CConstaterende datBest
Koppel je AI →
Document · PDF

22046.10 - Bijlage 8.3 - Plan Mer Deel A Hoofdrapport

Raadsavond 5 september 2022, gemeente BestBij agendapunt: 22046 - Bestemmingsplan Buitengebied28.184 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel A

75

P186126.006

Figuur 23: Overschrijding van normen m.b.t. de achtergrondbelasting geur op basis van de normen van de provincie (hinderkans op basis van de handreiking Wgv) en de adviezen van GGD GHOR Nederland. (Zie ook Deel C, C-6).

76

Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021– Deel A

P186126.006

Het trendmatig scenario is op het criterium effecten geur beoordeeld als neutraal binnen de bebouwde kom en licht negatief (0/-) buiten de bebouwde kom ten opzichte van de referentiesituatie. Hierbij wordt rekening gehouden met de geurnormen in de geurverordening. Het worstcase scenario scoort als rekening gehouden wordt de geurnormen in de geurverordening voor dit criterium negatief (-) ten opzichte van de referentiesituatie. Indien geen rekening gehouden wordt met de gemeentelijke geurnormen scoort het worstcase scenario zeer negatief (- -). Endotoxinen In paragraaf 5.4 is het blootstellingsrisico aan endotoxinen uit varkens en pluimveehouderijen in de gemeente Best weergegeven op basis van individuele en cumulatieve risicocontouren. In deze paragraaf wordt een verdieping gemaakt naar de beoordeling van het aantal personen dat wordt blootgesteld boven de gezondheidskundige advieswaarden. Er bevinden in de gemeente Best 47 verblijfsobjecten binnen een individuele en/of cumulatieve risicocontour, die die op basis van het voorlopige toetsingskader worden blootgesteld aan situaties boven de gezondheidskundige advieswaarde m.b.t.

endotoxinen van 30 EU/m3:  31 verblijfsobjecten behorende bij een veehouderij die zelf bijdraagt aan de verhoogde endotoxinen belasting (varkens / pluimvee);  1 verblijfsobject behorende bij een veehouderij die niet bijdraagt aan de endotoxine belasting;  6 verblijfsobjecten behorende bij een voormalige veehouderij;  9 verblijfsobjecten niet gerelateerd aan een (voormalige) veehouderij. De verblijfsobjecten met een endotoxinebelasting boven de 30 EU/m3 liggen in het buitengebied. In totaal betreft dit 10,6% van alle verblijfsobjecten in het buitengebied. Als de bedrijfswoningen behorende bij een varkens- of pluimveehouderij buiten beschouwing worden gelaten is dit slechts 4% van de verblijfsobjecten in het buitengebied. Zonder de toepassing van het voorlopig toetsingskader endotoxinen is in het trendmatig scenario sprake van een licht negatief effect (0/-) en in het worstcase scenario een negatief effect (-). Met toepassing van het toetsingskader zijn de effecten ten aanzien van endotoxinen neutraal (0) in zowel het trendmatig als het worstcase scenario.

Fijn stof In paragraaf 5.4 van Deel A is ingegaan op de jaargemiddelde achtergrondconcentratie van fijn stof (PM10) in het buitengebied van Best. Deze ligt tussen 18 - 19 μg/m3. De EU hanteert een norm (maximum jaargemiddelde) van 40 μg/m3. Deze juridische norm voor fijn stof komt niet overeen met de gezondheidskundige advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO). Het gezondheidsadvies van de WHO voor fijn stof (PM10) bestaat uit een maximum jaargemiddelde concentratie van 20 μg/m3. Het WHO advies stelt de gezondheid van de mens centraal en is scherper dan die van de EU.

Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel A

77

P186126.006

Het effect van fijn stof uitgaande van de gezondheidsadvieswaarde wordt in het trendmatig scenario beoordeeld als negatief (-) en in het worstcase scenario beoordeeld als zeer negatief (- -). Indien de gemeente Best toepassing geeft aan het voorlopig toetsingskader endotoxinen zal een toename in fijn stof emissie bij de pluimveehouderijen in het westelijk deel van het plangebied niet toegestaan zijn en de effecten in beide scenario’s minder negatief zijn. De gemeente Best stuurt door per locatie het type veehouderij (diersoort) vast te leggen en omschakelingen naar diersoorten waar er mogelijk sprake is van risico’s alleen buitenplans toe te staan. Dit geeft de gemeente meer mogelijkheden om nieuwe inzichten t.a.v. volksgezondheid en omwonenden te betrekken bij een nieuwe afweging. Ten aanzien van specifiek geur, fijn stof en endotoxinen kan de gemeente ook sturen door te toetsen aan de gezondheidsadvieswaarden, bijvoorbeeld bij de toepassing van afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden voor de veehouderij. Een wettelijk toetsingskader voor de effecten van veehouderij op de gezondheid ontbreekt en er bestaan geen concrete normen of aan te houden afstanden die in acht genomen moeten worden bij ruimtelijke plannen. Uit de VGO-onderzoeken blijkt een correlatie tussen de afstand van omwonenden tot veehouderijen in de buurt en gezondheidsklachten van deze omwonenden.

Leemten in kennis m.b.t. oorzaak en gevolg leiden er toe dat er vooralsnog geen beoordeling kan zijn van risico’s die verbonden zijn aan extra blootstelling. Er lopen vervolgonderzoeken in het kader van VGO en naar de vraag hoe de uitstoot en verspreiding van endotoxinen gemeten of berekend kan worden met het oog op toekomstige beoordelingsinstrumentarium en normstelling. Aan de Gezondheidsraad is een adviesvraag voorgelegd over de aanpak van ammoniak in relatie tot de vorming van secundair fijnstof. Door het kennishiaat over veehouderij en gezondheidsrisico’s is op het schaalniveau van een planMER nog geen effectbeoordeling van de scenario’s te geven. Externe veiligheid Het aspect veiligheid maakt ook onderdeel uit van het aspect gezondheid. Het bestemmingsplan is conserverend van aard, legt de bestaande situatie vast en biedt geen relevante nieuwe ontwikkelingsmogelijkheden, waardoor de externe veiligheidsrisico’s niet zullen veranderen ten gevolge van het nieuwe bestemmingsplan. Aangezien geen sprake is van mogelijke significante milieueffecten ten aanzien van externe veiligheid is er geen noodzaak om dit thema nader te onderzoeken in dit MER. Wel is de veiligheidsregio in het kader van het nieuwe bestemmingsplan om advies gevraagd. Hieruit volgt dat bij nieuwe ontwikkelingen de beleidsregels ‘Bereikbaarheid en bluswatervoorziening’ worden toegepast.

6.1.6

Klimaatadaptatie en duurzame energie

Klimaatadaptatie Het klimaat verandert, ook in Nederland. De zeespiegel stijgt, de temperatuur gaat omhoog, het wordt droger en tegelijkertijd wordt de neerslag intenser en extremer. Voor de gemeente is het belangrijk zicht te hebben op de kwetsbaarheid van een gebied voor klimaatverandering. Want klimaatverandering beïnvloedt de veiligheid, gezondheid en economie. Met inzicht in de risico’s wordt ook duidelijk welke (ruimtelijke) maatregelen nodig zijn. De klimaateffectatlas bevat een diversiteit aan kaarten, met informatie over mogelijke effecten, risico’s en kwetsbare functies. Deze informatie kan in het milieueffectrapport worden gebruikt bij de beoordeling van effecten.

78

Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021– Deel A

P186126.006

Uit deze klimaateffectatlas volgen geen knelpunten voor het buitengebied van Best:  Geen kans op overstromingen;  Weinig tot geen wateroverlast;  Lage grondwaterstanden;  Het potentieel maximaal neerslagtekort is beperkt;  Natuurbrandrisico in de natuurgebieden;  Overwegend laag risico op droogtestress;  Geen hittestress.

Figuur 24: Gevoelige functies en ruimtelijke kenmerken (Bron: Klimaateffectatlas)

Toch kan klimaatverandering ook in het buitengebied van Best gevolgen hebben. De gevolgen van wateroverlast, hitte en droogte hebben verschillende effecten op de beheertypen en natuursoorten, maar ook op type ondergrond, gebruik, en biotische en abiotische factoren zoals waterkwaliteit. De transitieopgave van de landbouw en het vergroten van de biodiversiteit zijn verbonden met klimaatverandering. Duurzame energie De gemeente Best heeft duurzaamheid en duurzame ontwikkeling hoog in het vaandel. De gemeenteraad zet bij de invulling van dit thema met name in op het bereiken van een energieneutrale en afvalloze samenleving in 2030. Het buitengebied heeft specifieke kenmerken die kansen bieden om invulling te geven aan deze doelstellingen. De relatief lage bebouwingsdichtheid maakt het gebied bijvoorbeeld geschikt voor grootschalige productie van zonne-energie. Bijvoorbeeld zonnepanelen op stallen en inrichting van zonnevelden. Bij de aanleg van zonnevelden dienen bodem- en flora en faunawaarden te worden geborgd. Mestvergisting is een vorm van mestbewerking die gas of elektriciteit oplevert. Hiervoor stelt de IOV regels die overgenomen zijn het bestemmingsplan buitengebied, waardoor alleen ter plaatse

Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel A

79

P186126.006

geproduceerde mest verwerkt mag worden. Hierbij moet ook zorggedragen worden voor een goede leefomgeving en moeten risico’s voor de gezondheid uitgesloten zijn. De bebouwing moet qua aard en schaal passen in de omgeving. Het plaatsen van windturbines kan een positieve bijdrage leveren aan het bereiken van de energiedoelstellingen (gemeente Best energieneutraal in 2030). Op provinciaal niveau zijn ‘Zoekgebieden voor windturbines’ aangewezen, maar die liggen niet in de gemeente Best. Vanuit landschappelijke oogpunt is er bij de gemeente terughoudendheid over windmolenparken. Kleinschalige, locatie gebonden vormen van windenergie zijn niet op voorhand uitgesloten. De landschappelijke inpasbaarheid en risicozonering is hierbij echter wel een aandachtspunt. Aanvullend op de Structuurvisie Buitengebied is door de gemeente Best een ruimtelijk beleidskader opgesteld voor de mogelijkheden om installaties en/of bouwwerken ten behoeve voor opwekking van duurzame energie in het buitengebied te realiseren. Dit beleidskader is echter nog niet vastgesteld en daarom niet opgenomen in het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan bevat daardoor geen ontwikkelingsmogelijkheden voor duurzame energie zoals zonnepanelenvelden en windmolens. Hiervoor moet een buitenplanse procedure doorlopen worden.

6.2

Effecten ontwikkelingen boomteelt

6.2.1 Mogelijke milieueffecten Bij gebruik van gronden voor boomteelt ziet het afwegingskader toe op het voorkomen van aantasting van negatieve gevolgen voor de waterhuishouding en natte natuur (verdroging).

6.2.2 Natte natuurparels en attentiegebieden NNB De belangrijkste en meest waardevolle grondwaterafhankelijke natuurgebieden in Noord-Brabant zijn gelegen in voorheen zogenoemde “natte natuurparels”: hydrologisch gevoelige gebieden die vanwege specifieke omstandigheden van bodem en water hoge natuurwaarden vertegenwoordigen. De natte natuurparels liggen binnen de NNB en zijn veelal ook aangeduid als Natura 2000-gebied. Grote delen van deze gebieden zijn gevoelig voor veranderingen in de waterhuishouding. In het noorden van de gemeente Best liggen de Natte Natuurparels De Mortelen/Velderbosch en De Scheeken, onderdeel van de NNB. Deze gebieden zijn inclusief een beschermingszone, variërend van 300m tot 500m buiten het gebied, aangeduid als Attentiezone waterhuishouding. Circa 5 km in westelijke richting ligt de Natte natuurparel Kampina en omgeving, onderdeel van het Natura2000 gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen. Gezien de relatief grote afstand tot het plangebied en het feit dat er dichterbij gelegen natte natuurparels zijn met een beschermingsregime, kunnen significant nadelige effecten voor de waterhuishouding met zekerheid uitgesloten worden. In het zuidelijk deel van de gemeente Best ligt van west naar oost provinciaal NNB (voorheen was dit de ecologische hoofdstructuur). Deze gebieden zijn ook aangeduid als een attentiezone waterhuishouding. Zie de ligging op Figuur 25.

Enkele bestaande boomteeltbedrijven liggen binnen de attentiezones waterhuishouding.

80

Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021– Deel A

P186126.006

Figuur 25: Natte natuurparel, NNB en attentiezone waterhuishouding (bron: Kaartbank Brabant, juli 2020)

Om te voorkomen dat de huidige hydrologische situatie van hydrologisch kwetsbare natuurgebieden (voorheen natte natuurparels genoemd) verder verslechtert wordt er een beschermingsbeleid gevoerd. Het beleid in deze gebieden is gericht op het verbeteren van de condities voor de natuur in de natte natuurparels en een externe bescherming tegen ingrepen die een ongewenste beïnvloeding van deze natuurwaarden kunnen hebben. Er is een hydrologisch standstill van toepassing in deze gebieden en in de beschermingszone er omheen. Er mogen in het gebied of in de omgeving geen activiteiten plaatsvinden die een verslechtering van de hydrologische situatie in de natte natuurparel tot gevolg hebben. Dit wordt geregeld via de provinciale Verordening Water, Waterschapskeur en bestemmingsplannen. Maatregelen voor hydrologisch herstel zijn bijvoorbeeld het dichten en verondiepen van waterlopen, het verhogen van het peil, het plaatsen van stuwen en het voorkomen van de aanleg van drainagemiddelen. Conform het bepaalde in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant is in het bestemmingsplan voor betreffende gronden de aanduiding ‘overige zone – attentiegebied natuur netwerk brabant’ opgenomen en voorzien van een omgevingsvergunningplicht.

Dit betreft werkzaamheden en ingrepen, die mogelijk van invloed kunnen zijn op de waterhuishouding, zoals grondverzet, aanleg van nieuwe drainage en de aanleg van verharde oppervlakten. Agrarische bouwvlakken worden uitgezonderd van deze omgevingsvergunningplicht. Binnen de natuurgebieden en de bufferzones (beschermingsgebieden c.q. attentiegebieden) worden alleen vergunningen voor extra onttrekkingen verleend indien de onttrekking geen negatief hydrologisch effect op verdrogingsgevoelige natuur heeft, dan wel indien deze negatieve effecten door compenserende maatregelen worden voorkomen.

Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel A

81

P186126.006

6.2.3 Mogelijkheden om negatieve effecten uit te sluiten Enkele bestaande boomteeltbedrijven liggen binnen de beschermingszones / attentiegebieden van De Mortelen/Velderbosch en De Scheeken. Nieuwe of grootschalige onttrekkingen (vanaf 10 m3/uur) in de beschermingszones zijn op grond van de provinciale omgevingsverordening uitgesloten. Kleinschalige onttrekkingen niet, daarvoor geldt een meldingsplicht. Een toename van boomteelt kan leiden tot een toename van de watervraag (extra vraag om beregening en daarmee kans op meer grondwateronttrekkingen).Op basis van de gewasfactoren, percentage van de referentiegewasverdamping van Makkink (KNMI/Hooghart en Lablans, bewerkt in het grondwaterzakboekje van Bram Bot, 2011), ligt de gewasverdamping van een boomgaard in het groeiseizoen circa 35% (mei, augustus, september) tot 60% (juni/juli) hoger dan grasland. Buiten het groeiseizoen is dit verschil circa 10%. Hieronder is een voorbeeldberekening opgenomen van de watervraag voor teelt onder glas. De watervraag voor teelt onder glas is groter dan voor boomteelt. 1120 millimeter/jaar verbruik – 750 millimeter/jaar neerslag = 370 millimeter per jaar grondwater verbruik 370 millimeter/jaar * 10 ha = 4 tot 5 m3/uur

Met bovenstaande onttrekkingen is een maximaal aangenomen onttrekkingsdebiet van 10 m3/u, 1½ tot 2 maal zo veel als nodig. Kleinschalige onttrekkingen (tot 10 m3/uur) hebben een beperkte afstand (welke aanzienlijk kleiner is dan de beschermingszone van 300-500 meter), waarover een verlagend effect optreed. Eventuele onderlinge beïnvloeding is niet of nauwelijks te verwachten waar de percelen / eigendommen onderling op grotere afstanden zijn gelegen. Door de attentiezones waterhuishouding vast te leggen in het bestemmingsplan met de aanduiding ‘overige zone – attentiegebied natuur netwerk brabant’ en in deze zones via gebruiksregels extra/grotere grondwateronttrekkingen niet toe te staan, worden significant negatieve effecten door verdroging uitgesloten. Daarbij krijgen bestaande boomteelt percelen de aanduiding ‘boomteelt’. Op percelen zonder deze aanduiding wordt nieuwe boomteelt niet toegestaan zonder omgevingsvergunning. De gemeente kan via een ontheffing van de gebruiksregels toestemming geven, indien er door de initiatiefnemer wordt onderbouwd dat er geen effecten zullen optreden.

6.3

Effecten overige ontwikkelingen

In het MER ligt de focus op de mogelijke milieugevolgen veehouderij omdat het voorgenomen planologisch beleid van de gemeente voor de veehouderij kan worden aangemerkt als een kader voor latere m.e.r.-(beoordelings)plichtige besluiten, te weten besluiten over de omgevingsvergunning van veehouderijen met een omvang boven de drempelwaarde. Doordat het bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is door de ontwikkelingsruimte die wordt geboden aan veehouderijen dienen ook de milieugevolgen van overige ontwikkelingen in beeld gebracht te worden. Het gaat hier om:  permanente en tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen;  mestbewerking;  huisvesting arbeidsmigranten;  minicampings;

82

Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021– Deel A

P186126.006

6.3.1

Teeltondersteunende voorzieningen

Teeltondersteunenden kassen Oprichting van teeltondersteunende kassen binnen een agrarisch bouwvlak wordt binnen de bestemming ‘Agrarisch’ bij recht toegestaan tot maximaal 5.000 m2. Binnen de groenblauwe mantel, Natuurnetwerk Brabant en de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Natuur- en landschapswaarden’ wordt de oprichting van teeltondersteunende kassen conform provinciale regels niet toegestaan. Permanente teeltondersteunende voorzieningen Permanente teeltondersteunende voorzieningen worden voor onbepaalde tijd gebruikt en kunnen hoge voorzieningen (bakken op stellingen en regenkappen) en lage voorzieningen (containervelden) zijn. Vanwege de relatief grote ruimtelijke uitstraling, de duurzaamheid van de voorzieningen en het ontbreken van een directe relatie met het grondgebruik zijn permanente teeltondersteunende voorzieningen (teeltondersteunende kassen hiervan uitgezonderd, zie uitleg hiervoor) alleen toegestaan binnen het bestemmingsvlak ‘Agrarisch-Agrarisch bedrijf’ en buiten het bestemmingsvlak ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – teeltondersteunende voorziening’. Reeds bestaande, vergunde voorzieningen buiten het bestemmingsvlak zijn aangegeven met de nadere aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – teeltondersteunende voorziening’.

Uitbreiding van een bouwvlak en/of differentiatievlak voor teeltondersteunende voorzieningen is mogelijk (kassen uitgezonderd). Binnen de groenblauwe mantel bedraagt de maximaal toegestane omvang teeltondersteunende voorzieningen 3 ha (bouwvlak incl. differentiatievlak). Door een differentiatievlak toe te kennen wordt geregeld dat ter plaatse geen gebouwen zijn toegestaan. Tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen Tijdelijke voorzieningen zijn voorzieningen die op dezelfde locatie worden gebruikt zo lang de teelt dit vereist, met een maximum van 8 maanden. Deze tijdelijke voorzieningen hebben een directe relatie met het grondgebruik. Oprichting van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen is:  rechtstreeks toegestaan op gronden met bestemming Agrarisch en Agrarisch – Agrarisch bedrijf;  indien sprake is van oprichting van voorzieningen hoger dan 1,5 m en groter dan 3 ha binnen de aanduidingen groenblauwe mantel, leefgebied struweelvogels, leefgebied kwetsbare soorten en cultuurhistorisch vlak, is dit alleen via een omgevingsvergunning toegestaan.  niet toegestaan in het Natuurnetwerk Brabant.

Het gebruikmaken van teeltondersteunende voorzieningen heeft effect op de ruimtelijk visuele kwaliteit van het landschap. Deze voorzieningen kunnen de openheid aantasten en een gevoel van landschappelijke verstoring teweegbrengen bij omwonenden of bezoekers aan het gebied. Met name de aanleg van hoge voorzieningen heeft nadelige effecten op de openheid van het landschap. Voor het landschapsbeeld heeft tijdelijk gebruik echter geen blijvend effect. Zodra het plastic is weggehaald is het oorspronkelijke beeld weer terug. Het gebruik vindt echter wel plaats in hetzelfde seizoen (voorjaar/zomer) als ook anderen (recreanten en inwoners) van het gebied ‘genieten’.

Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel A

83

P186126.006

Door tijdelijke voorzieningen rechtstreeks toe te staan is het niet mogelijk een afweging te maken of er sprake is van een onaanvaardbare aantastingen van cultuurhistorische- en aardkundige waarden. De waarden van de groenblauwe mantel en het natuurnetwerk (NNB) zijn wel beschermd. Op agrarische percelen, die tevens een natuurwaarde hebben, kan tijdelijk gebruik wel een blijvende schade tot gevolg hebben. Het is mogelijk dat natuurwaarden direct worden aangetast en op den duur helemaal verdwijnen. Teeltondersteunende voorzieningen kunnen bijvoorbeeld barrières vormen voor kleine dieren en indien ze de bodem afsluiten worden veel dieren gehinderd bij het foerageren. Voor dieren die in de bodem leven en voor planten die ter plaatse groeien, raakt de bodem ongeschikt. Om negatieve effecten op het gebied van natuur, landschap, cultuurhistorie, bodem en water te voorkomen kan de gemeente kiezen om in het bestemmingsplan tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen niet meer rechtstreeks toe te staan, maar met een afwijking waarin voorwaarden worden gesteld omtrent het niet aantasten van waarden. Ook kunnen tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen in omvang gemaximaliseerd worden, eventueel gedifferentieerd naar gebiedswaarden.

6.3.2 Mestbewerking In de scenario’s is het mogelijk dat op het bouwblok mestbewerking ten behoeve van ter plaatse geproduceerde mest plaatsvindt zonder nadere toetsing aan landschapswaarden of een vereiste landschappelijke inpassing. Dit levert een verstening van het bouwblok op of leidt eerder tot behoefte aan uitbreiding van het bouwblok. Het ruimtelijk beeld van het bouwblok verandert, aangezien hiervoor bouwwerken nodig zijn. Mestbewerking resulteert in minder vrachtwagenbewegingen. Bij mestbewerking wordt water onttrokken aan de fractie. Het is mogelijk dat dit water wordt geloosd op oppervlaktewater. Op grond van de Waterwet is dit aan regels gebonden. Het houdt echter wel een risico in of de kwaliteit van het geloosde water voldoet aan de (vergunning)voorschriften.

6.3.3 Huisvesting arbeidsmigranten De gemeente voert een terughoudend beleid met betrekking tot uitbreiding van de woonfunctie in het buitengebied. Dit geldt ook voor huisvesting van arbeidsmigranten. Voor de tijdelijke huisvesting is een gemeentelijke beleidsnotitie Huisvesting arbeidsmigranten (dd. 17 december 2014) opgesteld. Hierin zijn ook beleidsregels opgenomen voor huisvesting van arbeidsmigranten in het buitengebied. In dit bestemmingsplan wordt bij deze beleidsregels aangesloten. In afwijking van de geldende bestemmingsregeling is in dit bestemmingsplan geen mogelijkheid opgenomen voor het plaatsen van stacaravans of woonunits ten behoeve van huisvesting van arbeidsmigranten. Realisering van permanente voorzieningen voor huisvesting van tijdelijke werknemers is binnenplans ook niet mogelijk. Er is ook geen afwijkingsmogelijkheid opgenomen voor huisvesting van arbeidsmigranten in bestaande bedrijfsgebouwen en/of de bedrijfswoning. Alleen via een afzonderlijke planologische procedure kan huisvesting in specifieke omstandigheden onder voorwaarden worden toegestaan. Het is hiermee uitgesloten dat door het plan voor het milieu nadelige gevolgen kunnen ontstaan.

84

Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021– Deel A

P186126.006

6.3.4 Minicampings Minicampings zijn in beide scenario’s uitsluitend mogelijk na een afwijkingsprocedure, waarin een afweging plaatsvindt dat geen onevenredige aantasting van andere belangen plaatsvindt. De verkeersafwikkeling is een dergelijk belang, waardoor er geen ongewenste situaties kunnen ontstaan.

Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel A

85

P186126.006

86

Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021– Deel A

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11749774/1