CConstaterende datBest
Koppel je AI →
Document · PDF

24003.24 - Bijlage 15 bij Toelichting - Archeologische bureau- en verkennend onderzoek

Raadsavond 22 januari 2024, gemeente BestBij agendapunt: 24003 - Vaststelling Bestemmingsplan Heuveleindseweg e.o. Best11.792 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

RAPPORT Archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek door middel van boringen Heuveleindseweg (ong.) te Best (gemeente Best)

Archiefexemplaar van BL23-16290

- bijlage 13 toelichting_Archeologisch bureau- en verkennend

AM21580

RAPPORT Archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek door middel van boringen Heuveleindseweg (ong.) te Best (Gemeente Best) Aeres Milieu Projectnummer Status rapport ISSN Nummer Datum

: AM21580 : Concept (versie 2) : 2214-5656 : 2 augustus 2022

Opdrachtgever

: Kragten Schoolstraat 8 6049 BN Herten

Opsteller rapport Paraaf

: L. Kruithof MSc. | drs. D. Hagens :

Redactie Paraaf

: drs. ing. N.J.W. van der Feest :

Vrijgave Paraaf

: drs. ing. N.J.W. van der Feest :

Aeres Milieu B.V. Noordhoven 4 6042 NW ROERMOND (t) 0475 – 320 000 e-mail: info@aeres-milieu.nl www.aeres-milieu.nl

4002 + 4003

Disclaimer Het onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden (opzet conform de geldende richtlijnen en protocollen). Aeres Milieu accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid voor maatregelen of mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Aeres Milieu uitgevoerde onderzoek neemt. Tevens wordt opgemerkt dat Aeres Milieu voor het verkrijgen van de voor het bureau onderzoek noodzakelijke informatie (mede) afhankelijk is van externe bronnen. Voor Aeres Milieu is niet te verifiëren of deze bronnen altijd volledig en zonder fouten zijn. Hierdoor kan Aeres Milieu niet instaan voor de juistheid en volledigheid van de verzamelde historische informatie.

Pagina | 2

AM21580

INHOUDSOPGAVE SAMENVATTING ......................................................................................................................................................... 4 ADMINISTRATIEVE GEGEVENS ............................................................................................................................. 6 1. INLEIDING ................................................................................................................................................................ 7 2.

WERKWIJZE ...................................................................................................................................................... 9 2.1

3.

Inleiding ............................................................................................................................................................................................................... 9

BUREAUONDERZOEK ................................................................................................................................ 10 3.1

Landschappelijke situatie - geomorfologie .......................................................................................................................................... 10

3.2

Landschappelijke situatie - bodem.......................................................................................................................................................... 12

3.3

Bewoningsgeschiedenis – historisch overzicht .................................................................................................................................. 12

3.4

Bewoningsgeschiedenis – archeologische waarden ........................................................................................................................ 13

3.5

Bewoningsgeschiedenis – historisch kaartmateriaal ....................................................................................................................... 15

3.6

Bodemverstoring ............................................................................................................................................................................................ 17

4.

VERWACHTINGSMODEL ........................................................................................................................... 19

5.

VELDWERKZAAMHEDEN .......................................................................................................................... 21 5.1

Algemeen .......................................................................................................................................................................................................... 21

5.2

Fysisch geografische beschrijving van de bodemopbouw .............................................................................................................. 23

5.3

Interpretatie ..................................................................................................................................................................................................... 24

5.4

Archeologische indicatoren ........................................................................................................................................................................ 26

6. CONCLUSIE........................................................................................................................................................... 27 6.1

Algemeen .......................................................................................................................................................................................................... 27

6.2

Beantwoording onderzoeksvragen .......................................................................................................................................................... 27

7.

AANBEVELINGEN ........................................................................................................................................ 28

LITERATUURLIJST................................................................................................................................................... 30

Bijlagen: 1 2 3 4 5 6 7 8 9

Topografische ligging onderzoeksgebied Boorpuntenkaart Archeologische gegevens cf. Archis 3 Archeologische Beleidskaart gemeente Best Overzicht geomorfologische kaart Overzicht bodemkaart Reliëfkaart Boorkernbeschrijvingen Advieskaart Pagina | 3

AM21580

SAMENVATTING In februari en maart 2022 is in opdracht van Kragten door Aeres Milieu een archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek uitgevoerd aan de Heuveleindseweg (ong.) te Best (gemeente Best). Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 4 ha. Dit onderzoek is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging. De aanleiding voor het laten uitvoeren van dit bodemonderzoek is de voorgenomen (her)ontwikkeling van de locatie ten behoeve van nieuwbouwwoningen. De diepte van de toekomstige verstoring is niet bekend, maar uitgaande van een standaard funderingsdiepte zonder onderkeldering zal deze naar verwachting tot tenminste 0,8-1,0 meter beneden maaiveld reiken. Daartoe dient veelal een bouwput uitgegraven te worden tot een draagkrachtige laag, wat veelal de top van het gele zand (C-horizont) zal zijn, direct onder de bruine grond (Aa-horizont). Het grootste deel van het plangebied valt binnen het bestemmingsplan Buitengebied Best (2021). Dit deel van het plangebied heeft dubbelbestemming Waarde – Archeologie 5. Volgens de geldende regels behorend bij deze waarde geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 2.500 m2 en een verstoringsdiepte vanaf 50 centimeter onder maaiveld. In het oosten valt een klein deel van het plangebied binnen het bestemmingsplan Heuveleind, Heidevelden en De Zessprong.

Dit deel van het plangebied staat volgens dit bestemmingsplan deels gekarteerd als Waarde -Archeologie 7. Voor deze waarde geldt dat het gebieden betreft waar het bodemprofiel als gevolg van archeologische onderzoeken, ontgrondingen of verstoringen zodanig is aangetast dat zij niet meer voor onderzoek of bescherming in aanmerking komen. Op deze terrein rusten dan ook geen beperkingen ten aanzien van archeologie. Deze waardes zijn afgeleid van de archeologische beleidskaart van de gemeente Best. Hierop staat aangegeven dat een deel van het noorden en een deel van het oosten geen onderzoeksplicht heeft.

Het plangebied ligt binnen een zone van hoger gelegen dekzandwelvingen. Het plangebied ligt niet in de buurt van een gradiëntzone. Om deze redenen wordt een middelhoge verwachting toegekend voor vindplaatsen uit het laat-paleolithicum tot en met het mesolithicum. De latere landbouwende samenleving zal het plangebied vanwege de relatief hoge ligging in het landschap een aantrekkelijke vestigingslocatie zijn geweest. De aanwezige veldpodzolgronden in het plangebied zijn goede ontwaterde gronden (GWT VI). Deze gronden vormen geschikte akker- en graslanden. Voor het plangebied geldt daarom een middelhoge verwachting voor zowel nederzettingsresten uit de periode neolithicum tot vroege middeleeuwen. Uit bestudering van historische kaarten blijkt dat het plangebied tot medio 20e eeuw onbebouwd was. Het noordelijk en oostelijk deel maakt deel uit van het bouwlandveld Heuvel Eind de centrale en zuidelijke delen maakten tot ver in de 20e eeuw deel uit van de onontgonen heidegronden van de Bestse Heide. Op basis van deze gegevens geldt voor het plangebied een lage verwachting voor de periode late middeleeuwen en nieuwe tijd. Wat betreft de conservering en gaafheid van eventuele archeologische resten kan het volgende gesteld worden: Er worden veldpodzolgronden verwacht binnen het plangebied.

Het humeuze dek is over het algemeen niet dik waardoor een grote kans is dat latere bewerking van de bodem de oorspronkelijke bodem heeft verstoord. Door de relatief lage grondwaterstand (GWT VI) kunnen organische resten vaak enkel in dieper, waterhoudende sporen zoals waterputten bewaard blijven. Op basis van het uitgevoerd verkennend veldonderzoek middels boringen kan in een groot deel van het plangebied niet worden gesteld welk bodemtype oorspronkelijk aanwezig was. Ter plaatse van boringen 8, 16, 20, 22, 24, 26 zijn -deels- intacte, vermoedelijk (veld) podzolbodems aangetroffen. Deze boringen bevinden zich voornamelijk in het zuiden van het plangebied. Wat erop wijst dat dit deel van het plangebied nog het meest intact is, doch veelal tot in de BC-horizont dan wel de C-horizont verstoord.

Pagina | 4

AM21580

Er is tijdens het veldonderzoek ook vastgesteld dat de bodem in meer of mindere mate verstoord is. In het grootste deel van het plangebied is sprake van een AC-bodemprofiel. Dit betekent dat de top van het potentieel archeologisch niveau voor de periode jagersverzamelaars grotendeels niet meer intact is. Deze vindplaatsen zijn immers erg kwetsbaar en zullen, indien deze aanwezig zijn geweest, alleen nog ex-situ kunnen worden aangetroffen. Op basis hiervan wordt de kans laag geacht dat er nog archeologische resten uit deze periode aanwezig zijn in het plangebied. De middelhoge verwachting voor deze perioden kan daarom bijgesteld worden naar laag. De verwachting voor het aantreffen van sporen van sedentaire samenlevingen kan echter wel behouden blijven, omdat niet vastgesteld kan worden hoeveel van de oorspronkelijke bodemopbouw verdwenen is en recente onderzoeken aantonen dat er in bodems met een AC-bodemprofiel ook vindplaatsen aangetroffen kunnen worden. Vanaf de volle middeleeuwen gold een lage verwachting. Deze kan gehandhaafd blijven. Voor het plangebied wordt om bovenstaande redenen archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk geacht.

Dit vervolgonderzoek vindt bij voorkeur in de vorm van een proefsleuvenonderzoek plaats. Hiervoor dient voorafgaand een Programma van Eisen (PvE) ter toetsing te worden voorgelegd te worden aan de bevoegde overheid (gemeente Best). De resultaten van dit onderzoek dienen getoetst te worden door de bevoegde overheid (gemeente Best), dat op basis van het uitgebrachte advies een besluit zal nemen. Wij willen de opdrachtgever erop wijzen dat dit selectieadvies nog niet betekent dat al bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. Het uitgevoerde onderzoek is verricht conform de gestelde eisen en gebruikelijke methoden. Het onderzoek is gericht op het inzichtelijk maken van de toestand van het aanwezige bodemarchief. Hiermee kan de beschadiging dan wel vernietiging als gevolg van de voorgenomen verstoring van een mogelijk aanwezig bodemarchief tot een minimum worden beperkt. Echter kan door de aard van het onderzoek, steekproefsgewijs, niet volledig worden uitgesloten dat er archeologische resten aan- of afwezig zullen zijn. Als gevolg hiervan is bij het aantreffen van archeologische resten het, conform de Erfgoedwet van 2016, artikel 5.10 (Archeologische toevalsvondst) en 5.11 (Waarneming), een meldingsplicht van toepassing.

Pagina | 5

AM21580

ADMINISTRATIEVE GEGEVENS Projectnummer

: AM21580

OM-nummer

: 5164036100

Soort onderzoek

: Bureau- en verkennend veldonderzoek d.m.v. boringen

Adres onderzoekslocatie

: Heuveleindseweg (ong.) te Best

Toponiem

: Heuveleindseweg (ong.)

Gemeente

: Best

Provincie

: Noord-Brabant

Kadastrale registratie

: Best, sectie K, nummers 534, 535, 3300 en 3301

Coördinaten

: Centraal 153.730; 389.892 NW:

153.606; 389.968

NO:

153.746; 390.019

ZW:

153.608; 389.769

ZO:

153.845; 389.836

Oppervlakte

: Circa 4 ha

Huidig locatie gebruik

: Boomkwekerij en deels bebouwd

Aanleiding onderzoek

: Bestemmingsplanwijziging

Opdrachtgever

: Kragten

Bevoegde overheid

: Gemeente Best

Archeologisch adviseur

: Mevr. R. Berkvens (Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant)

Opslag documentatie en materiaal

: Noordhoven 4 te Roermond tot deponering bij provinciaal depot te ’s-Hertogenbosch/E-depot

Datum uitvoering veldwerk

: 25 februari 2022

Pagina | 6

AM21580

1. INLEIDING In opdracht van Kragten heeft Aeres Milieu een archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek, d.m.v. boringen uitgevoerd op de locatie: Adres onderzoekslocatie

: Heuveleindseweg (ong.) te Best

Gemeente

: Best

Oppervlakte

: Circa 4 ha

Huidig gebruik van de locatie

: Boomkwekerij en deels bebouwd

Toekomstig gebruik

: Nieuwbouwwoningen met erf

Dit archeologisch onderzoek is uitgevoerd conform de richtlijnen van de BRL SIKB 4000 (protocol 4002 en 4003), KNA 4.1. Het archeologische onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek naar de historie en bodemgesteldheid van de onderzoekslocatie. Aanvullend hierop is een verkennend veldonderzoek d.m.v. boringen op het perceel uitgevoerd. De werkzaamheden in het veld zijn uitgevoerd onder leiding van een senior KNA-prospector.

Aanleiding De aanleiding voor het laten uitvoeren van dit bodemonderzoek is de voorgenomen (her)ontwikkeling van de locatie ten behoeve van nieuwbouwwoningen. De diepte van de toekomstige verstoring is niet bekend, maar uitgaande van een standaard funderingsdiepte zonder onderkeldering zal deze naar verwachting tot tenminste 0,8-1,0 meter beneden maaiveld reiken. Daartoe dient veelal een bouwput uitgegraven te worden tot een draagkrachtige laag, wat veelal de top van het gele zand (C-horizont) zal zijn, direct onder de bruine grond (Aa-horizont). Het grootste deel van het plangebied valt binnen het bestemmingsplan Buitengebied Best (2021). Dit deel van het plangebied heeft dubbelbestemming Waarde – Archeologie 5. Volgens de geldende regels behorend bij deze waarde geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 2.500 m2 en een verstoringsdiepte vanaf 50 centimeter onder maaiveld (bij een esdek). In het oosten valt een klein deel van het plangebied binnen het bestemmingsplan Heuveleind, Heidevelden en De Zessprong (2013). Dit deel van het plangebied staat volgens dit bestemmingsplan deels gekarteerd als Waarde -Archeologie 7.

Voor deze waarde geldt dat het gebieden betreft waar het bodemprofiel als gevolg van archeologische onderzoeken, ontgrondingen of verstoringen zodanig is aangetast dat zij niet meer voor onderzoek of bescherming in aanmerking komen. Op deze terrein rusten dan ook geen beperkingen ten aanzien van archeologie. Deze waardes zijn afgeleid van de archeologische beleidskaart van de gemeente Best. 1 Hierop staat aangegeven dat een deel van het noorden en een deel van het oosten geen onderzoeksplicht heeft (Bijlage 4).

Doel Het doel van het archeologisch bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel voor de locatie. Dit verwachtingsmodel wordt op basis van historische kaarten en bekende landschappelijke en archeologische gegevens gevormd. Dit verwachtingsmodel zal vervolgens leiden tot een aanbeveling over het behoud in-situ of eventueel vervolgonderzoek. Het doel van het aansluitende verkennend booronderzoek is het toetsen van het in het bureauonderzoek opgestelde verwachtingsmodel.

1 Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant, Archeologische Beleidskaart 2015. Pagina | 7

AM21580

Specifiek voor de onderzoekslocatie Heuveleindseweg (ong.) te Best zijn de volgende onderzoeksvragen geformuleerd: •

Is er sprake van stratigrafische lagen die potentieel archeologische waarden kunnen bevatten?

•

In hoeverre zijn deze lagen intact en hoe reflecteert dit de kwaliteit van de mogelijk aanwezige archeologische resten?

•

Wat is de diepteligging van mogelijke archeologische resten en wat is de daadwerkelijke bedreiging van deze resten door de voorgenomen bodemingrepen?

Plangebied Het plangebied ligt aan de Heuveleindseweg, aan de zuidwestelijke rand van de bebouwde kom van Best. De ligging van het plangebied is weergegeven in Figuur 1. Momenteel is het plangebied grotendeels in gebruik als boomkwekerij en in het zuidwesten is het plangebied deels bebouwd. In het noorden wordt het plangebied begrenst door de Heikantweg, in het oosten door Wensheuvel en bebouwing aan de Vliegheuvel (nummer 2) en Vlasheuvel (nummer 20), in het zuiden door een volkstuinencomplex en in het westen door de Heuveleindseweg, boomkwekerij en volkstuinencomplex.

Figuur 1. Topografische ligging van het plangebied. Het plangebied is weergegeven met het rode kader. (Bron: PDOK-viewer).

Pagina | 8

AM21580

2. WERKWIJZE 2.1

Inleiding

Bij het uitvoeren van het bureauonderzoek is gebruik gemaakt van verschillende bronnen. Deze bronnen geven inzicht in bekende, of te verwachten archeologische resten binnen het onderzoeksgebied. Daarnaast zijn deze bronnen van belang voor het opstellen van de landschapsgenese.

Archeologische bronnen •

Archeologische Monumentenkaart (AMK)

•

Archeologisch Informatiesysteem (Archis3)

•

Onderzoeksagenda Archeologie gemeente Best

•

Rapport actualisering Archeologiekaart gemeente Best

•

Archeologische Beleidskaart van de gemeente Best

•

Verstoringenkaart gemeente Best

•

Specifieke lokale informatie (heemkundekring, amateurarcheologen)

Bodem- en geomorfologische kaarten •

Bodemkaart (Alterra)

•

Geomorfologische kaart (Alterra, uit Archis3)

•

Fysisch landschap (SRE Milieudienst Omgevingsdienst Zuidoost Brabant)

•

Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN3)

Historische kaarten •

Historisch kadastraal minuutplan (1800-1832)

•

Historische topografische en militaire kaarten (1830 tot 1978)

•

Moderne topografische kaart (tot 2021)

De bovenstaande bronnen worden aangevuld door mogelijke informatie afkomstig van lokale archeologische verenigingen en werkgroepen. De overige aanvullende informatie is terug te vinden in de literatuurlijst. De Erfgoedvereniging Dye van Best, is op 24 februari 2022 per e-mail gecontacteerd met de vraag om aanvullende informatie betreffende het plangebied. Deze informatie is verwerkt in het rapport.2

2 Reactie Dhr. M. van de Logt, d.d. 19-03-2022 Pagina | 9

AM21580

3. BUREAUONDERZOEK 3.1

Landschappelijke situatie - geomorfologie

Het plangebied ligt in het centrale dekzandlandschap in de Roerdalslenk.3 De Roerdalslenk is een tektonisch dalingsgebied dat begrensd wordt door de Feldbissbreuk, Breuk van Vessem en de Peelrandbreuk. In het zuidwesten en noordoosten wordt de Roerdalslenk begrensd door tektonisch opheffingsgebieden van het Kempisch Hoog en de Peelhorst.4 De Roerdalslenk werd in de laatste periode van het Vroeg-Pleistoceen (circa 1,1 miljoen jaar geleden) tot in het Midden-Pleistoceen (circa 475.000 jaar geleden) opgevuld met oude rivierafzettingen van de Rijn en de Maas. Deze rivierafzettingen zijn onderdeel van de Formatie van Sterksel en bestaan grotendeels uit matig tot sterk grof grindhoudend zand en grind.5 Nadat de Rijn en Maas uit de Roerdalslenk waren verdwenen door tektonische opheffingen, werd de Roerdalslenk afgedekt door een dik pakket dekzand van circa 25 meter dikte ter plaatse van het plangebied.6 Dit dekzand is gevormd tijdens de laatste ijstijd (Weichselien; circa 115.000 – 11.700 jaar geleden), aan het eind van het Pleistoceen. Het huidige landschap is in die periode voor een groot deel gevormd. Er ontstond een steeds kouder en droger klimaat.7 In deze periode (circa 115.000 – 11.700 jaar geleden) breidde het landijs zich sterk uit in Europa. Gedurende het grootste deel van het Weichselien was de bodem bevroren.

Tijdens perioden dat er sprake was van dooi, werd door sneeuwsmelt- en regenwater veel sediment verspoeld, waarbij fluvioperiglaciale afzettingen zijn gevormd en dalen ontstonden. De fluvioperiglaciale afzettingen zijn zeer divers in textuur. Ze bestaan uit fijn en grof zand, soms met grind, leemlagen en plantenresten en worden tot de Formatie van Boxtel gerekend.8 Deze afzettingen zijn in het plangebied in de diepere ondergrond aanwezig. In de koudste en droogste perioden van het Weichselien, met name tijdens het Laat-Pleniglaciaal (circa 26.000 – 14.700 jaar geleden) en in sommige perioden van het Laat-Glaciaal (circa 14.700 – 11.700 jaar geleden), is de vegetatie grotendeels verdwenen, waardoor op grote schaal verstuiving optrad. De rivierafzettingen en de fluvioperiglaciale afzettingen raakten bedekt met dekzand.9 Dit dekzand is kalkloos, fijnkorrelig (150 – 210 μm) en arm aan grind. Het dekzand wordt tot het Laagpakket van Wierden van de Formatie van Boxtel gerekend. Het reliëf dat tijdens de dekzandafzetting is ontstaan, wordt gekenmerkt door vlaktes met depressies en dekzandruggen of dekzandkoppen. Het reliëf dat ontstond, wordt gekenmerkt door vlaktes met depressies en dekzandruggen of dekzandkoppen. De belangrijkste dekzandrug is de zuidwest-noordoost gelegen midden Brabantse dekzandrug.

Deze loopt over de zuidrand van Best, zo’n 3 kilometer ten zuiden van het plangebied.

Het dekzand werd in verschillende fasen en omstandigheden afgezet, zo is het oude dekzand lemig en het jonge dekzand niet. Gedurende het Allerød (circa 13.900 - 12.900 jaar geleden) heeft plaatselijk op de hogere terreindelen bodemvorming plaats gevonden. Deze bodem wordt de Laag van Usselo genoemd en bevindt zich tussen het Jonger dekzand I en het Jonger dekzand II. Het klimaat werd tijdens het Holoceen warmer en vochtiger. Door het warmere klimaat smolten de in het Weichselien gevormde ijskappen en steeg de relatieve zeespiegel snel. Het landschap in de regio is door geologische processen weinig meer veranderd.

3 Rensink et al., 2019. 4 Berendsen 2011, 343. 5 Berendsen 2011, 189. 6 Dinoloket.nl/ondergrondmodellen 7 Berendsen 2019, 183; Stouthamer, Cohen en Hoek 2020, 205. 8 Berendsen 2019, 189. 9 Berendsen 2010, 190.

Pagina | 10

AM21580

Het dekzand werd door de toenemende vegetatie vastgelegd en de beken sneden zich in. Hierbij volgden ze de natuurlijke laagten, zoals de eerder gevormde dalen. Volgens de oppervlakte geologiekaart komen ter plaatse van het plangebied in de bodem fluvioperiglaciale afzettingen met een zanddek voor. Deze afzettingen behoren tot de Formatie van Boxtel (Bx4). Het zanddek behoort tot het Laagpakket van Wierden.10 Volgens de geomorfologische kaart (Bijlage 5) ligt het plangebied op een dekzandwelving al dan niet met oud-bouwlanddek (code 3L51yc). Op circa 1 kilometer ten noord(westen) van het plangebied liggen noord-zuid georiënteerde dalvormige laagtes (code 22R23), die voorheen het dekzandplateau naar het noorden ontwaterden. Dit vormde voorheen de dichtstbijzijnde waterlopen. Tegenwoordig is het dichtstbijzijnde water gelegen op circa 150 meter ten zuiden van het plangebied. Dit betreft Wilhelminakanaal, dat pas in het eerste kwart van de 20e eeuw aangelegd. Op het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN3, Bijlage 7) is te zien dat het plangebied op een overgangszone ligt van hogere landduinen (code 11L54) via de dekzandwelvingen naar de lager gelegen verspoelde dekzanden (Bijlage 5, code 2M53), ten noorden van het plangebied. Binnen het plangebied is er sprake van een microreliëf (Figuur 2).

Het oostelijk en zuidwestelijk deel van het plangebied ligt circa 0,5 meter hoger dan het overige deel van het plangebied. De maaiveldhoogte in het plangebied varieert tussen circa 16,48 en 17,95 meter +NAP. Vergelijking met oude hoogtepunten van tussen 1942 en 1983 wijzen uit dat het maaiveld binnen het plangebied in die periode tussen 16,4 en circa 17 m +NAP lag. Vermoedelijk is met name het oostelijke deel van het plangebied opgehoogd.

Figuur 2. Ligging van het plangebied op de ingezoomde AHN3. Het plangebied is aangegeven met het zwarte kader (Bron: PDOK-viewer en AHN3).

10 Geologische overzichtskaart van Nederland, 2021. Pagina | 11

AM21580

3.2

Landschappelijke situatie - bodem

Volgens de bodemkaart (Bijlage 6) worden in het plangebied veldpodzolgronden in leemarm en zwak lemig fijn zand (code Hn21) verwacht. Veldpodzolgronden komen veel voor binnen de zandgronden en zijn meestal gelegen in de lagere delen van het landschap. Ze worden ook wel “natte podzolen” genoemd. Deze gronden bestaan uit een donkere, humeuze bovengrond, de Ap-horizont. Deze is circa 25 centimeter dik. Hieronder bevindt zich een E-horizont die lichtgrijs van kleur is. Dit is de uitspoelingshorizont. 11 Hieronder ligt de bruingekleurde B-horizont (de inspoelingshorizont) die bruin van kleur is en geleidelijk in de C-horizont overgaat.12 De oorspronkelijke A-, E- en/of B-horizont kan mogelijk als gevolg van bodemverwerking (ploegen) niet meer intact zijn, en opgenomen zijn in het bovenliggend pakket. Bij veldpodzolgronden is sprake van podzolering. Tijdens dit natuurlijke proces worden door infiltrerend regenwater kleine deeltjes ijzer, aluminium en lutum uitgespoeld. Dit wordt uitloging genoemd. Deze deeltjes worden door het water naar beneden getransporteerd, waar inspoeling plaatsvindt.13 De veldpodzolgronden in het plangebied worden gekenmerkt door gerijpte oude klei, anders dan keileem of potklei beginnend tussen 40 tot 120 centimeter onder maaiveld. De laag is tenminste 20 centimeter dik.

Grondwatertrap De mogelijk aanwezige gronden worden gekenmerkt door een gemiddeld lage grondwaterstand, te weten grondwatertrap VI. Dit zijn de gemiddelde grondwaterstanden die op de bodemkaart staan aangegeven. Dit betekent dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand tussen de 40 en 80 centimeter beneden maaiveld ligt. De gemiddeld laagste grondwaterstand ligt dieper dan 120 centimeter beneden maaiveld. Deze lage grondwaterstand zorgt voor slechte bewaringsomstandigheden voor eventuele organische resten.

3.3

Bewoningsgeschiedenis – historisch overzicht

De bestudeerde en beschikbare bronnen hebben het volgende beeld kunnen schetsen over de geschiedenis van Best. Het grondgebied van het huidige Best bestond oorspronkelijk uit meerdere losse kernen/buurtschappen. Naast Best bestond er Naastenbest en Verrenbest en de kleinere, landelijke buurtschappen Aarle en De Vleut.14 Het plangebied ligt ten zuid(westen) van de buurtschappen Aarle en Naastenbest. Deze bewoningsclusters groeiden vanaf de 17e eeuw langzaam naar elkaar toe en vormden vanaf de tweede helft van de 20e eeuw de huidige bebouwde kom van Best. De eerste vermelding van Best zou uit de vroege middeleeuwen stammen. De heilige Odulfus zou omstreeks 800 in Best zijn geboren. De eerste bekende vermelding van Best in de schriftelijke bronnen vinden we in het jaar 1307. Er is sprake van villa de Best. De naam is vermoedelijk afkomstig van bast, ‘bast’ of ‘boomschil’ en verwijst hiermee naar de aanwezigheid van hout en bos of mogelijk moeras (laaggelegen, vochtige plaats met struikgewas of laag geboomte).15

11 De Bakker en Schelling 1989, 127. 12 De Bakker en Schelling 1989, 127. 13 De Bakker en Schelling 1989. 14 Berkvens en Schotten 2010, 44. 15 Van Berkel en Samplonius 2006, 54. Pagina | 12

AM21580

Het grondgebied van Best behoorde in de vroege en volle middeleeuwen toe aan de heerlijkheid Oirschot.16 Best ontstond dan ook aan de doorgaande weg tussen Oirschot en Eindhoven (Oirschotseweg – Hoofdstraat – Nieuwstraat), tevens als centrale kern tussen Naastenbest en Verrenbest (ofwel Steenweg). Naast deze west-oost verbinding werd de historische bebouwingskern mede gevormd door een noord-zuid verbinding met de Oranjestraat en het Raadhuisplein.17

In de 13e eeuw kwam het gebied rondom Best in de invloedssfeer van de hertog van Brabant als onderdeel van de Meierij van ’sHertogenbosch.18 Aan het einde van de 14e eeuw lag in Best een houten kapel.19 In 1437 werd er een stenen kapel gebouwd die medio 16e eeuw tot kerk werd verbouwd toen Best een eigen parochie werd, tezamen met de omliggende kernen zoals Naastenbest en Verrenbest.20 In 1740 werd een stenen weg aangelegd die Best verbond met ’s-Hertogenbosch, Boxtel en Eindhoven. Na de afscheiding van Oirschot in 1819 ontwikkelde Best zich als zelfstandige gemeente van een overwegend agrarische gemeenschap tot een plaats waar zich steeds meer industrie ging vestigen.21 Van Blankenstein toont aan dat er oorlogsvernielingen in Best hebben plaatsgevonden. Er werden enkele tientallen woningen vernield en honderden woningen raakten beschadigd. Ook werden spoor- en verkeersbruggen in 1944 door de Duitsers opgeblazen.22 De SintOdulphuskerk werd zwaar beschadigd tijdens beschietingen door de Duitse troepen in oktober 1944. In en rondom Best hebben meerdere vliegtuigcrashes plaatsgevonden in de jaren 1941-1944.23 Op basis van de gegevens hebben in (het centrum van) Best in het verleden meerdere ruimingen van explosieven of munitie plaatsgevonden.24 Er zijn geen aanwijzingen dat binnen het plangebied sprake is van oorlog gerelateerde vernielingen of inslagen.

3.4

Bewoningsgeschiedenis – archeologische waarden

Op de leidende Archeologische Beleidskaart van de gemeente Best geldt voor het grotendeel van het plangebied een middelhoge archeologische verwachting: Categorie 5 (Bijlage 4). 25 Voor het meest noordelijk en oostelijk deel van het plangebied geldt geen archeologische verwachting: Categorie 7. Binnen het plangebied zijn geen archeologische monumenten, vondstmeldingen of of AMK-terreinen gelegen. In de omgeving van het plangebied (binnen een straal van 1 kilometer) is volgens de gegevens uit Archis3 één archeologisch monument en zijn meerdere archeologische waarnemingen en onderzoeksmeldingen bekend (Bijlage 3 en Tabel 1). `Rijksmonumentnummer 45077 Op circa 760 meter ten zuidoosten van het plangebied ligt een terrein van zeer hoge archeologische waarde. Het betreft een terrein met sporen van begraving (grafheuvel) uit de bronstijd. De diameter van de grafheuvel bedraagt circa 14 meter, de hoogte circa 1 meter. Waarschijnlijk gaat het om een grafheuvel die opgeworpen is in de tweede helft van de midden-bronstijd (1500-1100 voor Chr.) en ooit omgeven was door een paalkrans. De heuvel is zwaar gedeformeerd en grotendeels vergraven, vermoedelijk als gevolg van het gebruik van het terrein als militair oefenterrein (graven van schuttersputjes en dergelijke). De heuvel ligt op een zandrug, grenzend aan een stuifzandvlakte.

16 Berkvens en Schotten 2010, 44. 17 Maas en Vangheluwe 2018, 15 en 67. 18 Van Uytven e.a. 2004, 69. 19 Maas en Vangheluwe 2018, 64. 20 Berkvens en Schotten 2010, 47. 21 www.heemkundebest.nl. 22 Van Blankenstein 2006, 71. 23 www.bhic.nl. 24 Ruimingskaart BeoBom geraadpleegd via www.arcgis.com. 25 Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant, Archeologische Beleidskaart 2015. Pagina | 13

AM21580

Onderzoek in het plangebied Zaakidentificatie 2339859100 Het plangebied was in 2010 onderdeel van een onderzoeksgebied dat door SRE Milieudienst werd onderzocht met als doel van dit onderzoek het opstellen van een gemeentelijke archeologische verwachtingskaart.

Onderzoeken in de omgeving van het plangebied Zaakidentificatie 4703584100

Afstand Circa 40 m ten ZO

Soort onderzoek BO door Sweco in 2019

van het plangebied

Omschrijving Het onderzoeksgebied ligt in een vlakke dekzandzone, op de overgang naar een lagergelegen beekdallandschap. Voor het onderzoeksgebied geldt een middelhoge

verwachting.

Er

is

een

verkennend

booronderzoek

geadviseerd. 4718448100

Circa 40 m ten ZO

IVO-o door Sweco in

De bodemopbouw bestaat uit een bouwvoor die scherp overgaat in een

van het plangebied

2019

zandpakket. Hierbij zijn resten van de afgegraven laag vermengd geraakt met het bovenliggende pakket. Hieronder is een menglaag van de A- en Chorizont aangetroffen. Er is geen vervolgonderzoek geadviseerd.

3124294100

Circa 700 m ten ZO

Registratie archeologische vondstmelding in 1983 van vuursteen (kling),

van het plangebied

graf (onderdeel), begraving en bewoning (inclusief verdediging) uit het midden mesolithicum. Er zijn geen verdere gegevens bekend in Archis en DansEasy. Deze vondst is gedaan op een stuifduin in de Aarlesche Heide. Er zijn geen verdere gegevens bekend in Archis en DansEasy.

2887102100

Circa 760 m ten ZO

Registratie archeologische vondstmelding in 1964 van een ophogingslaag

van het plangebied

en een grafheuvel uit de midden-bronstijd (1500-1100 v.Chr.). Deze vondst is gedaan op het Rijksmonument (45077). Er zijn geen verdere gegevens bekend in Archis en DansEasy.

2912625100

Circa 750 m ten ZO

Registratie archeologische vondstmelding in 1983 van vuursteen (kling),

van het plangebied

graf (onderdeel), begraving en bewoning (inclusief verdediging) uit het midden mesolithicum. Er zijn geen verdere gegevens bekend in Archis en DansEasy.

4747162100

Circa 780 m ten ZO

IVO-o door Transect in

Tijdens dit onderzoek is een bot (dierenbot), houtskool en vuursteen

van het plangebied

2019

aangetroffen.

Binnen

het

onderzoeksgebied

zijn

een

viertal

aandachtgebieden waarbinnen archeologische resten kunnen voorkomen. Voor deze zones is een vervolgonderzoek geadviseerd in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. 4659189100

Circa 800 m ten ZO

IVO-o door Aeres

De bodemopbouw binnen het plangebied is grotendeels intact. Er heeft

van het plangebied

Milieu in 2019

bodemvorming plaatsgevonden in het Laat-Pleistocene dekzand en LaatHoloceen stuifzand. Het vervolgonderzoek bestaat uit tussentijdse evaluaties

van

een

terreinverkenning,

karterend

booronderzoek,

waarderen van de grafheuvel, waarderend booronderzoek en proefsleuven om meer inzicht te krijgen in de inhoudelijke en fysieke kwaliteit van de mogelijk aanwezige archeologische resten. 4556131100

Circa 830 m ten ZO

BO door Aeres Milieu

Voor het onderzoeksgebied geldt een hoge archeologische verwachting

van het plangebied

in 2017

met name vanaf de steentijd tot in de ijzertijd. Voor latere perioden was het gebied minder aantrekkelijk. Er is een verkennend booronderzoek geadviseerd.

2465976100

Circa 710 m ten Z

BO door Econsultancy

van het plangebied

BV in 2014

Er zijn geen verdere gegevens bekend in Archis en DansEasy.

Pagina | 14

AM21580

Zaakidentificatie 2339778100

Afstand Circa 780 m ten Z

Soort onderzoek Archeologische

Omschrijving Het onderzoeksgebied werd onderzocht met als doel het opstellen van een

van het plangebied

verwachtingskaart door

gemeentelijke archeologische verwachtingskaart.

SRE Milieudienst in 2010 2210370100

Circa 830 m ten O

IVO-o door Becker en

De bovenste meter van het bodemprofiel is verstoord, vermoedelijk als

van het plangebied

Van de Graaf in 2008

gevolg van de bouw van de school. Er worden geen archeologische resten meer verwacht. Er is geen vervolgonderzoek geadviseerd.

3203277100

Circa 660 m ten NO

Registratie archeologische vondstmelding in 2006 van keramiek

van het plangebied

(aardewerk, gedraaid) en complexen uit de nieuwe tijd midden tot nieuwe tijd laat. Er zijn geen verdere gegevens bekend in Archis en DansEasy.

4999008100

Circa 1 km ten NW

IVO-o door Bureau voor

In het onderzoeksgebied is een intacte laarpodzolgrond aangetroffen. Op

van het plangebied

Archeologie in 2021

basis hiervan is de kans groot dat er archeologische resten aanwezig zijn in het onderzoeksgebied. Er is een vervolgonderzoek geadviseerd in de vorm van een proefsleuvenonderzoek.

Tabel 1. Overzicht van Archismeldingen binnen een straal van 1 kilometer rond het plangebied.

In het onderzoeksgebied zijn geen archeologische waarden aangetroffen, omdat er tot heden geen gravende onderzoeken uitgevoerd zijn. Bekende archeologische waarden betreffen een grafheuvel (rijksmonumentnr. 45077) en een drietal vondstmeldingen aangaande een enkel grondspoor met een vermoedelijke datering in de steentijd, een vuurstenen kling en aanwijzingen van begraving dan wel nederzetting uit het midden mesolithicum en nieuwetijds aardewerk.

3.5

Bewoningsgeschiedenis – historisch kaartmateriaal

In het kader van het bureauonderzoek is historisch kaartmateriaal bestudeerd. Op het minuutplan uit het begin van de 19e eeuw (Figuren 3 en 4)26 is de situatie op kadastraal niveau te zien. In het noorden wordt het plangebied begrensd door de De Molen straat (huidige Heikantweg), in het oosten door De Braak Steeg (huidig fietspad), in het zuiden door de Bestsche Heide en in het westen door De Heuveleindsche Steeg (huidige Heuveleindseweg). Aan De Heuveleindsche Steeg is sporadisch bebouwing aanwezig. De historische bebouwing concentreert zich voornamelijk in het buurtschap Naastenbest, verder ten noordoosten van het plangebied. Het plangebied ligt in meerdere percelen. Volgens de Oorspronkelijke Aanwijzende Tafels (OAT)27 behorende bij het minuutplan, is het noordwestelijk en oostelijk deel van het plangebied in gebruik als bouwland. De grote percelen in het westelijk, oostelijk en zuidelijk deel bestaan uit heide. De bouwlandpercelen zijn onderdeel van het bouwlandveld Heuvel Eind. Het zuidelijke deel ligt binnen de onontgonnen heidegronden die deel uitmaken van de Bestsche heide. Op de kaarten uit 1901, 1931 en 1950 (Figuur 5) is een soort gelijke situatie te zien. Het noordelijk deel van het plangebied is in gebruik als bouwland en het zuidelijk deel als heide.

Op de kaart uit 1970 is te zien dat verdere ontginning en verkaveling heeft plaatsgevonden en is het plangebied als weiland en bouwland in gebruik. Volgens de topografische kaarten is vanaf 1973 bebouwing binnen het zuidwestelijk deel van het plangebied aanwezig. Volgens BAG Viewer dateert de huidige bebouwing uit 1966 en 2013.28 Tot 2004 is het plangebied afwisselend als weiland en bouwland in gebruik. Vanaf 2004 tot heden is het plangebied in gebruik als boomkwekerij.

26 www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl Gemeente Best, sectie C, bladen 1 en 2. Minuutplans zijn de oorspronkelijke kadastrale kaarten die zijn vervaardigd vanaf 1811 en 1812 in navolging van de Fransen o.l.v. Napoleon Bonaparte. Het zijn grondbeschrijvingen (kadasters) van de gemeenten met hierop aangegeven de percelen, perceelnummers en gebouwen. 27 OAT = Oorspronkelijke Aanwijzende Tafel. Dit is een register uit 1832 waarin diverse gegevens in vermeld staan die betrekking hebben op de betreffende percelen, zoals de eigenaar, beroep en woonplaats, alsmede het grondgebruik en de oppervlakte. 28 www.bagviewer.kadaster.nl. Pagina | 15

AM21580

Figuur 3. Uitsnede van het kadastraal minuutplan uit 1811-1832, met in het rood bij benadering het plangebied aangegeven (Bron: www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl).

Figuur 4. Uitsnede van het kadastraal minuutplan uit 1811-1832, met in het rood bij benadering het plangebied aangegeven (Bron: www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl). Pagina | 16

AM21580

Figuur 5. Uitsneden van historische kaarten uit de perioden 1901, 1931, 1950 en 1970. Het plangebied is aangegeven met het rode kader (Bron: www.topotijdreis.nl).

3.6

Bodemverstoring

Ter plaatse van de huidige bebouwing in het zuidwestelijk deel van het plangebied zal het plangebied tot zekere diepte verstoord zijn geraakt. Tot zover bekend is het grotendeel van het plangebied is tot op heden onbebouwd en in het verleden in gebruik geweest als wei- en bouwland en vanaf 2004 als boomkwekerij. Op basis van de KLIC-melding (uitgevoerd op 23 februari 2022) zijn binnen het zuidwestelijk deel van het plangebied kabels/leidingen gegraven die voor een verstoring van de bodem kunnen hebben gezorgd.

Pagina | 17

AM21580

In het overige deel van het plangebied zijn geen kabels/leidingen aanwezig. Het opgevraagde omgevingsrapport29 (bijlage 10) maakt melding van een asbestsanering ter hoogte van een manege aan de Heikantweg 10. Dit ligt niet binnen het plangebied. Voor zover nagegaan kon worden zijn er dus geen saneringen binnen het plangebed bekend. De bodem zal dus afgezien van de bouwvoor minimaal verstoord zijn. Echter door (diep-)ploegen en rooiwerkzaamheden kunnen eventueel aanwezige archeologische resten, die vanaf het maaiveld worden verwacht, mogelijk wel verstoord en verloren zijn gegaan.

29 https://noord-brabant.omgevingsrapportage.nl Pagina | 18

AM21580

4. VERWACHTINGSMODEL Jager-verzamelaars uit het paleolithicum en mesolithicum hebben als woon- en verblijfplaats vaak voor de flanken van hoger liggende terreingedeelten in het landschap gekozen. Bij voorkeur in de buurt van (open) water. Nabijgelegen watervoorzieningen waren belangrijk voor drinkwater en de aanwezige biodiversiteit. Dit vergemakkelijkt de jacht en het verzamelen van plantaardig voedsel. Het plangebied ligt binnen een zone van hoger gelegen dekzandwelvingen. Van oudsher vestigde de mens zich met name nabij gradiëntzones (overgang van nat naar droog). Op circa 1 kilometer afstand ligt een natte dalvormige laagte. Op basis hiervan kan gesteld worden dat het plangebied niet in de buurt van een gradiëntzone ligt. In de omgeving van het plangebied zijn tot op heden weinig vuursteenvondsten bekend. Mogelijk heeft dit ook te maken met de weinige archeologische onderzoeken die in de omgeving van het plangebied hebben plaats gevonden. Om deze redenen wordt een middelhoge verwachting toegekend voor vindplaatsen uit het laatpaleolithicum tot en met het mesolithicum. Binnen het plangebied worden veldpodzolgronden verwacht. Deze gronden hebben geen opgebracht antropogeen dek (eerdlaag) dat een conserverende werking kan hebben op eventueel aanwezige archeologische resten.

Eventueel aanwezige resten uit de periode laat-paleolithicum en mesolithicum worden vanaf maaiveld tot in de oorspronkelijke bodem verwacht. Resten kunnen onder andere bestaan uit tijdelijke bewoningssporen, haardkuilen, vuursteenstrooiingen. Vanaf het (laat-)neolithicum ontstaan de eerste landbouwculturen die gekenmerkt worden door meer sedentaire nederzettingen. De nederzettingen worden gekenmerkt door permanente woningen die soms diep in de grond gefundeerd waren. Vanaf deze perioden heeft men nog steeds een voorkeur voor hoger en droger gelegen gebieden. De latere landbouwende samenleving zal het plangebied vanwege de relatief hoge ligging in het landschap een aantrekkelijke vestigingslocatie zijn geweest. De aanwezige veldpodzolgronden in het plangebied zijn goede ontwaterde gronden (GWT VI). Deze gronden vormen geschikte akker- en graslanden. In de directe omgeving zijn tot op heden echter geen vondsten bekend uit deze perioden. Zoals reeds eerder vermeld heeft mogelijk ook dit te maken met de weinige archeologische onderzoeken die in de omgeving van het plangebied hebben plaats gevonden. Toch kan zeker niet uitgesloten worden dat het plangebied als vestigingslocatie zijn gekozen.

Voor het plangebied geldt daarom een middelhoge verwachting voor zowel nederzettingsresten uit de periode neolithicum tot en met de ijzertijd als voor nederzettingsresten uit de Romeinse tijd en de vroege middeleeuwen. Resten worden vanaf het maaiveld tot in de oorspronkelijke bodem verwacht en kunnen onder andere bestaan uit cultuurlagen, paalkuilen/-gaten, afvalkuilen, fragmenten aardewerk, natuursteen of gebruiksvoorwerpen. Het plangebied ligt aan de Heuveleindseweg, ten zuidwesten van het buurtschap Naastenbest. Uit bestudering van historische kaarten blijkt dat het plangebied tot medio 20e eeuw onbebouwd was. Het noordelijk en oostelijk deel maakt deel uit van het bouwlandveld Heuvel Eind en de centrale en zuidelijke delen maakten tot ver in de 20e eeuw deel uit van de onontgonnen heidegronden van de Bestse Heide. Op basis van deze gegevens geldt voor het plangebied een lage verwachting voor de periode late middeleeuwen en nieuwe tijd. Archeologische resten worden vanaf het maaiveld verwacht en kunnen onder andere bestaan uit onder andere cultuurlagen, paalkuilen/gaten, afvalkuilen, gebruiksvoorwerpen van bijvoorbeeld natuursteen, fragmenten aardewerk en sporen van agrarische activiteiten. Wat betreft de conservering en gaafheid van eventuele archeologische resten kan het volgende gesteld worden: Er worden veldpodzolgronden verwacht binnen het plangebied.

Over het algemeen kunnen (anorganische) vondsten en sporen in goede toestand worden aangetroffen indien er sprake is van een eerddek op een veldpodzol maar dat is waarschijnlijk niet het geval. Het humeuze dek is over het algemeen niet dik waardoor een grote kans is dat latere bewerking van de bodem de oorspronkelijke bodem heeft verstoord. Zeker eventuele vuursteenvindplaatsen kunnen verstoord zijn geraakt bij de bewerking van de bodem. Bij deze bewerking is vaak de top van de natuurlijk bodem opgenomen in het bovenliggende opgebrachte dek. Wat betreft eventuele organische resten is het afhankelijk hoe diep het grondwater zit. Bij veldpodzolgronden zijn de omstandigheden voor het aantreffen van organische resten minder goed: door de relatief lage grondwaterstand (GWT VI) kunnen organische resten vaak enkel in dieper, waterhoudende sporen zoals waterputten bewaard blijven. Pagina | 19

AM21580

Periode Laat-paleolithicum -

Verwachting Middelhoog

mesolithicum

(laat)-neolithicum –

Middelhoog

vroege middeleeuwen

Volle middeleeuwen –

Laag

nieuwe tijd

Verwachte kenmerken vindplaats Resten van kampementen, fragmenten vuursteen,

Diepteligging sporen Vanaf het maaiveld tot in de oorspronkelijke

natuursteen, gebruiksvoorwerpen

bodem

Nederzettingsresten, fragmenten aardewerk,

Vanaf het maaiveld tot in de oorspronkelijke

natuursteen, gebruiksvoorwerpen

bodem

Cultuurlaag, funderingsresten, natuursteen,

Vanaf het maaiveld

fragmenten aardewerk, gebruiksvoorwerpen, sporen van agrarische activiteiten, restanten wegen/paden

Tabel 2. Archeologische verwachting per periode.

Pagina | 20

AM21580

5. VELDWERKZAAMHEDEN 5.1

Algemeen

Het doel van het verkennend veldonderzoek door middel van boringen is het toetsen van de opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied (Hoofdstuk 4). Hiertoe zijn op 25 februari 2022 in totaal 27 boringen gezet (zie Bijlage 2 en 8). Aan de hand van het Plan van Aanpak (PvA) en de Leidraad Inventariserend Veldonderzoek30 wordt een verkennend booronderzoek met een boordichtheid van 6 boringen per hectare uitgevoerd. Het onderzoek is hiermee verkennend voor alle perioden. Het plangebied heeft een oppervlakte van 4,0 ha. Bij het verkennend veldonderzoek zal daarom uitgegaan worden van 24 boringen welke gelijkmatig over het plangebied worden verdeeld, zie Bijlage 2. Om een regelmatige verdeling over het plangebied te kunnen garanderen wordt daarbij gebruik gemaakt van een grid van 40 x 50 meter met gelijkbenige driehoeken. Tijdens het huidige onderzoek bleek dit veelal niet haalbaar, vanwege het drassige, haast moerassige karakter van het terrein. Dat daardoor niet overal even toegankelijk was. Daarnaast speelden ook de uitgegraven boomgaten daarin een rol. De boorlocaties worden uitgezet ten opzichte van hoekpunten van de perceelsgrenzen, straten en bebouwing. De boorkernen worden conform de ASB (Archeologische Standaard Boorbeschrijving 5.2) beschreven, zie Bijlage 8.

Gelet zal worden op de aanwezigheid van archeologische indicatoren als fragmenten keramiek, fosfaatvlekken en brokjes houtskool en verbrande leem. Daartoe worden de opgeboorde monsters verbrokkeld waar nodig. De boringen zijn uitgevoerd met een Edelmanboor met een diameter van 7 centimeter, waarbij de ligging ervan bepaald is aan de hand van de bestaande topografie. Omdat het booronderzoek tegelijkertijd met het milieutechnische onderzoek uitgevoerd is, zijn enkele boringen tot 2 m -mv doorgezet. Dit was noodzakelijk voor het milieutechnisch onderzoek. Maar zijn in het veld ook beschreven tot deze diepte door de KNA-prospector en daarom ook meegenomen in de onderzoeksresultaten. De boordiepte varieerde daardoor van 100 tot 220 centimeter onder maaiveld. De boorkernen zijn conform ASB (Archeologische Standaard Boorbeschrijving 5.2) beschreven, zie Bijlage 8. De hoogteligging van de boorpunten ten opzichte van NAP is afgeleid van het AHN3 (www.ahn.nl). De maaiveldhoogte in het plangebied varieert tussen circa 16,48 en 17,83 meter +NAP. Er is geen oppervlakte kartering uitgevoerd in verband met de aanwezige begroeiing en verharding. Ten tijde van het veldwerk bleek een groot deel van het plangebied in gebruik te zijn als boomkwekerij en deels onder water te staan.

Verspreid over het plangebied zijn ronde gaten aangetroffen die een diepte hebben van circa 80 centimeter onder maaiveld, zie Figuur 7. Deze gaten zijn machinaal uitgenomen en zijn ook als witte stippen te zien op Figuur 2.

30 Tol et al. 2012. Pagina | 21

AM21580

Figuur 6. Foto van het plangebied, kijkende in noordoostelijke richting (Foto: 25 februari 2022).

Pagina | 22

AM21580

0 cm -mv

80 cm -mv

Figuur 7. Foto van de ronde kuilen in het plangebied. Op de rechter foto is te zien dat de kuil circa 80 centimeter diep is (Foto: 25 februari 2022).\

5.2

Fysisch geografische beschrijving van de bodemopbouw

De top van de bodem wordt gevormd door een pakket zwak tot matig humeus, matig siltig, matig fijn zand. De kleur van dit pakket is donker bruingrijs. De dikte van dit toppakket varieert sterk, circa 30 (boring 27) tot 180 (boring 6) centimeter. Gemiddeld heeft dit pakket een dikte van circa 105 centimeter. In veel boringen heeft dit pakket een zwak tot sterk vlekkerig karakter en plaatselijk wordt dit pakket gekenmerkt door de aanwezigheid van, leem, brokken baksteen en grind. Hieronder volgt met een scherpe overgang de natuurlijke ondergrond. De natuurlijke ondergrond bestaat uit matig tot zwak siltig, matig fijn zand. Het zand is goed gesorteerd. De kleur van dit pakket varieert van geelbeige tot beige grijs. Plaatselijk bestaat de natuurlijke ondergrond uit sterk zandig leem. Deze leemlaag heeft een lichtgrijze tot licht blauwgrijze kleur. De top van de natuurlijke ondergrond is aangetroffen op circa 30 tot 180 centimeter onder maaiveld. Dit komt overeen met circa 15,41 tot 16,94 meter +NAP. Boringen 8, 20, 23 en 24 zijn afwijkend (Figuur 9). De top van de bodem wordt ter hoogte van deze boringen gevormd door een circa 20 tot 40 centimeter dik pakket matig humeus, matig siltig, matig fijn zand. In boring 8 is deze laag aangetroffen onder een dun pakket zwak humeus, matig siltig, matig fijn zand met daaronder een circa 50 centimeter dik pakket matig grof zand.

In boringen 23 en 24 heeft het toppakket een sterk vlekkerig karakter. Hierin zijn duidelijk licht grijze en zwartbruine zandbrokken aanwezig. Onder het humeuze (top)pakket volgt in boringen 8, 20 en 24 een (sterk tot zwak humeus) matig siltig, matig fijn zand. De laag heeft een dikte van circa 15 tot 20 centimeter. In boring 20 heeft dit pakket een sterk vlekkerig karakter. Pagina | 23

AM21580

Hierin zijn duidelijk licht grijze zandbrokken aanwezig. In boringen 8 en 20 gaat deze laag via een donker roodbruine tot grijsoranje laag over in de matig siltige, matig fijne licht grijze tot grijsoranje zandpakket.

Ap-hor

Aa-hor

0 cm -mv

C-hor

220 cm -mv Figuur 8. Foto van boring 14. De leesrichting is van linksboven naar rechtsonder (0 – 220 centimeter).

Aa-hor

Ap-hor

Omgewerkt pakket van Aa-, E- en Bhs-hor

C-hor Bs-hor

0 cm -mv

100 cm -mv

Figuur 9. Foto van boring 24. De leesrichting is van links naar rechts (0 – 100 centimeter).

5.3

Interpretatie

Uit het verkennend booronderzoek blijkt dat de natuurlijke ondergrond bestaat uit dekzandafzettingen van het Laagpakket van Wierden veelal afgezet op een leemlaag van het Laagpakket van Liempde. De laagpakketten zijn onderdeel van de Formatie van Boxtel. Het dekzand bestaat uit goed gesorteerd zand. Het dekzand is afgezet tijdens het Laat-Glaciaal (circa 14.700 tot 11.700 jaar geleden). De top van de natuurlijke ondergrond varieert sterk van circa 15,41 tot 16,94 meter +NAP (circa 30 tot 180 centimeter onder maaiveld). De top van de bodem wordt in het grootste deel van het plangebied gevormd door een circa 30 tot 45 centimeter dikke moderne ploeglaag (Ap-horizont). Hieronder volgt veelal een circa 30 tot 150 centimeter dik antropogeen opgebracht pakket (Aa-horizont). Dit pakket wordt gekenmerkt door rommelige en verstoorde lagen en is vermoedelijk het gevolg van aanrijking met (bodem)materiaal van elders. Gezien de bodemgesteldheid (grondwater) is dit materiaal vermoedelijk opgebracht om het land bewerkbaar te houden. Pagina | 24

AM21580

Direct op de natuurlijke ondergrond is deze laag echter niet gevlekt; enkel in boring 12. Wat er mogelijk op duidt dat dit een begraven bouwvoor (Ap-horizont) dan wel antropogeen ophoogpakket is (Aa-horizont) De bodem in het grootste deel van het plangebied is niet meer intact. Er is in deze zones sprake van een AC-bodemprofiel. In diepteligging van de natuurlijke ondergrond (C-horizont) zit een maximale variatie van circa 1,53 meter. Het ontbreken van een intact bodemprofiel is waarschijnlijk het gevolg van grondbewerking, zoals (diep)ploegen. De gaten van 80 centimeter diepte zijn veroorzaakt door het gebruik als boomkwekerij (rooiwerkzaamheden). In het meest zuidwestelijke deel van het plangebied is de bodemverstoring mogelijk veroorzaakt door de huidige bebouwing. De top van de bodem wordt veelal gevormd door een geploegde bovengrond (Ap-horizont). Daaronder bevindt zich veelal een antropogeen opgebracht pakket (Aa-horizont) dat een dikte van circa 30 tot 150 centimeter heeft. In boringen 23 en 24 bevat de onderkant van dit pakket brokken E- en Bhs-horizont. Ter hoogte van boringen (8, 16, 20, 22, 26) is er sprake van een -deels- intact bodemprofiel.

In boringen 8 en 24 volgt onder de Aa-horizont de donkere en humusrijke Bh(s)-horizont (inspoeling van humus en eventueel ook sequioxiden) en de roestige Bs-horizont (inspoeling van sequioxiden, waarvan het ijzer voor de roestkleuring zorgt). Onder de B(h)s-horizont is een overgangszone tussen de B- en C-horizont (BC-horizont) aangetroffen. Wat erop duidt dat er oorspronkelijk een (veld)podzol aanwezig is geweest binnen (delen van) plangebied. Aangezien er nog restanten van bodemvorming op variërende dieptes aangetroffen zijn, kan gesteld worden dat het terrein van oorsprong in hoogte verschilde. Aangezien er plaatselijk nog restanten van bodemvorming aangetroffen zijn en de brokken van E- en B-horizonten mogelijk duiden op ontginningssporen, kan er ook aangenomen worden dat (delen van) het plangebied nog deels intact is/zijn.

Figuur 10. Diepteligging van de natuurlijke ondergrond (C-horizont).

Pagina | 25

AM21580

5.4

Archeologische indicatoren

Alhoewel geen doel van een verkennend veldonderzoek met boringen, is gelet op de aanwezigheid van archeologische indicatoren die kunnen wijzen op archeologische waarden in de ondergrond. Tijdens het onderzoek zijn dergelijke indicatoren echter niet aangetroffen.

Pagina | 26

AM21580

6. CONCLUSIE 6.1

Algemeen

Op basis van het uitgevoerd verkennend veldonderzoek middels boringen kan in een groot deel van het plangebied niet worden gesteld welk bodemtype oorspronkelijk aanwezig was. Ter plaatse van boringen 8, 16, 20, 22, 24, 26 zijn -deels- intacte, vermoedelijk (veld) podzolbodems aangetroffen. Deze boringen bevinden zich voornamelijk in het zuiden van het plangebied. Wat erop wijst dat dit deel van het plangebied nog het meest intact is, doch veelal tot in de BC-horizont dan wel de C-horizont verstoord. De natuurlijke ondergrond bestaat uit dekzandafzettingen van het Laagpakket van Wierden (Formatie van Boxtel) veelal afzet een dikke leemlaag van het Laagpakket van Liempde (Formatie van Boxtel). Het dekzand bestaat uit zwak tot matig siltig matig fijn, goed gesorteerd zand. De natuurlijke ondergrond bevindt zich op een diepte van circa 30 tot 180 centimeter onder maaiveld. Dit komt neer op een gemiddelde diepte van circa 15,41 tot 16,94 meter +NAP. De dikte van A-horizont, de vlekken en brokken baksteen dat erin aangetroffen is, wijst er inderdaad op dat het terrein opgehoogd is, wat ook blijkt uit oude hoogte gegevens van het plangebied.. Er is tijdens het veldonderzoek ook vastgesteld dat de bodem in meer of mindere mate verstoord is. In het grootste deel van het plangebied is sprake van een AC-bodemprofiel.

Dit betekent dat de top van het potentieel archeologisch niveau voor de periode jagersverzamelaars grotendeels niet meer intact is. Deze vindplaatsen zijn immers erg kwetsbaar en zullen, indien deze aanwezig zijn geweest, alleen nog ex-situ kunnen worden aangetroffen. Op basis hiervan wordt de kans laag geacht dat er nog archeologische resten uit deze periode aanwezig zijn in het plangebied. De middelhoge verwachting voor deze perioden kan daarom bijgesteld worden naar laag. De verwachting voor het aantreffen van sporen van sedentaire samenlevingen kan echter wel behouden blijven, omdat niet vastgesteld kan worden hoeveel van de oorspronkelijke bodemopbouw verdwenen is en recente onderzoeken aantonen dat er in bodems met een AC-bodemprofiel ook vindplaatsen aangetroffen kunnen worden. Vanaf de volle middeleeuwen gold een lage verwachting. Deze kan gehandhaafd blijven.

6.2

Beantwoording onderzoeksvragen •

Is er sprake van stratigrafische lagen die potentieel archeologische waarden kunnen bevatten? Ja. Ter hoogte van boringen 8, 16, 20, 22, 24, 26 is er sprake van een (deels/semi) intacte podzolbodems. Hierin kunnen archeologische resten voorkomen. Ook in de top van de natuurlijke ondergrond (C-horizont) kunnen archeologische waarden aanwezig zijn. Dit is afhankelijk van in welke mate de oorspronkelijke bodem verstoord is.

•

In hoeverre zijn deze lagen intact en hoe reflecteert dit de kwaliteit van de mogelijk aanwezige archeologische resten? Ter hoogte van boringen 8, 16, 20, 22, 24, 26 is de podzolbodem deels/semi-intact. Er zijn resten van een B(C)-horizont aangetroffen. In het grootste deel van het plangebied is de bodem niet meer intact en wordt de kans laag geacht dat er nog archeologische waarden van jager/verzamelaars aanwezig zijn. Afhankelijk van de mate van verstoring kunnen er nog wel archeologische waarden van meer sedentaire samenlevingen aangetroffen worden.

•

Wat is de diepteligging van mogelijke archeologische resten en wat is de daadwerkelijke bedreiging van deze resten door de voorgenomen bodemingrepen? De top van de natuurlijke ondergrond, waarin zich archeologische resten kunnen bevinden, bevindt zich op een diepte van circa 30 tot 180 centimeter onder maaiveld. Dit komt neer op een diepte van circa 15,41 tot 16,94 meter +NAP. Doorgaans wordt een fundering op minimaal 80 cm -mv aangelegd. Daarvoor dient echter eerst afgegraven te worden tot een draagkrachtige laag, die doorgaans wordt gevormd door de top van de natuurlijke afzettingen, oftewel de C-horizont.

Pagina | 27

AM21580

7. AANBEVELINGEN Op basis van het uitgevoerd verkennend veldonderzoek middels boringen kan worden gesteld dat het plangebied nog deels intact is. Voor het andere deel kan echter niet vastgesteld worden in hoeverre de bodem verstoord is. Omdat de top van het verwachtte archeologisch niveau veelal ook de top van de draagkrachtige laag is die afgegraven wordt ten behoeve van de aanleg van een fundering, is de kans aanwezig dat bij de voorgenomen herontwikkeling mogelijk aanwezige archeologische waarden verloren gaan. Op basis hiervan wordt voor het deel van het plangebied dat volgens de beleidsadvieskaart van de gemeente Best binnen beleidscategorie 5 valt, vervolgonderzoek geadviseerd (Figuur 11: blauw gearceerd). Dit vervolgonderzoek vindt bij voorkeur in de vorm van een proefsleuvenonderzoek plaats. Hiervoor dient voorafgaand een Programma van Eisen (PvE) ter toetsing te worden voorgelegd te worden aan de bevoegde overheid (gemeente Best). De resultaten van dit onderzoek dienen getoetst te worden door de bevoegde overheid (gemeente Best), dat op basis van het uitgebrachte advies een besluit zal nemen. Wij willen de opdrachtgever erop wijzen dat dit selectieadvies nog niet betekent dat al bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. Het uitgevoerde onderzoek is verricht conform de gestelde eisen en gebruikelijke methoden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13678598/1