CConstaterende datBest
Koppel je AI →
Document · PDF

24073.3 - Ontwikkelstrategie Zuidoost-Brabant

Raadsvergadering 16 september 2024, gemeente BestBij agendapunt: 24073 - Ontwikkelstrategie Zuidoost Brabant23.905 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Nieuw programma kan bijdragen aan beter stutten van Schaalsprong OV (bijvoorbeeld door knoop Eindhoven Noord-West)

•

In bestaande buurten liggen grote uitdagingen en kansen die nu nog niet in beeld zijn. Goed om daar substantieel programma aan te koppelen.

Illustr in dienastieve verbeeld t van de in lessen g

56

Stedelijk gebied Eindhoven - Casus Welke strategie voor groei bedrijventerreinen Lessen: • Intensiveren op bedrijventerreinen is goed mogelijk. Dat gaat om slimme combinaties van functies. • Wonen combineren met hoge milieucategorieën is bijvoorbeeld moeilijker dan werken optoppen met werk. •

Milieucategorieproblematiek kan worden verminderd door slimme aanpak bij de bron.

De Hurk De Run

HTCE

Illustr in dienastieve verbeeld t van de in lessen g

57

De Peel - Casus Wat zijn de kansen voor IC-knoop Deurne Lessen: • Zorg dat je werkmilieu (milieu cat. 3 aan spoor) behoud. Maar wel meer mix, kwaliteit en beter profileren. •

•

Extra 1.000 aan inbreiding mogelijk bovenop de 2.000 die we nu al doen (voor achterkanten, loze hoekjes). Groei naar 10.000 mogelijk maar dan wel uitleglocaties en iets nodig voor auto-infra of forse mobiliteitstransitie (uitleg kan interessant zijn irt ontwikkeling rondom groene wiggen en landbouwtransitie).

•

Schaalsprong van 10.000 woningen is geen gamechanger voor regionale oriëntatie. Stap vraagt extra impuls in werkmilieus.

•

Identiteit zal veranderen bij aantallen van duizenden woningen, dan nodig om ervoor te zorgen dat we de dragende en herkenbare structuren behouden en/of versterken. Per dorp is laadvermogen / acceptatiegraad anders.

Illustr in dienastieve verbeeld t van de in lessen g

58

De Peel - Casus Wat is de kwaliteit van een regionaal bedrijventerrein Lessen: • Ook in regionaal bedrijventerrein sturen op kwaliteit, verdichten, intensiveren en clusteren. Niet m2/ prijs goedkoop aanbesteden. •

Schuifruimte benutten om bijvoorbeeld terrein nabij Deurne ICstation te profilere en intensiveren

•

Intensiveren op bestaande bedrijventerreinen is een no regret. Maar dan wel plotoverstijgend sturen (op mobiliteitsoplossing, wet en regelgeving bijvoorbeeld).

•

Zorg dat er in nieuwe woonmilieus ruimte is voor mixbare bedrijvigheid. Je wil niet dat die landen op plekken waar je milieu-ruimte nodig en beschikbaar hebt.

Illustr in dienastieve verbeeld t van de in lessen g

59

De Kempen - Casus Wat is de potentie van Hub Eersel Lessen: • Knoopwaarde realiseren is niet makkelijk maar kan wel leiden tot kwaliteit voor de gehele regio (logische poortfunctie vanuit de regio richting Eindhoven) •

Hubfunctie zal toenemen. Dit zorgt ervoor dat er veel parkeren gerealiseerd moet worden. Meekoppelkans / aanleiding om grote gebouwde parkeervoorziening dubbel te benutten en er nieuw programma aan te koppelen (nabijheid realiseren met wonen, werken, voorzieningen, onderwijs)

•

Een nieuwe knoop bij Eersel hoeft er niet voor te zorgen dat de kwaliteit van het dorp Eersel achteruit gaat. Kan juist zorgen voor specialisatie. Denk aan: XL-supermarkt in nieuwe knoop versus kleinschalig Bourgondisch aan de markt in het dorp)

Illustr in dienastieve verbeeld t van de in lessen g

60

61

De Kempen - Casus Wat kan een nieuw dorp opleveren Lessen: • Bodem, water en natuur zijn zeer sturend. Echte stap naar een groot nieuwe dorp is qua ruimte niet mogelijk (max 5.000 woningen in te passen). Resultaat zal daardoor meer monofunctioneel zijn (woonwijk op afstand), want te weinig massa voor extra voorzieningen. •

Grote ingreep met geringe omvang, relatief weinig hefboomfunctie voor de totale opgave.

•

Ondanks geringe omvang wel locaties op fietsafstand van de hub Eersel. Kan dat elkaar versterken?

Illustr in dienastieve verbeeld t van de in lessen g

62

A2 - Casus Wat zijn de kansen voor de Hub Maarheeze Lessen: • Lastige opgave om Maarheeze koopwaarde te geven. Gericht sturen op meer kwaliteit / plaatswaarde is een no regret. •

Logische plek aan het spoor is de badkuip van Maarheeze. Daar is ruimte nodig voor water.

•

Transformatie van bedrijvenzone richting functiemix (wonen en werken) kan wel maar is een enorme operatie

•

Hubfunctie Maarheeze gaat groeien (dat kan wel aan westkant), hier ook verbinding leggen met Budel en Nyrstar

Illustr in dienastieve verbeeld t van de in lessen g

63

A2 - Casus Wat is zijn de kansen en kwaliteiten van de wijken rondom Dommeldal (Valkenswaard) Lessen: • Door omringing met water en natuur nauwelijks nog ruimte voor uitbreiding. Inbreiding is nodig om niet op slot te gaan maar dat is een complexe en nieuwe opgave (makkelijke locaties gaat eerder om tientallen dan honderdtallen). Zet de nieuwe druk in om te sturen op kwaliteit. Dan nodig om plotoverstijgend te sturen (op buitenruimte, kwaliteit, mobiliteit). •

Alleen al om huishoudensverdunning (tussen 2020 en 2040) tegen te gaan heb je per kern 5-15% groei nodig binnen bestaand verstedelijkt gebied. Dat kan bijvoorbeeld in buurten aan Dommeldal. Hier liggen grote opgaven met een hoog aandeel corporatiebezit (tot 60%).

•

Nieuwe inbreidingskansen dienen zich altijd aan (in afgelopen 10 jaar ongeveer 1.000 woningen).

Illustr in dienastieve verbeeld t van de in lessen g

Hoofdstuk 4

Lessen en afweegkader

65

4. Lessen en afweegkader 4.1

Introductie

Deze ontwikkelstrategie is ontwikkeld door middel van ontwerpend onderzoek. Dit hebben we gedaan aan de hand van vier perspectieven en acht uitwerkingen in casuïstiek uit het voorgaande hoofdstuk. Het doel van de perspectieven, die de hoeken van het speelveld aangeven, en de casuïstiek is om te leren van de waardevolle elementen en de elementen die we willen voorkomen. Daarom zijn de perspectieven onderling vergeleken op een aantal criteria. Deze vergelijking is kwalitatief en op basis van expert judgement gedaan (‘op de hand gewogen’). We hebben geen wetenschappelijke onderbouwing voor de effecten. De effectbepaling is zodanig dat zij: • geschikt zijn voor abstracte perspectieven; • geschikt zijn voor niet integrale perspectieven; • uitspraken zijn voor een breed palet aan aspecten; • wel aandacht hebben voor brede welvaart en ‘zachte waarden’; • niet alle denkbare effecten omvatten; • onderscheid inzichtelijk maken van of effecten beïnvloedbaar of niet beïnvloedbaar zijn; • het gesprek mogelijk maken over de impact van de perspectieven.

4.2

Afweegkader

We gaan niet één perspectief kiezen en als een soort blauwdruk de komende twintig jaar tot ontwikkeling brengen. Om het lerende effect en het effect van richtinggevende keuzes in de perspectieven maximaal te laten zijn, maken we gebruik van een afweegkader. Het afweegkader heeft tot doel om de perspectieven ten opzichte van elkaar te vergelijken. Het is daarmee een instrument om inzicht en overzicht te geven. In dit stadium van de ontwikkelstrategie is het ‘afwegen’ van de perspectieven op een abstract niveau en op basis van expert judgement uitvoerbaar.

Tegelijkertijd is het afweegkader niet allesomvattend en niet volledig integraal. Onze opgave richt zich immers ook op de kernopgaven wonen, werken en mobiliteit. We gaan uit van een kwalitatieve beoordeling en zetten in op het praktisch en begrijpelijk benutten van het middel. De impact van de vier perspectieven bepalen we aan de hand van onderstaande afbeelding. De middelste rij met toekomstbestendige welvaart, toekomstbestendige bodem, water, natuur en landschap en toekomstbestendige steden en dorpen is het abstractieniveau waarop met de experts is gesproken. De operationalisatie gebeurt in de sectorale laag eronder.

Flexibiliteit & robuustheid

Toekomstbestendige welvaart

Wonen

Eco(nomisch) systeem

Toekomstbestendige bodem, water, natuur en landschap

Ruimtelijke identiteit

Voorzieningen

Toekomstbestendige steden en dorpen

Bereikbaarheid

Energie

66

Opgave/doel

Indicator

Regionale bereikbaarheid als voorwaarde

•

Bereikbaarheid

Bodem en watersysteem als basis voor

•

voor een vitale regio

•

Mobiliteitstransitie/deelmobiliteit

bodemsysteem bij uitbreiding

•

Goed bereikbare regio-knopen

Ambitiekaart % groen/blauw bij

•

Schaalsprong fiets

verstedelijking •

Signaleringskaart voor het water- en

inbreiding

Ontwikkel circulair energienetwerk,

•

Capaciteitstekorten energie

garandeer voldoende netcapaciteit

•

Kansen voor duurzaam

Woningvoorraad die aansluit bij de

•

Meer eenpersoonshuishoudens

toekomstige vraag

•

Meer diversiteit woonmilieus

•

Toegang tot voorzieningen

•

Kansen voor klimaatadaptatie

•

Toegang tot werk

•

Kansen voor circulariteit

•

Aantrekkelijke werkomgeving

Versterken van het Brainport-ecosysteem op regioschaal

energiegebruik

grondstoffen Welbevinden

•

Bereikbaar met OV

•

Interactie met andere bedrijven en

hebben of ervaren op bijvoorbeeld de

opleidingen

arbeidsmarkt, de woningmarkt en bij

•

hun bezittingen

Aantrekkingskracht voor kennis en talent (knappe koppen en slimme

Brede ontplooiing

•

•

regio met stad/dorp - land relaties als drager en behoud ruimtelijke identieit

Complementariteit van stad/dorp -

Sociale waarden

•

Koesteren van sociale en culturele kwaliteit en identiteit

land (landschappelijk) •

Goede relaties/verbindingen

•

Potentie tot vernieuwing

•

Complementair in recreatief aanbod

•

Uitnodigend en gastvrij

•

Aantrekkelijke randen

•

Mate van flexibiliteit en

•

Behoud en versterking ruimtelijke kwaliteit / DNA

Versterken regionaal

Ruimte voor spelen, bewegen, leren, verwonderen en ontspannen

handen) Versterken ruimtelijke identiteit van de

Kans op tekorten die mensen

•

•

voorzieningenstructuur

Mogelijkheden versterken regionaal voorzieningenaanbod kwantitatief

•

Mogelijkheden versterken regionaal voorzieningenaanbod kwalitatief (specialisatie)

•

Nabijheid van wonen

Haalbaarheid

toekomstvastheid

67

4.3

Impact op basis van expert judgement

Brede welvaart Vooraf: Onze referentie is gebaseerd op de brede welvaart in het ‘hier en nu‘ en gaat over de kwaliteit van leven en van de omgeving waarin mensen leven. Dit betreft welzijn, materiële welvaart, gezondheid, arbeid en vrije tijd, wonen, samenleving, veiligheid en milieu. Voor de regio in 2030 - 2040 is de brede welvaart van ‘later‘ ook relevant. Dit betreft de sociale, economische, menselijke en natuurlijke hulpbronnen die volgende generaties nodig hebben om eenzelfde niveau van brede welvaart te kunnen bereiken als de huidige generatie. Voor de liefhebber: Het begrip ‘brede welvaart’, zoals dat door onder meer door het CBS gebruikt wordt, heeft een grote overlap met het begrip ‘kwaliteit van de samenleving’ dat het SCP hanteert. In beide begrippen is aandacht voor de materiële en immateriële aspecten van de kwaliteit van leven (welvaart en welbevinden) en voor de mate waarin sprake is van een rechtvaardige verdeling. Ook de vraag in hoeverre de kwaliteit van leven hier en nu ten koste gaat van de kwaliteit van leven later en elders in de wereld wordt in beide begrippen meegenomen. De openheid of geslotenheid van gemeenschappen en hun identiteit is een belangrijk aspect bij het bepalen van het draagvermogen van steden en dorpen en gaat ook over sociale aspecten, want de lokale gemeenschap moet in staat en bereid zijn om groei te accommoderen.

De dynamiek in de steden en dorpen bepaalt het tempo van de groei. Het vermogen om nieuwkomers te accommoderen vraagt om investeringen en aandacht voor zowel de nieuwkomers (assimilatie) als de al gevestigden (van hen wordt adaptatie/ ontvankelijkheid gevraagd).

Een belangrijke uitdaging is het aantrekken van talent, en dit betreft zowel de lokale beroepsbevolking als nieuwe bewoners. Dit heeft ook een nationale dimensie, waarbij de koppeling met (internationaal) onderwijs van belang is. De Brainportregio is van betekenis op nationale schaal met een aantal wereldspelers. De inzet is om de groeiopgaven binnen de regio op te vangen. Mocht dat niet lukken, behoud ze dan wel voor Nederland door ook buiten de regio te kijken. De economische groei in de regio wordt voornamelijk gedreven door de hightechsector, wat gevolgen heeft voor andere economische sectoren. Tegelijkertijd is de transitie naar een circulaire economie noodzakelijk, wat ook zal resulteren in nieuwe ruimteclaims. Dit kan ook kansen bieden, bijvoorbeeld in de vorm van energiehubs voor circulariteit rondom grondstoffen. Deze complexe en samenhangende opgaven vragen om regie van de overheid en het maken van keuzes over wat wel en niet moet worden gefaciliteerd. De overheid is hierbij afhankelijk van de economische ontwikkeling en van andere partners. De maakbaarheid van de economie is ingewikkeld. Daarbij speelt ook nog een marktdynamiek die een eigen koers vaart en lastig is te sturen.

Water en bodem en natuur en landschap sturend Het positioneren van de Brainportregio binnen het stedelijk weefsel en de stedelijke netwerken, zoals Eindhoven, Aken en Luik, vereist een dynamisch samenspel op verschillende schaal. Het tabula scripta van de regio benadrukt het belang van het benutten van de kwaliteiten van de omgeving, waaronder de Acht zaligheden van De Kempen, de Peelrandbreuk en de Dommelvallei. Het is essentieel om een sterke verbinding te leggen tussen de verstedelijkingsvraagstukken en de opgaven en kwaliteiten van de natuur en het landschap. Deze verbinding kan leiden tot een richtinggevende begrenzing, waarbij de regio zich positioneert op basis van haar unieke identiteit en mogelijkheden.

68

69

Steden en dorpen De interactie en afhankelijkheid tussen stad en platteland, en hoe zowel inwoners als bezoekers dit ervaren en benutten, is van groot belang. De bestaande voorraad aan woningen en werkplekken biedt mogelijkheden voor een verdichting en kwalitatieve transformatie, waardoor opgaven kunnen worden aangepakt en de verstedelijkingsdoelstellingen als hefboom kunnen dienen. De (geambieerde) transitie op het gebied van mobiliteit heeft ook sociale en culturele aspecten. De Brainportregio heeft een sterke oriëntatie op autovervoer en zal daarom niet in dezelfde mate overstappen op het gebruik van OV als inwoners in de Randstad. Deze situatie is ook het resultaat van eerdere ruimtelijke keuzes, zoals de locatie van grote werkgevers langs snelwegen. Sociale, culturele en economische factoren spelen een rol bij de keuze van vervoermiddelen. Bij verdere verstedelijking moet rekening worden gehouden met het circulaire energienetwerk.

4.4

Lessen

Tijdens het proces is de hulp ingeroepen van externe experts die vanuit een eigen discipline hebben gereflecteerd op de opgaven, perspectieven en beoogde keuzes. De belangrijkste lessen die naar voren zijn gebracht zijn hieronder samengevat. 1. Durf stevige uitspraken te doen; adaptief maar niet vaag. De ambities en doelen die we nastreven zijn klip-en-klaar, de weg erheen is flexibel en afhankelijk van de daadwerkelijke ontwikkelingen. 2. Beschouw de opgave als een kwalitatieve ontwerpopgave. Het is essentieel om de nadruk te leggen op de ontwerpopgave in plaats van de kwantitatieve opgave gericht op het realiseren van een x aantal woningen en x hectare bedrijventerrein. Een goede ontwerpopgave is de sleutel tot succesvolle en toekomstbestendige ontwikkeling van de regio. Het gaat hierbij om het

creëren van een aantrekkelijke, duurzame en gezonde leefomgeving voor nu en in de toekomst. Een ontwerp dat zich richt op de behoeften van de doelgroepen en rekening houdt met de lokale omstandigheden en context (‘tabula scripta’), zal de basis vormen voor leefbare en levendige dorpen en steden. 3. Ken je doelgroepen en richt je op hun behoeftes. Het is van groot belang om te weten wie de doelgroepen zijn van de ontwikkeling, de huidige en potentiële bewoners, bedrijven en bezoekers. Door dit in kaart te brengen, kan er worden ingespeeld op de wensen en behoeften van deze doelgroepen. 4. Organiseer een estafette door de schalen. Een succesvolle ontwikkeling is afgestemd op de onder- en bovenliggende schaalniveaus. Wat is de locatiekeuze op de schaal van de Brainportregio, hoe verhoudt zich dit tot ontwikkelingen van bijvoorbeeld hightech in Twente en Nijmegen en binnen het Brabantse stedennetwerk, maar ook ten opzichte van andere wijken en dorpen binnen de eigen subregio? Afstemming is nodig, omdat ontwikkelingen elkaar kunnen versterken en beconcurreren en daarmee verzwakken. 5. Maak gebruik van hefbomen. De schaal van de verstedelijking is zodanig dat het nieuwe programma kan fungeren als een hefboom. Door (huishoudens)verdichting in de wijken en buurten ontstaat draagvlak voor voorzieningen. Door de nieuwbouw kunnen mensen van woning veranderen in hun eigen buurt.

Een woonwijk was ooit een afgerond stadsdeel, groot genoeg om het draagvlak te leveren voor de alledaagse voorzieningen en klein genoeg om ze vanuit elke woning binnen redelijke loopafstand te bereiken. Alledaagse voorzieningen zijn kerken, scholen, speelterreinen, parkaanleg en vanzelfsprekend winkels en café’s, kruisgebouwen, praktijkruimten en gevarieerde eenvoudige dienstverlening. Voor een deel van de voorzieningen werden wijk(winkel)centra aangelegd. De tijden zijn veranderd en zo ook de maat en ordening van voorzieningen en daarmee de verdeling over de schaalniveaus. Door gerichte toevoeging van woningen waardoor de

70

gewenste doorstromingsbewegingen ontstaan, bijvoorbeeld door realisatie van woningen voor ouderen, komen eengezinswoningen vrij voor gezinnen. Door transformatie van verouderde woningen en bedrijven(terreinen) en braakliggende gebieden kunnen aantrekkelijke nieuwe woon-, werk- of ‘mixed use’-gebieden ontstaan. Door ‘slimme’ toevoeging van woningen kan bovendien worden ingespeeld op de warmtetransitie, waardoor collectieve warmtevoorzieningen mogelijk worden of isolatiemaatregelen efficiënter kunnen worden uitgerold. Door gebruik te maken van hefbomen ontstaan positieve ontwikkelingen, ook of misschien juist in de bestaande wijken en buurten. 6. Kies voor nieuwe coöperatieve samenwerking van stad en land. De steden in de Brainport zijn afhankelijk van het ommeland en vice versa. Een toenemende vraag vanuit de steden en dorpen en een aanbodsontwikkeling vanuit het platteland vragen om een sociale, ecologische, ruimtelijke en culturele inbedding om de kwaliteit van het gebied overeind te houden. Er is een verbond tussen stad en ommeland. De inwoner vraagt naar streekvoedsel, naar een mooi landschap, naar toegang, en wil verkennen en leren. Vragende partijen dienen zich aan: zorginstellingen voor het in balans komen, horeca voor streekproducten, sporters/sportverenigingen voor sportieve en recreatieve ommetjes, scholen en natuurliefhebbers voor excursies, et cetera. 7.

Neem afstand van de planologische idefix dat alles kan. Duid de dilemma’s die grenzen aan de groei stellen. In de planologie heerst soms het idee dat alles mogelijk en planbaar is. Het is belangrijk om afstand te nemen van dit idee en te erkennen dat er grenzen zijn aan de maakbaarheid. Er zijn diverse dilemma’s en autonome ontwikkelingen die deze grenzen stellen, zoals de beschikbaarheid van grondstoffen en de druk op het milieu en de stikstofcrisis.

8. Zet in op hoofdstructuren en sluit de ‘achterdeur’; er zijn immers grenzen aan de planbaarheid van de samenleving. Het is daarom van belang om in te zetten op hoofdstructuren, zodat er een stevige basis is voor de ontwikkeling van gebieden. Daarnaast is het van belang om de ‘achterdeur’ te sluiten, door bijvoorbeeld geen nieuwe gebieden meer aan te snijden als er nog voldoende ruimte is in bestaande gebieden. 9. Neem pad-afhankelijkheden mee in ontwikkelingen. Dit betekent dat keuzes op dit moment invloed hebben op de ontwikkeling in de toekomst. Het is belangrijk om deze afhankelijkheden mee te nemen bij de ontwikkeling van gebieden. Zo kan er rekening worden gehouden met de gevolgen van eerdere keuzes en kunnen deze waar mogelijk worden aangepast. 10. Kies voor kwaliteit, ook voor kwaliteit met het bestaande (dit zal investering vragen). Dit betekent niet alleen investeren in nieuwe ontwikkelingen, maar ook in het behoud en de verbetering van het bestaande. Hierbij kan gedacht worden aan het verbeteren van de kwaliteit van OV, de openbare ruimte, het verduurzamen van bestaande gebouwen en het behoud van groene ruimten. 11. Verken de mogelijkheid van een regionaal transformatiefonds (géén regionale autoriteit). Een mogelijkheid om deze kwaliteitsverbetering te financieren, is door het instellen van een regionaal transformatiefonds.

Dit fonds kan worden gebruikt om de kwaliteit van gebieden te verbeteren en duurzame ontwikkeling te stimuleren. Het is daarbij wel belangrijk dat dit fonds geen regionale autoriteit wordt. Het moet worden ingezet als een instrument om regionale ontwikkelingen te ondersteunen en te verbeteren.

71

12. Denk in pakketjes (bijvoorbeeld de Utrechtse barcode, Bron: De ‘Utrechtse barcode’ uit de Ruimtelijke Strategie Utrecht. Beeld: Gemeente Utrecht), maar voorkom simplificatie en generieke aanpakken. Die pakketjes bevatten wonen, werken en mobiliteit en wat er verder allemaal in het gebied moet komen en hoeveel ruimte die voorzieningen en functies ongeveer nodig hebben. Het gaat dan om ruimte voor alle voorzieningen, groen, en energie. 13. Stem en weeg af als partijen onderling en binnen de eigen organisatie. Onderlinge concurrentie en beleidsconcurrentie tussen programma’s is het recept voor falen. Afstemming, afweging en prioritering zijn nodig om dit te voorkomen. Dit betekent keuzes maken, ook bijvoorbeeld ten aanzien van de uitvoeringscapaciteit gezien de tekorten op de huidige arbeidsmarkt.

14. Kies voor gelaagdheid van richtinggevende keuzes (de ‘wedding cake’ of ‘bruidstaart’) bestaande uit drie lagen met achtereenvolgens: • (1) de ecologische (natuur, landschap, cultuurhistorie) laag; • (2) de sociale laag (inwoners met hun kenmerken en voorkeuren, de identiteit van het gebied (verenigingen, politieke en religieuze kleur, maatschappelijke belangstelling/voorkeuren, etc.); • (3) de ruimtelijk economische stromen die kenmerkend zijn voor de Brainportregio.

Hoofdstuk 5

Richtinggevende keuzes en ontwikkelprincipes

73

5.

Richtinggevende keuzes en ontwikkelprincipes

5.1 Vertrekpunt Een evenwichtige schaalsprong én het op een toekomstbestendige en duurzame manier regie voeren op de forse opgaven die op ons af komen vraagt om richtinggevende keuzes. Niet in de vorm van een blauwdruk, maar als een robuust, toekomstbestendig, levend, inspirerend toekomstbeeld; een basis voor een gezamenlijke agenda en richtinggevende koers naar 2040. Vanuit deze samenhangende afspraken voeren we gezamenlijk regie op de opgaven. Zodoende zijn de afspraken niet-vrijblijvend en is er voldoende ruimte voor maatwerk en het kunnen inspelen op een nieuwe situatie.

1. Stad maken: Sprong in verstedelijking Eindhoven en Helmond 2. Hart maken: Verdichten rond OV-knopen en assen 3. Vitale kernen en afronding uitleglocaties 4. Brainport Eindhoven als slimme economische topregio 5. Mobiliteitstransitie is nodig om in beweging te blijven 6. Gezond leven in het landschap van de toekomst Bovendien hanteren we de groeicijfers die zijn gehanteerd in dit Verstedelijkingsakkoord, te weten de realisatie van 62.000 woningen en 72.000 nieuwe arbeidsplaatsen tussen 2020 en 2040. De woningbouw wordt in die periode onder meer gerealiseerd in de onderstaande gebieden: • circa. 21.000 woningen in Eindhoven binnen de ring, waarvan 8.500 binnen Eindhoven Internationale Knoop XL (EIK XL); • circa 10.000 woningen in Helmond centrum+; • circa 10.000 woningen langs de ontwikkelas HOV4 (overlappend met overige aantallen Eindhoven en Veldhoven); • circa 19.000 woningen in Eindhoven buiten de ring; • circa 7.500 woningen bij OV-knopen in de regio, waaronder de OVlocaties van Geldrop, Best, Veldhoven en Helmond BSD (*2); • circa 17.000 woningen op overige locaties in SGE.

Bij onze keuzes richten we onze pijlen op brede welvaart voor iedereen, een vitale en gezonde inclusieve samenleving. We respecteren onze robuuste landschappelijke kwaliteiten met de eigen identiteit van steden, dorpen en kernen. Als vertrekpunt hanteren we het volgende: • We gaan uit van het realiseren van 100.000 woningen tot 2040 in geheel Zuidoost-Brabant. Om voldoende flexibel te zijn, hanteren we een ‘overprogrammering’, namelijk een totaal te realiseren aantal woningen van 130.000. Dit aantal is geen prognose en geen doel, maar louter een realistisch getal dat gehanteerd wordt om de gevolgen van een forse ontwikkeling in beeld te brengen. Realisatie ervan kan minder of een langere tijd in beslag nemen, afhankelijk van met name de (regionale) economische conjunctuur. • We hanteren de keuzes die in het BO-MIRT van 2020 en het Verstedelijkingsakkoord van de SGE zijn gemaakt als uitgangspunt en sluiten ons aan bij de zes principes voor verstedelijking van het SGE, namelijk:

•

We onderschrijven dat de ‘harde plannen’ die al in de pijplijn zitten én een belangrijke bijdrage leveren aan de in het voorjaar 2023 gesloten Woondeal worden gerealiseerd. (*2) Bovenstaande aantallen in de deelgebieden tellen op tot 84.500 woningen, omdat sommige deelgebieden een specificatie of uitwerking zijn van eerdergenoemde getallen. Er is dus sprake van een dubbeltelling.

74

•

We hanteren de provinciale prognose bedrijventerreinen (d.d. 1 september 2022) en de cijfers in de Regionale Programma’s Werklocaties van de vier subregio’s als uitgangspunt. We zijn ons bewust van het traject van de visie op werklocaties en het Regionale Programma Werklocaties, waarin we met elkaar inzetten op een duidelijk economisch profiel als basis voor selectieve groei en een adaptieve programmering van de bij dit profiel passende werkmilieus. Vooralsnog gaan we uit van de geprognosticeerde groei in het EIB-Hoog-scenario van 700 hectare.

•

We onderschrijven de keuzes met betrekking tot bereikbaarheid uit het MIRT 2020 en nemen de in het MIRT 2022 gemaakte afspraken (EIK XL, HOV4, Verstedelijkingsakkoord SGE, het Bereikbaarheidsakkoord en de Bereikbaarheidsagenda) als uitgangspunt. Rijk en regio hebben besloten gezamenlijk te investeren in een pakket aan maatregelen om de bereikbaarheid van de regio te verbeteren. Met deze afspraak is de inzet van het Rijk voor de komende jaren op het gebied van mobiliteit en bereikbaarheid voor een deel afgebakend. In het Verstedelijkingsakkoord hebben we voor het SGE aangegeven dat de schaalsprong vraagt om het versterken van de radiale verbindingen vanaf station Eindhoven Centraal. De eerste logische stappen in relatie tot de verstedelijking zijn de realisatie van de HOV-radiaal naar Veldhoven (HOV4) en het vernieuwen van het busstation Neckerspoel. Op middellange en langere termijn zullen ook radiale verbindingen naar Woensel, Best, Valkenswaard en Geldrop moeten worden versterkt. Om de bereikbaarheid van de toplocaties met name aan de Westzijde en Eindhoven Airport te verbeteren zou ook de fietsinfrastructuur moeten worden uitgebreid met een snelfietsnetwerk en goede fietsvoorzieningen. Op termijn willen we de toplocaties onderling goed met elkaar en met de regio verbinden via een HOV-tangent-verbinding (conform het concept van de Brainportlijn).

We maken gebruik van bestaande gremia als BO-MIRT, BO-Leefomgeving, WBI, en we doen daar een appel op het Rijk om ook te investeren.

•

Voor een aantal knelpunten blijft investeren in de weginfrastructuur nodig, waaronder HWN-OWN en de ZO-ontsluiting Helmond, inclusief Kasteeltraverse en mobiliteitstransitie. Dit wordt in regionale multimodale bereikbaarheidspakketten uitgewerkt, overigens zonder financiële afspraken.

75

5.2.

Bodem, water, natuur, en landschap als leidend principe

Ontwikkelprincipe 1: Bodem, water, natuur, en landschap als leidend principe Als basis voor verstedelijking in Zuidoost-Brabant geldt dat we bodem en water, natuur en cultuurhistorische landschappen leidend laten zijn in onze afwegingen. Deze elementen gaan over de basissystemen die garant staan voor de kwaliteit van leven. Nederland, en dus ook Zuidoost-Brabant, moet zich klaar maken voor het veranderende klimaat. Die kwaliteit wordt bepaald door een veilige omgeving (droge voeten, temperatuurbeheersing, voldoende drinkwater) en een aantrekkelijke leefbare omgeving met een sterke landschappelijke identiteit. We zijn ervan doordrongen dat beide kwaliteiten (veiligheid en aantrekkelijkheid) van het Brabantse landschap van levensbelang zijn voor het leefklimaat en internationale concurrentiepositie en daarom ruimte en aandacht eisen en verdienen. Het beekdalenlandschap, de natuurgebieden en de cultuurhistorische structuren zijn zowel de troeven van de regio in haar internationale positionering ten aanzien van economisch vestigingsklimaat, als de plekken waar ruimte is om fundamentele opgaven als waterberging, luchtkwaliteit, voorkomen hittestress antwoorden te bieden. Bij dit principe is het ‘dansen’ tussen de schalen van groot belang. Het bovenregionale schaalniveau, waarin dergelijke systemen vaak functioneren, mag niet vergeten worden.

Dit leidt tot de volgende richtinggevende keuzes: • De signaleringskaart water en bodem van de provincie is sturend. Waar de kaart rood kleurt is bouwontwikkeling niet mogelijk. Oranje geeft aan dat het alleen mogelijk is als er maatregelen worden genomen die voor het bodem- en watersysteem afdoende zijn (het uitgangspunt is daarbij niet alleen ‘hoe houden we de woningen droog’ maar ook ‘wat is de impact op het watersysteem’.). • In de beschermde natuurgebieden binnen Zuidoost-Brabant is bouwen niet mogelijk. We hechten waarde aan de niet-beschermde landschappen tussen stads- en dorpsrand en natuurgebieden. Dat zijn juist ook de plekken waar wel activiteiten (recreatie, sport, zorg etc.) kunnen

•

•

plaatsvinden die bijdragen aan de beleving van het wonen in verbinding met het landschap. Nieuwe ontwikkelingen in bebouwd gebied of daarbuiten dragen bij aan het versterken van het watersysteem en de relatie tussen dorp/ stad en landschap. Transformaties in dorpen en steden gaan gepaard met herinrichting van de buitenruimte met meer ruimte voor groen en water; niet als losse postzegels, maar in verbinding met het landschap en watersysteem. Zo ontstaan ook mogelijkheden om het ommeland (weer) te ontsluiten voor de bewoners. Bij stedelijke ontwikkelingen binnen en buiten bestaande stedelijke en dorpse gebieden hanteren we de ‘Landelijke maatlat voor een Groene en Klimaatadaptieve omgeving’. Met name bij inbreidingslocaties geeft de maatlat invulling aan het vertrekpunt ‘water en bodem sturend’ als aanvulling op de signaleringskaart. Het gebruik van de signaleringskaart blijft overeind, maar waar de signaleringskaart vooral gaat over ‘waar’ bouwen (en waar niet), richt de maatlat zich op de wijze van inrichting. Beide doen dat met als doel een klimaatbestendige leefomgeving. De signaleringskaart en de landelijke maatlat zijn daarmee instrumenten die elkaar aanvullen op verschillende momenten van het ontwikkelproces.

76

Signaleringskaart nieuwe uitleglocaties De signaleringskaart helpt in het gesprek over de geschiktheid van uitleglocaties voor wonen en werken in relatie tot een duurzaam watersysteem. Het is geen toets- of verordeningskaart. Het brengt de mogelijke geschiktheid van een gebied voor verstedelijking in beeld. Met de signaleringskaart in de hand wordt sneller duidelijk wat mogelijke risicofactoren vanuit het watersysteem zijn waar mee rekening gehouden moet worden. Zo kan vertraging in de planvorming worden voorkomen.

•

De signaleringskaart brengt de geschiktheid van een gebied voor stedelijke uitleg in relatie tot een klimaatbestendig en waterrobuust systeem op hoofdlijnen in beeld. De kaart is opgebouwd uit drie indicatoren: (1) Waterveiligheid; (2) Wateroverlast; (3) Ruimte voor robuust watersysteem. De kaart kent 4 kleuren: • Zwart zijn de bestaande steden, dorpen, kernen, bedrijventerreinen (op basis van luchtfoto, 2020). Op deze gebieden is de signaleringskaart niet van toepassing. • Groen zijn de gebieden die vanuit het watersysteem bekeken, en met klimaatverandering in acht genomen, afweegbaar zijn voor nieuwe stedelijk woon-en werkmilieus. Klimaatrisico’s zijn hier relatief beperkt en toekomstige kosten voor klimaatmaatregelen overzichtelijk. Uiteraard vraagt ieder ontwerp specifieke ingrepen voor de waterhuishouding en klimaatadaptatie (infiltratie hemelwater, circulaire huishoudwatersystemen etc. • Oranje zijn de gebieden die vanuit het watersysteem, en met klimaatverandering in acht genomen, beperkt geschikt zijn voor nieuwe stedelijke woon-en werkmilieus. Elke stedelijke ontwikkeling vraagt een goede integrale afweging op regionaalniveau: zijn er binnen de regio alternatieve locaties die geschikter zijn? In de oranje gebieden zijn forse investeringen nodig om duurzame verstedelijking technisch mogelijk te maken. Deze meerkosten moeten in een vroeg stadium in kaart worden

•

gebracht want de haalbaarheid van klimaatrobuust- en veilig bouwen in oranje gebied is kostbaar. Om afwentelen in tijd en ruimte te voorkomen moet het al dan niet stedelijk ontwikkelen van oranje gebied onderdeel zijn van een regiobrede afweging. Rood zijn de gebieden die vanuit het bodem- en watersysteem, en met klimaatverandering in acht genomen, in principe ongeschikt zijn voor nieuwe duurzame stedelijke woon-en werkmilieus. Deze gebieden zijn zeer kwetsbaar, onveilig en/of niet gewenst als uitleglocatie vanuit het streven naar een klimaatbestendig en waterrobuust systeem met voldoende ruimte voor water nu en in de toekomst. Deze gebieden zijn grotendeels al beschermd via de provinciale omgevingsverordening (nl. de reserveringsgebieden waterberging, de waterbergingsgebieden, de beekdalen (ecologische verbindingszones en beekherstel) en de primaire dijken met hun beschermingszones). De Rijkskanalen zijn wettelijk beschermd. Grijs zijn de beschermde natuurgebieden (ter oriëntatie)

77

“Het verbinden van verstedelijkt gebied en landschap is een ambitie op drie schaalniveaus”

78

Landelijke maatlat voor een Groene en Klimaatadaptieve omgeving

79

Ambitieladder binnenstedelijke en binnendorpse inbreiding De brede ambitie is om regenwater in het eigen gebied vast te houden: dus geen afwenteling van een effect van binnen naar buiten de stad en niet afwentelen van realisatiekosten voor de korte termijn naar hogere beheer en adaptatiekosten op middellange termijn. Daarbij gaat het niet alleen maar om wateroverlast voorkomen, maar zeker ook om infiltratie van water ter aanvulling van het Brabantse grondwater. De laatste droge jaren hebben laten zien hoe belangrijk dat is. Feit is dat de inrichting van het bestaand stedelijk gebied één van de hoofdoorzaken voor de huidige druk op het grondwater is. Binnenstedelijk en binnendorps ligt er daarom urgentie om een groenblauwe opgave te realiseren. Ook in het kader van een positieve bijdrage aan

gezondheid, aantrekkelijke leefmilieus en het tegengaan van hittestress. Om de binnenstedelijke en binnendorpse opgave inzichtelijk te maken stellen we de ambitieladder binnenstedelijke en binnendorpse inbreiding voor (de beschreven maatregelen zijn ter illustratie om gevoel te krijgen voor orde van grootte en zijn berekend op basis van een aantal casestudies in buurten uit verschillende tijdslagen). Minimale ambitie voor de buurt is >20% groen/blauw en <70% verharding. Dat komt voor groen opgezette naoorlogse wijken neer op 0-5% vergroenen en betekent voor versteende bedrijventerreinen en centrumgebieden (in stad en dorp) minimaal circa 15-20% extra groen en blauw.

Ambitie 0

Ambitie 1

Ambitie 2

Ambitie 3

Ambitie 4

Ambitie 5

- groen/blauw

+ 0-5% groen/blauw

+ 5-15% groen/blauw

+ 15-30% groen/blauw

+ 30-70% groen/blauw

+ >70% groen/blauw

Denk aan: Ruimte voor groen en blauw neemt af als gevolg van nieuwe ontwikkelingen.

Denk aan: Vergroening en verblauwing van individuele straten, gebouwen en tuinen (hier en daar tegels eruit en groen erin).

Denk aan: In hele buurt minimaal een vijfde van alle straatverharding vergroenen (nieuwe bomen, watervertragende groenstroken, waterdoorlatende verharding, geveltuinen en groene hagen).

Denk aan: In hele buurt transformatie naar groenblauwe leefstraten en verspreid over de buurt individuele vergroening van tuin en gebouw (groene gevels en daken, waterdaken, waterpleinen, geveltuinen, waterlopen,

Denk aan: In hele buurt alle daken vergroenen, inclusief een deel van de gevels en een vijfde van het straatprofiel.

Denk aan: Stad te gast in de natuur. ‘Horizontale stadsdelen’ komen ten goede aan groen en blauw. Verticaal ruimte voor groene gevels.

groenstroken en wadi’s).

80

5.3.

Woningbouw als hefboom voor vitale kernen en dorpen

Ontwikkelprincipe 2: woningbouw als hefboom voor vitale kernen en dorpen We streven minimaal naar behoud, maar liever nog naar versterking van de leefbaarheid in de dorpen en kernen in Zuidoost-Brabant. De fysieke (energie, klimaat, voorzieningen) en maatschappelijke (vereenzaming, zorg) opgaven gecombineerd met de demografische ontwikkelingen van vergrijzing en kleinere huishoudens noodzaken ons tot een grootschalige aanpak, waarbij het niet langer gaat over het uitbreiden van de contouren van onze kernen, maar over het investeren in de kwaliteit van de bestaande buurten en wijken. We grijpen deze woningbouwopgave aan (nu kan het nog, na 2040 is het maar de vraag of we als regio nog groeien in aantal inwoners) en zetten de woningbouw in als hefboom in onze bestaande bebouwde omgeving. Bovendien zijn we op zoek naar de beste plek om woningbouw te realiseren, kijkend naar het geheel van de regio en de ontwikkelingen binnen de bestaande steden en dorpen. In het Verstedelijkingsakkoord is naast het maken van ‘stad’, het verstedelijken aan de OV-structuur op te hangen en ook wordt gewerkt aan grote uitleglocaties met onderscheidende en kwalitatief hoogwaardige woonmilieus in een groene suburbane setting.

Waar mogelijk wordt ook op groene suburbane locaties in het SGE ontwikkeld met de principes die in het MIRT zijn afgesproken, zoals in Nuenen-West, wat ontwikkeld wordt langs de HOV-lijn tussen Nuenen en Eindhoven, of in Best Aarlesche Erven, dat op vijf fietsminuten van het station ligt. Er wordt onder meer gewerkt aan de regionale woningbouwlocaties Castiliëlaan (buurtschap Te Veld; tijdelijke woningbouw) en Eindhovensedijk/De Kemmer (als onderdeel van de groene gebiedsontwikkeling aan de Groene Corridor). Deze locaties zijn volop in ontwikkeling. Het SGE constateert dat na het afronden van de majeure locaties en tot ten minste 2040 geen uitleglocaties meer nodig zijn.

Dit leidt tot de volgende richtinggevende keuzes: • We benutten de woningbouwopgave om in te spelen op de demografische ontwikkeling en als hefboom voor de revitalisering, verduurzaming van bestaande buurten en wijken. Dit betekent het realiseren van kleinere woningen voor kleinere huishoudens en een grote diversiteit aan zorgwoningen, zoals beschermd/beschut wonen, geclusterd/aangepast wonen, en nultredenwoningen. De opgave is bij een verouderende bevolking en minder intramurale zorg (dus meer zorg in de wijk/in eigen huis) enorm! • Elke gemeente binnen Zuidoost-Brabant krijgt de ruimte om een deel van de woningbouwopgave in te vullen. Op deze manier zijn zij in staat om op een kwalitatieve manier invulling te geven aan het behouden en versterken van de leefbaarheid en de revitalisering en/of transformatie van stads- en dorpscentra, ouder wordende buurten en wijken en leegvallende plekken. De mogelijkheden tot verdichting, inbreiding, revitalisering of transformatie zijn per kern verschillend. Eigendomssituatie (huur of koop), ruimtelijke kwaliteit of structurele groen- en waterstructuren zijn daarin bijvoorbeeld belangrijke factoren voor het kunnen behalen van resultaten op dit gebied in de periode 2030-2040. De aard van de lokale opgave in combinatie met de kwalitatieve oplossing bepaalt de kwantitatieve omvang van de inbreiding, transformatie en revitalisering.

Wij schatten de omvang van deze opgave in op 10 tot 15% van de bestaande woningvoorraad. • Bij de inpassing van deze ontwikkelruimte zijn maat en schaal – zowel ruimtelijk als sociaal-maatschappelijk – van het dorp richtinggevend, gaat inbreiding boven uitbreiding en wordt deze ingezet om ruimtelijke kwaliteit, mobiliteitstransitie, verduurzaming en klimaatadaptatie een impuls te geven. In het vervolgproces is uitwerking van de strategie (ruimtelijk en ontwikkelstrategisch) per dorp nodig.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14481707/1