22046.25a - Beantwoording aanvullende technische vragen BP Buitengebied
Tekst van het document
Beantwoording technische vragen Vragen: U kunt uw vraag mailen naar raadsgriffie@gembest.nl * Naam + politieke partij Raadsvoorstel/onderwerp Vragen en antwoorden:
Div. vragenstellers – zie hieronder 22046 - Bestemmingsplan Buitengebied
Dorpsplein 2 Postbus 50 5680 AB Best T: 0499 360 375 raadsgriffie@gembest.nl www.gemeentebest.nl
Vragen Rob Vader (PvdA/GroenLinks): Vraag 1:
Er is wel een verwijzing naar het visiedocument over duurzame energieopwekking in het buitengebied, maar hoe wordt nu echt geborgd dat dit ook vastligt in dit BP. Eerder is wel duidelijk geworden (bv. bij aantallen arbeidsmigranten per locatie) dat beleidsdocumenten en visiestukken niet 'echt' meetellen als er in een BP niets over is opgenomen. Moet er niet een soort paraplu bestemmingsplan komen om de aanpak uit het visie document: "Visie duurzame energieopwekking Buitengebied Best" van toepassing te verklaren op (nieuwe?) BPs?
Antwoord 1:
Beleidsstukken vinden hun doorvertaling in de regels van het bestemmingsplan. Een visie is vaak niet een op een in een concrete regel door te vertalen. Aan concrete initiatieven die in overeenstemming zijn met een vastgestelde visie, kan via een planherziening of buitenplanse afwijkingsprocedure medewerking worden verleend. (Mogelijk ook gesteld door Pieter Meeuwis eerder op 5 sep). In hoeverre houdt dit BP rekening met de te plannen afname van intensieve veeteelt in onze provincie (en het land). Wordt er voorzien dat uitbreiden niet meer mogelijk is?
Vraag 2:
Antwoord 2:
In het bestemmingsplan Buitengebied 2021 is alleen dat wat vergund is aan (intensieve) veeteelt opgenomen. Daar waar een uitbreiding voor dierenverblijven binnen het bouwvlak gewenst is, wordt altijd een separate procedure doorlopen en moet voldaan worden aan het strenge landelijke en provinciale beleid zoals opgenomen in de voorwaarden in artikel 4.3.2. Daarnaast is er de mogelijkheid voor vormverandering en vergroting van het bouwvlak mogelijk mits aan de voorwaarden in artikel 3.7.1, 4.6.1, 5.7.1 en 6.7.1 wordt voldaan.
Vragen Wouter Bond (ChristenUnie) Vraag 1:
Antwoord 1:
Mochten er, doordat er ingesproken is, situaties gewijzigd worden, is er dan kans op precedentwerking? Hoe zorgen we ervoor dat iedere gelijkwaardige situatie ook gelijkwaardig behandeld wordt? Het gemeentelijk beleid zoals vermeld in de toelichting alsmede het beleid van rijk en provincie blijven uitgangspunt. Naar aanleiding van de ingebrachte punten van de insprekers worden geen wijzigingen voorgesteld die leiden tot precedentwerking. In een paar situaties wordt een (ambtelijke) wijziging voorgesteld omdat er een omissie geconstateerd is of is er specifiek sprake van maatwerk.
1
Beantwoording technische vragen Vraag 2:
Bij enkele insprekers ging het over (mis)communicatie naar de inwoners van het buitengebied. Kan er inzicht gegeven worden in het proces van communicatie over de afgelopen jaren heen?
Antwoord 2:
In de voorontwerp- en ontwerpfase zijn bijeenkomsten georganiseerd voor de inwoners en ondernemers in het buitengebied. Deze zijn breed gecommuniceerd en in de media gedeeld. In de inspraak- en zienswijzenprocedure heeft iedereen de gelegenheid gehad schriftelijke te reageren. De verslagen zijn opgenomen als bijlagen bij het bestemmingsplan. Tussentijds zijn indieners van zienswijzen geïnformeerd over de voortgang van het traject. Ook na besluitvorming door het college zijn de indieners van zienswijzen per brief geïnformeerd. In een aantal situaties wordt er uitspraak gedaan over de grond om het huis van de inwoners. Hierbij gaven een aantal insprekers aan dat iedereen in Best zelf mag weten hoe ze hun tuin inrichten, maar in het buitengebied hier wat regels aan verbonden zijn. Kan hier wat uitleg bij gegeven worden? Vanuit provinciaal beleid is zorgvuldig ruimtegebruik uitgangspunt. Dit houdt in dat gebouwen, bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. Het is niet wenselijk dat overal ‘los’ in het landelijk gebied voorzieningen worden opgericht om verrommeling en verstening van het landschap te voorkomen. Een woning mag een inhoud hebben van maximaal 750 m³ en bijgebouwen mogen maximaal 100 m² bedragen. De gebouwen en verharding moeten geconcentreerd aangelegd worden binnen een bouwvlak van maximaal 1500 m².
Buiten het bouwvlak mag geen verharding en gebouwen liggen. 1500 m² is de bestaande vigerende maat en kan niet zonder een tegenprestatie worden vergroot.
Vraag 3:
Antwoord 3:
Bespreekpunt Wouter Bondt (ChristenUnie) Bespreekpunt 1:
Hoe kan ik als raadslid een goede beslissing nemen over dit hele grote onderwerp? Dat gaat natuurlijk over vertrouwen, maar toch zien we nog zaken terugkomen die (bijvoorbeeld doordat er ingesproken is) nog gewijzigd worden. Als dit bestemmingsplan vastgesteld wordt, is er wellicht geen weg meer terug. Ik vind dit oprecht lastig te beoordelen.
Vragen Femke de Vries (CDA) Vraag 1:
Is bij het bestemmen van de gronden en er gebruik is gemaakt van de bestemming ‘tuin-landschap’ er zoveel mogelijk grond rondom de woning bestemd als bouwblok en de bestemming ‘tuin-landschap’ alleen gebruikt wanneer alle 1500m2 bouwblok nodig is geweest om de bestaande gebouwen hierin te kunnen plaatsen? Maw. zo mín mogelijk gebruik gemaakt van de bestemming ‘tuin-landschap’?
Antwoord 1:
Uitgangspunt is geweest om alle bebouwing en verharding op een woonperceel binnen het bouwvlak van 1500 m² te leggen. De overige delen van een perceel zijn bestemd als ‘tuin’ ingeval dat er nog een inrit in ligt. Wanneer het volledig landschappelijk is ingepast met robuust groen is gekozen voor de bestemming 2
Beantwoording technische vragen
Vraag 2:
Antwoord 2:
Vraag 3:
Antwoord 3: Vraag 4:
Antwoord 4:
Vraag 5:
Antwoord 5:
Vraag 6:
‘tuin-landschap’. Als is er geen sprake is van een goede landschappelijk inpassing heeft het de bestemming ‘Agrarisch’ behouden. Zijn eigenaren van de woningen die met dit bestemmingsplan een de voor hun nieuwe bestemming ‘cultuurhistorischewaarde’ op hun woning krijgen hierover actief geïnformeerd? Ja, voordat de quickscan is uitgevoerd van panden met potentiële cultuurhistorische waarden zijn alle eigenaren (2017) daarover geïnformeerd. In het voorontwerpbestemmingsplan is de cultuurhistorische waarde vertaald. Daarna (2019) zijn alle grondeigenaren van percelen waar een mogelijk een verandering van regeling op het perceel plaatsvond per brief geïnformeerd. Daarnaast zijn in de voorontwerp- en ontwerpfase bijeenkomsten georganiseerd voor de inwoners en ondernemers in het buitengebied. Deze zijn breed gecommuniceerd en in de media gedeeld. In de inspraak- en zienswijzenprocedure heeft iedereen de gelegenheid gehad schriftelijke te reageren. Is de aanduiding ‘cultuurhistorische waarde’ voor woningen vastgelegd in dit bestemmingsplan of staan deze hier los van? De aanduiding ‘cultuurhistorische waarde’ is in dit bestemmingsplan vastgelegd met een aanduiding.
Wanneer we instemmen met het bestemmingsplan, leggen we dan ook de diverse Quickscans vast? De quickscan Cultuurhistorische waarden maakt onderdeel uit van het Bestemmingsplan Buitengebied 2021 en is als bijlage bij de toelichting toegevoegd. Deze wordt dus bij vaststelling van het plan ook mee vastgesteld. In diverse artikelen worden diverse voorwaarden en regels beschreven rondom bijgebouwen e.d. Wanneer hieraan allemaal voldaan wordt, mogen deze bebouwingen dan onvergund gebouwd worden? Of melding van gedaan worden? Of iets anders? Op grond van het Besluit omgevingsrecht mogen op het achtererf, onder voorwaarden, aanbouwen en bijgebouwen (bijbehorende bouwwerken) vergunningvrij worden geplaatst. De oppervlakte van deze bijbehorende bouwwerken is afhankelijk van de oppervlakte van het zogenaamde bebouwingsgebied, met een maximum van 150 m² aan bijbehorende bouwwerken. Er zullen de komende jaren agrarische bedrijven gaan stoppen met hun huidige activiteiten. Om te kunnen ontdekken wat voor een activiteit op die plek en bij die persoon past zal er iets geprobeerd moeten gaan worden. Hoe wordt een dergelijke ‘proefperiode’ voor een bedrijf in transitie formeel vergund?
3
Beantwoording technische vragen Antwoord 6:
In het kader van het VAB beleid zijn er mogelijkheden om in een transitieperiode een activiteit op proef uit te oefenen. Afhankelijk van de aard en omvang van de desbetreffende activiteit en de duur van de proefperiode, zijn er in beginsel mogelijkheden voor het verlenen van een tijdelijke vergunning. In overleg met de gemeente kan in dergelijke situaties tot “maatwerk” worden gekomen. Het uitgangspunt vanuit het VAB-beleid is een termijn van 3 jaar voor een vergunning.
Bespreekpunten Femke de Vries (CDA) Bespreekpunt 1:
Bijlage 9/art 44/pag 179/bullet c Ik wil graag bespreken of we hier een minimale afstand tot woningen aan toe moeten voegen
Bespreekpunt 2:
Bijlage 9/art 45.1.c/pag 181 Toevoegen: ‘mits deze niet strijdig zijn met de actuele visies van Best’.
Bespreekpunt 3:
Bijlage 9/art 47.2/pag 185 ‘, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.’ Hiermee staan we mijns inziens strijdig/illegaal gebruik alsnog toe. Willen we dit?
Bespreekpunt 4:
Bijlage 9/art 27.5.3/pag 130-131/bullet h ‘permanente bewoning van de voorziening is niet toegestaan;’ Is dit scherp genoeg geformuleerd?
Bespreekpunt 5:
Bijlage 9/art 27.5.3/pag 130-131/bullet i ‘de voorziening wordt geëxploiteerd door de hoofdbewoner of eigenaar van de betreffende woning, die op het adres van het pand is ingeschreven in het GBP. De hoofdbewoner of eigenaar dient tijdens het nachtverblijf op het adres aanwezig te zijn.’
Bespreekpunt 6:
Bijlage 9/art 4.3.2/ pag 37/bullet f ‘de uitbreiding is noodzakelijk uit een oogpunt van doelmatige agrarische bedrijfsvoering en/of -ontwikkeling;’ De noodzaak zal door de ondernemer anders gezien worden dan door de overheid, is subjectief. Meergeneratiewoning moet binnen 25 meter van de woning gebouwd worden. Wat als dit door het aanwezig zijn van voorzieningen van derde partijen, denk aan waterleiding en riolering voor regionale toe- en afvoer, niet mogelijk is. Hiervan móet je afstand houden.
Bespreekpunt 7:
Bespreekpunt 8:
Meergeneratiewoning mag 80 m2 zijn. Deze woning is bedoeld om 2 generaties (waarvan 1 vanaf 65 jaar) de mogelijkheid te bieden om op de locatie te wónen. Niet als mantelzorg maar als volwaardige woning. Is 80 m2 dan niet aan de krappe kant? En, waar komt die vandaan?
Vragen Pieter Meeuwis (D66) 4
Beantwoording technische vragen Vraag 1:
Uitbreiding van detailhandel vierkante meters. Uit het concept bestemmingsplan maken wij op dat op verschillende plekken in het buitengebied uitbreiding van detailhandelsvierkante meters wordt toegelaten (zoals Groencentrum aan Aarleseweg). Soms wordt het niet toegelaten (St. Oedenrodeseweg). Graag willen wij een onderbouwing bij het advies van het college om detailhandelsvierkante meters in het buitengebied te verruimen en een uitleg of dit ‘gelijke monniken, gelijke kappen’ zijn.
Antwoord 1:
Zoals opgenomen in het antwoord op de insprekers is er in één geval een fout in de tabel gemaakt. Daarnaast is voor de locatie Aarleseweg 50 het beleid van de provincie van belang. De vestiging op een bestaand bouwperceel of uitbreiding van een tuincentrum in een kernrandzone is onder voorwaarden mogelijk. Het gaat hier om een specifieke vorm van detailhandel. Het groencentrum aan de Aarleseweg is gelegen binnen een gebied dat als kernrandzone kan worden aangemerkt. Voorts geldt voor het gebied “verstedelijking afweegbaar”.
Vraag 2:
Antwoord 2:
Op de locatie Aarleseweg 50 is bedoeld om 100 m² aan detailhandel voor streekgebonden producten en diervoeders toe te staan. Vanuit het oogpunt van eenduidigheid had deze activiteit op een aparte regel moeten staan. Dit zal ambtshalve nog worden aangepast. Stikstof. Tijdens de beeldvormende vergadering is door onze fractie opgemerkt dat in het advies van de commissie MER te lezen valt dat het bestemmingsplan voorziet in uitbreidingsmogelijkheden van veehouderijen. Onze fractie is tegen zulke uitbreidingsmogelijkheden. Graag zien wij een heldere toelichting van het college op de (on)mogelijkheden die dit bestemmingsplan biedt voor de uitbreiding van veehouderijen. Zie antwoord 2 vragen Rob Vader.
Vraag 3:
Het principe van “feitelijke situatie moet overeenkomen met planologische situatie” lijkt te duiden op alles legaliseren terwijl er soms ook een (terechte) strengheid is om de kwaliteit van het buitengebied te bewaken en de interim omgevingsverordening van de provincie te volgen. Is de gemeente gedwongen zaken te legaliseren (door tekortschietende handhaving bijv)
Antwoord 3:
Vanuit de beginselen van behoorlijk bestuur moet worden bezien of in geval van geconstateerde overtredingen alsnog tot een legale situatie kan worden gekomen. Legalisering is slechts aan de orde indien de desbetreffende ontwikkeling passend is binnen het gemeentelijk en provinciaal beleid. In het buitengebied is een handhavingstraject gestart. Per situatie wordt bezien in welke gevallen legalisering in de rede ligt. Indien dit niet mogelijk is, zal handhavend worden opgetreden. Zijn er in het verleden omgevingsvergunningen verstrekt die strijdig waren met het toen geldende bestemmingsplan? Een aantal zienswijzen / insprekers lijken ter goede trouw zaken gerealiseerd te hebben die nu niet in het bestemmingsplan terugkomen.
Vraag 4:
5
Beantwoording technische vragen Antwoord 4:
Vraag 5:
Aan een verleende omgevingsvergunning die onherroepelijke rechtskracht heeft verkregen – ook indien die mocht zijn verleend in strijd met het geldende bestemmingsplan – kunnen rechten worden ontleend. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat slechts een beperkte categorie verleende omgevingsvergunningen een vertaling krijgt in het bestemmingsplan. Conserverend bestemmingsplan vs nieuwe functies. Het college heeft aangegeven te kiezen voor een conserverend bestemmingsplan. Alle mogelijkheden voor kleine woningbouwprojecten in Zoekgebied Verstedelijking zijn niet opgepakt. Toch worden op verschillende locaties wijzigingen aangebracht (incl ruimtelijke onderbouwingen) ten opzichte van de bestaande situatie. Het zou ons helpen als er bij de stukken een duidelijke oplegger zou zitten waaruit blijkt welke overwegingen het college heeft gehad voor de belangrijkste wijzigingen in dit bestemmingsplan. Het is nu een behoorlijke zoekpuzzel en de vraag waarom bij de een iets wel kan en de ander niet blijft daarom moeilijk te beantwoorden.
Antwoord 5:
Het bestemmingsplan buitengebied is conserverend van aard. Het plan voorziet ten opzichte van het geldend bestemmingsplan niet in nieuwe ontwikkelingen in directe zin. Het bestemmingsplan legt de bestaande ruimtelijke structuur vast en voorziet tegelijkertijd in een aantal kleinschalige ontwikkelingen door middel van een omgevingsvergunningprocedure voor het afwijken van de bouw- of gebruiksregels, of wijzigingsprocedure (zoals vergroting van bouwvlakken etc.). Alvorens deze procedures kunnen worden geëffectueerd dient altijd door middel van onderzoek te worden aangetoond dat aan de vereiste (milieu)randvoorwaarden wordt voldaan en anderen niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. In het kader van de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn diverse onderbouwingen ingediend voor ontwikkelingen die in beginsel passend zijn binnen de plansystematiek. Indien die ontwikkelingen voldoende concreet en uitgewerkt zijn, behoren deze bij de planherziening te worden betrokken. Daarnaast zijn voor diverse VAB-locaties nieuwe bestemmingen opgenomen omdat het gevolgde voortraject voldoende basis betekende voor de desbetreffende aanpassing.
Vraag 6:
Zijn de onderzoeken naar de toekomstplannen van de 68 agrarische percelen (45% overweegt te stoppen) gebaseerd op keukentafelgesprekken met de agrarische ondernemers? Hoe werkt dit door in MER als dit anders ligt?
Antwoord 6:
In het kader van het VAB-beleid en het bestemmingsplan Buitengebied zijn inderdaad keukentafelgesprekken met de agrarische ondernemers gevoerd. Op basis van een eigen inventarisatie in 2018 is voor het VAB-beleid een inschatting gemaakt van hoeveel en welke agrarische bedrijven gaan stoppen (45%). In de MER bij het bestemmingsplan Buitengebied is een andere systematiek toegepast. Hierbij is uitgegaan van bestaande vergunningen, CBS-gegevens en de landelijke en Brabantse trends. Dit is verwerkt in twee scenario’s: scenario trendmatige ontwikkeling en scenario worstcase ontwikkeling. 6
Beantwoording technische vragen Voor beide scenario’s zijn de mogelijke milieueffecten in beeld gebracht.
Vraag 7: Antwoord 7:
Zowel de inventarisatie in het kader van het VAB-beleid als bij de MER zijn een momentopname. Is er een noodzaak om dit bestemmingsplan Buitengebied goed te keuren voor de Omgevingswet ingaat? Gegeven dit in hoofdzaak conserverende karakter van het buitengebied is ervoor gekozen niet vooruit te lopen op de komst van de Omgevingswet. Gekozen is om met deze actualisering eerst de basis goed op orde te brengen, wat in het belang is van bewoners en bedrijven in het buitengebied.
*Als u de vragen woensdag voorafgaand aan de raadsavond/raadsvergadering vóór 12.00 uur mailt, beantwoordt het college uw vragen de dag van raadsavond/raadsvergadering uiterlijk om 15.00 uur.
Artikel uit het Reglement van Orde gemeenteraad Best 2020: Artikel 3.36 – Technische vragen 1.
2.
3.
Technische vragen worden kort en bondig geformuleerd. Het zijn informatieve vragen die bedoeld zijn om een beter begrip van een onderwerp of raadsvoorstel te krijgen. Het kunnen vragen zijn over feiten, omstandigheden en de uitleg daarvan of over de gevolgen van een besluit. Technische vragen moeten ingediend worden bij de griffie. Dit kan tot uiterlijk woensdag voor 12.00 uur, voorafgaand aan de dag van de raadsavond waarop het onderwerp geagendeerd staat. Het college spant zich in om de technische vragen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk vóór 15.00 uur van de dag van de vergadering of raadsavond te beantwoorden. De antwoorden van het college of de burgemeester worden door de griffie op het raadsinformatiesysteem geplaatst.
7