CConstaterende datBest
Koppel je AI →
Document · PDF

22046.10 - Bijlage 8.24 - Ruimtelijke onderbouwing Mosselaarweg 9

Raadsvergadering 26 september 2022, gemeente BestBij agendapunt: 22046 - Bestemmingsplan Buitengebied13.794 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

5.3

Spuitzone bestrijdingsmiddelen

Bij het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen komt drift vrij. Drift is een term die gebruikt wordt voor de spuitvloeistof die tijdens de bespuiting buiten het te behandelen gebied terecht komt als gevolg van wind- en luchtstromen. Derhalve dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening bij het realiseren van een nieuwe woning afstand te worden gehouden tussen gevoelige objecten (zoals een nieuwe woning) en boomgaarden en boomkwekerijen. Drift is hoger bij toepassing in fruitteelt dan bij de akkerbouw en lage bomenteelt, waarbij voornamelijk neerwaarts wordt gespoten. Ten oosten van het plangebied zijn enkele percelen cultuurgrond, in gebruik als boomkwekerij, gelegen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet bij de toevoeging van een nieuwe woning een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Op grond van deze afweging kan het noodzakelijk zijn om een spuitvrije zone aan te houden. Welke afstand (minimaal) aangehouden moet worden, is niet in een wettelijke regeling voorgeschreven. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen woningen en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt.

Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Uit rechtspraak volgt dat dit een locatiespecifiek onderzoek moet zijn. Zo blijkt uit jurisprudentie dat door afschermende bebouwing en afschermende groene beplanting de spuitzone terug gebracht kan worden. Jurisprudentie geeft aan

VOORONTWERP Crijns Rentmeesters bv

31

Ruimtelijke onderbouwing ‘Mosselaarweg 9 Best’ - Toelichting

dat, indien er afschermende groene beplanting aanwezig is, die zich bevindt op de perceelsgrens een afstand van tenminste 10 meter vanaf de beplanting kan worden gehanteerd. De percelen waarop boomteelt wordt toegepast zijn gelegen op een afstand van 25 meter en meer vanaf de woning. Alle percelen zijn daarbij omzoomd door een groenhaag. Deze groenhaag schermt de woning af tegen bestrijdingsmiddelen en zorgt er voor dat vanaf dit perceel een afstand van 10 meter tot een woonbestemming volstaat. De werkelijke afstand is 25 meter en daarmee is er voor dit perceel dan ook geen probleem.

5.4

Geluid

De Wet geluidhinder (Wgh) biedt geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerlawaai bij de aanleg/wijziging van wegen of bij de bouw van woningen in de buurt van wegen. De reikwijdte van de Wgh is beperkt tot een geluidszone langs wegen. Binnen deze geluidszone zijn de regels van de Wgh van toepassing. De Wgh niet geldt voor 30-km wegen en voor woonerven. De systematiek van de zonering Wet geluidhinder voor wegverkeer houdt in dat langs een (toekomstige) verkeersweg een geluidszone ligt waarbinnen in een aantal situaties bescherming wordt geboden aan geluidsgevoelige bestemmingen. Deze bescherming geldt in de volgende situaties:

-

via een ruimtelijk besluit de aanleg van een weg mogelijk maken; via een ruimtelijk besluit een geluidsgevoelige bestemming in de zone realiseren; de reconstructie/wijziging van een bestaande weg.

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan hoeven bestaande geluidsgevoelige bestemmingen gelegen in een geluidszone van bestaande wegen niet getoetst te worden (artikel 76 lid 3 Wgh). In onderhavige situatie betekent dat dat ten aanzien van de reeds bestaande woning binnen het plangebied geen akoestisch onderzoek inzake de geluidbelasting ten gevolge van wegverkeer hoeft te worden uitgevoerd. De beoogde ontwikkeling heeft geen toevoeging van geluidgevoelige bestemmingen tot gevolg. In het kader van de herontwikkeling wordt dan ook geen akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd.

5.5

Bodem

Als gevolg van de beoogde herontwikkeling worden geen bodemingrepen beoogd. De functie van de naar burgerwoning om te zetten bedrijfswoning, zijnde ‘wonen’, wijzigt als gevolg van de beoogde herontwikkeling niet. In het kader van de beoogde herontwikkeling is een onderzoek naar de bodemkwaliteit ter plaatse dan ook niet noodzakelijk.

5.6

Waterhuishouding

5.6.1

Inleiding

Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante plannen en besluiten. De watertoets is in het leven geroepen omdat met name het waterbeleid een wezenlijk andere oriëntatie heeft gekregen: van reageren naar anticiperen. Water heeft een aantal specifieke

VOORONTWERP Crijns Rentmeesters bv

32

Ruimtelijke onderbouwing ‘Mosselaarweg 9 Best’ - Toelichting

kwantitatieve en kwalitatieve eigenschappen waar de ruimtelijke ordening rekening mee moet houden. Een watertoets maakt de mogelijke negatieve invloeden van het initiatief binnen het plangebied inzichtelijk. Tevens geeft de watertoets oplossingsrichtingen aan waarmee mogelijke optredende negatieve invloeden beperkt of ongedaan gemaakt kunnen worden. Het waterschap heeft een aantal principes gedestilleerd, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Het plangebied valt onder het beheer van waterschap De Dommel.

5.6.2

Relevant waterschapsbeleid

5.6.2.1

Keur 2015

Voor waterhuishoudkundige ingrepen in het plangebied is de ‘Keur Waterschap De Dommel 2015’ van toepassing. De keur is een verordening met de regels die het waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen (sloten, beken en rivieren) en bijbehorende kunstwerken (gemalen, stuwen). Navolgend is een uitsnede van de Keurkaart 2015 weergegeven.

Figuur 16: Uitsnede Keurkaart 2015

Het plangebied is op de kaart behorende bij de ‘Keur Waterschap De Dommel 2015’ niet aangewezen als gelegen in beschermd gebied of attentiegebied. 5.6.2.2

Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen

De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak

toeneemt.

Deze

(beleids)uitgangspunten

zijn

geformuleerd

in

de

‘Beleidsregel

Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel VOORONTWERP Crijns Rentmeesters bv

33

Ruimtelijke onderbouwing ‘Mosselaarweg 9 Best’ - Toelichting

er relatief veel kleine plannen zijn, veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 2.000 m², 2.000 m² tot 10.000 m² en meer dan 10.000 m². Met de beoogde herontwikkeling wordt er geen extra verhard oppervlak voorzien. Op basis van de Keur en de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’ wordt dan ook geen compensatie vereist.

5.6.3

Gemeentelijk beleid

5.6.3.1

Waterplan Best

In oktober 2005 heeft de gemeente Best samen met Waterschap De Dommel, provincie NoordBrabant en Brabant Water het ‘Waterplan Best, Op naar een veerkrachtig watersysteem’ opgesteld. Het waterplan omvat een visie voor Best tot 2020. Het Waterplan Best dient als input en toetsingskader voor de diverse lopende projecten en processen binnen het gemeentelijk grondgebied. De visie is onderverdeeld naar vier thema’s aan de hand waarvan de waterproblematiek beschreven en

aangepakt

kan

worden.

Deze

waterthema’s

zijn

waterkwaliteit,

verdrogingsbestrijding,

wateroverlast en waterbeleving. Met het thema wateroverlast wordt bedoeld dat er in 2020 een natuurlijk evenwicht bestaat tussen water en de gebruiksfunctie bebouwing. Door de grote oppervlakten verharding in de bebouwde omgeving, kan het regenwater niet meer op natuurlijke wijze in de grond infiltreren en/of afstromen naar beken. Piekafvoeren in inundaties buiten het stedelijk gebied zijn het gevolg. Binnen een veerkrachtig systeem dient water de ruimte te krijgen. Derhalve hanteert de gemeente Best het principe ‘Infiltreren - vasthouden – afvoeren’. 5.6.3.2

Water- en rioleringsplan 2016 - 2020

Sinds 1 januari 2008 zijn gemeenten verantwoordelijk voor het hemelwater, het afvalwater en het grondwater. De gemeente best heeft het ‘Water- en rioleringsplan 2016 – 2020’ opgesteld. Door diverse wijzigingen in wet- en regelgeving is de situatie ontstaan dat het verbreed gemeentelijk rioleringsplan en het Waterplan grotendeels overlappen wat betreft de reikwijdte, visie en uitvoeringsprogramma. In het Water- en rioleringsplan is een aantal opgaven en speerpunten per aspect weergegeven: -

-

-

Stedelijk afvalwater: o

Inzameling van stedelijk afvalwater;

o

Transport van het stedelijk afvalwater naar een geschikt lozingspunt;

o

Continueren huidige rioleringszorg.

Hemelwater: o

Inzameling van hemelwater;

o

Verwerken van ingezameld hemelwater;

o

Inspelen op klimaatverandering.

Grondwater: o

-

Voorkomen van grondwateroverlast.

Oppervlaktewater: o

Waterlopen en waterpartijen als drager voor recreatie en natuur;

o

Mede invulling geven aan de doelen uit de Kaderrichtlijn Water (KRW).

VOORONTWERP Crijns Rentmeesters bv

34

Ruimtelijke onderbouwing ‘Mosselaarweg 9 Best’ - Toelichting

-

Organisatie en financiën: o

Doelmatige invulling watertaken;

o

Kostendekkende rioolheffing;

o

Toereikende personele capaciteit gemeentelijke watertaken;

o

Samenwerken in de afvalwaterketen;

o

Communicatie naar inwoners en perceelseigenaren intensiveren.

Alle percelen waar afvalwater vrij komt zijn aangesloten op (druk)riolering. Nieuwe lozers van afvalwater dienen te voldoen aan de regels uit het betreffende lozingsbesluit. De aanlegkosten van een aansluiting op een voorziening zijn voor rekening van de aanvrager/initiatiefnemer. In het buitengebied wordt nieuwbouw aangesloten op drukriolering. De lozing van hemelwater hierop is niet toegestaan. Vertrekpunt is het principe dat stedelijk afval- en hemelwater gescheiden wordt ingezameld. Om de samenwerking met het waterschap verder te versterken gaat de gemeente Best de komende periode kijken in hoeverre de gemeente eigen hemelwaterbeleid kan koppelen aan de ‘Keur Oppervlaktewater 2016’ van het waterschap. Vooralsnog heeft de gemeente Best daartoe nog geen eigen beleid.

5.6.4

Bodemsamenstelling en geohydrologische situatie

De maaiveldhoogte ter plaatse van het plangebied bedraagt circa 14,5 meter boven NAP. De bodem binnen het plangebied betreft een zandgrond (hoge zwarte enkeerdgronden, lemig fijn zand, akkerbodem 60-70 cm). Binnen het plangebied vindt geen grondwateronttrekking plaats. De GHG ter plaatse van het plangebied is gelegen tussen 60-80 cm-mv, de GLG is gelegen tussen op 250 c-mv of meer.

5.6.5

Hemelwaterafvoer na ontwikkeling

Het verhard oppervlak ter plaatse van het plangebied zal met de beoogde herontwikkeling afnemen. Het hemelwater

afkomstig van het toegenomen verhard

oppervlak

mag naar

bestaand

oppervlaktewater worden afgevoerd. Op vrijwillige basis is de aanleg van een infiltratievoorziening toegestaan, mits daarbij in voldoende mate met de omgeving rekening gehouden wordt en geen wateroverlast op eigen terrein of bij derden ontstaat. Om overlast op eigen terrein te voorkomen, kan op vrijwillige basis een infiltratievoorziening worden aangelegd. Dit dient dan te worden gerealiseerd boven de hoogste grondwaterstand en mag derhalve een diepte kennen van maximaal 60 centimeter beneden maaiveld. Initiatiefnemer is voornemens hiertoe een infiltratiegreppel aan te leggen

5.6.6

Kwaliteit van te lozen en infiltreren hemelwater

Enkel schoon regenwater mag worden geïnfiltreerd. Om de kwaliteit van het hemelwater te garanderen dienen onderdelen welke met regenwater in aanraking kunnen komen, te worden vervaardigd of te bestaan uit niet-uitloogbare bouwmaterialen zoals kunststoffen of gecoat staal of aluminium (in plaats van lood of asfalt etc.). Door het gebruik van niet-uitlogende materialen komen geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen (DuBo-maatregelen) voor in het te infiltreren water. Infiltratie van afgekoppelde verhardingen zoals opritten, parkeerplaatsen en terrassen mag niet verontreinigd zijn met chemische bestrijdingsmiddelen, olie, agressieve reinigingsmiddelen of andere verontreinigende stoffen.

VOORONTWERP Crijns Rentmeesters bv

35

Ruimtelijke onderbouwing ‘Mosselaarweg 9 Best’ - Toelichting

5.7

Luchtkwaliteit

De Wet luchtkwaliteit is op 15 november 2007 in werking getreden. Belangrijk aspect in de Wet luchtkwaliteit is het begrip ‘Niet In Betekenende Mate’ (NIBM). Ontwikkelingen, projecten en activiteiten die NIBM bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, hoeven door het bevoegd gezag (in principe) niet meer afzonderlijk te worden getoetst aan de grenswaarden voor de luchtkwaliteit. De toetsing vindt op provinciaal en landelijk niveau plaats in het kader van de projecten die wél ‘In Betekenende Mate’ (IBM) bijdragen. In de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ wordt aangegeven op welke manier snel kan worden vastgesteld of de bijdrage van een nieuwbouwproject op de luchtkwaliteit valt onder de term ‘niet in betekenende mate’. De bijlage geeft een harde omschrijving van het aantal gevallen. Voor woningbouw geldt bij 1 ontsluitingsweg een aantal van 1.500 nieuwe woningen netto (vervanging van bestaande woningen geldt als bijdrage neutraal). Bij twee ontsluitingswegen geldt een aantal van 3.000 woningen. Aangezien het plan slechts de omzetting van een agrarische bedrijfsbestemming naar een woonbestemming mogelijk maakt, valt dit plan onder het begrip NIBM en hoeft de luchtkwaliteit niet verder te worden onderzocht in het kader van de Wet luchtkwaliteit.

5.8

Bedrijven en milieuzonering

Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. De (indicatieve) lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’, uitgegeven door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, bevat richtafstanden voor milieubelastende activiteiten. In de lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’ worden richtafstanden gegeven voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden worden nagestreefd tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. In de omgeving van het plangebied zijn binnen een straal van 100 meter geen niet-agrarische bedrijven aanwezig. Dit aspect vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde herontwikkeling. Tevens geldt voor deze ontwikkeling dat de bestaande woning (agrarische bedrijfswoning) reeds gevoelig is voor alle relevante milieuaspecten. Bij een omzetting naar een woonbestemming wijzigt hier feitelijk niets aan. De locatie blijft immers een gevoelig object dat de zelfde bescherming geniet.

5.9

Externe veiligheid

5.9.1

Inleiding

Onder externe veiligheid verstaat men het beheersen van risico’s die direct of indirect voortvloeien uit de opslag, de productie, het gebruik en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het risico is daarbij gedefinieerd als ‘de kans op overlijden’ voor personen. De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg en het water) en kabels en leidingen. Deze aspecten worden in de navolgende subparagrafen nader toegelicht.

VOORONTWERP Crijns Rentmeesters bv

36

Ruimtelijke onderbouwing ‘Mosselaarweg 9 Best’ - Toelichting

5.9.2

Risico’s

Ten aanzien van risico’s wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR): Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6/jaar contour. Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Groepsrisico Het groepsrisico drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen (minimaal 10) overlijdt, als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico is in onderhavige situatie niet aan de orde, daar enkel wordt voorzien in de omzetting van bedrijfswoning naar burgerwoning. Er is enkel sprake van bewoning door één huishouden.

5.9.3

Bedrijven

Het plangebied is op de risicokaart van de provincie Noord-Brabant niet aangewezen als gelegen in een risicogebied van een bedrijf met betrekking tot de externe veiligheid. Navolgende figuur geeft een uitsnede weer van de risicokaart van de provincie Noord-Brabant, waarop het plangebied met zwart is omcirkeld.

Figuur 17: Uitsnede risicokaart provincie Noord-Brabant

VOORONTWERP Crijns Rentmeesters bv

37

Ruimtelijke onderbouwing ‘Mosselaarweg 9 Best’ - Toelichting

5.9.4

Vervoer van gevaarlijke stoffen

5.9.4.1

Vervoer over het spoor

Op het grondgebied van de Gemeente Best bevindt zich de spoorlijn Boxtel-Eindhoven. Het plangebied is gelegen op ca. 520 meter van het spoor. Het invloedsgebied van het spoor bedraagt 995 meter. Het plangebied is daarmee binnen het invloedsgebied gelegen. Gezien de grote afstand en het feit dat de hoogte van het groepsrisico niet zal wijzigen kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico, in subparagraaf 5.9.6. 5.9.4.2

Vervoer over de weg

Het transport van gevaarlijke stoffen moet primair via het hoofdwegennet plaatsvinden. Binnen de Gemeente Best zijn de rijksweg A58 en A2 aangewezen als wegen waarover vervoer van gevaarlijke stoffen mag plaatsvinden. Rijksweg A58 De afstand van planlocatie tot Rijksweg A58 bedraagt ca. 2700 meter. Het invloedsgebied van deze Rijksweg bedraagt 4000 meter. Deze risicobron is derhalve wel relevant. Gezien de grote afstand en het feit dat de hoogte van het groepsrisico niet zal wijzigen kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico, in subparagraaf 5.9.6. Rijksweg A2 De afstand van planlocatie tot Rijksweg A2 bedraagt ca. 1500 meter. Het invloedsgebied van deze Rijksweg bedraagt 880 meter. Deze risicobron is derhalve niet relevant. 5.9.4.3

Vervoer over het water

Het plangebied is gelegen op een afstand van ruim 3.500 meter van het Wilhelminakanaal. Als er al een significant transport over dit kanaal plaatsvindt, is deze zo gering dat de risico’s aan de oever verwaarloosbaar zijn. Daarbij is het plangebied buiten het invloedsgebied van het kanaal gelegen.

5.9.5

Kabels en leidingen

5.9.5.1

Buisleidingen

De meest dicht bij het plangebied gelegen buisleiding betreft een defensiebuisleiding ten oosten van het plangebied. Met een afstand van 490 meter is het plangebied gelegen op dusdanig grote afstand dat deze leiding geen belemmering vormt voor de beoogde herontwikkeling. 5.9.5.2

Hoogspanningslijnen

Voor hoogspanningslijnen gelden geen risicoafstanden, maar gezondheidsafstanden. Ten noorden van het plangebied, bevindt zich een hoogspanningslijn op een afstand van ruim 500 meter van het plangebied en vormt daarmee geen risico voor de beoogde herontwikkeling.

5.9.6

Beperkte verantwoording groepsrisico

Conform artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Het groepsrisico neemt niet toe ten gevolge van de wijziging.

VOORONTWERP Crijns Rentmeesters bv

38

Ruimtelijke onderbouwing ‘Mosselaarweg 9 Best’ - Toelichting

Volgens artikel 9 van het Bevt moet in onderhavige situatie bij een beperkte verantwoording van het groepsrisico de veiligheidsregio in de gelegenheid worden gesteld om advies uit te brengen. Dit houdt in dat moet worden ingegaan op: a.

de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg, spoorweg of dat binnenwater, en

b.

voor zover dat plan of die vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg een ramp voordoet.

5.9.6.1

Advies Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost

De Veiligheidsregio heeft een standaard advisering opgesteld voor algemene situaties. De ontwikkeling voldoet aan de randvoorwaarden, zodat het standaard advies kan worden toegepast. Het standaard advies van de Veiligheidsregio luidt als volgt:

-

Communiceer actief met de omwonenden in het plangebied over de risico’s van de gevaarlijke stoffen. Geef daarbij aan wat omwonenden moeten doen bij een incident, namelijk vluchten van de risicobron af. Dit bevordert de zelfredzaamheid van omwonenden. Dit advies geldt ook voor bedrijfshulpverleningsorganisaties.

-

Pas de beleidsregels bereikbaarheid en bluswatervoorziening van de VRBZO toe. Wanneer een beoogde oplossing aan de beleidsregels voldoet, kunt u ervan uitgaan dat een goede bereikbaarheid voor de hulpdiensten en een adequate bluswatervoorziening gerealiseerd wordt. De beleidsregels staan op https://www.vrbzo.nl/wp-content/uploads/2018/04/170307beleidsregelsbereikbaarheid-en-bluswatervoorziening-brabant-definitief-1-0-vastgesteld.pdf.

-

Nieuw op te richten gebouwen moeten aan het Bouwbesluit 2012 voldoen. In dit besluit is geregeld dat gebouwen uitgevoerd moeten worden met een mechanische ventilatie die uitgezet kan worden. Aanvullend op deze regelgeving adviseren wij om de aanzuigopeningen van deze ventilatie bij voorkeur hoog en afgekeerd van de risicobron te realiseren.

Reactie op het standaard advies van de Veiligheidsregio

-

Op de gemeentelijke website is informatie te vinden betreffende het aspect veiligheid. Voor risicobronnen

in

de

omgeving

wordt

verwezen

naar

de

nationale

risicokaart

(www.risicokaart.nl), waarin is aangegeven hoe te handelen bij de verschillende scenario’s. Ook wordt verwezen naar NL-alert.

-

De beleidsregels bereikbaarheid en bluswatervoorziening zullen worden toegepast. De bereikbaarheid van de locatie is goed. De locatie is vanuit twee verschillende kanten/wegen goed bereikbaar. Er vindt alleen een wijziging plaats van de bestemming. Er worden geen extra woningen (personen) toegestaan in het plan. Het betreft uitsluitend het omzetten van een agrarische woning naar burgerwoning. Daarom kan worden aangenomen dat de bluswatervoorziening toereikend is.

-

De mogelijkheid tot het uitschakelen van mechanische ventilatie is geregeld in artikel 3.31 van het Bouwbesluit 2012.

VOORONTWERP Crijns Rentmeesters bv

39

Ruimtelijke onderbouwing ‘Mosselaarweg 9 Best’ - Toelichting

5.9.6.2

Zelfredzaamheid

Het betreft de omzetting van een agrarische woning naar burgerwoning. Aangenomen kan worden dat de woning betrokken wordt door zelfredzame personen. Deze personen kunnen vluchten van de bron af. 5.9.6.3

Aanvullend Advies Veiligheidsregio

Gezien de ontwikkeling is gebruik gemaakt van het standaard advies van de Veiligheidsregio Brabant Zuidoost. Er is geen aanvullend advies bij de VRBZO gevraagd.

5.9.7

Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.

5.10

Besluit m.e.r.

Op 1 april 2011 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging die daarin is aangebracht, is dat voor de vraag of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen, een toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst niet toereikend is. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de grenswaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Wanneer dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld over de vraag hoe moet worden vastgesteld of een activiteit met een omvang onder de drempelwaarde toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden liggen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt.

De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEGrichtlijn milieu-effectbeoordeling. De beoogde herontwikkeling binnen het plangebied komt niet voor op de D-lijst van het Besluit m.e.r. en zal dan ook niet worden beoordeeld in het kader van het Besluit m.e.r. Onderdeel C van het Besluit m.e.r. wijst de activiteiten en gevallen aan waarvoor een directe m.e.r.plicht geldt. In dit onderdeel staan de activiteiten benoemd die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. De beoogde herontwikkeling binnen het plangebied komt ook niet voor op de C-lijst van het Besluit m.e.r. en is derhalve ook niet m.e.r.-plichtig.

VOORONTWERP Crijns Rentmeesters bv

40

Ruimtelijke onderbouwing ‘Mosselaarweg 9 Best’ - Toelichting

6.

ARCHEOLOGIE, CULTUURHISTORIE EN NATUUR

6.1

Archeologie

6.1.1

Verdrag van Valletta

In 1992 is het Verdrag van Valletta door de landen van de Europese Unie waaronder Nederland ondertekend. Dit verdrag verplicht de Europese overheden tot het beschermen van archeologisch erfgoed. Hierbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat archeologische waarden in situ bewaard moeten blijven. Dat wil zeggen, dat er naar gestreefd moet worden om de waarden op de locatie te behouden. Als dit niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld bij realisatie van bouwplannen, dan moeten de waarden worden opgegraven en ex situ worden bewaard.

6.1.2

Wet op de archeologische monumentenzorg

Op 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) van kracht geworden. In de Wamz zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Valletta voor Nederland nader uitgewerkt. Eén van de uitgangspunten van de Wamz is dat op gemeentelijk niveau op verantwoorde wijze wordt opgegaan met het archeologisch erfgoed. De Wamz heeft dan ook een decentraal karakter en heeft gemeenten tot bevoegd gezag gemaakt wat betreft de zorg voor het archeologische bodemarchief binnen hun grondgebied.

6.1.3

Archeologiebeleid gemeente Best

Naar aanleiding van de Wamz, welke gemeenten beleidsruimte biedt om binnen de kaders van rijksen provinciaal beleid naar eigen behoefte financieel en beleidsmatig invulling te geven aan de archeologische monumentenzorg op gemeentelijk grondgebied, is het ‘Beleidsplan archeologische monumentenzorg, gemeente Best’ opgesteld. Het doel van het beleidsplan is het ontwikkelen en concretiseren van een eigen gemeentelijk archeologiebeleid. Onderdeel van het beleidsplan is de ‘Archeologische verwachtingen en waardenkaart’. Navolgend is een uitsnede van deze kaart weergegeven.

VOORONTWERP Crijns Rentmeesters bv

41

Ruimtelijke onderbouwing ‘Mosselaarweg 9 Best’ - Toelichting

Figuur 18: Uitsnede Archeologische verwachtingen en waardenkaart

Het plangebied is aangeduid als een locatie waar een verstoring heeft plaatsgevonden. De kans op het aantreffen van archeologische vondsten is daarmee gering. Een archeologisch onderzoek is dan ook niet vereist. In het Bestemmingsplan ‘Parkeernormen en archeologie’ is voor de locatie dan ook geen dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ opgenomen. Overigens vindt er ter plaatse van het plangebied ook geen verstoring van de bodem plaats.

6.2

Cultuurhistorie

Het plangebied ligt op basis van de provinciale cultuurhistorische waardenkaart in de regio ‘Kempen’. De regio Kempen is een zwak golvend dekzandlandschap dat bestaat uit dekzandvlakten en -ruggen. Het gebied wordt doorsneden door de bovenlopen van de Grote en Kleine Dommel, Beerze en Reusel. De dekzandruggen hebben een zandige bodem waar regenwater infiltreert, dat in de beekdalen als kwel naar boven komt. Plaatsen met leem in de ondergrond hadden een gebrekkige afwatering, zodat daar vennen en kleine veenmoerassen ontstonden. De ruimtelijke identiteit van het ontginningslandschap van de Kempen wordt gevormd door de contrasten tussen de verschillende agrarische gebruikseenheden: de akkers, graslanden en woeste gronden. De akkercomplexen, dorpen en gehuchten liggen vanouds op de rand van de beekdalen. Langs de beken lagen de graslanden, vaak verdeeld in lange smalle percelen die omzoomd waren door elzensingels. Op de hogere delen van het landschap bevonden zich vroeger uitgestrekte heidevelden, bossen en stuifzanden. Door

overbeweiding en

het steken van heideplaggen ontstonden plaatselijk

zandverstuivingen. Goed bewaard gebleven voorbeelden van oude zandontginningen met bolle akkers, beemden, hakhoutbosjes en -wallen zijn de buurtschappen in de omgeving van Cartierheide en Oerle-Knegsel. Gave beekland-schappen vinden we in (delen van) de dalen van de Dommel en de Beerze. In de Kempen liggen tal van - vaak uitgestrekte - landgoederen. Oude landgoederen zijn

VOORONTWERP Crijns Rentmeesters bv

42

Ruimtelijke onderbouwing ‘Mosselaarweg 9 Best’ - Toelichting

bijvoorbeeld Baest, Heeze en Annanina's Rust. De landhuizen met bijgebouwen, de parken en lanen en de afwisseling van bossen en landbouwgronden verlenen de landgoederen grote cultuurhistorische betekenis. In de negentiende en begin twintigste eeuw zijn veel heidevelden omgezet in landbouwgrond of bos. De jonge landbouwontginningen zijn tamelijk grootschalig en rationeel ingericht. De jonge bosgebieden maken vaak deel uit van ontginnings-landgoederen, zoals De Utrecht en Gorp en Rovert, of zijn aangeplant door het Staatsbosbeheer. In de afgelopen decennia zijn de verschillen tussen de oude en jonge ontginningen genivelleerd door ruilverkaveling, normalisatie van de beken en de uitbreiding van steden en dorpen. De dorpen van de Kempen hebben zich afhankelijk van hun ligging verschillend ontwikkeld. De kernen die liggen aan belangrijke routes zijn uitgegroeid tot suburbane woonkernen met soms redelijk grote bedrijventerreinen. De dorpen op afstand van deze routes hebben een landelijker karakter en zijn beperkter in omvang gebleven. In het kader van beoogde herontwikkeling veranderd de verkavelingsstructuur niet en wordt ook geen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing gesloopt. Het woonhuis Mosselaarweg 9 kent ook geen cultuurhistorische waarden. Als gevolg van de beoogde herontwikkeling gaan dan ook geen cultuurhistorische waarden verloren.

6.3

Natuur

6.3.1

Inleiding

Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht geworden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Zowel in de voorgaande als nieuwe wetgeving zijn de nationale natuurwetgeving en internationale richtlijnen en verdragen verankerd, zoals Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, Wetland-Conventie, Conventie van Bern, Cites en Verdrag van Ramsar. De wet is opgesplitst in de bescherming van gebieden (gebiedsbescherming) en de bescherming van soorten (soortenbescherming).

6.3.2

Gebiedsbescherming

De Wnb voorziet in specifieke kaders voor gebieden die op grond van internationale verplichtingen moeten worden beschermd, te wetende Natura 2000-gebieden, bedoeld in de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Ten aanzien van de gebiedsbescherming is het de bedoeling dat plannen en projecten eenduidig en integraal worden getoetst op hun invloed op de te beschermen natuurwaarden in de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. De Vogel- en Habitatrichtlijn is bedoeld ter bescherming van bedreigde levensgemeenschappen van planten en dieren en bedreigde soorten van planten en dieren en hun leefgebieden. Ten aanzien van de gebiedsbescherming is het vereist dat plannen en projecten eenduidig en integraal worden getoetst op hun invloed op de te beschermen natuurwaarden in deze Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. Het dichtst bij het plangebied gelegen Natura 2000-gebied betreft het habitatrichtlijngebied ‘Campina en Oisterwijkse bossen en Vennen’, gelegen op een afstand van ruim 6.500 meter ten noordwesten van het plangebied. Navolgende figuur geeft de ligging van het plangebied weer ten opzichte van dit Natura 2000-gebied, waarbij het plangebied met rood is aangeduid.

VOORONTWERP Crijns Rentmeesters bv

43

Ruimtelijke onderbouwing ‘Mosselaarweg 9 Best’ - Toelichting

Figuur 19: Ligging plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebied

De omzetting van de agrarische bedrijfsbestemming tot een woonbestemming heeft geen negatieve gevolgen op Natura 2000-gebieden.

6.3.3

Soortenbescherming

In de Wet natuurbescherming geldt een aantal verbodsbepalingen ter bescherming van planten- en diersoorten. Er is sprake van 2 beschermingsniveaus, te weten: Europees beschermde soorten volgens de Habitat- en Vogelrichtlijn en Nationaal beschermde soorten. Voor alle inheemse diersoorten, beschermd of onbeschermd, geldt de zorgplicht. De zorgplicht wil zeggen dat men deze niet onnodig mag doden, verwonden of beschadigen. Voor onbeschermde soorten geldt geen ontheffingsplicht maar alleen de zorgplicht. Naast soorten beschermt de Wet natuurbescherming ook verblijfplaatsen die als ‘vast’ kunnen worden aangemerkt. Een vaste verblijfplek betreft een verblijfplek waarnaar een dier regelmatig terugkeert en niet slechts eenmalig voor een specifieke functie gebruikt wordt, zoals de nesten van de meeste vogels. Voor beschermde soorten dienen de effecten op populatieniveau te worden getoetst. In tegenstelling tot de voorgaande Flora en faunawet is de bescherming in mindere mate individueel en dient de staat van de instandhouding van de gehele populatie in aanmerking te worden genomen. Met de beoogde herontwikkeling vinden feitelijk geen wijzigingen plaats. Geen bebouwing wordt gesloopt en ook geen nieuwe bebouwing wordt beoogd. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling ontstaan dan ook geen conflicten met planten- of diersoorten.

VOORONTWERP Crijns Rentmeesters bv

44

Ruimtelijke onderbouwing ‘Mosselaarweg 9 Best’ - Toelichting

7.

UITVOERBAARHEID

7.1

Economische uitvoerbaarheid en Grexwet

Op 1 juli 2008 is samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de Grondexploitatiewet (Grexwet) in werking getreden. In deze Grexwet is bepaald dat een gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel dat mogelijkheden biedt voor de bouw van één of meer hoofdgebouwen, verplicht is maatregelen te hebben genomen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Onderhavig ruimtelijke onderbouwing biedt geen nieuwe bouwmogelijkheden op de locatie Mosselaarweg 9 te Best. Een overeenkomst in het kader van het bepaalde in de Grexwet is dan ook niet aan de orde. Wel wordt tussen initiatiefnemer en de Gemeente Best een planschadeverhaalsovereenkomst gesloten, welke regelt dat eventuele planschade als gevolg van de beoogde ontwikkeling verhaald wordt op initiatiefnemer.

7.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het ruimtelijke onderbouwing zal worden meegenomen in de algehele herziening van het bestemmingsplan buitengebied. Dat bestemmingsplan ‘Buitengebied 2019’ zal conform de wettelijke vereisten kenbaar worden gemaakt. Naar aanleiding van zienswijzen op het ruimtelijke onderbouwing vindt een heroverweging op deze onderdelen plaats en kan besloten worden onderhavig ruimtelijke onderbouwing op een aantal punten te wijzigen.

VOORONTWERP Crijns Rentmeesters bv

45

Landschappelijk inpassingsplan Mosselaarweg 9 Best Op basis van de Landschapsinvesteringsregeling 2019 is een omzetting van een agrarische bedrijfsbestemming naar een woonbestemming niet gekoppeld aan een verplichte landschappelijke inpassing. Echter wordt het oppervlakte aan bijgebouwen niet teruggebracht naar 100 m2, zoals standaard toegestaan binnen de woonbestemming. Er blijft 170 m2 aan bijgebouwen aanwezig. Deze verruiming gaat gepaard met een verplichte kwaliteitsverbetering van het landschap die bestaat uit het terugbrengen van de oppervlakte van het bestemmingsvlak en landschappelijke inpassing van het perceel. Het plangebied is gelegen binnen een ‘Kampenlandschap’. Het ‘Kampenlandschap’ heeft een onregelmatige en kleinschalige structuur. Hoewel het gebied nu een relatief open karakter heeft, horen van oorsprong groenstructuren (singels, houtwallen, hagen en onregelmatige bosjes) op de kavelgrenzen en het achterliggende landschap. Met de toevoeging van extra beplantingselementen op de erf en perceelsgrenzen kan het eigen karakter van het gebied worden versterkt en de ruimtelijke schaal verder worden verkleind. Hierbij wordt aangesloten bij de bestaande groenstructuren. Het plangebied is thans reeds ingepast in de omgeving middels een landschappelijke beplanting. De locatie is al jaren in gebruik als boomkwekerij.

De landschappelijke inpassing van de bedrijfswoning bestaat dan ook uit volwassen sierbomen van bijzondere cultivars van veelal inheemse boomsoorten. In de voor- en zijtuin staan thans dan ook rode beuken, zuilvormige zomereik, rode meidoorn e.d.. Het betreft veelal volwassen bomen met en leeftijd van ca. 30- 40 jaar. De beplanting is landschappelijk waardevol te noemen en vormt een duidelijke markering van de hoek Mosselaarweg- Aarleseweg. De beplanting refereert aan het historische gebruik als boomkwekerij. De beplanting zal bij de omzetting naar een burgerwoning worden gehandhaafd. Ter afscherming van het bijgebouw zal een haag ter hoogte van 150 – 200 cm. worden aangeplant bestaande uit beuk, haagbeuk of meidoorn.

Pagina 1 van 1

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11755784/1