22046.3 - Bijlage 1 - Nota zienswijzen definitief BP Buitengebied
Tekst van het document
C. Reclamant verzoekt de bestreden stikstofgebruiksregels te schrappen en alleen van toepassing te laten zijn op de veehouderijbedrijven in het plangebied
De in het ontwerp bestemmingsplan opgenomen stikstofregeling heeft tot doel om te voldoen aan de regels van de Wet Natuurbescherming. Daarin is opgenomen dat de raad, bij vaststelling van het bestemmingsplan, met zekerheid moet kunnen stellen, dat de uitvoering van het bestemmingsplan geen significante effecten op Natura 2000 gebieden tot gevolg zal hebben Die zekerheid kan niet worden gegeven als het bestemmingsplan planologische mogelijkheden biedt die kunnen leiden tot een toename van de stikstofbelasting van voor stikstof gevoelige en overbelaste Natura2000-gebieden. Dit geldt niet alleen voor agrarische bedrijven, maar kan ook gelden voor overige activiteiten (bijvoorbeeld bij een aanzienlijke toename aan verkeersbewegingen). De opgenomen stikstofgebruiksregels blijven dan ook generiek van toepassing. Wel wordt ambtshalve voorgesteld de bestaande regeling te actualiseren naar aanleiding van de inwerkingtreding van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering door een uitzondering aan de begripspaling toe te voegen.
Eventuele ontwikkelingen binnen rooilijnen rondom rijkswegen worden getoetst op onder andere geluidsoverlast, externe veiligheid en afleidende verlichting alsmede reclame voor weggebruiker. Het rooilijnenbeleid houdt in dat een zone van 0-50 meter gemeten uit de as van de dichtstbijzijnde rijbaan van de weg in beginsel bebouwingsvrij dient te blijven en dat in een zone van 50-100 meter de toestemming van Rijkswaterstaat nodig is. Hierbij dienen open afritten meegenomen te worden. In het bestemmingsplan blijven derhalve de opgenomen vrijwaringszones met bijbehorende regeling gehandhaafd.
31
Op basis van de (Wet stikstofreductie en natuurverbetering) en aanpassing van de rekenmethode is geen sprake van een toename van stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied indien sprake is van een toename van stikstofdepositie afgerond 0 mol/ha/jaar, te weten kleiner dan 0,005 mol/ha/jaar. Door toevoeging van deze uitzondering kan de gemeente de regeling in het bestemmingsplan in overeenstemming brengen met de huidige natuurwetgeving op basis van de meest recente jurisprudentie, waarbij reeds verkregen rechten en ontwikkelingsruimte in het kader van de natuurwetgeving zo goed mogelijk in het plan zijn geborgd. Conclusie De zienswijze geeft aanleiding om het bestemmingsplan aan te passen. In de regels is aan de begripsbepaling voor toename van stikstofemissie in artikel 1.132 een uitzonderingssituatie toegevoegd, indien sprake is van een toename kleiner dan 0,005 mol/ha/jaar.
31.
PI21-02728
Zienswijze A. Reclamanten wonen in de omgeving van horecagelegenheid Suus. Zij ervaren regelmatig overlast. Deze planregeling en definitie zoals opgenomen voor de horecagelegenheid zijn rechtsonzeker en gebrekkig. De definitie sluit namelijk niet uit dat zich ter plaatse een horecainrichting in een zwaardere categorie kan vestigen, zoals horeca 4. Immers, uit de definitie volgt dat horeca-activiteiten zijn toegestaan die zich primair richten op het bedrijfsmatig verstrekken van maaltijden en/of dranken voor consumptie ter
Reactie gemeente De begripsbepalingen zijn op zichzelf geen toetsingskader, maar zorgen ervoor dat de regels binnen de bestemmingen eenduidiger worden. De toevoeging waarvan de exploitatie doorgaans geen aantasting van het woon- en leefklimaat veroorzaakt is slechts een duiding van de aspecten waarop de verschillende categorieën onderling zijn onderscheiden. Het bestemmingsplan reguleert functie en locatie. Aanvullende wetgeving en verordeningen (Activiteitenbesluit, Alcoholwet, APV e.d.) richten zich op de uitvoering, en op het voorkomen van overlast. De beoordeling of een horecabedrijf aan de gestelde milieunormen voldoet dient uitsluitend in het kader van de handhaving van de Wet milieubeheer aan de orde te komen. Het geluid,
32
plaatse, zodat ook drankverstrekkers zoals (muziek)cafés zijn toegestaan. Daarnaast wordt met de formulering "waarvan de exploitatie doorgaans geen aantasting van het woon- en leefklimaat veroorzaakt" niet ondervangen dat het woon- en leefklimaat daadwerkelijk niet wordt aangetast. Bovendien is het begrip "aantasting van het woon- en leefklimaat" niet objectief bepaalbaar en houdt dit een nader afweegmoment in. Dat laatste is op grond van vaste rechtspraak niet toegestaan. Reclamanten wensen in het bestemmingsplan een deugdelijke en rechtszekere definitie, die dergelijke activiteiten uitsluit of maximeert. B. Er is ten onrechte niet onderzocht of met de horecabestemming voor cliënten sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De omstandigheid dat het vorige plan deze horecabestemming ook mogelijk maakte, doet daar niet aan af. De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan namelijk steeds te beoordelen of sprake is van een goede ruimtelijke ordening en een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dat is echter niet gebeurd, zodat het plan in strijd met artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht niet zorgvuldig is voorbereid. Van belang is dat pal naast "Suus" 2 burgerwoningen liggen, aan de Oirschotseweg 104 en 110. Er wordt niet voldaan aan de richtafstanden voor geluid, geur en stof uit de "VNG-Brochure
voor zover dat valt binnen de door de milieuwetgeving gestelde normen, maakt deel uit van de uitstraling in haar totaliteit van de inrichting op de omgeving Op basis van de opgenomen regels is weliswaar een horecabedrijf toegestaan. Conform de nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving in artikel 15.1.2 onder a zijn ter plaatse van de Oirschotsweg 108/108a is als bedrijfsactiviteit uitsluitend een horeca voorziening toegestaan tot en met horeca 2. In artikel 1.67 zijn de verschillende type horeca categorieën nader beschreven. Horeca activiteiten van een hogere categorie zijn op basis van deze regeling niet toegestaan, zoals ook opgenomen in de specifieke gebruiksregels in artikel 15.4.1. Aanpassing van de regeling wordt niet noodzakelijk geacht. Ter verduidelijking is de regeling hierop wel aangescherpt.
Bij het opstellen van een bestemmingsplan dient in elk geval de bestaande legale planologisch juridische situatie te worden gerespecteerd. Dit is een van de belangrijkste pijlers van het bestuursrecht: de rechtszekerheid. Het bestemmingsplan dient deze bestaande legale functie derhalve te respecteren. Zoals reeds onder A is aangegeven dienen aspecten als eventuele overlast te worden voorkomen door toepassing van andere regelgeving. Het toetsen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat vindt – in het kader van de bestemmingsplanontwikkeling – uitsluitend plaats indien en voorzover er sprake is van een nieuwe planologisch juridische situatie. De VNG brochure wordt slechts in nieuwe situaties als richtlijn toegepast.
33
bedrijven en milieuzonering". Deze afstanden dienen te worden gemeten vanaf de gevel van de woningen tot de grens van de bedrijfsbestemming, waarbij vergunningsvrije bouwwerken moeten worden meegenomen. Dit had ook in het plan-mer meegenomen moeten worden. C. In de op 5 oktober 2020 verleende exploitatievergunning voor "Suus" is opgenomen dat geen terras en op het achter terrein is toegestaan. Daarnaast is opgenomen dat alleen in het restaurant muziek is toegestaan. Dit is echter niet gewaarborgd met voorschriften en regels in het ontwerpbestemmingsplan. Reclamanten verzoeken deze alsnog vast te stellen. D. Op grond van de exploitatievergunning is wel een terras aan de voorzijde van het restaurant toegestaan van 55 m². Deze omvang van het terras dient in het bestemmingplan te worden vastgelegd. E. In de exploitatievergunning is opgenomen dat maximaal 5 keer per jaar incidentele festiviteiten zijn toegestaan. Ook dit dient in het bestemmingsplan te worden verankerd.
Zoals reclamant zelf opmerkt is een exploitatievergunning verleend. Hierin zijn de gemaakte afspraken met bewoners al afdoende geregeld zoals dat er nu geen terras is toegestaan op het achterste gedeelte en dat muziek uitsluitend binnen mag. Deze afspraken zijn middels de vergunning (ook) te handhaven.
Een terras is toegestaan op basis van de vigerende en nieuw op te nemen horecabestemming. De oppervlakte van het terras is geregeld in de exploitatievergunning. Op basis van de vergunning is dit zeker gesteld en kan worden gehandhaafd indien noodzakelijk. Vastleggen in het bestemmingsplan is niet noodzakelijk wenselijk en doen we bij geen enkele horecagelegenheid in de gemeente Best. In de exploitatievergunning is geregeld dat maximaal 5 keer per jaar een incidentele festiviteit mag worden georganiseerd. Op basis van de vergunning is dit zeker gesteld en kan worden gehandhaafd indien noodzakelijk. Vastleggen in het bestemmingsplan is niet noodzakelijk en doen we bij geen enkele horecagelegenheid in de gemeente Best. Conclusie
De zienswijze geeft aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan. In de regels is het begrip horeca aangepast.
34
32.
PI21-02736
Zienswijze Op het perceel van Aarleseweg 34 is in het bestemmingsplan de functieaanduiding “specifieke vorm van agrarisch- ki station” neergelegd. Reclamant ziet dit als wezenlijk juridisch planologische toevoeging ten aanzien van het vigerende bestemmingsplan, zonder dat deze ontwikkeling is gestoeld op gedegen onderzoek in relatie tot de omgeving en waaronder het woon- en leefklimaat van reclamant. In het thans voorliggende ontwerp is het mogelijk op enkele meters afstand van het perceel met woonbestemming van cliënten een kistation in gebruik te nemen. Bovendien is in het ontwerp het maximum aan vloeroppervlakte voor het ki-station ter plaatse bepaald op 95 m2. De functieaanduiding “specifiek vorm van agrarisch- ki station" wordt echter neergelegd op het gehele bouwvlak en zelfs op een gedeelte waar geen bouwvlak aanwezig is. De besluitvorming is onzorgvuldig voorbereid en niet afdoende gemotiveerd. Daarnaast is op 25 mei j.l. is een ontwerp weigering omgevingsvergunning gepubliceerd. Hierin wordt de strijdigheid van het KI-station met het vigerende bestemmingsplan beschreven. Is het KIstation per abuis in het plan terecht gekomen? Reclamant verzoekt daarom de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – ki-station’ te laten vervallen in het vast te stellen bestemmingsplan.
Reactie gemeente De locatie aan de Aarleseweg 34 heeft in het ontwerpbestemmingsplan de bestemming “Agrarisch – Agrarisch bedrijf” gekregen en het bouwvlak is één op één overgenomen. Om het KI-station mogelijk te maken is een vormverandering van het bouwvlak noodzakelijk. Daarvoor heeft de eigenaar een ruimtelijke onderbouwing ingediend. Het onderdeel van de vormverandering is getoetst en akkoord bevonden. De bouwvlakwijziging heeft geen ruimtelijke ongewenste consequenties. Het klopt dat in het ontwerp weigeringsbesluit omgevingsvergunning staat dat het KI-station strijdig is met het ontwerp bestemmingsplan. Dit is omdat het daarin is geprojecteerd op grond met de bestemming “Agrarisch”. Dit wordt nu opgelost door een vormverandering van het bouwvlak.
Conclusie De zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.
35
33.
PI21-02737
Zienswijze Reclamant verzoekt om in het bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 om aan de Kapelweg 11 te Best een teelt-ondersteunende voorziening met permanent karakter mogelijk te maken.
Reactie gemeente Het perceel van reclamant heeft in het ontwerpbestemmingsplan deels de bestemming ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’ en deels de bestemming ‘Agrarisch’. De aangevraagde teeltondersteunende voorziening is gesitueerd op de grond met de bestemming ‘Agrarisch’. Op basis van deze bestemming zijn uitsluitend bestaande permanente teelt-ondersteunende voorzieningen toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – teeltondersteunende voorzieningen’. Voor oprichting van permanente teeltondersteunende voorzieningen buiten het bestemmingsvlak is een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid opgenomen (in artikel 3.3.4). Om hiervan gebruik te kunnen maken dient onder meer aangetoond te worden dat er binnen het agrarische bedrijfsbestemmingsvlak geen ruimte is en er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing. Reclamant heeft aanvullend aangetoond dat aan gestelde voorwaarden kan worden voldaan. Op basis daarvan is de aanduiding toegevoegd. Conclusie
De zienswijze geeft aanleiding om het bestemmingsplan aan te passen. Op de verbeelding is de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – teeltondersteunende voorzieningen’ toegevoegd aan Kapelweg 11 en een voorwaardelijke verplichting ten behoeve van de landschappelijke inpassing opgenomen.
34.
PI21-02738
Zienswijze A. De "functieaanduiding specifieke vorm van agrarisch - nertsen" is achterhaald. Het is immers niet meer toegestaan nertsen te houden. In plaats daarvan zou Reclamant graag de huidige
Reactie gemeente Deze zienswijze is in de tijd achterhaald. Inmiddels is de locatie gekocht door de Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte voor Ruimte. De veehouderijlocatie wordt gesaneerd in combinatie met het instrument Ruimte voor Ruimte. Hiermee is de zienswijze niet meer aan 36
bestemming van "niet grondgebonden intensieve veehouderij (ngi)" behouden om zo om te schakelen naar een andere diersoort. B. Artikel 40.8, gebiedsbeperking veehouderij beperkt de ontwikkeling van het bedrijf van Reclamant omdat hierdoor omschakeling naar een andere dierhouderij lastig dan wel onmogelijk is. Reclamant gaat hier niet mee akkoord. Temeer omdat in 2018 een overleg is geweest met de gemeente waarin is toegezegd dat de gemeente geen belemmeringen oplegt met betrekking tot omzetting naar een andere agrarische bestemming, dan wel dierhouderij.
de orde. Voor de ontwikkeling van de Ruimte voor Ruimte woningen is een separaat bestemmingsplan in voorbereiding. De locatie is uit het bestemmingsplan verwijderd. Zie onder A.
Conclusie De zienswijze geeft geen aanleiding om het bestemmingsplan aan te passen.
35.
PI21-02739
Zienswijze Reclamanten verzoeken om de bestaande bebouwing voor het woonperceel van Reclamant op te nemen en daarmee te legaliseren. Reclamant wijst hiervoor op de wet ruimtelijke ordening en op het feit dat bij het voorbereiden van een nieuwe bestemmingsplan niet of nauwelijks rekening gehouden is met de bestaande bebouwing. Veel van de reeds gebouwde bouwwerken staan er al voor het jaar 2010. Gezien de omgeving, met al haar reeds gebouwde
Reactie gemeente Met beide reclamanten heeft een of meerdere gesprekken plaatsgevonden in het kader van handhaving. Beide reclamanten is aangegeven dat het voornemen is om op te treden tegen de niet vergunde bebouwing. Daarnaast zijn een aantal suggesties gedaan hoe om te gaan met het perceel en wat de planologische mogelijkheden zijn. Op basis van de zienswijze is geen ander inzicht ontstaan om van die voorgestelde lijn af te wijken. De bouwwerken die niet vergund zijn worden dan ook niet meegenomen in het bestemmingsplan. Wel is er een extra afwijkingsbevoegdheid opgenomen voor het vergroten van de oppervlakten aan bijgebouwen mits er een tegenprestatie wordt geleverd voor kwaliteitsverbetering van het buitengebied conform dat Landschapsinvesteringsregeling.
37
bouwwerken, is er ruimtelijk gezien geen sprake van een grote toename voor een verstedelijking voor dit gebied.
Indien reclamant na inwerkingtreden van het bestemmingsplan kan aantonen dat aan de voorwaarden wordt voldaan, kunnen er tot 300 m² aan bijgebouwen worden toegestaan. Conclusie
De zienswijze geeft geen aanleiding om het bestemmingsplan aan te passen.
36.
PI21-02740
Zienswijze Reclamant had een inspraakreactie ingediend betreffende het wijzigen van het bouwvlak van de bedrijfspercelen. Deze inspraakreactie is niet meegenomen in de nota van vooroverleg en inspraak. Wel is gedeeltelijk tegemoetgekomen aan de inspraakreactie. Reclamant vraagt zich af waarom niet volledig tegemoet is gekomen en vraagt dit alsnog te doen.
Reactie gemeente Abusievelijk is de inspraakreactie niet verwerkt in de nota inspraak en vooroverleg. Reclamant vraagt om een vergroting van het bouwvlak. Dit is niet zondermeer mogelijk en daarom niet meegenomen in het ontwerpbestemmingsplan. Wel is zoveel als mogelijk tegemoet gekomen aan de inspraakreactie door een vormwijziging van het bouwvlak op te nemen. Naar aanleiding van de zienswijze is contact opgenomen met reclamant met de vraag of zij willen meeliften in dit bestemmingsplan op voorwaarden dat een ruimtelijke onderbouwing met landschappelijk inpassingsplan wordt aangeleverd. Hiervan heeft reclamant geen gebruik gemaakt. Conclusie
De zienswijze geeft geen aanleiding om het bestemmingsplan aan te passen.
37.
PI21-02741
Zienswijze Reclamant heeft een inspraakreactie ingediend betreffende het toevoegen van een woonbestemming op de agrarische grond van reclamant. De gemeente
Reactie gemeente Het beoogde perceel aan de Boslaan is bestemd als ‘Agrarisch’. Zoals ook al in de inspraaknota is aangegeven zijn er rechtstreeks geen mogelijkheden een woning op te richten. 38
heeft dit verzoek niet ingewilligd en heeft het verzoek niet als principeverzoek gezien. Gevraagd wordt om reclamant alsnog een mogelijkheid te geven tot het indienen van een ruimtelijke onderbouwing.
Het oprichten van een woning op deze locatie kan volgens de gemeentelijke structuurvisie buitengebied alleen door middel van de regeling kwaliteitsverbetering in bebouwingsconcentraties. Als tegenprestatie voor de bouw van een woning dient er sprake te zijn van een kwaliteitsverbetering van het landschap die gelijkwaardig is aan de compensatie zoals die bij Ruimte voor Ruimte-woningen aan de orde is. In de inspraaknota is tevens aangegeven, dat indien reclamant een concreet verzoek heeft dat dan een principeverzoek kan worden ingediend. Op basis van dit antwoord is door reclamant geen actie ondernomen, anders dan het nu indienen van een zienswijze. Voor initiatieven voor woningbouw op potentieel aanvaardbare locaties in het buitengebied behoort een principeverzoek te worden ingediend. Aan de hand van een dergelijk verzoek wordt beoordeeld of in beginsel kan worden voldaan aan de voorwaarden die gelden vanuit ruimtelijk opzicht (waaronder landschap en vraag of de locatie is aan te merken als bebouwingsconcentratie), milieu, kwaliteitsverbetering en overige beleidsmatige aspecten. In geval van een positief gemeentelijk standpunt moet worden aangetoond dat daadwerkelijk aan de desbetreffende voorwaarden wordt voldaan. Hierna kan een aparte procedure worden gestart ten einde te komen tot een planologisch-juridisch kader voor de realisering van woningbouw. Conclusie
De zienswijze geeft geen aanleiding om het bestemmingsplan aan te passen.
38.
PI21-02742
Zienswijze Reclamant heeft een inspraakreactie ingediend betreffende het bouwvlak van het bedrijf. Deze wijziging is niet toegekend echter het vlak is wel van vorm veranderd. Reclamant is het niet eens met de beantwoording van de inspraakreactie en verzoekt alsnog het bouwvlak aan te passen conform de bij de
Reactie gemeente Het bouwvlak wordt aangepast aan de vergunde, deels reeds gerealiseerde nieuwe loods. Hiertoe zal een geringe vormverandering worden toegepast, om alle bebouwing binnen het bouwvlak te situeren. Deze vormverandering heeft gedeeltelijk betrekking op het buiten het bestemmingsvlak brengen van een gedeelte van de voortuin. In de huidige situatie is ook al sprake dat de voortuin niet binnen het bouwvlak is gelegen. . 39
zienswijze bijgevoegde tekening. Het bouwvlak moet zo worden aangepast dat de op 21 april 2021 (kenmerk WABO-VERG-21-00623) aangevraagd omgevingsvergunning voor de bouw van een landbouwloods, past binnen het vlak. Aangezien de aanvraag past binnen het vigerende bestemmingsplan. Conclusie De zienswijze geeft aanleiding om het bestemmingsplan aan te passen: •
39.
Het bouwvlak wordt zodanig van vorm veranderd zodat alle bebouwing binnen het bouwvlak wordt gesitueerd.
PI21-02743
Zienswijze A. Reclamant heeft een inspraakreactie betreffende wijzigen van het bouwvlak, die niet is toegekend. Reclamant vraagt het college de vormverandering ten behoeve van de realisatie van het Kl-station alsnog op te nemen in het bestemmingsplan Buitengebied Best en de aanduidingen 'specifieke vorm van agrarisch - ki station (100 m2 b.o.)' en 'specifieke vorm van agrarisch - varkens' op te nemen. B. Reclamant is het niet eens met de beantwoording van de inspraakreactie voor wat betreft de hondenfokkerij en verzoekt alsnog de aanduidingen 'specifieke vorm van agrarisch - hondenfokkerij (400 m2 b.o.)' op te nemen.
Reactie gemeente Reclamant vraagt nu om een vormverandering van het bouwvlak. De eerder gevraagde vergroting is niet zondermeer mogelijk en daarom niet meegenomen in het ontwerpbestemmingsplan. Wel is zoveel als mogelijk tegemoet gekomen aan de inspraakreactie door de aanduiding specifieke vorm van agrarisch -KI-station en specifieke vorm van agrarisch -varkens’ op te nemen op te nemen, aangezien deze activiteiten reeds plaatsvinden en vergund zijn. Bij de zienswijze is een onderbouwing aangeleverd voor vormverandering t.b.v. het KI-station en voor de hondenfokkerij. Het onderdeel van de vormverandering is getoetst en akkoord bevonden, deze wijziging is doorgevoerd. Voor de hondenfokkerij loopt een aparte vergunningenprocedure. Er is geen geldende vergunning voor de hondenfokkerij en daarnaast is het op deze locatie onwenselijk en daarom wordt de aanduiding niet opgenomen.
Conclusie 40
De zienswijze geeft aanleiding om het bestemmingsplan aan te passen. Op de verbeelding is de vorm van het bouwvlak aangepast.
40.
PI21-02744
Zienswijze
Reactie gemeente
A. Reclamant is het niet eens met het aantal m2 dat wordt genoemd voor de bijgebouwen die vallen onder het overgangsrecht. Na sloop en brand resteren nu 1045 m2 aan bijgebouwen die onder het overgangsrecht vallen (gebouw B, C, D zie controle gemeente mei 2021);.
Met wijziging van het bestemmingsplan wordt 1.045 m2 aan bijgebouwen positief bestemd in ruil voor een kwaliteitsverbetering van het landschap op basis van de Landschapsinvesteringsregeling (LIR). Dit is in de aan het ontwerp bestemmingsplan toegevoegde ruimtelijke onderbouwing nader onderbouwd. In de nieuwe situatie is er geen sprake meer van bijgebouwen die vallen onder het overgangsrecht.
B. Op het bestemmingsvlak Aarleseweg 38 moet een 'bouwaanduiding verblijfsruimten niet toegestaan' binnen de 25 rand bouwblok en 50 meter emissiepunt worden opgenomen, gezien vanaf Aarleseweg 34. C. De opgenomen inhoudsmaat voor de woning is groter dan 1.000 m3 en past niet binnen de kaders om af te wijken van het bestemmingsplan.
Nieuwe initiatieven bij zowel Aarleseweg 34 als 38 worden getoetst aan de geldende wet en regelgeving. Daarbij wordt ook getoetst aan de afstanden genoemd in de Wet geurhinder en veehouderij en onze lokale geurverordening. Dat is voldoende en er is geen extra aanduiding nodig.
D. Voor het afwijken van de inhoudsmaat voor de woning van 750 naar 1000 m3 moet overtollige bebouwing (bijgebouwen overgangsrecht) worden gesloopt 200 m2750m3. Alleen bijgebouw C en D kunnen worden gesloopt t.b.v. het vergroten van de
Het betreft hier het gebruik van een bestaand gebouw dat direct grenst aan de bestaande woning. De huidige woning is beperkt in omvang (m³). Het heeft alleen een begane grond en geen verdiepingen waar slaapkamers in gesitueerd zijn. Zowel door de oude als de huidige eigenaar wordt het aangrenzende gebouw gebruikt voor een woonfunctie (beroep-aan-huis + slaapkamer). Om het gebruik van het aangrenzende bestaande pand voor een woonfunctie positief te kunnen bestemmen was het nodig de inhoud van de woning (M³) te vergroten. Er is in dit geval niet gekozen voor sloop als kwaliteitsverbetering van het landschap maar landschappelijke inpassing + het aanbrengen van natuur- en landschapselementen. Deze mogelijkheid biedt de LIR. Dit is niet vertaald in een binnenplanse afwijking omdat dit maatwerk vraagt. 41
woning (795 m2 -te handhaven 120 m2 bijgebouw). Dit betekent dat de woning met maximaal met ca. 170 m3 kan worden vergroot naar 920 m3! Dit betekent dat voor een woning van max. 920 m3 naast een bijgebouw van maximaal 120 m2, alle bijgebouwen C, D, E en F gesloopt dienen te worden en niet ingezet kunnen worden voor andere functies E. De omvang 'kleinschalige overnachtingen' zoals opgenomen in de tabel van nevenactiviteiten 625 m2 is vele malen groter dan de maximale omvang van 150 m2 die de afwijking in het plan mogelijk maakt F. Bijgebouw D is een werkplaats en opslag van DRS groep- facilitaire diensten waar dagelijks verkoopartikelen worden geproduceerd en machines zijn gestald voor het vegen van openbare ruimten 7 wegen. Dit is zeker geen hobby-matige activiteit.
Zoals onder D benoemd is hier sprake van maatwerk.
Op basis van artikel 26.5.1 is kleinschalige bedrijvigheid aan huis onder bepaalde voorwaarden toegestaan. De eigenaar heeft in een onderbouwing aangetoond dat aan deze voorwaarden wordt voldaan.
Conclusie De zienswijze geeft geen aanleiding om het bestemmingsplan aan te passen.
41.
PI21-02745
Zienswijze A. Reclamant is het niet eens met het aantal m2 dat wordt genoemd voor de bijgebouwen op het perceel van Aarleseweg 38, die vallen onder het overgangsrecht. Na sloop en brand resteren nu 1045 m2 aan bijgebouwen die onder het overgangsrecht vallen (gebouw B, C, D zie controle gemeente mei 2021);.
Reactie gemeente Voor de beantwoording wordt verwezen naar de reactie bij 40 A
42
B. Op het bestemmingsvlak Aarleseweg 38 moet een 'bouwaanduiding verblijfsruimten niet toegestaan' binnen de 25 rand bouwblok en 50 meter emissiepunt worden opgenomen, gezien vanaf Aarleseweg 34. C. De opgenomen inhoudsmaat voor de woning is groter dan 1.000 m3 en past niet binnen de kaders om af te wijken van het bestemmingsplan. D. Voor het afwijken van de inhoudsmaat voor de woning van 750 naar 1000 m3 moet overtollige bebouwing (bijgebouwen overgangsrecht) worden gesloopt 200 m2750m3. Alleen bijgebouw C en D kunnen worden gesloopt t.b.v. het vergroten van de woning (795 m2 -te handhaven 120 m2 bijgebouw). Dit betekent dat de woning met maximaal met ca. 170 m3 kan worden vergroot naar 920 m3! Dit betekent dat voor een woning van max. 920 m3 naast een bijgebouw van maximaal 120 m2, alle bijgebouwen C, D, E en F gesloopt dienen te worden en niet ingezet kunnen worden voor andere functies. E. De omvang 'kleinschalige overnachtingen' zoals opgenomen in de tabel van nevenactiviteiten 625 m2 is vele malen groter dan de maximale omvang van 150 m2 die de afwijking in het plan mogelijk maakt F. Bijgebouw D is een werkplaats en opslag van DRS groep- facilitaire diensten waar dagelijks verkoopartikelen worden geproduceerd en machines zijn gestald voor het vegen van openbare ruimten 7 wegen. Dit is zeker geen hobby-matige activiteit.
Voor de beantwoording wordt verwezen naar de reactie bij 40 B
Voor de beantwoording wordt verwezen naar de reactie bij 40 C
Voor de beantwoording wordt verwezen naar de reactie bij 40 D
Voor de beantwoording wordt verwezen naar de reactie bij 40 e
Voor de beantwoording wordt verwezen naar de reactie bij 40 F
43
Conclusie De zienswijze geeft geen aanleiding om het bestemmingsplan aan te passen.
42.
PI21-02746
Zienswijze Reclamant verzoekt de in de bijlage voorgestelde vormverandering ten behoeve van de realisatie van BBT-maatregelen voor stof, alsnog op te nemen in het bestemmingsplan Buitengebied Best en daarnaast een aanduiding ‘aarden wal’ op te nemen. Dit conform Omgevingsvergunning WV-18-00792.
Reactie gemeente Op 23 januari 2019 is een omgevingsvergunning verleend met daarin de zuidelijke geluidwal opgenomen. Deze vergunning is echter uitsluitend verleend voor de meest zuidelijke wal, dus niet voor de wal die aan noord- westzijde is geprojecteerd. De vergunde zuidelijke wal was reeds in het ontwerp bestemmingsplan op de verbeelding opgenomen met de aanduiding ‘geluidswal’. De wal aan de noord-westzijde is niet vergund, dus kan niet worden opgenomen. Daarnaast is tevens vergunning verleend voor toevoeging van een tweetal bouwwerken in het kader van BBT-maatregelen van het bedrijf. Hiertoe is een geringe vormverandering van het bouwvlak noodzakelijk. Conclusie
De zienswijze geeft aanleiding om het bestemmingsplan aan te passen. Op de verbeelding is het bouwvlak gewijzigd deels conform verzoek.
43.
PI21-02747
Zienswijze Reclamant verzoekt een bouwaanduiding op te nemen betreft de woonbestemming Vleutstraat 8 waaruit blijkt
Reactie gemeente Op basis van artikel 26.2.1 is (vervangende) nieuwbouw van de woning uitsluitend mogelijk ter plaatse van de bestaande fundering en, ingeval van uitbreiding, daar direct op aansluitend. 44
dat 'bouw voor het hoofdgebouw (bewoning en verblijfsruimten)' alleen mogelijk is binnen het zwarte kader (aanduiding cultuurhistorische waarde).
De bestaande bouwwijze dient te worden gehandhaafd. Deze bepaling geldt alleen voor vergunde bebouwing. Nu uitsluitend de woning binnen de aanduiding cultuurhistorische waarde legaal is, is met deze bepaling al geregeld dat bewoning uitsluitend ter plaatse van die aanduiding kan. De schuur aan de zijde van reclamant is weliswaar met vergunning opgericht echter in een vrijstaand bijgebouw mag niet worden gewoond. Er is een mogelijkheid om de woning te verplaatsen dan wel een meergeneratie woning of kleinschalige overnachting te realiseren. In de (binnenplanse) afwijkingsregeling is een aantal voorwaarden opgenomen waarvoor een onderbouwing moet worden aangeleverd waaruit moet blijken dat wordt voldaan aan diverse voorwaarden zoals: • de voorziening mag geen belemmering vormen voor de bouw- en gebruiksmogelijkheden van omliggende (bedrijfs)percelen; • ter plaatse is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd. Na de inwerkingtreding van het bestemmingsplan kan voor de beoogde ontwikkeling een aanvraag omgevingsvergunning worden ingediend. Conclusie
De zienswijze geeft geen aanleiding om het bestemmingsplan aan te passen.
44.
PI21-02748
Zienswijze A. Reclamant verzoekt de tabel Paardenhouderijbedrijven onder artikel 11.1.2 aan te passen conform voorstel.
Reactie gemeente Op 17 augustus 2021 is een vergunning verleend voor het uitoefenen van een metaalbewerkingsbedrijf in een bestaand gebouw met een oppervlakte van 128 m2. De tabel behorend bij het bestemmingsplan wordt hierop aangepast.
B. De opslag van de vaste mest en ruwvoeropslag in één sleufsilo is nu gelegen direct grenzend aan het bouwvlak.
Het uitgangspunt van het bestemmingsplan is dat bouwvlakken niet worden vergroot, voorzieningen die in het verleden zijn gerealiseerd zonder toestemming zijn geen reden af te wijken van dit standpunt. Een vergroting van de bestemming dient gepaard te gaan met een 45
Het bestemmingsplan maakt onder artikel 11 Bedrijf-Paardenhouderij de aanleg van een sleufsilo (opslag vaste mest/ ruwvoeropslag) NIET rechtstreeks mogelijk. Dat betekent dat of het bouwvlak moet worden vergroot of er voor de sleufsilo een tijdelijke vergunning van 10 jaar moet worden verleend.
ruimtelijke onderbouwing. Reclamant heeft deze niet aangeleverd. Er kan dan ook geen medewerking worden verleend aan het verzoek.
Conclusie De zienswijze geeft aanleiding om het bestemmingsplan aan te passen. •
45.
In de tabel met nevenactiviteiten artikel 11.1.2 is het metaalbewerkingsbedrijf opgenomen en op de verbeelding is een bijbehorende aanduiding voor de nevenactiviteit metaalbewerking opgenomen.
PI21-02749
Zienswijze A. Indiener betwist de legitimiteit van de bewonersbeëindigingsconstructie die op deze woning ligt en waarnaar verwezen wordt in de inspraaknota. Dit omdat de getekende verklaring niet rechtsgeldig zou zijn. Daarom verzoekt indiener om op het perceel een woonbestemming met bouwvlak toe te kennen.
Reactie gemeente In het ontwerpbestemmingsplan is aan de locatie een bestemming ‘Wonen’ toegekend, samen met de naastgelegen woonboerderij. Er zijn maar 2 woningen, namelijk 15 en 15a, toegestaan. Beleidsmatig gezien zijn er zowel op provinciaal als gemeentelijk niveau maar beperkte mogelijkheden voor het toevoegen van nieuwe woningen aan het buitengebied. Dit is slechts in een aantal gevallen mogelijk waaronder een zogenaamde ruimte- voor-ruimte woning met een ruimte voor ruimte titel of een woning op basis van kwaliteitsverbetering in bebouwingsconcentraties. Hier is in dit geval geen sprake van. Zoals bij de inspraakreactie beantwoord is er een bewoningsbeëindigingsconstructie overeengekomen. In het bestemmingsplan uit 2006 is daarom geen specifieke woonbestemming toegekend aan nummer 17 en maakt het gebouw deel uit van de woonboerderij op nummer 15/15a. In lijn met de hiervoor genoemde afspraken is in dit bestemmingsplan de bestaande (afgesproken) situatie voortgezet. Conclusie 46
De zienswijze geeft geen aanleiding om het bestemmingsplan aan te passen.
46.
PI21-02750
Zienswijze Indiener zou graag 3 a 5 trekkershutten voor overnachtingen willen toevoegen op het eigen terrein ten behoeve van het laten overnachten van de deelnemers aan de gegeven trainingen op locatie en verzoek hierin medewerking van de gemeente.
Reactie gemeente Binnen de regeling van kleinschalig kamperen zijn alleen kampeermiddelen toegestaan met een niet-permanent karakter, trekkershutten passen hier niet binnen. Er bestaat wel de mogelijkheid om op basis van de afwijkingsbevoegdheid kleinschalige overnachting kamers te realiseren binnen de woning en/of bijbehorende bijgebouwen. Conclusie
De zienswijze geeft geen aanleiding om het bestemmingsplan aan te passen.
47.
PI21-02751
Zienswijze A. Indiener verzoekt om de bouwvlakken op te nemen zoals opgenomen in het huidige bestemmingsplan en opgenomen in de bijlagen van de zienswijze.
Reactie gemeente In het ontwerpbestemmingsplan zijn voor beide locaties de bouwvlakken gehanteerd van het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Best 2002’, waarbij op basis van de feitelijke situatie voor de locatie Mosselaarweg 7 een vormwijziging is toegepast en een functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch-teeltondersteunende voorzieningen’ opgenomen. Het bouwvlak voor Mosselaarweg 5 is identiek aan het geldende bouwvlak. De bij de zienswijze opgenomen detailplankaarten zijn onjuist. Hierop ontbreekt de aanduiding ‘GO; goedkeuring onthouden’ op basis van het goedkeuringsbesluit van Gedeputeerde Staten. Die delen van het bouwvlak op de kaart hebben daarmee geen juridische status. Hieronder de juiste kaart.
47
B. Indiener verzoekt om in het vast te stellen bestemmingsplan het gehele huisperceel van de Reclamant (perceel kadastraal bekend als: gemeente Best, sectie K nummer 3926) en het perceel behorend bij Mosselaarweg nummer 9 (kadastraal bekend gemeente Best, sectie K, nummer 4256), te bestemmen als percelen met
Op basis van de vergunde situatie is de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarischteeltondersteunende voorzieningen’ toegekend voor een deel van het perceel.
48
een specifieke vorm van agrarisch teelt ondersteunende voorzieningen. C. Aansluitend wordt bezwaar gemaakt op de inhoud van het voorontwerp bestemmingsplan zoals op de percelen nabij de van Mosselaarweg, betreffende de percelen kadastraal bekend gemeente Best, onder nummers K 40, K 3648, K 38, K37. Op deze percelen is voorzien dat reclamant zijn bedrijf kan voort zetten mits er tot een akkoord kan komen over de verplaatsing vanuit Mosselaarweg 5-7. Deze verplaatsing wordt echter onmogelijk gemaakt door: • beperkingen vanuit groen-blauwe mantel • grootte van oppervlakte teel ondersteunende voorzieningen. En verzoekt deze uit te breiden naar minimaal 5 ha. Met uitbreidingsmogelijkheden als een collegebevoegdheid tot 7 ha D. Reclamant verzoekt om te benoemen wat onder de teeltondersteunende voorzieningen valt, zoals containervelden, regenkappen tot 3 m1 en tunnelkassen
Voor de beoogde hervestiging van het bedrijf wordt een apart bestemmingsplan voorbereid. De ruimtelijke onderbouwing van die verplaatsing gebeurt in die procedure. Ook voor dat plan geldt dat de bouw- en gebruiksregels dienen te passen binnen hetgeen is bepaald met de provinciale (Interim-)Omgevingsverordening. De Interim-Omgevingsverordening regelt in artikel 3.55 dat permanente teeltondersteunende voorzieningen in gebieden die zijn aangeduid als ‘Groenblauwe mantel’ zijn toegestaan tot een maximale maat van 3 hectare.
In artikel 1 begripsbepaling staat een uitgebreide begripsbepaling opgenomen.
Conclusie De zienswijze geeft aanleiding om het bestemmingsplan aan te passen. •
48.
Op de verbeelding is de aanduiding teeltondersteunende voorzieningen toegekend.
PI21-02752
Zienswijze
Reactie gemeente 49
A. Reclamant verzoekt in de definitie onder artikel 1.92 "Melkrundveehouderij" de diercategorie "Fokstieren en overig rundvee ouder dan 2 jaar (A7)"en de diercategorie "zoogkoeien ouder dan 2jaar (A2)"toe te voegen;
In het ontwerp bestemmingsplan zijn de verschillende type veehouderijen specifiek bestemd conform de door de raad vastgestelde NvU om regie te kunnen houden om mogelijke ongewenste milieueffecten en risico’s voor de gezondheid van omwonenden bij ontwikkelingen van een veehouderij. Hiertoe is tevens een definitie voor ‘Melkrundveehouderij’ opgenomen, gebaseerd op de begripsbepaling zoals opgenomen in de toelichting van de provinciale IOV. De huidig opgenomen regeling met betrekking tot diersoorten in het ontwerp bestemmingsplan lijkt echter meer rigide dan hiervoor noodzakelijk en bedoeld is. Daarom wordt, mede gelet op enkele ingediende zienswijzen, voorgesteld de regeling voor omschakelingsmogelijkheden voor diersoorten te versoepelen. Voorgesteld wordt de regeling zodanig aan te passen / af te stemmen op de toelichting. Ter plaatse van de aanduiding specifieke vorm van agrarisch – melkrundvee, zijn naast diersoorten behorend tot een melkrundveehouderij tevens bij recht diersoorten toegestaan van andere vormen van een grondgebonden veehouderij. Daarnaast wordt de definitie van grondgebonden veehouderij toegevoegd.
Bij (gedeeltelijk) omschakeling naar een hokdierhouderij (tak) en/of uitbreiding van dierenverblijf blijft een ruimtelijke procedure noodzakelijk, waarin wordt aangetoond dat kan worden voldaan aan de geldende provinciale beleidsregels met betrekking tot een zorgvuldige veehouderij, hokdierbedrijven en staldering alsmede de stikstofregels.
B. Artikel 1.127 aan te passen, zodanig dat er geen sprake mag zijn van een stikstofdepositietoename. Al dan niet bewerkstelligt via extern salderen
Om externe saldering te kunnen toestaan, moet sprake zijn van een directe samenhang tussen het saldogevende en saldonemende bedrijf die vervolgens op voorhand in het bestemmingsplan moet worden vervat. Daarbij moet vaststaan dat de bedrijfsvoering van het saldogevende bedrijf daadwerkelijk is of wordt beëindigd. Omdat vooraf onmogelijk kan worden ingeschat welke bedrijven onder de werking van het nieuwe bestemmingsplan in beeld zouden kunnen komen als saldogevend of als saldonemend bedrijf, kan de gemeente bij het vaststellen van het bestemmingsplan voor haar buitengebied niet voorzien in de directe samenhang die vereist is voor een regeling over externe saldering. Dit betekent dat zo'n regeling niet kan worden ingebouwd in het nieuwe bestemmingsplan en dat externe saldering 50
dus een kwestie van maatwerk zal blijven waarvoor een aparte planologische procedure zal moeten worden gevoerd naast of in combinatie met de benodigde toestemming op grond van de Wet natuurbeheer. Extern salderen betreft immers een zogeheten mitigerende maatregel en daarvoor is een passende beoordeling nodig. C. In artikel 37.6.1 (verbod op slopen binnen "Waarde - Zoals terecht geconstateerd door reclamant is 500 inderdaad een fout en moet dit 2500m2 Archeologie 5") de vermelde 500m2 aanpassen naar zijn. Het artikel wordt hierop aangepast. 2500m2. D. Reclamant verzoekt het omschakelen naar een De huidig opgenomen afwijkingsregeling is meer rigide dan noodzakelijk wordt geacht. De andere diersoort via artikel 4.5.10 wel toe te staan betreffende bepaling zal dan ook zodanig worden aangepast, dat ter plaatse van de ter plaatse van de aanduiding 'overige zone aanduiding ‘overige zone – beperkingen veehouderij’ het verbod op toevoeging van andere beperkingen veehouderij' als het gaat om diersoorten uitsluitend van toepassing is voorzover sprake is van uitbreiding of omschakeling grondgebonden veehouderijen, en daartoe van een veehouderij, niet zijnde een grondgebonden veehouderij.
onderdeel I van artikel 4.5.10 aan te passen naar: "ter plaatse van de aanduiding 'overige zone beperkingen veehouderij' is omschakeling niet toegestaan, tenzij sprake is van een grondgebonden veehouderij". Want nu is de bepaling in het bestemmingsplan veel strenger dan de provincie bedoeld heeft. Conclusie De zienswijze geeft aanleiding om het bestemmingsplan aan te passen. •
In de regels is de omschakeling van diersoorten aangepast aan de toelichting. Ter plaatse van de aanduiding ‘melk-/rundveehouderij’ zijn tevens overige vormen van grondgebonden veehouderij toegestaan.
•
In de regels is de definitie van grondgebonden veehouderij (artikel 1.65) aangepast.
•
In artikel 37.6.1 is de archeologische onderzoeksnorm van 500 gewijzigd in 2500 m2
•
De afwijkingsregeling in artikel 4.5.10 is aangepast.
51
49.
PI21-02753
Zienswijze A. Voor de locatie Aarleseweg 38 staat beschreven bij maatvoering dat het maximum volume 1.106 m³en het maximum oppervlakte 489 m² is. Echter is dit niet de correcte maatvoering. De oppervlakte zou 1.115 m² moeten zijn. Reclamant verzoekt dit aan te passen. B. In het ontwerpbestemmingsplan wordt in artikel 35.6 en 36.6 aangegeven dat bij sloop een omgevingsvergunning aangevraagd zal moeten worden en dat de sloop moet worden begeleid door een erkend archeologische partij. Reclamant voorziet door onder andere opname van deze artikelen extra procedures en een behoorlijke stijging van kosten. Reclamant verzoekt derhalve om het geroerde gebied op locatie van cliënt, zijnde het bouwvlak niet te bestemmen met de dubbelbestemming 'waarde - archeologie verwachtingswaarde hoog'
Reactie gemeente De constatering van reclamant is juist. Dit is aangepast op de verbeelding bij de maatvoering. Bij de Aarlseweg 38 is een oppervlakte van 489 m² aan bijgebouwen bij de woning toegestaan. Dit is geregeld in de bouwregels (26.2.2 lid b). Daarbovenop is een oppervlakte van 625 m² aan gebouwen aanwezig die gebruikt mogen worden voor verblijfsrecreatie. Dit is geregeld in de tabel onder b bij artikel 26.1.2.. De dubbelbestemming ‘Waarde- Archeologie’ is niet nieuw en ligt reeds op de gronden van de reclamant, middels het bestemmingsplan ‘Parkeernormen en archeologie’ uit 2017. Ten behoeve van dat bestemmingsplan heeft een archeologisch onderzoek plaatsgevonden. Op basis van dat onderzoek is het grondgebied van de gemeente Best bestemd. Het bestemmingsplan ‘Parkeernormen en archeologie’ is 1 op 1 overgenomen in het bestemmingsplan Buitengebied en feitelijk verandert er dan ook niets aan de geldende planologische situatie als het gaat om die onderwerpen. De dieptegrenzen voor archeologische onderzoek zoals opgenomen in de regels zijn gebaseerd op de analyse van archeologische onderzoeken in de afgelopen jaren. Hieruit blijkt dat het niet direct hoeft te betekenen dat er geen archeologische waarden meer aanwezig zijn als een perceel tot een bepaalde diepte verstoord is door bodembewerking.
Wel kan daarmee worden aangetoond dat er sprake is van bestaand gebruik wat de gemeente mee kan nemen in de afweging met betrekking tot de ondergrens voor de onderzoeksplicht archeologie. De dubbelbestemming ‘Waarde- Archeologie’ kan aangepast of geschrapt worden indien sprake is van een aantoonbare verstoring op het eigen perceel. Het gaat daarbij zowel om verstoringen door de aanleg van drainage, afgraving, egalisatie als door het bestaande gebruik voor het telen van specifieke gewassen als bijvoorbeeld asperges en bomen. De aan te leveren gegevens dienen geverifieerd te kunnen worden, bijvoorbeeld door middel van foto’s, 52
C. Reclamant vraagt zich af waarom er op de locatie Aarleseweg 34 zonder ruimtelijke onderbouwing en landschappelijk inpassing een KI station aanduiding is gegeven. D. Tevens vraagt Reclamant aandacht voor het geluid van het KI station op locatie Aarleseweg 34. Deze heeft regelmatig vroege transportbewegingen, deze transportbewegingen beginnen reeds om 04:00 uur. Reclamant vraagt zich af of deze transportbewegingen akoestisch onderbouwd zijn.
kaarten en rapporten. Er is niet middels gegevens aangetoond dat van een dergelijke situatie sprake is. Daarom blijft de archeologische bestemming gehandhaafd. Het KI-station is ook al lange tijd aanwezig in de stal. Dit moet worden gezien als een nevenactiviteit bij het agrarisch bedrijf en hoeft feitelijk ook niet bestemd te worden. Omdat er nu sprake is van een verplaatsing van het KI-station heeft de eigenaar een ruimtelijke onderbouwing aangeleverd voor vormverandering van het bouwblok. Voor de verplaatsing van het KI-station heeft de eigenaar een onderbouwing aangeleverd. Deze is getoetst en akkoord bevonden. Het KI-station levert geen belemmering op.
Conclusie De zienswijze geeft aanleiding om het bestemmingsplan aan te passen. Op de verbeelding is de maatvoering van m² aan bebouwing aangepast naar 1.115 m²
50.
PI21-02754
Zienswijze A. Reclamant heeft naast vrouwelijk jongvee tot jaar (A3) ook fokstieren en overig rundvee ouder dan 2 jaar (A7). Dit past momenteel niet binnen het begrip ‘melkrundveehouderij'. Reclamant verzoekt daarom het begrip melkrundveehouderij te verruimen, zodat ook fokstieren en overige rundvee ouder dan 2 jaar (A7) tot deze vorm van veehouderij behoren. B. Reclamant bevreemdt het dat op zijn perceel nog een hoge archeologische verwachtingswaarde ligt
Reactie gemeente Voor de beantwoording wordt verwezen naar de reactie onder 48 A.
De dubbelbestemming ‘Waarde- Archeologie’ is niet nieuw en ligt reeds op de gronden van de Reclamant, middels het bestemmingsplan ‘Parkeernormen en archeologie’ uit 2017. Ten 53
terwijl het voor het bestemmingsplan ‘Aarlesche erven’ dat ten oosten van zijn perceel ligt er geen archeologische verwachtingswaarde meer is opgenomen. Daarom verzoekt hij om het bouwvlak op zijn perceel niet te bestemmen met de dubbelbestemming 'waarde - archeologie verwachtingswaarde hoog'. En tevens de regeling bij sloop aan te passen dat er geen noodzaak is om de sloop te laten begeleiden door een erkend archeoloog.
behoeve van dat bestemmingsplan heeft een archeologisch onderzoek plaatsgevonden. Op basis van dat onderzoek is het grondgebied van de gemeente Best bestemd. Het bestemmingsplan ‘Parkeernormen en archeologie’ is 1 op 1 overgenomen in het bestemmingsplan Buitengebied en feitelijk verandert er dan ook niets aan de geldende planologische situatie. De diepte grenzen voor archeologische onderzoek zoals opgenomen in de regels zijn gebaseerd op de analyse van archeologische onderzoeken in de afgelopen jaren. Hieruit blijkt dat het niet direct hoeft te betekenen dat er geen archeologische waarden meer aanwezig zijn als een perceel tot een bepaalde diepte verstoord is door bodembewerking. Wel kan daarmee worden aangetoond dat er sprake is van bestaand gebruik wat de gemeente mee kan nemen in de afweging met betrekking tot de ondergrens voor de onderzoeksplicht archeologie. De dubbelbestemming ‘Waarde- Archeologie’ kan aangepast of geschrapt worden indien sprake is van een aantoonbare verstoring op het eigen perceel. Het gaat daarbij zowel om verstoringen door de aanleg van drainage, afgraving, egalisatie als door het bestaande gebruik voor het telen van specifieke gewassen als bijvoorbeeld asperges en bomen. De aan te leveren gegevens dienen geverifieerd te kunnen worden, bijvoorbeeld door middel van foto’s, kaarten en rapporten.
Er is niet middels gegevens aangetoond dat van een dergelijke situatie sprake is. Daarom blijft de archeologische bestemming gehandhaafd.
C. Reclamant vraagt zich af waarom er op de locatie Aarleseweg 34 zonder ruimtelijke onderbouwing en landschappelijk inpassing een KI station aanduiding is gegeven. D. Tevens vraagt de Reclamant aandacht voor het geluid van het KI station op locatie Aarleseweg 34. Deze heeft regelmatig vroege transportbewegingen,
In het geval van “Aarlesche Erven” is de dubbelbestemming archeologie van het terrein afgehaald omdat hier archeologisch onderzoek is verricht. Wanneer op deze locatie ook onderzoek gedaan is, kan ook hier de dubbelbestemming van het perceel verwijderd worden. Voor de beantwoording wordt verwezen naar de reactie onder 49 C.
Voor de beantwoording wordt verwezen naar de reactie onder 49 D.
54
deze transportbewegingen beginnen reeds om 04:00 uur. Reclamant vraagt zich af of deze transportbewegingen akoestisch onderbouwd zijn. Conclusie De zienswijze geeft aanleiding om het bestemmingsplan aan te passen. Zie 48
51.
PI21-02755
Zienswijze A. Voor de locatie is ter plaatse voor één van de schuren de functieaanduiding "specifieke vorm van recreatie - kleinschalige overnachtingsvoorziening" opgenomen. Graag de functieaanduiding veranderen naar "specifieke vorm van paardenhouderij - kleinschalige overnachtingsvoorziening". B. Artikel 11.1.1 kent een verwijzing naar nevenactiviteiten toegestaan in de 'tabel paardenhouderijbedrijven'. De tabel kent echter geen benaming of omschrijving van de toegestane nevenactiviteit. Graag tussen de 2e en 3e kolom een beschrijving van de nevenactiviteit opnemen, zijnde bij de locatie Kapelweg 28 "kleinschalige overnachtingsvoorziening" en "pensionstalling”. C. Graag in de derde kolom van 'tabel paardenhouderijbedrijven' aangeven dat ter plaatse Kapelweg 28 "1" bedrijfswoning is toegestaan.
Reactie gemeente Conform landelijke digitaliseringseisen (SVBP 2012) dient de benaming naar hoofdgroep functie van de nevenactiviteit plaats te vinden en niet naar de functie van de hoofdactiviteit (ook al ligt deze in een bestemming van een andere hoofdgroep).
In de tabel is kleinschalige overnachtingsvoorziening reeds opgenomen. Dit zal worden aangevuld met ‘pensionstalling’, zie ook beantwoording onder F. Een extra kolom wordt niet noodzakelijk geacht omdat in de begripsbepaling staat toegelicht wat onder de begrippen wordt verstaan.
Ter plaatse van Kapelweg 28 is inderdaad sprake van een bedrijfswoning. De tabel is hierop aangepast.
55
D. De tabel met direct toegestane nevenactiviteiten onder artikel 11.1.2.b stelt dat een pensionstalling als nevenactiviteit niet is toegestaan in de zone 'overige zone - groenblauwe mantel'. Op de locatie Kapelweg 28 is momenteel sprake van een pensionstalling. Graag daarom de 'overige zone groenblauwe mantel' verwijderen van het bouwvlak ter plaatse Kapelweg 28. Of de bestaande activiteiten van de pensionstalling opnemen in tabel 11.1.2.a. E. Het verzoek om de bestaande activiteiten van de overnachtingsmogelijkheden op te nemen in tabel 11.1.2.a, zijnde 320 m² kleinschalig overnachtingsvoorziening. F. Het verzoek om de bestaande activiteiten van de pensionstalling op te nemen in tabel 11.1.2.a, zijnde: 400 m2 pensionstalling. G. Artikel 11.5.7 kent een afwijking van artikel 11.4.1 voor maximaal 150 m2 kleinschalige overnachtingsvoorzieningen. Artikel 11.4.1 sluit bestaande overnachtingsvoorzieningen uit van strijdigheid. Artikel 11.5.7 maakt overnachtingsvoorzieningen mogelijk, echter is het artikel zo geformuleerd dat de bewoners van Kapelweg 28 geen gebruik kunnen maken van artikel 11.5.7 omdat ze reeds in de bestaande situatie al het maximum van 150 m2 overschrijden. Graag artikel 11.5.7 zodanig aanpassen zodat het eenmalig afwijken tot 150 m2 voor kleinschalig overnachten ook mogelijk wordt Kapelweg 28 dan
De aanduiding voor groenblauwe mantel is overgenomen uit de provinciale omgevingsverordening. De gemeente is verplicht deze aanduiding uit het provinciale beleid 1 op 1 over te nemen. De aanduiding kan dan ook niet worden verwijderd. Nu hier sprake is van bestaande activiteiten is pensionstalling opgenomen in de tabel 11.1.2. a.
Met reclamant is diverse keren gesproken. In het ontwerpbestemmingsplan is voor de bestaande kleinschalige overnachtingsvoorziening verbaal opgenomen dat de bestaande oppervlakte binnen het bedrijfsgebouw als maximum geldt. Aanvullend is de tabel aangepast met de oppervlakte van 320 m². Daarnaast is de activiteit op de verbeelding met een functieaanduiding specifiek gekoppeld aan de locatie van de voormalige varkensstal. Bij een paardenhouderij is bij recht 500 m2 aan pensionstalling toegestaan. Dit geldt echter niet voor locaties binnen de groenblauwe mantel. Onderhavige locatie is gelegen in groenblauwe mantel. De bestaande toegestane pensionstalling zal alsnog in de tabel worden toegevoegd als nevenactiviteit. De constatering is juist. Met de specifieke regeling voor kleinschalige overnachtingsmogelijkheden ter plaatse van de voormalige varkensstal, kan geen gebruik meer worden gemaakt van de generieke afwijkingsmogelijkheid voor kleinschalige overnachtingsmogelijkheden in de woning en/of een bijgebouw. Het uitgangspunt van die generieke regeling is dat de voorziening kleinschalig is en ondergeschikt aan de woonfunctie moet zijn. Daarvoor wordt de maximale maat van 150 m2 gehanteerd.
56
wel situaties waar reeds sprake is van meer dan 150 m2 aan overnachtingsmogelijkheden. Conclusie De zienswijze geeft aanleiding om het bestemmingsplan aan te passen.
52.
•
In artikel 11 is in de tabel de activiteit pensionstalling toegevoegd.
•
In de tabel is de bestaande bedrijfswoning opgenomen.
•
In de tabel is de oppervlakte van 320 m² ten behoeve van de kleinschalige overnachtingsvoorziening en 400 m2 ten behoeve van de pensionstalling opgenomen.
•
Op de verbeelding is een aanduiding tbv de pensionstalling opgenomen.
PI21-02756
Zienswijze A. De percelen Best K2257 en Oirschot M528 Driehoekweg te Best zijn in gebruik voor boomteelt en liggen in het gebied met de aanduiding attentiezone. Deze percelen zijn niet in het plan opgenomen als zijnde boomteelt, maar wel zo in gebruik. Daarom verzoekt reclamant deze percelen op te nemen als boomteelt.
Reactie gemeente De regeling voor realisering van nieuwe boomteelt is in het ontwerpbestemmingsplan aangepast. Uitsluitend indien gronden zijn gelegen binnen de attentiezone waterhuishouding wordt een omgevingsvergunning vereist, zodat het voornemen dan vooraf nader kan worden getoetst aan eventuele effecten op de omgeving. Het perceel K2257 is gelegen in de gemeente Best en binnen de aangeduide attentie zone waterhuishouding. Conform verzoek is voor deze percelen de aanduiding ‘boomteelt’ opgenomen. Het perceel M528 behoort tot de gemeente Oirschot. Dit perceel kan de gemeente Best niet aanpassen. Conclusie
De zienswijze geeft aanleiding om het bestemmingsplan aan te passen. Op de verbeelding is voor het perceel K2257 de aanduiding ‘boomteelt’ opgenomen.
57
53.
PI21-02758
Zienswijze A. De voorwaarde met betrekking tot de 10% landschappelijke inpassing in artikel 4.3.2 onder m en artikel 4.5.10 onder k uit het bestemmingsplan te halen, zoals ook toegezegd in de reactie op het voorontwerp. B. In het ontwerpbestemmingsplan heeft u als voorwaarde bij de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid in artikel 4.3.2 onder n, 4.5.2 onder n, 4.5.3 onder i, 4.5.4 onder I, 4.5.5 onder k, 4.5.6 onder h en 4.5.9 onder I, opgenomen dat er dient te worden voldaan aan de meest recente Landschapsinvesteringsregeling (LIR). Dit is te subjectief aangezien dit voor de gemeente geldt als een vrijbrief om de LIR te allen tijde aan te passen zonder dat hiertegen rechtstreeks bezwaar en beroep mogelijk is. Reclamant verzoekt om duidelijkheid te geven in dit bestemmingsplan over welke LIR wordt gehanteerd, dan wel een bepaling op te nemen waarmee de LIR kan worden gewijzigd.
Reactie gemeente Abusievelijk zijn de genoemde bepalingen niet geschrapt uit het bestemmingsplan. Uit artikel 4.5.10 is de voorwaarde geschrapt. De voorwaarde in artikel 4.3.2 kan niet worden verwijderd omdat deze rechtstreeks uit de Interim Omgevingsverordening van de Provincie is doorvertaald.
C. Reclamant verzoekt inzicht te geven in wat wordt verstaan onder een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en een goede leefkwaliteit.
De term – aanvaardbaar woon en leefklimaat – wordt in diverse wetten en regelingen in de ruimtelijke ordening gebruikt: bv., de wet veehouderij en geurhinder, wet geluidhinder etc. of soms vindt een vertaalslag in de jurisprudentie plaats (bv omvang spuitzones). De overheid heeft ter toetsing van een ontwikkeling voor het aanvaardbaar woon- en leefklimaat normen geformuleerd, waar aan getoetst dient te worden.
Een afwijkingsbevoegdheid is een ‘kan’ bepaling, het college kan afwijking van de regels maar hoeft dat niet. Indien het college niet wil afwijken, dan zal ze dit gemotiveerd moeten aangeven. Om af te kunnen wijken moet voldaan zijn aan de gestelde voorwaarden, maar het college is niet verplicht om – als aan alle genoemde voorwaarden is voldaan – af te wijken. Op zichzelf zou het college ontwikkelingen, die niet voldoen aan de LIR, ook zonder opname van de LIR-voorwaarde, kunnen afwijzen. De LIR is namelijk staand beleid om ontwikkelingen te toetsen aan de mate van kwaliteitsverbetering. Het opnemen van een verwijzing naar het LIR beleid in het afwegingskader is enkel bedoeld om zo volledig mogelijk te zijn over de uiteindelijke beoordeling. Dit betekent dat ook een veranderd LIR beleid kan worden toegepast. Er is vaste jurisprudentie dat een dynamische verwijzing naar beleidsregels is toegestaan. Toetsing aan de LIR vindt altijd plaats in het kader van een ruimtelijke procedure, waar een ieder tegen kan ageren.
58
Ook zijn sommige afstanden of voorwaarden (bij activiteiten in directe nabijheid van woningen) die opgenomen zijn in het Activiteitenbesluit ingegeven door de wens om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te kunnen blijven waarborgen. Er is dus geen algemene definitie of omschrijving te geven van deze term, de beoordeling vindt plaats door toepassing van wetten en regelgeving rondom geluid, geur, trillingen en gevaar. D. De regels omtrent zorgvuldige veehouderij op de juiste wijze vanuit de IOV in het bestemmingsplan te interpreteren ten aanzien van artikel 4.3.2 in relatie tot artikel 41.4.1
Conform artikel 3.50 lid 1 van de provinciale verordening is een toename van de oppervlakte dierenverblijf binnen een bouwperceel alleen toegestaan als: 1. maatregelen worden getroffen en in stand gehouden die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij; 2. de ontwikkeling vanuit een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving inpasbaar is in de omgeving; 3. is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12 % en in het buitengebied niet hoger is dan 20 %, tenzij er -indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages- maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert; 4. een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving in de planontwikkeling. Dit is in het ontwerpbestemmingsplan doorvertaald in een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid in artikel 4.3.2 met onder andere een doorverwijzing naar artikel 41.4.1 . waarin de provinciale voorwaarden uit artikel 3.50 lid 1 zijn overgenomen.
Volledigheidshalve zal de verwijzing in artikel 4.3.2 alsmede de aanhef van artikel 41.4.1 zodanig worden geredigeerd, dat expliciet duidelijk is dat de opgenomen voorwaarden uit artikel 41.4.1 ook van toepassing zijn op uitbreiding van dierenverblijven binnen een bestaand bouwperceel.
59
E. Reclamant kan er niet mee instemmen dat naast een stikstofdepositieplafond in het bestemmingsplan ook nog een stikstofemissieplafond is opgenomen en verzoekt in de verdere procedure van het bestemmingsplan enkel nog uit te gaan van een stikstofdepositieplafond en niet meer van een emissieplafond.
Een bestemmingsplan dient te borgen dat de geboden ontwikkelingsmogelijkheden in het plan met zekerheid niet zullen leiden tot significante negatieve effecten op de nabij gelegen Natura 2000 gebieden. Om dit als gemeente vooraf in een generiek bestemmingsplan te kunnen borgen en handhaven is een emissieplafond noodzakelijk. Overigens is in tegenstelling tot wat reclamant stelt intern salderen binnen dit bp wel degelijk mogelijk, mits de totale ammoniakemissie maar niet toeneemt. Conclusie