CConstaterende datBest
Koppel je AI →
Document · PDF

22046.10 - Bijlage 8.25 - Ruimtelijke onderbouwing Mosselaarweg 9b- Driehoekweg 4

Raadsavond 5 september 2022, gemeente BestBij agendapunt: 22046 - Bestemmingsplan Buitengebied22.385 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Ruimtelijke onderbouwing M osselaarweg 9b te Best

Projectleider Ruimtelijke Ordening Mw. F. Klomp

Datum: 12 mei 2019

Inhoudsopgave Ruimtelijke onderbouwing Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1. Aanleiding voor het project 1.2. Projectlocatie 1.3. Geldende bestemmingsplannen 1.4. Leeswijzer Hoofdstuk 2 Projectbeschrijving 2.1. Huidige situatie 2.2. Gewenste situatie Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1. Rijksbeleid 3.2. Provinciaal beleid 3.3. Gemeentelijk beleid Hoofdstuk 4 Ruimtelijke- en milieuaspecten 4.1. Milieu 4.2. Ecologie 4.3. Archeologie en cultuurhistorie 4.4. Verkeer en parkeren 4.5. Wateraspecten Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid 5.1. Economische uitvoerbaarheid 5.2. Maatschappelijke uitvoerbaarheid 5.3. Handhaving

Bijlagen Bijlage 1

3 4

8

13

25

47

49 Landschappelijk inrichtingsplan

50

2

Ruimtelijke onderbouwing

3

Hoofdstuk 1 1.1.

Inleiding

Aanleiding voor het project

Voorliggend plan betreft een ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van het planologisch beëindigen van een agrarische intensieve veehouderij aan de Mosselaarweg 9b te Best. Daarbij worden de voormalige pluimveestallen in gebruik genomen worden voor een niet-agrarisch bedrijf in de vorm van een bedrijf voor statische en niet-statische opslag voor particulieren en bedrijven. Het voormalige eierlokaal, een tussenbouw tussen de twee pluimveestallen worden gesloopt. Tevens zal de huidige agrarische bedrijfswoning worden omgeschakeld naar een bedrijfswoning behorend bij het niet-agrarische bedrijf. In het hoofdstuk "Projectbeschrijving" (hoofdstuk 2) wordt het initiatief verder toegelicht, daar is ook een situatietekening van de nieuwe situatie opgenomen. De voorgenomen ontwikkeling is noodzakelijk om de volgende reden. Het bedrijf van de initiatiefnemer, zijnde een voormalig pluimveebedrijf, is al geruime tijd beëindigd en de pluimveestallen zijn los van de agrarische bedrijfswoning verkocht geweest. Initiatiefnemer heeft op advies van de gemeente de pluimveestallen in een later stadium teruggekocht om strijdigheid met het bestemmingsplan op te heffen. Voortzetting van de agrarische bedrijvigheid is gezien de leeftijd en gezondheidssituatie van initiatiefnemer niet aan de orde.

Initiatiefnemer wenst nieuwe activiteiten, in de vorm van statische en niet-statische opslag voor bedrijven en particulieren, op de locatie te ontwikkelen om een nieuw verdienmodel voor de voormalige agrarische bedrijfslocatie te realiseren. Vanuit provinciaal beleid, zoals dat ook opgenomen is in het voorontwerpbestemmingsplan 'Buitengebied Best 2019', geldt bij omschakeling naar een niet-agrarische functie een maximale oppervlakte voor het bestemmingsvlak (en bouwvlak) van 5.000 m². Hier is bij de planontwikkeling rekening mee gehouden en het bestemmingsvlak heeft derhalve een oppervlakte van 5.000 m². Met de voorgenomen ontwikkeling zal, door de definitieve beëindiging van de intensieve veehouderij ter plaatse, een aanzienlijke milieuwinst worden behaald. Een niet-agrarisch bedrijf voor statische en niet-statische opslag van goederen van bedrijven en particulieren heeft een aanzienlijk lagere milieubelasting dan een pluimveehouderij. Daarnaast wordt met de gewenste invulling van de locatie een oplossing geboden voor de leegstaande voormalige agrarische bedrijfsbebouwing. Hiermee wordt verpaupering voorkomen en wordt voorkomen dat zich in de loop van de tijd in de bebouwing illegale activiteiten ontwikkelen. Door de gewenste invulling van de locatie als bedrijf voor statische en niet-statische opslag wordt aan de locatie een passende nieuwe functie gegeven.

Met de gewenste ontwikkeling zal de bebouwde en verharde oppervlakte afnemen. Daarnaast zal door het realiseren van een goede landschappelijke inpassing en een extra inspanning in ruimtelijke kwaliteitsverbetering, een bijdrage worden geleverd aan een betere uitstraling en kwaliteit van de locatie ten aanzien van het omliggende gebied. Ambtelijk heeft de gemeente aangegeven dat zij mogelijkheden zien voor de voorgenomen ontwikkeling en dat de herbestemming onderdeel is van het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan “Buitengebied Best 2019”. Voorliggend document dient als ruimtelijke onderbouwing, waarin nader wordt gemotiveerd waarom de ontwikkeling mogelijk kan worden gemaakt en deze niet zal leiden tot onevenredige bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak.

1.2.

Projectlocatie

De planlocatie is gelegen aan de Mosselaarweg 9b te Best en ligt aan de noordoostkant van de kern Best in het landelijk gebied van gemeente Best. De locatie is kadastraal bekend onder gemeente Best, sectie K, nummers 1819 en 1820. In de volgende figuur is de topografische ligging van de locatie weergegeven.

4

Uitsnede topografische kaart locatie. Bron: J.W. van Aalst, www.opentopo.nl.

1.3.

Geldende bestemmingsplannen

De locatie heeft in het bestemmingsplan "Buitengebied Best 2006", zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 23 september 2008, de bestemming 'Agrarische bedrijfsdoeleinden' en een functieaanduiding 'niet grondgebonden intensieve veehouderij (ngi)'. Daarnaast is hier middels het bestemmingsplan “Parkeernormen en archeologie” zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 6 februari 2017 de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 3 (gebied met een hoge archeologische verwachting, historische kern' aan toegevoegd.

5

Uitsnede verbeelding bestemmingsplan “Buitengebied Best 2006”. Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl.

Uitsnede verbeelding bestemmingsplan “Parkeernormen en Archeologie”. Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl. 6

De voorgenomen ontwikkeling past niet binnen de bepalingen uit het geldende bestemmingsplan. In het geldende bestemmingsplan is eveneens geen afwijkingsmogelijkheid opgenomen om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken. Wel is in het bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor omschakeling naar niet aan het buitengebied gebonden functies. Omdat de locatie niet gelegen is binnen bebouwingsconcentratie 1a of 2 kan hier geen gebruik van gemaakt worden. Overigens past de gewenste ontwikkeling ook vanwege de beperkte oppervlakte die vanuit de wijzigingsbevoegdheid mogelijk wordt gemaakt, niet binnen de voorwaarden uit de betreffende wijzigingsbevoegdheid. Om deze reden is het noodzakelijk het geldende bestemmingsplan ter plaatse van de Mosselaarweg 9b te herzien. Deze ontwikkeling maakt onderdeel uit van de algehele herziening van het bestemmingsplan “Buitengebied Best 2006”.

1.4.

Leeswijzer

Deze ruimtelijke onderbouwing is als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 2 gaat in op de huidige en gewenste situatie en bevat een beschrijving van de situatie ter plaatse zoals momenteel bekend en de gewenste situatie ter plaatse na realisatie van het project. Hoofdstuk 3 gaat in op de vigerende beleidskaders. Hierin wordt het project getoetst aan het ruimtelijk beleid van het rijk, de provincie en de gemeente. Hoofdstuk 4 gaat in op de toetsing van het project aan de aspecten milieu, ecologie, archeologie en cultuurhistorie, verkeer en parkeren en water. Hierin worden verschillende bureaustudies beschreven en, indien van toepassing, uitgevoerde aanvullende onderzoeken beschreven. Hoofdstuk 5 gaat in op de uitvoerbaarheid van het project. Hierin worden de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het project getoetst en wordt kort ingegaan op het aspect handhaving.

7

Hoofdstuk 2 2.1.

Projectbeschrijving

Huidige situatie

2.1.1 Gebiedsprofiel De locatie is gelegen in het landelijk gebied van gemeente Best en is gelegen nabij de snelweg A2 en de uitbreidingswijk Aarlesche Erven van de kern Best. De omgeving van de locatie bestaat voornamelijk uit een agrarisch landschap, waarbij sprake is van een menging van functies. De voornaamste functie is agrarisch, maar in het gebied is ook sprake van burgerwoningen en niet-agrarische bedrijven. De verkavelingsstructuur betreft een blokverkaveling met een relatief kleinschalige opzet. De onderlinge kavels worden gescheiden door kavelsloten en/of lijnen in het landschap. In de nabije omgeving van de locatie zijn enkele agrarische bedrijven, niet-agrarische bedrijven en burgerwoningen gelegen.

2.1.2 Ruimtelijke structuur Op de locatie is momenteel een intensieve pluimveehouderij gevestigd, welke al geruime tijd beëindigd is. Ter plaatse mogen volgens vigerende vergunning 11.000 (groot)ouderdieren van vleeskuikens gehouden worden in de twee pluimveestallen. Naast de stallen zijn ter plaatse een bedrijfswoning met bijgebouw, een schuur en een eierlokaal met aanbouw aanwezig. In totaal is ter plaatse ongeveer 2.350 m² aan gebouwen aanwezig. Ter plaatse is een bouwvlak toegekend. Het huidige bouwvlak is ongeveer 0,83 hectare groot. In de volgende figuur is een luchtfoto opgenomen van de huidige situatie.

8

Luchtfoto huidige situatie ter plaatse. Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl.

2.2.

Gewenste situatie

2.2.1 Ruimtelijke structuur De initiatiefnemer is voornemens ter plaatse de intensieve pluimveehouderij definitief te beëindigen. Daarbij is het de wens om de bestemming te wijzigen in een niet-agrarische bedrijfsbestemming ten behoeve van een bedrijf voor statische en niet-statische opslag voor bedrijven en particulieren in de pluimveestallen. Door de schuren om te bouwen tot 4 opslagruimten/opslagboxen ziet de initiatiefnemer kans om een nieuw economisch impuls te kunnen geven aan het kavel. De opslagboxen kunnen gehuurd worden door elders gevestigde bedrijven en particulieren ten behoeve van opslag van divers materiaal. Er is niet enkel sprake van statische opslag, maar ook bedrijfsmatige opslag van derden. Er gaan geen andere bedrijfsactiviteiten dan opslag plaatsvinden. Voorbeelden van opslag 9

waar aan gedacht kan worden is de opslag van steigermateriaal van een bouwbedrijf, de opslag van gipsplaten van een stukadoorsbedrijf, maar ook de opslag van huisraad van een gezin wat tijdelijk elders woont. Er is geen sprake van een bedrijfsverzamelgebouw, omdat er geen werkplekken gerealiseerd worden, noch andere bedrijfsactiviteiten uitgevoerd worden. Ook kunnen bedrijven zich niet op dit adres vestigen. Er zal slechts één bedrijf op dit adres gevestigd worden en dat is het opslagverhuurbedrijf van initiatiefnemer dat opslagruimte verhuurd aan derden, een vorm van niet-agrarische bedrijvigheid. De volgende activiteiten worden nadrukkelijk uitgesloten en dit wordt ook zo geborgd in de regels van het bestemmingsplan: productie, be- of verwerking van producten, sorteren en inpakken van producten of soortgelijke activiteiten. opslag van goederen bestemd voor handel overslagpunt (bedrijf waar goederen voor hun eindbestemming veranderen van transportmiddel dat hen naar een andere bestemming brengt) stalling van voertuigen voor transportbedrijven opslag van goederen op het buitenterrein Het plan is niet concurrerend met bestaande bedrijventerreinen in de regio. De doelgroep voor de opslagruimte is financieel niet in staat om 1.000 m2 loods op een bedrijventerrein te huren.

Het zal voornamelijk om startende ondernemers e2n ZZP'ers gaan die geen werkzaamheden op de voorgestelde locatie uitvoeren, maar op locaties elders in de omgeving. De feitelijke bedrijfsactiviteiten op de locatie vinden plaats in de vier afzonderlijke ruimten/boxen waar ruimte is voor het stallen van bijvoorbeeld machines en bedrijfsmateriaal. Ten behoeve van de gewenste omschakeling zal het vroegere eierlokaal en de aanbouw aan het vroegere eierlokaal worden gesloopt (218 m²) en wordt 190 m² erfverharding verwijderd. De rest van de aanwezige bedrijfsbebouwing (circa 1.870 m²) zal in gebruik genomen worden voor de gewenste niet-agrarische bedrijfsvoering. De huidige ontsluiting van de bedrijfsgebouwen op de Driehoekweg blijft gehandhaaft. Naast de omschakeling van het agrarisch bedrijf naar een niet-agrarisch bedrijf ten behoeve van opslag voor bedrijven en particulieren zal de huidige agrarische bedrijfswoning herbestemd worden als een bedrijfswoning bij het te ontwikkelen niet-agrarisch bedrijf. In de volgende figuur is de gewenste situatie in een situatietekening weergegeven. Een volledige situatietekening op schaal, waarin eveneens de huidige situatie is weergegeven, maakt onderdeel uit van het landschappelijk inpassingsplan en is als bijlage 1 bij deze onderbouwing opgenomen.

10

Situatietekening gewenste situatie. Bron: Van Dooren Landschap. Het bouwvlak voor het niet-agrarisch bedrijf zal bij de voorgenomen ontwikkeling worden verkleind tot 5.000 m2. De bebouwde en verharde oppervlakte zal met de voorgenomen ontwikkeling afnemen. Er wordt bebouwing gesloopt en verharding verwijderd. Daarnaast zal, zoals nader is omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2), ter plaatse worden voorzien in een goede en bij de omgeving passende landschappelijke inpassing. Hiermee zal de voorgenomen ontwikkeling bijdragen aan een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het gebied. Met de gewenste nieuwe invulling van de locatie wordt voorkomen dat voormalige agrarische bedrijfsbebouwing leeg komt te staan. Hiermee wordt verpaupering voorkomen. Daarnaast wordt voorkomen dat, op termijn, zich in de leegstaande bebouwing illegale activiteiten gaan ontwikkelen. Door de beëindiging van de veehouderij ter plaatse zal een aanzienlijke milieuwinst worden behaald. Een bedrijf voor statische op- en overslag zal een aanzienlijk lagere milieubelasting hebben op de omgeving dan een intensieve pluimveehouderij. Hiermee zal het woon- en leefklimaat in de omgeving met de voorgenomen ontwikkeling verbeteren.

2.2.2 Landschappelijke inpassing Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang dat de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving niet verloren gaat maar, als mogelijk, juist wordt versterkt. Tevens is vanuit het ruimtelijke beleid een goede landschappelijke inpassing een vereiste. Voor de bijdrage van de ontwikkeling aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving is door een landschapsarchitect Van Dooren Landschap aan plan opgesteld waarop is aangegeven hoe de 11

voorgenomen ontwikkeling landschappelijk zal worden ingepast en hoe voldaan gaat worden aan de vereiste ruimtelijke kwaliteitsverbetering. De inrichtingstekening is in de volgende figuur weergegeven.

Tekening landschappelijke inpassing. Bron: Van Dooren Landschap. Deze tekening maakt onderdeel uit van een landschappelijk inrichtingsplan dat ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is opgesteld. In dit landschappelijk inrichtingsplan is opgenomen op welke manier de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk wordt ingepast en welke soorten beplanting daarvoor worden toegepast. Voor het gehele landschappelijk inrichtingsplan wordt verwezen naar bijlage 1 van deze onderbouwing . Met het landschappelijk inrichtingsplan is rekening gehouden met de afspraken die de gemeente hiervoor heeft gemaakt met de provincie. Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Landschapsinvesteringsregeling Best" (paragraaf 3.3.3) wordt met de voorgenomen landschappelijke inpassing op passende wijze voldaan aan de afspraken die tussen de gemeente en de provincie zijn gemaakt. Hiermee kan worden gesteld dat ter plaatse wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing.

12

Hoofdstuk 3 3.1.

Beleidskader

Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 heeft het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M) de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. In de SVIR geeft de Rijksoverheid haar visie op de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven voor Nederland richting 2040 en de manier waarop zij hiermee om zal gaan. Daarmee biedt het een kader voor beslissingen die de Rijksoverheid in de periode tot 2028 wil nemen, om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden. In de SVIR maakt het Rijk helder welke nationale belangen zij heeft in het ruimtelijk en mobiliteitsdomein en welke instrumenten voor deze belangen door de Rijksoverheid worden ingezet. Overheden, burgers en bedrijven krijgen de ruimte om oplossingen te creëren. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en richt zich op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de nationale belangen. De Rijksoverheid brengt het aantal procedures en regels stevig terug en brengt eenheid in het stelsel van regels voor infrastructuur, water, wonen, milieu, natuur en monumenten. Het Rijk wil de beperkte beschikbare middelen niet versnipperen. Het investeert dáár waar de nationale economie er het meest bij gebaat is, in de stedelijke regio’s rond de main-, brain- en greenports inclusief de achterlandverbindingen.

Om nieuwe projecten van de grond te krijgen zoekt het Rijk samenwerking met marktpartijen en andere overheden. Zo lang er geen sprake is van een nationaal belang zal het rijk de beoordeling en uitvoering van ontwikkelingen dus aan de provincies en gemeenten overlaten. De uitgangspunten uit de SVIR zijn juridisch verankerd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). In het Barro is aangegeven welke gebieden, of projecten, van nationaal belang zijn en aanvullende toetsing behoeven. Om te bepalen of sprake is van strijdigheid met de belangen uit de SVIR dient daarom verder getoetst te worden aan het Barro. Verdere toetsing aan ruimtelijke en milieutechnische belangen vindt plaats aan het provinciaal beleid.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Op 17 december 2011 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte gedeeltelijk in werking getreden. Deze nieuwe AMvB Ruimte heeft de eerdere ontwerp AMvB Ruimte 2009 vervangen. Juridisch wordt de AMvB Ruimte aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is op 1 oktober 2012 geactualiseerd en is vanaf die datum geheel in werking getreden. Met de inwerkingtreding van het Barro naast het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is de juridische verankering van de uitgangspunten uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte compleet. In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is deels opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de ontwerp AMvB Ruimte die eind 2009 is aangeboden en deels uit nieuwe onderwerpen. Per onderwerp worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen.

Het besluit bepaalt tevens: "Voor zover dit besluit strekt tot aanpassing van een bestemmingsplan dat van kracht is, stelt de gemeenteraad uiterlijk binnen drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een bestemmingsplan vast met inachtneming van dit besluit." Volgens de toelichting bij dit artikel geldt als hoofdregel, dat de regels van het Barro alleen van toepassing zijn wanneer na inwerkingtreding van het Barro een nieuw bestemmingsplan voor het eerst nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen de aangegeven projectgebieden. Alleen wanneer het Barro expliciet een aanpassing van bestemmingsplannen vergt, omdat een reeds bestaand bestemmingsplan binnen een of meerdere van de projectgebieden is gelegen, dan moet dat binnen drie jaar gebeuren. Het Barro draagt bij aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal 13

belang en "vermindering van de bestuurlijke drukte". Belemmeringen die de realisatie van de genoemde projecten zouden kunnen frustreren of vertragen worden door het Barro op voorhand onmogelijk gemaakt. Daar staat tegenover dat de regelgeving voor lagere overheden weer wat ingewikkelder is geworden. Gemeenten die een bestemmingsplan opstellen dat raakvlakken heeft met een of meerdere belangen van de projecten in het Barro, zullen nauwkeurig de regelgeving van het Barro moeten controleren. Het Barro vormt daarmee een nieuwe, dwingende checklist bij de opstelling van bestemmingsplannen. In het Barro zijn de projecten van nationaal belang beschreven. Deze projecten zijn in beeld gebracht in de bij het Barro behorende kaarten. De locatie is niet in een van de aangewezen projectgebieden gelegen. Hiermee zijn de bepalingen uit het Barro niet van toepassing op de projectlocatie en is geen sprake van strijdigheid met de nationale belangen.

3.1.3 Ladder duurzame verstedelijking Ingevolgde artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), de zogenaamde Ladder voor duurzame verstedelijking, dient de toelichting bij een bestemmingsplan, waarin een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt maakt, een beschrijving te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Een stedelijke ontwikkeling is als volgt gedefinieerd: "ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." Bij de voorgenomen ontwikkeling kan, op basis van deze definitie, sprake zijn van een stedelijke ontwikkeling. Daarnaast dient er echter ook sprake te zijn van een toenemend ruimtebeslag. Dat is in deze niet aan de orde. Onderhavige ontwikkeling vindt plaats binnen de bestaande bedrijfsbebouwing. Verdere toetsing aan de Ladder duurzame verstedelijking is daarmee niet vereist.

3.2.

Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant De provincie Noord-Brabant heeft, in het kader van de naderende Omgevingswet, een Omgevingsvisie voor haar grondgebied vastgesteld op 14 december 2018 waarin de provinciale beleidsuitgangspunten uiteen worden gezet. De ontwerp Omgevingsvisie gaat over twee vragen: Hoe moet de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit zien? Wat moet in 2030 voor elkaar zijn om dat toekomstperspectief te verwezenlijken? De doelstelling die Noord-Brabant heeft voor 2050 is dat zij in dat jaar welvarend, verbonden en klimaatproof zijn. De welvaart wil de provincie bereiken door te investeren in een gezonde en sterke concurrentiepositie door het goede vestigingsklimaat voor bedrijven en kenniswerkers, maar ook door de voortrekkersrol in de transitie naar een innovatieve en duurzame economie. De provincie ziet welvaart niet alleen als economische bestaanszekerheid, maar ook als geluk, gezondheid en veiligheid van mensen. In dat kader stelt de provincie dat in 2050 bestaande problemen in de fysieke leefomgeving zijn opgelost en dat het robuuste natuurnetwerk uitstekend functioneert. Dankzij investeringen in natuur, verdrogingsbestrijding, bodem, waterkwaliteit, een groene (natuurrijke) inrichting van woon- en werkgebieden en het terugdringen van emissies uit landbouw en industrie wil de provincie zowel de menselijke leefomgeving als die voor flora en fauna verbeteren.

Dit leidt tot een goed welbevinden en een grote soortenrijkdom. Voor wat betreft de verbondenheid is het streven van de provincie dat Brabant de centrale ligging uitstekend weet te benutten door goede verbindingen op zowel fysiek als op sociaal-maatschappelijk (digitaal) gebied. Daarbij is een van de doelen dat de logistieke bedrijvigheid nog steeds een topsector is, maar dan op een schonere en slimmere manier. 14

Daarnaast bieden nog zichtbare historische waarden, erfgoed en landschappelijke verscheidenheid een verbinding met het verleden. Deze elementen dienen te blijven behouden voor een aantrekkelijke omgeving als uitloopgebied voor de inwoners van steden en dorpen en voor recreatie. Met betrekking tot het streven klimaatproof te zijn wil de provincie in 2050 geheel energieneutraal zijn. Dit willen zij bereiken door alleen nog duurzame energie te gebruiken. Daarnaast wil de provincie verdere klimaatverandering tegengaan door de uitstoot van koolstofdioxide en de uitstoot van methaan uit de landbouw fors terug te dringen. Daarnaast wil de provincie goed om kunnen gaan met de klimaatverandering en de effecten daarvan. Hierbij staat duurzaam, gezond en klimaatbestendigd bouwen centraal. Daarnaast dient voldoende ruimte beschikbaar te zijn om water op te vangen en vast te houden in tijden van droogte en om wateroverlast te voorkomen. Op basis van deze doelstellingen heeft de provincie vier hoofdopgaven geformuleerd: Werken aan de Brabantse energietransitie; Werken aan een klimaatproof Brabant; Werken aan de slimme netwerkstad; Werken aan een concurrerende, duurzame economie. Deze opgaven worden niet los van elkaar gezien, maar zijn vanuit de basis met elkaar verbonden.

Hierbij wordt gekeken vanuit een gebiedspecifieke benadering om de kansen en bedreigingen van de opgaven te benoemen en rekening te houden met de kansen vanuit andere hoofdopgaven. Voor beëindiging van een veehouderij en omschakeling naar een niet-agrarisch bedrijf zijn geen specifieke beleidsuitgangspunten opgenomen. Wel is het van belang dat op een duurzame en klimaatbestendigde wijze wordt ontwikkeld. Bij de beëindiging van de intensieve veehouderij ter plaatse zal de uitstoot van fijn stof, stikstofoxiden, koolstofdioxide en methaan afnemen. Dit draagt bij aan de doelstellingen van de provincie. Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de doelstellingen zoals zijn verwoord in de ontwerp Omgevingsvisie Noord-Brabant van de provincie Noord-Brabant. 3.2.2 Interim omgevingsverordening Ruimte Op 25 oktober 2019 heeft de provincie Noord-Brabant de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld. De omgevingsverordening bevat een vertaling van het ruimtelijke beleidskader uit de Omgevingsvisie Noord-Brabant naar concrete regels, waarmee de ruimtelijke beleidsvisie van de provincie juridisch is verankerd. Vanuit de verordening is de locatie gelegen in een gebied dat nader is aangemerkt als 'Landelijk gebied'.

Binnen dit gebied gelden specifieke regels voor omschakeling van een agrarisch bedrijf naar een niet-agrarisch bedrijf (dit wordt gezien als vestiging van een niet-agrarisch bedrijf). Deze luiden als volgt: Artikel 3.73 vestiging niet-agrarische functie in landelijk gebied Lid 1. Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in de vestiging van een niet-agrarische functie op een bestaand bouwperceel als aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. de vestiging past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken: 1. een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving; 2. welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; 3. hoe de vestiging bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk gebied. b. er vindt geen splitsing plaats van het bouwperceel; c. overtollige bebouwing wordt gesloopt; d. de vestiging heeft geen betrekking op: 1. een kantoor met baliefunctie; 15

2. lawaaisport; 3. mestbewerking. Lid 2. Het bestemmingsplan dat de vestiging mogelijk maakt, borgt dat de functie, ook op langere termijn, past binnen de ontwikkelingsrichting en stelt daartoe regels: a. b. c. d.

over een bij de omgeving passende omvang en publieksaantrekkende werking; welke specifieke gebruiksactiviteit is toegestaan; dat opslag en stalling plaatsvindt in gebouwen; dat de ontwikkeling verplaatst naar een passende locatie als deze niet langer past binnen de maximaal toegestane omvang.

Lid 3. Als een binnen de omgeving passende omvang geldt voor: a. bedrijvigheid, dat deze kleinschalig is en past binnen een gemengde omgeving waardoor het niet doelmatig is om deze te vestigen op een bedrijventerrein; b. een detailhandelsvoorziening, een omvang van het verkoopvloeroppervlak van ten hoogste 200 m²; c. een voorziening ten dienste van vrije-tijd en zorg, een omvang van de bebouwing van ten hoogste 1 hectare. Ad. 3.73, lid 1, sub a: De gemeente Best heeft bij het opstellen van beleid omtrent vrijkomende agrarische bebouwing voor verschillende gebieden onderzocht welke functies in de gebieden passend en wenselijk zijn. In paragraaf 3.3.4 Beleid vrijkomende agrarische bebouwing, wordt hier uitgebreid op ingegaan. Ad. 3.73, lid 1, sub b: Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt het gehele bouwperceel benut voor de gewenste bedrijfsvoering. Er zal geen sprake zijn van splitsing in meerdere functies en/of bouwpercelen. De aanwezige agrarische bedrijfswoning zal als bedrijfswoning bij het gewenste niet-agrarische bedrijf worden gebruikt. Er is daarmee eveneens geen sprake van de afsplitsing van de bedrijfswoning. Ad. 3.73, lid 1, sub c: Tussen de twee pluimveestallen is als verbinding een voormalige eierlokaal met aanbouw gerealiseerd. Hoewel deze bebouwing functioneel inzetbaar is als opslagruimte, wordt het voormalige eierlokaal met aanbouw gesloopt.

De sloop vindt plaats om de stedenbouwkundige kwaliteit te verhogen en het aanzicht te verzachten door de bouwmassa te verkleinen. Ad. 3.73, lid 1, sub d: Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van de vestiging van of de omschakeling naar een kantoorfunctie met een baliefunctie, geen sprake van activiteiten ten behoeve van een lawaaisport en geen sprake van de bewerking van mest. Ad 3.73, lid 2: In de bestemmingsregels wordt een specifieke beschijving van het type functie als ook de omvang van de activiteiten vastgelegd. Buitenopslag wordt hierbij uitgesloten. Ad 3.73, lid 3: De gemeente Best heeft bij het opstellen van beleid omtrent vrijkomende agrarische bebouwing voor verschillende gebieden onderzocht welke omvang passend is. In paragraaf 3.3.4 Beleid vrijkomende agrarische bebouwing, wordt hier uitgebreid op ingegaan. Bij onderhavige ontwikkeling is er geen sprake van een detailhandelsvoorziening of een een voorziening ten dienste van vrije-tijd en zorg, waarvoor in de 16

interimverordening een maximale maatvoering is opgenomen.

3.3.

Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie Buitengebied De gemeente Best heeft op 4 april 2016 de Structuurvisie Buitengebied, 'Vitaal vooruitzicht. Samen doen!' vastgesteld. Deze structuurvisie bevat het ruimtelijk beleid van de gemeente op hoofdlijnen met een doorkijk naar 2030. De structuurvisie is niet juridisch bindend, maar biedt het ruimtelijk kader bij het opstellen van bestemmingsplannen, waarin de beleidsuitgangspunten worden vastgelegd. De Structuurvisie Best 2030 geeft aan wat de overkoepelende doelen zijn voor de gemeente Best. De structuurvisie voor het buitengebied maakt keuzes op basis van actuele ontwikkelingen in het landelijke gebied en gaat specifiek in op thema's als duurzaamheid, natuur en landschap, landbouw, niet agrarische bedrijvigheid, recreatie, zorg, biodiversiteit, verkeer en woningbouw. Het uitbreiden van bestaande en toekennen van nieuwe functies in het landelijke gebied moet gepaard gaan met een kwaliteitsverbetering. Hiervoor geldt het adagium 'voor wat, hoort wat'. Dat betekent dat initiatieven een bijdrage dienen te leveren aan de economische, ecologische, ruimtelijke en sociaal-maatschappelijke vitaliteit van het gebied. Als leidraad hiervoor dient de 'Landschapsinvesteringsregeling Best'. Belangrijk is om te kijken of vrijgekomen gebouwen gesloopt of opgeknapt kunnen worden.

Op die manier is sprake van kwaliteitsverbetering van het landschap en krijgen nieuwe economische dragers in het buitengebied de ruimte. De gemeente wil leegstand, verpaupering en illegale activiteiten zoveel als mogelijk voorkomen. In de Structuurvisie Buitengebied van de gemeente Best wordt onderkend dat er sprake is van een afname van het aantal boerenbedrijven en de gemeente Best ziet deze vrijkomende locaties als kans voor revitalisering van het landelijk gebied, om het buitengebied economisch en sociaal vitaal te houden. Voor zover de aard en schaal van de bedrijvigheid niet voorschrijft dat deze op een bedrijventerrein thuishoort is het volgens de structuurvisie toelaatbaar. In het voorontwerpbestemmingsplan van de gemeente Best heeft de gemeente dit aan een aantal concrete criteria gekoppeld. De locatie is gelegen in het structuurvisiedeelgebied 'Agrarisch-recreatief landschap' in de nabijheid van een recreatieve verbinding. Het kampenlandschap, dit is het agrarisch gebied tussen de bebouwde kom van Best en de heide en natuurgebieden in het noorden, is een open agrarisch gebied. De landelijke sfeer, cultuurhistorische waarden en de rustiek zijn belangrijke kenmerken van dit landschap. De functie landbouw blijft in grote delen van het gebied richtinggevend naast het versterken van dagrecreatief medegebruik.

Te denken valt aan verbrede landbouwfuncties als educatie op de boerderij, verkoop van streekproducten, een boerenterras en de organisatie van workshops. Verder is ruimte voor niet- agrarische bedrijvigheid in de vorm van ambachtelijke bedrijfjes en dienstverlening. Bij vestiging van nieuwe bedrijven worden bestaande (agrarische) bedrijven niet belemmerd in hun bedrijfsvoering.

17

Uitsnede kaartbeeld Structuurvisie Buitengebied. Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl. Onderhavig initiatief voor de herbestemming van de voormalige veehouderijlocatie naar een bedrijfsbestemming voor niet-agrarische bedrijvigheid in de vorm van een verhuurbedrijf van opslagruimte past in beginsel binnen de structuurvisie. Er is sprake van bedrijf dat qua aard en omvang passend is in dit deel van het buitengebied, waarbij een tegenprestatie wordt gegeven die recht doet aan de Landschapsinvesteringsregeling en de omliggende agrarische bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden belemmerd. 3.3.2 Voorontwerpbestemmingsplan Buitengebied Best 2019 Het voorontwerpbestemmingsplan Buitengebied Best 2019 heeft vanaf 6 februari 2019 gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Zoals reeds aangegeven in paragraaf 3.3.1 heeft de gemeente Best in dit voorontwerpbestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om een agrarische bestemming te wijzigen in een bedrijfsbestemming ten behoeve van niet-agrarische bedrijvigheid. Hierbij dient aan de volgende voorwaarden voldaan te worden: a. de omvang van het bestemmingsvlak bedraagt niet meer dan 5.000 m², met dien verstande dat het bestemmingsvlak hiertoe niet mag worden vergroot; b. er wordt voldaan aan de stikstofbepaling zoals deze is opgenomen in 4.4.1; c.

ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - groenblauwe mantel' gaat de ontwikkeling gepaard met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van de groenblauwe mantel; buiten deze aanduiding draagt de ontwikkeling bij aan de doelstelling van een gemengd landelijk gebied; d. de beoogde ontwikkeling leidt niet tot een al dan niet zelfstandige kantoorvoorziening met een baliefunctie; e. er is aangetoond dat de ruimtelijke ontwikkeling ook op langere termijn past binnen de op grond van het wijzigingsplan toegestane omvang; f. de nieuwe functie is passend op de locatie en passend in de omgeving; g. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven; h. de functie levert een bijdrage aan de economische, ruimtelijke en/of sociaalmaatschappelijke vitaliteit van het buitengebied; 18

i.

er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing op basis van een door de gemeente goedgekeurd erfbeplantingsplan; j. er wordt voldaan aan de meest recente Landschapsinvesteringsregeling (LIR); k. buitenopslag is niet toegestaan; l. grootschalige (licht)reclame is niet toegestaan; m. de in het gebied aanwezige waarden mogen niet onevenredig worden aangetast; n. een combinatie van functies is mogelijk, zolang zich dit presenteert als één bedrijf. De gezamenlijke functies mogen gezamenlijk niet meer bedragen dan het maximum dat voor één enkele functie is gesteld, waarbij eveneens het individuele maximum voor de betreffende functie niet mag worden overschreden; o. de overtollige agrarische bebouwing dient gesloopt te worden, met uitzondering van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden'; p. de niet-agrarische functie mag geen onevenredige publieks- en/of verkeersaantrekkende werking tot gevolg hebben; q. detailhandel is uitsluitend toegestaan als ondergeschikte functie bij de te vestigen hoofdfunctie tot een maximale oppervlakte van 200 m².; r. alleen bedrijven die voorkomen in categorie 1 en 2 van Bijlage 17 Lijst van bedrijfsactiviteiten, zijn toegestaan. Ad a; In de huidige situatie is er sprake van een agrarisch bouwvlak met een omvang van circa 8.300 m².

Bij de voorgenomen ontwikkeling zal het bouwperceel (bestemmingsvlak en tevens bouwvlak), om te kunnen voorzien in voldoende verharding en manoeuvreerruimte voor (vracht)verkeer, een oppervlakte krijgen van 5.000 m², waarbij de landschapselementen, die deel uitmaken van de landschappelijke inpassing een specifieke bestemming krijgen. Ad b; Er mag geen sprake zijn van het gebruiken of laten gebruiken van gronden en bouwwerken, waarbij een toename plaatsvindt vanuit de betreffende gronden of bouwwerken. In de huidige situatie is er sprake van een milieuvergunning waarbij er op de locatie 11.000 stuks kippen gehouden mogen worden met de bijbehorende stikstofuitstoot. In de beoogde situatie komt deze uitstoot te vervallen en resteert enkel stikstofuitstoot ten gevolge van verkeer. Dit is vele malen minder. Een toename van de uitstoot van stikstof kan derhalve uitgesloten worden. Ad c; Ten behoeve van dit voornemen is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld dat de landschappelijke waarden en kenmerken van de groenblauwe mantel versterkt. Dit plan is als bijlage aan dit schrijven gevoegd. Hiermee past de voorgenomen ontwikkeling binnen de beoogde ontwikkeling van het gemengd landelijk gebied. Ad d; Er is geen sprake van de ontwikkeling van een zelfstandige kantoorvoorziening met baliefunctie.

Ad e; Bij de voorgenomen ontwikkeling zal circa 1.915 m² aan bedrijfsbebouwing worden gebruikt voor de beoogde functie. Dit is voldoende om een bedrijf uit te voeren met voldoende economisch perspectief, ook in de toekomst. De initiatiefnemer is, na realisatie van de voorgenomen ontwikkeling, niet voornemens het bedrijf op korte termijn uit te breiden. De gevraagde omvang biedt voldoende houvast om ook op lange(re) termijn te kunnen voorzien in een voldoende stabiele bedrijfsvoering. Bij een wens tot groei, wat helemaal niet in de lijn der verwachting ligt, zal het bedrijf zich verplaatsen naar een bedrijventerrein. Ad f; In de directe omgeving is nu al sprake van functiemenging. Naast agrarische bedrijvigheid vindt er ook al burgerbewoning en niet-agrarische bedrijvigheid in de vorm van statische opslag en een tuincentrum plaats. Het omzetten van de agrarische bedrijvigheid naar niet-agrarische bedrijvigheid is passende binnen de bestaande functionele karakteristiek van de directe omgeving. Ad g; Een opslagverhuurbedrijf is niet-agrarische bedrijvigheid dat valt onder milieucategorie 2. In een gebied waar sprake is van functiemenging betekent dit dat er een richtafstand van 10 meter in acht dient te worden genomen. Deze afstand wordt door de fysieke scheiding van de bedrijfslocatie door een weg ten opzichte van percelen van derden altijd behaald.

Verder wordt er geen geurgevoelig object opgericht, waardoor de omliggende agrarische bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt. Ad h; Met de beoogde herbestemming wordt economische en ruimtelijke vitaliteit van het buitengebied versterkt. Er wordt een nieuwe economische drager gevonden voor vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing in het buitengebied en de ruimtelijke kwaliteit wordt versterkt door een klein deel sloop 19

van overtollige bedrijfsbebouwing en een verdere landschappelijke inpassing van het bedrijfsperceel. Ad i en j; Zoals in paragraaf 2.2.1 en 2.2.2 is uiteengezet is er een landschappelijk inpassingsplan opgesteld door Van Dooren Landschap. Dit landschappelijk inpassingsplan draagt bij een goede landschappelijk inpassing en in voldoende mate aan de vereiste ruimtelijke kwaliteitsverbetering. Ad k; er is geen sprake van buitenopslag. Ad l; er is geen sprake van grootschalige (licht)reclame. Ad m; Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van omschakeling van een agrarisch bedrijf naar een niet-agrarisch bedrijf. Zoals nader aangetoond in het hoofdstuk "Ruimtelijke- en milieuaspecten" (hoofdstuk 4) zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen van de in het gebied voorkomende waarden onevenredig worden geschaad. Ad n; Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van splitsing in twee of meer afzonderlijke bedrijven. Het gehele bedrijf zal worden omgeschakeld. De bedrijven die opslagruimte huren mogen zich niet vestigen op de initiatieflocatie, maar dienen elders gevestigd te zijn. Ad o; Bij de voorgenomen ontwikkeling zal ongeveer 210 m² aan bestaande bedrijfsgebouwen worden gesloopt. Deze bebouwing zal niet worden gebruikt ten behoeve van de gewenste vervolgfunctie(s) en is derhalve als overtollige bebouwing aan te merken.

Er is bij de voorgenomen ontwikkeling daarmee sprake van sloop van overtollige bebouwing. Ad p; De opslag heeft betrekking op opslag voor bedrijven en particulieren. De verkeersaantrekkende werking is hiermee klein en zal in hoofdzaak niet groter zijn dan het 's ochtend en/of 's avonds brengen en halen van goederen. Het aantal units is beperkt, waardoor ook het aantal personen dat de locatie aandoet beperkt is. Ad q; Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een zelfstandige detailhandelsvoorziening. Ad r; Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt voorzien in een bedrijf dat opslagruimte verhuurt aan bedrijven en particulieren, zijnde statische en niet-statische opslag. Opslaggebouwen wordt specifiek genoemd in bijlage 17 (SBI-2008 52109). Dit type bedrijvigheid valt onder milieucategorie 2. Zoals blijkt uit bovenstaande uiteenzetting is de beoogde herbestemming passend binnen de kaders die hiervoor gesteld zijn binnen het voorontwerpbestemmingsplan Buitengebied 2019. 3.3.3 Landschapsinvesteringsregeling Best Voor ontwikkelingen in het buitengebied geldt vanuit provinciaal en gemeentelijk beleid een verplichting tot het investeren in de ruimtelijke kwaliteit. Daarbij staat centraal dat een ontwikkeling moet bijdragen aan de kwaliteit van het buitengebied.

In samenwerking met de provincie actualiseert de gemeente Best gelijktijdig met de herziening van het bestemmingsplan Buitengebied Best de Landschapsinvesteringsregeling, waarin is opgenomen in welke mate bij nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied moet worden geïnvesteerd in de ruimtelijke kwaliteit. In de Landschapsinvesteringsregeling wordt onderscheid gemaakt tussen drie categorieën voor ontwikkelingen: Categorie 1: Ruimtelijke ontwikkelingen die geen wezenlijke ruimtelijke impact hebben. Deze ontwikkelingen vereisen geen (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap; Categorie 2: Ruimtelijke ontwikkelingen die een relatief beperkte invloed op de omgeving hebben en (traditioneel) als passend binnen en eigen aan het landelijk gebied worden beschouwd. Bij dit type ontwikkelingen wordt de kwaliteitsverbetering van het landschap vormgegeven door te voorzien in een goede landschappelijke inpassing. Categorie 3: Alle ruimtelijke ontwikkelingen welke niet passen in categorie 1 of 2. Bij dit type ruimtelijke ontwikkelingen wordt de basisinspanning voor kwaliteitsverbetering vormgegeven door een goede landschappelijke inpassing en een financieel bijdrage. Omschakeling van een agrarisch bedrijf naar een niet-agrarisch bedrijf wordt gezien als een ontwikkeling in categorie 3. Omdat sprake is van een ontwikkeling in categorie 3 is, naast een goede landschappelijke 20

inpassing, een aanvullende investering in de ruimtelijke kwaliteit noodzakelijk. Bij een functiewijziging zonder uitbreiding bestemmingsvlak, bouwvlak of bebouwing gaat dit om een bedrag van € 1,- per m². In de beoogde situatie is er sprake van een bestemmingsvlak met een omvang van 5.000 m², wat de financiële bijdrage brengt op € 5.000,-. De volgende onderdelen van het landschappelijk inrichtingsplan worden als investering in de ruimtelijke kwaliteit gezien en mogen derhalve meegenomen worden in de berekening van de mate van investeren: Sloop bedrijfsbebouwing (218 m²) Verwijderen erfverharding (190 m²) Aanleg haag en fruitboomgaard op het tussenerf Aanleg bloemrijke rand In onderstaande afbeelding is middels de hiervoor forfaitaire bedragen van de gemeente Best en het STIKA, berekend wat de financiële inspanning is. Samen vertegenwoordigen deze onderdelen een waarde van € 6.063,06. Gesteld kan worden dat met de voorgenomen ontwikkeling daarmee in voldoende mate wordt geïnvesteerd in de ruimtelijke kwaliteit. Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de uitgangspunten zoals zijn verwoord in de landschapsinvesteringsregeling Best van de gemeente Best.

21

Berekening financiële tegenprestatie. Bron: Van Dooren Landschap.

3.3.4 Beleid vrijkomende agrarische bebouwing Bij vaststelling van de Nota van Uitgangspunen voor het nieuwe bestemmingsplan 'Buitengebied' heeft de gemeenteraad geconstateerd dat er behoefte is aan een concreet kader voor het toetsen van initatieven op vrijkomende agrarsiche bedrijfslocaties. Op 20 maart 2020 is diit beleid door de gemeenteraad vastgesteld. Binnen de gemeente Best wordt meer ontwikkelingsruimte gegeven aan nieuwe functies in vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen. Ook aan functies die niet aan het buitengebied buitengebied gebonden zijn. Als voorwaarde wordt wel gesteld dat de functies qua aard en schaal passen in het buitengebied en niet concurreren met functies op het bedrijventerrein of in het centrum. Binnen het beleidskader past in beginsel het hergebruik van vrijkomende bebouwing voor statische en niet-statische opslag voor bedrijven en particulieren. Wel is dit nog gekoppeld aan een kwalitatief 22

afwegingskader, waarvoor een stappenplan doorlopen dient te worden. Onderstaand wordt voor onderhavig initatief het stappenplan doorlopen en gemotiveerd op welek wijze hier invulling aan wordt gegeven. Stap 1. 'Gewenstheid' ontwikkeling a. Ontwikkelingen dienen te passen binnen de doelstellingen van het buitengebied; b. Ontwikkelingen op vrijkomende agrarische locaties dienen een toegevoegde waarde te hebben. Ad 1a: In paragraaf 3.3.1 Structuurvisie Buitengebied is reeds gemotiveerd dat onderhavige ontwikkeling niet strijdig is met de doelstellingen voor het structuurvisiedeelgebied 'Agrarisch-recreatief landschap'. Derhalve is onderhavige ontwikkeling passend binnen de doelstellingen van het buitengebied. Ad 1b: Op diverse wijzen heeft onderhavige ontwikkeling een toegevoegde waarde. Allereerst wordt een intensief veehouderij gesaneerd, waarbij het woon- en leefklimaat ter plaatse aanzienlijk verbeterd door het wegnemen van de milieucontouren van de pluimveehouderij. Het gaat dan met name om geur, fijn stof, ammoniak en endotoxinen. Stap 2. Gebiedskenmerken en kwaliteiten Het gebied, met haar specifieke kenmerken en kwaliteiten, dient geschikt te zijn voor de nieuwe ontwikkeling. Ad 2: In hoofdstuk 4 Ruimtelijke- en milieuaspecten wordt uitgebreid ingegaan op de wijze waarop de nieuwe ontwikkeling passend is op onderhavige locatie. Stap 3. Aard en impact ontwikkeling a.

De aanvaardbaarheid van de ontwikkeling wordt mede ingegeven door de aard van de ontwikkeling; b. De aanvaardbaarheid van een ontwikkeling is mede afhankelijk van de impact van de nieuwe ontwikkeling. Ad 3a: Statische en niet-statische opslag voor bedrijven en particulieren is een gebiedsvreemde functie. Deze functies zijn niet bij voorbaat uitgesloten, mits deze ontwikkelingen kleinschalig zijn en weinig impact op de omgeving hebben. Zij mogen niet concurreren met functies op het bedrijventerrein of in het centrum. Onderhavige ontwikkeling is niet concurrerend met bestaande bedrijventerreinen in de regio. De doelgroep voor de opslagruimte is financieel niet in staat om 1.000 m2 loods op een bedrijventerrein te huren. Het zal voornamelijk om startende ondernemers e2n ZZP'ers gaan die geen werkzaamheden op de voorgestelde locatie uitvoeren, maar op locaties elders in de omgeving. Ad 3b: De impact wordt bepaald door: de omvang van de ontwikkeling De omvang beperkt zich tot het hergebruik van twee pluimveestallen met een omvang van circa 1.870 m2. Er wordt geen buitenruimte benut voor de beoogde functie. Het bouwvlak wordt hier teruggebracht naar 5.000 m2. al dan niet sprake van nieuw ruimtebeslag 23

Er is geen sprake van nieuw ruimtebeslag. De oppervlakte aan bedrijfsbebouwing wordt gereduceerd met circa 210 m2 en het bouwvlak wordt ingekrompen met circa 3.300 m2. de aard van de ontwikkeling en mogelijke hinder voor de omgeving In hoofdstuk 4 Ruimtelijke- en milieuaspecten wordt uitgebreid ingegaan op de aard van de ontwikkeling en mogelijke hinder voor de omgeving. visuele hinder In het landschapsplan is een analyse gemaakt van de locatie. Op basis van deze analyse is gekomen tot een inrichtingsvoorstel dat recht doet aan de locatie en haar omgeving. Stap 4: Ontwikkelingsruimte De omvang van een actviteit moet aansluiten op de maat en schaal van de omgeving. Ad 4: Voor gebiedsvreemde functies in het buitengebied wordt in beginsel aangesloten bij de kaders van de voormalige provincale Verordening ruimte. Het gaat dan om het volgende: bouwperceel: maximaal 5.000 m2; milieucategorie 1 en 2. Bij onderhavige ontwikkeling wordt het bouwperceel ingekrompen tot 5.000 m2. Een opslaggebouw valt onder bedrijvigheid met milieucategorie 2 (SBI-2008 52109). Stap 5.

Randvoorwaarden Ontwikkelingen dienen aan een aantal randvoorwaarden, spelregels, en/of ontwerpprincipes te voldoen om tot uitvoering van het initiatief te kunnen komen; Ad 5: In paragraaf 2.2 Gewenste situatie, hoofdstuk 4 Ruimtelijke- en milieuaspecten en bijlage 1 Landschappelijk inrichtingsplan wordt uitgebreid ingegaan op aspecten als verkeer, woon- en leefklimaat, inrichtingscondities vanuit landschap, stedenbouw en beeldkwaliteit, zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en cultuurhistorie. Stap 6. Invulling principe 'verdien de ruimte' Ruimtelijke ontwikkelingen dienen gepaard te gaan met een kwaliteitsverbetering van het landschap. Ad 6: In paragraaf 3.3.3 Landschapsinvesteringsregeling Best, is uitgebreid stilgestaan bij de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de kwaliteitsverbetering van het landschap. Uit bovenstaande uitzetting blijkt dat de vestiging van een niet-agrarisch bedrijf in de vorm van een bedrijf dat statische en niet-statische opslag aanbeidt aan bedrijven en particuliere past binnen de kaders die gesteld worden in het beleid omtrent vrijkomende agrarische bebouwing.

24

Hoofdstuk 4 4.1.

Ruimtelijke- en milieuaspecten

Milieu

4.1.1 Milieuzonering Bij de gewenste ontwikkeling wordt het agrarisch (intensieve veehouderij)bedrijf ter plaatse beëindigd en omgeschakeld naar een niet-agrarisch bedrijf zijnde een bedrijf voor statische en niet-statische opslag van goederen van bedrijven en particulieren, een opslaggebouw. Voor een dergelijke functie zijn in de handreiking de volgende richtafstanden opgenomen: Geur: 0 meter. Stof: 0 meter. Geluid: 30 meter. Gevaar: 10 meter. De richtafstanden in de VNG-brochure zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype, zoals rustig buitengebied. Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kleinere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype gemengd gebied. In dat geval kunnen de richtafstanden, blijkens de toelichting op de systematiek, zonder dat dit ten kosten gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap worden verlaagd. In het voorliggende plan is sprake van omgevingstype “gemengd gebied”. Er is namelijk sprake van een gemengd gebied als direct naast woningen andere functies voorkomen, zoals winkels, horeca, en kleine bedrijven. In de directe omgeving van de initiatieflocatie komen naast agrarische bedrijven, ook niet-agrarische bedrijven voor als ook burgerwoningen.

Kenmerkend voor het omgevingstype gemengd gebied is dat sprake is van een zekere verstoring en dus van een relevant andere omgevingskwaliteit dan in een rustig woongebied. De aan te houden richtafstand wordt verlaagd met een afstandsstap tot 10 meter. Het dichtstbijzijnd gevoelig object dat geen onderdeel uitmaakt van de inrichting betreft de woning aan de Driehoekweg 5 en bevindt zich op een afstand van ongeveer 12 meter (gemeten van grens van het gewenste bouwvlak tot de bestemmingsgrens van de betreffende woning). De beide bestemmingsvlakken worden gescheiden door de Driehoekweg. Hiermee wordt aan de gestelde richtafstanden voldaan en zal met de voorgenomen ontwikkeling geen onevenredige hinder worden veroorzaakt aan gevoelige objecten in de omgeving. Naast het feit dat een ruimtelijke ontwikkeling geen onevenredige hinder aan gevoelige objecten in de omgeving mag veroorzaken mag deze ook niet leiden tot beperkingen van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven, functies en bestemmingen. Dit is echter vooral van belang wanneer sprake is van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van een nieuw gevoelig object. Een bedrijf dat opslagruimten verhuurt betreft geen verblijfsfunctie. Het bezoek van gebruikers van de diensten is niet permanent en vaak zeer kortdurend.

Ook de werkzaamheden in de bebouwing zijn niet van dusdanige aard dat in de gebouwen sprake is van een verblijf. Er is daarmee geen sprake van een gevoelig object of van een verblijfsruimte. Nabij de locatie zijn voornamelijk burgerwoningen gelegen. Verder zijn nabij de locatie de volgende inrichtingen gelegen: Aarleseweg 31: agrarische bedrijf zijnde een pluimveehouderij. Mosselaarweg 18: niet-agrarisch bedrijf zijnde een caravanstalling. Aarleseweg 31: Het bedrijf aan de Aarleseweg 31 betreft een agrarisch bedrijf zijnde een pluimveehouderij. De richtafstanden bedragen 100 meter voor geur, 30 meter voor geluid en 10 meter voor stof in het omgevingstype gemengd gebied. De afstand van het betreffende bedrijf tot aan de initiatieflocatie is circa 26 meter (gemeten van grens bouwvlak tot grens bestemmingsvlak. Hiermee wordt niet aan de gestelde richtafstanden voldaan. Het opslaggebouw dat aan deze zijde van het bestemmingsvlak gelegen is betreft 25

echter geen gevoelig object. Het is naar aard niet geschikt voor menselijk verblijf. Andere activiteiten dan het opslaan van goederen is niet toegestaan. Het gebouw wordt enkel betreden door personen voor het halen of brengen van goederen, een kortdurende activiteit. Derhalve dient getoetst te worden aan het meest nabij gelegen gevoelige object. Dit is de bedrijfswoning op een afstand van 137 meter. Tot deze woning wordt voldoende afstand in acht genomen. Het pluimveebedrijf wordt niet in haar ontwikkelingsmogelijkheden beperkt. Mosselaarweg 18: Het bedrijf aan de Mosselaarweg 18 betreft een niet-agrarisch bedrijf. Voor het bedrijf is een specifieke aanduiding opgenomen voor een caravanstalling. De grootste richtafstand voor een bedrijf in milieucategorie 2 in het omgevingstype gemengd gebied is 10 meter. De afstand van het betreffende bedrijf tot aan de initiatieflocatie is circa 14 meter. Hiermee wordt aan de gestelde richtafstanden voldaan, waarmee dit bedrijf niet in de ontwikkelingsmogelijkheden wordt beperkt. Gezien het voorgaande zal geen sprake zijn van beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven en functies.

4.1.2 Geur Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van beëindiging van een agrarisch bedrijf waarbij dit wordt omgeschakeld naar een niet-agrarisch bedrijf voor statische en niet statische opslag van goederen voor bedrijven en particulieren. Daarbij wordt de bestaande bedrijfswoning van het bedrijf een bedrijfswoning van het niet-agrarische bedrijf. Zowel een bedrijf voor statische en niet statische opslag van goederen voor bedrijven en particulieren als een bedrijfswoning veroorzaken geen geurhinder aan de omgeving. Hiermee zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een toename van de geurbelasting aan gevoelige objecten in de omgeving. Wel wordt de bedrijfswoning bij een intensieve veehouderij omgeschakeld naar een bedrijfswoning bij een niet-agrarisch bedrijf. Regelgeving met betrekking tot geuremissie van veehouderijbedrijven is vastgelegd binnen de Wet geurhinder en veehouderij (W.g.v.). Sinds de invoering van de W.g.v. geldt er voor geurhinder één toetsingskader voor heel Nederland. De W.g.v. beschermt zogenaamde geurgevoelige objecten door middel van normen tegen overmatige geurhinder van veehouderijbedrijven. Geurgevoelige objecten zijn gebouwen die bestemd zijn voor menselijk wonen of menselijk verblijf.

Geurgevoelige objecten moeten op basis van de geldende geurnorm buiten de geurcontour van een veehouderij worden gerealiseerd, tenzij er aangetoond wordt dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en verblijfklimaat op de planlocatie zelf. De W.g.v. bevat normen voor geurgevoelige objecten ten opzichte van bestaande veehouderijen uitgedrukt in Europese odour eenheden per m3 lucht (OUE/m3). Bij gemeentelijke verordening is het mogelijk om zowel de geurnormen als de vaste afstanden te wijzigen. De gemeente Best heeft een geurverordening vastgesteld, waardoor aan deze gemeentelijke normen getoetst dient te worden. Ter plaatse van de projectlocatie wordt een achtergrondbelasting tot 20 OUE/m3 aanvaardbaar geacht. Voor de voorgrondbelasting wordt een waarde van 12,0 OUE/m3 gehanteerd. Door het berekenen van de achtergrondbelasting met het verspreidingsprogramma V-Stacks gebied wordt vastgesteld of er ter plaatse van de projectlocatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Als geuruitstotende bronnen zijn alle bedrijven meegenomen binnen een straal van 2 km van de initiatieflocatie. Voor de emissiegegevens op bedrijfsniveau is BvB Brabant geraadpleegd. In onderstaande figuur zijn de resultaten van de verspreidingsberekening weergeven.

26

Resultaten berekening achtergrondbelasting geur. Bron: ZLTO. Een achtergrondbelasting van maximaal 9,2 OUE/m3 is ter plaatse van de projectlocatie aanvaardbaar, waardoor het woon- en leefklimaat voor dit aspect voldoende is. De voorgrondbelasting is berekend met Vstacks-gebied vanuit de meest nabij gelegen veehouderijen waar dieren gehouden worden met geuremissie. Uit deze berekening geldt dat er voor alle veehouderijen in de directe omgeving geen sprake zal zijn van een overschrijding van de norm van 12,0 OUE/m3. De voorgrondbelasting is ten gevolge van het pluimveebedrijf aan de Aarleseweg 31 het hoogste en bedraagt 4,79 OUE/m3. Ter plaatse van de bedrijfswoning aan de Mosselaarweg 9b is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor wat betreft het aspect geur. 4.1.3 Luchtkwaliteit De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de Wet milieubeheer (Wmb) goedgekeurd (Stb. 2007, 414) en vervolgens is de wijziging op 15 november 2007 in werking getreden. Met name paragraaf 5.2 uit Wmb is veranderd. Omdat paragraaf 5.2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe paragraaf 5.2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit.

Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). De Eerste Kamer is op 9 oktober 2007 akkoord gegaan met het wetsvoorstel over luchtkwaliteitseisen. Projecten die 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) aan de luchtverontreiniging, hoeven volgens het wetsvoorstel niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Het Besluit NIBM omschrijft het begrip nader: een project dat minder dan 3% van de grenswaarden bijdraagt is NIBM. Dit komt overeen met 1,2 microgram per kubieke meter lucht (µg/m³) voor fijnstof en stikstofoxiden (NO2). Projecten die wel 'in betekenende mate' bijdragen, zijn vaak al opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is erop gericht om overal de Europese grenswaarden te halen. Daarom is ook een pakket aan maatregelen opgenomen: zowel (generieke) rijksmaatregelen als locatiespecifieke maatregelen van gemeenten en provincies. Dit pakket aan maatregelen zorgt ervoor dat alle negatieve effecten van de geplande ruimtelijke ontwikkelingen ruim worden gecompenseerd. Bovendien worden alle huidige overschrijdingen tijdig opgelost. In het NSL worden de effecten van alle NIBM-projecten verdisconteerd in de autonome ontwikkeling.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11749801/1