CConstaterende datBest
Koppel je AI →
Document · PDF

22047.16 - Bijlage 8 Nader onderzoek wet natuurbescherming

Raadsvergadering 26 september 2022, gemeente BestBij agendapunt: 22047 - Bestemmingsplan 3 woningen Oirschotseweg 109-1115.314 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Nader onderzoek Wet natuurbescherming

Best, Oirschotseweg 109 & 111

Gemeente Best

Datum: 30 september 2021 Projectnummer: 200339.01

INHOUD 1

Inleiding

3

1.1 1.2 1.3 1.4

Aanleiding Plangebied Kwaliteitsborging Definitie product

3 3 6 7

2

Wettelijk kader

8

2.1 2.2 2.3

Verboden en zorgplicht Opzetvereiste Vrijstelling, gedragscodes en ontheffing

8 9 9

3

Ecologie van soorten

11

3.1 3.2

Vleermuizen Teunisbloempijlstaart

11 12

4

Onderzoekmethodiek vleermuizen

14

4.1 4.2 4.3 4.4

Onderzochte soorten, functies en onderzoeksomstandigheden Methode Batdetectors Weersomstandigheden

14 15 15 16

5

Resultaten vleermuizen

17

5.1 5.2

Kraamverblijfonderzoek Paarverblijfonderzoek

17 19

6

Resultaten teunisbloempijlstaart

23

7

Conclusie en advies

24

7.1 7.2 7.3 7.4 7.5

Ontheffing Wet natuurbescherming nodig? Ontheffing aanvragen Mitigerende maatregelen Broedperiode en zorgplicht Vervolgstappen

24 24 24 25 25

Geraadpleegde literatuur

26

1

Inleiding

1.1

Aanleiding Tussen de Oirschotseweg 109 & 111 bevindt zich een stuk grond. De initiatiefnemer is voornemens om op deze locatie nieuwe woningen te realiseren. Het zal gaan om twee twee-onder-één-kapwoningen en één vrijstaande woning. Het huidige bestemmingsplan staat dit niet toe en dient dan ook gewijzigd te worden. Voor de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan is het noodzakelijk dat de haalbaarheid ervan wordt aangetoond. Er dient daarom vanuit de ecologie onderzocht te worden of met de ruimtelijke ontwikkelingen die het plan toestaat sprake is van overtreding van de geldende natuurwet- en regelgeving. In dit kader heeft SAB reeds een quick scan natuur (SAB, 2021) uitgevoerd. Uit deze quick scan blijkt dat op voorhand de aanwezigheid van verblijfplaatsen van verschillende soorten vleermuizen niet kan worden uitgesloten. Daarnaast blijkt uit de quick scan dat het nog onduidelijk is of waardplanten van de teunisbloempijlstaart aanwezig zijn in het plangebied. Voorliggende rapportage zet de bevindingen van het nader onderzoek naar deze soorten uiteen. Het doel van het hierna beschreven onderzoek is om de aan- of afwezigheid aan te tonen van voornoemde soorten en om vast te stellen wat de functies van het plangebied en het omliggende terrein voor deze soorten zijn.

Uiteindelijk wordt op basis van deze bevindingen een advies uitgebracht over de wettelijke consequenties hiervan en eventuele vervolgstappen die noodzakelijk zijn.

1.2

Plangebied

1.2.1

Huidige situatie Het plangebied bevindt zich aan de rand van Best (gemeente Best, provincie NoordBrabant). De omgeving van Best kenmerkt zich door agrarische gronden. In de nabijheid liggen natuurgebieden als het Groene Woud en Kuikeindse Heide. De directe omgeving van het plangebied kenmerkt zich voornamelijk door de aanwezigheid van woonhuizen. Ten oosten, zuiden en westen bevinden zich woonhuizen. Ten zuiden betreft dit een woonwijk met rijtjeshuizen en ten oosten en westen bevinden zich vrijstaande woningen op relatief grote percelen. Ten noorden van het plangebied loopt de Oirschotseweg. Navolgende afbeeldingen geven de globale ligging van het plangebied weer.

3

Topografische kaart met de globale ligging van het plangebied (rood omkaderd).Bron: PDOK.

Luchtfoto met de globale ligging van het plangebied (rood omkaderd). Bron: PDOK.

Op 31 maart 2021 zijn tijdens het veldbezoek van de quick scan natuur (SAB, 2021) navolgende foto’s gemaakt. Deze geven een impressie van het plangebied. Het plangebied bestaat uit een schuur en een tuinhuisje. De overige gronden zijn voornamelijk grasveld. Langs het perceel van huisnummer 111 (westelijke perceel) loopt een heg van beukenhagen. Aan de oostzijde van het plangebied is een kleine bosschage aan-

4

wezig van onder anderen berken en wilgen. Ook bevindt zich hier een paardenweide met daarop een kleine paardenstal.

De schuur;

Het tuinhuisje;

Het grasveld met rechts de heg van

Links de bosschage;

beukenhagen;

De paardenstal;

1.2.2

De paardenweide met daarachter de beuken;

Toekomstige situatie In de toekomstige situatie zal naast de woning aan de Oirschotseweg 109 een vrijstaande woning zijn gerealiseerd. Daarnaast zal naast de woning aan de Oirschotseweg 111 een tweekapper zijn gerealiseerd. Naast de nieuwe woningen zal een groenstrook worden gerealiseerd. Ten behoeve van de realisatie worden de schuur en het tuinhuisje gesloopt. Ook zal de aanwezige bosschage en de paardenweide met paardenstal naast de woning van huisnummer 109 worden verwijderd. Zie navolgende afbeelding voor de visualisatie van de toekomstsituatie.

5

Toekomstige situatie van het plangebied.

1.3

Kwaliteitsborging Kwaliteit van het ecologisch onderzoek en het geleverde product staat bij SAB hoog in het vaandel. Mede daarom zijn wij aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus (NGB); de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. Om te allen tijde aan onze standaard te voldoen, hanteren wij de volgende werkwijze:  Het onderzoek wordt uitgevoerd conform geldige onderzoeksprotocollen, zoals het vleermuisprotocol (2021), de kennisdocumenten van BIJ12 (2017) en de soortinventarisatieprotocollen van het NGB (2017).  Het afwijken van de protocollen vindt enkel plaats indien dit ecologisch goed te onderbouwen en te rechtvaardigen is.  Het onderzoek wordt enkel uitgevoerd door deskundigen op het gebied van de betreffende soorten. Ecologen in opleiding tot deskundige zijn tijdens veldonderzoek altijd onder begeleiding van een deskundige.

Onder een ecologisch deskundige verstaan we iemand met aantoonbare ervaring en kennis op het gebied van soortspecifieke ecologie en die voldoet aan één of meerdere van onderstaande punten (www.rvo.nl): 1 Hij/zij heeft een afgeronde hbo- of universitaire opleiding, met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; 2 Hij/zij heeft een afgeronde mbo-opleiding, met als zwaartepunt de Wet natuurbescherming, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; 3 Hij/zij is werkzaam voor een ecologisch adviesbureau, zoals een bureau dat is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; 4 Hij/zij zet zich aantoonbaar actief in op het gebied van de soortenbescherming en is werkzaam of aangesloten bij de volgende Nederlandse organisaties: Zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN, EIS

6

Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk gebied; 5 Hij/zij zet zich aantoonbaar actief in op het gebied van de monitoring en/of bescherming van de Nederlandse natuur.  Nadat het eerste conceptrapport gereed is, beoordeelt een collega het rapport op inhoud en vorm. De auteur verwerkt de geplaatste opmerkingen of bespreekt deze met de beoordelaar om zo tot een eensluidend advies te komen.

1.4

Definitie product Het product wat in deze rapportage geleverd wordt is een “nader onderzoek beschermde soorten” conform de begrippenlijst van het Netwerk Groene Bureaus (NGB 2020) en omvat daarmee alle eisen die het NGB aan dit product stelt.

7

2

Wettelijk kader De bescherming van dier- en plantensoorten is geregeld in de Wet natuurbescherming (wetten.overheid.nl). De artikelen waarin in dit hoofdstuk naar wordt verwezen, komen allen uit deze wet.

2.1

Verboden en zorgplicht Voor een aantal soorten is door middel van verboden een beschermingsregime opgenomen. Er is een apart beschermingsregime voor vogelrichtlijnsoorten (artikelen 3.1 tot en met 3.4), voor habitatrichtlijnsoorten (artikelen 3.5 tot en met 3.9) en voor andere soorten (artikelen 3.10 en 3.11). Naast de beschermde dier- en plantensoorten geldt op basis van artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming voor al de in het wild levende soorten ook een zorgplicht. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. Dit houdt onder meer in dat men negatieve gevolgen voor aanwezige soorten zo veel mogelijk beperkt door het nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden verwacht.

2.1.1

Vogelrichtlijnsoorten Voor ruimtelijke ingrepen zijn de volgende verboden relevant, zoals vermeld in artikel 3.1: het is verboden om van nature in Nederland in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen, het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van deze soorten te beschadigen of te vernielen of nesten van vogels weg te nemen. Ook is het verboden deze soorten opzettelijk te storen wanneer dit van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de soort. De verboden in de wet zorgen voor een goede bescherming van nesten van alle in het wild levende vogelsoorten tijdens het broedseizoen. Globaal loopt het broedseizoen van half maart tot half augustus, maar ook de nesten van broedende vogels buiten deze periode zijn beschermd. Daarnaast zijn van een aantal vogelsoorten de nesten jaarrond beschermd, dus ook als ze niet als broedlocatie worden gebruikt. Het betreft dan over het algemeen soorten die hun nest het gehele jaar als verblijfplaats gebruiken of soorten die niet of nauwelijks in staat zijn om een eigen nest te bouwen.

2.1.2

Habitatrichtlijnsoorten Voor ruimtelijke ingrepen zijn de volgende verboden relevant, zoals vermeld in artikel 3.5: het is verboden om soorten van de Habitatrichtlijn en van de verdragen van Bonn en Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, om eieren opzettelijk te vernielen, om voortplantings- of rustplaatsen te beschadigen en om planten van de Habitatrichtlijn en van het verdrag van Bern opzettelijk te ontwortelen of te vernielen.

8

2.1.3

Andere soorten Naast de Vogelrichtlijnsoorten en de Habitatrichtlijnsoorten worden in de wet nog een aantal andere dier- en plantensoorten beschermd. Voor deze soorten zijn bij ruimtelijke ingrepen de volgende verboden relevant, zoals is weergegeven in artikel 3.10: het is verboden de beschermde diersoorten opzettelijk te doden of te vangen en om de vaste voortplantings- of rustplaatsen te beschadigen en het is verboden om de beschermde plantensoorten opzettelijk te plukken, ontwortelen of te vernielen.

2.2

Opzetvereiste Bij veel van de hierboven genoemde verboden is er sprake van een opzetvereiste. Zo is het verboden om vogelnesten opzettelijk te beschadigen. In de wet wordt bij deze opzet uitgegaan van ‘voorwaardelijke opzet’. Bij voorwaardelijke opzet is men zich bij het handelen bewust van de mogelijke negatieve consequenties, terwijl men de handeling toch uitvoert (Europese Commissie, 2007). Een voorbeeld van voorwaardelijke opzet is iemand die in het voorjaar een boom omzaagt en daarbij ‘per ongeluk’ een vogelnest beschadigt. De persoon had niet de opzet dit nest te beschadigen. Maar in de broedtijd van vogels is er wel een aanzienlijke kans dat er in een boom een vogel nestelt. Er kan daarom toch sprake zijn van opzettelijke beschadiging van het nest; voorwaardelijke opzet.

2.3

Vrijstelling, gedragscodes en ontheffing Provinciale Staten kunnen in een verordening een vrijstelling verlenen van de bovenstaande verboden (artikel 3.10, lid 2). De provincie Noord-Brabant heeft besloten voor een aantal algemeen voorkomende zoogdiersoorten en amfibieën een vrijstelling te verlenen, voor handelingen die men verricht in het kader van ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en voor handelingen in het kader van bestendig beheer en onderhoud. Het betreft de soorten aardmuis, bosmuis, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, hermelijn, huisspitsmuis, konijn, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, wezel, woelrat, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker en middelste groene kikker. Daarnaast zijn de in paragraaf 2.1.1 beschreven verboden niet van toepassing op handelingen die men uitvoert in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling of bestendig beheer en onderhoud, wanneer men die handelingen uitvoert conform een goedgekeurde gedragscode (artikel 3.31). Gedragscodes kunnen daarbij zowel gebruikt worden voor de omgang met de Vogelrichtlijnsoorten, de Habitatrichtlijnsoorten als de andere beschermde soorten.

Wel geldt voor de Vogelrichtlijnsoorten en de Habitatrichtlijnsoorten de aanvullende eis dat de handelingen die men uitvoert een wettelijk belang dienen uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn (artikel 3.31, lid 1 onder d). Het gaat dan onder meer om handelingen in het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of ter bescherming van flora en fauna. Tot slot kunnen Gedeputeerde Staten, wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat, onder bepaalde voorwaarde een ontheffing verlenen van de verboden (artikel 3.8 lid 1 en artikel 3.10 lid 2). Ook hierbij geldt voor vogelrichtlijnsoorten en ha-

9

bitatrichtlijnsoorten dat aan de handelingen die men verricht een wettelijk belang van de Vogelrichtlijn respectievelijk de Habitatrichtlijn ten grondslag dient te liggen (artikel 3.8 lid 5). Voor de andere beschermde soorten zijn, naast deze wettelijke belangen, ook nog aanvullende belangen geldig (artikel 3.10 lid 2).

10

3

Ecologie van soorten

3.1

Vleermuizen

3.1.1

Verblijfplaats Net als alle zoogdieren zoeken ook vleermuizen een beschermde ruimte op om te slapen, hun jongen te baren en groot te brengen. Dit is de zogenaamde vaste rust- en verblijfplaats. Vleermuizen bezitten door het jaar heen een groot scala aan verschillende soorten verblijfplaatsen om in bovengenoemde behoefte te voorzien. Er wordt voor deze diergroep onderscheid gemaakt tussen kraamverblijfplaatsen, zomerverblijfplaatsen, paarverblijfplaatsen en winterverblijfplaatsen. In de kraamverblijfplaats worden de jongen (één per vrouwtje) gebaard en gezoogd. In dergelijke verblijfplaatsen scholen meerdere vrouwtjes (met jongen) bij elkaar. De omvang van een dergelijke kolonie verschilt per locatie en per soort. Van de gewone dwergvleermuis is bijvoorbeeld bekend dat zij groepen vormt van circa 50 tot 120 individuen (BIJ12, 2017c). Bij de laatvlieger zijn deze groepen geregeld kleiner: 10 tot 60 vrouwtjes (Dietz et al., 2011). In zomerverblijfplaatsen bevinden zich de volwassen mannetjes en vrouwtjes die zich niet voortplanten. Hier zijn geen grote groepen vleermuizen aanwezig. In de paarverblijfplaatsen vindt de paring plaats. Mannetjes bezetten dan een verblijfplaats met daaromheen zijn territorium en proberen vrouwtjes hiernaartoe te lokken om te paren. In de winterverblijfplaats overwinteren de vleermuizen (www.vleermuis.net).

Gewone dwergvleermuizen kunnen zowel in kleine als in grote groepen overwinteren (BIJ12, 2017c). De meervleermuis overwintert weer in grotten of bunkers en andere soorten trekken weg uit Nederland naar warmere oorden (www.vleermuis.net). Vleermuizen zijn globaal op te delen in gebouwbewonende soorten zoals gewone dwergvleermuis en boombewonende soorten als rosse vleermuis en watervleermuis Daarnaast bestaan soorten die van beide elementen gebruikmaken. Daarbij is ook onderscheid te maken in zomer- en winterverblijfplaatsen van de verschillende soorten. Sommige soorten zoals de gewone dwergvleermuis verblijven het gehele jaar in gebouwen (spouwmuren, achter gevelbetimmeringen, etc.). Andere soorten als de rosse vleermuis verblijven jaarrond in bomen (in holten, holen en achter loshangend schors). De watervleermuis overwintert echter weer in bunkers, grotten en kelders en verblijft in de zomerperiode in boomholten (Dietz et al., 2011; Zoogdiervereniging en Probos, 2012). Vleermuizen leven door het jaar heen in een netwerk van verschillende verblijfplaatsen, maar ook in een netwerk van verschillende verblijfplaatsen tijdens hetzelfde seizoen. Afhankelijk van soort en situatie is er sprake van een hoofdverblijfplaats met satellietverblijfplaatsen of van meer gelijkwaardige verblijfplaatsen.

Zelfs kraamverblijfplaatsen kunnen van de ene op de andere dag verlaten zijn, waarbij de vrouwtjes hun jongen hangend aan de buik met zich meedragen. Tussen winterverblijfplaatsen wordt minder gewisseld (www.vleermuis.net). Bij de gewone dwergvleermuis liggen alle verblijfplaatsen binnen een straal van 20 kilometer bijeen (BIJ12,

11

2017c). Bij grotere vleermuissoorten als de rosse vleermuis is dit gebied vele malen groter (BIJ12, 2017d). 3.1.2

Vliegroutes Vanuit hun verblijfplaatsen moeten de vleermuizen hun weg kunnen vinden op zoek naar voedsel. Met behulp van hun sonar moeten ze wegwijs worden in de omgeving tussen verblijfplaats en foerageergebied. Bepaalde vleermuissoorten, zoals de gewone dwergvleermuis, gebruiken hiervoor vaak een vaste route naar het foerageergebied. Lijnvormige elementen als een bomenrij of watergang met opgaande begroeiing zijn hierbij vaak belangrijk voor hun oriëntatie (www.vleermuizenindestad.nl, Limpens et al., 2004).

3.1.3

Foerageergebied Vleermuizen gebruiken verschillende typen gebieden om voedsel te vinden. Hiertoe heeft elke vleermuissoort zich op enige wijze gespecialiseerd. Een overeenkomst is dat ze allen beschutting van wind zoeken. Enerzijds om energie te besparen, anderzijds vanwege de hoeveelheid insecten. De gewone dwergvleermuis foerageert bijvoorbeeld vooral in open ruimtes in bosachtig gebied of langs wind beschutte, lijnvormige elementen, zoals bomenrijen of watergangen (BIJ12, 2017c). De laatvlieger foerageert ten opzichte van de gewone dwergvleermuis in dezelfde soort gebieden maar dan hoger in de lucht en zolang de wind het toe laat boven opener terrein. De watervleermuis foerageert meestal boven open water (www.vleermuizenindestad.nl).

3.1.4

Jaarcyclus vleermuizen Vleermuizen gebruiken dus een netwerk van deelleefgebieden met verschillende functies. De in Nederland meest voorkomende soorten volgen daarbij een duidelijke seizoenscyclus: beginnend bij winterslaap, achtereenvolgens migratie, kraamperiode, balts- of paartijd, trek en tenslotte weer winterslaap (www.vleermuizenindestad.nl). zie onderstaand tijdschema.

Jaarcyclus van vleermuizen. Bron: Zoogdiervereniging

3.2

Teunisbloempijlstaart De teunisbloempijlstaart is een warmteminnende nachtvlinder die te vinden is op open plekken in vochtige bossen, bosranden en andere warme plaatsen waar de waardplant staat, zoals uiterwaarden en ruderale, braakliggende terreinen. Met het opwarmen van het klimaat wordt de soort steeds algemener in ons land. De rupsen van de-

12

ze soort leven van (middelste) teunisbloem, maar soms ook van wilgenroosje, basterdwederik en grote kattenstaart (vlinderstichting.nl).

13

4 4.1

Onderzoekmethodiek vleermuizen Onderzochte soorten, functies en onderzoeksomstandigheden Het vleermuisonderzoek heeft plaatsgevonden volgens de richtlijnen zoals deze zijn verwoord in het Vleermuisprotocol 2021 (Netwerk Groene Bureaus, 2021). Om aan deze richtlijnen te kunnen voldoen is allereerst beoordeeld welke vleermuissoorten mogelijk in het plangebied voor kunnen komen en welke functies het voor deze soorten kan vervullen. Deze beoordeling is gebaseerd op de bekende verspreiding van in Nederland voorkomende vleermuizen, de ecologie van de soorten en de aangetroffen situatie. In navolgend overzicht is deze beoordeling uiteengezet. Beoordeling van mogelijk aanwezige soorten en de functies die de situatie in het onderzoeksgebied zou kunnen vervullen (x = functie is niet uit te sluiten, - = functie is uit te sluiten). Vleermuissoort

Kraam-

Zomer-

Paar-

Winter-

Foe-

Vlieg-

verblijf

verblijf

verblijf

verblijf

gebied

route

Gewone dwergvleermuis

x

x

x

x

-

-

Ruige dwergvleermuis

-

x

x

x

-

-

Laatvlieger

x

x

x

x

-

-

De mogelijk aanwezige vleermuissoorten en functies, zoals weergegeven in voorgaand overzicht, zijn in dit onderzoek onderzocht. Om voor deze soorten te voldoen aan de onderzoekseisen van het vleermuisprotocol zijn de veldbezoeken uitgevoerd zoals is weergegeven in navolgende tabel. In deze tabel zijn ook de weersomstandigheden en het aantal onderzoekers weergegeven. Tevens is weergegeven wanneer welke functies zijn onderzocht.

14

Data, tijden, onderzoeksomstandigheden en onderzochte functies tijdens de uitgevoerde onderzoeken. Veldonderzoeksdata

27-05-2021

17-06-2021

18-06-2021

02-09-2021

23-09-2021

Zon op

05:31

05:21

05:21

06:53

07:26

Zon onder

21:41

21:58

21:59

20:22

19:34

Tijd (start)

21:41

03:21

21:59

22:45

20:34

Tijd (eind)

23:41

05:21

23:59

00:45

22:34

Temperatuur (°C)

11-10

18-19

25-22

15-12

16-14

Windkracht (Bft)

2-1

1

2-3

2

1

Neerslag

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Weersomstandigheden

Goed

Goed

Goed

Goed

Goed

Aantal onderzoekers

2

1

2

1

1

Onderzochte soorten

Alle

Alle exclu-

Laatvlieger

Alle

Alle

Paarverblijfplaatsen

x

x

Massawinterverblijf

x

x

sief laatvlieger Onderzochte Functies Kraamverblijfplaatsen

x

x

x

Zomerverblijfplaatsen

x

x

x

Foerageergebied Vliegroutes

4.2

Methode De onderzoekers hebben zich gedurende het veldonderzoek over het onderzoeksgebied verspreid en gezocht naar vleermuizen door middel van zichtwaarnemingen en het gebruik van batdetectors. Navolgende waarnemingen zijn belangrijk en zijn in ieder geval genoteerd:  Vleermuizen die in of uit een gebouw, boom, etc. vliegen. Dit wijst op de aanwezigheid van een verblijfplaats;  Zwermgedrag; vleermuizen die een tijdje en op een typische manier op een bepaalde plek rondvliegen. Vaak met meerdere vleermuizen, maar kan ook alleen. Dit kan duiden op een verblijfplaats.  Paargedrag, zoals baltsactiviteit van mannelijke vleermuizen. Dit kan bijvoorbeeld wijzen op de aanwezigheid van een paarterritorium en paarverblijfplaatsen.  Foeragerende vleermuizen. Hierbij is van belang hoeveel vleermuizen foerageren en of nog andere functies in de buurt aanwezig zijn. Op basis van deze waarnemingen is bepaald of sprake is van essentieel foerageergebied.  Meerdere vleermuizen die een bepaalde route vliegen. Dan is meestal sprake van een vliegroute van vleermuizen. Op basis van deze waarnemingen en een inschatting van de omgeving is bepaald of sprake is van een essentiële vliegroute.

4.3

Batdetectors Het onderzoek naar de aanwezigheid van vleermuizen is uitgevoerd door middel van zichtwaarnemingen en onderzoek met batdetectors. In dit onderzoek zijn de typen 15

Petterson D240X en Petterson M500 gebruikt. Een batdetector is een apparaat dat de onhoorbare, ultrasone geluiden van vleermuizen opvangt en vertaalt in voor mensen hoorbare geluiden. Door interpretaties van ritme, klank en hoogte van het door het apparaat uitgezonden geluid kunnen de meeste soorten vleermuizen worden onderscheiden en op naam worden gebracht. Met behulp van deze detectoren kunnen opnames worden gemaakt die eventueel achteraf geanalyseerd kunnen worden met behulp van computerprogramma’s. Met name voor de soorten van het geslacht Myotis is dit noodzakelijk om tot een zekere determinatie te komen.

4.4

Weersomstandigheden De vleermuisveldbezoeken mogen alleen bij goede weersomstandigheden uitgevoerd worden. Deze eisen zijn ook in het vleermuisprotocol opgenomen. Als de weersomstandigheden onvoldoende zijn, is de vleermuisactiviteit lager dan bij goede weersomstandigheden en geven de waarnemingen geen goed beeld van het vleermuisgebruik van het onderzoeksgebied. In dit geval zijn alle veldbezoeken bij goede weersomstandigheden uitgevoerd. Weergegevens zijn geraadpleegd via de websites van het KNMI, Weer.nl en Buienradar.nl.

16

5

Resultaten vleermuizen

5.1

Kraamverblijfonderzoek

5.1.1

27 mei 2021 Op 27 mei 2021 werd het eerste veldbezoek uitgevoerd. Het betrof een avondbezoek. De eerste waarneming die werd gedaan om 22:09 uur en betrof een gewone dwergvleermuis die over het plangebied heen vloog. Om 22:12 uur werd er kort gefoerageerd door drie gewone dwergvleermuizen. Deze toonden geen binding met de gebouwen in het plangebied. Om 22:24 uur vloog een gewone dwergvleermuis een scheur bij de te slopen schuur in het plangebied. Zie navolgende afbeelding.

Met zwart de locatie omcirkeld waar de vleermuis naar buitenvloog.

Omdat hier één gewone dwergvleermuis naar buiten vloog, kan vastgesteld worden dat hier een zomerverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis aanwezig is. Om 22:45 werd er boven het grasland ten zuiden nog kort gefoerageerd door een gewone dwergvleermuis. Andere waarnemingen werden niet gedaan en andere soorten werden ook niet waargenomen. 5.1.2

17 juni 2021 Op 17 juni 2021 werd een ochtendveldbezoek uitgevoerd. Bij het woonhuis werd om 4:38 uur een invliegende laatvlieger waargenomen. Dit woonhuis bevindt zich buiten het plangebied. Omdat het om één invliegende laatvlieger gaat, betreft de verblijfplaats een zomerverblijfplaats. Verder werd er ten noorden en ten zuiden buiten het

17

plangebied nog gefoerageerd door een laatvlieger. Deze toonden geen binding met het plangebied. Verder was er weinig activiteit. Ten zuiden buiten het plangebied vloog driemaal een gewone dwergvleermuis voorbij richting het westen. En er werd hier ook nog kort gefoerageerd door een gewone dwergvleermuis. De laatste waarneming van een vleermuis werd gedaan om 4:50 uur en betrof een gewone dwergvleermuis die in westelijke richting overvloog. De vleermuizen toonden geen binding met het gebouw in het plangebied. Tegen de zonsopkomst aan werden er ook geen vleermuizen meer waargenomen in het plangebied. Andere soorten of gedragingen werden niet waargenomen. 5.1.3

18 juni 2021 Het veldbezoek op 18 juni 2021 gaf eenzelfde beeld als het onderzoek op 17 juni 2021. De zomerverblijfplaats van de laatvlieger in het woonhuis buiten het plangebied werd weer vastgesteld. Deze vloog om 21:23 uur naar buiten. Verder vloog gedurende de avond af en toe een laatvlieger over het plangebied heen. De gewone dwergvleermuis werd ook weer waargenomen tijdens dit veldbezoek. In totaal werd er door drie gewone dwergvleermuizen gefoerageerd rondom de schuur in het plangebied. Deze toonden verder geen binding met het gebouw. Ook vlogen er weer een aantal vleermuizen over het plangebied heen, richting onbekend. Andere soorten of gedragingen werden niet waargenomen. Navolgende afbeelding visualiseert de waarnemingen van het kraamverblijfonderzoek.

18

De waarnemingen van de soorten vleermuizen en hun gedrag tijdens de kraamperiode. Bron: PDOK. Bewerking: SAB.

5.2

Paarverblijfonderzoek

5.2.1

2 september 2021 Gedurende het gehele eerste veldbezoek werden werfroepjes van de gewone dwergvleermuis waargenomen boven het woonhuis en de schuur net buiten het plangebied. De werfroepjes werden het hardst gehoord aan de noordzijde van het woonhuis. De werfroepjes werden nauwelijks gehoord in het plangebied, waardoor geconstateerd kan worden dat de gewone dwergvleermuis niet in het plangebied aan het vliegen was. Omdat de werfroepjes zich concentreerden rondom het woonhuis en de schuur buiten het plangebied, kan geconcludeerd worden dat op deze locatie een territorium van de gewone dwergvleermuis aanwezig is. Binnen een dergelijk territorium bevindt

19

zich een paarverblijfplaats. Gewone dwergvleermuis hebben zulke verblijfplaatsen in gebouwen. Daarom dient geconcludeerd te worden dat zich in het woonhuis of de schuur buiten het plangebied een paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis bevindt. Tijdens het bezoek werd ten noorden tweemaal nog maximaal een foeragerende gewone dwergvleermuis gehoord. Om 23:18 uur vloog er nog een laatvlieger voorbij. Deze toonde verder geen binding met het plangebied. Andere soorten werden niet waargenomen. 5.2.2

23 september 2021 Tijdens dit veldbezoek werd er maar één gewone dwergvleermuis waargenomen. De gewone dwergvleermuis liet werfroepjes horen en vloog voornamelijk rondom het woonhuis net buiten het plangebied. De vleermuis vloog een aantal keer erg dicht langs de gevel bij het woonhuis, waaruit geconcludeerd kan worden dat hier een paarverblijfplaats aanwezig is. Deze paarverblijfplaats bevindt zich dus net buiten het plangebied. Andere waarnemingen werden niet gedaan. Navolgende afbeelding visualiseert de waarnemingen van het paarverblijfonderzoek.

20

De waarnemingen van de soorten vleermuizen en hun gedrag tijdens de paarperiode. Bron: PDOK. Bewerking: SAB.

5.2.3

Massawinterverblijfonderzoek Van de gewone dwergvleermuis is bekend dat deze gebruik maakt van massawinterverblijfplaatsen. Zodra het in de herfst en winter echt koud wordt, trekken de gewone dwergvleermuizen van hun solitaire winterverblijfplaatsen (vaak zijn dit ook zomer-, kraam-, of paarverblijfplaatsen (BIJ12 2017c)) naar massawinterverblijfplaatsen. Zover bekend zijn dit voornamelijk grote, massieve gebouwen, waar ze diep weg kunnen kruipen in diepe spleetvormige ruimten zoals een spouw, dilatatievoeg of hol vloerelement (Brekelmans & Korsten, 2014). Het onderzochte gebouw betreft een kleine schuur en is dan ook niet groot en massief. Het voorkomen van massawinterverblijfplaatsen kan dan ook worden uitgesloten en is dan ook niet uitgevoerd.

21

5.2.4

Aanwezigheid essentiële elementen Voor vleermuizen zijn alle vormen van verblijfplaatsen essentiële elementen om de huidige staat van instandhouding niet aan te tasten. In het plangebied bij de te slopen schuur is één zomerverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis aanwezig. Deze verblijfplaats gaat bij de voorgenomen plannen verloren. In het woonhuis die aan de westkant tegen het plangebied aanligt is daarnaast een zomerverblijfplaats van de laatvlieger en een paarverblijfplaats van een gewone dwergvleermuis aanwezig. Met inachtneming van de voorgenomen plannen zal deze echter niet verloren gaan en zal ook niet significant verstoord worden. Ook foerageergebieden en vliegroutes kunnen essentiële elementen vormen. In dit geval wordt er maar matig gefoerageerd in het plangebied. Essentieel foerageergebied is dan ook niet aanwezig. Ook werden er geen vliegroutes ontdekt in het plangebied.

22

6

Resultaten teunisbloempijlstaart Uit de quick scan natuur (SAB, 2021) blijkt dat het onduidelijk is of waardplanten van de teunisbloempijlstaart aanwezig zijn in het plangebied. Het veldbezoek werd namelijk in de winter uitgevoerd, wanneer de waardplanten niet aanwezig zijn. Daarom werd eenmaal een gebiedscontrole uitgevoerd in de periode wanneer waardplanten van de teunisbloempijlstaart in bloei staan. Waardplanten van de teunisbloempijlstaart zijn; wilgenroosje, teunisbloem, basterdwederik en kattenstaart (www.vlinderstichting.nl). Tijdens dit bezoek werden op de dijk in het zuidelijke gedeelte van het plangebied enkele kruisingen van grote x middelste teunisbloemen waargenomen. Zie navolgende afbeelding. Omdat dit maar om enkele planten gaat, kan gesteld worden dat hier geen geschikt of essentieel leefgebied van de teunisbloempijlstaart aanwezig is. Daarnaast wordt deze dijk niet aangetast met de geplande ruimtelijke ontwikkelingen. De teunisbloempijlstaart wordt dan ook niet aangetast met de geplande ontwikkelingen.

Locatie waar middelste x grote teunisbloempijlstaart aanwezig is. Bron: PDOK. Bewerking: SAB.

23

7 7.1

Conclusie en advies Ontheffing Wet natuurbescherming nodig? In het plangebied is onderzoek verricht naar de aanwezigheid van essentiële elementen van vleermuizen en naar de aanwezigheid van waardplanten van de teunisbloempijlstaart. Tijdens het onderzoek is een zomerverblijfplaats van een gewone dwergvleermuis gevonden in de scheur die met de geplande ruimtelijke ontwikkelingen gesloopt zal worden. Met de geplande werkzaamheden gaat deze verblijfplaatsen dus waarschijnlijk verloren. Ook is kans aanwezig op het verwonden of doden van vleermuizen bij de werkzaamheden. In dat geval is sprake van overtreding van de Wet natuurbescherming. Om de werkzaamheden toch door te laten gaan is een ontheffing Wet natuurbescherming nodig in combinatie met het treffen van mitigerende maatregelen. Daarnaast dient te allen tijde rekening gehouden te worden met broedende vogels en de zorgplicht. In het woonhuis die aan de westkant tegen het plangebied aanligt is daarnaast een zomerverblijfplaats van de laatvlieger en een paarverblijfplaats van een gewone dwergvleermuis aanwezig. Ook bevinden zich enkele middelste x grote teunisbloemen bij de dijk in het zuidelijke gedeelte van het plangebied. Met inachtneming van de voorgenomen plannen zullen deze elementen (het woonhuis en de dijk) echter niet verloren gaan en zal ook niet significant verstoord worden.

7.2

Ontheffing aanvragen Het uitvoeren van ruimtelijke ingrepen waarbij beschermde soorten (zoals de huismus en gewone dwergvleermuis) worden verstoord is wettelijk gezien mogelijk als men in het bezit is van een ontheffing Wet natuurbescherming. Een dergelijke ontheffing dient voor dit project aangevraagd te worden bij de provincie Noord-Brabant. Bij het indienen van een aanvraag ontheffing Wet natuurbescherming dient een projectplan te worden opgesteld. In dit plan wordt onder andere de verspreiding van de betreffende beschermde soort in het plangebied verwoord alsmede het (wettelijk) belang van de ingreep onderbouwd. Daarnaast dient een uitgebreide alternatievenafweging plaats te vinden over waarom de verstoring van vaste rust- en verblijfplaatsen niet is te voorkomen. Een ontheffing wordt enkel verleend als voldoende mitigerende maatregelen worden getroffen om zoveel mogelijk schade aan de gewone dwergvleermuis te voorkomen. Daarnaast dient te allen tijde rekening gehouden te worden met alle broedende vogels en de zorgplicht.

7.3

Mitigerende maatregelen Mitigerende maatregelen voor vleermuizen houden over het algemeen in dat in de omgeving tijdelijke kasten worden geplaatst, waarbij rekening gehouden moet worden met een gewenningsperiode. Hierna wordt de bebouwing ongeschikt gemaakt voor de vleermuizen. Als vervolgens de bebouwing vleermuisvrij is verklaard, kunnen de ge-

24

plande ruimtelijke ingrepen plaatsvinden. Tenslotte worden nieuwe permanente voorzieningen in de nieuwbouw gerealiseerd. Voor zomerverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis geldt over het algemeen dat vier keer het aantal huidige verblijfplaatsen opnieuw gerealiseerd moet worden. Dit houdt dus in dat in totaal minimaal 4 alternatieve verblijfplaatsen voor gewone dwergvleermuis gerealiseerd moeten worden, zowel bij de tijdelijke voorzieningen als bij de permanente voorzieningen.

7.4

Broedperiode en zorgplicht De zorgplicht van de Wet natuurbescherming is altijd van toepassing. Iedereen moet voldoende zorg in acht nemen voor alle in het wild levende dieren, planten en hun leefomgeving. Dit kan bijvoorbeeld door de werkzaamheden te verrichten buiten kwetsbare periodes (het voortplantings- en winterslaapseizoen). Ook kan er gefaseerd worden gewerkt om dieren de kans te geven om te vluchten. Verder kunnen bij (de start van) werkzaamheden in de broedperiode, broedende vogels worden verstoord, of hun nesten worden aangetast. Als dit leidt tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding van deze vogelsoort, is een dergelijk nest strikt beschermd volgens de Wet natuurbescherming. De broedperiode loopt globaal van half maart tot half augustus. Er is hiervoor geen vrijstelling te verkrijgen in het kader van de Wet natuurbescherming. Wij adviseren daarom om de werkzaamheden buiten de broedperiode te starten.

7.5

Vervolgstappen    

Aanvragen ontheffing Wet natuurbescherming; Tref tijdig voldoende mitigerende maatregelen; Houd rekening met broedende vogels; Houd rekening met de zorgplicht.

25

Geraadpleegde literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0, juli 2017. BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Ruige dwergvleermuis Pipistrellus nathusii, versie 1.0, juli 2017. BIJ12, Utrecht. Limpens, H. J. G. A. Twisk, P. Veenbaas, G. 2004. Met vleermuizen onderweg. Brochure Rijkswaterstaat en Vereniging voor Zoogdierkunde en Zoogdierbescherming. Ministerie EZLI. 2012. Memorie van toelichting bij Wet natuurbescherming. Kamerstuk. Ministerie EZ. 2015. Memorie van antwoord bij Wet natuurbescherming. Kamerstuk Eerste Kamer der Staten-Generaal. Netwerk Groene Bureaus, Definitielijst Netwerk Groene Bureaus 2020, 16 januari 2020. SAB, 2021. Quick scan natuur. Best, Oirschotseweg 109 & 111. SAB, Arnhem. SOVON Vogelonderzoek Nederland, 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse Fauna 5: 1-584. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden Zoogdiervereniging & Probos. 2012. Laanbeheer en vleermuizen; met oog voor veiligheid en cultuurhistorie; met bijdragen van E. A. Jansen, M. H. A. van Benthem, C. de Groot, P. Twisk & H. J. G. A. Limpens.

Websites: www.bij12.nl www.ndff.nl www.noord-brabant.nl www.rijksoverheid.nl www.sovon.nl www.vleermuizenindestad.nl www.vlinderstichting.nl www.vogelbescherming.nl www.wetten.nl www.zoogdiervereniging.nl

26

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11749974/1