CConstaterende datBest
Koppel je AI →
Document · PDF

22046.10 - Bijlage 8.13 - Ruimtelijke onderbouwing Broekdijk 13a

Raadsvergadering 26 september 2022, gemeente BestBij agendapunt: 22046 - Bestemmingsplan Buitengebied10.044 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Hoofdstuk 4

29

 

er dient vroeg in het proces van de ruimtelijke ordening al rekening te worden gehouden met het aspect archeologie; beschrijving op te nemen van de wijze waarop rekening gehouden is met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden.

Archeologie Blijkens het vigerende bestemmingsplan rust op het plangebied geen dubbelbestemming archeologie. In het voorontwerp bestemmingsplan ‘Buitengebied Best 2019’ en het bestemmingsplan ‘Parkeernormen en archeologie’ rust op het plangebied echter wel een dubbelbestemming, namelijk ‘Waarde – Archeologie 4’ (gebied met hoge archeologische waarden). Onderhavig initiatief voorziet uitsluitend in de omzetting van een bestaande bedrijfswoning naar burgerwoning. Er vinden geen bodemroerende werkzaamheden plaats. Hierdoor is het niet noodzakelijk om een archeologisch onderzoek uit te voeren. Het aspect archeologie vormt derhalve ook geen belemmering voor de omzetting van de bestemming ‘bedrijf/horeca naar ‘Wonen’. Cultuurhistorie Op basis van het vigerende bestemmingsplan rust op de locatie de gebiedsaanduiding ‘cultuurhistorisch vlak’. Ter plaatse van deze aanduiding zijn de gronden tevens bestemd voor het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden en kenmerken. Het plangebied is gelegen in een cultuurhistorisch landschap. De bewoningsgeschiedenis en de inrichting van het gebied zijn in hoge mate bepaald door de natuurlijke terreingesteldheid. De indeling in agrarische gebruikseenheden (akkers, graslanden en woeste gronden) is op veel plaatsen nog goed herkenbaar.

In de omgeving van het plangebied zijn vier monumenten gelegen volgens de monumentenlijst van de gemeente Best: Broekdijk 11, 13, 17 en 18. Onderhavig ruimtelijk initiatief betreft enkel de herbestemming van bedrijfswoning naar een reguliere woning. Er vinden geen ingrijpende wijzigingen plaats binnen het plangebied. Doordat er geen ingrijpende wijzigingen plaatsvinden binnen het plangebied worden de cultuurhistorische waarden in het gebied niet aangetast. Conclusie De aspecten ‘Archeologie en Cultuurhistorie’ vormen geen belemmering voor onderhavig initiatief.

4.12 Duurzaamheid Gemeente Best heeft een forse ambitie op het gebied van duurzaamheid: energieneutraal en afvalloos. Samen met de Metropool Regio Eindhoven streeft Best ernaar om als eerste regio energieneutraal te zijn. Deze ambitie is ook vastgelegd in het document ‘Beleidsplan energie- en materiaaltransitie 2012-2015’. Als tussendoelen hanteert de gemeente Best de doelstellingen uit het nationaal energieakkoord en het Brabants energieakkoord:  1,5% energiebesparing per jaar;

Hoofdstuk 4

30

14% duurzame energie in 2020 en 16% in 2023.

De gemeente wil hierbij een goed voorbeeld geven maar zet vooral in op het faciliteren, stimuleren en partijen met elkaar in verbinding brengen ten aanzien van het aspect duurzaamheid. Om de ambitie te verwezenlijken zijn verschillende beleidsstukken opgesteld waaronder het ‘Uitvoeringsprogramma energietransitie 2017-2018’, ‘3-sterrendossier Duurzaamheid’ en ‘Nota Samen aan de slag met duurzaam wonen in Best’. In deze verschillende beleidsstukken zijn acties vastgelegd waarin de route naar een energieneutraal en afvalloos gemeente op verschillende facetten wordt beschreven. Conclusie Voor onderhavig ruimtelijk initiatief is met name programmalijn 2 ‘Woon en leefomgeving’ van belang. De programmalijn Woon- en leefomgeving richt zich op energiebesparing en duurzame energie opwekking bij woningen, particulier en huur. Hoewel een kleiner aandeel in het totale energieverbruik, is ook de aanpak van het particulier energieverbruik van groot belang om energie te besparen en duurzaam op te wekken. Alle nieuwbouwprojecten dienen volgens nul-op-de-meter (conform de motie van 6 maart 2017 naar aanleiding van het voorstel woonvisie gemeente Best 2017) gerealiseerd te worden. Onderhavig ruimtelijk initiatief betreft slechts de omzetting van een bestaande bedrijfswoning naar burgerwoning. De huidige bebouwing zal gehandhaafd blijven. Er worden geen nieuwe bouwwerken gerealiseerd.

Bij toekomstige verbouwingen of de oprichting van nieuwe bouwwerken zal met inachtneming van de beleidskaders rekening gehouden worden met de duurzaamheidsambities.

4.13 Toetsing Besluit m.e.r. Gemeenten en provincies moeten ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een MER nodig. Met deze ruimtelijke onderbouwing wordt een herbestemming van bedrijfswoning naar een reguliere woning mogelijk gemaakt. Dit kan leiden tot een m.e.r.(beoordelings)-plicht. Of een m.e.r.-procedure of m.e.r-beoordeling noodzakelijk is, hangt af van het feit of de ontwikkeling (activiteit) is opgenomen in lijst C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Per 7 juli 2017 is een wijziging van het Besluit m.e.r. in werking getreden. Wanneer de voorgenomen de ontwikkeling (activiteit) is opgenomen in lijst C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) moet getoetst worden of

Hoofdstuk 4

31

er sprake is van nadelige milieugevolgen en moet wanneer hier sprake van is een vormvrij m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen worden. Conclusie De realisatie van woningen valt onder categorie D 11.2 van het Besluit m.e.r. (stedelijk ontwikkelingsproject). Het is echter de vraag of de voorgenomen ontwikkeling kan worden beschouwd als een stedelijk ontwikkelingsproject. Volgens de Raad van State (201609536/1/A1) is het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage, afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. In dit geval wordt er slechts voorzien in een omzetting van een bestaande bedrijfswoning naar burgerwoning binnen de bestaande bebouwing en omvang. Voorts ligt de locatie niet in of direct nabij een beschermd natuurgebied, is er geen risico op verontreiniging en leidt de ontwikkeling niet tot onevenredige hinder voor omliggende functies. Er worden geen gevaarlijke stoffen gebruikt en/of technologieën toegepast, waardoor er geen sprake is van risico op ongevallen. Ook blijkt uit dit bestemmingsplan dat er geen sprake is van nadelige gevolgen voor het milieu.

Voorgaande maakt dat de ontwikkeling in het plangebied niet kan worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling in de zin van categorie 11.2 van het Besluit milieueffectrapportage. Derhalve is het niet noodzakelijk om een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling uit te voeren in het kader van dit bestemmingsplan.

Hoofdstuk 4

32

5.

UITVOERBAARHEID

5.1

Economische uitvoerbaarheid

Onderhavige ruimtelijke onderbouwing maakt een bouwplan mogelijk dat is bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Op grond daarvan is de gemeenteraad verplicht om voor het wettelijk kostenverhaal een exploitatieplan vast te stellen in de zin van artikel 6.12, lid 1 Wro. De raad kan besluiten daarvan af te zien wanneer het wettelijk kostenverhaal wordt verzekerd met een anterieure grond exploitatieovereenkomst zoals bedoeld in artikel 6.12 lid 2 Wro juncto artikel 6.24 Wro. De uitvoering van de ontwikkeling is volledig voor rekening en risico van een particuliere initiatiefnemer. Met deze initiatiefnemer heeft de gemeente een anterieure grondexploitatieovereenkomst gesloten zoals bedoeld in artikel 6.12 lid 2 Wro juncto artikel 6.24 Wro. Met die overeenkomst is verzekerd dat alle wettelijk te verhalen kosten die de gemeente maakt, worden verhaald op de initiatiefnemer. Eventuele kosten voor de inrichting en overige voorzieningen zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Op grond daarvan kan de gemeenteraad afzien van het vaststellen van een exploitatieplan, omdat het verhaal van de kosten anderszins is verzekerd. De economische uitvoerbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond.

5.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Er zijn wettelijke eisen met betrekking tot de voorbereiding en totstandkoming van een bestemmingsplan. Artikel 3.8 Wro bepaalt dat op de voorbereiding van een bestemmingsplan de in afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geregelde uniforme openbare voorbereidingsprocedure (uov) van toepassing is. Dit houdt in dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Dientengevolge zijn de volgende stappen te onderscheiden:  Vooroverleg;  Vaststellingsprocedure. Voor onderhavig initiatief zal de ontwikkeling worden meegenomen in het bestemmingsplan Buitengebied. Volledigheidshalve wordt hieronder kort de procedure toegelicht. Vooroverleg Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

Hoofdstuk 5

33

Onderhavige ontwikkeling zal worden meegenomen in het voorontwerpbestemmingsplan ‘Buitengebied Best 2019’. In het kader van dat bestemmingsplan heeft er reeds vooroverleg plaatsgevonden. Gelet op de beperkte wijzigingen in de huidige situatie is het voeren van aanvullend vooroverleg niet noodzakelijk. Het initiatief zal wel aan de provincie worden voorgelegd, alvorens het bestemmingsplan als ontwerp ter inzage zal worden gelegd. Vaststellingsprocedure De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan zal plaatsvinden volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Als onderdeel van deze procedure wordt het bestemmingsplan gedurende een termijn van 6 weken ter inzage gelegd voor zienswijzen.

Hoofdstuk 5

34

BRO heeft vestigingen in Boxtel | Amsterdam | Venlo www.BRO.nl

Hoofdstuk 5

1

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11755773/1