22046.10 - Bijlage 8.11 - Ruimtelijke onderbouwing Achterste Heistraat 2
Tekst van het document
Het aspect ‘gezondheid’ is in het kader van de beoogde herontwikkeling dan ook geen bezwaar.
5.3
Geluid
De Wet geluidhinder (Wgh) biedt geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerlawaai bij de aanleg/wijziging van wegen of bij de bouw van woningen in de buurt van wegen. De reikwijdte van de Wgh is beperkt tot een geluidszone langs wegen. Binnen deze geluidszone zijn de regels van de Wgh van toepassing. De Wgh niet geldt voor 30-km wegen en voor woonerven. De systematiek van de zonering Wet geluidhinder voor wegverkeer houdt in dat langs een (toekomstige) verkeersweg een geluidszone ligt waarbinnen in een aantal situaties bescherming wordt geboden aan geluidsgevoelige bestemmingen. Deze bescherming geldt in de volgende situaties:
-
via een ruimtelijk besluit de aanleg van een weg mogelijk maken; via een ruimtelijk besluit een geluidsgevoelige bestemming in de zone realiseren; de reconstructie/wijziging van een bestaande weg.
Crijns Rentmeesters bv
31
Ruimtelijke onderbouwing ‘Achterste Heistraat 2 Best’
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan hoeven bestaande geluidsgevoelige bestemmingen gelegen in een geluidszone van bestaande wegen niet getoetst te worden (artikel 76 lid 3 Wgh). In onderhavige situatie betekent dat dat ten aanzien van de reeds bestaande woning binnen het plangebied geen akoestisch onderzoek inzake de geluidbelasting ten gevolge van wegverkeer hoeft te worden uitgevoerd. De beoogde ontwikkeling heeft geen toevoeging van geluidgevoelige bestemmingen tot gevolg. In het kader van de herontwikkeling wordt dan ook geen akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. In het kader van een goede ruimtelijke ordening, met het oog op een goed woon- en leefklimaat, is breder gekeken naar geluidhinder in het plangebied.
[1]
[2]
[3]
[4]
[1] Pandenkaart wegverkeer Lnight [2] Pandenkaart wegverkeer Lden [3] Pandenkaart railverkeer Lnight [4] Pandenkaart railverkeer Lden [5] Pandenkaart industrie en vliegverkeer Lden
[5]
Figuur 19: Uitsnedes pandkaarten, met aanduiding plangebied
Op de pandenkaarten is het plangebied slechts aangeduid op de pandenkaarten wegverkeer, met een belasting van 0-54 dB wegverkeer Lden en 0-49 dB wegverkeer Lnight. Daarmee wordt voldaan aan een goed woon- en leefklimaat.
Crijns Rentmeesters bv
32
Ruimtelijke onderbouwing ‘Achterste Heistraat 2 Best’
5.4
Bodem
In het kader van de beoogde herontwikkeling is door Bodeminzicht op 11 november 2019 een onderzoek naar de bodemkwaliteit ter plaatse uitgevoerd. Het volledige rapport is als bijlage opgenomen bij deze ruimtelijke onderbouwing. De conclusies zijn hieronder weergegeven: “Conclusie en advies Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn geen verontreinigingen aangetoond die aanleiding vormen voor het uitvoeren van nader of aanvullend bodemonderzoek. De resultaten van het onderzoek stemmen niet overeen met de gestelde hypotheses. De resultaten vormen echter geen aanleiding tot aanpassing van de onderzoeksstrategie. De locatie is onverdacht op aanwezigheid van asbest in bodem. De bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie vormt geen belemmering voor de beoogde bestemmingswijziging van agrarisch naar wonen.” De bodemkwaliteit ter plaatse vormt geen belemmering voor de beoogde herontwikkeling.
5.5
Waterhuishouding
5.5.1
Inleiding
Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante plannen en besluiten. De watertoets is in het leven geroepen omdat met name het waterbeleid een wezenlijk andere oriëntatie heeft gekregen: van reageren naar anticiperen. Water heeft een aantal specifieke kwantitatieve en kwalitatieve eigenschappen waar de ruimtelijke ordening rekening mee moet houden. Een watertoets maakt de mogelijke negatieve invloeden van het initiatief binnen het plangebied inzichtelijk. Tevens geeft de watertoets oplossingsrichtingen aan waarmee mogelijke optredende negatieve invloeden beperkt of ongedaan gemaakt kunnen worden. Het waterschap heeft een aantal principes gedestilleerd, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Het plangebied valt onder het beheer van waterschap De Dommel.
5.5.2
Relevant waterschapsbeleid
5.5.2.1
Keur 2015
Voor waterhuishoudkundige ingrepen in het plangebied is de ‘Keur Waterschap De Dommel 2015’ van toepassing. De keur is een verordening met de regels die het waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen (sloten, beken en rivieren) en bijbehorende kunstwerken (gemalen, stuwen). Navolgend is een uitsnede van de Keurkaart 2015 weergegeven.
Crijns Rentmeesters bv
33
Ruimtelijke onderbouwing ‘Achterste Heistraat 2 Best’
Figuur 20: Uitsnede Keurkaart 2015, met aanduiding plangebied
Het plangebied is op de kaart behorende bij de ‘Keur Waterschap De Dommel 2015’ niet aangewezen als gelegen in beschermd gebied of attentiegebied.
5.5.2.2
Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen
De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak
toeneemt.
Deze
(beleids)uitgangspunten
zijn
geformuleerd
in
de
‘Beleidsregel
Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn, veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 2.000 m², 2.000 m² tot 10.000 m² en meer dan 10.000 m². Met de beoogde herontwikkeling wordt er geen extra verhard oppervlak voorzien. Op basis van de Keur en de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’ wordt dan ook geen compensatie vereist.
Crijns Rentmeesters bv
34
Ruimtelijke onderbouwing ‘Achterste Heistraat 2 Best’
5.5.3
Gemeentelijk beleid
5.5.3.1
Waterplan Best
In oktober 2005 heeft de gemeente Best samen met Waterschap De Dommel, provincie NoordBrabant en Brabant Water het ‘Waterplan Best, Op naar een veerkrachtig watersysteem’ opgesteld. Het waterplan omvat een visie voor Best tot 2020. Het Waterplan Best dient als input en toetsingskader voor de diverse lopende projecten en processen binnen het gemeentelijk grondgebied. De visie is onderverdeeld naar vier thema’s aan de hand waarvan de waterproblematiek beschreven en
aangepakt
kan
worden.
Deze
waterthema’s
zijn
waterkwaliteit,
verdrogingsbestrijding,
wateroverlast en waterbeleving. Met het thema wateroverlast wordt bedoeld dat er in 2020 een natuurlijk evenwicht bestaat tussen water en de gebruiksfunctie bebouwing. Door de grote oppervlakten verharding in de bebouwde omgeving, kan het regenwater niet meer op natuurlijke wijze in de grond infiltreren en/of afstromen naar beken. Piekafvoeren in inundaties buiten het stedelijk gebied zijn het gevolg. Binnen een veerkrachtig systeem dient water de ruimte te krijgen. Derhalve hanteert de gemeente Best het principe ‘Infiltreren - vasthouden – afvoeren’.
5.5.3.2
Water- en rioleringsplan 2016 - 2020
Sinds 1 januari 2008 zijn gemeenten verantwoordelijk voor het hemelwater, het afvalwater en het grondwater. De gemeente best heeft het ‘Water- en rioleringsplan 2016 – 2020’ opgesteld. Door diverse wijzigingen in wet- en regelgeving is de situatie ontstaan dat het verbreed gemeentelijk rioleringsplan en het Waterplan grotendeels overlappen wat betreft de reikwijdte, visie en uitvoeringsprogramma. In het Water- en rioleringsplan is een aantal opgaven en speerpunten per aspect weergegeven: -
-
-
Stedelijk afvalwater: o
Inzameling van stedelijk afvalwater;
o
Transport van het stedelijk afvalwater naar een geschikt lozingspunt;
o
Continueren huidige rioleringszorg.
Hemelwater: o
Inzameling van hemelwater;
o
Verwerken van ingezameld hemelwater;
o
Inspelen op klimaatverandering.
Grondwater: o
-
-
Voorkomen van grondwateroverlast.
Oppervlaktewater: o
Waterlopen en waterpartijen als drager voor recreatie en natuur;
o
Mede invulling geven aan de doelen uit de Kaderrichtlijn Water (KRW).
Organisatie en financiën: o
Doelmatige invulling watertaken;
o
Kostendekkende rioolheffing;
o
Toereikende personele capaciteit gemeentelijke watertaken;
o
Samenwerken in de afvalwaterketen;
o
Communicatie naar inwoners en perceelseigenaren intensiveren.
Alle percelen waar afvalwater vrij komt zijn aangesloten op (druk)riolering. Nieuwe lozers van afvalwater dienen te voldoen aan de regels uit het betreffende lozingsbesluit. De aanlegkosten van een aansluiting op een voorziening zijn voor rekening van de aanvrager/initiatiefnemer. In het buitengebied wordt nieuwbouw aangesloten op drukriolering. De lozing van hemelwater hierop is niet
Crijns Rentmeesters bv
35
Ruimtelijke onderbouwing ‘Achterste Heistraat 2 Best’
toegestaan. Vertrekpunt is het principe dat stedelijk afval- en hemelwater gescheiden wordt ingezameld. Om de samenwerking met het waterschap verder te versterken gaat de gemeente Best de komende periode kijken in hoeverre de gemeente eigen hemelwaterbeleid kan koppelen aan de ‘Keur Oppervlaktewater 2016’ van het waterschap. Vooralsnog heeft de gemeente Best daartoe nog geen eigen beleid.
5.5.4
Bodemsamenstelling en geohydrologische situatie
De maaiveldhoogte ter plaatse van het plangebied bedraagt circa 13,9 meter boven NAP. De bodem binnen het plangebied betreft een zandgrond (hoge zwarte enkeerdgronden, lemig fijn zand, akkerbodem 60-70 cm). Binnen het plangebied vindt geen grondwateronttrekking plaats. De GHG ter plaatse van het plangebied is gelegen tussen 80-100 cm-mv, de GLG is gelegen tussen op 250 cmmv of meer.
5.5.5
Hemelwaterafvoer na ontwikkeling
Het verhard oppervlak ter plaatse van het plangebied zal met de beoogde herontwikkeling afnemen. Het hemelwater
afkomstig van het toegenomen verhard
oppervlak
mag naar
bestaand
oppervlaktewater worden afgevoerd. Op vrijwillige basis is de aanleg van een infiltratievoorziening toegestaan, mits daarbij in voldoende mate met de omgeving rekening gehouden wordt en geen wateroverlast op eigen terrein of bij derden ontstaat. Om overlast op eigen terrein te voorkomen, kan op vrijwillige basis een infiltratievoorziening worden aangelegd. Dit dient dan te worden gerealiseerd boven de hoogste grondwaterstand en mag derhalve een diepte kennen van maximaal 80 centimeter beneden maaiveld.
5.5.6
Kwaliteit van te lozen en infiltreren hemelwater
Enkel schoon regenwater mag worden geïnfiltreerd. Om de kwaliteit van het hemelwater te garanderen dienen onderdelen welke met regenwater in aanraking kunnen komen, te worden vervaardigd of te bestaan uit niet-uitloogbare bouwmaterialen zoals kunststoffen of gecoat staal of aluminium (in plaats van lood of asfalt etc.). Door het gebruik van niet-uitlogende materialen komen geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen (DuBo-maatregelen) voor in het te infiltreren water. Infiltratie van afgekoppelde verhardingen zoals opritten, parkeerplaatsen en terrassen mag niet verontreinigd zijn met chemische bestrijdingsmiddelen, olie, agressieve reinigingsmiddelen of andere verontreinigende stoffen.
5.6
Luchtkwaliteit
De Wet luchtkwaliteit is op 15 november 2007 in werking getreden. Belangrijk aspect in de Wet luchtkwaliteit is het begrip ‘Niet In Betekenende Mate’ (NIBM). Ontwikkelingen, projecten en activiteiten die NIBM bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, hoeven door het bevoegd gezag (in principe) niet meer afzonderlijk te worden getoetst aan de grenswaarden voor de luchtkwaliteit. De toetsing vindt op provinciaal en landelijk niveau plaats in het kader van de projecten die wél ‘In Betekenende Mate’ (IBM) bijdragen. In de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ wordt aangegeven op welke manier snel kan worden vastgesteld of de bijdrage van een nieuwbouwproject op de luchtkwaliteit valt onder de term ‘niet in betekenende mate’. De bijlage geeft een harde omschrijving van het aantal gevallen. Voor woningbouw geldt bij 1 ontsluitingsweg een aantal van 1.500 nieuwe woningen netto (vervanging van bestaande woningen geldt als bijdrage neutraal). Bij twee ontsluitingswegen geldt een aantal van 3.000 woningen.
Crijns Rentmeesters bv
36
Ruimtelijke onderbouwing ‘Achterste Heistraat 2 Best’
Aangezien het plan slechts de omzetting van een agrarische bedrijfsbestemming naar een woonbestemming mogelijk maakt, valt dit plan onder het begrip NIBM en hoeft de luchtkwaliteit niet verder te worden onderzocht in het kader van de Wet luchtkwaliteit. Daarnaast is een woning niet aangemerkt als luchtgevoelige bestemming zoals bedoeld in het 'Besluit gevoelige Bestemmingen' en de 'Handreiking luchtkwaliteit gevoelige bestemmingen Noord-Brabant'
5.7
Bedrijven en milieuzonering
Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. De (indicatieve) lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’, uitgegeven door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, bevat richtafstanden voor milieubelastende activiteiten. In de lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’ worden richtafstanden gegeven voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden worden nagestreefd tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. In de omgeving van het plangebied zijn geen niet-agrarische bedrijven aanwezig. Dit aspect vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde herontwikkeling. Tevens geldt voor deze ontwikkeling dat de bestaande woning (agrarische bedrijfswoning) reeds gevoelig is voor alle relevante milieuaspecten. Bij een omzetting naar een woonbestemming wijzigt hier feitelijk niets aan. De locatie blijft immers een gevoelig object dat de zelfde bescherming geniet.
5.8
Externe veiligheid
5.8.1
Inleiding
Onder externe veiligheid verstaat men het beheersen van risico’s die direct of indirect voortvloeien uit de opslag, de productie, het gebruik en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het risico is daarbij gedefinieerd als ‘de kans op overlijden’ voor personen. De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg en het water) en kabels en leidingen. Deze aspecten worden in de navolgende subparagrafen nader toegelicht.
5.8.2
Risico’s
Ten aanzien van risico’s wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR): Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6/jaar contour. Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Groepsrisico Het groepsrisico drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen (minimaal 10) overlijdt, als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR is daarmee een maat voor de
Crijns Rentmeesters bv
37
Ruimtelijke onderbouwing ‘Achterste Heistraat 2 Best’
maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico is in onderhavige situatie niet aan de orde, daar enkel wordt voorzien in de omzetting van bedrijfswoning naar burgerwoning. Er is enkel sprake van bewoning door één huishouden.
5.8.3
Bedrijven
Het plangebied is op de risicokaart van de provincie Noord-Brabant niet aangewezen als gelegen in een risicogebied van een bedrijf met betrekking tot de externe veiligheid. Navolgende figuur geeft een uitsnede weer van de risicokaart van de provincie Noord-Brabant, waarop het plangebied met zwart is omcirkeld.
Figuur 21: Uitsnede risicokaart provincie Noord-Brabant
5.8.4
Vervoer van gevaarlijke stoffen
5.8.4.1
Vervoer over het spoor
Op het grondgebied van de Gemeente Best bevindt zich een spoortracé op een afstand van 3300 meter. Dit aspect is dus niet van toepassing. 5.8.4.2
Vervoer over de weg
Het transport van gevaarlijke stoffen moet primair via het hoofdwegennet plaatsvinden. Binnen de Gemeente Best zijn de rijksweg A58 en A2 aangewezen als wegen waarover vervoer van gevaarlijke stoffen mag plaatsvinden. Het plangebied ligt op een afstand van circa 2.200 meter tot de meest dichtbijgelegen rijksweg en ligt daarmee op een zodanige afstand van deze routes dat beïnvloeding normaliter niet plaats zal vinden.
Crijns Rentmeesters bv
38
Ruimtelijke onderbouwing ‘Achterste Heistraat 2 Best’
5.8.4.3
Vervoer over het water
Het plangebied is gelegen op een afstand van circa 3.300 meter van het Wilhelminakanaal. Als er al een significant transport over dit kanaal plaatsvindt, is deze zo gering dat de risico’s aan de oever verwaarloosbaar zijn. Daarbij is het plangebied buiten het invloedsgebied van het kanaal gelegen.
5.8.5
Kabels en leidingen
5.8.5.1
Buisleidingen
De meest dicht bij het plangebied gelegen buisleiding betreft transportleidingen tussen Rotterdam en Venlo ten noordoosten van het plangebied. Met een afstand van 1400 meter is het plangebied gelegen op dusdanig grote afstand dat deze leiding geen belemmering vormt voor de beoogde herontwikkeling. 5.8.5.2
Hoogspanningslijnen
Voor hoogspanningslijnen gelden geen risicoafstanden, maar gezondheidsafstanden. Ten zuiden van het plangebied, bevindt zich een hoogspanningslijn op een afstand van ruim 800 meter van het plangebied en vormt daarmee geen risico voor de beoogde herontwikkeling.
5.9
Besluit m.e.r.
Op 1 april 2011 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging die daarin is aangebracht, is dat voor de vraag of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen, een toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst niet toereikend is. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de grenswaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Wanneer dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld over de vraag hoe moet worden vastgesteld of een activiteit met een omvang onder de drempelwaarde toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden liggen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt.
De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEGrichtlijn milieu-effectbeoordeling. De beoogde herontwikkeling binnen het plangebied komt niet voor op de D-lijst van het Besluit m.e.r. en zal dan ook niet worden beoordeeld in het kader van het Besluit m.e.r. Onderdeel C van het Besluit m.e.r. wijst de activiteiten en gevallen aan waarvoor een directe m.e.r.plicht geldt. In dit onderdeel staan de activiteiten benoemd die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. De beoogde herontwikkeling binnen het plangebied komt ook niet voor op de C-lijst van het Besluit m.e.r. en is derhalve ook niet m.e.r.-plichtig.
Crijns Rentmeesters bv
39
Ruimtelijke onderbouwing ‘Achterste Heistraat 2 Best’
6.
ARCHEOLOGIE, CULTUURHISTORIE EN NATUUR
6.1
Archeologie
6.1.1
Verdrag van Valletta
In 1992 is het Verdrag van Valletta door de landen van de Europese Unie waaronder Nederland ondertekend. Dit verdrag verplicht de Europese overheden tot het beschermen van archeologisch erfgoed. Hierbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat archeologische waarden in situ bewaard moeten blijven. Dat wil zeggen, dat er naar gestreefd moet worden om de waarden op de locatie te behouden. Als dit niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld bij realisatie van bouwplannen, dan moeten de waarden worden opgegraven en ex situ worden bewaard.
6.1.2
Wet op de archeologische monumentenzorg
Op 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) van kracht geworden. In de Wamz zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Valletta voor Nederland nader uitgewerkt. Eén van de uitgangspunten van de Wamz is dat op gemeentelijk niveau op verantwoorde wijze wordt opgegaan met het archeologisch erfgoed. De Wamz heeft dan ook een decentraal karakter en heeft gemeenten tot bevoegd gezag gemaakt wat betreft de zorg voor het archeologische bodemarchief binnen hun grondgebied.
6.1.3
Archeologiebeleid gemeente Best
Naar aanleiding van de Wamz, welke gemeenten beleidsruimte biedt om binnen de kaders van rijksen provinciaal beleid naar eigen behoefte financieel en beleidsmatig invulling te geven aan de archeologische monumentenzorg op gemeentelijk grondgebied, is het ‘Beleidsplan archeologische monumentenzorg, gemeente Best’ opgesteld. Het doel van het beleidsplan is het ontwikkelen en concretiseren van een eigen gemeentelijk archeologiebeleid. Onderdeel van het beleidsplan is de ‘Archeologische verwachtingen en waardenkaart’. Navolgend is een uitsnede van deze kaart weergegeven.
Figuur 22: Uitsnede Archeologische verwachtingen en waardenkaart
Crijns Rentmeesters bv
40
Ruimtelijke onderbouwing ‘Achterste Heistraat 2 Best’
Het plangebied is aangeduid als een locatie waar een ‘hoge verwachting’ geldt. Archeologisch onderzoek wordt dan desondanks niet noodzakelijk geacht. Met de beoogde herontwikkeling worden 1.000 m² stallen gesloopt, inclusief de mestputten. Bij de bouw van de stallen is de bodem geroerd tot een diepte van 1,5 m. Alle potentiële in de grond aanwezige archeologische waarden zullen verstoord zijn. In het Bestemmingsplan ‘Parkeernormen en archeologie’ is voor de locatie de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ opgenomen. Deze dubbelbestemming zal behouden blijven, waarmee zeker is gesteld dat ook in de toekomst de betreffende archeologische verwachtingswaarde behouden blijft.
6.2
Cultuurhistorie
Het plangebied ligt op basis van de provinciale cultuurhistorische waardenkaart in de regio ‘Meierij’. De Meierij bestaat uit verschillende dekzandruggen, beekdalen en dekzandvlaktes. Over grote oppervlakten ligt Brabants leem in de ondergrond. Aan de noordkant wordt het gebied begrensd door de grote en brede oost-west lopende dekzandrug tussen Oss en Waalwijk. Het water van de beken (Essche Stroom, Beerze, Dommel en Aa) stroomt in de richting van 's-Hertogenbosch, waar een doorgang in de dekzandrug aanwezig is. In het verleden leidde deze situatie hier en daar tot problemen met de waterafvoer, waardoor natte broekgebieden, vennen en kleine veengebieden ontstonden. De Meierij wordt gekenmerkt door een kleinschalig mozaïek van oude en jonge ontginningslandschappen en woeste gronden. Vanouds waren de randen van de beekdalen en de dekzandruggen de meest geschikte plek voor bewoning. De beekdalen zelf en de uitgestrekte broekgebieden waren te nat om te wonen of om akkerbouw te bedrijven. Deze terreinen werden gebruikt als weide, hooiland of hakhout. Op de hogere delen bevonden zich vroeger uitgestrekte heidevelden, bossen en stuifzanden. Door overbeweiding ontstonden op enkele plekken stuifzanden (bijvoorbeeld de Loonse en Drunense duinen). Een en ander had tot gevolg dat het agrarische landschap over het algemeen heel kleinschalig was. De beekdalen waren heel besloten.
De percelen waren er klein en vrijwel allemaal omgeven door opgaande beplanting. De oude akkercomplexen waren wat grotere, open ruimten in deze besloten wereld. De heidevelden vormden hiermee een groot contrast: dit waren zeer grote, open gebieden. Een van de beeldbepalende aspecten van de Meierij is de populierenteelt, aanvankelijk vooral in de vorm van weg- of perceelrandbeplanting, later ook in de vorm van populierenbosjes. In de Meierij zijn verschillende kastelen, abdijen en kloosters gebouwd. Enkele middeleeuwse kastelen zijn bewaard gebleven. Nog veel rijker is het gebied aan landgoederen, buitenplaatsen en statige villa's, vooral in de omgeving van 's-Hertogenbosch. Een voorbeeld van een oud landgoed is 't Veldersbosch bij Boxtel. De landgoederen en buitenplaatsen uit de negentiende en twintigste eeuw liggen vaak op vroegere heidevelden die hun functie voor de boeren verloren hadden door de komst van kunstmest. Tussen Boxtel en Vught liggen verschillende van deze jonge landgoederen en buitenplaatsen, zoals Dommeloord (ook wel Wilhelminapark genoemd), De Oude Hondsberg, Sparrenrijk, Beukenhorst, Halsche Barrier en De Eikenhorst. In de negentiende en twintigste eeuw zijn veel van de 'woeste gronden', de heidevelden en de broekgebieden, omgezet in landbouwgrond. Nieuwe boerderijen werden gebouwd op plaatsen die tot dan onbewoond waren geweest.
In de jonge heideontginningen is een rationele verkaveling en ontwatering gerealiseerd. De Meierij wordt gekarakteriseerd door veel kleine dorpen, met ieder hun eigen karakter en relatie met het landschap. Ook zijn een aantal plattelandsdorpen uitgegroeid tot middelgrote steden of industriekernen, zoals Veghel en Schijndel. De grote stedelijke gebieden van 's-
Crijns Rentmeesters bv
41
Ruimtelijke onderbouwing ‘Achterste Heistraat 2 Best’
Hertogenbosch, Eindhoven en Tilburg zijn met elkaar verbonden door een netwerk van snelwegen, provinciale wegen, kanalen en spoorlijnen. Door de achteruitgang van de populierenteelt en de introductie van het prikkeldraad, waardoor de perceelrandbegroeiing zijn functie als veekering verloor, is de kleinschaligheid van de beekdalen op veel plaatsen verloren gegaan. Dit proces werd versterkt door de uitvoering van ruilverkavelingen in de tweede helft van de twintigste eeuw. Hierdoor zijn de markante verschillen tussen de hoge zandgronden, de oude cultuurgebieden en de beekdalen voor een deel verloren gegaan. De bewoningsgeschiedenis en de inrichting van het gebied zijn in hoge mate bepaald door de natuurlijke terreingesteldheid. De indeling in agrarische gebruikseenheden (akkers, graslanden en woeste gronden) is op veel plaatsen nog goed herkenbaar. In combinatie met de dorpen en buurtschappen en de plaatselijk aanwezige kleinschaligheid verleent dit het gebied een grote landschappelijke en cultuurhistorische waarde. Twee andere aspecten die het landschap van de Meierij kenmerken zijn de landgoederen en buitenplaatsen en de populierenteelt. In het kader van beoogde herontwikkeling verandert de verkavelingsstructuur niet en wordt ook geen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing gesloopt. Het woonhuis Achterste Heistraat 2 kent ook geen cultuurhistorische waarden.
Als gevolg van de beoogde herontwikkeling gaan dan ook geen cultuurhistorische waarden verloren.
6.3
Natuur
6.3.1
Inleiding
Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht geworden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Zowel in de voorgaande als nieuwe wetgeving zijn de nationale natuurwetgeving en internationale richtlijnen en verdragen verankerd, zoals Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, Wetland-Conventie, Conventie van Bern, Cites en Verdrag van Ramsar. De wet is opgesplitst in de bescherming van gebieden (gebiedsbescherming) en de bescherming van soorten (soortenbescherming).
6.3.2
Gebiedsbescherming
De Wnb voorziet in specifieke kaders voor gebieden die op grond van internationale verplichtingen moeten worden beschermd, te wetende Natura 2000-gebieden, bedoeld in de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Ten aanzien van de gebiedsbescherming is het de bedoeling dat plannen en projecten eenduidig en integraal worden getoetst op hun invloed op de te beschermen natuurwaarden in de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. De Vogel- en Habitatrichtlijn is bedoeld ter bescherming van bedreigde levensgemeenschappen van planten en dieren en bedreigde soorten van planten en dieren en hun leefgebieden. Ten aanzien van de gebiedsbescherming is het vereist dat plannen en projecten eenduidig en integraal worden getoetst op hun invloed op de te beschermen natuurwaarden in deze Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. Het dichtst bij het plangebied gelegen natuurgebied betreft het NNB Rijksdeel-gebied Natte Natuurparel ‘De Scheeken’, gelegen op een afstand van ruim 1.800 meter ten noordwesten van het plangebied. Navolgende figuur geeft de ligging van het plangebied weer ten opzichte van omliggende natuurgebieden, waarbij het plangebied met rood is aangeduid.
Crijns Rentmeesters bv
42
Ruimtelijke onderbouwing ‘Achterste Heistraat 2 Best’
Figuur 23: Ligging plangebied ten opzichte van omliggende natuurgebied
De omzetting van de agrarische bedrijfsbestemming tot een woonbestemming heeft geen negatieve gevolgen op omliggende natuurgebieden.
6.3.3
Soortenbescherming
In de Wet natuurbescherming geldt een aantal verbodsbepalingen ter bescherming van planten- en diersoorten. Er is sprake van 2 beschermingsniveaus, te weten: Europees beschermde soorten volgens de Habitat- en Vogelrichtlijn en Nationaal beschermde soorten. Voor alle inheemse diersoorten, beschermd of onbeschermd, geldt de zorgplicht. De zorgplicht wil zeggen dat men deze niet onnodig mag doden, verwonden of beschadigen. Voor onbeschermde soorten geldt geen ontheffingsplicht maar alleen de zorgplicht. Naast soorten beschermt de Wet natuurbescherming ook verblijfplaatsen die als ‘vast’ kunnen worden aangemerkt. Een vaste verblijfplek betreft een verblijfplek waarnaar een dier regelmatig terugkeert en niet slechts eenmalig voor een specifieke functie gebruikt wordt, zoals de nesten van de meeste vogels. Voor beschermde soorten dienen de effecten op populatieniveau te worden getoetst. In tegenstelling tot de voorgaande Flora en faunawet is de bescherming in mindere mate individueel en dient de staat van de instandhouding van de gehele populatie in aanmerking te worden genomen. Het te herontwikkelen deel van het plangebied betreft met name de sloop van de huidige varkensstal. Vanuit de algemene zorgplicht dient tijdens de werkzaamheden continu gelet te worden op aanwezigheid van al dan niet beschermde planten en dieren.
Bij aantreffen van deze planten en dieren moet worden voorkomen dat deze worden verstoord. Om te beoordelen of de beoogde ontwikkeling geen bezwaar is in het kader van de Wet natuurbescherming is ter plaatse een flora en fauna onderzoek uitgevoerd. In navolgende paragraaf wordt de conclusie van dit onderzoek weergegeven.
Crijns Rentmeesters bv
43
Ruimtelijke onderbouwing ‘Achterste Heistraat 2 Best’
6.3.4
Quickscan Flora en Fauna
Door Lomans Ecoworks is voor de planlocatie een verkennende natuurtoets uitgevoerd. Navolgend wordt de conclusie van dit onderzoek weergegeven. Het volledige onderzoek is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. “Samenvatting en conclusie (Toetsing aan de Wet natuurbescherming) Beschermde gebieden Natura 2000- gebieden Het dichtstbij gelegen Natura 2000- gebieden betreft ‘Kampina en Oisterwijkse vennen’ op een afstand van 9,6 kilometer. Gezien de kleinschaligheid en aard van de ontwikkeling (sloop van de varkensstal) en de afstand tot het Natura 2000- gebied, kunnen effecten op voorhand uitgesloten worden. Natuurnetwerk Brabant Het plangebied ligt niet in of nabij een NNB gebied. Het dichts bijzijnde gebied dat is begrensd als Natuurnetwerk Brabant ligt op ca. 200 meter ten zuidoosten van het plangebied. Met de sloop van de varkensstal is geen sprake van aantasting van ‘wezenlijke waarden en kenmerken’ van het NNB gebied. De sloop van de varkensstal zal niet leiden tot aantasting van beschermde gebieden. Beschermde soorten Vogels beschermd op grond van de Vogelrichtlijn art. 3.1 Wnb In het plangebied zijn geen vogels met jaarrond beschermde nesten in bomen of in de te slopen varkensstal aangetroffen. Onder de dakpannen in de bedrijfswoning zijn nesten van Huismus aanwezig. De bedrijfswoning blijft gehandhaafd.
Ook alle groen dat behoort tot het functionele leefgebied van de Huismus blijft intact. Overtreding van verbodsbepalingen beschermingsregime Vogelrichtlijn § 3.1 Wnb is niet aan de orde. Europees beschermde soorten op grond van de Habitatrichtlijn art. 3.2 Wnb Tijdens het veldbezoek zijn geen vogels of andere soorten aangetroffen die vallen onder het beschermingsregime van de Europese Habitatrichtlijn. De aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen voor vleermuizen in de te slopen varkensstal kan worden uitgesloten doordat alle toegangsmogelijkheden zijn afgedicht. Het plangebied zelf vormt geschikt foerageergebied voor vleermuizen. Mogelijke vliegroutes voor vleermuizen zijn aanwezig in de laanbomenstructuur aan de Achterste Heistraat. Deze blijven ongewijzigd aanwezig. Nationaal beschermde Andere soorten art. 3.3 Wnb Tijdens het veldbezoek zijn geen soorten waargenomen welke voorkomen op de lijst van de provinciaal beschermde soorten. Voor deze soorten ontbreekt geschikt leefgebied. Vrijgestelde soorten Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen van soorten uit deze categorie aangetroffen.
Crijns Rentmeesters bv
44
Ruimtelijke onderbouwing ‘Achterste Heistraat 2 Best’
Er worden wel enkele soorten verwacht uit deze categorie die gebruik maken van het plangebied zoals Gewone pad, Bruine kikker, Konijn en enkele algemene muizensoorten. Voor deze soorten geldt wel vrijstelling, maar de algemene zorgplicht is altijd van kracht. Met de sloop van de varkensstal gaan geen vaste rust- of verblijfplaatsen, of essentieel leefgebied van beschermde soorten verloren. Conclusie Indien de aanbevelingen voor Vogels algemeen en Rugstreeppad worden opgevolgd, zijn er geen belemmeringen voor de sloop van de varkensstal in het kader van de Wet natuurbescherming. Nader onderzoek of een ontheffingsaanvraag is niet aan de orde.” De beoogde herontwikkeling aan de Achterste Heistraat 2 is inzake de Wet natuurbescherming geen bezwaar.
Crijns Rentmeesters bv
45
Ruimtelijke onderbouwing ‘Achterste Heistraat 2 Best’
7.
UITVOERBAARHEID
7.1
Economische uitvoerbaarheid en Grexwet
Op 1 juli 2008 is samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de Grondexploitatiewet (Grexwet) in werking getreden. In deze Grexwet is bepaald dat een gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel dat mogelijkheden biedt voor de bouw van één of meer hoofdgebouwen, verplicht is maatregelen te hebben genomen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Onderhavig ruimtelijke onderbouwing biedt geen nieuwe bouwmogelijkheden op de locatie Achterste Heistraat 2 te Best. Een overeenkomst in het kader van het bepaalde in de Grexwet is dan ook niet aan de orde. Wel wordt tussen initiatiefnemer en de Gemeente Best een planschadeverhaalsovereenkomst gesloten, welke regelt dat eventuele planschade als gevolg van de beoogde ontwikkeling verhaald wordt op initiatiefnemer.
7.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Het ruimtelijke onderbouwing zal conform de wettelijke vereisten kenbaar worden gemaakt. Naar aanleiding van eventuele zienswijzen kan een heroverweging op onderdelen plaatsvinden en kan besloten worden onderhavig ruimtelijke onderbouwing op een aantal punten te wijzigen.
Crijns Rentmeesters bv
46
Achterste Heistraat 2 Best - Landschappelijk inpassingsplan Legenda !
!
!
!
!
Plangebied
Bestaande beplanting
g g!W gW W
gW gW gW gW g Haag W
! !
g! gW gW g! W gW gW gW g!W gW gW g!W gW gW g!W gW gW g!W gW ! W gW gW g g!W g W gW g W gW gW W W gW gW g
!
! !
¹ ¹ ¹B B B ¹ B ¹B B ¹ !
¹ B¹B¹B ¹B ¹ B ¹ B ¹ B¹B¹ ¹B ¹B ¹B B ¹ B B ¹ ¹B¹ B¹¹B ¹B ¹¹B
B
¹B BB
BB
!
B¹
!
¹B ¹B ¹B ¹ B B ¹ ¹ ¹ B B
!
!
!
¹ B
!
!
!
!
!
!
!
!
!
!
!
!
!
z w
!
!
!
!
Diverse inlandse loofbomen
Lage geschoren beukenhaag (2) Vier stuks per strekkende meter
z w z w z w ¹ B ¹ B z w B ¹ ¹ B B¹BB¹B
!
!
!
Boom
gW gW gW gW g Haag W
!
!
¹ ¹B ¹¹B ¹B ¹¹B ¹B ¹¹B ¹B B¹B¹¹B ¹¹ ¹B
!
¹ ¹ ¹B ¹B
!
B¹B¹B¹B¹B¹B
!
WgWg WgWg
!
Lage geschoren beukenhaag (1)
Nieuwe beplanting
(2)
!
!
B¹B¹B¹B¹B¹
!
!
!
¹ B
(1)
!
Esri Nederland, Beeldmateriaal.nl
Haag Struweelhaag 2 stuks per strekkende meter (gelijke menging) Sortiment: Veldesdoorn, sleedoorn, kornoelje, hondsroos, vlier. Boom in rij
Es Plantmaat 12-14
Boom in rij Linde, esdoorn of ruwe berk Plantmaat 12-14
Rapport
verkennend bodemonderzoek Achterste Heistraat 2 te Best
Projectnaam Projectnummer
Achterste Heistraat 2 te Best B2345
Opdrachtgever Postadres
P. van Sinten Timmerservice Achterste Heistraat 2 5681 PN Best Dhr P. van Sinten
Contactpersoon Status Versie
Definitief 1
Aantal pagina’s Datum
10 (exclusief bijlagen) 11 november 2019
Samenstelling rapport en kwaliteitscontrole
dhr. M. Gloudemans
Paraaf
Bezoekadres Postcode en plaats Telefoon e-mail internet
Jekschotstraat 12 5465 PG Veghel 0413 287068 info@bodem-inzicht.nl www.bodem-inzicht.nl
Inhoud 1 INLEIDING ................................................................................................................................................................. 3
2
3
4
5
1.1
Algemeen ................................................................................................................................................................ 3
1.2
Aanleiding en doel van het onderzoek.................................................................................................................... 3
1.3
Partijdigheid ............................................................................................................................................................ 3
1.4
Opbouw van het rapport ........................................................................................................................................ 3
VOORONDERZOEK .................................................................................................................................................... 4 2.1
Beschrijving onderzoekslocatie ............................................................................................................................... 4
2.2
Voormalig en huidig gebruik van de locatie ............................................................................................................ 4
2.3
Toekomstig gebruik................................................................................................................................................. 5
2.4
Beschikbare onderzoeksgegevens .......................................................................................................................... 5
2.5
Bodem- en geohydrologische gegevens ................................................................................................................. 5
2.6
Hypothese en onderzoeksstrategie ........................................................................................................................ 5
UITGEVOERDE WERKZAAMHEDEN ............................................................................................................................ 6 3.1
Veldwerkzaamheden .............................................................................................................................................. 6
3.2
Zintuiglijke waarnemingen en veldmetingen .......................................................................................................... 6
3.3
Chemische analyse en monsterselectie .................................................................................................................. 7
3.4
Geselecteerde grondmonsters en chemische analyses .......................................................................................... 7
3.5
Monstersamenstelling en analyses asbest .............................................................................................................. 7
3.5.1 Aangetroffen asbestverdacht materiaal ........................................................................................................ 7 3.5.2 Samenstelling mengmonsters grond ............................................................................................................. 7 RESULTATEN ............................................................................................................................................................. 8 4.1
Toetsingskader ........................................................................................................................................................ 8
4.2
Toetsing analyseresultaten grond en grondwater .................................................................................................. 8
4.3
Wijze van beoordeling en toetsing asbest .............................................................................................................. 8
4.4
Analyseresultaten grond- en grondwatermonsters en interpretatie ...................................................................... 9
4.5
Analyseresultaten inspectiegaten ........................................................................................................................... 9
4.6
Analyseresultaten plaatmateriaalmonster ............................................................................................................. 9
CONCLUSIES EN ADVIES .......................................................................................................................................... 10
BIJLAGEN Bijlage 1: Topografische ligging onderzoekslocatie Bijlage 2: Situatietekening met boorpunten Bijlage 3: Boorprofielbeschrijvingen Bijlage 4: Getoetste tabellen grond en grondwater Bijlage 5: Analysecertificaten Bijlage 6: veldwerkrapportage
rapport B2345 Achterste Heistraat 2 te Best
2
1
INLEIDING
1.1
Algemeen
In opdracht van P. van Sinten Timmerservice te Best heeft Bodeminzicht een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op het perceel Achterste Heistraat 2 te Best (gemeente Best). Het onderzoek is uitgevoerd op basis van de richtlijnen zoals deze zijn opgesteld in NEN 5725, NEN 5740 en NEN 5707. De NEN 5725 (versie oktober 2017) beschrijft de werkwijze voor het uitvoeren van het vooronderzoek naar de (mogelijke) aanwezigheid van verontreinigingen in en de verwachte milieuhygiënische kwaliteit van de landbodem. Daarnaast dient het milieuhygiënisch vooronderzoek als basis voor de hypothese over veld- en laboratoriumonderzoek. De NEN 5740+A1 (versie april 2016) beschrijft de werkwijze voor het opstellen van een onderzoeksstrategie voor verkennend bodemonderzoek naar de aanwezigheid van bodemverontreiniging. De NEN 5707+C2 (versie december 2017) beschrijft de werkwijze voor het opstellen van een onderzoeksstrategie voor verkennend bodemonderzoek naar de aanwezigheid van asbest. Indien meer dan 50% puin (v/v) in de bodem wordt aangetroffen, is de NEN5897 (versie augustus 2015) van toepassing. De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd onder certificaat BRL SIKB 2000. 1.2
Aanleiding en doel van het onderzoek
Aanleiding voor het verkennend bodemonderzoek is de voorgenomen bestemmingswijziging van bedrijfsmatig gebruik (agrarisch) naar wonen. Het doel van het onderzoek is het bepalen van de bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie. De doelstelling van het verkennend onderzoek asbest is om met een relatief geringe onderzoeksinspanning na te gaan of de verdenking op verontreiniging van de bodem met asbest terecht is en een indicatieve uitspraak te doen over het asbestgehalte in de bodem. Op basis van de resultaten van het vooronderzoek zijn aannames gedaan over het al dan niet aanwezig zijn van potentiële verontreinigingsbronnen en is een onderzoekshypothese opgesteld. 1.3
Partijdigheid
Bodeminzicht en partijen die een bijdrage hebben geleverd aan de totstandkoming van dit rapport hebben op geen enkele wijze een relatie met de opdrachtgever en zijn geen belanghebbenden bij de onderzochte locatie. Bodeminzicht garandeert hiermee derhalve dat een volledig onafhankelijk en onpartijdig onderzoek is uitgevoerd. 1.4
Opbouw van het rapport
In het voorliggende rapport komen de volgende aspecten aan de orde: Vooronderzoek (hoofdstuk 2) Uitgevoerde werkzaamheden (hoofdstuk 3) De resultaten van het onderzoek (hoofdstuk 4) Conclusies en aanbevelingen (hoofdstuk 5)
rapport B2345 Achterste Heistraat 2 te Best
3
2
VOORONDERZOEK
Hierbij zijn de volgende bronnen geraadpleegd: A. opdrachtgever B. Het milieu-archief van de gemeente Best C. Kadastrale kaarten D. Topografische kaarten (topotijdreis) E. Grondwaterkaarten F. www.bodemloket.nl G. Locatiebezoek H. Eigenaar/gebruiker onderzoekslocatie 2.1
Beschrijving onderzoekslocatie
adres onderzoekslocatie kadastrale registratie oppervlakte ligging onderzoekslocatie huidige functie beschrijving bebouwing/inrichting beschrijving maaiveld
omgeving
2.2
Achterste Heistraat 2 te Best
bron A
bijlage 1
Best L 121 en 291 6.650 m² buiten de bebouwde kom
C A D
1 2 1
wonen met tuin binnen de onderzoekslocatie zijn een woning en twee kleine bijgebouwen aanwezig. Alle gebouwen zijn voorzien van dakpannen. het maaiveld is grotendeels onverhard. Ten zuiden van de woning is straatwerk aanwezig tot de voormalige stal. Deze stal is recent gesloopt en het achtergebleven terrein is aangevuld tot oorspronkelijk maaiveldniveau. Op maaiveld zijn geen puinresten waargenomen. noord: boomkwekerij oost: Achterste Heistraat zuid: weiland west: boomkwekerij
A, G G
2
G
2
D
1
Voormalig en huidig gebruik van de locatie
voormalig gebruik locatie algemeen (sloot-)dempingen ophogingen
bebouwing
de onderzoekslocatie is van 1978 tot heden in gebruik geweest als agrarisch bedrijf met varkenshouderij. Voorheen was sprake van agrarisch gebruik als landbouwgrond. nee het terrein ter plaatse van de voormalige stal is aangevuld met grond uit Eindhoven en Helmond, onder certificaat aangevoerd en geclassificeerd als klasse AW. De AP-04 rapporten zijn ingezien: • Partijkeuring van een partij grond, in-situ, locatie Sliffertsestraat 49 te Eindhoven (leemlaag), Van Vleuten Consult bv, project CV18106PAR, d.d. 1-52018. • Partijkeuring grond Schrijvershoeve Helmond, Novaflow Milieuadvies, rapport N180523-21, d.d. 29-5-2018 de voormalige stal is gesloopt na deskundige verwijdering van de golfplaten van het dak. Het hemelwater kwam ten tijde van de varkensstal via de asbesthoudende golfplaten op onverhard maaiveld aan beide zijden van de stal terecht. Mogelijk zijn verweerde asbestvezels op deze wijze in de toplaag naast de stal terecht gekomen.
rapport B2345 Achterste Heistraat 2 te Best
bron A, B
aanpassing strategie -
D A, B
-
D
de druipzone naast de voormalige stal wordt als asbestverdacht beschouwd
4
bodembedreigende activiteiten, opslagtanks en opslag bodembedreigende stoffen 2.3
A, B, G
-
Toekomstig gebruik
bestemming
bodembedreigende activiteiten opslagtanks opslag bodembedreigende stoffen 2.4
er zijn geen bodembedreigende activiteiten bekend.
De opdrachtgever wil de huidige agrarische bestemming wijzigen in wonen nee nee nee
bron A
aanpassing strategie de bestemmingswijziging vormt de aanleiding voor het verkennend bodemonderzoek.
A
-
A A
-
Beschikbare onderzoeksgegevens bron
onderzoek op locatie onderzoek in directe omgeving 2.5
de locatie is niet eerder onderzocht binnen een straal van 50 meter zijn geen onderzoeken bekend bij gemeente Best
A, B B
aanpassing strategie -
Bodem- en geohydrologische gegevens
deklaag eerste watervoerend pakket scheidende laag
Bodemopbouw fijn tot matig grof zand. Plaatselijk komt leem, klei en veen voor. matig tot zeer grove grindrijke zanden, met plaatselijk een kleilaag. kleihoudende afzettingen
Nuenengroep
0-30 m-mv
Formatie van Sterksel/Veghel Kedichem/Tegelen
30-110 mmv 110-160 mmv
hydrologie diepte freatisch grondwater stromingsrichting 2.6
1,5 m-mv noordelijk
Hypothese en onderzoeksstrategie
NEN5740: Op basis van het vooronderzoek wordt uitgegaan van een onverdachte niet-lijnvormige locatie (ONV-NL, tabel 3.1). NEN5707: Op basis van het vooronderzoek wordt de druipzone (toplaag 0-10 cm) naast de voormalige stal als diffuus belaste locatie met een heterogene verdeelde asbestverontreiniging (tabel 7). (deel)-locatie opperhypoboringen analyses vlakte these NEN5740 gehele terrein 6.650 m² onver12 tot 0,5 m-mv 4 standaardpakket grond dacht 3 tot 2,0 m-mv/grondwater 1 peilbuis 1 standaardpakket grondwater NEN5707 druipzone 120 m² verja inspectie maaiveld 1 asbest in grond naast vml stal dacht 4 inspectiegaten minimaal 0,3x0,3 meter, maximaal 50 cm diep 1 handboringen in inspectiegaten tot 2,0 m-mv/grondwater
rapport B2345 Achterste Heistraat 2 te Best
5
3
UITGEVOERDE WERKZAAMHEDEN
3.1
Veldwerkzaamheden
verricht onder procescertificaat BRL SIKB 2000 conform protocol 2001 ja datum 21 oktober 2019 veldmedewerker(s) M. Gloudemans, Bodeminzicht certificaat EC-SIK-20303 afwijkingen bijzonderheden geen grondwaterstand aangetroffen binnen 5 meter minus maaiveld. Geen peilbuis geplaatst. conform protocol 2002 datum veldmedewerker(s) afwijkingen bijzonderheden
nee. -
conform protocol 2018 ja datum 21 oktober 2019 veldmedewerker(s) M. Gloudemans, Bodeminzicht certificaat EC-SIK-20303 afwijkingen bijzonderheden • In bijlage 2 is de plaats van de boringen/sleuven in de situatietekening opgenomen. • Voor de gedetailleerde boorprofielbeschrijvingen per boring wordt verwezen naar bijlage 3. • In bijlage 6 zijn de veldwerkrapportages opgenomen 3.2
Zintuiglijke waarnemingen en veldmetingen
Boring
Diepte boring (m -mv) 5,30
Traject soort Waargenomen bijzonderheden (m -mv) 01 2,00 - 2,50 Zand zwak roesthoudend 2,50 - 3,00 Leem Hangwater 02 0,10 0,00 - 0,10 Zand sporen baksteen, mm1 0,17kg grof 02a 0,50 0,00 - 0,50 Zand sporen baksteen 03 0,10 0,00 - 0,10 Zand sporen baksteen, resten plastic, mm1 0,14kg grof 03a 0,50 0,00 - 0,50 Zand sporen baksteen 04 0,10 0,00 - 0,10 Zand sporen baksteen, resten plastic, mm1 0,13kg grof 04a 2,00 0,00 - 0,50 Zand sporen baksteen 1,50 - 2,00 Zand laagjes roest 05 0,10 0,00 - 0,10 Zand sporen baksteen, sporen stenen, mm1 0,12kg grof 05a 0,50 0,00 - 0,50 Zand sporen baksteen 06 0,50 0,00 - 0,50 Zand sporen baksteen 14 2,00 1,60 - 2,00 Zand zwak roesthoudend 16 2,00 0,65 - 2,00 Zand zwak roesthoudend De aangetroffen bijzonderheden hebben niet geleid tot aanpassing van de onderzoeksstrategie. Geen grondwater aangetroffen in de bodem tot 5,3 meter minus maaiveld. Dit is niet in overeenstemming met de verwachte grondwaterspiegel op 1,5 m-mv. Mogelijk hangt het ontbreken van grondwater samen met het gebrek aan neerslag in de laatste twee zomers, de aanwezigheid van boomkwekerij met bijbehorende wateronttrekking op naastgelegen percelen en de aanwezigheid van leem en veen in de ondergrond welke een vlot herstel van de oorspronkelijke grondwaterstand verhinderen.
rapport B2345 Achterste Heistraat 2 te Best
6
3.3
Chemische analyse en monsterselectie
De chemische analyses van de grond- en grondwatermonsters geven informatie over de feitelijke aanwezigheid en concentraties van onderzochte stoffen of groepen stoffen. De chemische analyses zijn uitgevoerd volgens het door de door de Raad voor Accreditatie (RvA) geaccrediteerde laboratorium Al-West B.V. in Deventer. Het laboratorium werkt volgens de meest van toepassing zijnde normen van het Nederland Normalisatie Instituut (NNI). 3.4
Geselecteerde grondmonsters en chemische analyses
Analyse- Traject Deelmonsters Analysepakket1 reden/motivatie monster (m -mv) BG1 0,00 02a (0,00 - 0,50) NEN 5740 Standaardpakket + Structuur en voorb. sporen baksteenhouden0,50 03a (0,00 - 0,50) (AS3000) de bovengrond 04a (0,00 - 0,50) 05a (0,00 - 0,50) 06 (0,00 - 0,50) BG2 0,00 07 (0,30 - 0,60) NEN 5740 Standaardpakket + Structuur en voorb. visueel schone boven0,60 08 (0,30 - 0,60) (AS3000) grond 09 (0,00 - 0,50) 12 (0,00 - 0,50) 13 (0,00 - 0,50) 14 (0,00 - 0,50) 16 (0,00 - 0,50) 17 (0,00 - 0,50) OG1 0,50 01 (1,30 - 1,80) NEN 5740 Standaardpakket + Structuur en voorb. visueel schone onder2,00 01 (1,80 - 2,00) (AS3000) grond 04a (0,50 - 1,00) 04a (1,00 - 1,50) OG2 0,65 14 (0,70 - 1,20) NEN 5740 Standaardpakket + Structuur en voorb. 2,00 14 (1,60 - 2,00) (AS3000) 16 (0,65 - 1,00) 16 (1,00 - 1,50) 1)Het NEN 5740 standaardpakket bodem bestaat uit de volgende parameters: droogrest, metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink), PCB’s, PAK, minerale olie. De analyseresultaten hebben geen aanleiding gegeven individuele monsters separaat te analyseren. 3.5
Monstersamenstelling en analyses asbest
Ten behoeve van het verkennend onderzoek asbest zijn van de gaten en boringen mengmonsters samengesteld en is asbestverdacht materiaal verzameld uit de maaiveldinspectie en inspectie van de bodem. 3.5.1
Aangetroffen asbestverdacht materiaal
Op maaiveld zijn geen asbestverdachte fragmenten aangetroffen. Tijdens het graven en zeven/harken van grond uit de inspectiegaten zijn geen asbestverdachte fragmenten aangetroffen. 3.5.2
Samenstelling mengmonsters grond
omschrijving monster mm1
geselecteerde inspectiegaten 02 t/m 05
rapport B2345 Achterste Heistraat 2 te Best
traject in m-mv 0,00 – 0,10
Bijzonderheden <20% bodemvreemde bijmenging
Analysepakket asbest grond NEN5898 (<20mm) 10-15 kg (AS3000)
7
4 4.1
RESULTATEN Toetsingskader
De verontreinigingssituatie van de bodem kan worden beoordeeld door toetsing van de gemeten gehaltes in grond en grondwater aan de achtergrondwaardes grond en streefwaarden grondwater en de interventiewaarden grond en grondwater. De achtergrondwaarden geven het niveau aan waarbij sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. De interventiewaarden geven aan wanneer de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, dier en plant ernstig zijn of dreigen te worden verminderd. Om van een “geval van ernstige bodemverontreiniging” te spreken dient voor ten minste één stof de gemiddelde concentratie van minimaal 25 m³ grond of 100 m³ grondwater hoger te zijn dan de interventiewaarde. In onderhavig rapport worden de volgende termen gebruikt om de mate van verontreiniging aan te geven: -
niet verontreinigd: de concentratie aan verontreiniging is lager dan of gelijk aan de achtergrondwaarde; licht verontreinigd: de concentratie aan verontreiniging is hoger dan de achtergrondwaarde maar lager dan of gelijk aan de halve som van de achtergrond- en interventiewaarde; matig verontreinigd: de concentratie aan verontreiniging is hoger dan de halve som van de achtergrond- en interventiewaarde maar lager dan of gelijk aan de interventiewaarde; sterk verontreinigd: de concentratie aan verontreinigingen is hoger dan de interventiewaarde.
Uit de NEN 5740 kan het volgende worden afgeleid. Uitvoering van vervolgonderzoek is in de meeste gevallen alleen noodzakelijk wanneer de concentratie van een stof de halve som van de achtergrondwaarde en de interventiewaarde overschrijdt. Deze waarde wordt ook in de Leidraad Bodembescherming gehanteerd als de concentratiegrens waarboven een nader onderzoek moet worden uitgevoerd. Bij overschrijding van de interventie-waarde wordt vaak een nader onderzoek uitgevoerd om de ernst van de verontreiniging en de saneringsurgentie te bepalen. 4.2
Toetsing analyseresultaten grond en grondwater
De analyseresultaten van de grond zijn getoetst aan de achtergrond- (A) en interventiewaarden (I) uit de circulaire streefen interventiewaarden bodemsanering [Staatscourant 2000-39]. In de toetsingstabel zijn zowel de achtergrondwaarden (A) als de interventiewaarden (I) voor microverontreinigingen opgenomen. De achtergrond- en interventiewaarden zijn afhankelijk van het (gemeten) lutum- en organisch stofgehalte van de bodem. De analyseresultaten van het grondwater zijn getoetst aan de streef- (S) en interventiewaarden (I). De gemeten waarden van de onderzochte (meng-)monsters met overschrijdingstabellen zijn in bijlage 4 weergegeven. In bijlage 5 zijn de analysecertificaten opgenomen. 4.3
Wijze van beoordeling en toetsing asbest
De beoordeling en interpretatie van de analyseresultaten van de grondmonsters geschiedt op basis van het Besluit Bodemkwaliteit. De hoogte van zowel de interventiewaarde, de hergebruikwaarde, als de rest-concentratienorm voor asbest is vastgesteld op 100 mg/kg d.s. De berekening voor de toetsing aan deze norm wordt op de volgende wijze uitgevoerd: (10x gehalte ambifool asbest)+(gehalte serpentijn asbest)=<100 mg/kg d.s. Per (deel)locatie en per (verdachte) bodemlaag moeten alle indicatieve resultaten worden getoetst aan de interventiewaarde, volgens onderstaande criteria. • Gaten 30 cm x 30 cm: indien voor een (deel)locatie en bodemlaag het gewogen gehalte aan asbest (hoogste gehalte) kleiner is dan de helft van de interventiewaarde is verder onderzoek niet noodzakelijk en is het statistisch aannemelijk dat de interventiewaarde ook niet in een nader onderzoekstraject zal worden overschreden; • Gaten 30 cm x 30 cm; indien voor een (deel)locatie en bodemlaag het gewogen gehalte aan asbest (hoogste gehalte) groter is dan de helft van de interventiewaarde is nader onderzoek noodzakelijk; • Boringen (< 35 cm): indien in het opgeboorde materiaal uit minimaal één boring binnen een (deel)locatie asbest wordt aangetroffen, dan is aanvullend onderzoek verplicht.
Er kan worden gekozen voor een volledig verkennend onderzoek met behulp van gaten of er kan direct worden overgegaan tot nader onderzoek. • Boringen(< 35 cm): indien in geen van de boringen binnen een (deel)locatie asbest wordt aangetroffen, dan is nader onderzoek niet verplicht. Bij toetsing is de hoogste bepaalde waarde binnen een (deel)locatie en bodemlaag bepalend.
rapport B2345 Achterste Heistraat 2 te Best
8
4.4
Analyseresultaten grond- en grondwatermonsters en interpretatie
omschrijving
monster
traject
sporen baksteenhoudende bovengrond
BG1
0,00 0,50
visueel schone bovengrond
BG2
visueel schone ondergrond
1Index
4.5
4.6
overschrijding interventiewaarde -
0,00 0,60
-
-
OG1
0,50 2,00
-
-
OG2
0,65 2,00
-
-
(GSSD - AW) / (I - AW)
Analyseresultaten inspectiegaten
monster
mm1
overschrijding achtergrond- of streefwaarde -
inspectiegaten
02 t/m 05
traject in mmv
analyse
0,00 – 0,10
NEN5898
analyseresultaten verhoogde parameter -
hechtgebonden -
gewogen (mg/kg d.s.) <1
concentratie
Analyseresultaten plaatmateriaalmonster
Tijdens de maaiveldinspectie en het graven en zeven van grond uit de inspectiegaten wordt visueel beoordeeld of mogelijk sprake is van asbesthoudend plaatmateriaal. Verdacht materiaal wordt per vindlocatie (maaiveld/inspectiegat) verzameld en geanalyseerd op gehalte aan asbest. Tijdens het verkennend asbestonderzoek is geen asbestverdacht plaatmateriaal aangetroffen op maaiveld en in de inspectiegaten. Derhalve heeft geen analyse plaatsgevonden. Bij de interpretatie van het totaal aan onderzoeksgegevens dient, gezien de gehanteerde strategie (gebaseerd op de Nederlandse Norm NEN 5740) welke is gericht op een indicatieve beoordeling van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem, rekening te worden gehouden met een zeker restrisico. Een bodemonderzoek is een momentopname waarbij steekproefsgewijs boringen/inspectiegaten worden verricht/gegraven en peilbuizen worden geplaatst op een veelal willekeurige, maar meest voor de hand liggende locatie. Derhalve kan nooit uitgesloten worden dat op de onderzoekslocatie verontreinigingen aanwezig zijn die bij dit onderzoek niet zijn aangetoond. Bodeminzicht kan hiervoor niet aansprakelijk worden gesteld.
rapport B2345 Achterste Heistraat 2 te Best
9
5
CONCLUSIES EN ADVIES
Resultaten NEN5740 Tijdens het verrichte veldwerk is, behoudens hangwater van 2,50 tot 3,00 m-mv, geen grondwater waargenomen tot 5,3 meter minus maaiveld. Grondwateronderzoek heeft derhalve niet plaatsgevonden. Dit is niet in overeenstemming met de verwachte grondwaterspiegel op 1,5 m-mv. Mogelijk hangt het ontbreken van grondwater samen met het gebrek aan neerslag in de laatste twee zomers, de aanwezigheid van boomkwekerij met bijbehorende wateronttrekking op naastgelegen percelen en de aanwezigheid van leem en veen in de ondergrond welke een vlot herstel van de oorspronkelijke grondwaterstand verhinderen. In de sporen baksteenhoudende visueel schone bovengrond van de vaste bodem (BG1 en BG2) zijn geen gehaltes aan onderzochte stoffen gemeten boven de achtergrondwaarden. In de zintuiglijk schone ondergrond van de vaste bodem (OG1 en OG2) zijn eveneens geen gehaltes aan onderzochte stoffen gemeten boven de achtergrondwaarden. Resultaten NEN5707 Tijdens inspectie van maaiveld en gaten is geen asbestverdacht plaatmateriaal visueel waargenomen. Analyse heeft derhalve niet plaatsgevonden. In het geanalyseerde grondmengmonster mm1 is geen asbest aangetroffen. De concentratie bevindt zich beneden de detectielimiet.