CConstaterende datBest
Koppel je AI →
Document · PDF

23030.4 - Reglement van Orde gemeenteraad Best 2023 incl. 1e wijziging en Toelichting

Raadsvergadering 8 mei 2023, gemeente BestBij agendapunt: 23030 - 1e Wijziging Reglement van Orde gemeenteraad Best 202313.481 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Hoofdstuk 2: De samenstelling van de raad

Dit hoofdstuk bevat o.a. bepalingen over de deelnemers aan de raadsavonden en raadsvergaderingen, het presidium en het seniorenconvent.

Hoofdstuk 3: De raadsvergadering

Dit hoofdstuk bevat o.a. bepalingen over de gang van zaken voorafgaand aan en tijdens de openbare en besloten raadsvergaderingen, over stemmen en spreektermijnen en over de instrumenten van de raad.

Hoofdstuk 4: De raadsavond

Dit hoofdstuk bevat bepalingen over de gang van zaken voorafgaand aan en tijdens de raadsavonden.

Hoofdstuk 5: Slotbepalingen

Dit hoofdstuk bevat bepalingen over de uitleg van het reglement van orde en de inwerkingtreding. De afzonderlijke paragrafen en artikelen zijn hieronder toegelicht voor zover een verdere uitleg van meerwaarde is.

Hoofdstuk 1 – Algemeen Artikel 1.2 – Vergadercyclus De vergadercyclus kan bestaan uit de volgende onderdelen:

1 – Beeldvormende sessie Deze avond staat in het teken van het vormen van een beeld over onderwerpen die geagendeerd zijn voor besluitvorming.

2 – Thema-avond Tijdens deze avond kunnen één of meerdere informatieve bijeenkomsten gepland worden over actuele thema’s. Deze sessies kunnen plaatsvinden in het gemeentehuis, maar kunnen ook op locatie georganiseerd worden.

3 – Oordeelsvormende sessie Deze avond staat in het teken van het vormen van een mening/oordeel over onderwerpen die geagendeerd zijn voor besluitvorming (voorbereiding van de raadsvergadering)

4 – Reserveavond Een avond die in overleg met het presidium kan worden ingezet voor werkbezoeken en training van de raads- en burgerleden. Tevens vindt op deze avond het presidium plaats.

5 – Raadsvergadering Iedere cyclus wordt afgesloten met een raadsvergadering waarin besluitvorming over de voorliggende raadsvoorstellen plaatsvindt. Artikel 1.4 – Geluid en beeldregistraties Radio- en tv-stations kunnen geluid- en beeldregistraties maken tijdens een openbare raadsvergadering. Wel dient rekening gehouden te worden met de privacy van insprekers of publiek. Raadsleden daarentegen Pagina 22 van 31

hebben een publieke functie. Het is mogelijk om een aanwijzing te geven dat publiek slechts van af een bepaalde afstand in beeld mag worden gebracht. Artikel 1.5 – Toehoorders en pers De hier aangegeven bepalingen worden wat betreft het handhaven van de orde aangevuld door artikel 26 van de Gemeentewet. De voorzitter heeft de bevoegdheid om toehoorders die de orde verstoren, te doen vertrekken en bij volharding in hun gedrag de toegang te ontzeggen.

Hoofdstuk 2 – De samenstelling van de raad Artikel 2.1 – De voorzitter De burgemeester is de voorzitter van de raad. Artikel 9 van de Gemeentewet schrijft dit dwingend voor. In artikel 77, eerste lid, is bepaald dat het langstzittende raadslid het raadsvoorzitterschap waarneemt bij verhindering of ontstentenis van de burgemeester. Als meerdere leden even lang zitting hebben, is de oudste in jaren degene die het raadsvoorzitterschap waarneemt. Daarnaast heeft de raad altijd de mogelijkheid zelf te kiezen voor een andere waarnemer. Artikel 2.6 – Onderzoek geloofsbrieven en beëdiging raadsleden

Vooraf Met de geloofsbrief geeft de voorzitter van het centraal stembureau aan de benoemde leden kennis van zijn benoeming (artikel V1 Kieswet). De benoemde geeft schriftelijk aan of hij de benoeming aanneemt (artikel V2 Kieswet). Tegelijk met de mededeling dat hij zijn benoeming aanneemt, worden aan de raad stukken overlegd waaruit blijkt dat de benoemde voldoet aan de eisen om als lid van de raad toegelaten te worden. Dit omvat de volgende stukken: een ondertekende verklaring met de openbare betrekkingen die hij bekleedt, een uittreksel uit de basisregistratie personen met zijn woonplaats, geboorteplaats en – datum, en (indien niet-Nederlander) stukken waaruit blijkt dat hij voldoet aan de vereisten van artikel 10, tweede lid, van de Gemeentewet (artikel V3 Kieswet). Het onderzoek van de geloofsbrieven moet in een openbare vergadering gebeuren. Bij het onderzoek zal ook de gedragscode (artikel 15, derde lid, Gemeentewet) betrokken worden. In deze code zijn onder meer bepalingen opgenomen over al dan niet toegestane nevenfuncties. De commissie die de geloofsbrieven onderzoekt, brengt verslag uit. Dit kan zowel mondeling als schriftelijk.

Eerste t/m derde lid De formulering van het eerste lid benadrukt dat de raad en niet de voorzitter een commissie instelt, die het zogenaamde geloofsbrievenonderzoek verricht nadat de voorzitter van het centraal stembureau nieuwe leden heeft benoemd.

Vierde lid Het onderzoek van het proces verbaal (onderzoek naar het verloop van de verkiezing of de vaststelling van de uitslag) gebeurt door de oude raad vlak voor de eerste samenkomst van de nieuwe raad na de gemeenteraadsverkiezingen. Het onderzoek van het proces-verbaal strekt zich niet uit tot de geldigheid van de kandidatenlijsten. Dit lid ziet op de specifieke taak die de raad heeft na de raadsverkiezingen. Na de gemeenteraadsverkiezingen heeft de commissie voor het geloofsbrievenonderzoek een extra taak, zij adviseert de raad ook over het verloop van de verkiezingen (of dit op wettige wijze is gebeurd) en het vaststellen van de uitslag (is deze juist vastgesteld). Zij doet dit op basis van het proces verbaal van het centraal stembureau. De raad dient op basis van dit advies een besluit te nemen over het verloop van de verkiezingen en de vaststelling van de uitslag. Dit besluit is van belang omdat de raad de bevoegdheid heeft om te besluiten tot het hertellen van de stemmen (eventueel in een deel van de gemeente bij een aantal specifieke stembureaus) en zelfs de bevoegdheid om te besluiten tot een herstemming. Het proces-verbaal vormt de aanleiding tot een besluit tot hertelling of herstemming. Dit dient concrete aanwijzingen te bevatten waarop de raad tot een dergelijk besluit over gaat.

Het feit dat een fractie een klein aantal stemmen te weinig heeft om een Pagina 23 van 31

extra zetel te behalen is geen valide motivering om tot hertelling over te gaan. Een proces-verbaal waaruit blijkt dat kiezers bezwaar hebben gemaakt over de onzorgvuldige wijze waarop het stembureau na sluiting de stemmen heeft geteld, kan dit wel zijn.

Vijfde en zesde lid Ingevolge artikel V4 van de Kieswet beslist de raad over de toelating van zijn leden. Daarbij is er een verschil in de procedure bij de samenstelling van een nieuwe raad of bij de vervulling van een tussentijdse vacature. Na een raadsverkiezing kunnen de raadsleden op de eerste vergadering van de raad in nieuwe samenstelling de eed of verklaring en belofte afleggen. De voorzitter zal hen hiervoor oproepen. Bij tussentijdse vacaturevervulling kan de eed of verklaring en belofte aansluitend aan de beslissing van de raad over de toelating van het betrokken raadslid plaatsvinden. De tekst van de eed of verklaring en belofte die een raadslid bij het aanvaarden van het raadslidmaatschap moet afleggen, is in artikel 14 Gemeentewet vastgelegd.

Zevende lid Afgesproken is dat een burgerlid een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) aanvraagt. De VOG is voor burgerleden echter geen toetsings- of weigeringsgrond. Een eventuele weigering van een VOG zou kunnen leiden tot een tweede toetsing of ‘waardering’ door de raad. Dat is een ongewenste situatie. Bij burgerleden vindt in het geval van het ontbreken van een VOG een risicoanalysegesprek plaats met een externe partij, zoals dat ook voor wethouders wordt gedaan. Het resultaat van dit gesprek wordt besproken met de fractievoorzitter. Bij kandidaat-raadsleden kan voorafgaand aan de verkiezingen door de partijen op deze manier getoetst worden, voordat de kieslijst wordt ingeleverd. De afweging na het gesprek is aan de voordragende partij/fractie. Artikel 2.7 – Benoeming wethouders Dit artikel geeft invulling aan een leemte in de gemeentewet. Uit de Kieswet vloeit het geloofsbrievenonderzoek van raadsleden voort. Aangezien de wethouder geen gekozen volksvertegenwoordiger is, is hierover niets in de Kieswet geregeld. De Gemeentewet geeft wel aan welke formele eisen gesteld worden aan een wethouder maar niet op welk moment deze getoetst worden. De formele eisen voor het wethouderschap zijn grotendeels vergelijkbaar met de vereisten voor het raadslidmaatschap (Gemeentewet artikelen 36a, 36b, 41b en 41c).

Het ligt voor de hand om voor het benoemen van wethouders ook een commissie voor het onderzoek naar de geloofsbrieven in te stellen. Dit artikel is ook van toepassing als er geen wethouder van buiten maar uit de raad wordt benoemd, de incompatibiliteiten en nevenfuncties dienen immers opnieuw beoordeeld te worden. Een integriteitsonderzoek is altijd onderdeel van de procedure tot benoeming van een wethouder. De burgemeester krijgt zicht op de volledige rapportage van de risicoanalyse. Zo heeft hij een goed beeld van de kandidaat en kan hij met de kandidaat het gesprek voeren over de uitkomsten. De burgemeester kan ten aanzien van de risicoanalyse en de conclusies geheimhouding opleggen aan de raad. Met de Wet bevorderen integriteit en functioneren decentraal bestuur (artikel 87 van de Gemeentewet) is de burgemeester hiertoe bevoegd gemaakt. Een raadslid dat benoemd wordt tot wethouder mag raadslid blijven totdat de geloofsbrieven van zijn opvolger zijn goedgekeurd (artikel 36b, tweede lid, Gemeentewet). Artikel 2.8 – Fractie

Eerste en tweede lid De Kieswet en de Gemeentewet kennen het begrip fractie niet. In de Gemeentewet in artikel 33, tweede lid, wordt wel uitgegaan van het bestaan van in de raad vertegenwoordigde groeperingen. Bij de aanvang van de eerste zitting van de nieuwe raad na de verkiezingen, worden de leden die op dezelfde lijst hebben gestaan, als één fractie beschouwd. Is onder een lijstnummer slechts één lid verkozen, dan wordt dit lid als een afzonderlijke fractie beschouwd. De fractie gebruikt in de vergadering van de raad de aanduiding die zij boven de kandidatenlijst had staan. Op deze wijze is de relatie tussen de fractie in de raad en de fractie op de kandidatenlijst voor de burger duidelijk. Het kan echter voorkomen dat een fractie geen aanduiding Pagina 24 van 31

boven de kandidatenlijst heeft staan. In een dergelijk geval deelt de fractie in de eerste vergadering de aanduiding mede.

Vierde lid In de loop van een zittingsperiode kan het voorkomen dat leden de raad verlaten. In een dergelijk geval vindt er een verandering in de samenstelling van de fractie plaats. Als dit het geval is, deelt de fractie dit aan de voorzitter mede. Het is ook mogelijk dat een raadslid zijn lidmaatschap niet opzegt maar uit een fractie stapt. Hij kan als zelfstandig fractie verdergaan of zich aansluiten bij een bestaande fractie. Ook andere wijzigingen zijn mogelijk, bijvoorbeeld een fusie van twee fracties. Een andere wisseling in een fractie kan het gevolg zijn van ziekte of zwangerschap van een raadslid. Voor deze gevallen is in de Kieswet een vervangingsregeling opgenomen. Artikel 2.9 – Burgerleden Burgerleden worden op voordracht van een fractievoorzitter benoemd. Daarbij dienen zij aan dezelfde eisen te voldoen als het raadslid. Om de raadsfractie goed te kunnen ondersteunen in het raadswerk worden burgerleden, voor zover wettelijke bepalingen en het reglement van orde zich daartegen niet verzetten, zoveel als mogelijk gelijkgesteld met raadsleden. Aan burgerleden wordt in beginsel dezelfde informatie ter beschikking gesteld als aan raadsleden.

Dit brengt eveneens de plicht met zich mee om, conform artikel 2:5 Algemene Wet Bestuursrecht, geheimhouding te betrachten van de gegevens waarvan het burgerlid het vertrouwelijke of geheime karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden.

Hoofdstuk 3 – De raadsvergadering Artikel 3.1 – Vergaderfrequentie Op basis van artikel 17 Gemeentewet vergadert de raad zo vaak hij daartoe heeft besloten en indien de raadsvoorzitter het nodig oordeelt of indien ten minste één vijfde van het aantal leden van de raad schriftelijk met opgave van redenen daarom vraagt. In dit artikel worden de basisafspraken weergegeven. In het presidium wordt jaarlijks een vergaderschema voor de raad aan de orde gesteld. In het artikel is als eindtijd van vergaderingen 22.30 uur opgenomen. Dit is een richttijd en geen harde eindtijd. Op voorstel van de voorzitter beslist de raad over het daadwerkelijk beëindigen van de vergadering en over een eventuele nieuwe vergaderdatum. De eindtijd is in principe 23.00 uur. Bij schorsing wordt in beginsel de vergadering de volgende dag voortgezet. Artikel 3.2 – Oproep en voorlopige agenda. De oproep voor de raadsvergaderingen gebeurt digitaal. Artikel 25 eerste en tweede lid Gemeentewet zijn vervallen. Geheimhouding is nu geregeld in Hoofdstuk Va van de Gemeentewet. Artikel 3.4 – Ter beschikking stellen van stukken. Bij de Wet bevorderen integriteit en functioneren decentraal bestuur is de reikwijdte van de Gemeentewet uitgebreid van “stukken” naar “informatie” (artikel 19. tweede lid van de wet).

Als het gaat om stukken waarop geheimhouding is opgelegd door het bestuursorgaan dat het document aanbiedt aan de gemeenteraad, dient dit duidelijk op het stuk te zijn aangegeven. Als de geheimhouding op informatie anders dan in schriftelijke vorm rust, moet de verplichting op een passende wijze kenbaar gemaakt worden (artikel 89, eerste lid van de wet). Bij de Wet bevorderen integriteit en functioneren decentraal bestuur is de mogelijkheid vervallen om individuele raadsleden te informeren. Als omtrent informatie van de raad of aan de raad verstrekte informatie op grond van hoofdstuk Va van de Gemeentewet geheimhouding is opgelegd, blijft deze

Pagina 25 van 31

informatie in afwijking van het eerste en het tweede lid onder berusting van de griffier. Raadsleden kunnen deze informatie inzien. Artikel 3.5 – Openbare kennisgeving Met dit artikel wordt invulling gegeven aan het voorschrift van artikel 19, tweede lid, van de Gemeentewet. Voor wat betreft de wijze van publicatie is aangesloten bij artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en de Verordening elektronische bekendmaking en kennisgeving Best. Daarnaast worden als service aan de inwoners de openbare raadsbijeenkomsten en -vergaderingen via Groeiend Best ter openbare kennis gebracht. Artikel 3.9 – Spreekrecht Om te waarborgen dat inwoners of belanghebbenden betrokken kunnen worden bij de besluitvorming van onderwerpen die in de raad aan de orde komen, is het spreekrecht als standaard onderwerp toegevoegd aan de raadsvergadering. Inspreken dient letterlijk te worden uitgelegd en daarbij hoort niet het geven van een presentatie. Daartoe bestaat gelegenheid tijdens de beeldvormende sessie. Inwoners kunnen in overleg met de griffie ook petities aanbieden en inspreken over inwonersinitiatieven. Presentaties, welke tijdens een beeldvormende vergadering zijn gehouden, kunnen vooraf gemaild worden aan de griffie en deze worden dan toegevoegd aan de stukken op het raadsinformatiesysteem.

In het tweede lid zijn enkele onderwerpen opgenomen waar het spreekrecht niet voor geldt. Als een besluit van de raad of het college vatbaar is voor bezwaar en de inwoner belanghebbende is, kan de inwoner of belanghebbende een bezwaarschrift indienen. Ook kan een inwoner of belanghebbende beroep instellen bij de rechtbank. Dit zijn formele procedures die zien op de rechtsbescherming van de inwoner of belanghebbende. Verder zijn de benoemingen, keuzen, voordrachten en aanbevelingen van personen uitgesloten van het spreekrecht van inwoners of belanghebbenden omdat inspraak over deze onderwerpen de belangen van kandidaten, al dan niet in uitoefening van hun ambt of functie, kunnen schaden. Inwoners of belanghebbenden kunnen zich ook niet uitlaten over onderwerpen waar zij op grond van artikel 9:2 Algemene Wet Bestuursrecht een klacht over kunnen indienen. Deze procedure gaat voor het spreekrecht. Artikel 3.11 – Aantal spreektermijnen Het primaire uitgangspunt is dat in de tweede termijn het onderlinge debat plaatsvindt. Met dit artikel heeft de voorzitter de mogelijkheid om de orde van de vergadering te bewaken voor zover dat nodig is. Indien de raad van mening is dat na de tweede termijn verdere beraadslaging nodig is, kan hij daartoe uitdrukkelijk besluiten. Het tweede lid benadrukt dat de voorzitter elke spreektermijn afsluit.

In principe voert het college alleen in de eerste termijn het woord waarna de tweede termijn wordt gebruikt voor onderling debat van de raad. Dit behoeft overigens niets te veranderen aan de praktijk dat een portefeuillehouder antwoordt na de inbreng van de raadsleden in de tweede termijn. De beraadslaging over een motie vindt niet plaats in afzonderlijke termijnen, maar gelijktijdig met de beraadslaging over het betreffende, aan de orde zijnde onderwerp. Artikel 3.15 – Stemverklaring Een stemverklaring dient kort te zijn en moet niet het karakter van een derde termijn krijgen, als reactie op de vorige spreker. Stemverklaringen worden gegeven vóór de hoofdelijke oproep van de leden dat de stemming begint. Artikel 3.17 – Algemene bepalingen over stemming Indien een lid te kennen geeft een hoofdelijke stemming te wensen, moet de stemming plaatsvinden. De raad heeft niet de bevoegdheid om van deze bepaling van artikel 32 Gemeentewet af te wijken. Vraagt niemand stemming, dan wordt het voorstel geacht te zijn aangenomen. Als wel stemming wordt verlangd, geschiedt dit in eerste instantie elektronisch. Pagina 26 van 31

Wellicht ten overvloede wordt hierbij nog verwezen naar artikel 209, tweede lid, van de Gemeentewet, zijnde gevallen van dringende spoed, welke een hoofdelijke stemming verplicht. De regeling in het tweede lid is van toepassing, indien de uitkomst van de stemming tevoren duidelijk is en slechts enkele leden zouden tegenstemmen. Een raadslid kan zich alleen onthouden van stemming op grond van artikel 28 van de Gemeentewet. In alle andere gevallen is een raadslid verplicht stelling in te nemen en te stemmen. Stemmingen zijn in principe ook openbaar. Een volksvertegenwoordiger dient duidelijk te zijn in zijn of haar rol. Door de openbaarheid is het voor de achterban (kiezers) duidelijk hoe ze vertegenwoordigd worden. Bij staking van stemmen is het bepaalde in artikel 32 van de Gemeentewet van toepassing. Indien de vergadering voltallig is, wordt het voorstel geacht te zijn verworpen. Is de vergadering niet voltallig, dan wordt het nemen van het besluit tot een volgende vergadering uitgesteld. Als ook dan de stemmen staken, wordt het voorstel geacht niet te zijn aangenomen. In het vierde lid wordt ingegaan op de procedure van hoofdelijke stemming. De volgorde van stemmen, te starten bij het genoemde lid volgens het volgnummer van de presentielijst en vervolgens op volgorde van de presentielijst, geldt voor de gehele vergadering.

Artikel 3.18 – Stemming over amendementen en moties Voor alle duidelijkheid wordt hier een verschil in procedure aangegeven tussen een motie en een amendement. Een amendement komt in stemming voorafgaande aan de stemming over het onderliggende voorstel. Een motie strekt niet tot wijziging van een voorgesteld besluit; over een motie wordt een apart besluit genomen, nadat de besluitvorming over het aanhangige voorstel is afgerond. Bij een motie over een afzonderlijk onderwerp geldt dit uiteraard niet en is het vierde lid niet van toepassing. Soms kan een motie dermate zwaar wegen voor een fractie dat de steun voor het gehele voorstel hiervan afhangt. Dan is het nuttig als de raad – in de praktijk op voorstel van de betreffende fractie – kan besluiten om van de voorgeschreven stemvolgorde af te wijken. Die mogelijkheid is gecreëerd met het vierde lid. Artikel 3.19 – Stemming over personen Artikel 31, eerste lid, van de Gemeentewet geeft aan dat de stemming over personen geheim dient te zijn. Het is mogelijk om met stemsystemen te werken maar het reglement van orde gaat vooralsnog uit van een stemming door middel van behoorlijk ingevulde stembriefjes. Een blanco stembriefje wordt niet aangemerkt als een behoorlijk ingevuld stembriefje (Kamerstukken II 1985/86, 19 403, nr.3, blz. 86).

In geval van een schriftelijke stemming wordt dan ook geen rekening gehouden met blanco stembriefjes. Een blanco of verkeerd ingevuld stembriefje telt wel mee bij de bepaling van het quorum. De raad oordeelt of een stembriefje behoorlijk is ingevuld. Wat onder een (niet) behoorlijk ingevuld stembriefje moet worden verstaan, is in de wet niet geregeld. Indien raadsleden genomineerd worden voor de functie van wethouder is er sprake van een vrije stemming. Er is geen sprake van een voordracht, maar van een aanbeveling. Een voordracht is voor de raad bindend, de raad heeft slechts keuze tussen degenen die op de voordracht zijn vermeld. Een aanbeveling is een voorstel waarvan de raad mag afwijken. De beoogd wethouder mag dus meestemmen over zijn eigen benoeming. Een voorstel tot benoeming gaat hem persoonlijk aan “wanneer hij behoort tot de personen tot wie de keuze door een voordracht of bij een herstemming is beperkt (artikel 28, eerste lid, onder a, en derde lid van de Gemeentewet). Dat is echter in casu niet aan de orde, omdat er ook op een ander persoon kan worden gestemd. De aard van de stemming is derhalve van belang. Dit heeft tot gevolg dat raadsleden de mogelijkheid hebben op het stembriefje de naam van de kandidaat die hun voorkeur heeft in te vullen (die van de voorgestelde perso(o)n(en), of die van een ander).

Er is in dit geval geen sprake van een voordracht of een anderszins beperkte keuze en aan de stemming mag derhalve ook worden deelgenomen door raadsleden die ter benoeming zijn voorgesteld: zij kunnen immers op het stembriefje een andere naam dan hun eigen naam invullen. Pagina 27 van 31

De wetgever heeft nooit de bedoeling gehad de politieke verhoudingen in de raad te beïnvloeden door middel van een verbod op het meestemmen van de kandidaat-wethouder. Los van de formeel-juridische context pleiten de volgende argumenten nog voor bovenstaande zienswijze: - Een democratisch gekozen vertegenwoordiger mag niet te snel het recht op stemming worden ontnomen. Stel: partij X beveelt meneer Janse en meneer Pieterse aan als wethouders. Als deze personen in de raad zitting hebben en niet mee mogen stemmen houdt dit in, dat de partij ineens twee stemmen in de raad minder heeft. Dat is onaanvaardbaar in het licht van de politieke verhoudingen; - Een aanbeveling is geen voordracht. Het spraakgebruik heeft het vaak over voordracht, maar een persoon nomineren als wethouder staat niet gelijk aan een voordracht. Tenslotte is het denkbaar dat een kandidaat-wethouder die voor benoeming wordt aanbevolen, uit moreelpolitieke overwegingen en om iedere schijn van belangenverstrengeling te vermijden op eigen initiatief afziet van het meestemmen over de benoeming. Alhoewel het uitgangspunt is dat zeer terughoudend moet worden omgegaan met het inperken van het stemrecht van gekozen volksvertegenwoordigers, laat de wet de betrokkenen de ruimte daarin een eigen afweging te maken. Artikel 3.23 – Ingekomen stukken.

Tijdens een raadsvergadering kan een raadslid kort ingaan op een ingekomen door het stellen van een vraag. Wenst een raadslid uitgebreidere behandeling van een ingekomen stuk, dan kan hij verzoeken het ingekomen stuk te agenderen voor inhoudelijke bespreking tijdens een raadsvergadering. Artikel 3.25 – Verslag besloten raadsvergadering. In overeenstemming met de bepaling over het verslag van de raadsvergadering is de griffier ook verantwoordelijk voor het verslag van een besloten raadsvergadering. Conceptverslagen en -besluitenlijsten van besloten raadsvergaderingen liggen voor raadsleden ter inzage bij de griffier. Voor de terminologie in dit artikel is aangesloten bij de redactie van artikel 3.4 lid 3 van dit reglement. Artikel 3.26 – Geheimhouding. Dit artikel is vervallen omdat met ingang van 1 april 2023 hoofdstuk Va aan de Gemeentewet is toegevoegd. Op grond van artikel 87 van de Gemeentewet kan geheimhouding op informatie worden opgelegd door de raad, het college, de burgemeester en een commissie. De geheimhouding is verder uitgewerkt in de artikelen 88 en 89 van de Gemeentewet. Artikel 3.27 – Opheffing geheimhouding. Artikel 25 Gemeentewet is vervallen en er is een Hoofdstuk Va aan de Gemeentewet toegevoegd waarin de geheimhouding is geregeld.

Als de raad een opgelegde geheimhouding opheft, wil dat niet zeggen dat de desbetreffende informatie dan actief openbaar gemaakt dient te worden. De Wet openbaarheid van bestuur is nog steeds op deze informatie van toepassing en bij een verzoek om openbaarmaking wordt dat verzoek dus aan de uitzonderingsgronden in de Woo getoetst. Artikel 3.28 – Amendementen en subamendementen Het recht van amendement is neergelegd in artikel 147b van de Gemeentewet. Dit artikel verplicht de raad nadere regels te stellen. Deze nadere regels staan in dit artikel. Op basis van artikel 147b van de Gemeentewet is de raad verplicht een amendement te behandelen. Leden van de raad kunnen aan de raad wijzigingen op het voorstel van het college of op initiatiefvoorstellen indienen, de zogenaamde amendementen. Wanneer een amendement is ingediend, kan dit voor een ander raadslid aanleiding zijn, op dit amendement nog weer een wijziging voor te stellen, het subamendement. Een (sub)amendement kan ingediend worden op een voorgesteld besluit. De beraadslaging over het (sub)amendement vindt plaats in ten hoogste twee termijnen. Indien (in uitzonderlijke situaties) een

Pagina 28 van 31

ingediend amendement verdere beraadslaging noodzakelijk maakt, kan de raad besluiten tot een derde termijn. Artikel 3.29 – Moties In het eerste artikel van dit reglement is de definitie van het begrip motie gegeven. Een motie is een voorstel tot het doen van een uitspraak. Het kan gaan om het uitspreken van een wens (van inhoudelijk, politieke, procedurele aard), het uitspreken van instemming dan wel afkeuring over bepaalde ontwikkelingen of om het doen van een verzoek. Een motie betreft dus niet een concreet besluit dat op rechtsgevolg is gericht; een motie heeft geen juridische, maar een politieke betekenis. Daarom zijn burgemeester en wethouders formeel niet aan een motie gebonden of tot uitvoering ervan verplicht. Wel kan het naast zich neerleggen van een motie door het college leiden tot een vertrouwensbreuk tussen raad en college en hieruit kan het college dan zijn consequentie trekken. Voor wat betreft de besluitvormingsprocedure omtrent een motie wordt opgemerkt dat over een motie een apart besluit wordt genomen. Voor de beraadslaging over een motie over een aanhangig onderwerp geldt dat deze niet plaatsvindt in afzonderlijke termijnen, maar gelijktijdig met de beraadslaging over het onderwerp waarop de motie betrekking heeft.

Een besluit over een motie over een niet op de agenda opgenomen onderwerp (zogeheten “motie vreemd aan de orde van de dag”) vindt aan het einde van de vergadering plaats. In de Gemeentewet wordt in artikel 49 één specifiek motie uitgewerkt: de motie van wantrouwen. Hierbij geeft de raad aan het vertrouwen in een wethouder te hebben verloren. Het is een wethouder niet toegestaan om na een aangenomen motie van wantrouwen aan te blijven. Indien de wethouder zelf niet opstapt, kan de raad, blijkens artikel 49, besluiten tot ontslag. In dat geval gaat het ontslag onmiddellijk in. Artikel 3.31 – Initiatiefvoorstel Het is de taak van het college aan de raad de nodige voorstellen te doen. Maar raadsleden kunnen ook zelf een voorstel voor een besluit of een verordening ter behandeling bij de raad indienen. Hiervoor is het recht van initiatief toegekend. In artikel 147a, eerste lid, van de Gemeentewet is dit uitgewerkt. Het tweede en derde lid van dit artikel bepalen dat de raad regelt op welke wijze een initiatiefvoorstel voor een verordening of beslissing wordt ingediend en behandeld. Daar wordt in deze bepaling uitvoering aan gegeven. Artikel 3.32 – Collegevoorstel Dit artikel heeft betrekking op het agenderingsrecht van de raad. De raad is de enige die een voorstel voor een verordening of een ander voorstel dat het college heeft voorbereid, kan agenderen.

Als het college het voorstel heeft voorbereid, betekent dit niet dat het college het door hen voorbereide voorstel kan intrekken indien het college van oordeel is dat verder behandeling van het voorstel niet wenselijk is (bijvoorbeeld omdat zij een voorstel willen wijzigen). De raad moet hier toestemming voor geven. Indien de raad van oordeel is dat een voorstel voor een verordening of een ander voorstel niet voldoende is voorbereid, kan de raad het voorstel voor een verordening of een ander voorstel op grond van het tweede lid nogmaals voor advies aan het college zenden. De raad kan het college bijvoorbeeld verzoeken het voorstel voor een verordening of ander voorstel nader te onderbouwen. De raad bepaalt echter wanneer het voorstel voor een verordening of ander voorstel, dat door het college verder voorbereid is, opnieuw behandeld wordt. De raad kan dit in dezelfde raadsvergadering regelen, maar de raad kan dit ook aan de griffie of het presidium overlaten. Artikel 3.33 – Interpellatie Dit artikel stelt nadere regels bij artikel 155, tweede lid, van de Gemeentewet. Het interpellatierecht ligt in het verlengde van het mondelinge vragenrecht. Het gaat om een recht van een volksvertegenwoordiger om tijdens een vergadering over een niet geagendeerd onderwerp inlichtingen aan het college of de burgemeester te vragen. Daarvoor is verlof van de raad nodig.

De raad beslist hierover bij meerderheid. Het Pagina 29 van 31

recht van interpellatie ligt in het verlengde van het (schriftelijk en mondeling) vragenrecht maar heeft als instrument een zwaarder politiek karakter. Artikel 3.34 – Schriftelijke vragen Het vragenrecht (artikel 155, eerste lid, Gemeentewet) geeft aan leden van de raad het recht informatie te vragen over aangelegenheden die tot de bevoegdheid van het college of de burgemeester behoren. Het karakter van deze vragen is primair van informatieve strekking. Op grond van deze bepaling kan een raadslid schriftelijke vragen stellen aan het college of de burgemeester, al gelang wie verantwoordelijk is. Hoewel het vragenrecht individueel van aard is, worden de gevraagde antwoorden aan de gemeenteraad als geheel gegeven. Artikel 3.36 – Vragenhalfuur Deze bepaling vormt een invulling van artikel 155, eerste lid, van de Gemeentewet met betrekking tot het vragenrecht. In het tweede lid is een aanmeldingstermijn voor vragen opgenomen vanwege het feit dat wethouders in de gelegenheid moeten worden gesteld om beantwoording van de vragen voor te bereiden. Het vragenhalfuur heeft een lichter politiek karakter dan het recht van interpellatie. Leden worden zo in de gelegenheid gesteld om het college vragen te stellen over het door hem gevoerde bestuur, voor zover dat niet bij geagendeerde onderwerpen aan de orde komt. Tijdens het vragenhalfuur worden vragen gesteld en antwoorden gegeven.

Er vindt geen debat plaats. Artikel 3.37 – Inlichtingen In dit artikel wordt een procedurele uitwerking gegeven van de inlichtingenplicht die het college en de burgemeester hebben ten opzichte van de raad. Naast een ingewikkelde inrichting van de bestuursbevoegdheden bevat de Gemeentewet ook behoorlijk aangescherpte regels over de inlichtingenplicht van het college ten opzichte van de raad. Deze regels beogen de politieke verantwoordelijkheid van het college te activeren en de eindverantwoordelijkheid van de raad te bevestigen. Deze regels zijn vastgelegd in artikel 169 en artikel 180 van de Gemeentewet. Artikel 3.38 – Verslag en verantwoording Leden van de raad, wethouders, de burgemeester of de gemeentesecretaris, die lid zijn van het algemeen bestuur van een gemeenschappelijke regeling, verrichten aldaar hun taak zowel als leden van dat bestuur en als vertegenwoordiger van en in naam van de gemeente. Voor de wijze waarop zij in het bestuur van de gemeenschappelijk regeling functioneren zijn zij verantwoording verschuldigd aan de raad die hen heeft aangewezen. Ook de gemeenschappelijk regeling dient over deze verantwoordingsplicht en over de informatieverstrekking aan de raad bepalingen te bevatten. In het eerste lid van dit artikel is een regeling getroffen voor mondelinge verslaglegging.

In het tweede lid wordt de mogelijkheid tot het stellen van schriftelijke vragen aangegeven, overeenkomstig de regels daarvoor gesteld in artikel 3.34 van dit reglement. Het derde lid bevat de procedure voor het ter verantwoording roepen die aansluit bij de regels voor inlichtingen. Het is zinvol de bepalingen van dit artikel ook van toepassing te verklaren op andere organisaties waarin de raad vertegenwoordigers heeft benoemd (bijvoorbeeld privaatrechtelijke rechtspersonen). Hierin voorziet het vierde lid.

Hoofdstuk 4 – De raadsavond Artikel 4.1 – Invulling raadsavond. Aan dit artikel is een nieuw lid 1 toegevoegd en daarin is geborgd dat onze raadsavonden hun basis vinden in artikel 82 van de Gemeentewet.

Pagina 30 van 31

Artikel 4.5 – Sessieformulier Het sessieformulier biedt voor raads- en burgerleden, ambtenaren, college, inwoners en overige geïnteresseerden een kernachtige weergave van het doel, de aanleiding en het programma van de sessie. Dit document wordt als leidraad gebruikt voor de sessie. Artikel 4.6 – Spreekrecht. Insprekers kunnen tijdens een oordeelsvormende vergadering geen presentaties geven. Presentaties, welke tijdens een beeldvormende vergadering zijn gehouden, kunnen vooraf gemaild worden aan de griffie en deze worden dan toegevoegd aan de stukken op het raadsinformatiesysteem.

Pagina 31 van 31

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12650804/1