilanden te beperken. Publieke faciliteiten zoals drinkwaterpunten en zonnebrandstations. -

De (risico)communicatie over hitteperioden wordt door verschillende partijen vormgegeven. Het KNMI heeft de taak om waarschuwingen uit te geven als de weersomstandigheden een risico vormen.

Reactief Als warm weer een risico is, activeert het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), op basis van de KNMI-weersverwachting, het Nationaal Hitteplan. Dit hitteplan bevat richtlijnen en adviezen voor het algemene publiek en voor professionals in de gezondheidszorg, zoals huisartsen, verpleegkundigen en verzorgers. Het doel is om het risico op gezondheidsproblemen door hitte te verminderen, met name voor kwetsbare groepen -

zoals ouderen, jonge kinderen, chronisch zieken en mensen met een beperkte mobiliteit. Extra drinkwater aanbieden op evenementen.

Partners De belangrijkste actoren zijn de (vaar)wegbeheerders, zoals de provincie (provinciale wegen), gemeenten en Rijkswaterstaat (vaarwegen en rijkswegen) en Waterschappen, de spoorbeheerders (Prorail), Luchthaven Eindhoven en de energieleveranciers (Enexis en Gasunie). Daarnaast is de provincie betrokken als bevoegd gezag van zwemwater en het waterschap als beheerder van oppervlaktewater. Wanneer een hittegolf samenvalt met een evenement hebben ook de evenementorganisatoren een belangrijke rol. Perceptie Risicoperceptie onderzoek VRBZO 2021, hittegolf. Maakt zich wel eens zorgen: 52% van de inwoners maakt zich minimaal 1 keer per jaar zorgen. Ik ben niet voorbereid: 40% van de inwoners vindt zich niet voorbereid. Informatiebehoefte: 12% geeft aan in (zeer) grote mate informatiebehoefte te hebben. In de regionale factsheet VRBZO van de najaarsmeting Risico- en Crisisbarometer 2023 is het risico ‘extreem weer’ opgenomen. Hoewel dit breder is dan alleen hittegolf, geeft dit wel een indicatie van de perceptie van de inwoners in de regio Zuidoost-Brabant. Uit de factsheet blijkt: Ingeschatte waarschijnlijkheid: 65% van de inwoners in de regio Zuidoost-Brabant vindt het (zeer) waarschijnlijk dat het risico ‘extreem weer’ plaatsvindt. Dit is exact hetzelfde als het percentage Nederlanders.

Zorgen over risico’s en dreigingen: 40% van de inwoners in de regio Zuidoost-Brabant geeft aan zich zorgen te maken over het risico ‘extreem weer’, tegenover 36% van de Nederlanders.

83

Gevolgen en waarschijnlijkheid Gevolgen Impactcriteria 1.1

Aantasting integriteit grondgebied

2.1

Doden

2.2

Ernstig gewonden en chronisch zieken

2.3

Lichamelijk lijden (gebrek aan primaire levensbehoeften)

3.1

Kosten

4.1

Langdurige aantasting natuur en milieu

5.1

Verstoring van het dagelijks leven

5.2

Aantasting lokaal en regionaal bestuur

5.3

Sociaal psychologische impact

6.1

Aantasting cultureel erfgoed

Score

Perioden van hitte kunnen negatieve gevolgen hebben op de volksgezondheid. Dit kan variëren van verminderd welbevinden, huidaandoeningen, uitdroging, ademhalings- en circulatieproblemen tot een hitteberoerte. In ernstige gevallen kan dit leiden tot (vervroegd) overlijden. Door klimaatverandering neemt in de toekomst het aantal sterfgevallen gerelateerd aan warmte toe. Tot de ‘risicogroep’ tijdens extreme hitte behoren voornamelijk ouderen, chronisch zieken, mensen in een sociaal isolement, mensen met overgewicht, kleine kinderen, zwangere vrouwen en stadsbewoners. Uit onderzoek blijkt ook dat tijdens hittegolven het bezoek aan ziekenhuizen voor noodgevallen toeneemt en ook de sterfte stijgt. Inwoners van steden zijn kwetsbaarder voor hittestress, omdat het in de stad bijna altijd warmer is dan in het omringende buitengebied. Zo’n warmte-eiland veroorzaakt tijdens hittegolven meer hittestress. Al deze factoren zullen een extra druk geven op de capaciteit van de geneeskundige hulpverlening. Daarnaast ontstaan ook risico’s wanneer grote massa’s mensen zich verzamelen bijvoorbeeld in het geval van (sport)evenementen. In de zomerperiode moet ook rekening worden gehouden met een onbekend, maar groot aantal vakantiegasten in de regio. Deze groep mensen is in geval van extreme hitte moeilijke te bereiken via de reguliere methodes van crisiscommunicatie.

Verder kan schade aan wegen ontstaan door bijvoorbeeld smeltend asfalt wat voor het personen- en goederenvervoer hinder oplevert, komt de scheepvaart mogelijk stil te liggen vanwege vaarverboden, die met name op de kanalen worden ingesteld, en kan er schade aan het spoor ontstaan door bijvoorbeeld spoorspattingen. Verwant aan hitte is droogte. Door toenemende droogte neemt ook de kans op gevolgrisico’s, zoals natuurbranden en landbouwschade (door verzilting) toe. Ook de natuur ondervindt nadelige gevolgen van een tekort aan water. De biodiversiteit kan afnemen door verdroging van natuur- en leefgebieden. Ook tast een periode van warm en droog weer de waterkwaliteit aan. In oppervlaktewater kunnen dan makkelijker ziekteverwekkers groeien. In natuurlijk zwemwater kan bijvoorbeeld al vroeg in het seizoen blauwalg ontstaan en in fonteinen kan de legionellabacterie voorkomen. Ook kan een aanhoudende hitteperiode leiden tot waterschaarste. Veel sectoren en maatschappelijke voorzieningen kunnen in droge periodes hinder ondervinden van onvoldoende beschikbaar water. Wanneer er bijvoorbeeld koelwaterbeperkingen worden ingesteld als gevolg van een hittegolf kunnen energiecentrales stil komen te liggen waardoor er minder elektriciteit beschikbaar is of een verhoogde kans van uitval. Tevens is er bij hitte een grotere kans op uitval van IT.

84

Waarschijnlijkheid Hitte is een steeds groter probleem in Nederland. De KNMI’23-klimaatscenario’s laten zien wat Nederland nog meer te wachten staat als de uitstoot van broeikasgassen tot 2080 in het huidige tempo blijft toenemen (hoge uitstoot). Ook tonen ze dat de mate waarin het klimaat nog zal veranderen veel minder groot zal zijn als de wereld zich houdt aan het Klimaatakkoord van Parijs (lage uitstoot). Alle vier de scenario’s laten zien dat Nederland hoe dan ook te maken gaat krijgen met zeespiegel- en temperatuurstijging, drogere zomers en nattere winters. De waarschijnlijkheid van het hitte/droogte scenario wordt in de RbRa ingeschat als waarschijnlijk, met een kans van voorkomen van eens in de 25 tot 30 jaar. Door klimaatverandering is er een duidelijke trend te zien in toenemende temperaturen en droogte. Hierdoor is het aannemelijk dat de kans op een dergelijk hitte/droogte scenario de komende jaren toeneemt. Onder het droogste KNMI scenario zal een droge zomer als in 2018 in 2050 twee keer zo vaak voorkomen.

85

Illustratief scenario Het is droog en warm in Nederland. In heel mei, juni en juli is bijzonder weinig neerslag gevallen. Er worden zelfs verschillende records gebroken. Vooral in het zuiden en oosten van Nederland is de grond daardoor kurkdroog. Ook de temperaturen zijn zeer hoog met veel zonneschijn. In augustus is in De Bilt gedurende vijf dagen achtereen een temperatuur boven de 28 °C gemeten, waarvan drie boven de 34 °C. In Nederland is nu officieel sprake van een hittegolf. Het Hitteplan wordt geactiveerd om mensen bewust te maken van de gevaren van hitte. Landinwaarts lopen de temperaturen op naar recordhoogte van tegen de 40°C. Naar mate de hitte langer duurt, begint deze zijn tol te eisen. Veel mensen klagen over de warmte. Ook ’s nachts houdt de warmte aan. Huizen koelen niet meer af en mensen hebben moeite met slapen. Dit speelt nog extra in de grote steden. Door het hitte-eiland effect blijft het in de steden ’s nachts nog warmer. Vooral ouderen en mensen met een zwakkere gezondheid hebben veel last van de warmte. Meerdere mensen worden met uitdrogingsverschijnselen of hittestress opgenomen in het ziekenhuis, een aantal overlijdt door de extreme hitte. De lage waterstanden in combinatie met de hitte en de daarmee samenhangende verhoogde vraag naar water leveren problemen op.

Er is minder water beschikbaar voor de drinkwaterproductie en het oppervlaktewater dat voor drinkwater wordt gebruikt, is van slechtere kwaliteit door verzilting. Vanwege het watertekort komt er een verbod op beregening. Dit heeft enorme gevolgen voor de landbouw die de kwaliteit van de gewassen al achteruit ziet gaan door de weersomstandigheden. Ook ontstaan er knelpunten met koelwater bij de industrie en elektriciteitscentrales. Het rivierwater is door de weersomstandigheden dusdanig opgewarmd dat elektriciteitscentrales volgens hun milieuvergunning geen water meer mogen lozen op de rivieren. Er moet daardoor een keuze gemaakt worden tussen het beperken van het elektriciteitsgebruik of het accepteren van milieuschade. Daarnaast ontstaat door de extreme droogte zetting van de bodem. Hierdoor breken meerdere data- en telecomkabels en is er lokaal geen toegang meer tot internet. Door de lage waterstanden in de rivieren wordt de binnenvaart binnen Nederland en van en naar Duitsland en België beperkt. Binnenvaartschepen kunnen minder zwaar beladen worden, omdat ze minder diep kunnen liggen en sommige schepen kunnen helemaal niet meer varen. Het is duidelijk te zien dat ook de natuur moeite heeft met de droogte. Weilanden kleuren geel van het verdorde gras en het lijkt wel herfst door de bruinkleurende bladeren aan de bomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15173656/1