CConstaterende datBest
Koppel je AI →
Document · PDF

24010.5 - Bijlage 1 bij toelichting - Archeologisch proefsleuvenonderzoek

Raadsvergadering 18 maart 2024, gemeente BestBij agendapunt: 24010 - Bestemmingsplan Naastenbest en Dijkstraten-Zuid, herziening naast Veldweg 4 en 610.325 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Programma van Eisen Archeologisch proefsleuvenonderzoek met optionele doorstart naar opgraving Gemeente

: Best

Plaats

: Best

Toponiem

: Veldweg 6

Versie

:2

Datum

: 13 april 2023

Projectnummer

: 2021070102

Bureau voor Archeologie PvE nummer

: 107

Archiefexemplaar van BL23-15455

- BP Naastenbest en Dijkstraten-Zuid, herziening naast Veldweg 4 en 6 Best ( Bijlage 1 -Toel

Bureau voor Archeologie

pagina 2 van 50

Programma van Eisen Conform KNA versie 4.1 Locatie

Best, Best, Veldweg 6

Projectnaam

Best, Veldweg 6

Plaats binnen archeologisch proces X IVO – Proefsleuven (IVO-P) 0 IVO – Overig (IVO-O) X Opgraven Landbodems (optioneel) 0 IVO-P- variant Archeologische Begeleiding 0 Opgraven Landbodems – variant Archeologische Begeleiding 0 IVO-Opwater 0 IVO - Onderwater – Verkennend 0 IVO - Onderwater - Waarderend 0 Opgraven Waterbodems 0 Archeologische Begeleiding Waterbodems datum Auteur

I.S.J. Beckers

paraaf

27-06-2022

Bureau voor Archeologie Koningsweg 244 3582 GM Utrecht 030-2451895 Senior KNA-archeoloog (controle/goedkeuring)

M.A. Huisman

11 juli 2022

Petrus Campersingel 19 9713 AC Groningen 050-8200350 / 06-25034686

Opdrachtgever

Naam, adres, telefoon, e-mail

datum

paraaf

datum

paraaf

Janssen de Jong Projectontwikkeling B.V. Postbus 30 5690 AA Son en Breugel Goedkeuring bevoegde overheid Naam, adres, telefoon, e-mail X Gemeente

Gemeente Best

0 Provincie

C. Hageraats

0 Rijk

Raadhuisplein 1

Programma van Eisen

Best Veldweg 6

Bureau voor Archeologie 0 Overig

pagina 3 van 50 5680 AB Best Postbus 50 E-mail: c..hageraats@gmebest.nl archeologisch deskundige van de gemeente: mevr. R. Berkvens Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant Wal 28

17-4-2023

5615 PE Eindhoven T. 088-3690638 T. 06-15829049 Kennisgeving

dhr. M. Meffert

Depothouder/eigenaar

archeologie@brabant.nl/ mmeffert@brabant.nl Provincie Noord-Brabant Brabantlaan 1 5216 TV ‘s-Hertogenbosch 073-6808020

Programma van Eisen

Best Veldweg 6

Bureau voor Archeologie

pagina 4 van 50

Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Administratieve gegevens onderzoeksgebied..................................6 Hoofdstuk 2 Aanleiding en motivering van het onderzoek....................................7 2.1 Aanleiding en motivering.........................................................................................7

Hoofdstuk 3 Eerder uitgevoerd onderzoek...........................................................8 Hoofdstuk 4 Archeologische verwachting...........................................................10 4.1 Regionale archeologische en cultuurlandschappelijke context..............................10 4.2 Aard en ouderdom van de vindplaats(en).............................................................12 4.3 Begrenzing en oppervlakte van de vindplaats(en).................................................12 4.4 Structuren en sporen............................................................................................12 4.5 Anorganische artefacten.......................................................................................12 4.6 Organische artefacten...........................................................................................12 4.7 Archeozoölogische en botanische resten..............................................................13 4.8 Motivatie...............................................................................................................13 4.9 Archeologische stratigrafie en diepte van vondstlagen..........................................13 4.10 Gaafheid en conservering...................................................................................13

Hoofdstuk 5 Doelstelling en vraagstelling...........................................................14 5.1 Doelstelling........................................................................................................... 14 5.2 Relatie met NOaA en/of andere onderzoekskaders..............................................14 5.3 Vraagstelling......................................................................................................... 14 5.4 Onderzoeksvragen................................................................................................15

Hoofdstuk 6 Methoden en technieken................................................................16 6.1 Methoden en technieken.......................................................................................16 6.2 Strategie...............................................................................................................18 6.3 Omgang kwetsbaar vondstmateriaal.....................................................................19 6.4 Structuren en grondsporen...................................................................................19 6.5 Aardwetenschappelijk onderzoek..........................................................................19 6.6 Anorganische artefacten.......................................................................................20 6.7 Organische artefacten...........................................................................................20 6.8 Archeozoölogische, archeobotanische en fysisch antropologische resten............21 6.9 Overige resten......................................................................................................21 6.10 Dateringstechnieken...........................................................................................21 6.11 Beperkingen........................................................................................................ 21

Hoofdstuk 7 Uitwerking en conservering............................................................22 7.1 Structuren, grondsporen, vondstspreidingen.........................................................22 7.2 Analyse aardwetenschappelijke gegevens............................................................22 7.3 Anorganische artefacten.......................................................................................22 7.4 Organische artefacten...........................................................................................22 7.5 Archeozoölogische en -botanische resten.............................................................22 7.6 Beeldrapportage...................................................................................................23

Hoofdstuk 8 (De)Selectie en conservering.........................................................24 8.1 Selectie materiaal voor uitwerking.........................................................................24 8.2 Selectie materiaal voor deponering en verwijdering..............................................24 8.3 Selectie materiaal voor conservering....................................................................24

Hoofdstuk 9 Deponering....................................................................................25 9.1 Eisen betreffende depot........................................................................................25 9.2 Te leveren product................................................................................................25

Hoofdstuk 10 Randvoorwaarden en aanvullende eisen.....................................26

Programma van Eisen

Best Veldweg 6

Bureau voor Archeologie

pagina 5 van 50

10.1 Personele randvoorwaarden...............................................................................26 10.2 Overlegmomenten..............................................................................................26 10.3 Kwaliteitsbewaking, toezicht, overleg en evaluatie..............................................26 10.4 Overige randvoorwaarden en aanvullende eisen................................................27

Hoofdstuk 11 Wijzigingen ten opzichte van het vastgestelde PvE......................28 11.1 Wijzigingen tijdens het veldwerk..........................................................................28 11.2 Belangrijke wijzigingen........................................................................................28 11.3 Procedure van wijziging na de evaluatiefase van het veldwerk...........................28 11.4 Procedure van wijziging tijdens uitwerking en conservering................................28

Hoofdstuk 12 Literatuur......................................................................................29 Bijlage 1: Lijst met te verwachten aantallen.......................................................31 Bijlage 2: Overzicht te raadplegen specialisten/specialismen............................32 Bijlage 3: Figuren...............................................................................................34

Lijst met Figuren Figuur 1: Locatie van het plangebied op een actuele luchtfoto..........................................34 Figuur 2: Locatie van het plangebied op een actuele topografische kaart.........................35 Figuur 3: Locatie van het plangebied en de geplande woningen.......................................36 Figuur 4: Locatie van het plangebied (rode cirkel) op de archeologische Beleidskaart van de gemeente Best (Berkvens 2010)........................................................................37 Figuur 5: Archeologische terreinen, vondstlocaties en zaken uit ARCHIS.........................38 Figuur 6: Detail van fig. 5..................................................................................................39 Figuur 7: Projectkaart van het project Dijkstraten. Het plangebied bevindt zich in het zuidwesten van het projectgebied en is aangegeven met de groene lijnen bij de pijl. ............................................................................................................................... 40 Figuur 8: Allesporenkaart van de opgraving uit 2010 (Moesker en Dijkstra 2015).............41 Figuur 9: Locatie van het plangebied op de Hoogte-reliëfkaart gebaseerd op het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)...........................................................................42 Figuur 10: Hoogte-reliëfkaart detail.

Hoogtewaarden in meters ten opzichte van N.A.P....43 Figuur 11: Geomorfologische kaart (Maas e.a. 2019).......................................................44 Figuur 12: Locatie van het plangebied op de digitale Bodemkaart van Nederland (Alterra 2014)...................................................................................................................... 45 Figuur 13: Locatie van het plangebied op de kadastrale minuutkaart uit 1817..................46 Figuur 14: Locatie van het plangebied op de topografische kaart van 1963......................47 Figuur 15: Locatie van het plangebied op de topografische kaart van 1972......................48 Figuur 16: Hulpkaart uit 1975 van het kadastrale perceel 5040 uit sectie E van de kadastrale gemeente Best. De locatie van het plangebied is aangegeven met de rode lijn................................................................................................................... 49 Figuur 17: Kaart met de geplande proefsleuven...............................................................50

Programma van Eisen

Best Veldweg 6

Bureau voor Archeologie

Hoofdstuk 1

pagina 6 van 50

Administratieve gegevens onderzoeksgebied

Projectnummer

2021070102

Projectnaam

Best, Veldweg 6

Provincie

Noord-Brabant

Gemeente

Best

Plaats

Best

Toponiem

Veldweg 6

Kaartbladnummer

51B

Centrum coördinaten

154.480; 391.240 (x; y)

Kadastrale gegevens

kadastrale gemeentenaam: Best, sectie: E, nummer: 5418

Waterkundige gegevens

De grondwatertrap is V. Dit betekent dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand ondieper staat dan 40 en dat de gemiddeld laagste grondwaterstand dieper staat dan 120 cm onder maaiveld. Tijdens een booronderzoek voor de bodemkwaliteit is onlangs bepaald dat de grondwater stond op 2.42 m -mv.1

1

CMA/AMK-status

geen

Archis-monumentnummer

geen

Archis-waarnemingsnummer

geen

Omvang plangebied

1.530 m2

Omvang onderzoeksgebied

1.530 m2

Huidig grondgebruik

grasland

Van den Heuvel 2013

Programma van Eisen

Best Veldweg 6

Bureau voor Archeologie

Hoofdstuk 2

pagina 7 van 50

Aanleiding en motivering van het onderzoek

2.1 Aanleiding en motivering In het plangebied langs de Veldweg 6 te Best zijn twee nieuwe vrijstaande woningen gepland (fig. 1 tot en met 3). De precieze grootte en locatie van de woningen moet nog bepaald worden. De woningen zijn gepland in het kadastrale perceel 5418 uit sectie E van de gemeente Best. Dit perceel heeft een oppervlakte van 1.530 m2 en is momenteel in gebruik als grasland. De woningen zullen ‘op staal’ gefundeerd worden. Ter plaatse van de nieuwe funderingsbalken zal tot ca. 80 cm -mv gegraven worden. De aanleg van nieuwe nutsvoorzieningen gaat waarschijnlijk gepaard met een bodemverstoring tot 150 cm -mv. Het plangebied ligt in bestemmingsplan Naastenbest en Dijkstraten-Zuid Best ((vastgesteld 2012-03-19). De archeologisch bescherming van het plangebied is geregeld in een recenter Paraplubestemmingsplan ‘Parkeernormen en Archeologie’. Dit is op 6 februari 2017 door de gemeente Best is vastgesteld. Het plangebied heeft in dit plan de dubbelbestemming Waarde – Archeologie 3 (gebied met een hoge verwachting, historische kern) gekregen.

In deze zone is archeologisch onderzoek verplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 250 m2 en dieper dan 30 cm -mv.2 Op de archeologische beleidskaart van de gemeente Best maakt het plangebied deel uit van een zone met een hoge archeologische verwachtingswaarde vanwege de ligging in een historische kern (bewoningslint langs de Veldweg, fig. 4).3 Omdat het plan een grotere oppervlakte bestrijkt dan in het gemeentelijke beleid als ondergrens voor archeologisch onderzoek is vastgesteld is voor de aanvraag van de omgevingsvergunning archeologisch onderzoek verplicht. Omdat het plan deel uitmaakt van de grotere zone ‘Dijkstraten’, waarin in 2009, 2010 en 2019 al eerder archeologisch onderzoek uitgevoerd is en waarbij nederzettingsresten uit de IJzertijd en de Late Middeleeuwen zijn aangetroffen, is voorgesteld om de fase van het booronderzoek over te slaan en direct over te gaan tot inventariserend gravend onderzoek. Deze werkwijze is akkoord bevonden door de adviseur namens de bevoegde overheid.4 Voor het Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van een Proefsleuvenonderzoek (IVO-P) is onderhavig Programma van Eisen (PvE) opgesteld. Het programma van eisen is opgesteld onder certificaat BRL SIKB 4000,5 in overeenstemming met de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA versie 4.1). Gelijktijdig met het opstellen van het PvE is een bureauonderzoek uitgevoerd.

De resultaten daarvan zijn geïntegreerd in dit PvE.

2 3 4 5

http://www.ruimtelijkeplannen.nl Berkvens 2010 Email mevr. R. Berkvens 11 mei 2022. https://www.kiwa.nl/upload/certificate/00094278.pdf

Programma van Eisen

Best Veldweg 6

Bureau voor Archeologie

Hoofdstuk 3

pagina 8 van 50

Eerder uitgevoerd onderzoek

Binnen het plangebied zelf is geen eerder archeologisch onderzoek uitgevoerd, wel in de directe omgeving ervan. Het oostelijke deel van het plangebied maakt deel uit van het projectgebied Dijkstraten. In dit projectgebied is een woonwijk gerealiseerd en in het kader daarvan zijn meerdere archeologische onderzoeken uitgevoerd (fig. 5 en 6). In 2002 werd gestart met een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek in de vorm van boringen en een oppervlaktekartering. Tijdens het booronderzoek werd in het gebied een intact esdek aangetroffen, met op de overgang naar de oorspronkelijke ondergrond enkele fragmenten prehistorisch aardewerk en aardewerk uit de Late Middeleeuwen. Op basis van de intacte bodemopbouw en de vondsten werd een proefsleuvenonderzoek aanbevolen.6 In 2008 is een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd. Hierbij zijn ten oosten van het plangebied enkele proefsleuven gegraven (fig. 7). Op ca. 60 m ten oosten van het plangebied is een archeologische vindplaats gevonden (vindplaats III in fig. 7). Deze vindplaats bestond uit een aantal paalsporen en greppels waarin geen vondstmateriaal is aangetroffen. Waarschijnlijk dateren de sporen uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd. De vindplaats werd op basis van de waardering als niet-behoudenswaardig gewaardeerd.

De onderzoekers meldden wel dat aanvullend onderzoek gewenst omdat de vindplaats zich verder naar het oosten van het projectgebied Dijkstraten leek uit te strekken (het plangebied ligt ten westen, dus buiten de vermoedelijke vindplaats locatie). Het bedrijventerrein dat toen ten noorden van het met proefsleuven onderzochte gebied lag, was nog in gebruik en kon daardoor niet niet onderzocht worden.7 Dit bedrijventerrein is in 2010 alsnog onderzocht door middel van een proefsleuvenonderzoek. Hierbij werden in twee van de drie proefsleuven archeologische sporen gevonden uit de IJzertijd en de Late Middeleeuwen. Verder naar het noordoosten zijn meerdere vindplaatsen uit de IJzertijd gevonden (fig. 8).8 De vindplaats langs de Veldweg (zone B in fig. 7) is in 2019 opgegraven. Hierbij werden bewoningssporen uit de tweede helft van de Bronstijd en de IJzertijd gevonden. De bewoningssporen lieten zich niet herleiden tot een structuur of huisplattegrond. In het gebied werd een nederzetting uit de 11e tot en met de 14e eeuw aangetroffen. De nederzetting bestond uit meerdere boerderijen. Zes huisplattegronden zijn aangetroffen, alsmede bijgebouwen en sporen als waterkuilen en -putten en afvalkuilen. De nederzetting lijkt zich verder naar het noorden of zuiden, langs de Veldweg uit te strekken.9

6 7 8 9

Soort onderzoek

bureau- en booronderzoek

Uitvoerder

RAAP

Uitvoeringsperiode

2002

Rapportage

Dijk, van 2002

Vondsten/documentatie

Provinciaal Depot Provincie Noord-Brabant

Dijk, van 2002 Van der Mark en Boshoven 2009 Moesker en Dijkstra 2015 Archis-zaakidentificatienummer 4681844100.

Programma van Eisen

Best Veldweg 6

Bureau voor Archeologie

pagina 9 van 50

Soort onderzoek

proefsleuvenonderzoek

Uitvoerder

BAAC

Uitvoeringsperiode

2008

Rapportage

Van der Mark en Boshoven 2009

Vondsten/documentatie

Provinciaal Depot Provincie Noord-Brabant

Soort onderzoek

proefsleuvenonderzoek/opgraving

Uitvoerder

Diachron

Uitvoeringsperiode

2010

Rapportage

Moesker en Dijkstra 2015

Vondsten/documentatie

Provinciaal Depot Provincie Noord-Brabant

Programma van Eisen

Best Veldweg 6

Bureau voor Archeologie

Hoofdstuk 4

pagina 10 van 50

Archeologische verwachting

4.1 Regionale archeologische en cultuurlandschappelijke context Aardkunde Uit aardkundige kaarten blijkt dat het plangebied op een dekzandrug ligt, die naar het noordoosten overgaat in een dekzandvlakte met relatief ondiep fluvioperiglaciale afzettingen (leem). Het leempakket en het dekzand is afgezet in de laatste ijstijd, het Weichselien (114.000 tot 9.700 v. Chr.). De fluvio-periglaciale afzettingen zijn afgezet door lokale beken en door sneeuwsmeltwater. Ze bestaan uit leem, afgewisseld met zandlagen. Het dekzandpakket bestaat uit kalkloos, zwak siltig, matig fijn zand. Het dekzand is afgezet in een koude periode van het Weichselien, toen er sprake was van een poolwoestijn-klimaat. Er was relatief weinig vegetatie en daardoor kon de wind grote hoeveelheden zand verplaatsen en elders afzetten. Het dekzandlandschap kent veel lokale hoogteverschillen, zoals dekzandruggen, -kopjes en welvingen. Aan het einde van het Weichselien werd het landschap door plantengroei gefixeerd. Uit het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) blijkt dat het maaiveldniveau op ca. 15,4 m boven het NAP ligt (fig. 9 en 10). Het is een relatief hoge zone langs de Veldweg. Meer naar het oosten loopt het maaiveld af naar 14,6 m boven het NAP.10 Op de digitale Geomorfologische kaart van Nederland ligt het plangebied in een zone met dekzandwelvingen, al dan niet met landbouwdek (code 3L51yc, fig.

11).11 Op de digitale Bodemkaart van Nederland ligt het plangebied in een zone met laarpodzolgronden (fig. 12).12 De podzolbodem is gevormd gedurende het begin van het Holoceen. In de Late Middeleeuwen werd het gebied in gebruik genomen als akkerland en is een relatief dik dek van met potstalmest verrijkte heideplaggen aangebracht. In laarpodzolgronden is dit dek 30 tot 50 cm dik. Uit het archeologisch onderzoek in de omgeving blijkt dat het esdek in daar waarschijnlijk 50 tot 60 cm dik is.13 In het zuidwesten van het projectgebied Dijkstraten werd bovendien nog onder het esdek een oude akkerlaag aangetroffen. Het is niet bekend in welke periode deze oude akkerlaag is ontwikkeld, maar in ieder geval in het begin van de Late Middeleeuwen of daarvoor.14

Bewoning en historische situatie Het in het gebied uitgevoerde archeologische onderzoek geeft een goed inzicht in de bewoningsgeschiedenis. In het gebied zijn onder andere vuursteenartefacten uit het Mesolithicum en Neolithicum gevonden maar het betreft hier meer losse vondsten en het gebied lijkt nog niet bewoond te zijn geweest. De oudste bewoningssporen dateren uit de tweede helft van de Bronstijd. Deze (paal)sporen zijn aangetroffen in een vindplaats op ca. 100 m ten 10 11 12 13 14

https://ahn.arcgisonline.nl/ahnviewer/ Maas e.a. 2019 Alterra 2014 Van der Mark en Boshoven 2009, 23 Van der Mark en Boshoven 2009

Programma van Eisen

Best Veldweg 6

Bureau voor Archeologie

pagina 11 van 50

noorden van het plangebied. De vindplaats lijkt door te lopen in de IJzertijd. Uit de Bronstijd en de IJzertijd zijn geen duidelijke structuren aangetroffen maar het gebied lijkt wel te zijn bewoond. Verder naar het noordoosten zijn enkele nederzettingen uit de IJzertijd aangetroffen met meerdere huisplattegronden (fig. 8). Deze zone, met relatief veel leem in de bovengrond, bood waarschijnlijk in de IJzertijd een goede bodem voor veeteelt en kon daarom ook goed als vestigingsplaats gebruikt worden. De nederzettingen uit de IJzertijd werden gekenmerkt door relatief weinig vondstmateriaal, voornamelijk handgevormd aardewerk.15 Vanaf de Romeinse tijd werd het gebied verlaten. In de Late Middeleeuwen werd het gebied weer in gebruik genomen. Nu lijkt vooral de relatief hoge dekzandrug waar het plangebied op ligt de focus voor bewoning en akkerbouw. Op ca. 100 m ten noorden van het plangebied is een nederzetting uit de 11e tot en met de 14e eeuw na Christus gevonden. Deze nederzetting bestond uit meerdere bootvormige huisplattegronden en bijgebouwen als spiekers. Tevens zijn waterputten, -kuilen, greppels en afvalkuilen gevonden. De vindplaats lijkt zich uit te strekken over de hoge dekzandrug, waar ook het plangebied deel van uitmaakt.16 De akkerstructuur die in de 14e eeuw is ontstaan lijkt lang ongewijzigd te zijn gebleven.

De bewoningszone lijkt in deze periode meer naar het zuiden te zijn verplaatst. In hoeverre nog langs de Veldweg sprake was van een bewoningslint is nog niet onderzocht.17 Op de oudste gedetailleerde kaart van het plangebied, de kadastrale minuutkaart uit 1817, maakt het plangebied deel uit van een groter perceel. (fig. 13) Dit perceel (496) is in de bij de kaart behorende Oorspronkelijke Aanwijzende Tafelen (OAT) beschreven als weiland. Het perceel lag tussen twee erven aan de noord- en zuidzijde in. De volgende kadastrale hulpkaart dateert uit 1975 (fig. 16). Op deze kaart is de situatie vergelijkbaar met de oudere kadastrale minuutkaart. Op het kaartmateriaal van na 1975 blijft het perceel onbebouwd en in gebruik als grasland. Op de (minder exacte) topografische kaarten van 1963 en 1972 zijn langs de zuidrand van het plangebied wel kleine houten gebouwen afgebeeld (fig. 14 en 15). Mogelijk is hier tijdens de bouw of sloop van deze gebouwen de bovengrond plaatselijk verstoord geraakt.

Eerder uitgevoerd onderzoek in de omgeving In aanvulling op de reeds genoemde archeologische onderzoeken zijn voor het plangebied de onderzoeken op de locatie Veldweg/Ringweg nog relevant. Deze zijn 100 m ten zuiden van het plangebied uitgevoerd (fig. 5). In een proefsleuvenonderzoek werden archeologische resten uit de Late Middeleeuwen (Elmpt-aardewerk) en de Nieuwe tijd gevonden (zaak 4.572.356.100). In het zuidoosten van de locatie is een boerderij-erf gevonden dat uit de 18e of 19e eeuw leek te dateren. De resten liggen haaks en parallel aan de Veldweg. Deze weg is dus waarschijnlijk een bewoningsas uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd geweest.18 De resten van het erf zijn opgegraven in 2019. Het erf lijkt bestaan te hebben uit twee structuren: een boerderij in het oosten en een gebouw met een onduidelijke functie in het 15 16 17 18

Mostert 2021 Archis-zaakidentificatienummer 4681844100. Mostert 2021 Archis-zaakidentificatienummer 4681844100. Berkvens 2019 Mientjes 2018

Programma van Eisen

Best Veldweg 6

Bureau voor Archeologie

pagina 12 van 50

westen. In de opgegraven zone werden ook veel waterputten gevonden met archeologisch vondstmateriaal uit de 16e tot en met de 19e eeuw. Het erf bestond in 1817 waarschijnlijk uit een boerderij met potstal. In het gebied is ook een loopgraaf gevonden uit 1944. Tijdens operatie Market Garden vonden hevige gevechten plaats en de loopgraaf is door de geallieerden aangelegd om het strategische kruispunt van de Veldweg en de Broeksestraat in handen te houden.19

4.2 Aard en ouderdom van de vindplaats(en) In het plangebied kunnen resten uit alle archeologische perioden aanwezig zijn. Met name worden op basis van het reeds uitgevoerde archeologische onderzoeken van het project Dijkstraten en langs de Veldweg resten uit de Bronstijd, IJzertijd, Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd verwacht. Er moet rekening gehouden worden met de complextypen bewoning, economie, infrastructuur, rituelen en begravingen.

4.3 Begrenzing en oppervlakte van de vindplaats(en) In het plangebied is nog geen vindplaats aangetroffen. Over de begrenzing en oppervlakte van een eventuele archeologische vindplaats in het plangebied kunnen daarom nog geen uitspraken gedaan worden.

4.4 Structuren en sporen In het plangebied kunnen nederzettingsresten worden aangetroffen. De resten kunnen bestaan uit o.a. paalsporen, funderingsgreppels. Ook andere complextypen (o.a. erfafscheidingen, waterputten en afvalkuilen, akkerlagen, infrastructuur, begravingen) kunnen aangetroffen worden. Op basis van het uitgevoerde archeologische onderzoek worden geen grafresten in het plangebied verwacht, maar deze kunnen ook niet geheel worden uitgesloten.

4.5 Anorganische artefacten In het plangebied worden alle mobilia die behoren tot het normale vondstenspectrum van een agrarische (landelijke) nederzetting verwacht: (fragmenten van) aardewerk, bouwkeramiek (baksteen, dakpannen) en natuurstenen bouwmateriaal (leisteen, grind), glas (m.n. vaatwerk en sieraden), gereedschappen en overige gebruiksvoorwerpen van metaal en natuursteen (bijv. maalstenen), gebruiksvoorwerpen behorende tot de kleding (onderdelen van gordels, riemen), munten. Mogelijk zijn restanten van ambachtelijke activiteiten (o.a. metaalslakken, gereedschap) aanwezig. Bij de opgraving ten noorden van het plangebied zijn bij de aanleg van de vlakken verspreid door het plan ook enkele vuurstenen artefacten gevonden die uit het midden- en laatmesolithicum of uit het vroeg-neolithicum dateren. Dergelijk fragmenten zouden ook in onderhavig plangebied aangetroffen kunnen worden.

4.6 Organische artefacten Vermoedelijk zijn organische artefacten met uitzondering van verbrande artefacten niet goed bewaard gebleven door de diepe grondwaterstand, behalve in diepe archeologische sporen. 19 Archis- vondstlocatie 1260048.

Programma van Eisen

Best Veldweg 6

Bureau voor Archeologie

pagina 13 van 50

4.7 Archeozoölogische en botanische resten Alle archeozoölogische en botanische resten die in het spectrum van agrarische (landelijke) nederzetting aanwezig kunnen zijn, kunnen ook hier worden aangetroffen. Algemeen is de kalkloze bodem ongunstig voor de conservering van botmateriaal en botanische resten en daardoor zullen dergelijke objecten alleen goed zijn geconserveerd in diepere humeuze sporen die tot onder het grondwater doorlopen.

4.8 Motivatie Het is onbekend of in het plangebied een archeologische vindplaats aanwezig is en wat de aard en datering is van een eventuele vindplaats. Daarom is een globale verwachting op basis van vindplaatsen in de omgeving van het plangebied en het bodemtype opgesteld.

4.9 Archeologische stratigrafie en diepte van vondstlagen In het plangebied is waarschijnlijk sprake van een esdek van ca. 50 cm dik, mogelijk op een oude akkerlaag, rustend op de natuurlijke ondergrond. In de top van de natuurlijke ondergrond kan een restant van de oorspronkelijke podzolbodem bewaard zijn gebleven. Het is mogelijk dat het esdek en de onderliggende akkerlaag in grote mate verspit/omgewerkt zijn zoals op de locatie Veldweg/Ringweg. Het archeologische sporenniveau bevindt zich direct onder de humeuze bovengrond, op ca. 60 cm -mv., op de overgang naar het dekzand. Het is mogelijk dat in het plangebied nog een restant van de podzolbodem aanwezig is. In de podzolbodem zelf kan nog een vondststrooiing van vuursteenartefacten uit de prehistorie aanwezig zijn.

4.10 Gaafheid en conservering De conservering is waarschijnlijk matig vanwege de relatief lage grondwaterspiegel en de zure omstandigheden in het dekzand. Organische artefacten zijn waarschijnlijk vergaan maar anorganische artefacten zijn wel goed bewaard gebleven. Omdat het plangebied de laatste twee eeuwen in gebruik is geweest als grasland/weiland wordt een goede conservering verwacht.

Programma van Eisen

Best Veldweg 6

Bureau voor Archeologie

Hoofdstuk 5

pagina 14 van 50

Doelstelling en vraagstelling

5.1 Doelstelling Het onderzoek wordt uitgevoerd volgens het protocol IVOProefsleuvenonderzoek (IVO-P) waarbij het doel is om eventuele vindplaatsen op te sporen en te waarderen. Op basis van deze waardering kan de behoudenswaardigheid van de aanwezige resten worden vastgesteld en kan worden bepaald of in het plangebied een opgraving noodzakelijk is. Indien noodzakelijk gaat dit PvE uit van een doorstart naar een opgraving. De doelstelling van een eventuele opgraving is het documenteren van de sporen en verzamelen van vondsten, voor zover deze bedreigd worden door de planontwikkeling en het beantwoorden van de vooraf geformuleerde onderzoeksvragen om zo de nieuwe archeologische inzichten te ontsluiten voor de beroepsgroep.

5.2 Relatie met NOaA en/of andere onderzoekskaders Het plangebied ligt in het archeologisch landschap 'Roerdalslenk', in de landschapszone dekzandvlakten.20 Het plangebied ligt in ArcheoRegio ‘Brabants zandgebied’. De aangetroffen resten kunnen mogelijk een bijdrage leveren aan één of meerdere onderzoeksthema's uit de desbetreffende hoofdstukken van de Nationale Onderzoeksagenda Archeologie (NOaA): •

Hoofdstuk 17: De Late Prehistorie in Noord-, Oost- en Zuid-Nederland en het rivierengebied.21

•

Hoofdstuk 20: De Romeinse tijd, Middeleeuwen en vroegmoderne tijd in het Midden- en Oost-Nederlands zandgebied.22

•

Hoofdstuk 22: De Middeleeuwen en Vroegmoderne tijd in Zuid-Nederland, Amersfoort.23

5.3 Vraagstelling Het archeologisch onderzoek is gericht op het zoeken naar archeologische vindplaatsen en hun ruimtelijke en (cultuur)landschappelijke context. Omdat de aard en kwaliteit van de te verwachten resten vooralsnog onbekend is, is het niet zinvol in dit PvE al een uitputtende reeks gedetailleerde onderzoeksvragen te formuleren. Voor alle vragen geldt, dat indien ze niet beantwoord kunnen worden, de meest waarschijnlijke oorzaak hiervan dient te worden genoemd. Indien geen antwoord mogelijk is, dient dat toegelicht te worden. Geef de mate van zekerheid of onzekerheid aan. Antwoorden op vragen, waarop in eerste instantie het antwoord ja/nee is, dienen te worden toegelicht met een beargumenteerde interpretatie.

20 21 22 23

Rensink e.a. 2015 Gerritsen, Jongste en Theunissen 2005 Groenewoudt, Groothedde en Van der Velde 2006 Arts e.a. 2007

Programma van Eisen

Best Veldweg 6

Bureau voor Archeologie

pagina 15 van 50

5.4 Onderzoeksvragen De volgende onderzoeksvragen zijn opgesteld: 1. Zijn binnen het plangebied één of meer archeologische vindplaatsen aanwezig? 2. Wat is de lithologische, lithogenetische en geologische bodemopbouw van het plangebied? 3. Is er een esdek of andere oude akkerlaag aanwezig en vanaf wanneer is het plaggendek aangelegd? 4. In welke mate is het onderzoeksgebied verstoord? 5. Indien sporen en/of structuren aanwezig zijn, wat is de aard, omvang, datering, fasering en conserveringstoestand van de sporen en structuren? 6. Welke materiaalcategorieën zijn aanwezig en hoe is de conserveringstoestand van de verschillende vondstcategorieën? 7. Wat is de datering van de archeologische vondsten, tot welke vondsttypen of vondstcategorieën behoren zij en hoe is de conserveringstoestand? 8. Indien archeologische resten afwezig zijn: wat is hiervoor de verklaring? 9. Wat is de ruimtelijke spreiding van de archeologische resten, zowel horizontaal als verticaal / stratigrafisch? 10. Kan een relatie, en zo ja welke, worden gelegd met de vondsten / vindplaats in het plangebied en die in de omliggende vindplaatsen van het project Dijkstraten? 11. Is sprake van een behoudenswaardige vindplaats op basis van de criteria voor het waarderen van vindplaatsen uit KNA 4.1? 12.

Welk risico lopen de geconstateerde archeologische waarden door de voorgenomen verstoring? Is behoud of verder onderzoek vanuit AMZperspectief gewenst? 13. Welke strategische en methodische aanbevelingen kunnen worden gegeven voor vervolgonderzoek, zowel binnen dit onderzoeksgebied als in aangrenzende of naburige percelen? Indien een doorstart naar een opgraving noodzakelijk geacht wordt zijn aanvullende onderzoeksvragen van toepassing. Deze vragen dienen toegespitst te zijn op de in het plangebied aanwezige vindplaats of vindplaatsen. Een eventuele vindplaats zal vergeleken moeten worden met de vindplaatsen uit het projectgebied Dijkstraten en/of de vindplaats op de hoek van de Veldweg en de Ringweg. De aanvullende vragen dienen opgesteld te worden op basis van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek en worden vastgelegd door middel van een addendum op dit PvE.

Programma van Eisen

Best Veldweg 6

Bureau voor Archeologie

Hoofdstuk 6

pagina 16 van 50

Methoden en technieken

6.1 Methoden en technieken De uitvoering van het gehele onderzoek dient conform de KNA versie 4.1 en onderhavig PvE te gebeuren.24 Algemeen: •

De kraanmachinist verdiept laagsgewijs naar het aan te leggen vlak.

•

Het archeologisch leesbare vlak wordt geschaafd, gefotografeerd, ingekrast, beschreven en getekend op maximaal; schaal 1:50 of digitaal met behulp van bijvoorbeeld een roboticTotal Station of nauwkeurig GPSsysteem. Indien nodig worden detailtekeningen gemaakt.

Metaal detector: •

Zowel tijdens de aanleg als de afwerking dienen de (tussen)vlakken systematisch en vlakdekkend met een professionele metaaldetector te worden afgezocht. De vulling uit de (gecoupeerde) sporen en de stort wordt ook nagezocht met de metaaldetector.

Verzamelen en inmeten vondsten •

Vondsten worden per spoor verzameld. Dit geldt zowel voor het vlak als voor profielen. Binnen grondsporen worden vondsten per laag/vulling en eventueel segment verzameld.

•

Vondsten buiten grondsporen worden in beginsel in vakken van 2 x 2 m verzameld, waarbij de behorende bodemhorizont en/of NAP-hoogte wordt geregistreerd. Metaalvondsten of mobilia met een bijzonder karakter, zoals een stenen (hamer)bijl, worden driedimensionaal ingemeten.

•

In het geval van vondstrijke cultuurlagen en concentraties wordt in overleg met de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant/gemeente Best overlegd hoe de vondsten zullen worden verzameld en ingemeten. De werkwijze bij een concentratie vuursteen is hieronder gegeven.

•

Cultuurlagen worden steekproefsgewijs doorzocht op vondstmateriaal.

•

Stortvondsten worden per sleuf verzameld.

•

Bijzondere vondsten worden als puntvondst (X-, Y-, Z-coördinaten) ingemeten en verzameld.

Fotografie •

Er worden foto’s gemaakt van de algemene situatie, waaronder terrein en omgeving bij aanvang van het werk, de vlakken, de profielen, de grondsporen in het vlak en de coupes. Tevens worden er van belangwekkende en/of kwetsbare vondsten op de plaats van aantreffen foto’s gemaakt. Ten behoeve van publicatie of expositie worden ook actieof illustratieve foto’s gemaakt.

•

Elk vlak, coupe en profiel wordt gefotografeerd.

Couperen: 24 SIKB 2018

Programma van Eisen

Best Veldweg 6

Bureau voor Archeologie

pagina 17 van 50

•

Een representatieve selectie van de sporen wordt gecoupeerd, gedocumenteerd en afgewerkt. Waterputten worden zoveel mogelijk in situ behouden. Indien waterputten of andere diepere sporen worden aangetroffen, dan wordt hiervan door middel van een Edelmanboor en/of guts vastgesteld hoe diep deze reiken.

•

Van elke coupe wordt tenminste een foto genomen en een coupetekening gemaakt. Vondstmateriaal wordt bij het couperen laagsgewijs verzameld.

•

Greppels worden minstens één keer over voldoende breedte en lengte gecoupeerd.

Hoogtemetingen: •

Alle vlakken en sporen in de proefsleuven worden volledig gewaterpast, ook bij de zogenaamde lege putten.

•

Van elk vlak worden de NAP-waarden gemeten in één raai in het midden van de sleuf met intervallen van 5 m. Met hetzelfde interval dient ook de hoogte van het maaiveld te worden gemeten.

Overige eisen: 1. Het proefsleuvenonderzoek staat onder leiding van een senior KNA archeoloog die archeologische gegevens conform de KNA documenteert. Deze leidinggevende wordt ondersteunt door een KNA archeoloog BA en een Senior veldtechnicus. 2. De aanleg van de proefsleuven en het trekken van het vlak dient door een senior KNA archeoloog begeleid te worden. De diepte van de werkput en het aantal aan te leggen vlakken is afhankelijk van de aangetroffen stratigrafie. Tijdens het afgraven van zowel de bovengrond als ook de bodemhorizonten zal aandacht moeten worden besteed aan het eerder zichtbaar worden van sporen en vondsten. Al dergelijke vondsten en sporen dienen dan te worden gedocumenteerd voordat verder wordt gegraven naar een mogelijk dieper sporenvlak. Hierbij dienen de tussenvlakken in het plaggendek ook afgezocht te worden met een metaaldetector. Bij het laagsgewijs verdiepen met de graafmachine dient men ook alert te zijn op archeologische mobilia uit het plaggendek (vuursteen, houtskool en/of crematieresten). Indien vuursteen, spikkels houtskool of crematieresten worden getraceerd, dan de locatie als bult laten staan. Locatie vervolgens met schep schavenderwijs verdiepen. Indien er aanwijzingen zijn voor spoorvervaging (uitloging) zal een dieper controlevlak aangelegd moeten worden.

Depressies en laagten worden tot op een eventueel aanwezige B-horizont laagsgewijs verdiept. 3. Er wordt altijd een vlaktekening gemaakt, ook wanneer geen grondsporen of structuurresten zichtbaar zijn. Deze vlak tekening is altijd in het veld aanwezig (ook bij digitaal intekenen). Alle sporen, verstoringen en bodemverkleuringen worden ingetekend en beschreven op de vlaktekeningen. Het puttenplan geeft een overzicht van alle werkputten en het gehanteerde meetsysteem. 4. Waar mogelijk en relevant voor de onderzoeksvragen worden monsters genomen voor 14C of dendrochronologische dateringen en voor botanisch onderzoek uit kansrijke sporen. Bij het aantreffen van sporen

Programma van Eisen

Best Veldweg 6

Bureau voor Archeologie

pagina 18 van 50

van uitzonderlijke aard wordt contact opgenomen met de bevoegde overheid. 5. Bij het aantreffen van verstoringen dienen deze te worden verklaard en gedateerd. Er kan, anders gezegd, niet worden volstaan met een duiding van ‘(sub)recente verstoring’. Verstoorde zones dienen verder verdiept te worden tot op het gele zand (C-horizont) ter controle van mogelijke aanwezige archeologische sporen. 6. Vuursteensites: in het geval vuursteensites worden aangetroffen, dan vindt overleg plaats met de opdrachtgever/bevoegd gezag. Als richtlijn geldt het volgende: Indien in een proefsleuf sprake is van meer dan 2 vuursteenvondsten per m2 bij het laagsgewijs verdiepen van het tussenvlak (vanaf ca 30 – 25 cm boven de C-Horizont), dan dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van een vuursteenconcentratie. In een dergelijk geval wordt in de lengterichting van de proefsleuf over een vermoede concentratie een raai van minstens 10 proefvakjes van 0.5 x 0.5 m aangelegd om de 0.5 m. Deze vakjes worden vanaf het tussenvlak handmatig uitgeschaafd. De grond wordt per laag van 5 cm verzameld en gezeefd over een zeef met een maaswijdte van 3 mm. Het uitschaven vindt plaats tot een diepte waarop in twee achtereenvolgende lagen geen artefacten meer worden aangetroffen. De raai kan verlengd worden indien de concentratie groter blijkt of zich in een bepaalde richting blijkt voort te zetten.

Vervolgens kan, indien blijkt dat het hier om een vuursteenconcentratie gaat, ook in de breedte van de sleuf een raai vakjes over de concentratie worden aangelegd. Van één zijde van de raai worden de profielen van de vakjes getekend, gerelateerd aan een absolute hoogte. Een verdere strategie om de omvang van de concentratie buiten de proefsleuf te bepalen, wordt in overleg met de opdrachtgever/bevoegd gezag bepaald. Bij positieve resultaten wordt het vlak niet machinaal verdiept.

6.2 Strategie Het plangebied is momenteel in gebruik als grasland. De positie van de sleuven is ingetekend in fig. 17. In totaal worden twee sleuven aangelegd, elk met een oppervlakte van 20 x 4 m. Het totaal oppervlak van de proefsleuven is 160 m². Dit is 10,46 % van het plangebied. De oost-west ligging van de proefsleuven sluit aan de bij de (tot nu toe succesvolle) strategie van het project Dijkstraten. De ligging schuin op de perceelsrichting biedt goede kansen om een eventueel haaks op de Veldweg liggende structuur op te kunnen sporen. Indien het noodzakelijk is voor een goede waardestelling en voor een adequate beantwoording van de onderzoeksvragen kan maximaal 16 m2 extra worden uitgebreid. Deze aanvullende vierkante meters kunnen worden gebruikt om sleuven te verlengen of te verbreden, bijvoorbeeld om een groter deel van een structuur bloot te leggen, een spoor te vervolgen of om de begrenzing van een vindplaats beter in beeld te brengen. Bij elke proefsleuf dient eerst een kijkgat te worden aangelegd om de bodemopbouw en het vlakniveau te bepalen. Hierna wordt het vlak schavenderwijs aangelegd tot het niveau van de eventuele archeologische sporen. Naar verwachting is dit onder het plaggendek in de top van de Chorizont. Er wordt uitgegaan van de aanleg van één vlak.

Programma van Eisen

Best Veldweg 6

Bureau voor Archeologie

pagina 19 van 50

Indien geen sporen zichtbaar zijn, of als de sporen slecht zichtbaar zijn, wordt een controlevlak circa een decimeter dieper in de C-horizont aangelegd om te zien of sporen zich hier (beter) aftekenen. Indien op een ander niveau sprake is van een archeologisch leesbaar vlak kan ervoor gekozen worden één extra vlak aan te leggen. Alvorens hiertoe wordt overgegaan dient te worden overlegd met de opdrachtgever en deskundige namens het bevoegde overheid, en dient van beiden instemming te worden verkregen. De kosten voor de aanleg van een extra vlak dient te worden meegenomen als stelpost. Bij het aantreffen van een combinatie van een podzolbodem en vuursteenvondsten tijdens het aanleggen kan sprake zijn van een vuursteenvindplaats. Zie onder 6.1 hoe daar mee om moet worden gegaan.

6.3 Omgang kwetsbaar vondstmateriaal Kwetsbaar vondstmateriaal wordt behandeld volgens de Leidraad KNA Eerste Hulp bij Kwetsbaar vondstmateriaal.25

6.4 Structuren en grondsporen Om tot een goede waardering van de vindplaats te komen, dienen tijdens het proefsleuvenonderzoek sporen te worden gecoupeerd en afgewerkt om de kwaliteit en conservering van de sporen te kunnen inschatten. Een uitzondering vormen duidelijke structuren of een overvloed aan sporen. Indien onduidelijkheid bestaat over het wel of niet couperen dient contact opgenomen te worden met de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant/gemeente Best. Sloten en greppels dienen zodanig gecoupeerd en leeg geschaafd te worden dat de onderzoeksvragen beantwoord kunnen worden. Tevens dient gelet te worden op het voorkomen van sporen in of onder de sloten en greppels (bijvoorbeeld door delen van de greppels in de lengterichting te couperen). Indien sloten en greppels tot een erf behoren, dienen op regelmatige afstand monsters uit coupes genomen te worden, teneinde informatie over activiteitencentra op de erven te verzamelen. Grotere sporen worden in secties of door middel van kwadranten onderzocht. Tijdens het veldwerk worden detailfoto’s en overzichtsfoto’s genomen van de werkzaamheden ter documentatie en voor publicatiedoeleinden. Bovendien dient in iedere werkput een aantal representatieve overzichtsfoto’s te worden gemaakt van het opgravingsvlak.

6.5 Aardwetenschappelijk onderzoek Het aardwetenschappelijk onderzoek bestaat uit het bestuderen van de profielopbouw middels kolomopnames. De opnames hebben een diepte van 1 m onder mv of tot 20 cm in de C-horizont. Tijdens het veldwerk dient zo snel mogelijk duidelijkheid worden verkregen in de aard en ouderdom van het dekzand. Aldus moet duidelijk worden op welk niveau resten uit het LaatPaleolithicum kunnen liggen en dienovereenkomstig kan de opgravingsstrategie desgewenst daarop aangepast worden. 25 CCvD 2006

Programma van Eisen

Best Veldweg 6

Bureau voor Archeologie

pagina 20 van 50

Het lengteprofiel wordt beschreven en getekend middels 2 m brede kolomopnames aan het begin en einde van een van de van de werkput. Bij afwijkende patronen in de bodemopbouw of grondsporen in de putwand (te denken valt aan lokale depressies, afvallagen, restanten van oud loopvlak et cetera) wordt het hele profiel getekend en gefotografeerd (schaal 1:20). Bij uitzonderlijke fenomenen waar het optekenen van een compleet bodemprofiel gewenst is, vindt eerst overleg plaats met de gemeente Reusel-De Mierden/Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant. De profielen worden beschreven en getekend op basis van archeologica, textuur, kleur, structuur en lithostratigrafie. Indien sprake is van bijzondere fenomenen als veen- of oude cultuurlagen, dan worden deze selectief (d.w.z. in relatie tot de onderzoeksvragen) bemonsterd voor pollenanalyse en/of slijpplaatonderzoek. Hiertoe wordt aanvullend in het veld een specialist geraadpleegd.

6.6 Anorganische artefacten Vondsten dienen te worden verzameld, gedocumenteerd, genummerd, geregistreerd op een daartoe geëigend formulier met bijbehorende digitale bestanden, verwerkt, gesorteerd en zo verpakt te worden dat de conditie van het materiaal zo stabiel mogelijk blijft. Hierbij wordt verwezen naar de leidraden anorganisch vondstmateriaal van de KNA.26 Er dient bij de aanleg van ieder vlak gebruik te worden gemaakt van een metaaldetector. Representatieve metaalvondsten worden individueel 3D ingemeten en verzameld. In het geval van bijzondere anorganische vondsten moeten – na overleg met de opdrachtgever en het bevoegd gezag – specialisten op de betreffende gebieden geraadpleegd en of ingeschakeld worden bij het onderzoeken van de sporen en het bergen van de vondsten. Metaalvondsten en losse vuursteenvondsten worden vanaf het tussenvlak (laatste 20 tot 30 cm boven het spoorniveau) tijdens het laagsgewijs verdiepen individueel ingemeten (X, Y, Z-waarden) en verzameld. Vanaf het maaiveld tot aan het tussenvlak kunnen deze vondstcategorieën per sleuf worden verzameld. Stortvondsten worden per put of werkeenheid verzameld en geregistreerd. Vlakvondsten (geen metaal) uit cultuurlagen worden verzameld in vakken van 2 bij 2 meter.

6.7 Organische artefacten Vondsten dienen te worden verzameld, gedocumenteerd, genummerd, geregistreerd op een daartoe geëigend formulier met bijbehorende digitale bestanden, verwerkt, gesorteerd en zo verpakt te worden dat de conditie van het materiaal zo stabiel mogelijk blijft. Hierbij wordt verwezen naar de leidraden organisch vondstmateriaal van de KNA.27 Aanlegvondsten die niet aan sporen kunnen worden toegewezen, worden alleen indien relevant voor datering verzameld in vakken. De breedte van de vakken is maximaal de breedte van de put. De lengte van de vakken is maximaal 5 m.

26 https://www.sikb.nl/archeologie/kna-leidraden 27 id.

Programma van Eisen

Best Veldweg 6

Bureau voor Archeologie

pagina 21 van 50

6.8 Archeozoölogische, archeobotanische en fysisch antropologische resten Botanische en zoölogische monsters worden genomen uit aanwezige kansrijke goed gesloten sporen en contexten. De sporen dienen wel op basis van vondstmateriaal gedateerd te kunnen worden. Behandeling volgens Leidraad 1 Veldhandleiding Archeologie.28 Uitwerking en analyse van de monsters geschiedt na overleg met de opdrachtgever en de deskundige namens de bevoegde overheid. Hierbij wordt verwezen naar de Leidraad KNA Eerste Hulp bij Kwetsbaar vondstmateriaal. In het geval menselijke inhumatiegraven en/of crematiegraven worden aangetroffen, dan wordt de bevoegde overheid hiervan direct op de hoogte gebracht. Ook hier geldt de richtlijn voor (de)selectie KNA 4.1 OS13.

6.9 Overige resten Andere resten dan reeds genoemd worden niet verwacht (diatomeeën, mijten etc.).

6.10 Dateringstechnieken Uit kansrijke sporen dienen, ongeacht of hier dateerbaar vondstmateriaal uitkomt, te worden bemonsterd ten behoeve van 14C- en/of dendrochronologisch onderzoek. In het veld dient te worden bepaald of de betreffende sporen/lagen geschikt zijn voor bemonstering, welke dateringstechniek kan worden gebruikt, en voor welke onderzoeksvragen de datering geschikt is. Eventuele uitwerking van tijdens het veldwerk genomen monsters en de met zich meebrengende kosten, worden in het evaluatierapport voorgelegd aan de opdrachtgever en de deskundige namens de bevoegde overheid.

6.11 Beperkingen Het perceel moet ten tijde van de uitvoering van de werkzaamheden goed toegankelijk zijn voor een graafmachine. Tijdens het verkennend bodemonderzoek zijn in het plangebied geen verontreinigingen vastgesteld. Saneringsmaatregelen zijn dus niet noodzakelijk.29

28 Carmiggelt en Schulten 2002 29 Van den Heuvel 2013, 6

Programma van Eisen

Best Veldweg 6

Bureau voor Archeologie

Hoofdstuk 7

pagina 22 van 50

Uitwerking en conservering

7.1 Structuren, grondsporen, vondstspreidingen Uitwerking van de tijdens het onderzoek aangetroffen sporen en structuren vindt plaats tot het niveau dat noodzakelijk is voor de beantwoording van de onderzoeksvragen. De beschrijving van de sporen en structuren dient conform de eisen in de KNA 4.1 en de eisen in dit PvE te worden uitgevoerd.

7.2 Analyse aardwetenschappelijke gegevens De profielen worden in het veld geanalyseerd door een archeoloog die ervaren is in het Brabantse zandgebied. Indien in het profiel natuurlijke sedimenten aanwezig zijn, worden deze in overleg met een fysisch geograaf geanalyseerd.

7.3 Anorganische artefacten Deze categorie vondsten wordt uitgewerkt voor zover nodig voor beantwoording van de vraagstelling. Bijzondere vondsten worden gefotografeerd. Na afloop van het veldwerk wordt op basis van het evaluatierapport en in overleg met de opdrachtgever en de deskundige namens de bevoegde overheid bepaald welke en in welke mate de aangetroffen materiaalcategorieën, monsters e.d. worden uitgewerkt ten behoeve van de rapportage. Alle vondsten worden conform de eisen van het depot voor deponering klaar gemaakt. Conform de KNA 4.1 is het niet deponeren (deselecteren) van vondsten alleen mogelijk met instemming van de eigenaar van het vondstmateriaal (de depothouder). Het voorstel hiervoor wordt opgenomen in het evaluatierapport.

7.4 Organische artefacten Deze categorie vondsten wordt uitgewerkt voor zover nodig voor beantwoording van de vraagstelling. Bijzondere vondsten worden gefotografeerd. Na afloop van het veldwerk wordt op basis van het evaluatierapport en in overleg met de opdrachtgever en de deskundige namens de bevoegde overheid bepaald welke en in welke mate de aangetroffen materiaalcategorieën, monsters e.d. worden uitgewerkt ten behoeve van de rapportage. Alle vondsten worden conform de eisen van het depot voor deponering klaar gemaakt. Conform de KNA 4.1 is het niet deponeren (deselecteren) van vondsten alleen mogelijk met instemming van de eigenaar van het vondstmateriaal (de depothouder). Het voorstel hiervoor wordt opgenomen in het evaluatierapport

7.5 Archeozoölogische en -botanische resten De vondsten worden per materiaalcategorie beschreven conform de daarvoor gebruikelijke determinaties (ten minste conform Archeologisch BasisRegister), geteld en eventueel gewogen. Ook hiervoor geldt dat de vondsten dienen te worden uitgewerkt tot op het niveau dat nodig is voor de beantwoording van de onderzoeksvragen en zodat deze voldoen aan de depoteisen, en bij (vergankelijke) vondsten dient in eerste instantie minimaal gezorgd te worden voor stabilisering van de staat waarin ze zijn gevonden. De materiaalanalyses worden uitgevoerd door specialisten met aantoonbare ervaring op het gebied van

Programma van Eisen

Best Veldweg 6

Bureau voor Archeologie

pagina 23 van 50

betreffende materiële cultuur, botanische resten en/of archeozoölogische resten uit de aangetroffen perioden

7.6 Beeldrapportage Beeldrapportage zal worden opgenomen waar dit de tekst verduidelijkt. In ieder geval wordt de allesporenkaart van elke vindplaats in detail weergegeven met spoornummers op een leesbare schaal, relevante profielen/profielkolommen, relevante coupetekeningen, foto’s, tekeningen en foto’s van karakteristieke/bijzondere vondsten en sporen en structuren worden per periode weergeven. Wanneer vindplaatsen worden aangetroffen dienen deze geplot te worden op oud kaartmateriaal en, indien relevant, afgebeeld te worden. Er dient rekening te worden gehouden met overige vereisten uit de KNA 4.1

Programma van Eisen

Best Veldweg 6

Bureau voor Archeologie

Hoofdstuk 8

pagina 24 van 50

(De)Selectie en conservering

8.1 Selectie materiaal voor uitwerking Na afloop van het veldwerk wordt op basis van het evaluatierapport en in overleg met de opdrachtgever en de deskundige namens de bevoegde overheid bepaald welke en in welke mate de aangetroffen materiaalcategorieën, monsters e.d. worden uitgewerkt ten behoeve van de rapportage. Het evaluatierapport kan onder bepaalde voorwaarden vervallen, zie hoofdstuk 9.2

8.2 Selectie materiaal voor deponering en verwijdering Tijdens de evaluatiefase wordt in het selectie/evaluatierapport een voorstel gedaan voor te deponeren en te verwijderen vondsten. Het selectierapport wordt tijdens de evaluatiefase ter goedkeuring aan de depothouder c.q. eigenaar van de vondsten wordt voorgelegd. Pas na goedkeuring van het selectierapport door de eigenaar kunnen deze vondsten en monsters op controleerbare wijze worden verwijderd. Het onderbouwde deselectie voorstel wordt met tabellen per vondstgroep weergegeven in het evaluatieverslag. Per object, waarvoor geadviseerd wordt het te deselecteren, betreft de vondstdocumentatie minimaal de volgende informatie: 1. (Uniek) vondstnr., 2. spoornr. c.q. context waarin de vondst is aangetroffen, 3. soort spoor c.q. context, 4. datering spoor c.q. context, 5. datering vondst, 6. aard van het object (determinatie), 7. conserveringstoestand (corrosie, etc.), 8. bijzonderheden (inscripties, bewerkingssporen, etc.), 9. röntgen J/N (röntgen van het object is verplicht als object van metaal is en de vondst op het oog niet te determineren is vanwege bijv. de corrosie). 10. motivering en onderbouwing voor het verwijderen uit vondstcomplex.

Eventuele vondsten (anorganische en organische artefacten), die zijn verzameld, worden aanvullend op KNA-((de)-selectie)richtlijnen KNA 4.1 verpakt, gecodeerd en voorzien van bijbehorende documentatie en veldgegevens conform de eisen van het Provinciaal Depot Bodemvondsten Noord-Brabant.

8.3 Selectie materiaal voor conservering Alle voor de beantwoording van de vraagstellingen uit het PvE relevante vondsten uit gesloten context worden geconserveerd of gestabiliseerd aangeleverd opdat er geen noemenswaardige achteruitgang van het materiaal zal plaats vinden. Voor conservering dient een stelpost van EUR 500,- te worden opgenomen.

Programma van Eisen

Best Veldweg 6

Bureau voor Archeologie

Hoofdstuk 9

pagina 25 van 50

Deponering

9.1 Eisen betreffende depot Na afronding van het onderzoek wordt het geheel, conform de daarvoor geldende normen en eisen (KNA-specificatie DS02 & DS03) aangeleverd via het landelijk e-loket ArcheoDepot (www.archeodepot.nl), geüpload via het E-formulier (https://fd9.formdesk.com/gboprod/Aanmelden_Pakbon_Update) en zo overgedragen aan het Provinciaal Depot Bodemvondsten Noord-Brabant (PDB). Het deponeren van archeologische vondsten en onderzoeksdocumentatie vindt plaats volgens de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, protocol 4004 Opgraven, OS17: “Gestandaardiseerde beschrijving van projectdocumentatie bij het deponeren van archeologisch vondsten en monsters (d.m.v. pakbon)”. De vondsten zijn minimaal beschreven conform Codetabel 1 Artefacttype. Onder protocol 4004 wordt onder het begrip pakbon verstaan: het document dat bij het te deponeren materiaal en/of de documentatie wordt gevoegd en op gestandaardiseerde wijze een beschrijving geeft van de inhoud van het aangeleverde. Bij de digitale aanlevering bestaat de pakbon uit een XMLbestand, conform SIKB-protocol 0102 en wordt zo tevens als digitale documentatie, conform KNA-specificatie DS05, overgedragen aan het e-Depot DANS. Na deponering is het Onderzoeksmeldingsnummer (ARHIS) structureel gelinked met de Persistent Identifier (DANS), zodat de data digitaal altijd te traceren zijn.

9.2 Te leveren product Er wordt een evaluatierapport, een selectierapport, een conceptrapport en tenslotte een definitief rapport geleverd. Het is mogelijk dat tijdens het onderzoek geen (behoudenswaardige) archeologische waarden of vondsten worden aangetroffen. In deze situatie kan ervoor gekozen worden, in overleg met de bevoegde overheid, het evaluatierapport over te slaan en direct na het veldwerk het conceptrapport op te stellen. Een selectierapport, conceptrapport en definitief rapport worden altijd geleverd. Het definitieve rapport is een rapport volgens de KNA en volgens de bepalingen in dit PvE. De verzamelde gegevens dienen zodanig te worden beschreven en verbeeld dat de beantwoording van de in dit PvE gestelde onderzoeksvragen helder en onderbouwd is en de veldgegevens in een later stadium voor iedereen toetsbaar en controleerbaar zijn (overzichtstekeningen, foto’s, sporenlijsten, vondstenlijsten, etc.). Het eindrapport verschijnt digitale (pdf) vorm. Het rapport wordt uitgegeven door de opdrachtnemer. Van het definitieve rapport wordt een exemplaar ter beschikking gesteld aan de opdrachtgever en de gemeente. Het uitvoerende bedrijf levert tevens één exemplaar van het rapport aan de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), het provinciale depot, het edepot, de lokale heemkundekring en de Archeologische Vereniging Kempen- en Peelland.

Programma van Eisen

Best Veldweg 6

Bureau voor Archeologie

Hoofdstuk 10

pagina 26 van 50

Randvoorwaarden en aanvullende eisen

10.1 Personele randvoorwaarden Het onderzoek dient te worden uitgevoerd conform de richtlijnen KNA 4.1 en voorliggend PvE. Het onderzoek staat onder leiding van een senior KNA Archeoloog. Het veldteam bestaat minimaal uit twee personen: een uitvoerend projectleider (senior KNA archeoloog), die minimaal vier dagen per week aanwezig is, en een KNA Archeoloog/Senior veldtechnicus. De graafwerkzaamheden worden uitgevoerd door een kraanmachinist met aantoonbare ervaring op de zandgronden. Een fysisch geograaf met een specialisatie in zandgronden of een archeoloog met relevante fysischgeografische ervaring wordt ingezet voor de interpretatie van de bodemprofielen. De materiaalanalyses worden uitgevoerd door specialisten met aantoonbare ervaring op het gebied van materiële cultuur, botanische en archeozoölogische resten uit de te verwachten perioden. Een van de medewerkers heeft ruime ervaring met onderzoek m.b.v. een metaaldetector. Tijdens het veldwerk wordt gelegenheid geboden aan leden van de heemkundekring van Best en de Archeologische Vereniging Kempen en Peelland (AWN23) om te participeren in het onderzoek.

10.2 Overlegmomenten Bij bijzondere of onvoorziene vondsten of grondsporen en/of afwijkingen ten opzichte van het PvE dient contact te worden opgenomen met de opdrachtgever en de deskundige namens de bevoegde overheid. De wijzigingen in het PvE dienen in het evaluatierapport verklaard te worden. Daarnaast moeten de wijzigingen ook in het eindrapport worden verantwoord. Wanneer tijdens deze overlegmomenten wordt geconstateerd dat deze onvoorziene zaken significante gevolgen (kunnen) hebben voor de conservering en/of deponering van het vondstcomplex, dient de eigenaar (depothouder) hiervan direct op de hoogte te worden gesteld. Externe communicatie rondom het archeologisch onderzoek wordt in eerste instantie afgestemd met de medewerker communicatie van de gemeente Best.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13883844/1