24010.4 - TOELICHTING - BP Naastenbest en Dijkstraten-Zuid, herzieing naast Veldweg 4-6 Best
Tekst van het document
Bestemmingsplan Naastenbest en Dijkstraten-Zuid, herziening naast Veldweg 4 en 6 Best PLANTOELICHTING NL.IMRO.0753.bpVeldweg4en6-ON01
1
Archiefexemplaar van BL23-15470
- BP Naastenbest en Dijkstraten-zuid, herziening naast Veldweg 4 en 6 Best, (Toelichting ont
Titel:
Datum: Projectnummer: Adviesbureau: Auteurs: Contactpersoon: (Post)adres: Telefoon: E-mail: Website:
Bestemmingsplan Naastenbest en Dijkstraten-Zuid, herziening naast Veldweg 4 en 6 Best 16-10-2023 2022.125 Wintraecken Advies B.V. Teun van de Camp Msc. en mr. David Wintraecken David Wintraecken Harry Bolsiuslaan 13 5481 BN Schijndel (073) 850 51 29 / (06) 146 488 29 info@wintraeckenadvies.nl www.wintraeckenadvies.nl
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en/of Wintraecken Advies.
2
INHOUDSOPGAVE 1.
Inleiding ........................................................................................................................................... 5 1.1
Planvoornemen en doel ........................................................................................................... 5
1.2
Ligging en begrenzing van de plangebied ............................................................................... 6
1.3
Vigerend bestemmingsplan ..................................................................................................... 7
1.4
Leeswijzer ................................................................................................................................ 9
2.
Beschrijving bestaande situatie ..................................................................................................... 10
3.
Visie op het plan ............................................................................................................................ 13 3.1
Uitgangspunten ..................................................................................................................... 13
3.2
Ruimtelijke structuur: locatie, beeldkwaliteit en ruimtelijke inpassing ................................... 13
3.3
Functionele structuur: perspectief ......................................................................................... 14
4.
Beleidstoets ................................................................................................................................... 15 4.1 Inleiding ........................................................................................................................................ 15 4.2 Rijksbeleid .................................................................................................................................... 15 4.3 Provinciaal beleid ......................................................................................................................... 19 4.4 Gemeentelijk beleid ..................................................................................................................... 24
5.
Archeologie en cultuurhistorie ....................................................................................................... 28
6.
Flora en fauna: toetsing natuurwetgeving en stikstof(depositie) ................................................... 33
7.
Water ............................................................................................................................................. 35
8.
Fysieke belemmeringen: (ondergrondse) infrastructuur / kabels en (buis)leidingen .................... 37
9.
Milieu-hygiënische verantwoording ............................................................................................... 39 9.1 Inleiding ........................................................................................................................................ 39 9.2 M.e.r.-beoordeling ........................................................................................................................ 39 9.3 Bodem .......................................................................................................................................... 41 9.4 Geluid ........................................................................................................................................... 41 9.5 Bedrijven en milieuzonering ......................................................................................................... 43 9.6 Luchtkwaliteit ............................................................................................................................... 45 9.7 Externe veiligheid......................................................................................................................... 49 9.8 Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen .............................................................................. 53
10.
Verkeer en parkeren .................................................................................................................. 55
3
11.
Juridische planopzet .................................................................................................................. 56
11.1
Het bestemmingsplan als juridisch instrument ...................................................................... 56
11.2
Systematiek van de regels .................................................................................................... 56
11.3
Bebouwing algemeen ............................................................................................................ 57
11.4
Toelichting bestemmingen ..................................................................................................... 57
12.
Economische uitvoerbaarheid ................................................................................................... 58
13.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid ............................................................................................. 59
14.
Slotconclusie.............................................................................................................................. 60
Bijlagen 1. Programma van Eisen (getekend) - Archeologisch proefsleuvenonderzoek met optionele doorstart naar opgraving, projectnummer : 2021070102, 17-04-2023 2. Quickscan Wet natuurbescherming Veldweg 6 te Best, Blom Ecologie, project: 2021730, 03-06-2022 3. Notitie AERIUS Veldweg 6 te Best, Blom Ecologie, project: 2021-730, 03-06-2022 4. Watertoets ter plaatse van de Veldweg 6 te Best, MILON, projectnummer: 20211990, 07-06-2022 5. Verkennend bodemonderzoek Veldweg 6 te Best, MILON, projectnummer: 20221521, 23-05-2022 6. Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, Veldweg 6 Best, De Roever Omgevingsadvies, referentie: 20220603.v02, 4 januari 2023 7. Advies Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost, kenmerk: P131867 8. Verslag omgevingsdialoog 9. Vooroverlegreactie provincie
4
1. Inleiding 1.1 Planvoornemen en doel Initiatiefnemer heeft het planvoornemen om, in afwijking van het bestemmingsplan, twee vrijstaande woningen op te richten op een gedeelte van de locatie kadastraal bekend als gemeente Best, Sectie E, nummer 5418, gelegen aan de Veldweg 4 en 6 te Best. Een en ander wordt voorzien van bijbehorende (groen)inrichting, infrastructuur en voldoende parkeervoorzieningen op eigen terrein. De oprichting van de woningen vindt plaats op het noordelijke deel van het bestaande perceel. Navolgende afbeelding betreft een eerste weergave van de inpassing van de bouwvlakken voor beide woningen, binnen de gele lijnen.
Het College van B&W heeft in april 2022 besloten in principe medewerking te verlenen aan een ruimtelijke procedure voor de realisatie van de twee vrijstaande woningen, mits sprake is van goede ruimtelijke ordening. Een ruimtelijke procedure moet worden gevolgd voor aanvragen omgevingsvergunning die niet in het bestemmingsplan passen, bepaald gebruik dat niet bestemd is of voor compleet nieuwe initiatieven. Het initiatief moet in ieder geval voldoen aan de volgende voorwaarden: 1. door/namens initiatiefnemer dient een volledige ruimtelijke onderbouwing met alle benodigde actuele onderzoeken aangeleverd te worden. Hieruit moet blijken dat voldaan wordt aan de beleidskaders en géén sprake is van ruimtelijke, milieutechnische en/of andere belemmeringen tegen het initiatief. Een omgevingsdialoog maakt hiervan onderdeel uit. 2. de stedenbouwkundige kaders en randvoorwaarden voor de beeldkwaliteit die door onze stedenbouwkundige en stadsbouwmeester worden uitgewerkt zijn leidend;
5
3. parkeren op eigen terrein wordt geregeld; 4. de twee percelen behorende bij de twee woningen samen maximaal een oppervlakte van 1000 m² mogen hebben. Doelstelling van onderhavig bestemmingsplan is om de realisatie van het onderliggende bouwplan planologisch en juridisch mogelijk te maken. Uit deze plantoelichting blijkt dat het plan geen negatieve ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische gevolgen heeft voor het plangebied en de directe omgeving ervan en dat aan de door gemeente gestelde voorwaarden wordt voldaan. In dit kader zijn de ruimtelijke en milieu-hygiënische effecten van de ontwikkeling nader beschouwd. Ook blijkt hoe het plan zich verhoudt tot de aanwezige functies, waarden en kwaliteiten binnen het plangebied en de directe omgeving ervan. Kortom, het bestemmingsplan onderbouwt dat het (bouw)plan past binnen het betrokken gebied. Aan de volgende deels juridische voorwaarden dient te worden voldaan: • het motiveren van de afwijking(en) van de geldende bestemming middels het opstellen van een bestemmingsplan; • het met een bestemmingsplan aantonen van de ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid; • het in procedure brengen van het bestemmingsplan. 1.2 Ligging en begrenzing van de plangebied Initiatiefnemer is eigenaar van de plangronden, kadastraal bekend als gemeente Best, Sectie E, nummer 5418.
Zie navolgende kadastrale ondergrond met binnen de rode belijning de ligging en globale begrenzing van het plangebied.
6
Het plangebied ligt aan de noordzijde van de woonkern van Best, omgeven door burgerwoningen, lichte bedrijvigheid en stedelijke voorzieningen. Tevens grenst het plangebied aan de oostzijde aan de nieuwe woonwijk Dijkstraten welke op het moment van schrijven van deze plantoelichting volop in ontwikkeling is. Op navolgende luchtfoto (maps.google.nl) zijn de ligging en (globale) begrenzing van het plangebied en de zoeklocatie voor woningbouw aangegeven.
1.3 Vigerend bestemmingsplan Ter plaatse van het plangebied vigeert het bestemmingsplan “Naastenbest en DijkstratenZuid”. Binnen het plangebied vigeert de hoofdbestemming ‘Wonen’ met bouwaanduiding ‘bijgebouwen’ en de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’. Navolgende afbeelding betreft een uitsnede van de verbeelding van het vigerende bestemmingsplan.
7
Tevens vigeert het bestemmingsplan ‘Parkeernormen en archeologie’ specifiek voor de onderdelen parkeernormen en archeologische verwachtingswaarden. Voor onderhavig plangebied is binnen dit bestemmingsplan de bestemming ‘Waarde - Archeologie 3 (gebied met een hoge archeologische verwachting, historische kern)’ van kracht. Strijdigheid (bouw)plan met vigerend bestemmingsplan Het plan ziet op de oprichting van twee nieuwe, vrijstaande woningen op gronden die daar tot op heden niet voor zijn bestemd. De nieuwe woningen worden opgericht buiten het bouwvlak en overschrijden het maximum aantal toegestane woningen ter plaatse. Onderhavig plangebied is gelegen binnen de grenzen van de kern van Best c.q. de bebouwde kom. Voorts dient het oprichten van nieuwe bouwwerken vooraf worden gegaan van een verkennend archeologisch onderzoek. In onderhavige plantoelichting wordt aandacht besteed aan de ruimtelijke en milieuhygiënische effecten van de gewenste ruimtelijke ontwikkeling. Uit de ruimtelijke onderbouwing blijkt hoe het initiatief zich verhoudt – zowel in negatieve als positieve zin – tot de aanwezige functies en waarden op het plangebied en de directe omgeving ervan. In dit kader worden, behalve het ruimtelijk-planologische beleid en de stedenbouwkundige toets, alle ruimtelijke en milieukundige aspecten nader beschouwd.
8
1.4 Leeswijzer In de volgende hoofdstukken wordt aandacht besteed aan de verschillende aspecten van de ruimtelijke onderbouwing. Hoofdstuk 1 bevat de inleiding. In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van de bestaande situatie. Hoofdstuk 3 geeft de visie op het plan in relatie tot het plangebied en de directe omgeving. Hierin is tevens aandacht voor beeldkwaliteit, stedenbouwkundig plan en de landschappelijke inpassing van het planvoornemen. Hoofdstuk 4 behandelt het beleidskader. Het hoofdstuk 5 tot en met 10 gaat in op de ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aspecten. De juridische aspecten worden toegelicht in hoofdstuk 11, de onderdelen economische uitvoerbaarheid in hoofdstuk 12 en de maatschappelijke uitvoerbaarheid in hoofdstuk 13. Hoofdstuk 14 tot slot bevat de conclusie.
9
2. Beschrijving bestaande situatie Het plangebied ligt in het noorden van Best. Direct ten oosten van het plangebied is de nieuwbouwwijk Dijkstraten gelegen.
10
Navolgend kaartbeeld betreft een weergave van de plangebied in relatie tot de wijde omgeving.
Navolgend foto’s betreffen een weergave van het plangebied bezien vanaf de Veldweg.
11
Het plangebied is in de huidige situatie in gebruik als tuinen behorende bij de objecten Veldweg 6 en 10. De eigenaren van nummer 10 hebben nu een deel van de planlocatie in gebruik. Zij hebben daar een haag geplant. Er zijn gene plannen om deze haag weg te halen. Verder behoort een strook aan de voorzijde van de weg in feite tot het openbaar gebied (greppel/ berm). De woningen 4-6 en 8-10 zijn typerend voor het straatbeeld welk straatje bovendien is opgenomen op de cultuurhistorische waardenkaart. Met de situering, omvang en uitstraling van de beoogde nieuwbouw aan de zijde van de Veldweg wordt met deze punten rekening gehouden, waarbij is gekozen voor een grotere afstand tot weg en het naburige pand (8-10). De straat Veldweg wordt feitelijk enkel gebruikt voor bestemmingsverkeer. De weg loopt grofweg vanaf de Oirschotseweg – een van de doorgaande wegen binnen Best – tot aan de Ringweg – welke uiteindelijk aansluit op de Rijksweg A2. Voor een nadere beschouwing over het plan, de planlocatie in relatie tot beeldkwaliteit en ruimtelijke inpassing wordt verwezen naar paragraaf 3.2.
12
3. Visie op het plan 3.1 Uitgangspunten Voorliggend initiatief gaat uit van inbreiding en herstructurering van een binnenstedelijke locatie. Het plan streeft zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik na. Geen uitbreiding, wel inbreiding, transformatie, herontwikkeling, herstructurering en verdichting. Hiermee wordt expliciet aangesloten bij de provinciale en gemeentelijke ruimtelijke beleidsuitgangspunten en -doelstellingen. Onderhavig plan sluit daarmee aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten, zoals verwoord in de diverse ruimtelijke beleidsstukken van de provincie en gemeente. 3.2 Ruimtelijke structuur: locatie, beeldkwaliteit en ruimtelijke inpassing De planlocatie heeft een stedelijk karakter. Stedenbouwkundig gezien is sprake van een invulling in een reeds ruimtelijke structuur die reeds wordt gekenmerkt door een afwisseling van vrijstaande woningen en geschakelde woningen. De woning aan de Veldstraat is wat verder naar achteren c.q. richting de nummers 4-6 gepositioneerd. De hoofdmassa / hoofdvorm van de nieuwe bebouwing worden / zijn afgestemd op de aanwezige en omliggende c.q. naastgelegen bebouwing, maar vormen wel een eigen architectonische eenheid. Er wordt voor wat betreft de beeldkwaliteit van de nieuwbouw en de maatvoering aangesloten bij de gewenste stedenbouwkundige uitgangspunten.
Voor wat betreft de beeldkwaliteit kan voor de woning aan de Dijkstraten verwezen worden naar de uitgangspunten die gelden voor Dorpscode. Voor de woning aan de Veldweg geldt voor wat betreft de beeldkwaliteit dat deze een landelijke uitstraling dient te krijgen, in de lijn met de omliggende woningen. Één van de voorwaarden van de gemeente om medewerking te verlenen aan het plan was dat de twee percelen behorende bij de twee woningen samen maximaal een oppervlakte van 1000 m² zouden mogen hebben. Het plangebied heeft een totaaloppervlak van circa 1320 m2. Deze grotere oppervlakte is te verantwoorden vanwege de royale afstand van beide bouwvlakken tot de perceelsgrenzen (minimaal 5 meter aan weerszijden) vanwege de logische koppeling met de omliggende bebouwing, de relatief ruime afstand van het westelijke bouwvlak ten opzichte van de Veldweg en de diepte van het plangebied (circa 62 meter). Het initiatief is van toegevoegde waarde voor het ruimtelijke omgevingskader en levert daarmee tevens een positieve invulling aan de waarborging van de stedenbouwkundige
13
karakteristiek en identiteit ter plaatse. Met onderliggend initiatief ontstaat een representatieve locatie die de ruimtelijke beeldkwaliteit van de locatie en directe omgeving ervan onvoorwaardelijk in stand houdt en door de voorgenomen inpassing en vormgeving van het bouwplan zelfs verbetert. 3.3 Functionele structuur: perspectief Met de realisatie van de planontwikkeling ontstaat een representatieve locatie die de ruimtelijke beeldkwaliteit van het gebied niet alleen in stand houdt, maar door de voorgenomen vormgeving en bouwstijl van de beoogde bebouwing zelfs verbetert. Op deze wijze heeft het initiatief een toegevoegde waarde voor het ruimtelijke omgevingskader en levert het daarmee tevens een positieve bijdrage aan de waarborging van de stedenbouwkundige karakteristiek en identiteit ter plaatse. Geconcludeerd kan worden dat het herbestemmen in de vorm van het toevoegen van wooneenheden bijdraagt aan een ruimtelijke en visuele koppeling met de bestaande omliggende bebouwing en daarmee een positieve functionele invulling vormt.
14
4. Beleidstoets 4.1 Inleiding Wat betreft de verantwoordelijkheidstoedeling en bevoegdheidsverdeling zijn het Rijk, de provincies en de gemeenten verantwoordelijk voor hun eigen belangen. Er kan slechts sprake zijn van bemoeienis van Rijk of provincie met de gemeente, indien dat noodzakelijk is vanwege een nationaal respectievelijk provinciaal belang. Rijk en provincies beschikken in de Wet ruimtelijke ordening over dezelfde bevoegdheden als gemeenten om hun eigen ruimtelijke belangen te kunnen uitvoeren. Daarnaast kunnen het Rijk en de provincies algemeen verbindende regels uitvaardigen en aanwijzingen geven om hun belangen veilig te stellen. Het beleid van de gemeente Best vormt dus het kader waarbinnen de functionele en ruimtelijke ontwikkeling wordt vastgesteld. De ruimtelijke ontwikkelingsplannen van Rijk, provincie en regio vormen randvoorwaarden voor het gemeentelijke beleid. Voor zover relevant voor de plannen worden in de volgende paragrafen het Rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid toegelicht. 4.2 Rijksbeleid Toetsingskader Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. In Nederland staan we voor een aantal dringende maatschappelijke opgaven.
Denk aan periodes van droogte, afgewisseld met extreme regenval, de zeespiegelstijging, de overgang naar duurzame energie en de ruimte die nodig is voor windmolens en zonnepanelen. Of de bouw van 1 miljoen nieuwe woningen om het woningtekort op te lossen, de groei en het bereikbaar houden van steden en plekken voor distributiecentra. Denk ook aan het versterken van onze natuur en biodiversiteit, het behoud van ons landschap en de vitaliteit van onze landbouw. Dit zijn voorbeelden van grote, ingewikkelde opgaven. Deze opgaven kunnen niet meer apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. De NOVI geeft weer voor welke uitdagingen we staan, wat daarbij de nationale belangen zijn, welke keuzes we maken en welke richting we meegeven aan decentrale keuzes. Die keuzes hangen samen met de toekomstbeelden van de fysieke leefomgeving, de maatschappelijke opgaven en economische kansen die daarbij horen. Met de Nationale Omgevingsvisie geeft het Rijk een langetermijnvisie om de grote opgaven aan te pakken.
15
Om samen ons land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. De NOVI is tot stand is gekomen in nauwe samenwerking met provincies en gemeenten, waterschappen, maatschappelijke partijen en burgers. Hoe werkt de NOVI? Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. De NOVI maakt bij het maken van keuzes gebruik van drie afwegingsprincipes: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies, 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal, en 3. Afwentelen wordt voorkomen. Belangrijkste keuzes in de NOVI • een klimaatbestendige inrichting van Nederland. Dat betekent dat we Nederland zo inrichten dat ons land de klimaatveranderingen aankan. Daarvoor is nodig dat we functies meer in evenwicht met natuurlijke systemen (bodem en water) inpassen. Een voorbeeld hiervan is het op termijn verhogen van grondwaterstanden in veenweidegebieden; • de verandering van de energievoorziening. Bij de inpassing van duurzame energie hebben we oog voor omgevingskwaliteit.
Een voorbeeld hiervan is dat we eerst kijken naar ongebruikte daken om zonnepanelen op te plaatsten; • de overgang naar een circulaire economie, waarbij we tegelijk goed kunnen blijven concurreren en een aantrekkelijk vestigingsklimaat bieden. Een voorbeeld is het aanpassen van productieprocessen en het gebruik van reststoffen in het haven- en industriegebied; • de ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland. Hiermee sturen we op een goed bereikbaar netwerk van steden. We gebruiken zo de ambities en mogelijkheden in steden en regio’s in heel Nederland. Voorbeelden van regionale uitwerking hiervan zijn de verstedelijkingsstrategieën, waarin vooruitgekeken wordt hoe verschillende ruimtelijke functies in en rondom steden het beste ingepast kunnen worden; • het bij elkaar plaatsen van zogenaamde logistieke functies (bijvoorbeeld distributiecentra, datacenters) om hiermee de openheid en de kwaliteit van het landschap te behouden. We maken daarbij gebruik van een voorkeursvolgorde logistieke functies; • het toekomstbestendig maken van het landelijk gebied in goed evenwicht met de natuur en landschap. We werken bijvoorbeeld aan de overgang naar de kringlooplandbouw zodat gebruik van de grond meer wordt afgestemd op de natuurlijke water- en bodemsystemen.
16
Uitvoering van de NOVI Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe het Rijk samen met medeoverheden en de samenleving uitvoering geeft aan de NOVI. In de Uitvoeringsagenda staat een overzicht van instrumenten voor de verschillende beleidskeuzes uit de NOVI. Het Rijk werkt de NOVI uit in algemene rijksregels, bestuurlijke afspraken, beleidsprogramma’s, inzet van financiële middelen en kennisontwikkeling en werkt gebiedsgericht met Omgevingsagenda’s en NOVI-gebieden. Doorwerking plan(gebied) Aspecten als water, veiligheid, cultuurhistorie en ruimtelijke kwaliteit vormen onderdeel van de planologische toets. Het Plangebied is niet gelegen in een gebied waarvoor een relevante ruimtereservering geldt. Daarnaast wordt niet in een ontwikkeling voorzien die raakt aan een van de nationale belangen. Daarmee is het plan niet in strijd met het rijksbeleid. Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in de Nationale Omgevingsvisie.
Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6 lid 2 Bro) Toetsingskader Met de inwerkingtreding op 1 oktober 2012 van artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) – de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ – geldt voor alle juridisch verbindende ruimtelijke plannen van decentrale overheden die (planologisch) nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maken een bijzonder procesvereiste. Het procesvereiste van het doorlopen van de Ladder is gebaseerd op één van de nationale belangen als opgenomen in de NOVI, opgesteld door het Rijk. Dit nationale belang houdt in dat, ten behoeve van een goed systeem van ruimtelijke ordening, een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten plaats dient te vinden. Deze zorgvuldige afweging heeft tot doel om, vanuit een oogpunt van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, planologisch ongewenste versnippering en een onaanvaardbare leegstand te voorkomen. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. Artikel 3.1.6, tweede lid, luidt nu als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een
17
motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De Laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In artikel 1.1.1 onder i van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd: een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Voor woningbouwlocaties geldt dat 'in beginsel' sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden. Voor wonen is daarmee de lijn dat er vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. De Laddertoets geldt alleen voor ‘nieuwe’ stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was of kon worden gerealiseerd.
Daarnaast volgt uit jurisprudentie dat wanneer het een functiewijziging betreft, moet worden beoordeeld of er sprake is van een naar aard en omvang zodanige functiewijziging dat desalniettemin gesproken kan worden van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarbij moet ook et ruimtebeslag betrokken worden. In de nieuwe Ladder is het woord 'regionale' niet meer aanwezig. De Ladder bepaalt niet nader voor welk gebied de behoefte in beeld moet worden gebracht. Het is primair aan het bevoegd gezag om op basis van het ruimtelijk verzorgingsgebied van de stedelijke ontwikkeling te bepalen tot welk gebied de beschrijving van de behoefte zich moet uitstrekken. De aard en omvang van de stedelijke ontwikkeling bepaalt op welk niveau de afweging moet worden gemaakt. De toelichting van het bestemmingsplan moet een beschrijving bevatten van de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Daarbij is het niet relevant of het plangebied binnen of buiten bestaand stedelijk gebied ligt. In beide gevallen dient de ruimtelijke onderbouwing een beschrijving van de behoefte te bevatten. In artikel 1.1.1 onder h van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip 'bestaand stedelijk gebied' vastgelegd. Als bestaand stedelijk gebied wordt aangemerkt:
18
bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Uit de definitie volgt dat er sprake moet zijn van een stedenbouwkundig samenstel van bebouwing. In de Nota van Toelichting wordt opgemerkt dat de kwalificatie bestaand stedelijk gebied afhangt van de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het bestemmingsplan en de aard van de omgeving. Doorwerking plan(gebied) Het doel van de ladder is zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving. De ladder geeft daarmee invulling aan het nationaal ruimtelijk belang gericht op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten. Gelet op de onderliggende ontwikkeling voorziet het plan niet in een woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro (ABRvS 28 juni 2017; ECLI:NL:RVS:2017:1724). De in het plan voorziene ontwikkeling kan dan ook niet worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in deze bepaling van het Bro, zodat artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro niet van toepassing is.
Gezien het voorgaande vormt de ladder voor duurzame ontwikkeling geen belemmering voor de voorgestane ontwikkeling. Conclusie De ladder voor duurzame ontwikkeling is niet van toepassing op onderhavige planontwikkeling en vormt derhalve geen belemmering. 4.3 Provinciaal beleid Omgevingsvisie Noord-Brabant Toetsingskader Het provinciale ruimtelijke beleid staat de realisering van de plannen niet in de weg. Hoofddoelstellingen van de Omgevingsvisie Noord-Brabant en de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant zijn ‘zuinig ruimtegebruik’ met daaraan gekoppeld de ‘concentratie van verstedelijking’. De accenten moeten hierbij liggen op ‘inbreiding’ en ‘herstructurering’. Concentratie van verstedelijking De provincie stuurt op concentratie van verstedelijking: het is belangrijk dat er verschil bestaat en blijft bestaan tussen de steden en dorpen. De stedelijke structuur bestaat uit de
19
steden en dorpen in Noord-Brabant en is onderverdeeld in ‘concentratiegebieden’ en ‘overig stedelijk gebied’. In concentratiegebieden wordt de bovenlokale groei van verstedelijking opgevangen. Daarnaast moet hier een hoog voorzieningenniveau geboden worden, waardoor de (suburbane) kernen en dorpen buiten het concentratiegebied het huidige (landelijke) karakter behouden. In overig stedelijk gebied is grootschalige verstedelijking ongewenst. Wel kan hier voor de eigen behoefte gebouwd worden. Naast concentratie van verstedelijking wil de provincie binnen de stedelijke structuur het volgende bereiken: • zorgvuldig ruimtegebruik; • meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit; • betere verknoping van stedelijke ontwikkelingen aan de infrastructuur; • versterking van de economische kennisclusters. Voor onderhavig initiatief spelen de elementen ‘zorgvuldig ruimtegebruik’ en ‘meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit’ een rol. Zorgvuldig ruimtegebruik De provincie wil dat de kansen voor functiemenging, inbreiding, herstructurering en zo nodig transformatie in het stedelijk gebied goed worden benut, inclusief de mogelijkheden voor intensivering en meervoudig ruimtegebruik. Hierdoor is minder ruimte nodig voor stedelijke uitbreidingen. Het ‘aansnijden van nieuwe ruimte’ voor verstedelijking wordt in samenhang bezien met deze mogelijkheden.
Door meer aandacht te schenken aan beheer en onderhoud van het bestaand stedelijke gebied worden in de toekomst ingrijpende herstructureringen voorkomen. Meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit Karakteristieke verschillen tussen dorpen en steden vervagen. Uitbreidingswijken en werklocaties in steden en dorpen gaan steeds meer op elkaar lijken. De provincie wil dat nieuwe ontwikkelingen meer inspelen op het karakter en de kwaliteit van de plek. Door bij stedelijke ontwikkelingen uit te gaan van het verschil in omvang en karakter van de verschillende kernen, wordt het contrast tussen stad en dorp behouden. Dit versterkt de identiteit en aantrekkelijkheid van kernen en hun relatie met het omliggende landschap. Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant Het beleid uit de Omgevingsvisie Noord-Brabant is verwerkt in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant van de provincie. De onderwerpen die in de verordening staan komen dus uit de provinciale omgevingsvisie. Daarin staat welke
20
belangen de provincie wil behartigen en hoe ze dat wil doen. De verordening is daarbij één van de manieren om die provinciale belangen veilig te stellen. In de verordening is een aantal aspecten opgenomen die van toepassing zijn op onderhavig plan. Deze zullen hierna worden besproken. De provincie wil de ruimtelijke kwaliteit van Noord-Brabant bevorderen. Dit betekent dat nieuwe ontwikkelingen een bijdrage moeten leveren aan de kernkwaliteiten van NoordBrabant. De provincie biedt ontwikkelingsruimte in het buitengebied, mits een ontwikkeling bijdraagt aan een versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Nieuwe ontwikkelingen bieden een kans voor behoud en ontwikkeling van het landschap. De provincie onderscheidt een achttal thema’s waarin beleidsuitgangspunten zijn opgenomen. Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed Binnen het kaartbeeld ‘Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed’ is het plangebied aangeduid als ‘concentratiegebied’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.
De provincie verwacht van gemeenten dat zij bij de ontwikkeling van woningbouwlocaties en het opstellen van gemeentelijke ruimtelijke plannen daarvoor rekening houden met de
21
afspraken in het regionaal ruimtelijk overleg. Dit artikel bevat regels over de verantwoording bij bestemmingsplannen en andere planologische besluiten. Hierbij is het nodig ook een relatie te leggen naar de bestaande harde plancapaciteit. Tevens moet uitdrukkelijk een relatie gelegd worden met regionale afspraken over de nieuwbouw van woningen. Voor gebieden aangeduid als ‘concentratiegebied’ in het stedelijke gebied geldt dat hierbinnen meer mogelijkheden zijn voor ontwikkelingen dan de gebieden met een andere aanduiding, binnen of buiten een bestaande woonkern. De provincie vraagt gemeenten om het principe van zorgvuldig ruimtegebruik toe te passen bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het doel hierbij is om bestaand bebouwd gebied zo goed mogelijk te benutten. Pas als dat niet kan, wordt gezocht naar de beste plek in het buitengebied om nieuwe ruimte te gebruiken. Daarnaast wil de provincie verouderde locaties in stedelijk gebied opnieuw invullen en ongewenste functies in het buitengebied saneren. Voorbeelden van dergelijke ongewenste functies zijn glastuinbouwbedrijven in kwetsbare gebieden of veehouderijen rondom de natuur en stedelijke gebieden. In de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is verder bepaald dat ruimtelijke plannen die voorzien in een stedelijke ontwikkeling, in principe alleen in bestaand stedelijk gebied mogen vallen.
Onder voorwaarden zijn ontwikkelingen in hiermee samenhangende zoekgebieden mogelijk. Uit onderhavige toelichting blijkt dat aan deze voorwaarden wordt voldaan. Doorwerking plan(gebied) Met onderhavige ontwikkeling wordt aangesloten bij het uitgangspunt van de provincie om zorgvuldig om te gaan met de beschikbare ruimte binnen een stedelijke kern en het toevoegen van woningen binnen stedelijke concentratiegebieden. In de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant worden algemene regels gegeven waaraan de toelichting bij een planologische ontwikkeling die wonen mogelijk maakt, moet voldoen. Uiteraard dient gekeken te worden naar de bestaande harde plancapaciteit. Tevens moet uitdrukkelijk een relatie gelegd worden met de afspraken die in het regionaal planningsoverleg zijn gemaakt over de nieuwbouw van woningen. Deze afspraken worden jaarlijks gemaakt en zo nodig herzien. Zij worden gebaseerd op de provinciale bevolkings- en woningbehoefteprognose. De afspraken hebben in ieder geval betrekking op de aantallen te bouwen woningen. Zij kunnen daarnaast betrekking hebben op de aard van de woningen. Daaronder worden onder meer begrepen woningen voor bijzondere doelgroepen, zoals
22
ouderen, personen met een zorgvraag, jongeren en starters op de woningmarkt, in het bijzonder voor zover deze groepen behoren tot de lagere inkomensgroepen. De woonwensen en de leefbaarheid in de dorpen en steden, de behoefte aan gebiedseigenheid en identiteit van stad, dorp en landschap en klimaatverandering staan in de volle aandacht. De provincie Noord-Brabant wil blijven ontwikkelen, maar de provincie stelt ook meer eisen aan de kwaliteit van de leefomgeving. Vanwege een zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik worden woningen op de eerste plaats binnen de bestaande bebouwde kom geconcentreerd. Voorliggend initiatief ziet op inbreiding en verdichting en op herstructurering, herontwikkeling en transformatie van een bestaande bedrijfslocatie. Hiermee streeft het plan zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik na. Voorts moeten bestaande waarden en kwaliteiten behouden blijven en waar mogelijk worden versterkt. Het provinciale beleid, opgenomen in de provinciale structuurvisie en de verordening, is gericht op het concentreren van stedelijke ontwikkelingen in het bestaand stedelijk gebied. De voorgestane ontwikkeling beantwoordt aan de provinciale ruimtelijke doelstellingen om te komen tot zuinig ruimtegebruik en concentratie van verstedelijking (inbreiden, transformeren, herstructureren en intensiveren).
Conclusie De gemeente Best streeft naar een evenwichtige woningmarkt met voldoende, goede, gevarieerde en passende woningen. Het plan komt tegemoet aan een actuele behoefte en wordt in bestaand stedelijk gebied gerealiseerd. Dus herstructurering en transformatie vóór uitleg. Onderhavige ontwikkeling vindt plaats in een bestaande woonkern, betreft herstructurering c.q. wijziging en intensivering van het ruimtegebruik met een stedelijke functie en is passend binnen de diverse beleidsuitgangspunten waaronder de doelstellingen wat betreft de kwantitatieve en kwalitatieve doeleinden met betrekking tot de woningbouw. De planontwikkeling heeft geen nadelige gevolgen voor de ambities die de provincie nastreeft en heeft geformuleerd in de Omgevingsvisie Noord-Brabant en de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Er wordt met onderhavige ontwikkeling derhalve geen afbreuk gedaan aan de beleidsdoelstellingen en ambities, zoals opgenomen in de structuurvisie en de verordening.
23
Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. De ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid van onderhavige ontwikkeling wordt gemotiveerd in de hoofdstukken 5 tot en met 10 van deze plantoelichting. 4.4 Gemeentelijk beleid De provinciale ruimtelijke beleidskaders zijn of moeten worden vertaald in het gemeentelijke ruimtelijke beleid. In deze paragraaf wordt nader ingegaan op de ‘Omgevingsvisie Best 2040, dorp van formaat’, de Woonvisie gemeente Best 2017 ‘Wonen met visie’ en het gemeentelijke beleid te aanzien van duurzaamheid. Daarnaast is er al uitgebreid aandacht besteed aan de vigerende bestemming met daartoe behorende regels in paragraaf 1.3 van dit bestemmingsplan. Omgevingsvisie Best 2040, dorp van formaat Toetsingskader De ‘Omgevingsvisie Best 2040, dorp van formaat’ is in januari 2022 vastgesteld door de gemeenteraad. In de omgevingsvisie wordt een beeld van de gemeente Best in 2040 geschetst en worden de trends en ontwikkelingen die op de gemeente afkomen beschreven. Daaruit zijn drie integrale kernopgaven geformuleerd: 1. Ruimte voor comfortabel wonen; 2. Versterken van de groene leefomgeving; 3. Bouwen aan een vitale en schone economie.
De ambities voor 2040 die van toepassing zijn op het planvoornemen zijn: • Best ontwikkelt zich verder als comfortabele woongemeente, met een diversiteit aan woningen en woningmilieus; • De woningvoorraad en fysieke leefomgeving zijn duurzaam, aangepast aan het veranderende klimaat dragen positief bij aan de energietransitie en circulaire economie. Best zet in op herontwikkeling en transformatie van bestaand stedelijk gebied en het buitengebied. Doorwerking plangebied Er is een grote vraag naar woningen in Best. Het planvoornemen voorziet in de mogelijk tot het realiseren van twee woningen binnen bestaand woongebied. De onbebouwde ruimte wordt zorgvuldig gebruikt.
24
De kernopgave 'Ruimte voor comfortabel wonen' is van toepassing op het planvoornemen van de woningen aan de Veldweg. Op de verbeelding van de kernopgave (zie navolgende uitsnede) is te zien dat het plangebied in een zone ligt met de aanduiding 'gezonde, duurzame en inclusieve wijk'.
De globale ligging van het plangebied is met een gele ster aangegeven Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten, zoals verwoord in de Omgevingsvisie Best 2040, dorp van formaat. Woonvisie gemeente Best 2017 ‘Wonen met visie’ Toetsingskader Op 6 maart 2017 heeft de gemeente Best haar woonvisie ‘Wonen met visie’ vastgesteld. Deze visie is een doorkijk naar het wonen in Best voor de komende jaren. Tevens is het een belangrijke bouwsteen voor de omgevingsvisie. De gemeente heeft gesteld dat de
25
woningvoorziening in lijn moet zijn met demografische ontwikkeling en de marktvraag en dat deze afgestemd dient te zijn met de regio. Tevens dient er ook een evenwichtige verdeling te zijn van de verdeling huur en koop. Hierbij wordt speciale aandacht gevraagd voor wonen en zorg, woningen voor drie generaties, levensloopbestendige woningen, flexibiliteit van de woningen, betaalbaarheid voor lage inkomens en woningen voor de middenhuurgroep. Ook zal de woningvoorraad uitgebreid gaan worden. Doorwerking plangebied Voorgenomen plan voorziet in de realisatie van twee vrijstaande woningen in het duurdere prijssegment. Deze woningen kunnen er voor zorgen dat een doorstroom op de woningmarkt wordt ingezet wanneer deze woningen worden door mensen die binnen de gemeente Best een nieuwe woonplek vinden. Voorliggend initiatief ziet op inbreiding en herstructurering, herontwikkeling van een bestaande stedelijke gebiedslocatie. Hiermee streeft het plan zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik na. Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in de Woonvisie gemeente Best 2017. Best duurzaam Toetsingskader De gemeente Best pakt haar maatschappelijke verantwoordelijkheid op het gebied van duurzaamheid door een ambitieus doel te stellen: een energieneutraal en afvalloos Best in 2030.
Samen met de Metropoolregio Eindhoven streeft Best ernaar om als eerste regio in Nederland energieneutraal te zijn. Dit betekent onder meer dat alle benodigde energie – na energiebesparing – wordt opgewekt uit duurzame, ook wel hernieuwbare bronnen. Daarmee wordt het gebruik van fossiele brandstoffen (aardgas, aardolie, kolen) teruggedrongen. Verder bepaalt de materiaalkeuze in de bouw de mogelijkheid tot circulariteit. Doorwerking plan(gebied) Het bouwplan dat via voorliggend bestemmingsplan tot stand kan worden gebracht voldoet aan diverse eisen die gesteld zijn in het kader van het bereiken van voornoemd doel. Zo worden de woningen gasloos uitgevoerd en wordt voldaan aan voorwaarden voor een duurzame waterhuishouding. Daarmee wordt bijgedragen aan het beperken van hittestress, wordt ruimte geboden voor flora en fauna en wordt een klimaatadaptieve omgeving
26
gecreëerd. Tevens wordt gebruik gemaakt van milieuvriendelijke en duurzame bouwmaterialen. Het algemene ruimtelijke uitgangspunt van gemeenten is er verder op gericht om te komen tot ‘duurzaam bouwen’. Duurzaam bouwen verhoogt de gebruikswaarde (functioneel), belevingswaarde (vorm) en de toekomst (tijd) voor de bebouwde omgeving. Duurzaam bouwen is in dit geval te onderscheiden in stedenbouwkundig en bouwkundig duurzaam bouwen. Een goed stedenbouwkundig plan draagt bij aan een duurzame toekomst en voorkomt onder andere verloedering en leegstand. Ruimtelijke kwaliteit vormt de voorwaarde voor een goed woon- en leefmilieu. Belangrijk hierbij is het om de stedenbouwkundige structuur op een goede manier kenbaar te maken en te behouden. Bouwkundige duurzaamheid laat zich onder andere uitdrukken in: • duurzaam materiaalgebruik; • slimme energetische concepten (welke resulteren in energiebesparende maatregelen); • afvalreductie; • vastgesteld ambitieniveau (GPR). Verder geldt dat, voor zover redelijkerwijs mogelijk, de woningen levensloopbestendig en volgens de richtlijnen van handboek Woonkeur / SKW-certificatie worden gebouwd. Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten ten aanzien van duurzaamheid in de gemeente Best.
27
5. Archeologie en cultuurhistorie Toetsingskader Belangrijk bij de afweging of er gebouwd kan worden is het nagaan of in of rondom het plangebied belangrijke archeologische en, cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Het voorkomen van deze waarden wil niet per definitie zeggen dat er ter plaatse niet gebouwd kan worden, maar geeft aan dat zorgvuldig omgaan met deze waarden vereist is. Doel van het archeologische onderzoek is het waar nodig beschermen van archeologische waarden en het streven naar behoud van de waarden in de bodem (in situ). De essentie van het archeologische onderzoek is het verkrijgen van gegevens over de archeologische resten in de bodem teneinde in een vroeg stadium een goede afweging te kunnen maken van alle bij een ruimtelijk besluit betrokken belangen. Het archeologische onderzoek is verankerd in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg uit 2007. De uitgangspunten van de wet zijn: • archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren en alleen opgraven als behoud in de bodem (in situ) niet mogelijk is; • de initiatiefnemer van een ruimtelijke ontwikkeling moet in een vroegtijdig stadium aangeven hoe met eventuele archeologische waarden bij bodemverstorende ingrepen zal worden omgegaan.
Dit houdt in een verplichting tot vooronderzoek bij werkzaamheden die de grond gaan verstoren; • bodemverstoorders betalen archeologisch onderzoek en mogelijke opgravingen. De kosten voor noodzakelijke archeologische werkzaamheden komen ten laste van de initiatiefnemer. Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Bro gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw bestemmingplan een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op de vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. In de toelichting van de ruimtelijke onderbouwing dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller van de
28
ruimtelijke onderbouwing is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven. Bij de afweging of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is, dient nagegaan te worden of er binnen of rondom het plangebied cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Het eventueel aanwezig zijn van deze waarden wil niet per definitie zeggen dat een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling niet realiseerbaar is, maar geeft wel aan dat zorgvuldig omgaan met deze waarden vereist is. Doorwerking plan(gebied) Archeologie Ten behoeve van het planvoornemen is door Bureau voor Archeologie een Programma van Eisen (PvE) opgesteld, welk PvE inmiddels is geaccordeerd namens de gemeente (zie bijlage 1). Bureau voor Archeologie adviseert archeologisch proefsleuvenonderzoek uit te voeren met optionele doorstart naar opgraving.
Cultuurhistorie Ten aanzien van cultuurhistorie geldt dat het plangebied geen monumentale status of een anderszins vastgelegde cultuurhistorische of beeldbepalende kwaliteit bezit. Voor de naastgelegen objecten aan de Veldweg 4, 6, 8 en 10 zijn de navolgende cultuurhistorische beschouwingen opgesteld die weliswaar geen directe gevolgen hebben voor onderhavige planontwikkeling, maar waarmee wel – zoveel als redelijkerwijs mogelijk – rekening wordt gehouden in het kader van de planontwikkeling. De woningen 4-6 en 8-10 zijn typerend voor het straatbeeld welk straatje bovendien is opgenomen op de cultuurhistorische waardenkaart. Met de situering, omvang en uitstraling van de beoogde nieuwbouw aan de zijde van de Veldweg wordt met deze punten rekening gehouden, waarbij is gekozen voor een grotere afstand tot weg en het naburige pand (8-10).
29
30
31
Conclusie Uit archeologisch en cultuurhistorisch perspectief zijn er – rekening houdend met de conclusies van het archeologisch proefsleuvenonderzoek – geen belemmeringen voor het (bouw)plan.
32
6. Flora en fauna: toetsing natuurwetgeving en stikstof(depositie) Toetsingskader Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. In deze wet worden drie eerdere wetten vervangen. Het gaat om de Natuurbeschermingswet 1998 (Nb-wet) inclusief het Programma Aanpak Stikstof, de Boswet en de Flora- en faunawet. De bescherming van de Natura 2000-gebieden is ondervangen in onderdeel gebiedsbescherming (vervangt Nb-wet). Voor bestemmingsplannen is het toetsingskader voor deze gebieden in de basis ongewijzigd gebleven ten opzichte van de Nb-wet. Als (een wijziging van) een bestemmingsplan negatieve gevolgen heeft voor de Natura 2000gebieden kan het plan in beginsel niet worden vastgesteld. In dat geval moet het bevoegd gezag volgens artikel 2.8, van de Wet natuurbescherming (Wnb) eerst een passende beoordeling opstellen. Uit de passende beoordeling moet blijken dat de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende gebieden niet aangetast worden door het plan. Eventueel worden maatregelen opgenomen die getroffen worden om dit te bereiken. Als niet aangetoond wordt dat aan de instandhoudingsdoelstellingen voldaan wordt, kan het plan geen doorgang vinden. Met behulp van een voortoets kan het bevoegd gezag bepalen of op voorhand negatieve gevolgen uit te sluiten zijn. Hierbij moet voor de gewenste situatie worden uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden.
Voor plannen die ten opzichte van de uitgangssituatie op het referentiemoment geen significante toename in stikstofdepositie veroorzaken, zijn negatieve effecten ten aanzien van dit aspect uit te sluiten. In dat geval hoeft geen passende beoordeling te worden opgesteld. Doorwerking plan(gebied) Flora en fauna Ten behoeve van het planvoornemen is door Blom Ecologie een ecologische quickscan uitgevoerd. Uit het onderzoek blijkt dat er geen ecologische belemmeringen zijn voor uitvoering van het (bouw)plan. De integrale rapportage is als bijlage 2 opgenomen. De nieuwe woningen worden zoveel als mogelijk natuur-inclusief gebouwd. Hierbij kan worden gedacht de bouw van nestplekken voor vogels, zoals vogelkasten, het groen maken van de gevels en het zo groen mogelijk houden van de kavel. Stikstof Ten behoeve van het planvoornemen is door Blom Ecologie een stikstofdepositie/Aeriustoets uitgevoerd. De beoogde ontwikkeling is wat betreft stikstofdepositie en
33
gebiedsbescherming uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming. Derhalve is er geen vergunning nodig en zijn er voor stikstof geen verdere vervolgstappen noodzakelijk. De integrale rapportage is als bijlage 3 opgenomen. Conclusie Ten aanzien van soortenbescherming en houtopstanden worden geen negatieve effecten verwacht. Ten aanzien van gebiedsbescherming is er geen sprake van een verhoging van stikstofdepositie binnen Natura2000-gebieden. Wel dient er altijd rekening gehouden te worden met de Algemene zorgplicht en de mogelijke aanwezigheid van algemene broedvogels.
34
7.
Water
Toetsingskader Bij de watertoets gaat het om het verantwoorden van de waterhuishoudelijke aspecten bij ruimtelijke plannen en besluiten. Met behulp van de watertoets wordt er naar gestreefd om het waterhuishoudkundig aspect in combinatie met het ruimtelijke beleid toe te passen op het beoogde plangebied, waarbij op basis van de voorgenomen ontwikkelingen gezocht is naar een hydrologisch neutrale oplossingsrichting. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.1.6, eerste lid, sub b van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit besluit verplicht tot het opnemen van ‘een beschrijving van de wijze waarop in het bestemmingsplan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding’ in de toelichting van ruimtelijke plannen van provincies, regionale openbare lichamen en gemeenten in het kader van de Wro. Vanuit verschillende overheidsniveaus zijn beleid en uitgangspunten geformuleerd voor wat betreft de omgang met afstromend hemelwater. De belangrijkste uitgangpunten hierbij zijn het hydrologisch neutraal ontwikkelen en het doorlopen van de volgorde ‘her-gebruikvasthouden-berging-afvoer’. Het plangebied valt binnen het beheersgebied van Waterschap De Dommel. Ook voor het Waterschap De Dommel is hydrologisch neutraal ontwikkelen speerpunt bij ruimtelijke ingrepen in haar beheersgebied. Het waterschap heeft een beleidsnota met uitgangspunten ten behoeve van de water-toets.
Hierbij staan de volgende principes centraal: • wateroverlastvrij bestemmen; • gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater; • doorlopen van de afwegingsstappen: ‘hergebruik - infiltratie - buffering - afvoer’; • hydrologisch neutraal bouwen; • water als kans; • meervoudig ruimtegebruik; • voorkomen van vervuiling • rekening houden met waterschapsbelangen. De voornoemde principes liggen in lijn met het landelijke beleid ten aanzien van de watertoets. Gestreefd dient te worden naar een waterhuishoudkundig minimaal gelijkwaardige situatie. Het belangrijkste gegeven is het geohydrologisch compenseren van
35
een eventuele toename van verharde oppervlakte, waardoor hemelwater versneld kan worden afgevoerd. Doorwerking plan(gebied) Binnen het plangebied vindt toename van het bebouwd en verhard oppervlak plaats. Ten behoeve van het planvoornemen heeft MILON een watertoets uitgevoerd. Gezien er nieuwbouw gerealiseerd gaat worden stelt het bevoegd gezag dat dit op hydrologisch neutrale manier ontwikkeld dient te worden en er eveneens compenserende voorzieningen dienen te worden gerealiseerd. Voor het toekomstige verhard oppervlak wordt de vereiste compensatie berekend door het toekomstige verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm (0,06 m) en met de plaatselijke gevoeligheidsfactor (1). Daaruit volgt de omvang van de vereiste compensatie in kubieke meters (m3). De benodigde compensatie bedraagt 40 m3 (673 m2 x 0,06 x 1). Gezien de ruimtelijke indeling van de percelen zal er in de toekomstige situatie voldoende ruimte beschikbaar zijn om invulling te geven aan de bergingseis. Gedacht kan worden aan het graven van bijvoorbeeld een wadi, vijver of greppel. Door het aanleggen van bijvoorbeeld een van de bovengenoemde voorzieningen wordt invulling gegeven aan de bergingseis van het waterschap en hydrologisch neutraal ontwikkelt. De integrale rapportage is als bijlage 4 opgenomen.
Conclusie Vanuit het oogpunt van hydrologie zijn er – rekening houdend met de aanbevelingen uit de watertoets – geen belemmeringen voor het (bouw)plan.
36
8. Fysieke belemmeringen: (ondergrondse) infrastructuur / kabels en (buis)leidingen Toetsingskader Transport van gevaarlijke stoffen vindt plaats over de weg, het spoor, het water en door buisleidingen. Tijdens het transport kunnen dingen misgaan waardoor de gevaarlijke lading kan ontbranden of exploderen of waardoor er bijvoorbeeld giftige gassen ontsnappen via een lek of breuk. Bij risicovolle buisleidingen kan gedacht worden aan (hogedruk) transport van aardgas, maar ook van olie, benzine, kerosine, chemische producten en industriële gassen. Deze stoffen kunnen giftig, licht ontvlambaar, of brandbaar zijn. Buisleidingen lopen meestal ondergronds, maar kunnen soms ook bovengronds voorkomen. De grootste kans op een beschadiging aan een buisleiding ontstaat door graafwerkzaamheden. Denk hierbij aan werkzaamheden aan gas-, olie- en waterleidingen in de grond, of kabels voor stroom, TV, telefoon en internet. De risicokaart toont alle aardgasleidingen vanaf een diameter van 50 mm en een druk van 16 bar, alle buisleidingen voor brandbare vloeistoffen vanaf een diameter van 100 mm en alle overige buisleidingen waarvan geldt dat er een overschrijding van de wettelijke norm is op 5 meter afstand van de buis. Deze wettelijke norm is het plaatsgebonden risico 10-6. Het Besluit Externe Veiligheid Buisleidingen (Bevb) is op 1 januari 2011 in werking getreden.
In het Besluit externe veiligheid buisleidingen zoals dit per 1 januari 2011 geldt, staan veiligheidseisen voor de exploitant en de gemeente. Exploitanten hebben een zorgplicht en moeten ervoor zorgen dat hun buisleidingen veilig zijn. Gemeenten moeten buisleidingen in hun bestemmingsplan opnemen en bij nieuwbouw zorgen voor genoeg afstand tot de buisleidingen. Teneinde een goede belangenafweging mogelijk te maken voor de voorgenomen planontwikkeling is het dus noodzakelijk om inzicht te hebben in de ligging en eigenschappen van binnen het plangebied voorkomende kabels en leidingen. Sommige van deze kabels en leidingen vereisen een bepaalde afstand tot gevoelige functies. Doorwerking plan(gebied) Besluit externe veiligheid buisleidingen Er bevindt zich geen (hoge druk) gasleiding binnen of op korte afstand van het plangebied. Overige kabels en (buis)leidingen Nutsbedrijven eisen dat kabels en leidingen in het openbaar gebied (komen te) liggen. De initiatienemer van onderliggend bouwplan is verplicht zorg te dragen voor een door gemeente en nutsbedrijven geaccordeerde wijze van aansluiting.
37
Overige zonering Er zijn in/op en nabij het plangebied verder geen hoogspanningslijnen, ondergrondse leidingen, waterkeringen, straalpaden, invliegfunnels aanwezig waarvan de aanwezigheid van invloed kunnen zijn op de voorgenomen ontwikkeling. Conclusie Voor onderhavig plan zijn er geen belemmeringen aan de orde, zodat er in dit opzicht geen gevolgen zijn voor dit plan. Geconcludeerd kan worden dat het voorgenomen plan, beschouwd vanuit de aspecten ondergrondse infrastructuur, kabels en leidingen, geen problemen oplevert. Nader onderzoek is na deze quickscan niet nodig.
38
9. Milieu-hygiënische verantwoording 9.1 Inleiding Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieubeleid en ruimtelijke ordening. De beleidsvelden groeien naar elkaar toe. De milieukwaliteit vormt een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de afweging van het al dan niet toelaten van bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen, dient onderzocht te worden welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Tevens is het van belang milieubelastende functies, zoals bedrijfsactiviteiten, ruimtelijk te scheiden ten opzichte van milieugevoelige functies, zoals woningen. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de milieu- en ruimtelijke aspecten die van belang zijn voor de te ontwikkelen gronden aan de Veldweg 4-6. De resultaten van de onderzoeken naar de milieukundige haalbaarheid worden beschreven en er wordt aan de andere – ruimtelijk relevante – waarden en omgevingsaspecten, zoals verkeer en mobiliteit, getoetst. Tot slot wordt inhoudelijk ingegaan op de ruimtelijke inpassing en de beeldkwaliteit van het plan. De thema’s die aan bod komen, hebben direct of indirect betrekking op de voorgenomen planontwikkeling. 9.2 M.e.r.-beoordeling Toetsingskader Het Besluit Mer is per 1 juli 2017 gewijzigd. De nieuwe beoordelingssystematiek moet worden toegepast en worden omschreven.