23063.10 - Bijlage 3 bij Toelichting - Quick scan Flora & Fauna
Tekst van het document
Quickscan Flora en Fauna N222867 Oirschotseweg 100a – 102 te Best
Archiefexemplaar van BL23-10031
- toelichting bijlage 3 Quickscan flora en fauna
Projectgegevens Rapportnummer
: N222867
Datum rapportage
: 22 december 2022
Versienummer
:2
Quickscan Flora en Fauna Oirschotseweg 100a – 102 te best
Opdrachtgever
: de heer M. de Bresser Kapelweg 25a 5684 NT Best
Contactpersoon Nipa
: J.J. Jager MSc
Ecologisch medewerker
:J.J. Jager MSc
Datum veldwerk
: 28 november 2022
Opsteller rapportage
: J.J. Jager MSc
Controleur rapportage
: P.A.M. Heesakkers
Rapportstatus
: definitief
handtekening
handtekening
Nipa Milieutechniek B.V. Landweerstraat-zuid 109 5349 AK Oss T (0412) 65 50 58 KVK nummer 16077486 info@nipamilieu.nl Sjabloonversie november 2022 Op onze dienstverlening zijn de algemene voorwaarden van toepassing die u vindt op www.nipamilieu.com
Quickscan Flora en Fauna
ii
N222867
SAMENVATTING De heer M. de Bresser heeft, in verband met de herinrichting van de percelen aan de Oirschotseweg, aan Nipa milieutechniek opdracht gegeven voor het uitvoeren van een quickscan met betrekking tot het voorkomen van beschermde flora en fauna ter plaatse van het perceel Oirschotseweg 100a – 102 te Best De quickscan heeft tot doel vast te stellen of de geplande ingrepen van invloed zijn op beschermde soorten en beschermde gebieden. In de quickscan wordt de (mogelijke) aanwezigheid beschreven van de in paragraaf 3.1, 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming (Wnb) opgenomen soorten. Ook wordt er vastgesteld of bij de bouw- en sloopwerkzaamheden rekening gehouden dient te worden met soorten en gebieden om een overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen. Om een overtreding met de Wet natuurbescherming te voorkomen kunnen maatregelen en/of soortgericht onderzoeken geadviseerd worden. Op basis van de quickscan die is uitgevoerd ter plaatse van het perceel Oirschotseweg 100a en 102 te Best, kan worden uitgesloten dat de voorgenomen sloop- en bouwwerkzaamheden een negatieve invloed heeft op beschermde soorten vanuit de Wet natuurbescherming en natuurgebieden. Voor de geplande ingreep moeten alle kerstbomen gerooid worden welke als nestgelegenheid kunnen dienen voor diverse vogels.
Op basis van artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Wnb) is het verboden om opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. De rooiwerkzaamheden dienen buiten het broedseizoen (15 maart – 1 augustus) uitgevoerd te worden. De overige bomen worden gehandhaafd Op de onderzoekslocatie kunnen foeragerende vleermuizen voorkomen. Derhalve wordt geadviseerd om eventuele bouwlampen naar de onderzoekslocatie toe en naar beneden te richten. De bouwlampen dienen tijdens de schermer en nacht uren uitgeschakeld te zijn in de periode april t/m november. Onder artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming geldt er een zorgplicht voor alle in het wild levende dieren en planten en ook gebieden. Volgens de zorgplicht dienen er, in redelijkheid, zo veel mogelijk maatregelen genomen te worden om onnodig doden, verwonden of schade aan dieren, planten en gebieden te voorkomen. Dit geldt in praktijk voornamelijk voor de minder streng beschermde soorten, waarbij onnodig doden, verwonden of beschadigen vermeden dient te worden.
Quickscan Flora en Fauna
iii
N222867
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING _____________________________________________________________________ 1 AANLEIDING _______________________________________________________________________ 1 DOELSTELLING______________________________________________________________________ 1 WERKWIJZE _______________________________________________________________________ 1
2
WETTELIJK KADER ______________________________________________________________ 3 WET NATUURBESCHERMING ____________________________________________________________ 3 GEBIEDSBESCHERMING ________________________________________________________________ 3 WET HOUTOPSTANDEN________________________________________________________________ 5 ZORGPLICHT _______________________________________________________________________ 6 RIJKSDIENST VOOR ONDERNEMEND NEDERLAND ______________________________________________ 6
3
PLANGEBIED ___________________________________________________________________ 7 PLANGEBIED HUIDIG __________________________________________________________________ 7 GEPLANDE INGREPEN _________________________________________________________________ 8 NABIJ GELEGEN NATURA2000 GEBIEDEN ___________________________________________________ 9 NATUURBELEID & NATUUR NETWERK NEDERLAND _____________________________________________ 9
4
QUICKSCAN __________________________________________________________________ 11 ALGEMEEN _______________________________________________________________________ 11 RESULTATEN QUICKSCAN______________________________________________________________ 11 EFFECTEN INGREEP OP (POTENTIEEL) AANWEZIGE FLORA EN FAUNA _________________________________ 18
5
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ________________________________________________ 19
Bijlage 1 2 3 4
Kaartmateriaal Foto’s Gegevens Natuurloket Checklist onderzoek vleermuizen
Quickscan Flora en Fauna
iv
N222867
1
INLEIDING Aanleiding De heer M. de Bresser heeft, in verband met de herinrichting van de percelen aan de Oirschotseweg, aan Nipa milieutechniek opdracht gegeven voor het uitvoeren van een quickscan met betrekking tot het voorkomen van beschermde flora en fauna ter plaatse van het perceel Oirschotseweg 100a – 102 te Best. De werkzaamheden bij Nipa milieutechniek zijn gecoördineerd door de heer J.J. Jager MSc. Doelstelling De quickscan heeft tot doel vast te stellen of de geplande ingrepen van invloed zijn op beschermde soorten en beschermde gebieden. In de quickscan wordt de (mogelijke) aanwezigheid beschreven van de in paragraaf 3.1, 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming (Wnb) opgenomen soorten. Ook wordt er vastgesteld of bij de bouw- en sloopwerkzaamheden rekening gehouden dient te worden met soorten en gebieden om een overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen. Om een overtreding met de Wet natuurbescherming te voorkomen kunnen maatregelen en/of soortgericht onderzoeken geadviseerd worden. Werkwijze De quickscan wordt uitgevoerd middels het verrichten van een bureauonderzoek en een veldbezoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid op of nabij de onderzoekslocatie van de te verwachten beschermde soorten en geschikt habitat voor deze soorten.
De quickscan is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn voor de quickscan geen ecologische inventarisaties uitgevoerd naar specifieke soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat vaak meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar. Tijdens het bureauonderzoek wordt aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke beschermde planten- en diersoorten voor kunnen komen op de onderzoekslocatie. Ook zijn provinciale gebiedsbescherming en Natura 2000 gegevens geraadpleegd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) zijn opgevraagd. De beoordeling van de verspreidingsgegevens wordt beperkt tot de soorten die binnen een straal van 5 kilometer van de onderzoekslocatie geregistreerd zijn.
Quickscan Flora en Fauna
1
N222867
Tijdens het veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie en de directe omgeving beoordeeld (situatie afhankelijk). Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van de aanwezige habitat. Naast de aanwezige habitat zijn directe en indirecte indicaties betreffende het voorkomen van beschermde soorten opgenomen. Dit geldt voor het aantreffen van een exemplaar, holen, uitwerpselen, vraat-, loop- en veegsporen, prooiresten en andere sporen. Deze waarnemingen zijn meegenomen in de beoordeling.
Quickscan Flora en Fauna
2
N222867
2
WETTELIJK KADER Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming (Wnb) is gericht op het beschermen en ontwikkelen van de natuur en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit. De Wnb deelt soorten in drie beschermingsregimes in: 1.
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn. Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (§3.1 van de wet).
2.
Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd (§3.2 van de wet).
3.
Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers (onderdeel A van de bijlage), hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen en vaatplanten (onderdeel B van de bijlage) voorkomend in Nederland (§3.3 van de wet).
Onder de Wet natuurbescherming geldt een zorgplicht voor alle in het wild levende dieren en planten. Volgens de zorgplicht dienen er, in redelijkheid, zo veel mogelijk maatregelen genomen te worden om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen. De Wet natuurbescherming maakt invulling van de wet door provincies mogelijk, hiertoe kunnen provincies een eigen invulling geven aan de bescherming van soorten. Dit is voor de provincie NoordBrabant geregeld in de interim omgevingsverordening Noord-Brabant, geconsolideerd op 23 november 2021. In de bijlagen van deze verordening zijn soorten opgenomen welke bij ruimtelijke ontwikkeling binnen de provincie zijn vrijgesteld voor de aanvraag van een ontheffing. Dit betreft o.a. de bruine kikker, bastaardkikker, egel, konijn, haas en wild zwijn. Gebiedsbescherming Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Onder Natura 2000-gebieden vallen de gebieden die op grond van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn zijn aangewezen/ aangemeld als essentieel leefgebied voor bepaalde soorten. De Europese Unie heeft deze twee richtlijnen vastgesteld die moeten zorg dragen voor de bescherming van de belangrijkste Europese natuurwaarden: de Vogelrichtlijn uit 1979 en de Habitatrichtlijn uit 1992. Hoewel het om twee afzonderlijke richtlijnen
Quickscan Flora en Fauna
3
N222867
gaat, worden ze vanwege hun overeenkomsten vaak in één adem genoemd. Men spreekt dan over de ‘Vogel- en Habitatrichtlijn’. De Europese Unie heeft alle Vogel- en Habitatrichtlijngebieden ondergebracht in een samenhangend netwerk ‘Natura 2000’. Bij de bescherming van Natura 2000-gebieden staan de habitattypen, habitatrichtlijnsoorten en kwalificerende vogelsoorten waarvoor instandhoudingsdoelstellingen gelden centraal. De wet biedt verschillende instrumenten om deze instandhoudingsdoelstellingen te realiseren: • Het treffen van instandhoudingsmaatregelen. • Het treffen van passende maatregelen om te voorkomen dat de kwaliteit van habitats verslechterd en/of soorten verstoord worden. • Beoordelingsplicht voor plannen, projecten en andere handelingen die kunnen leiden tot (significante) verslechtering of significante verstoring van Natura 2000-gebieden. Voor projecten en andere handelingen geldt daartoe een vergunningplicht. Het is verboden zonder vergunning een project uit te voeren dat, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats of habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen (art 2.7 lid 2 Wnb).
Wanneer het een project betreft dat niet direct verband houdt met, of nodig is voor het beheer van een gebied, en dat afzonderlijk of in cumulatie significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, wordt de vergunning niet verleend totdat uit een passende beoordeling is gebleken dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast (art 2.7 lid 3 onder a en art 2.8 lid 1 Wnb). Een uitzondering is een project dat een herhaling of voortzetting is van een ander project, of deel uitmaakt van een ander plan, waarvoor al een passende beoordeling is gemaakt en een nieuwe passende beoordeling geen nieuwe gegevens of inzichten op kan leveren (art 2.8 lid 2 Wnb). De vergunning voor een project wordt alleen verleend wanneer zeker is dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast en de instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar worden gebracht, dit geldt ook voor externe werking. Hiervan mag alleen worden afgeweken wanneer alternatieve oplossingen voor het project ontbreken en wanneer sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang. Bovendien moet voorafgaande aan het toestaan van een afwijking zeker zijn dat alle schade gecompenseerd wordt (de ADC-toets) (art 2.8 lid 4). Onderdeel van de instandhoudingsmaatregelen is het natuurnetwerk Nederland (NNN).
Het NNN is een landelijk samenhangend ecologisch netwerk van gebieden aangewezen door de gedeputeerde staten in hun eigen provincies. De gedeputeerde staten dragen de zorg voor de totstandkoming en instandhouding van dit netwerk. Het NNN is ten gunste van de instandhoudingsdoelstellingen en het herstel van biotopen en leefgebieden voor alle in de Wet natuurbescherming genoemde soorten die
Quickscan Flora en Fauna
4
N222867
in Nederland in het wild voorkomen, de in Nederland voorkomende typen natuurlijke habitats, (bijlage I Habitatrichtlijn ), en de uitroeiing bedreigde of speciaal gevaar lopende dier- en plantsoorten (atikel 1,5 lid 4 Wnb). Tevens kunnen gedeputeerde staten gebieden aanwijzen die buiten het natuurnetwerk Nederland liggen maar wel van een provinciaal belang zijn vanwege hun natuurwaarde. Deze gebieden worden aangeduid als bijzondere provinciale natuurgebieden. Wet houtopstanden Conform hoofdstuk 4 van de Wnb is een kapmelding verplicht bij de kap van ten minste 10 are of meer dan 20 bomen buiten de door de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom. Indien dit het geval is wordt de kapmelding ingediend bij de provincie. Artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming verplicht een 1-op-1 compensatie, beter bekend als de herplantplicht, binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond. Kap van bos en bomen in beschermde natuurgebieden als onderdeel van het NNN dienen mogelijk extra gecompenseerd te worden conform provinciale beleidsregels. Dunningswerkzaamheden in het kader van natuurbeheer of boskap ten behoeve van realisatie instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied zijn in beginsel vrijgesteld van herplantplicht, maar dienen wel gemeld te worden. De wet houtopstanden heeft geen betrekking op :
fruitbomen in boomgaarden en bijbehorende windschermen,
lijnvormige beplantingen van wilgen of populieren bij wegen, waterwegen of landbouwgronden,
naaldbomen productie voor “Kerstbomen” die niet ouder zijn dan twintig jaar.
houtopstanden op erven en tuinen
boomkwekerijen
houtproductie van populier, wilg es of els aangeplant na 2013 en welke eens per 10 jaar geoogst wordt.
De desbetreffende kapwerkzaamheden hoeven daarom niet gemeld worden in het kader van de Wnb. Overigens is het mogelijk dat de provincie een kapverbod instelt, bijvoorbeeld ten behoeve van bescherming van natuur- en landschapswaarden, voor de duur van telkens maximaal 5 jaar per besluit.
Quickscan Flora en Fauna
5
N222867
Zorgplicht Onder artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming geldt er een zorgplicht voor alle in het wild levende dieren en planten en ook gebieden. Volgens de zorgplicht dienen er, in redelijkheid, zo veel mogelijk maatregelen genomen te worden om onnodig doden, verwonden of schade aan dieren, planten en gebieden te voorkomen. Dit geldt in praktijk voornamelijk voor de minder streng beschermde soorten, waarbij onnodig doden, verwonden of beschadigen vermeden dient te worden. Rijksdienst voor Ondernemend Nederland Ecologisch onderzoek valt niet onder een erkenningsregeling, er worden echter wel randvoorwaarden gesteld aan de competenties van de personen die het veldwerk uitvoeren. De ecologische deskundige heeft voldoende kennis en ervaring om ecologisch onderzoek te kunnen doen. Hij of zij:
(her)kent de functionaliteit van leefgebieden van beschermde soorten;
heeft kennis van de algemeen erkende onderzoeksmethoden;
kan ecologische werkprotocollen uitwerken;
kan specifieke maatregelen begeleiden.
J.J. Jager MSc voldoet aan de bovengenoemde randvoorwaarden.
Quickscan Flora en Fauna
6
N222867
3
PLANGEBIED Plangebied huidig De onderzoekslocatie staat kadastraal bekend als gemeente Best, sectie K, nummer 841 en 3559, zie bijlage 1. De onderzoekslocatie bestaat uit twee naastgelegen percelen aan de grens van het dorp Best. Op het terrein worden kerstbomen gekweekt en verkocht. Het westelijke deel is jaarrond in gebruik als grasveld met Engels raaigras. Hier staan palen opgesteld waartussen draden zijn gespannen wat in de weken voor kerst gebruikt wordt voor het opstellen van de te verkopen kerstbomen. Op het noordoostelijke deel worden kerstbomen gekweekt. Hier staan voornamelijk bomen van 1,5 meter hoog. Tussen de bomen zijn enkele uitwerpselen van fazanten aangetroffen. Het terrein wordt aan de noord- en zuidzijde begrensd met een greppel, die ten tijde van het veldbezoek droog stond. In de meest noordwestelijke hoek staat een grote eikenboom met eronder een klein houten schuurtje. In het schuurtje zijn graafsporen aangetroffen van mogelijk een bruine rat. Net naast het schuurtje is een veer van een buizerd aangetroffen.
N
ww
E
h
b
l 3 1
t
4 2 c
c
Figuur 1: de onderzoekslocatie met de twee te slopen delen aangegeven (geel). De woonhuizen 1, 2, het bijgebouw (3), en de schuur (4) worden gehandhaafd. Op de locatie staat een eik (e), twee knotwilgen (w), een beuk (b), hazelaar(h), laurierkers struiken(l), twee coniferen (c) en een treurberk (t).
Op het terrein staan vier gebouwen, waarvan 2 woonhuizen, een bijgebouw en een schuur. De woningen, het bijgebouw en de schuur zijn geen onderdeel van de onderzoekslocatie. Echter zijn de uitbouw van de schuur en een kas uitbouw aan het bijgebouw (1) wel onderdeel van de onderzoekslocatie doordat deze gesloopt gaan worden. De schuur die te midden van het plangebied staat is in de jaren 80 uitgebouwd aan de noord- en westelijke zijde. Deze uitbouw heeft steense muren. Het bovenste
Quickscan Flora en Fauna
7
N222867
deel van de zuidelijke gevel is deels opgebouwd uit een laag houten planken. De goot van de schuuruitbouw is twee meter hoog. Het met dakpannen bedekte dak deel is in een slechte staat van onderhoud, waardoor er veel lekkages binnen zijn. Het noordelijke dakdeel is opgebouwd uit golfplaten. De uitbouw wordt nog gebruikt voor de opslag van oude landbouwmachines, auto’s, huishoudelijke goederen en bouwmateriaal. Op de vloer zijn fecaliën van muizen en mogelijk de bruine rat aangetroffen. In de westelijke gevel zit een gat net boven de vloer waardoor er toegang is voor deze soorten. Er is dakbeschot aanwezig wat bestaat uit plaatmateriaal. Het dakbeschot ligt niet overal netjes recht en in veel delen, voornamelijk onder de dakpannen is duidelijk waterschade te zien. Het dak is niet geïsoleerd. De uitbouw welke gebruikt wordt als kas aan het bijgebouw, is voornamelijk opgebouwd uit glas en staal. In de kas ligt deels een verharding met tegels. Doordat er een geruime tijd geen onderhoud is gepleegd is de kas sterk begroeid met verruigingssoorten. Op een smalle spleet, die laag bij de grond zit, na is er geen toegang tot de kas. Op de erfgreens staat een grote oude eikenboom, twee knotwilgen, een beuk, een hazelaar laurierkers struiken met er doorheen een dode jonge boom, twee coniferen en een treurbeuk.
In de knotwilgen zitten grote scheuren en holtes in de overige bomen zijn geen gaten en holtes aangetroffen. De situering van de onderzoekslocatie in de regio is weergegeven in bijlage 1. De onderzoekslocatie is gelegen aan de rand van het dorp Best. De directe omgeving van de locatie bestaat uit:
Noordzijde:
boerenerven met weilanden
Oostzijde:
woonhuizen en industrieterrein
Zuidzijde:
woonwijken en het dorp Best
Westzijde:
boerenerven en weilanden
Geplande ingrepen Zoals eerder aangegeven staan er vier gebouwen op de onderzoekslocatie. Het woonhuis op het perceel van 102 (nr3), de woning van 100A en bijbehorende bijgebouw (nr 1 en 2) blijven gehandhaafd. De oostelijke uitbouw van het bijgebouw 1, wat in gebruik is als kas, wordt gesloopt. De westelijke en noordelijke uitbouw van de schuur wordt volledig verwijderd, de schuur zelf blijft behouden. Ten westen van de huidige schuur wordt een woonhuis met losstaand bijgebouw gerealiseerd. Het woonhuis komt op de zelfde hoogte als het zuidelijkste woonhuis.
Quickscan Flora en Fauna
8
N222867
Het resterend terrein, voornamelijk de noordelijke helft, wordt groen ingericht als boomgaard en een natuurlijke vijver voor het bergen van regenwater. Daarbij worden de erfgrenzen duidelijker gedefinieerd door hier heggen aan te planten. De huidige bomen aan de erfgrenzen blijven behouden. De kerstbomen die er nog staan worden wel verwijderd De 3 woonhuizen en de schuur zonder de uitbouw zijn geen onderdeel van de onderzoekslocatie. De woonhuizen zijn in gebruik en worden niet gerenoveerd. Nabij gelegen Natura2000 gebieden Circa 7,3 kilometer ten noordwesten en 8,2 kilometer ten zuidwesten van de onderzoekslocatie zijn resp. de Kampina & Oisterwijkse Vennen en het Kempenland-West gelegen die zijn aangewezen als Natura 2000 gebieden (figuur 2). Gezien de kleinschaligheid en afstand van de activiteit worden geen nadelige effecten op het natuurgebied verwacht. De ingreep leidt waarschijnlijk niet tot een toename van de stikstofdepositie in het Natura2000 gebied. Om dit te bevestigen zou een Aerius-berekening kunnen worden uitgevoerd. Kampina & Oisterwijkse Vennen
Kempenland-West Figuur 2: nabij gelegen Natura2000 gebieden.
Natuurbeleid & Natuur Netwerk Nederland De locatie valt niet binnen de natuurbeheergebieden van de provincie Noord-Brabant of binnen het Natuurnetwerk Brabant (NNB) (figuur 3). De dichtstbijzijnde natuurbeheergebieden liggen op 1,1 kilometer ten zuiden van de onderzoekslocatie. Gezien de afstand en de aard van de ingreep worden als gevolg van de ingreep geen negatieve effecten verwacht op de meest nabijgelegen natuurgebieden.
Quickscan Flora en Fauna
9
N222867
Figuur 3: nabij gelegen beheertypen & Natuurnetwerk Brabant.
Quickscan Flora en Fauna
10
N222867
4
QUICKSCAN Algemeen Het veldbezoek is op 28 november 2022 tussen 09:00 en 11:30 uitgevoerd. Het locatiebezoek is uitgevoerd door J.J. Jager MSc. Ten tijde van het veldbezoek was er halfzware bewolking, stond er 2 BFT wind, was het 10 °C en was er lichte tot soms zware regen. In bijlage 2 zijn foto’s van het locatiebezoek opgenomen. Resultaten quickscan In de volgende paragrafen wordt beschreven welke soorten binnen de onderzoekslocatie zijn waargenomen of waarvan sporen zijn aangetroffen. Ook wordt op basis van het aanwezige biotoop en de inventarisatiegegevens uit de regio beschreven welke soorten binnen de onderzoekslocatie potentieel voorkomen. Voor de (potentieel) aanwezige soorten wordt waar mogelijk beschreven of de onderzoekslocatie rust- en verblijfplaatsen, foerageergebied en migratieroutes biedt. Ook worden de effecten van de voorgenomen ingrepen op de potentieel aanwezige soorten beschreven. De inventarisatiegegevens vanuit de omgeving zijn opgevraagd via quickscanhulp.nl, (bijlage 3) dat door de NDFF is opgesteld en door indien aanwezige provinciale databanken. Amfibieën Uit de gegevens van de NDFF blijkt dat op en in de omgeving van de onderzoekslocatie de alpenwatersalamander, bastaardkikker, boomkikker, bruine kikker, gewone pad, heikikker, kamsalamander, kleine watersalamander, poelkikker en rugstreeppad zijn waargenomen.
Door het ontbreken van geschikt voortplantingswater op de onderzoekslocatie zijn de alpenwatersalamander, boomkikker, heikikker, kamsalamander en poelkikker hier uit te sluiten.
De noord-, oost- en zuidzijde van de onderzoekslocatie zijn begrensd met een greppel waarin periodiek water kan staan. Hier kunnen mogelijk de bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker en/of middelste groene kikker voorkomen waardoor deze soorten ook de locatie kunnen gebruiken als landhabitat. Echter lijkt in de omgeving geschikter landhabitat aanwezig te zijn. Deze soorten zijn in Noord-Brabant vrijgestelde soorten bij ruimtelijke ontwikkeling.
Voor de rugstreeppad zijn open gebieden met slechts hier en daar schuilplaatsen een geschikte habitat, liefst met zandgrond om goed te kunnen graven. Door het ontbreken van voedselarme en losse zandgronden is deze soort uit te sluiten binnen de onderzoekslocatie. Echter staat deze soort bekend als een echte pionierssoort omdat ze een voorkeur heeft voor primaire stadia in de ecologische successie. Veel ingrepen van de mens kunnen als zodanig worden aangemerkt, van bouwterreinen tot
Quickscan Flora en Fauna
11
N222867
afgravingen en net gegraven poelen en sloten. Tijdelijke poelen die tijdens de bouw ontstaan vallen hier ook onder en deze kunnen gebruikt worden als kraamkamer voor het nageslacht. Uit de gegevens van de nationale databank Flora en Fauna is de rugstreeppad nabij de onderzoekslocatie waargenomen. Geadviseerd wordt om tijdelijke plassen en poelen te voorkomen tijdens de geplande werkzaamheden. Dit voorkomt dat deze soort in deze tijdelijke plassen eieren af kan zetten.
Dag-, nachtvlinders Uit de gegevens van de NDFF blijkt dat op en in de omgeving van de onderzoekslocatie de bruine eikenpage, grote vos, grote weerschijnvlinder, iepenpage, kleine ijsvogelvlinder en teunisbloempijlstaart zijn waargenomen.
De bruine eikenpage komt voor op de zandgronden, zowel in het binnenland als in de duinen. In het binnenland vliegt hij bij bosranden, in jonge eikenaanplant en open loofbossen. In geschikte bosranden zijn doorgaans oudere eiken, voldoende eikenopslag, kreupelhout en braamstruwelen te vinden. Dit spoort landschappen ontbreken binnen en nabij de onderzoekslocatie. Hoewel er een grote eikenboom aanwezig is op de onderzoekslocatie is het voorkomen van deze soort door het ontbreken van geschikt habitat uit te sluiten.
De grote vos komt voor in vochtige, open bossen, bosranden, boomgaarden en andere plekken met grote vrijstaande bomen. Ook zwervende individuen worden vooral in een bosrijke omgeving gevonden. Door het ontbreken van bosgebieden nabij de onderzoekslocatie is deze soort hier uit te sluiten.
De grote weerschijnvlinder komt voor in vochtige oudere loofbossen met open plekken erin. Door het ontbreken van soortgelijk gebied in of nabij de onderzoekslocatie is deze soort hier uit te sluiten.
Door het ontbreken van de geschikte waardplanten en geschikt habitat zijn de iepenpage, kleine ijsvogelvlinder en teunisbloempijlstaart uit te sluiten binnen de onderzoekslocatie.
Kevers Uit de gegevens van de NDFF blijkt dat op en in de omgeving van de onderzoekslocatie de vermiljoenkever is waargenomen.
De biotoop van de vermiljoenkever wordt gevormd door vochtige bossen, houtwallen en lanen met bomen en dikke takken die recent zijn doodgegaan. Ook meer solitaire of opgestapelde boomstammen kunnen gekoloniseerd worden. Door het ontbreken van geschikt habitat en grote hoeveelheden dood hout is deze soort uit te sluiten binnen de onderzoekslocatie.
Quickscan Flora en Fauna
12
N222867
Door het ontbreken van oude, dode bomen of (natte) gebieden met veel dood hout is het voorkomen van andere beschermde kevers binnen het plangebied ook uit te sluiten. Door het ontbreken van schone nutriëntarme wateren is het plangebied ongeschikt als leefgebied voor beschermde roofkevers.
Libellen Uit de gegevens van de NDFF blijkt dat op en in de omgeving van de onderzoekslocatie de bosbeekjuffer en gevlekte witsnuitlibel zijn waargenomen.
Door het ontbreken van geschikt oppervlaktewater zijn de genoemde en ander beschermde libellensoorten uit te sluiten binnen de onderzoekslocatie.
Reptielen Uit de gegevens van de NDFF blijkt dat op en in de omgeving van de onderzoekslocatie de hazelworm en levendbarende hagedis zijn waargenomen.
De habitat van de hazelworm bestaat uit vochtige, begroeide omgevingen met een strooisellaag waarin het dier kan schuilen en jagen. De hazelworm is voornamelijk te vinden in bossen op open plekken, bosranden en houtwallen. Ook in door de mens aangepaste omgevingen kan de hazelworm zich handhaven, zoals houtwallen, kalkgraslanden, (spoor)wegbermen, kerkhoven en zelfs in tuinen, parken en volkstuintjes kan de hagedis worden aangetroffen. Een belangrijke voorwaarde die gesteld wordt is de aanwezigheid van schuilplaatsen, zoals houtstapels of dichte bodemvegetatie. Door het ontbreken van geschikte schuilplaatsen is deze soort hier uit te sluiten.
De levendbarende hagedis heeft heide en hoogveen als voorkeurshabitat. Door het ontbreken hiervan is deze soort hier uit te sluiten.
Door het ontbreken van voldoende geschikt habitat en verblijfplaatsen zoals holen en takkenstapels zijn overige reptielen ook uit te sluiten binnen de onderzoekslocatie.
Vaatplanten Uit de gegevens van de NDFF blijkt dat op en in de omgeving van de onderzoekslocatie de drijvende waterweegbree, kartuizer anjer en stijve wolfsmelk zijn waargenomen.
Drijvende waterweegbree is een plant die groeit in helder, voedselarm tot matig voedselrijk (fosfaatarm), zwak zuur water. Door het ontbreken van oppervlaktewater is deze soort hier uit te sluiten.
Quickscan Flora en Fauna
13
N222867
Kartuizer anjer staat op zonnige, warme en droge, matig voedselarme en uitgesproken stikstofarme, basenrijke en vaak kalkhoudende grond (al of niet lemig zand en mergel) en ook op stenige plaatsen). Ze groeit in schrale- en kalkgraslanden, in bosschages langs bermen en dijken en op leisteenhellingen en zandsteenrotsen. Kartuizer anjer is waarschijnlijk zeer sterk achteruit gegaan door bemesting. Gezien de ligging en het voormalig gebruik van het veld als weiland en voor de kweek van kerstbomen, is de grond vermoedelijk niet basisch en stikstofarm. Hierdoor is deze soort hier uit te sluiten.
Stijve wolfsmelk staat op open, zonnige tot licht beschaduwde, vochtige, stikstofrijke, matig voedselrijke, weinig of niet bemeste klei-, en mergelbodems, vaak op stenige plaatsen. De locatie is gelegen op zandgronden waardoor de soort hier uit te sluiten is.
Op de onderzoekslocatie staan voornamelijk Engels raaigras, kerstbomen, sierplanten en ruigtesoorten, gezien het gebruik van de locatie en de ligging worden beschermde vaatplanten hier niet verwacht.
Op of direct nabij de onderzoekslocatie zijn geen monumentale bomen bekend.
Vissen Uit de gegevens van de NDFF blijkt dat op en in de omgeving van de onderzoekslocatie geen beschermde vissen zijn waargenomen.
Door het ontbreken van jaarrond waterhoudend oppervlaktewater zijn beschermde vissoorten binnen het plangebied uit te sluiten.
Vleermuizen Uit de gegevens van de NDFF blijkt dat op en in de omgeving van de onderzoekslocatie de gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en watervleermuis zijn waargenomen.
De gewone dwergvleermuis en laatvlieger zijn gebouw bewonende vleermuizen. De rosse vleermuis en watervleermuis kunnen zowel in bomen als in gebouwen voorkomen. De bomen op de onderzoekslocatie blijven behouden. Allen in de twee knotwilgen aan de noordelijke perceelgrens zitten gaten en scheuren die mogelijk geschikt zijn voor vleermuizen om in te verblijven. Echter blijven deze bomen behouden.
De kas die gesloopt wordt biedt geen geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen doordat het glas en staal te glad is om op te kunnen landen. Daarbij zijn er geen holtes waarin vleermuizen kunnen wegkruipen en kunnen verblijven.
Quickscan Flora en Fauna
14
N222867
De muren van de schuuruitbouw zijn allen steens. Hierdoor is er geen holte of ruimte waarin vleermuizen kunnen verblijven, zoals bij een spouwmuur. Ditzelfde geldt voor het houten deel van de zuidelijke gevel. Doordat dit uit een laag bestaat zijn ook hier geen holtes waarin vleermuizen kunnen verblijven. Het dak is in een slechte staat van onderhoud. Hierdoor liggen enkele dakpannen scheef. Onder het dak is een dakbeschot van plaatmateriaal. Hierdoor is er een ruimte tussen de dakpannen en het dakbeschot. Echter zitten er in het dakbeschot meerdere gaten en vochtplekken. Hieruit blijkt dat het dak erg lekt wat tijdens het veldbezoek ook is geconstateerd. Daarbij zorgt het slecht sluiten van de dakpannen en de gaten in het dakbeschot dat het in de ze ruimte en in de uitbouw zelf tocht. Dit in combinatie met de lekkages maakt deze ruimte ongeschikt voor vleermuizen.
Gezien de ligging van het terrein en de inrichting kan de onderzoekslocatie wel dienen als foerageergebied voor vleermuizen. Echter liggen er in de directe omgeving voldoende soortgelijk gebieden. Daarbij zal de onderzoekslocatie in de toekomstige situatie weer als foerageergebied kunnen dienen.
Vogels Uit de gegevens van de NDFF blijkt dat op en in de omgeving van de onderzoekslocatie de soorten boomvalk, bosuil, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, raaf, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, torenvalk, wespendief en zwarte wouw zijn waargenomen.
In de gegevens van de NDFF zijn ook diverse categorie 5 soorten opgenomen (oa. blauwe reiger, boomklever, ekster, mezen, spechten en spreeuw). Dit zijn algemene soorten die vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Voor deze soorten is het aanvragen van een ontheffing niet noodzakelijk indien vergelijkbaar habitat beschikbaar is. Wat op de huidige onderzoeklocatie het geval is. Daarbij zal de nieuwe situatie voldoende nieuwe gelegenheid bieden voor de reeds voorkomende soorten om zich hier opnieuw te vestigen.
Van de genoemde soorten zijn de gierzwaluw, de huismus en de kerkuil voor hun nest gebonden aan gebouwen.
De gierzwaluw komt in dorpen en steden voor. Deze soort nestelt graag onder scheefliggende dakpannen. Ook moet de uitvliegopening minimaal 4 meter hoog zitten. De dakpannen van de te slopen bebouwing liggen niet recht, en sluiten slecht aan. Echter is de nokhoogte van de te slopen schuuruitbouw 3 meter hoog. Dit is te laag voor de gierzwaluw om hier te nestelen. De te slopen kas is maximaal
Quickscan Flora en Fauna
15
N222867
2 meter hoog en eveneens te laag. Hierdoor zijn verblijfplaatsen van de gierzwaluw uit te sluiten binnen de onderzoekslocatie.
De huismus broedt graag in kolonieverband onder de dakpannen van huizen. De huismus gebruikt zijn nest gedurende het gehele jaar. Tijdens het veldbezoek zijn er geen huismussen waargenomen op de onderzoekslocatie. Ten tijde van het veldbezoek zijn er enkele dakpannen gelicht om te controleren op nesten van de huismus, ook is er gezocht naar sporen van nestmateriaal bij de goten van de uitbouw. Onder de dakpannen en de golfplaten zijn geen sporen van nestmateriaal aangetroffen. Hierdoor kan deze soort worden uitgesloten binnen de onderzoekslocatie.
De kerkuil en steenuil nestelen graag in grote open gebouwen zoals bijvoorbeeld schuren. Vaak maken ze een nest in een wat afgesloten ruimte. Doordat de schuuruitbouw en kas goed afgesloten zijn, is er geen geschikte opening waardoor uilen de te slopen delen binnen kunnen komen. Daarbij wordt de schuuruitbouw nog gebruikt waardoor het geen waarschijnlijke verblijfplaats voor uilen is. Ook zijn er in, op en rondom de bebouwing geen sporen van uilen (braakballen, veren of fecaliën) of sporen van (oude) nesten aangetroffen. Hierdoor zijn nestlocaties en roestplaatsen van uilen uit te sluiten binnen de onderzoekslocatie.
Op de onderzoekslocatie is een veer van een buizerd aangetroffen nabij de oude eik in de noordwestelijke hoek van het perceel. In de boom is geen horst aangetroffen van een roofvogel. Mogelijk is het terrein onderdeel van het foerageergebied van de buizerd.
Voor de overige vogelsoorten, met een jaarrond beschermd nest, zijn binnen de planlocatie geen nesten of nestmogelijkheden aanwezig.
Weekdieren Uit de gegevens van de NDFF blijkt dat op en in de omgeving van de onderzoekslocatie geen beschermde weekdieren zijn waargenomen. Door het ontbreken van heldere, schone wateren met waterplanten is het voorkomen van beschermde weekdieren binnen het plangebied uit te sluiten. Overig zoogdieren Uit de gegevens van de NDFF blijkt dat op en in de omgeving van de onderzoekslocatie de bosmuis, bunzing, damhert, das, dwergmuis, dwergspitsmuis, edelhert, eekhoorn, egel, haas, hermelijn, huisspitsmuis, konijn, ree, rosse woelmuis, steenmarter, veldmuis, vos, wezel en woelrat zijn waargenomen.
Quickscan Flora en Fauna
16
N222867
Van de door de NDFF geregistreerde soorten zijn de bosmuis, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, haas, huisspitsmuis, konijn, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, en woelrat in Brabant vrijgestelde soorten bij ruimtelijke ontwikkelingen. Op de onderzoekslocatie zijn graafsporen aangetroffen in het houten schuurtje en zijn er fecaliën aangetroffen. Deze zijn zeer waarschijnlijk van de huismuis en de bruine rat. Van de genoemde soorten zouden kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn, steenmarter en wezel) binnen de planlocatie voor kunnen komen. Als rust- en verblijfplaats voor kleine marterachtigen worden aangemerkt: • holen • houtstapels • holle bomen • mollennesten • drainagepijpen • takkenrillen • hooi- en strobalen • stapels stenen en puin • gaten en holten • open schuurtjes, stallen, kelders en hooizolders Waarbij deze goed geïsoleerd/beschut moeten zijn om onderkoeling te voorkomen. Bij de keuze voor een locatie voor de rustplaatsen is het van belang dat de in- en de uitgang van de rustplaats dekking biedt en in verbinding staat met lijnvormige groene elementen zodat de rustplaats veilig kan worden bereikt. De foerageergebieden zijn hoofdzakelijk struwelen, bosranden en groene oevers. In de gebouwen zijn geen potentiele nest- of schuilplaatsen aangetroffen.
In het schuurtje in de noordwestelijke hoek zijn wel stapels met vaten en graafsporen aangetroffen maar ontbreken hier sporen van marterachtigen zoals fecaliën en prooiresten. Waarschijnlijk is er geen verblijfplaats aanwezig op de onderzoekslocatie. Echter zal de onderzoekslocatie wel als een foerageergebied dienen voor deze soorten. In de schuur uitbouw zijn fecaliën aangetroffen van muizen en mogelijke bruine rat. Deze soorten zijn prooidieren voor marterachtigen. Het damhert en edelhert komen voornamelijk voor in bosrijke gebieden. Door het ontbreken hiervan en de ligging nabij de dorpskern van Best, zijn deze soorten uit te sluiten binnen de onderzoekslocatie. De das leeft in allerlei soorten biotopen, met een voorkeur voor kleinschalig akker- en weidelandschap met verspreide bosjes, heggen en houtwallen. Maar ook andere open terreinen, zoals vochtige heiden en rivierdalen zijn geschikte gebieden. Het leefgebied van de das moet voldoen aan voldoende dekking, weinig verstoring. Dit ontbreekt op de onderzoekslocatie waardoor deze soort uit te sluiten is
Quickscan Flora en Fauna
17
N222867
binnen de onderzoekslocatie. Daarbij zijn er tijdens het veldbezoek geen dassenburcht, fecaliën of wissels aangetroffen. Eekhoorns komen voor in loofbos, naaldbos of gemengd bos maar ook in tuinen, parken en houtwallen in de buurt van bos. Mits er voldoende voedsel beschikbaar is, komen ze ook in bebouwd gebied. Op de onderzoekslocatie ontbreken bomen die nestgelegenheid aanbieden. Wel zijn er meerdere bomen die als voedselbron kunnen dienen voor deze soort. Deze bomen blijven gehandhaafd. Hierdoor zullen de werkzaamheden geen effect op deze soort hebben. Effecten ingreep op (potentieel) aanwezige flora en fauna Op de onderzoekslocatie zullen sloop- en bouwwerkzaamheden worden gerealiseerd. Hierdoor zullen de foerageergebieden voor de soorten aangegeven in tabel 1 tijdelijk komen te vervallen. Tabel 1 Op de onderzoekslocatie (potentieel) aanwezige beschermde soorten en het gebruik van de locatie. Soort
Rust- of verblijfplaats
Foerageergebied
Migratie route
vleermuizen
Nee
Ja
Nee
Buizerd
Nee
Ja
Nee
marterachtigen
Nee
Ja
Nee
Echter is er voor deze soorten voldoende alternatieve soortgelijke gebieden in de directe omgeving aanwezig waardoor het tijdelijk verdwijnen geen invloed heeft op deze soorten. Ten opzichte van de huidige situatie en de toekomstige situatie zal er sprake zijn van een klein verlies van groen, maar een toename aan variatie en structuur. Voornamelijk de herinrichting van het noordelijke deel met een poel, boomgaard en de aanleg van hagen zal bevorderlijk zijn voor de in tabel 1 genoemde soorten maar ook andere algemenere soorten. Voor de geplande ingreep blijven de aanwezige bomen met uitzondering van de kerstbomen gehandhaafd. De kerstbomen kunnen tijdens het broedseizoen niet jaarrond beschermde nesten bevatten. Door de geplande ingreep kunnen deze nesten verstoord worden. In de bomen zijn geen gaten of holen aanwezig en zijn voor vleermuizen derhalve ongeschikt als verblijfplaats. De bomen maken geen onderdeel uit van een lijnvormig element.
Quickscan Flora en Fauna
18
N222867
5
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN Op basis van de quickscan die is uitgevoerd ter plaatse van het perceel Oirschotseweg 100a en 102 te Best, kan worden uitgesloten dat de voorgenomen sloop- en bouwwerkzaamheden een negatieve invloed heeft op beschermde soorten vanuit de Wet natuurbescherming en natuurgebieden. Gezien de afstand en de aard van de ingreep worden geen negatieve effecten verwacht op de meest nabijgelegen natuurgebieden (NNB en Natura 2000). De ruimtelijke ontwikkeling leidt niet tot een toename van de stikstofdepositie in het Natura2000 gebied. Om dit te bevestigen zou een Aerius-berekening kunnen worden uitgevoerd. Voor de geplande ingreep moeten alle kerstbomen gerooid worden welke als nestgelegenheid kunnen dienen voor diverse vogels. Op basis van artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Wnb) is het verboden om opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. De rooiwerkzaamheden dienen buiten het broedseizoen (15 maart – 1 augustus) uitgevoerd te worden. De overige bomen worden gehandhaafd. Op de onderzoekslocatie kunnen foeragerende vleermuizen voorkomen. Derhalve wordt geadviseerd om eventuele bouwlampen naar de onderzoekslocatie toe en naar beneden te richten.
De bouwlampen dienen tijdens de schermer en nacht uren uitgeschakeld te zijn in de periode april t/m november. Aangezien er op de onderzoekslocatie vrijgestelde en/of algemene soorten voor kunnen komen dient men zich aan de zorgplicht te houden. Geadviseerd wordt om een ecologisch werkprotocol aan te houden. Door één werkrichting vast te leggen kunnen dieren wegvluchten van de werkzaamheden. De vluchtrichting moet wel naar een realistisch vluchtgebied leiden. Door tijdens de ontwerpfase te denken aan “natuurinclusief” bouwen kan de nieuwe woning meer natuurwaarde bieden. Denk hierbij aan bijvoorbeeld ingebouwde nestkasten voor vleermuizen of huismussen en gierzwaluwen, maar ook aan het aanleggen van natuurlijke oevers voor het waterbassin op het noordelijke deel van de onderzoekslocatie. Ook kunnen er meerder takkenstapels worden aangelegd die door marterachtigen gebruikt kunnen worden als schuil- en verblijfplaats.
Quickscan Flora en Fauna
19
N222867
Literatuurlijst
Bij12 Kennisdocumenten (https://www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/kennisdocumenten-soorten-ontheffingen-wet-natuurbescherming/)
De vlinderstichting (www.vlinderstichting.nl)
De zoogdiervereniging (www.zoogdiervereniging.nl)
Eis Kenniscentrum Insecten (https://www.eis-nederland.nl/)
Grondsoortenkaart (https://www.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=61d2e75688b24ec2bd102b2f8d7f7fc2)
Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (https://minlnv.nederlandsesoorten.nl/content/rode-lijsten)
Natura 2000 (https://www.natura2000.nl/)
NGB Soortinventarisatieprotocollen (https://www.netwerkgroenebureaus.nl/werken-aankwaliteit/soortinventarisatieprotocollen)
NDFF Verspreidingsatlas (https://www.verspreidingsatlas.nl/)
NNB & beheertypenkaart Kaartenbank Brabant (https://noord-brabant.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=b6414403ef5e4e9aa8875a7c366209c6)
Quickscanhulp (www.quickscanhulp.nl)
Ravon (www.ravon.nl)
Rijksoverheid (www.rijksoverheid.nl)
Slagboom en Peters (app.slagboomenpeeters.com)
Sovon (www.sovon.nl)
Stichting ANEMOON (www.anemoon.org)
Waarneming (www.waarneming.nl)
Quickscan Flora en Fauna
20
N222867
Bijlage 1 Kaartmateriaal
Quickscan Flora en Fauna
21
N222867
Bijlage 2 Foto’s
Quickscan Flora en Fauna
22
N222867
Bijlage 3 Gegevens Natuurloket
Quickscan Flora en Fauna
23
N222867
Bijlage 4 Checklist onderzoek vleermuizen
Quickscan Flora en Fauna
24
N222867