CConstaterende datBest
Koppel je AI →
Document · PDF

22046.10 - Bijlage 8.18 - Ruimtelijke onderbouwing Heuveleindseweg 6b

Raadsavond 5 september 2022, gemeente BestBij agendapunt: 22046 - Bestemmingsplan Buitengebied10.288 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

28

Ruimtelijke onderbouwing ‘Heuveleindseweg 6b’

De ruimtelijke identiteit van het ontginningslandschap van de Kempen wordt gevormd door de contrasten tussen de verschillende agrarische gebruikseenheden: de akkers, graslanden en woeste gronden. De akkercomplexen, dorpen en gehuchten liggen vanouds op de rand van de beekdalen. Langs de beken lagen de graslanden, vaak verdeeld in lange smalle percelen die omzoomd waren door elzensingels. Op de hogere delen van het landschap bevonden zich vroeger uitgestrekte heidevelden, bossen en stuifzanden. Door overbeweiding en het steken van heideplaggen ontstonden plaatselijk zandverstuivingen. In de negentiende en begin twintigste eeuw zijn veel heidevelden omgezet in landbouwgrond of bos. De jonge landbouwontginningen zijn tamelijk grootschalig en rationeel ingericht. De jonge bosgebieden maken vaak deel uit van ontginningslandgoederen, zoals De Utrecht en Gorp en Rovert, of zijn aangeplant door het Staatsbosbeheer. In de afgelopen decennia zijn de verschillen tussen de oude en jonge ontginningen genivelleerd door ruilverkaveling, normalisatie van de beken en de uitbreiding van steden en dorpen. De dorpen van de Kempen hebben zich afhankelijk van hun ligging verschillend ontwikkeld. De kernen die liggen aan belangrijke routes zijn uitgegroeid tot suburbane woonkernen met soms redelijk grote bedrijventerreinen.

De dorpen op afstand van deze routes hebben een landelijker karakter en zijn beperkter in omvang gebleven. De planlocatie is op de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) gedeeltelijk aangewezen als archeologisch landschap. Dit is verder vertaald in het gemeentelijke archeologiebeleid. De beoogde ontwikkeling zal geen afbreuk doen aan de cultuurhistorische waarden in de omgeving.

4.5 Agrarische aspecten De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Middels onderhavige ontwikkeling wordt geen nieuw geurgevoelig object gerealiseerd. De beoogde herontwikkeling is in het kader van de Wet geurhinder en veehouderij derhalve geen bezwaar.

4.6 Bedrijven en milieuzonering De (indicatieve) lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’, uitgegeven door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten. In de lijst Bedrijven en Milieuzonering worden richtafstanden gegeven voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De planlocatie is thans in gebruik ten behoeve van een boomkwekerij. Onderhavige ontwikkeling leidt niet tot een verandering in de bedrijfsactiviteiten. Ter hoogte van de uitbreiding zijn geen gevoelige objecten gesitueerd. Bedrijven en milieuzonering vormt geen bezwaar.

Crijns Rentmeesters bv

29

Ruimtelijke onderbouwing ‘Heuveleindseweg 6b’

4.7 Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) biedt geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai bij de aanleg/wijziging van wegen of bij de bouw van woningen in de buurt van wegen. De reikwijdte van de Wgh is beperkt tot een geluidszone langs wegen. Binnen deze geluidszone zijn de regels van de Wgh van toepassing. De Wgh geldt niet voor 30-km wegen en voor woonerven. Binnen de planlocatie wordt geen nieuw geluidgevoelig object opgericht. Een akoestisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.

4.8 Wet luchtkwaliteit Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden. De wet vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005. Met de nieuwe Wet luchtkwaliteit en de bijbehorende bepalingen en hulpmiddelen wil de overheid zowel de verbetering van de luchtkwaliteit bewerkstelligen als ook de gewenste ontwikkelingen in ruimtelijke ordening doorgang laten vinden. De Wet luchtkwaliteit voorziet onder meer

in

een

gebiedsgerichte

aanpak

van

de

luchtkwaliteit

via

het

Nationaal

Samenwerkingsprogramma. Binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Het Nationaal Samenwerkingsprogramma is op 1 augustus 2009 in werking getreden. De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Uit de regionale rapportage luchtkwaliteit 2009 blijkt dat de luchtkwaliteit in Best langs de gemeentelijke wegen en de provinciale wegen binnen de luchtkwaliteitsnormen blijft. Wel is de jaargemiddelde concentratie van stikstofdioxide op delen direct langs de rijkswegen hoger dan de plandrempel. Echter, het toetspunt van de luchtkwaliteitsnormen ligt op 10 meter van de rand van de weg. Zo dichtbij de Rijksweg komen geen mensen die langdurig aan deze concentraties worden blootgesteld. Tevens verwachtte het Rijk dat deze knelpunten in 2015 zijn opgelost, voornamelijk vanwege het schoner worden van voertuigen. Best voldoet dus nagenoeg aan de normen en de wettelijke verplichtingen. Met de beoogde herontwikkeling wordt slechts het agrarisch bouwvlak vergroot om een bestaande gebouwen en erfverharding te legaliseren. Op termijn zullen ter plaatse ook een schaduwhal en containerveld worden gerealiseerd. Dit zal geen negatieve effecten hebben op de luchtkwaliteit binnen de gemeente Best en vormt derhalve geen bezwaar.

Ruimtelijke ontwikkelingen dienen eveneens te voldoen aan het in juli 2009 vastgestelde ‘Luchtkwaliteitsplan’ van de gemeente Best. In het Luchtkwaliteitsplan is aangegeven dat bij de toetsing van bouwaanvragen gecontroleerd wordt of de ventilatievoorzieningen voldoen aan de daaraan gestelde normen. De gemeente Best houdt toezicht op de uitvoering, zodat deze overeenkomstig de bouwvergunning is. Bij de eindcontrole wordt extra aandacht besteed aan de ventilatievoorzieningen. In aanvulling op het ‘Luchtkwaliteitsplan’ heeft de gemeente Best de ‘Handreiking luchtkwaliteit gevoelige bestemmingen Noord-Brabant’ opgesteld. Dit is een aanvulling op het Besluit gevoelig bestemmingen en geeft invulling aan het begrip ‘goede ruimtelijke ordening’ voor het aspect luchtkwaliteit. Bepaald is dat per project aangegeven moet worden of het een al dan niet ‘in betekende mate’ project betreft. Met de beoogde herontwikkeling wordt slechts het agrarisch bouwvlak vergroot

Crijns Rentmeesters bv

30

Ruimtelijke onderbouwing ‘Heuveleindseweg 6b’

om een bestaande gebouwen en erfverharding te legaliseren. Op termijn zullen ter plaatse ook teeltkas en containerveld worden gerealiseerd. Het plan draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarbij geeft de handreiking beperkingen voor de vestiging van nieuwe luchtgevoelige objecten, zijnde scholen, kinderdagverblijven, verzorging-, verpleeg- en bejaardentehuizen in de nabijheid van drukke (snel)wegen. Binnen 300 meter van een snelweg en 50 meter van een drukke gemeentelijke/provinciale weg mogen daarmee geen nieuwe luchtgevoelige objecten worden ontwikkeld. De beoogde ontwikkeling voorziet niet in de realisatie van een luchtgevoelig object, waarmee de beoogde herontwikkeling geen extra aandacht behoeft voor wat betreft de handreiking.

4.9 Bodem Voorafgaand aan het volgen van een ruimtelijke procedure dient te worden nagegaan of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik. Het belangrijkste uitgangspunt hierbij is dat eventueel aanwezige bodemverontreinigingen geen onaanvaardbare risico’s opleveren voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet. Wat betreft het toetsen van de bodemkwaliteit gaat het er om of een functie gevoeliger is dan de reeds toegestane functie. In voorliggende situatie is er reeds agrarisch gebruik toegestaan. Binnen de planlocatie wordt enkel het agrarisch bouwvlak vergoot. Deze vergroting dient enkel ter legalisatie van bestaande bebouwing en erfverharding. Op termijn wordt een schaduwhal en een containerveld beoogd binnen het bouwvlak. Er worden geen nieuwe gevoelige functie toegevoegd. Niet aannemelijk is dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde gebruik. Gesteld kan worden dat de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik.

4.10 Externe veiligheid 4.10.1 Inleiding Onder externe veiligheid verstaat men het beheersen van risico’s die direct of indirect voortvloeien uit de opslag, de productie, het gebruik en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het risico is daarbij gedefinieerd als ‘de kans op overlijden’ voor personen. De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven en vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.

Crijns Rentmeesters bv

31

Ruimtelijke onderbouwing ‘Heuveleindseweg 6b’

Binnen de planlocatie is sprake van vergroting van het agrarisch bouwvlak. Er is geen sprake van toevoeging van gevoelige objecten. Gezien de aard van de ontwikkeling is het plan niet van invloed op het groepsrisico.

4.11 Besluit m.e.r. Op 1 april 2011 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging die daarin is aangebracht, is dat voor de vraag of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen, een toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst niet toereikend is. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de grenswaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Wanneer dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld over de vraag hoe moet worden vastgesteld of een activiteit met een omvang onder de drempelwaarde toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden liggen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt.

De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEGrichtlijn milieu-effectbeoordeling. De beoogde herontwikkeling binnen het besluitgebied komt niet voor op de D-lijst van het Besluit m.e.r. en zal dan ook niet worden beoordeeld in het kader van het Besluit m.e.r. Onderdeel C van het Besluit m.e.r. wijst de activiteiten en gevallen aan waarvoor een directe m.e.r.plicht geldt. In dit onderdeel staan de activiteiten benoemd die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. De beoogde herontwikkeling binnen het besluitgebied komt ook niet voor op de C-lijst van het Besluit m.e.r. en is derhalve ook niet m.e.r.-plichtig.

Crijns Rentmeesters bv

32

Ruimtelijke onderbouwing ‘Heuveleindseweg 6b’

5. UITVOERBAARHEID 5.1 Economische uitvoerbaarheid Op 1 juli 2008 is samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de Grondexploitatiewet (Grexwet) in werking getreden. In deze Grexwet is bepaald dat een gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel, die mogelijkheden biedt voor de bouw van één of meer hoofdgebouwen, verplicht is maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Voor de ontwikkeling van dit plan is er sprake van een particulier initiatief. De gemeente Best zal in het kader van het bepaalde in de Grexwet daarom alle door de gemeente te maken kosten verhalen op de initiatiefnemer. De initiatiefnemer zal derhalve met de gemeente Best een anterieure overeenkomst sluiten. Op deze wijze is de financiële haalbaarheid van het plan gegarandeerd.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Het bestemmingsplan waarvan deze ruimtelijke onderbouwing onderdeel uitmaakt wordt conform de wettelijke vereisten kenbaar gemaakt. Naar aanleiding van eventuele reacties op kan een heroverweging op deze onderdelen plaatsvinden en kan besloten worden de ruimtelijke onderbouwing op een aantal punten te wijzigen of niet vast te stellen.

5.3 Zienswijzen Het ontwerpwijzigingsplan Buitengebied Best 2021 heeft met ingang van 28 april 2021 tot en met 8 juni 2021 ter inzage gelegen. Tijdens deze termijn zijn er zienswijzen ingediend door Provincie NoordBrabant en Waterschap De Dommel. Als gevolg van deze zienswijzen is paragraaf 2.2.3 en paragraaf 4.1.2 aangepast. Daarnaast zijn voorwaardelijke verplichtingen opgenomen ten behoeve van hemelwaterinfiltratie en borging van de landschappelijke inpassing.

Crijns Rentmeesters bv

33

Heuveleindseweg 6b - Beplantingsplan Legenda !

!

!

!

!

Planlocatie

Nieuwe beplanting

B¹ B¹B¹B¹B¹ B¹B¹B¹B¹ B¹B¹B¹B¹ B¹B¹B¹B¹ B¹B¹B¹B¹ B¹B¹B¹B¹ B¹B¹B¹B¹ B¹B¹B¹B¹

g gW gW W

gW gW gW gW g Haag W

Geschoren haag Hulst (Ilex aquifolium) of Wilde liguster (Ligustrum vulgare) 0,8 m hoog, minimaal 0,6 m breed Vijf stuks per strekkende meter

! !

g W

! !

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

¹B ¹B ¹B ¹B ¹ Haag B

!

!

Geschoren haag Taxus (Taxus baccata) 0,8 m hoog, minimaal 0,6 m breed Vijf stuks per strekkende meter

!

!

!

!

!

!

!

0

!

!

1:1.500

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

10 20

Esri Nederland, beeldmateriaal.nl

40 Meters

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11749790/1