24048.6 - NOTA ZIENSWIJZEN Bestemmingsplan Mosselaarweg 5-7-16
Tekst van het document
Nota Zienswijzen en ambtshalve wijzigingen bestemmingsplan 'Mosselaarweg 5-7-16' 1.
Algemeen
Het ontwerpbestemmingsplan 'Mosselaarweg 5-7-16' heeft met ingang van 13 december 2023 tot en met 23 januari 2024, gedurende zes weken ter inzage gelegen in het gemeentehuis te Best. De bekendmaking is gepubliceerd op de gemeentelijke website en in het Gemeenteblad. Het bestemmingsplan was tevens digitaal raadpleegbaar op de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Tijdens deze periode kon een ieder een zienswijze over het bestemmingsplan indienen. Gedurende de terinzagelegging zijn er drie zienswijzen binnengekomen.
2.
Ingekomen zienswijzen
Hieronder worden de ingekomen zienswijzen in samenvatting weergegeven, voorzien van een reactie van de gemeente en een conclusie ten aanzien van de noodzaak om het bestemmingsplan aan te passen op basis van de overwegingen ingebracht in de zienswijzen. 1.
Waterschap De Dommel
Ingekomen 25 januari 2024 / dagtekening 20 januari 2024 Zienswijze Waterschap De Dommel geeft aan dat de waterparagraaf niet volledig is. Er bestaan onduidelijkheden ten aanzien van onderstaande onderwerpen. Hydrologisch Neutraal Ontwikkelen Mosselaarweg 16 kent een toename van verhard oppervlak van 3.850 m2 voor bedrijfsgebouw, woning, erf en dergelijke. Eis compenserende waterberging is 231 m3. Aanleg infiltratiegreppel van ca 125 m. Verdere dimensionering ontbreekt. Op voorhand geldt dat de bodem van de greppel boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) moet blijven. Voorziening opslag hemelwater a) Het is niet duidelijk waar en op welk oppervlakte de watersilo c.q. -bassin van 3000 m3 voor hemelwater binnen het bouwvlak wordt gerealiseerd. b) Niet duidelijk is hoe deze wordt uitgevoerd. Niet elke oplossing is mogelijk of toegestaan. c) Wordt de voorziening gevuld: uitsluitend met hemelwater of ook met grondwater? Of al het hemelwater dat op verhard oppervlak van Mosselaar-
Reactie gemeente
In de bijlage bij de regels wordt een inrichtingsschets, inclusief dwarsprofieltekening opgenomen waarbij de dimensionering en situering van de zaksloten en situering van de overlopen in beeld worden gebracht. Al het hemelwater van het verhard oppervlakte zal op eigen terrein geborgen, geïnfiltreerd en vertraagd afgevoerd worden. Daarnaast is in een aanvullende paragraaf van het landschapsplan het watersysteem en de wijze van opvang van hemelwater verduidelijkt. Door middel van een systeem van zaksloten met een gezamenlijke lengte van 1.300 meter, die met elkaar in verbinding staan wordt aanvullend aan de opvang van regenwater in de water silo van 3.000 m3 ruimte geboden aan waterinfiltratie van 312 m3. 1
Archiefexemplaar van BL24-03742
- zienswijzennota Mosselaarweg 5-7-16_april 2024_def1
weg 16 valt, kan worden gebruikt of geïnfiltreerd, conform de ambitie van het VGRP en het waterschap, staat niet eenduidig vast en hoe een en ander wordt gerealiseerd. d) Onduidelijk hoe en waar noodoverlopen van de watervoorzieningen (silo/bassin en infiltratiegreppel) zijn voorzien.
De zaksloten worden aangelegd boven de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG) van ca. 0,5m onder maaiveld in deze zone, waardoor regenwater ter plaatse van de sloten kan infiltreren. Tussen de watergangen van het waterschap (A- en B-watergangen) en de zaksloten van de initiatiefnemer wordt een overstort gemaakt.
Voor de realisering en instandhouding van de waterbergingsvoorzieningen wordt de reeds opgenomen voorwaardelijke verplichting in de regels (artikel 4.1.2 onder h) geredigeerd, waarbij een verwijzing naar het dwarsprofiel wordt toegevoegd. Teeltvoorzieningen Zonder nadere specificatie is het toegestaan om bij Teeltondersteunende voorzieningen ook containerteelt op gronddoek toegestaan. Hemelwater kan alsdan niet of maar beperkt infiltreren. Voor die oppervlakte moeten compenserende waterberging worden gerealiseerd. Die voorwaarde te regelen.
In de regels Wordt in artikel 5.1.2 lid b onder 2 nader gespecificeerd dat ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – permanente tov’ uitsluitend hoge teeltondersteunende voorzieningen met een permanent karakter in de vorm van gootstellingen, regenkappen en/of hagelnetten zijn toegestaan en daarmee dus niet lage ondersteunende voorzieningen met een permanent karakter zoals bijvoorbeeld het aanbrengen van permanent worteldoek.
Grondwaterstanden en overstromingsrisico De toelichting vermeldt dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) van het plangebied van 70- 100 cm onder maaiveld. Aan de noord- en oostkant bedraagt de GHG circa 30 - 40 cm, of nog minder en is bepalend voor realisatie van waterberging.
In de bijlage bij de regels wordt een inrichtingsschets, inclusief dwarsprofieltekening opgenomen waarbij de dimensionering en situering van de zaksloten en situering van de overlopen in beeld worden gebracht. Al het hemelwater van het verhard oppervlakte zal op eigen terrein geborgen, geïnfiltreerd en vertraagd afgevoerd worden. Daarnaast is in een aanvullende paragraaf van het landschapsplan het watersysteem en de wijze van opvang van hemelwater verduidelijkt.
Vanwege de lage maaiveldhoogte aan de noord(oost)zijde van het plangebied kunnen watergangen bij hevige of langdurige regenval het water niet snel genoeg afvoeren. Daardoor kunnen delen van eigen en naburige percelen overstromen, en kan ook verder stroomafwaarts wateroverlast ontstaan. Het is daarom belangrijk om al het hemelwater binnen het plangebied te bergen, infiltreren en vertraagd af te voeren.
Door middel van een systeem van zaksloten met een gezamenlijke lengte van 1.300 meter, die met elkaar in verbinding staan wordt aanvullend aan de opvang van regenwater in de water silo van 3.000 m3 ruimte geboden aan waterinfiltratie van 312 m3.
2
De zaksloten worden aangelegd boven de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG) van ca. 0,5m onder maaiveld in deze zone, waardoor regenwater ter plaatse van de sloten kan infiltreren. Tussen de watergangen van het waterschap (A- en B-watergangen) en de zaksloten van de initiatiefnemer wordt een overstort gemaakt. Voor de realisering en instandhouding van de waterbergingsvoorzieningen wordt de reeds opgenomen voorwaardelijke verplichting (artikel 4.1.2 onder h) geredigeerd in de regels, waarbij een verwijzing naar het dwarsprofiel wordt toegevoegd. Flauwe oever Langs de A-watergang aan de oostgrens van het plan is sprake van een tweezijdige beschermingsstrook voor onderhoud van de watergang. Voor aanleg van de beoogde flauwe oever behoeft dat aanpassing, bijvoorbeeld door een eenzijdige onderhoudsstrook aan de oostkant van de watergang. Voorwaarde is dan dat de eigenaar (buurman) daarmee akkoord gaat. Die strook moet dan 5 m. breed worden en doorlopen van Mosselaarweg tot de Broekstraat. De bestaande, recente geplante bomenrij zal dan moeten worden verplaatst. Dit is eerder tijdens een veldbezoek besproken tussen initiatiefnemer, gemeente en waterschap. Brug In het plan is sprake van een brug over de Awatergang, net ten noorden van de beoogde flauwe over (zie figuur 1, bijlage 3). De brug is hier niet functioneel en bemoeilijkt onderhoud aan de watergang.
Afgifte vergunning waarschijnlijk niet haalbaar. Onduidelijk of, en zo ja hoe een eventueel alternatief idee uitgewerkt wordt. Robuuster watersysteem Het bestemmingsplan biedt de kansen om tegemoet te komen aan mogelijk toekomstige wateroverlast in het buitengebied en stedelijk watersysteem, door aanleg van extra waterberging. Vooral de lager gelegen percelen langs de watergang DO107 (zie figuur 3 en 4) in het noorden van het plangebied lijken hiervoor
In het landschappelijk inrichtingsplan wordt de technisch uitvoerbare variant opgenomen waarbij rekening wordt gehouden met de kenbaar gemaakte opmerkingen van Waterschap de Dommel en door middel van een principeprofiel een voorstel is uitgewerkt van de natuurvriendelijke oever. Er wordt een nat-/draszone gerealiseerd, waarbij de bodem ter hoogte van de GHG komt te liggen (-0,3m beneden maaiveld). Het talud is 1:3. Daarnaast zullen de bomen en het struweel naast de watergang 5m uit de rand van de watergang worden geplaatst, zodat onderhoud met de kraan en kiepkar aan de watergang mogelijk blijft.
Een alternatief plan wordt uitgewerkt. In de planregels is de uitvoering reeds geborgd. Over de exacte situering van de brug vindt nog nadere afstemming met het waterschap plaats.
Door/namens initiatiefnemer is onderzoek gedaan naar de haalbaarheid voor aanvullende waterberging zowel op de eigen grond als op de aangrenzende gronden. Inmiddels is gebleken dat zowel bij initiatiefnemer als bij de eigenaren van de aangrenzende gronden de intentie bestaat om te komen tot realisering van aanvullende 3
geschikt. Vraagt een bredere blik op het waterberging op deze gronden. In deze fase zijn watersysteem dan alleen de focus op dit de plannen onvoldoende uitgewerkt om deze plangebied. Met name afstemming met de onderdeel te laten zijn van het inrichtingsplan initiatiefnemers en/of grondeigenaren. voor het voorliggende bestemmingsplan. Verwachting is dat op korte termijn tot Watergang DO107 ligt op de grens van het uitvoering kan worden gekomen in een plangebied. Kansen voor aanvullende afzonderlijk traject. waterberging zijn mede afhankelijk van deelname aangrenzende grondeigenaren. Conclusie De ingediende zienswijze wordt deels gegrond en deels ongegrond verklaard. Deze geeft aanleiding tot de volgende aanpassingen: Verbeelding en/of regels: 1. In de bijlage bij de regels wordt een inrichtingschets, inclusief dwarsprofieltekening opgenomen waarbij de dimensionering en situering van de zaksloten en situering van de overloop in beeld worden gebracht. 2. Voor de realisering en instandhouding van de waterbergingsvoorzieningen wordt de reeds opgenomen voorwaardelijke verplichting in de regels (artikel 4.1.2 onder h) geredigeerd, waarbij een verwijzing naar het dwarsprofiel wordt toegevoegd. 3.
In de regels wordt nader aangeduid dat de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarische permanente tov’ in dit geval uitsluitend betrekking heeft op hoge teeltondersteunende voorzieningen met een permanent karakter in de vorm van gootstellingen, regenkappen en/of hagelnetten. 4. In het landschappelijk inrichtingsplan wordt de technisch uitvoerbare variant voor realisatie van een flauwe oever opgenomen waarbij rekening wordt gehouden met de kenbaar gemaakte opmerkingen. In de planregels wordt de uitvoering geborgd. Toelichting: 1. In het landschapsplan is ter verduidelijking een aanvullende paragraaf over het watersysteem toegevoegd en de wijze van opvang van hemelwater.
4
2.
Provincie Noord-Brabant
Ingekomen 16 januari 2024 / dagtekening 16 januari 2024 Zienswijze Groenblauwe mantel In artikel 3.32 IOV ‘Bescherming Groenblauwe mantel’ wordt voorgeschreven dat ontwikkelingen in de Groenblauwe mantel moeten samengaan met een positieve bijdrage aan de ecologische en landschappelijke waarden in het gebied. Dit krijgt in het voorliggende plan nog onvoldoende invulling (voor wat betreft de achterliggende gronden bij Mosselaarweg 16). De insteek om het coulissenlandschap rondom de Aarlesche Erven te versterken wordt als een prima uitgangspunt aangemerkt, maar is nu nog onvoldoende uitgewerkt. Binnen de groenblauwe mantel is ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties (zoals landbouw) als die bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap. De ontwikkeling van nieuwe functies, zoals deze intensievere vorm van landbouw, passen minder bij het karakter van deze gebieden. Daarom gelden binnen de groenblauwe mantel aanvullende regels voor de ontwikkeling van die functies. De intentie is om verdwenen landschapselementen als bosjes, hagen, houtwallen, solitaire bomen en berm- en akkerranden terug te brengen en om op enkele passende plekken nieuwe landschapselementen te realiseren. Dat gebeurt in dit plan door de forse toevoeging van teeltondersteunende voorzieningen niet naar verhouding.
Het landschapsplan bij dit bestemmingsplan zou (nóg) meer gericht moeten zijn op het versterken van ecologische en landschappelijke waarden, zodat de gebiedskenmerken onderdeel uitmaken van het gehele bedrijf. Zo verwoordt de gemeente Best dat ook in haar eigen visie: ”In het buitengebied is een goede balans tussen landbouw en het natuurlijke systeem en is ingezet op een natuurinclusief landbouw- en voedselsysteem.” GS zien graag een robuustere groenblauwe dooradering van
Reactie gemeente Begin maart heeft nadere ambtelijke afstemming met de provincie plaatsgevonden. Naar aanleiding van dit overleg is het landschappelijk inrichtingsplan aangevuld en aangepast in die zin dat met een robuustere groenblauwe dooradering van dit deel van het plangebied de kleinschaligheid van het historisch kampenlandschap in het gebied nog meer wordt teruggebracht. Zo zijn landschapselementen in de vorm van houtwallen, solitaire bomen en een flauwe oever voor aanvullende waterberging gerealiseerd. Het landschapsplan bij dit bestemmingsplan is daarmee nog meer gericht op het versterken van ecologische en landschappelijke waarden, zodat de gebiedskenmerken onderdeel uitmaken van het gehele bedrijf. Met een nadere berekening is aangetoond dat het voornemen ruimschoots voldoet aan de gemeentelijke ambitie in het kader van het Masterplan Van Gogh om 10% van de oppervlakte van het agrarisch gebied te dooraderen met groenblauwe elementen. De toekomstig nog te realiseren aanvullende waterbergingsvoorziening zal hier nog een verdere aanvullende positieve bijdrage aan kunnen leveren. Overigens voorziet het voornemen niet in een toename aan stellingen. Het betreft de verplaatsing van reeds bestaande, toegestane permanente teeltondersteunende voorzieningen.
5
dit deel van het plangebied om de kleinschaligheid hier terug te brengen.
Kwaliteitsverbetering landschap Onderdeel van het plan is een kwaliteitsverbetering van het landschap (artikel3.9 IOV). Deze vindt plaats op de achterliggende gronden bij Mosselaarweg 16 en bestaat uit een landschappelijke verbetering zoals beschreven in de bijlage ‘Landschapsplan met mitigerende maatregelen voor de steenuil’. Hiermee wordt op een voldoende wijze invulling gegeven aan dit verplichte onderdeel bij ontwikkelingen in het Landelijke gebied. Een afdoende planologisch-juridisch borging wordt verlangd. In artikel 4.1.2, onder g. is een voorwaardelijke verplichting opgenomen m.b.t. kwaliteitsverbetering van het landschap, echter wordt hierbij niet concreet naar de beoogde fysieke maatregelen verwezen. Dit gemis kan worden verholpen door in de betreffende regel te verwijzen naar het landschapsplan (als bijlage) en hier de uitvoering en instandhouding zeker te stellen. Een andere opmerking ten aanzien van kwaliteitsverbetering van het landschap is dat uit de toelichting van het bestemmingsplan niet duidelijk wordt of de ontwikkeling van 3 ha. permanente teelt ondersteunende voorzieningen (op de achterliggende gronden bij Mosselaarweg 16) op basis van de gemeentelijke Landschapsinvesteringsregeling (LIR) een extra inzet aan kwaliteitsverbetering vereist. Hierbij is namelijk ook sprake van een ontwikkeling (uitbreiding) omdat er op de vertreklocatie slechts 2,2 ha.
(aangeduid voor) permanente teeltondersteunende voorzieningen wordt gesaneerd.
Naar aanleiding van de nadere ambtelijke afstemming met de provincie is het landschapsplan aangevuld en aangepast. Het alternatieve plan is uitgewerkt in een aanvulling op het gewijzigde landschappelijk inpassingsplan, waarbij de aangepaste landschappelijke inrichtingsschets, inclusief beplantingsplan als bijlage bij de regels is gevoegd. In de planregels is de uitvoering nader geborgd, door aanpassing van de reeds opgenomen voorwaardelijke verplichting in artikel 4.1.2 onder g, door een concrete verwijzing naar de aangepaste landschappelijke inrichtingsschets, inclusief beplantingsplan op te nemen, dat als bijlage bij de regels wordt toegevoegd. Ter nadere motivering dat wordt voldaan aan vereiste fysieke tegenprestatie is volledigheidshalve een nadere berekening hiervan als bijlage bij het landschapsplan opgenomen, die evenals de aanvulling op het landschapsplan als bijlage bij de toelichting van dit plan zijn opgenomen. Op basis van de vastgestelde gemeentelijke landschapsinvesteringsregeling wordt de oprichting van teeltondersteunende voorzieningen als een categorie 2 ontwikkeling beschouwd. Voor dergelijke ontwikkelingen wordt een landschappelijke inpassing vereist, maar is geen aanvullende extra kwaliteitsverbetering noodzakelijk.
6
Cultuurhistorische waarden Het voorliggende plan heeft als insteek om één van de huidige bedrijfswoningen (Mosselaarweg 7) met toepassing van artikel 3.69 IOV, onder c., als cultuurhistorisch waardevolle boerderij te splitsen. GS zijn van mening dat de boerderij, vanuit cultuurhistorisch oogpunt gezien, niet waardevol genoeg is om onder deze noemer te kunnen splitsen. Uit de ‘Redengevende omschrijving met waardestelling’ (opgesteld door het Monumentenhuis) blijkt wel dat de boerderij enige cultuurhistorische waarden en zeldzaamheid heeft, maar ook dat grote verbouwingen in het verleden afbreuk hebben gedaan aan de cultuurhistorische waarde. Daarnaast blijkt uit het plan niet dat met de splitsing wordt ingezet op behoud en herstel van het pand, zoals dit als voorwaarde geldt. Het niet kunnen splitsen van de boerderij onder de noemer ‘cultuurhistorisch waardevol’ is naar het oordeel geen onoverkomelijk probleem, omdat voor het behouden van deze voormalige bedrijfswoning reeds de inzet van een ruimte-voorruimtebouwtitel nodig is. Dit kan zodoende ook een bouwtitel zijn waarbij gelijk twee nieuwe woningen in één bouwmassa van 1.000 m³ (max. 500 m³ per woning) worden toegestaan.
Dit is mogelijk op basis van de ‘Beleidsregel maatwerk omgevingskwaliteit’ die bij dit plan reeds wordt toegepast om de twee nieuwe woningen (in één bouwmassa) op het perceel tussen Mosselaarweg 5 en 7 te realiseren. Zekerstelling tegenprestatie Met dit bestemmingsplan is de zekerstelling van de tegenprestatie nog onvoldoende geborgd. Onderdeel van de tegenprestatie is de aankoop van twee ruimte-voor-ruimtebouwtitels ten behoeve van het omzetten (naar een burgerwoning) en de splitsing van Mosselaarweg 7, en op het naastgelegen perceel (tussen Mosselaarweg 5 en 7) het realiseren van een nieuwe dubbele woning. Voor beide geldt een tegenprestatie in de vorm van een ruimte-voorruimtebouwtitel (elk t.w.v. €125.000,-) die wordt ingezet voor twee woningen in één
Omdat verbouwingen in het verleden afbreuk hebben gedaan aan de cultuurhistorische waarde van het pand Mosselaarweg 7, kan splitsing van het pand niet worden ingezet op basis van behoud en herstel van het pand, zoals dit als voorwaarde geldt volgens de provinciale regels. Omdat reeds voor het behouden van deze voormalige bedrijfswoning de inzet van een ruimte-voor-ruimtebouwtitel nodig is, is het mogelijk één bouwtitel in te zetten waarbij gelijk twee nieuwe woningen in één bouwmassa van 1.000 m³ (max. 500 m³ per woning) worden toegestaan. Dit is mogelijk op basis van de ‘Beleidsregel maatwerkomgevingskwaliteit’. Van de zijde van initiatiefnemer is aangegeven in te stemmen met deze variant. Kwaliteitsverbetering van het landschap wordt ingezet om te voldoen aan de vereiste tegenprestatie zoals bedoeld in de aangehaalde regeling. Uitwerking vindt plaats in het landschappelijk inrichtingsplan dat als bijlage bij de regels is gevoegd. De uitvoering is geborgd in de planregels. De eerder opgenomen voorwaardelijke verplichting mbt woningsplitsing ten behoeve van het behoud en herstel van cultuurhistorische waarden (artkel 8.1.2 lid b) wordt geschrapt, aangezien deze niet meer van toepassing is. Dit geldt tevens voor de bepaling onder artikel 8.1.2 lid a, sub 2 onder b.
De ‘redengevende cultuurhistorische omschrijving’ wordt als bijlage bij de regels geschrapt, maar blijft nog wel als bijlage bij de toelichting gehandhaafd. Voor de realisering van de twee nieuwe woningen (in één bouwmassa) op het perceel dat is gelegen tussen Mosselaarweg 5 en 7, is een ontwikkelingsrecht verworven. Een bewijsstuk in het kader van de RvR regeling voor de realisering van de nieuwe dubbele woning in de vorm van een certificaat zal als bijlage bij de toelichting van het bestemmingsplan worden toegevoegd.
Voor het behouden van de voormalige bedrijfswoning Mosselaarweg 7 is de inzet van één ruimte-voor-ruimtebouwtitel nodig of 7
bouwmassa van 1.000 m³ (max. 500 m³ per woning). Op dit moment ontbreken deze bouwtitels nog, of zijn deze nog niet aan ons overlegd. Wij benadrukken dat de bouwtitels moeten zijn verkregen voordat het plan wordt vastgesteld. Door het ontbreken van de bouwtitels wordt vooralsnog niet voldaan aan de voorwaarden zoals opgenomen in artikelen 3.78 en 3.79 IOV, dat er sprake dient te zijn van een aanzienlijke winst van omgevingskwaliteit.
kwaliteitsverbetering van het landschap ter waarde van een ontwikkelingsrecht om te voldoen aan de vereiste tegenprestatie zoals bedoeld in de eerder aangehaalde regeling. Voor de bijdrage in het versterken van de omgevingskwaliteit geldt een minimale inspanning ter hoogte van € 125.000 waarbij gelijk twee nieuwe woningen in één bouwmassa van 1.000 m³ (max. 500 m³ per woning) kunnen worden toegestaan. In de planregels zal de hiertoe reeds opgenomen voorwaardelijke verplichting in artikel 8.1.2 onder d worden geredigeerd zodat dit als zodanig is geregeld. Daarnaast is volledigheidshalve een nadere berekening van de fysieke tegenprestatie als bijlage bij het landschapsplan opgenomen, dat als bijlage bij de toelichting van dit plan is opgenomen.
Evenwichtige toedeling van functies In artikel 3.5 IOV is opgenomen dat bij een bestemmingsplan sprake moet zijn van een evenwichtige toedeling van functies, inclusief de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit. In verband hiermede wenst GS in de toelichting graag een nadere uitleg over de gewenste ontwikkelingsrichting van het teeltbedrijf. Omdat aan het plan een al wat ouder AABadvies is toegevoegd is de toekomstvisie voor GS op punten onduidelijk. Het roept vragen op zoals: waar liggen de elders gelegen huurpercelen; Er wordt alleen duidelijkheid gegeven over de aanleg van 3 ha. aardbeienstellingen. Wat is er nodig is aan teeltondersteunende voorzieningen voor de kersenteelt en/of pioenrozen? Is het nieuwe bedrijfsgebouw alleen nodig voor de verwerking van Miscanthus? Meer duidelijkheid over de toekomstvisie van het bedrijf is wenselijk omdat verdere intensivering op deze locatie alleen tot op bepaalde hoogte wenselijk is. Op dit onderdeel dient het plan te worden aangevuld en meer inzicht te geven. In relatie hiermee wordt de vraag gesteld of de in artikel
In de toelichting is nader ingegaan op de ontwikkelingsrichting van het bedrijf. Hiermee wordt inzicht gegeven in de toekomstvisie van het bedrijf. Op dit onderdeel is het plan aangevuld.
De opgenomen wijzigingsbevoegdheid voor vergroting van het bouwvlak zoals opgenomen in artikel 4.6.1 alsmede de hiermee samenhangende wijzigingsregeling van 5.7.1 worden uit de planregels verwijderd. Toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in met de inwerkingtreding van de Omgevingswet niet meer mogelijk. Voor een uitbreiding zal een afzonderlijke procedure moeten worden gevolgd. In de toelichting is hierover een passage opgenomen.
8
4.6.1 van de regels opgenomen uitbreidingsmogelijkheid van het bouwvlak (wijzigingsbevoegdheid) hier passend/ wenselijk is.
Conclusie De ingediende zienswijze wordt deels gegrond en deels ongegrond verklaard. Deze geeft aanleiding tot de volgende aanpassingen:
Regels. 1. Het landschappelijk inpassingsplan is aangepast in die zin dat met een robuustere groenblauwe dooradering van dit deel van het plangebied de kenmerkende kleinschaligheid van het historische kampenlandschap wordt teruggebracht. De aangepaste en aangevulde landschappelijke inrichtingsschets, inclusief beplantingsplan is als bijlage bij de regels is gevoegd. In de planregels is de uitvoering geborgd. door aanpassing van de reeds opgenomen voorwaardelijke verplichting in artikel 4.1.2 onder g, door een concrete verwijzing naar het aangepaste landschapsplan op te nemen, dat als bijlage bij de regels wordt toegevoegd. 2. Voor behoud en splitsing van het pand Mosselaarweg 7 wordt ingezet op fysieke kwaliteitsverbetering van het landschap. Dit is mogelijk op basis van de ‘Beleidsregel maatwerk omgevingskwaliteit’. Kwaliteitsverbetering wordt ingezet om te voldoen aan de vereiste tegenprestatie zoals bedoeld in de aangehaalde regeling. Uitwerking vindt plaats in het landschappelijk inrichtingsplan dat als bijlage bij de regels is gevoegd. De uitvoering is geborgd in de planregels. De eerder opgenomen voorwaardelijke verplichting mbt woningsplitsing ten behoeve van het behoud en herstel van cultuurhistorische waarden (artkel 8.1.2 lid b) wordt geschrapt. Dit geldt tevens voor de bepaling onder artikel 8.1.2 lid a, sub 2 onder b.
De ‘redengevende cultuurhistorische omschrijving’ wordt als bijlage bij de regels geschrapt . 3. De opgenomen wijzigingsbevoegdheid voor vergroting van het bouwvlak zoals opgenomen in artikel 4.6.1 alsmede de hiermee samenhangende wijzigingsregeling van artikel 5.7.1 worden uit de planregels verwijderd. Verbeelding.
Toelichting. 1. Voor de realisering van de twee nieuwe woningen (in één bouwmassa) op het perceel dat is gelegen tussen Mosselaarweg 5 en 7, is een ontwikkelingsrecht verworven. Een bewijsstuk van het bedoelde certificaat wordt als bijlage bij de toelichting gevoegd. 2. De aanvulling van het landschapsplan ten behoeve van verdere versterking van het coulissenlandschap is evenals het aangepast landschapsplan als bijlage bij de toelichting opgenomen, waarin tevens volledigheidshalve een nadere berekening van de fysieke tegenprestatie als bijlage bij het landschapsplan is toegevoegd.
9
3. In de toelichting is nader ingegaan op de ontwikkelingsrichting van het bedrijf. 4. In de toelichting wordt een passage toegevoegd dat bij aangetoonde voor een eventueel toekomstig noodzakelijke uitbreiding - een afzonderlijke procedure moet worden gevolgd. 5. .
3.
TENNET
Ingekomen 23 januari 2024 / dagtekening 22 januari 2024 Zienswijze TenneT verzoekt om aanpassing van de planregels omdat met de voorgestelde regeling onvoldoende rekening is gehouden met de bescherming van de belangen van de nabij gelegen hoogspanningsverbinding. Het gaat om aanpassing van de volgende regels. Doorhaling = verwijderen Cursief + vet = toevoegen
Reactie gemeente De voorgestelde aanpassingen worden in de planregels overgenomen. Volledigheidshalve wordt in artikel 9.4.2 onder c toegevoegd, dat voor realisering van het bij de regels opgenomen landschappelijk inrichtingsplan, geen nadere omgevingsvergunning noodzakelijk is.
Artikel 9.1.1 Algemeen ... mede bestemd voor de aanleg, het beheer en instandhouding... Artikel 9.3 Afwijken van bouwregels 9.3.b ... vooraf positief schríftelijk advies... Afwegingskader De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de betreffende hoogspanningsverbinding.
10
Artikel 9.4.1 Aanleqverbod zonder omgevingsvergunninq 9.4.1. b het aanbrengen en/of slopen van bovengrondse opstallen, constructies, straatmeubilair, installaties of apparatuur anders dan ten dienste van deze in lid 9.1 omschreven bestemming; hoger dan 2,5 meter; 9.4.1 .c. het opslaan van goederen, materialen of brandbare stoffen, die onder bepaalde omstandigheden gevaar van brand of explosie kunnen opleveren; 9.4.1. d het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van (reeds bestaande) watergangen alsmede het verhogen of verlagen van het waterpeil; 9.4.1. e. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen en parkeergelegenheden en andere oppervlakteverhardingen; 9.4.2 Uitzonderingen 9.4.2.c verband houden met de aanleg, aanpassing of onderhoud van de betreffende hoogspanningsverbinding en de daarbij horende voorzieningen. Voorwaarden vergunningverlening Tot het verlenen van een omgevingsvergunning wordt eerst overgegaan, indien uit het verkregen positief schríftelijk advies van de netbeheerder is gebleken dat hierdoor de veiligheid en leveringszekerheid niet blijvend onevenredig kan worden geschaad. Aan de hand daarvan kan het bevoegd gezag desgewenst voorwaarden verbinden aan de vergunning, ter bescherming van bedoelde verbinding. 9.4.3 Toelaatbaarheid 9.4.3.b .. .vooraf positief schríftelijk...
11
Het Rijk adviseert de magneetveldzone uit te (laten) rekenen als er plannen zijn om binnen de rekenafstand in de RIVM-netkaart een gevoelige bestemming te realiseren.
Binnen de rekenafstand van 100 meter worden met dit bestemmingsplan geen gevoelige bestemmingen gerealiseerd.
Conclusie De ingediende zienswijze wordt deels gegrond en deels ongegrond verklaard. Deze geeft aanleiding tot de volgende aanpassingen: regels: Artikel 9 wordt conform verzoek van indiener op ondergeschikte punten aangepast. in artikel 9.4.2 onder c toegevoegd, dat voor realisering van het bij de regels opgenomen landschappelijk inrichtingsplan, geen nadere omgevingsvergunning noodzakelijk is. 4.
Ambtshalve wijzigingen ten opzichte van het ontwerp-bestemmingsplan
Hieronder wordt ingegaan op de aanpassingen die ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan worden doorgevoerd op basis van ambtshalve verbeteringen. Verbeelding. De zone voor de permanente teeltondersteunende voorzieningen wordt op de verbeelding aangepast aan het aangepaste landschappelijk inrichtingsplan; Regels Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is toepassing van wijzigingsbevoegdheden niet meer mogelijk en is hiervoor een afzonderlijke procedure noodzakelijk. De in het ontwerp bestemmingsplan nog opgenomen wijzigingsbevoegdheden worden derhalve geschrapt. Dit betreft artikel 4.6.2 t/m 4.6.5, artikel 5.7.2, artikel 11.7, artikel 12.7, artikel 13.7 en artikel 19. Voorwaardelijke verplichting archeologisch onderzoek In het bestemmingsplan wordt een voorwaardelijke verplichting opgenomen met betrekking tot archeologisch onderzoek om hiermee te borgen dat dit onderzoek wordt uitgevoerd. Dit wordt vastgelegd in de regels naast de dubbelbestemming waarde archeologie. De volgende voorwaardelijke verplichting wordt opgenomen in artikel 4.
Ter plaatse van de aanduiding 'wetgevingszone - voorwaardelijke verplichting archelogisch onderzoek 2 ' is het in gebruik nemen van de gronden en bouwwerken overeenkomstig de in artikel 4.1 opgenomen bestemmingsomschrijving slechts toegestaan als middels een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken gronden geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, dan wel er niet langer archeologische begeleiding of zorg nodig is. Toelichting In de toelichting is nader ingegaan op de bovengenoemde onderzoeksplicht en de hiervoor opgenomen voorwaardelijke verplichting archeologisch onderzoek.
12