22046.10 - Bijlage 8.25 - Ruimtelijke onderbouwing Mosselaarweg 9b- Driehoekweg 4
Tekst van het document
Het NSL omvat dus alle cumulatieve effecten van (ruimtelijke) activiteiten op de luchtkwaliteit.
27
4.1.3.1 Luchtkwaliteit vanuit de inrichting De voorgenomen ontwikkeling betreft geen grootschalige infrastructurele of industriële ontwikkeling en geen ontwikkeling van een veehouderij. De uitstoot van fijnstof zal met de voorgenomen ontwikkeling niet in onevenredige mate toenemen, waarmee sprake is van een zogenaamde NIBM-ontwikkeling. Gezien sprake is van een NIBM-project zal bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden. Door de beëindiging van de veehouderij zal de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden alleen maar afnemen. Hiermee ontstaat een verbeterde situatie ten aanzien van fijnstof en stikstofoxiden in de omgeving. Naast het feit dat een ontwikkeling geen onevenredige verslechtering van de luchtkwaliteit tot gevolg mag hebben geldt dat wanneer sprake is van het oprichten van een nieuw gevoelig object ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat moet zijn ten aanzien van luchtkwaliteit. Bij de voorgenomen ontwikkeling worden geen nieuwe gevoelige objecten opgericht. De ruimten bij een opslagbedrijf zijn geen verblijfsruimten en derhalve niet geurgevoelig. Wel wordt de bedrijfswoning bij een intensieve veehouderij omgeschakeld naar een bedrijfswoning bij het niet-agrarische bedrijf.
Om deze reden is gekeken of ter plaatse sprake kan zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van luchtkwaliteit. Voor luchtkwaliteit geldt een landelijke norm voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat van 40 microgram per kubieke meter lucht (µg/m³). De provincie Noord-Brabant heeft deze norm aangescherpt tot 31,2 ìg/m3. Bij een achtergrondconcentratie van 31,2 µg/m³ is daarmee sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Zoals te zien in de volgende figuur bedraagt de achtergrondconcentratie volgens de Atlas van de Leefomgeving van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) ter plaatse ongeveer 20-21 µg/m³. Dit is ruim onder de gestelde norm voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, waarmee ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden geborgd.
Uitsnede kaart achtergrondconcentratie luchtkwaliteit. Bron: Atlas van de Leefomgeving van het RIVM.
28
4.1.3.2 Luchtkwaliteit vanuit verkeersbewegingen Naast het feit dat geen sprake mag zijn van een onevenredige toename van fijnstof en stikstofoxiden als gevolg van wijzigingen in de inrichting dient ook de uitbreiding van het aantal verkeersbewegingen meegenomen te worden. Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2) zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van het aantal verkeersbewegingen. Hiermee is de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden als gevolg van het aantal verkeersbewegingen verwaarloosbaar en valt onder de noemer NIBM, waarmee geen sprake zal zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden.
4.1.4 Geluid De mate waarin het geluid, bijvoorbeeld veroorzaakt door het wegverkeer, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder (Wgh en Bgh). De kern van de Wgh is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorwegverkeer en industrie. De Wgh kent de volgende geluidsgevoelige bestemmingen: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen, zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc.. Daarnaast kent de Wgh de volgende geluidsgevoelige terreinen: Terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan algemene, categorale en academische ziekenhuizen, alsmede verpleeghuizen, voor zover deze bestemd zijn of worden gebruikt voor de in die gebouwen verleende zorg. Woonwagenstandplaatsen. Het beschermen van bijvoorbeeld het woonmilieu gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen.
4.1.4.1 (Spoor)Wegverkeerslawaai Wanneer een woning of een andere geluidsgevoelige bestemming wordt opgericht in de zone langs een weg (behalve een 30 km/uur weg) of spoorweg is de Wgh van toepassing. Middels een akoestisch onderzoek moet in dat geval worden aangetoond dat wordt voldaan aan (in de eerste instantie) de voorkeursgrenswaarde (48 decibel). Is het niet mogelijk te voldoen aan de voorkeursgrenswaarde dan biedt de Wgh de mogelijkheid af te wijken van de voorkeursgrenswaarde tot een maximale waarde (Hogere Grenswaarde). Bij burgerwoningen is ontheffing mogelijk tot 53 decibel. Bij agrarische bedrijfswoningen is zelfs ontheffing tot 58 decibel mogelijk. Bij vaststelling van het bestemmingsplan moet de voorkeursgrenswaarde, of een vastgestelde hogere waarde, in acht worden genomen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van een woning of andere geluidsgevoelige bestemming. Wel wordt een bedrijfswoning omgeschakeld van een agrarische bedrijfsvorm naar een niet-agrarische bedrijfsvorm. Voor de om te schakelen bedrijfswoning is in het vigerende bestemmingsplan geen besluit voor Hogere Grenswaarden genomen. Er kan daarmee van worden uitgegaan dat de geluidsbelasting op de woning voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 decibel.
De geluidsbelasting zal daarmee ook in de gewenste situatie, omdat aan het gebruik en aan de positionering van de woning niets zal veranderen, naar verwachting voldoen aan de voorkeursgrenswaarde. Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van een onevenredige geluidshinder als gevolg van (spoor)wegverkeerslawaai.
29
4.1.4.2 Industrielawaai Indien sprake is van het oprichten van een geluidshinder veroorzakende inrichting dan dient te worden aangetoond dat deze geen onevenredige geluidshinder zal veroorzaken op gevoelige objecten in de omgeving. Hierbij wordt ook een eventuele toename van het aantal verkeersbewegingen bij ontwikkelingen van een inrichting meegenomen. Bij de voorgenomen ontwikkeling kan sprake zijn van het oprichten van mogelijk geluidshinder veroorzakende inrichtingen of installaties. Hierbij zal het aantal verkeersbewegingen, zoals nader is aangetoond in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2) niet in onevenredige mate toenemen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat er een goede scheiding is tussen diverse functies. Voor het aspect geluid is er in de VNG brochure eveneens een richtafstand opgenomen. Uit de paragraaf "Milieuzonering" (paragraaf 4.1.1) blijkt dat aan deze afstand voldaan wordt. Hiermee is voldoende verzekerd dat onderhavige ontwikkeling inpasbaar is op deze locatie. 4.1.5 Endotoxinen Op 7 juli 2016 zijn de onderzoeksrapporten “Veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO)” en “Emissies van Endotoxine uit de Veehouderij” gepubliceerd. Uit beide rapporten komt naar voren dat met name rond pluimveebedrijven en in veedichte gebieden gezondheidseffecten kunnen optreden.
De huidige toetsing aan geurnormen en/of fijnstof-grenswaarden biedt onvoldoende bescherming voor omwonenden tegen endotoxinen. Voor de periode totdat een landelijk 'endotoxine toetsingskader' beschikbaar komt, bestaat het risico dat de blootstelling aan endotoxine oploopt. Door het Ondersteuningsteam van BPO speerpunt Transitie Zorgvuldige Veehouderij is daarom het endotoxine toetsingskader 1.0 opgesteld. Het beschrijft een aanpak voor het beoordelen van het volksgezondheidsrisico van (uitbreidende) veehouderijen. Op basis van de huidige kennis en inzichten is met het endotoxine toetsingskader 1.0 voor iedere vergunningaanvraag van individuele varkens-of pluimveehouderij te bepalen of de endotoxine-blootstelling naar de omgeving te hoog zal zijn of niet. Te hoog betekent in deze dat de blootstelling hoger is dan de advieswaarde van 30 EU/m³ van de Gezondheidsraad . Kanttekening hierbij is dat voor endotoxine geen wettelijk toetsingskader beschikbaar is. Als aanvulling op Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: endotoxine toetsingskader 1.0 is een rekenmodel ontwikkeld waarmee de minimale vaste afstand tussen een emissiepunt en een gevoelig object kan worden berekent. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen vleeskuikens, leghennen en vleesvarkens.
De dichtstbijzijnde bedrijven met één van de bovengenoemde diercategorieën betreft de pluimveehouderij aan de Aarleseweg 31. Dit bedrijf heeft op basis van een stofemissie van 1.729 kg PM10. Op basis van het rekenmodel dient een afstand van 148 meter in acht genomen te worden. De afstand van het meest dichtbijgelegen emissiepunt tot de woning bedraagt 159 meter. Ter plaatse van de bedrijfswoning aan de Mosselaarweg 9b is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor wat betreft het aspect endotoxinen.
4.1.6 Woon- en leefklimaat Wanneer sprake is van het oprichten van gevoelige objecten of wanneer een inrichting wordt opgericht welke mogelijk hinder aan gevoelige objecten in de omgeving veroorzaakt is het van belang te onderzoeken of ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Een ontwikkeling kan niet plaatsvinden indien het niet aannemelijk is dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. 4.1.6.1 Woon- en leefklimaat op de locatie Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten. Wel wordt een bestaande bedrijfswoning omgeschakeld. Zoals echter nader omschreven in de paragrafen "Geur" (paragraaf 4.1.2), "Luchtkwaliteit" (paragraaf 4.1.3), "Geluid" (paragraaf 4.1.4) en “Endotoxinen” (paragraaf 4.1.5) zal ter plaatse van de om te schakelen woning geen sprake zijn van een onevenredige belasting op het gebied van geur, luchtkwaliteit en/of geluid, waarmee ter plaatse sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 30
Hiermee kan worden gesteld dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. 4.1.6.2 Woon- en leefklimaat in de omgeving Als bij een ontwikkeling wordt voorzien in een inrichting welke mogelijk leidt tot milieuhinder aan gevoelige objecten in de omgeving dan dient te worden aangetoond dat ter plaatse van de betreffende gevoelige objecten een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. Op het gebied van geur, fijnstof en geluid dient nader te worden onderzocht of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Geur" (paragraaf 4.1.2) zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van de geurhinder aan de omgeving. Ook zal er, zoals nader aangetoond in de paragraaf "Luchtkwaliteit" (paragraaf 4.1.3) sprake zijn van een project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden. Ten slotte zal, zoals nader aangetoond in de paragraaf "Geluid" (paragraaf 4.1.4) geen sprake zijn van een onevenredige toename van de geluidshinder aan de omgeving. Hiermee zal de voorgenomen ontwikkeling geen onevenredig nadelige invloed hebben op het woon- en leefklimaat ter plaats van gevoelige objecten in de omgeving en kan worden gesteld dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden geborgd.
4.1.7 Externe veiligheid Externe Veiligheid heeft betrekking op de veiligheid rondom opslag, gebruik, productie en transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's dienen aanvaardbaar te blijven. Het externe veiligheidsbeleid bestaat uit twee onderdelen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. In de wet is geregeld wanneer de verantwoordingsplicht van toepassing is. Omdat de wettelijke basis per risicobron verschilt, verschillen per risicobron ook de voorwaarden die verantwoording wel of niet verplicht stellen. 4.1.7.1 Risicovolle inrichtingen Nabij de locatie bevinden zich geen risicovolle inrichtingen. Daarnaast geldt alleen voor bedrijven die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) de verantwoordingsplicht wanneer binnen het invloedsgebied een ruimtelijk besluit genomen wordt. Er is geen sprake van ligging binnen het invloedsgebied van bedrijven welke vallen onder Bevi. In de volgende figuur is de risicokaart weergegeven, waarop mogelijke risicovolle inrichtingen weergegeven zijn.
31
Uitsnede Risicokaart. Bron: Interprovinciaal Overleg (IPO). Nabij de locatie is aan de noordzijde een risicovolle inrichting gelegen. Het betreft een bedrijf met een propaantank. Voor dergelijke tanks geldt geen invloedsgebied, maar is wel een risicocontour opgenomen voor het plaatsgebonden risico. Deze contour bedraagt voor de betreffende tank 10 meter. De locatie is op een afstand van ongeveer 575 van het bedrijf met een propaantank gelegen, waarmee geen sprake is van onevenredige risico's vanuit dit bedrijf. De locatie is nabij enkele transportroutes voor (mogelijk) gevaarlijke stoffen gelegen (een buisleiding en een spoorweg). Dit is nader uitgewerkt in de paragraaf "Transport (spoor-, vaar- en autowegen) en buisleidingen" (paragraaf 4.1.7.2).
4.1.7.2 Transport (spoor-, vaar- en autowegen) en buisleidingen Het externe veiligheidsbeleid bij vervoer gevaarlijke stoffen over de weg, spoor en water is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In het Bevt zijn veiligheidsafstanden vastgesteld en risicoplafonds die gebruikt moeten worden voor de berekening van het groepsrisico. Beoordeling risicobronnen: Spoorlijn Boxtel – Eindhoven (relevant) De planlocatie is gelegen op ca. 660 meter van het spoor. Het invloedsgebied van het spoor bedraagt 995 meter. De planlocatie is daarmee binnen het invloedsgebied gelegen. Rijksweg A58 (relevant) De afstand van planlocatie tot Rijksweg A58 bedraagt ca. 2000 meter. Het invloedsgebied van deze Rijksweg bedraagt 4000 meter. Deze risicobron is derhalve wel relevant. Gezien de afstanden tot het spoor en de Rijksweg A58 en het feit dat de hoogte van het groepsrisico niet 32
zal wijzigen kan conform artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Het groepsrisico neemt nagenoeg niet toe ten gevolge van de wijziging. Beperkte verantwoording groepsrisico Volgens artikel 9 van het Bevt moet in onderhavige situatie bij een beperkte verantwoording van het groepsrisico de veiligheidsregio in de gelegenheid worden gesteld om advies uit te brengen. Dit houdt in dat moet worden ingegaan op: a. de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg, spoorweg of dat binnenwater, en b. voor zover dat plan of die vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg een ramp voordoet. Advies Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost De Veiligheidsregio heeft een standaard advisering opgesteld voor algemene situaties.De ontwikkeling voldoet aan de randvoorwaarden voor het standaard advies. Het standaard advies kan daarom worden toegepast. Het standaard advies van de Veiligheidsregio luidt als volgt: Communiceer actief met de omwonenden in het plangebied over de risico's van de gevaarlijke stoffen. Geef daarbij aan wat omwonenden moeten doen bij een incident, namelijk vluchten van de risicobron af.
Dit bevordert de zelfredzaamheid van omwonenden. Dit advies geldt ook voor bedrijfshulpverleningsorganisaties. Nieuw op te richten gebouwen moeten aan het Bouwbesluit 2012 voldoen. In dit besluit is geregeld dat gebouwen uitgevoerd moeten worden met een mechanische ventilatie die uitgezet kan worden. Aanvullend op deze regelgeving adviseren wij om de aanzuigopeningen van deze ventilatie bij voorkeur hoog en afgekeerd van de risicobron te realiseren. Pas de beleidsregels bereikbaarheid en bluswatervoorziening van de VRBZO toe. Wanneer een beoogde oplossing aan de beleidsregels voldoet, kunt u ervan uitgaan dat een goede bereikbaarheid voor de hulpdiensten en een adequate bluswatervoorziening gerealiseerd wordt. De beleidsregels staan op: https://www.vrbzo.nl/wp-content/uploads/2018/04/170307-beleidsregelsbereikbaarheid-en-bluswatervoo rziening-brabant-definitief-1-0-vastgesteld.pdf. Reactie op standaard advies van de Veiligheidsregio Op de gemeentelijke website is informatie te vinden betreffende het aspect veiligheid. Voor risicobronnen in de omgeving wordt verwezen naar de nationale risicokaart (www.risicokaart.nl), waarin is aangegeven hoe te handelen bij de verschillende scenario's. Ook wordt verwezen naar NL-alert. De mogelijkheid tot het uitschakelen van mechanische ventilatie is geregeld in artikel 3.31 van het Bouwbesluit 2012.
Het plan zal voor wat betreft de beleidsregels bereikbaarheid en bluswatervoorziening aan de Veiligheidsregio worden voorgelegd. Zelfredzaamheid Aangenomen kan worden dat de personen die de opslaggebouwen bezoeken kunnen worden beschouwd als zelfredzame personen. Deze personen kunnen vluchten van de bron af. Aanvullend advies Veiligheidsregio Gezien de ontwikkeling is gebruik gemaakt van het standaard advies van de Veiligheidsregio Brabant Zuidoost. Er is alleen aanvullend advies bij de VRBZO gevraagd voor de aspecten bereikbaarheid en 33
bluswatervoorziening. Het advies van de Veiligheidsregio luidt als volgt: PM Geconcludeerd wordt dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling. 4.1.8 Bodem De bodemkwaliteit is in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van belang indien er sprake is van functieveranderingen en/of een ander gebruik van de gronden. De bodem moet geschikt zijn voor de functie. Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient voor vaststelling van een plan en/of het nemen van het besluit inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemverontreiniging de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien in de weg staat. Hierbij dient inzichtelijk gemaakt te worden of sprake is van een te verwachten of feitelijke verontreiniging. De gewenste ontwikkeling richt zich op het herbestemmen van de voormalige agrarische bedrijfslocatie naar een bedrijfsbestemming waarbij de bedrijfswoning als zodanig behouden blijft. Dit betekent dat er enkel ruimtes die al bestemd waren voor menselijk verblijf na herbestemming ook voor menselijk verblijf gebruik zullen worden. In beide gevallen betreft het enkel de bedrijfswoning. De opslagruimten an sich zijn niet bestemd voor menselijk verblijf.
Een bodemonderzoek hoeft gezien het ongewijzigde gebruik en daarmee samenhangend beschermingsniveau niet uitgevoerd te worden.
4.1.9 Spuitzones In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het wenselijk dat er tussen een gevoelig object en een locatie waar gewasbeschermingsmiddelen gespoten worden voldoende afstand is. Op een afstand van circa 72 meter van het plangebied is een boomgaard gelegen waar mogelijk gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast. De algemeen gehanteerde afstand tot gevoelige objecten is een spuitvrije zone van 50 meter. Omdat de afstand tussen het gevoelige object in het en de boomgaard ruim 72 meter bedraagt wordt ruim aan deze afstand voldaan. Er is geen reden om aan te nemen dat de drift van gewasbeschermingsmiddelen zorgt voor een verslechtering van het woon-en leefklimaat ter plaatse. Verder onderzoek naar spuitvrije zones wordt daarom niet noodzakelijk geacht. 4.1.10 Voortoets MER-beoordeling Op 16 mei 2017 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Uit dit besluit blijkt dat toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst uit de bijlage van het besluit ontoereikend is om de vraag te beantwoorden of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de drempelwaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten.
Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld. Deze handreiking geeft aan hoe moet worden vastgesteld of een activiteit, met een omvang onder de drempelwaarde, toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst uit de bijlage van het besluit en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden liggen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt. Uit deze toets kan een van twee onderstaande conclusies volgen: 1. Belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten; of 2. Belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uit te sluiten. In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r.(-beoordelings)-plichtig in het andere geval dient een 34
m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure te worden gevolgd. Die toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EU-richtlijn milieubeoordeling projecten. 4.1.10.1 Omvang van het project De voorgenomen ontwikkeling voorziet in omschakeling van een agrarisch bedrijf naar een niet-agrarisch bedrijf voor opslag van goederen voor bedrijven en particulieren met behoud van de bedrijfswoning. Voor deze activiteiten zijn vanuit de D-lijst uit de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage geen drempelwaarden opgenomen. Voor de beoordeling is gebruik gemaakt van bijlage III EU richtlijn milieubeoordeling projecten. De bijlage maakt onderscheid in de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect. Hieronder wordt hier nader op ingegaan. De voorgenomen ontwikkeling betreft een project van geringe omvang. Er zijn verder geen andere projecten in de omgeving bekend die leiden tot cumulatieve effecten. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een agrarisch bedrijf, zijnde een intensieve veehouderij beëindigd. Dit zal alleen maar leiden tot een milieuwinst en een verbeterde situatie. Er is binnen het project slechts gering sprake van gebruik van natuurlijke hulpbronnen.
De productie van afvalstoffen beperkt zich tot een geringe hoeveelheid reststoffen. Onevenredige verontreiniging en hinder is, gelet op de geringe bedrijfsomvang, ook niet te verwachten. Er worden enkel reguliere stoffen en technologieën gebruikt. Gelet hierop is er geen verhoogd risico op ongevallen. 4.1.10.2 Plaats van het project De locatie is niet gelegen in een gebied dat, gelet op de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarde kwetsbaar is voor een nieuwe kleinschalige invulling van een bestaand erf. Er zullen met de voorgenomen ontwikkeling, zoals nader aangetoond in de paragraaf "Ecologie" (paragraaf 4.2) en de paragraaf "Archeologie en cultuurhistorie" (paragraaf 4.3), geen natuurlijke, landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden worden geschaad. 4.1.10.3 Kenmerken van het potentiële effect van het project De potentiële effecten van de voorgenomen ontwikkeling zijn zeer gering en lokaal. Zoals nader aangetoond in de paragrafen "Milieuzonering", "Geur", "Luchtkwaliteit", "Geluid", "Endotoxinen", "Woonen leefklimaat", "Externe veiligheid", "Bodem" en "Spuitzones" (paragraaf 4.1.1 t/m 4.1.9) is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een onevenredige hinder op het gebied van milieu. Daarnaast is, zoals nader aangetoond in de paragraaf "Ecologie" (paragraaf 4.2) geen sprake van aantasting van natuurlijke en landschappelijke waarden.
Door beëindiging van het intensieve veehouderijbedrijf zal de situatie voor wat betreft milieu en ecologie alleen maar verbeteren. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat het milieubelang van de ontwikkeling die met dit project wordt mogelijk gemaakt in voldoende mate is afgewogen en geen nadelige effecten zijn te verwachten, waarmee de voorgenomen ontwikkeling niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is.
4.2.
Ecologie
4.2.1 Wet natuurbescherming Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt drie wetten, de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. In de Wet natuurbescherming wordt de bescherming van verschillende dieren- en plantensoorten geregeld. Met name bescherming van kwetsbare soorten is hierbij van belang. De Wet natuurbescherming kent een vergunningplicht. Een vergunning voor een project wordt alleen 35
verleend als de instandhoudingsdoelen van een gebied niet in gevaar worden gebracht en als geen sprake is van mogelijke aantasting van beschermde planten- en dierensoorten of de leefgebieden van deze soorten. Voor activiteiten is het van belang om te bepalen of deze leiden tot mogelijke schade aan de natuur. De Wet natuurbescherming toetst aanvragen op drie aspecten, namelijk gebiedsbescherming, houtopstanden en soortenbescherming. 4.2.1.1 Gebiedsbescherming Natuurgebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna zijn op basis van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn aangewezen als Natura 2000 gebieden. Voor al deze gebieden gelden instandhoudingsdoelen. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat deze instandhoudingsdoelen niet in gevaar mogen worden gebracht. Het is daarbij daarom verboden om projecten of andere handelingen uit te voeren of te realiseren die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het betreffende gebied is aangewezen. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet gelegen in een Natura 2000. Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied (Kampina & Oisterwijkse Vennen) is gelegen op een afstand van meer dan 6 kilometer van de locatie.
Op een dergelijke afstand is het niet mogelijk dat een ruimtelijke ontwikkeling van invloed is op het betreffende gebied anders dan door de uitstoot van stikstof. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt echter een agrarisch bedrijf, zijnde een intensieve veehouderij beëindigd. Het bedrijf wordt omgeschakeld naar een niet-agrarisch bedrijf voor opslag van goederen voor bedrijven en particulieren. Een dergelijk bedrijf heeft geen uitstoot van ammoniak. Door de gewenste ontwikkeling zal de uitstoot van ammoniak daarmee aanzienlijk afnemen. Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2) zal het aantal verkeersbewegingen bij de voorgenomen ontwikkeling niet onevenredig toenemen. Naar verwachting zal het aantal verkeersbewegingen juist afnemen. Er zal daarmee geen sprake zijn van een toename van de uitstoot van stikstofoxiden. Gezien de uitstoot van ammoniak en stikstofoxiden niet zal toenemen, zal de stikstofdepositie op de betreffende gebieden niet toenemen. Door de afname van de uitstoot van ammoniak en de verwachtte afname van de uitstoot van stikstofoxiden zal de stikstofdepositie op de betreffende gebieden juist afnemen, wat een verbetering van de situatie zal betekenen
36
Uitsnede kaart Natura 2000 gebieden. Bron: Aerius Calculator. Gezien het voorgaande zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen van de Natura 2000 gebieden onevenredig worden geschaad. 4.2.1.2 Houtopstanden Het onderdeel houtopstanden van de Wet natuurbescherming heeft als doel bossen te beschermen en de bestaande oppervlakte aan bos- en houtopstanden in stand te houden. Indien een houtopstand onder de Wet natuurbescherming valt en deze gekapt gaat worden, moet een kapmelding worden gedaan en geldt een verplichting om de betreffende grond binnen 3 jaar opnieuw in te planten, de zogenaamde herplantplicht. Als een bos of houtopstand definitief gekapt wordt, zal een ontheffing of compensatie van deze herplantplicht verleend moeten worden. De herplantplicht is niet van toepassing voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel. Houtopstanden vallen onder de Wet natuurbescherming als het zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend betreffen die: buiten de bebouwde kom-boswet liggen; een oppervlakte hebben van 10 are of meer; rijbeplantingen die meer dan twintig bomen omvatten, gerekend over het totaal aantal rijen; Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het kappen van houtopstanden of bos met een oppervlakte van 10 are of meer en/of rijbeplantingen die meer dan 20 bomen omvatten.
Hiermee is het onderdeel houtopstanden uit de Wet natuurbescherming niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling.
37
4.2.1.3 Soortenbescherming De soortenbescherming in de Wet natuurbescherming voorziet in bescherming van (leefgebieden) van beschermde soorten planten en dieren en is daarmee altijd aan de orde. De soortenbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van de wilde flora en fauna in hun natuurlijke leefomgeving. De mate van bescherming is afhankelijk van de soort en het daarvoor geldende beschermingsregime. De Wet natuurbescherming kent zowel verboden als de zorgplicht. De zorgplicht is altijd van toepassing en geldt voor iedereen en in alle gevallen. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij-principe'. Voor verschillende categorieën soorten en activiteiten zijn vrijstellingen of ontheffingen van deze verbodsbepalingen mogelijk. Het is voor elke beschermde soort in elk geval verboden deze te vervoeren of bij te hebben. Vogelrichtlijn: Dit betreffen alle vogelsoorten die in Nederland als broedvogel, standvogel, wintergast of doortrekker aanwezig kunnen zijn, met uitzondering van exoten en verwilderde soorten, zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn.
Voor soorten beschermd vanuit de Vogelrichtlijn geldt dat het verboden is in het wild levende soorten opzettelijk te doden of te vangen, nesten of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te vernielen of te beschadigen en/of weg te nemen, eieren van deze soorten te rapen en/of bij te hebben en/of deze soorten opzettelijk te storen (tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de instandhouding van de betreffende soort). Habitarichtlijn: Dit zijn alle soorten van bijlage IV onderdeel a van de Habitatrichtlijn inclusief het verdrag van Bern bijlage II en het Verdrag van Bonn bijlage I, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. Voor de soorten beschermd vanuit de Habitatrichtlijn geldt dat het verboden is in het wild levende soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, eieren van deze soorten te rapen, vernielen en/of bij te hebben, voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van deze soorten te beschadigen of te vernielen en/of beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen en/of te vernielen. Nationaal beschermde soorten: Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wet natuurbescherming.
Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. Voor de Nationaal beschermde soorten geldt dat het verboden is om de in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers opzettelijk te doden of te vangen, de vaste voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen en/of beschermde vaatplanten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen en/of te vernielen. Zorplicht: Naast beschermde dier- en plantensoorten, moet iedereen voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Deze zorgplicht geldt voor alle, dus ook voor niet beschermde, soorten planten en dieren. Als een ruimtelijke ingreep direct of indirect leidt tot het aantasten van verblijf- en/of rustplaatsen van de aangewezen, niet vrijgestelde beschermde soorten of hun leefgebied, kan het project in strijd zijn met de Wet Natuurbescherming. Afhankelijk van de ingreep en de soort kan dan een ontheffing noodzakelijk zijn.
Ontheffingen worden slechts verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing voor de ingreep bestaat, de ingreep vanwege een in de wet genoemd belang dient plaats te vinden en de gunstige staat van instandhouding van de soort niet in gevaar komt. Vaak worden hierbij mitigerende en compenserende maatregelen gevraagd. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van beperkte sloop van bebouwing, het eierlokaal en een aanbouw aan het eierlokaal. In de bebouwing zijn volgens opgaaf van initiatiefnemer geen nesten van broedvogels aanwezig, noch is er sprake van een verblijfplaats voor vleermuizen. Verder is er binnen het plangebied en direct grenzend aan het plangebied voldoende geschikt leefgebied in de omgeving. Hiermee zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van aantasting van (leefgebieden van) mogelijk voorkomende beschermde soorten flora en fauna. 38
4.2.2 Natuurnetwerk Nederland Een vorm van gebiedsbescherming komt voort uit de aanwijzing van een gebied als Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het NNN is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Planten en dieren kunnen zich zo van het ene naar het andere gebied verplaatsen. Op plekken waar gaten in het netwerk zitten, leggen de provincies nieuwe natuur aan. De provincies zijn verantwoordelijk voor begrenzing en ontwikkeling van het NNN en stellen hier zelf beleid voor op. Het NNN is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor planten en dieren. Robuuste leefgebieden voor flora en fauna zijn nodig om het uitsterven van soorten te voorkomen. Het netwerk is er daarnaast ook voor rust en recreatie, voor mensen die willen genieten van de schoonheid van de natuur. Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot aantasting of beperking van de natuurdoelen. De status als NNN is niet verankerd in de natuurwetgeving, maar het belang dient in de planologische afweging een rol te spelen. Het beheer van het NNN is deels in handen gegeven van de provincies. De provincie Noord-Brabant heeft de bescherming van het NNN opgenomen in het Natuurnetwerk Brabant (NNB). Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet in het NNN/NNB gelegen.
Het dichtstbijzijnd NNN/NNB-gebied is gelegen op een afstand van ongeveer 790 meter van de locatie.
Uitsnede kaart NNN. Bron: Provincie Noord-Brabant. Gezien de locatie niet in het NNN/NNB is gelegen zal met de voorgenomen ontwikkeling geen areaal aan NNN/NNB-gebieden verloren gaan. Naast het feit dat geen areaal verloren mag gaan kan de uitstoot van fijnstof nadelige gevolgen hebben op gebieden in het NNN/NNB. Bij de gewenste ontwikkeling zal, door beëindiging van een intensieve veehouderij, sprake zijn van een afname van de uitstoot van fijnstof. Hiermee zal de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige gevolgen hebben op het NNN/NNB. 39
4.2.3 Wet ammoniak en veehouderij Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een toename van de uitstoot van ammoniak. Er is immers sprake van een beëindiging van een agrarische intensieve veehouderij, waarbij de uitstoot van ammoniak alleen maar zal afnemen. Omdat de uitstoot van ammoniak zal afnemen zal ook geen sprake zijn van een verhoogde ammoniakdepositie op de betreffende gebieden, maar juist van een afnemende depositie. Hiermee zal geen sprake zijn van een onevenredige aantasting van Wav-gebieden in de omgeving, maar eerder sprake van een verbetering.
4.3.
Archeologie en cultuurhistorie
4.3.1 Archeologie Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Erfgoedwet. Op basis van deze wet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Erfgoedwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat, waar nodig, die waarden veilig gesteld kunnen worden en/of het initiatief aangepast kan worden. Gemeenten stellen, ter bescherming van mogelijk voorkomende archeologische waarden, een eigen beleid op, waarbij de kans op het aantreffen van archeologische resten in de bodem is weergegeven in een archeologische verwachtingskaart. Afhankelijk van de verwachtingswaarde stelt de gemeente Best voorwaarden voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek.
De gemeente Best heeft het archeologiebeleid verankert in het paraplubestemmingsplan ' parkeernormen en archeologie' Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie vanuit de archeologische verwachtingskaart gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'gebied met een hoge archeologische verwachting – historische kern'.
40
Uitsnede archeologische verwachtingskaart. Bron: Gemeente Best. Ten aanzien van deze gebieden stelt de gemeente in haar beleid dat nader onderzoek nodig is bij ingrepen van meer dan 250 m² en dieper dan 30 centimeter onder maaiveld. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de sloop van bebouwing, waarbij de verstoring van de bodem minder dan 250 m² zal bedragen, namelijk 170 m². Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen mogelijk voorkomende archeologische resten zullen worden geschaad.
4.3.2 Cultuurhistorie Het cultuurhistorisch erfgoed van Nederland bestaat uit monumentale panden, historische zichtlijnen, kenmerkende landschappen en waardevolle lijn- en/of vlakelementen. Het cultuurhistorisch erfgoed geeft een beeld van de geschiedenis van het landschap. Daarom is bescherming van deze elementen van belang. De cultuurhistorische waarden van een gebied zijn in kaart gebracht in de zogenaamde cultuurhistorische waardenkaart. Deze wordt door de provincies beheerd. Zoals te zien in de volgende figuur zijn nabij de locatie cultuurhistorisch waardevolle elementen gelegen.
41
Uitsnede cultuurhistorische waardenk aart. Bron: Provincie Noord-Brabant. Aan de noordzijde van het plangebied is de Mosselaarweg aangewezen als historische geografische lijn met een redelijk hoge waarde. De ontwikkeling zal geheel op het eigen erf plaatsvinden en zal geen aanpassingen aan de Gilzeweg tot gevolg hebben. Daarnaast is er een landschappelijk inpassingsplan opgesteld dat rekening heeft gehouden met de historisch geografische lijn. Hiermee zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van aantasting van de betreffende historisch geografische lijn. Het plangebied maakt als heel klein onderdeel van het grotere geheel deel uit van de cultuurhistorische regio Kempen en cultuurhistorisch landschap Groene Woud. Gezien de zeer beperkte schaal van de gewenste ontwikkeling en dat de ontwikkeling geheel op het eigen erf plaatsvindt zal dit geen gevolgen hebben voor het cultuurhistorische landschap en de regio. Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van onevenredige aantasting van cultuurhistorisch waardevolle elementen.
4.3.3 Aardkundig waardevolle gebieden Het doel van het beleid met betrekking tot aardkundige waarden is om de ontstaansgeschiedenis van het aardoppervlak zichtbaar, beleefbaar en begrijpelijk te houden. Om aardkundige waarden te beschermen zijn aardkundig waardevolle gebieden aangewezen. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet in een aardkundig waardevol gebied gelegen.
42
Uitsnede kaart aardkundig waardevolle gebieden. Bron: Provincie Noord-Brabant. Gezien de locatie niet in een aardkundig waardevol gebied is gelegen zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van aantasting van aardkundige waarden.
4.4.
Verkeer en parkeren
Een onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeers- en infrastructuur. Hierbij is het van belang of de voorgenomen ontwikkeling grote veranderingen ten aanzien van verkeer en infrastructuur teweeg brengt.
4.4.1 Infrastructuur en parkeren Een goede ontsluiting is gerealiseerd op de Driehoekweg. De locatie is voorzien van een inrit op deze erftoegangsweg. Hierbij heeft het inkomend en vertrekkend verkeer voldoende ruimte om het bedrijf te betreden en verlaten, waardoor geen onnodige verkeershinder op de openbare weg zal plaatsvinden. Op het terrein zelf is voldoende gelegenheid voor personenauto's en vrachtwagens om te keren. Hierbij hoeft niet op de openbare weg alsnog gekeerd te worden, waardoor geen achteruit rijdende personenauto's en/of vrachtwagens de openbare weg op hoeven rijden. Dit bevordert de verkeersveiligheid. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal uitsluitend gebruik worden gemaakt van de bestaande infrastructuur. Hierbij zal rekening worden gehouden met de capaciteit van de ontsluitingsweg, zodat geen situatie ontstaat waarbij meer verkeer over de ontsluitingsweg rijdt dan dat deze kan verwerken. Hiermee kan worden gesteld dat geen sprake is van aantasting van de bestaande infrastructuur. In de huidige situatie vindt het parkeren geheel op eigen terrein plaats. Bij de voorgenomen ontwikkeling is het vereist dat het parkeren ook na realisatie van het project geheel op eigen terrein plaatsvindt. Ook na realisatie van het project zal er op eigen terrein voldoende gelegenheid zijn voor zowel vracht- als 43
personenauto's om te kunnen parkeren. Hiermee zal parkeren, ook na realisatie van het project, geheel op eigen terrein plaatsvinden. De gemeente Best heeft in de Nota parkeernormen zoals gewijzigd vastgesteld op 30 november 2015 beleidslijnen ten aanzien van parkeren opgenomen. Hierbij zijn tevens parkeernormen van toepassing. Voor wat betreft de parkeernormen wordt onderscheid gemaakt in verschillende deelgebieden. De locatie is, vanuit de gebiedsindeling, gelegen in een gebied dat is gekenmerkt als 'buitengebied'. Voor arbeidsextensieve/bezoekersextensieve bedrijvigheid waar opslag onder geschaard wordt dient men in het buitengebied uit te gaan van 0,8 parkeerplaats per 100 m² bedrijfsvloeroppervlakte. Uitgaande van 1.870 m² bedrijfsvloeroppervlakte zouden er 15 parkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden. Een dergelijke norm is echter meer gericht op bedrijven die zich richten op kleine units, waar sprake van veel verschillende huurders is. De gewenste ontwikkeling richt zich op het verbouwen van de pluimveestallen tot 4 units die los van elkaar verhuurd kunnen worden voor de opslag van goederen. De gestelde norm is daarmee voor de gewenste ontwikkeling niet reëel te noemen. Het bedrijf zal door de initiatiefnemer zelf worden uitgevoerd en worden beheerd. Er zal daarmee geen sprake zijn van een verdere personele bezetting.
Initiatiefnemer beschikt over meerdere parkeerplaatsen bij zijn bedrijfswoning die enigszins ruimtelijke afgescheiden zijn van de opslaggebouwen. Er dienen enkel parkeerplaatsen aanwezig te zijn voor de huurders van de opslagruimte. Dit bezoek is echter (zeer) kortdurend. De meesten zullen met de auto doorrijden tot aan de plaats waar de goederen zijn opgeslagen, op die plek laden/lossen en/of aankoppelen/afkoppelen en vervolgens weer vertrekken. Er zal nagenoeg geen sprake zijn van parkeren bij het bedrijf door mensen die van de diensten gebruik maken. Bij de gewenste inrichting van het erf is rekening gehouden met voldoende verharding voor zowel vrachtals personenverkeer om te kunnen manoeuvreren en ter plaatse te kunnen laden en lossen en/of aankoppelen en afkoppelen. De verharding kan, indien nodig, eveneens worden benut voor parkeren. Er is daarmee sprake van ruim voldoende gelegenheid om te parkeren. Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling kan worden voldaan aan voldoende parkeergelegenheid.
4.4.2 Verkeersbewegingen Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een intensieve veehouderij beëindigd. Daarbij wordt het bedrijf omgeschakeld naar een niet-agrarisch bedrijf voor statische en niet-statische opslag van goederen van bedrijven en particulieren. Ten aanzien van de bedrijfswoning zal geen sprake zijn van een toename of wijziging van het aantal verkeersbewegingen. Het huidige gebruik is het gebruik als woning en dit zal na realisatie van de plannen van de initiatiefnemer nog steeds het geval zijn. Het aantal verkeersbewegingen zal daarom bij de gewenste omschakeling van de bedrijfswoning niet veranderen. Bij een intensief veehouderijbedrijf is sprake van regelmatige aan- en afvoer van dieren, aanlevering van voer en levering van diensten en overige goederen. Bij een bedrijf dat opslagruimten verhuurd is voornamelijk sprake van opslag van goederen die met wisselende regelmaat verplaatsing nodig hebben. Worst-case zullen de gebruikers van deze opslag iedere dag 2 maal de locatie aandoen om goederen te komen opslaan of ophalen. Dit betekent 16 verkeersbewegingen per weekdaggemiddelde. Dit is passende in het verkeersbeeld ter plaatse en zal niet leiden tot een verdere intensivering van de verkeersstomen ten opzichte van een pluimveehouderijbedrijf.
4.5.
Wateraspecten
Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Met ingang van 3 juli 2003 is een watertoets in de vorm van een waterparagraaf en de toelichting hierop een verplicht onderdeel voor ruimtelijke plannen en projecten van provincies, regionale openbare lichamen en gemeenten. De watertoets is verankerd in de Waterwet (Wtw). Dit houdt in dat de toelichting bij het ruimtelijk plan of project een beschrijving dient te bevatten van de wijze waarop rekening is gehouden met 44
de gevolgen voor de waterhuishouding. Dit beleid is voortgezet in het huidige Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In dit besluit wordt het begrip “waterhuishouding” breed opgevat. Aangesloten wordt bij de definitie zoals die is opgenomen in de Wtw. Zowel het oppervlaktewater als het grondwater valt onder de zorg voor de waterhuishouding. Bij de voorbereiding van een waterparagraaf dienen alle van belang zijnde waterhuishoudkundige aspecten beoordeeld te worden. De locatie valt onder het werkgebied van het waterschap De Dommel (hierna: het waterschap). De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hebben hun keuren geharmoniseerd. Als onderdeel van dit harmonisatietraject hanteren de waterschappen sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Hiermee geven de waterschappen ook invulling aan de wens van met name de zogenaamde grensgemeentes die in het verleden te maken hadden met verschillend beleid van de waterschappen. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Het doel van dit uitgangspunt is om te voorkomen dat hemelwater als gevolg van uitbreiding van het verhard oppervlak versneld op het watersysteem wordt geloosd.
Voor lozingen op een oppervlaktewater eist het Waterschap daarom een vervangende berging, die de extra afvoer van het nieuwe verharde oppervlak als het ware neutraliseert. Gemeenten stellen vanuit hun eigen verantwoordelijkheid voorwaarden aan de afvoer via een rioleringsstelsel. Bij het invullen van de compensatieopgave wordt tevens gekeken naar de mogelijke realisering van andere waterdoelen. Het gaat hierbij dus om een optimale inpassing van een plan in zijn omgeving, waarbij ook gekeken moet worden naar het huidig en toekomstig functioneren van het totale (deel)stroomgebied waar de ontwikkeling onderdeel van uitmaakt. Naast het behoud van voldoende systeemrobuustheid, kan hiermee beter invulling worden gegeven aan de gewenste doelmatigheid. Bovendien biedt dit mogelijkheden voor waterschappen en gemeenten om ook andere dan hydrologische aspecten mee te nemen in de afweging. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om het oplossen van waterkwaliteitsknelpunten of het tegengaan van verdroging.
4.5.1 Voorgenomen activiteit Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de beëindiging van een agrarisch bedrijf, zijnde een intensieve veehouderij. Het bedrijf zal worden omgeschakeld naar een niet-agrarisch bedrijf voor opslag van goederen voor particulieren en bedrijven. Het bouwvlak ter plaatse zal worden verkleind en er zal een deel van de bestaande bedrijfsbebouwing (ongeveer 170 m²) worden gesloopt. Tevens zal een deel van de huidige erfverharding worden verwijderd. Er is daarmee sprake van een afname van het bebouwd en verhard oppervlak. Afkoppeling van het hemelwater zal plaatsvinden middels een gescheiden stelsel. Hierbij zal het hemelwater afkomstig van het verhard oppervlak niet op het riool worden afgevoerd, maar middels straatkolken en dakgoten worden afgevoerd naar infiltratie- en/of bergingsvoorzieningen. Van belang daarbij is dat bij een ruimtelijke ontwikkeling hydrologisch neutraal wordt ontwikkeld. Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar de watergangen. Om te voorkomen dat hierdoor wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang (waterbergingscompensatie). Bij de voorgenomen ontwikkeling zal het verhard oppervlak niet toenemen. Er is sprake van een afname van het bebouwde en verharde oppervlak.
Hiermee is geen aanvullende compensatie vereist en zal met de voorgenomen ontwikkeling sprake zijn van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. Om negatieve effecten op de huidige goede waterkwaliteit te voorkomen en waterbesparing te bereiken worden: zoveel mogelijk maatregelen getroffen om het waterverbruik zo gering mogelijk te laten zijn en verontreiniging van het regenwater en oppervlaktewater te voorkomen; duurzame, niet-uitloogbare bouwmaterialen toegepast; De locatie is voorzien van riolering, waar het afvalwater van de bedrijfswoning op wordt geloosd. Het bedrijfsafvalwater wordt middels een gescheiden stelsel afgevoerd. Hemelwater wordt hierbij niet 45
afgevoerd op het rioleringssysteem, maar wordt middels dakgoten en straatkolken opgevangen in een bergingsvoorziening. Hiermee is geen sprake van afkoppeling van hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallaties. Hiermee zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van onevenredige aantasting van de waterhuishouding ter plaatse.
4.5.2 Compenserende waterberging Ter compensatie van de toename van het verharde oppervlak bij ruimtelijke ontwikkelingen dient compenserende waterberging plaats te vinden om wateroverlast te voorkomen. Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Voorgenomen activiteit" (paragraaf 4.5.1) is voor de voorgenomen ontwikkeling geen compenserende waterberging nodig.
46
Hoofdstuk 5 5.1.
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een nieuwe ruimtelijk project dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het project. Onderdeel daarvan is een onderzoek naar de financiële haalbaar van het project. Een tweede bepaling omtrent het financiële aspect is het eventueel verhalen van projectkosten. In principe dient bij vaststelling van het ruimtelijke besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van projectkosten zeker te stellen. Op basis van artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) stelt de gemeente een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1 van het Bro zijn deze bouwplannen nader omschreven: "Artikel 6.2.1 Als bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, van de wet, wordt aangewezen een bouwplan voor: a. de bouw van een of meer woningen; b. de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen; c. de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte of met een of meer woningen; d. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; e.
de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m2 bruto-vloeroppervlakte bedraagt; f. de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte." Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een in het betreffende artikel genoemde bouwplan, waarmee geen exploitatieplan nodig is. Kosten voor het uitvoeren en doorlopen van de procedure zijn daarnaast voor rekening van de initiatiefnemer. Gemaakte kosten door de gemeente worden middels het heffen van leges op de initiatiefnemer verhaald, zoals is opgenomen in de legesverordening van de gemeente Best. Hiermee kan worden gesteld dat het project financieel haalbaar wordt geacht.
5.2.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Het voorliggend plan is onderdeel van een algehele herziening op het bestemmingsplan "Buitengebied Best 2006" van gemeente Best en wordt opgesteld conform de Uniforme Voorbereidingsprocedure conform afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In het kader van deze procedure wordt eenieder tijdens de terinzagetermijn in de gelegenheid gesteld zienswijzen op het plan in te dienen. Wanneer het plan ter inzage ligt wordt gepubliceerd in de gemeentelijke bladen, op de gemeentelijke website en in de digitale Staatscourant. Tevens wordt het plan voor eenieder digitaal raadpleegbaar gesteld via www.ruimtelijkeplannen.nl.
5.3.
Handhaving
Een bestemmingsplan en/of een omgevingsvergunning is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving van de regels in de omgevingsvergunning ligt bij de gemeente. Het handhavingsbeleid van de gemeente Best vormt de basis van de handhaving binnen de gemeentelijke grenzen. Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen. Het doel van handhaving is om de bescherming van mens en omgeving te waarborgen tegen ongewenste 47
activiteiten en overlast. In het kader van een ruimtelijk project heeft regelgeving met name betrekking op de Wet ruimtelijke ordening, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Woningwet. Bij overtreding van deze regels kan gedacht worden aan bouwen zonder vergunning, bouwen in afwijking van een verleende vergunning en het gebruik van gronden en opstallen in strijd met de gebruiksregels van een bestemmingsplan of een vrijstelling.
48
Bijlagen
49
Bijlage 1
Landschappelijk inrichtingsplan
50
MOSSELAARWEG 9B BEST LANDSCHAPSPLAN 5 MAART 2020
COLOFON
INHOUDSOPGAVE
Titel document: Mosselaarweg 9B Best
1 INLEIDING
3 3 3 4 5
2 Landschap
7 7 8 9
3 Inrichtingsvoorstel
10 10 11
Datum: 5 maart 2020 Status: Inrichtingsvoorstel Document: Enkelzijdig A4 liggend Opdrachtgever: Dhr. Van der Looij Mosselaarweg 9B Best T: 06-26750887
Procesbemiddeling VABIMPULS T: vabimpuls@brabantadvies.com T: 073-3030286 W: www.vabimpuls.nl
Auteur/Adviseur Van Dooren Landschap Derpt 15 4576 VW Vorstenbosch T: 06-26949922 M: Marcel@VanDoorenLandschap.nl
2
1.1 1.2 1.3 1.4 2.1 2.2 2.3 3.1 3.2
VABIMPULS Aanleiding Locatie en situatie Leeswijzer Historie Structuurvisie Best Kwaliteiten en kansen Hoofdopzet Landschappelijke inpassing
1 INLEIDING 1.1
VABIMPULS
Het aantal lege stallen en schuren in Brabant groeit. Dat komt onder meer doordat agrarische ondernemers zijn gestopt, gaan stoppen of van plan zijn om te schakelen naar een andere functie. Op initiatief van de provincie Noord-Brabant en gemeenten in Noord-Brabant is VABIMPULS opgezet. Een initiatief waarbij in rechtstreeks contact met de eigenaar een verkenning plaats zal vinden omtrent de toekomstige mogelijkheden voor de vrijgekomen of vrijkomende agrarische locatie en bebouwing. Met de aanpak van VABIMPULS moet nieuw perspectief geboden worden aan eigenaren van agrarische bedrijfslocaties. Daarnaast draagt het bij aan versterking van de kwaliteit van het landelijk gebied, de leefbaarheid en mogelijk ook nieuwe economische initiatieven. Dat voorkomt verloedering van het platteland en ongewenste activiteiten en daarmee samenhangende veiligheids- en gezondheidsrisico’s. De aanpak van VABIMPULS is per definitie gericht op het realiseren van meerwaarde. We spreken van een verduurzaamde werking.
Landschap is als specialist gevraagd input te leveren om dit plan ruimtelijk en landschappelijk nader uit te werken.
1.2
Aanleiding
Ter plaatse van Mosselaarweg 9B te Best ligt een voormalig kippenbedrijf met bijbehorend bedrijfsgebouwen en bedrijfswoning. Familie van der Looij is eigenaar van de bedrijfswoning. De schuren waren tot voor kort in eigendom van een andere ondernemer. Deze heeft Van der Looij onlangs weer teruggekocht, aangezien de schuren onderdeel vormen van het bestemmingsvlak van de bedrijfswoning. Op dit moment staan de schuren leeg en is Van der Looij niet voornemens dieren te gaan houden.
Eigenaren van vrijgekomen of vrijkomende agrarische locaties kunnen zich aanmelden en een beroep doen op ondersteuning van onafhankelijke deskundigen en specialisten die aan VABIMPULS verbonden zijn. Voor de locatie Mosselaarweg 9B te Best in de gelijknamige gemeente heeft dhr. Van der Looij zich gemeld bij VABIMPULS. Deskundige dhr. P. Rombouts heeft verschillende gesprekken met hem gevoerd en samen een duurzaam plan uitgewerkt voor de toekomst. Van Dooren Aanduiding plangebied in paars in zijn omgeving (bron Topotijdreis.nl)
3
Het voornemen is een duurzame rendabele inrichting te maken voor het perceel. Door de schuren om te bouwen tot opslagruimte ziet de initiatiefnemer kans om een nieuw economisch impuls te kunnen geven aan het kavel.
4.
Om dit te realiseren is het noodzakelijk een planologische procedure te doorlopen, in dit geval een wijzigingsprocedure.
Aan de achterzijde van de schuren is het gebied ontsloten via een zandpad. Dit is een zeer smal karrenspoor met aan beide zijde beplanting. Eén zijde met diverse heesters en bomen en aan de andere zijde (die grenst aan het plangebied) staat een rij populieren. De bedrijfswoning staat met de voorzijde gericht naar de Mosselaarweg. Via een wandelpad over de greppel kan men de voordeur bereiken. Via de inrit aan de Driehoekweg bereikt men via de auto en fiets
Mo
achtertuin ‘wandel’pad weide berm met puinverharding
sse
laa
rw
eg
2. 5.
6.
bure
n
7.
inrit
8.
schuur bedrijfsinrit hekwerk lange kippenschuren eierhok met aanbouw
9.
rijfs
De Mosselaarweg is een relatief smalle rijbaan met aan beide zijden grote laanbomen van essen. Het plangebied ligt in de oksel van de kruising Mosselaarweg - Driehoekweg. Via de Driehoekweg wordt het terrein ontsloten. Deze weg is net zoals de Mosselaarweg relatief smal met aan één zijde eikenbomen. Iets voorbij het plangebied ontbreken de laanbomen en ligt de weg vrij in het landschap.