CConstaterende datBest
Koppel je AI →
Document · PDF

22032.4 - Bijlage memo voor gemeenteraad Verdieping Omgevingswet

Raadsvergadering 7 juli 2022, gemeente BestBij agendapunt: 22032 - Omgevingswet: Bindend adviesrecht6.924 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Onderwerp

:

Memo voor de gemeenteraad: bijlage Verdieping t.b.v. planologisch-procedurele besluiten Omgevingswet

Motto Het motto van de Omgevingswet is ‘Ruimte voor ontwikkeling, waarborgen van kwaliteit’. Dit motto is vertaald in artikel 1.3 van de Omgevingswet (Ow):

Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang: a. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en b. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.

De Omgevingswet: zó spannend is het nu ook weer niet... Bij gemeenten, burgers, bedrijven en belangenverenigingen, leeft soms het idee dat de Omgevingswet een ‘gamechanger’ gaat zijn voor de ruimtelijke ontwikkeling en de kwaliteit van de leefomgeving in ons land. De Omgevingswet is echter niet hét ruimtelijke tovermiddel dat menigeen verwacht. Het is zeker niet zo dat we dankzij de Omgevingswet straks allemaal wél een dakkapel kunnen plaatsen, waar dat eerder niet kon. Of dat langs de snelweg opeens wél de ruimte ontstaat om een woonwijk te bouwen. Ingeschat wordt dat onder de Omgevingswet 80% van de initiatieven hetzelfde resultaat oplevert als dat nu het geval zou zijn. Het is en blijft immers aan gemeenten en provincies om in een omgevingsvisie of een omgevingsplan de kaders vast te stellen voor een gebied. Ook nu al biedt het huidige stelsel bewegingsruimte: wanneer er draagvlak is voor een initiatief, wordt vaak wel een weg naar een oplossing gevonden, ook bestuurlijk. Wat met de Omgevingswet wél verandert, is de weg naar die oplossing toe. Die wordt op termijn transparanter, beter volgbaar en voorspelbaar. Het inzicht over wat waar wel of niet mogelijk is, wat de gewenste en actuele kwaliteit van een leefomgeving is en bij welk loket je als initiatiefnemer moet zijn, is nu niet altijd duidelijk. Juist hier ligt de grootste winst van de Omgevingswet.

Ruimtelijk gezien zullen we merken dat gemeenten en provincies meer bewegingsvrijheid krijgen en afwegingen kunnen maken die meer zijn toegespitst op hun eigen situatie. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet worden er nieuwe instrumenten en procedures geïntroduceerd. Deze nieuwe instrumenten brengen ook nieuwe keuzes met zich mee. Keuzes waarover de gemeente een besluit kan nemen. Inhoud en verantwoording Deze memo is opgesteld om inzage te bieden in de nieuwe instrumenten en procedures, en de daarbinnen te maken keuzes. Hierbij is het ook noodzakelijk inzage te bieden in de huidige werkwijze, zodat de ‘nieuwe werkelijkheid’ in perspectief kan worden geplaatst. Daarnaast wordt in deze memo ook het grotere geheel

Pagina 1 van 19

Archiefexemplaar van BL22-07927

- memo voor gemeenteraad: Verdieping t.b.v. Planologisch-procedurele besluiten Omgevings

aangestipt omtrent de omgevingsvisie, het omgevingsplan en de planologisch-procedurele aspecten van de Omgevingswet. Welke voorbereidingen worden getroffen? Ter voorbereiding op de inwerkingtreding van de Omgevingswet is onder meer gewerkt aan de Omgevingsvisie Best 2040: dorp van formaat, die op 31 januari 2022 is vastgesteld. Ook is inmiddels een bureau geselecteerd waarmee samen aan het Beste Omgevingsplan gewerkt gaat worden. Het Rijk geeft ons hiertoe (vooralsnog) de tijd tot eind 2029. Tot dat moment blijven de huidige (bestemmingsplan)regels van toepassing (tenzij voor die datum door de raad een omgevingsplan is vastgesteld, dan gelden die nieuwe regels). Na die datum zullen alle lokale regels die gaan over de fysieke leefomgeving, maar geen onderdeel uitmaken van een bestemmingsplan c.q. het tijdelijk omgevingsplan, vervallen. Denk hierbij aan de uitrit- of kapvergunningen of de fysieke leefomgeving betreffende aspecten van de evenementenvergunning uit de APV; deze regels zullen een plek gaan krijgen in het op te stellen Bestse Omgevingsplan. Afwijken van een omgevingsplan Net als nu het geval is bij bestemmingsplannen, zullen zich straks situaties voordoen dat een initiatief niet past binnen het omgevingsplan (inclusief de binnenplanse omgevingsplanactiviteiten, zoals b.v. de huidige binnenplanse 10% afwijkingsmogelijkheid van de bouwhoogte).

De Omgevingswet biedt twee mogelijkheden om toch medewerking te kunnen verlenen. Via 1. een wijziging van het omgevingsplan, al dan niet door de raad gedelegeerd aan het college of 2. het verlenen van een omgevingsvergunning, ook wel de buitenplanse omgevingsplanactiviteit (bopa). Ad 1. De keuze voor het wijzigen van het omgevingsplan betekent dat een nieuw stukje omgevingsplan wordt opgesteld dat het tijdelijke1 deel geheel of gedeeltelijk vervangt. Daarbij is het niet verplicht om het omgevingsplan voor de betreffende locatie (de postzegel) helemaal te vullen. Lokale verordeningen, maar ook de bruidsschat mogen met rust gelaten worden. Dit is prettig, omdat voor de betreffende locatie anders erg veel keuzes gemaakt dienen te worden. Keuzes waarvoor meer tijd nodig is omdat deze ook gevolgen hebben voor de rest van (de inrichting) van het omgevingsplan. Wel geldt onverkort de resultaatverplichting uit art. 2.4 van de Omgevingswet, namelijk dat het geheel aan regels die voor een locatie gelden in ieder geval een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ tot gevolg moet hebben. Tevens moet voldaan worden aan de instructieregels van het Rijk (Besluit kwaliteit leefomgeving) en de provincie (omgevingsverordening).

In de overgangsfase doet het daarbij niet ter zake waar de regels over activiteiten staan: in een lokale verordening, het permanente omgevingsplan of in het tijdelijk deel. Uiteraard heeft het vanuit het oogpunt van inzichtelijkheid en herkenbaarheid wel de voorkeur dat regels zoveel mogelijk worden geïntegreerd in het permanente omgevingsplan.

Pagina 2 van 19

De huidige wijzigings- en uitwerkingsbevoegdheden in bestemmingsplannen (waarmee de raad in een bestemmingsplan aangeeft dat het college het plan later kan wijzigen of uitwerken als aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan) vervallen in zijn geheel. De mogelijkheid tot het delegeren van het wijzigen van een omgevingsplan door de raad aan het college (in artikel 2.8 Ow geformuleerd als de bevoegdheid tot het vaststellen van delen van het omgevingsplan), kan worden gezien als een vervanging hiervan. Daar waar in de huidige situatie een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht onderdeel moet uitmaken van een bestemmingsplan, is na inwerkingtreding van de Omgevingswet een delegatiebesluit een los, op zichzelf staand besluit. Er kan voor gekozen worden om een delegatiebesluit gelijktijdig met een raadsbesluit tot vaststelling van een omgevingsplan te nemen of op ieder ander willekeurig moment. Ad 2. Een belangrijk kenmerk van de buitenplanse omgevingsplanactiviteit (bopa) is dat het tijdelijk deel van het omgevingsplan niet aangepast hoeft te worden. Dit neemt niet weg dat het tijdelijk deel inhoudelijk wel een belangrijke rol speelt; naarmate de afwijking van het tijdelijk deel - en daarmee van de (gebruiks)doelen die voor een locatie gelden - groter is, worden zwaardere eisen gesteld aan de motivering.

Ook is het plausibel dat de raad in dat geval nauwer betrokken wil zijn bij de besluitvorming, bijvoorbeeld door het bindend adviesrecht van toepassing te verklaren of door participatie verplicht te stellen. De huidige kruimelgevallen-regeling (waarmee met een reguliere omgevingsvergunningsprocedure door het college kan worden afgeweken van het bestemmingsplan) en het projectbesluit (waarmee met een uitgebreide voorbereidingsprocedure kan worden afgeweken van het bestemmingsplan) bestaan na inwerkingtreding van de Ow niet meer als aparte instrumenten. Ze gaan op in de buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Voor de buitenplanse en de binnenplanse omgevingsplanactiviteiten geldt dat deze (volgens artikel 4.17 Ow) binnen 5 jaar moeten zijn verwerkt in een omgevingsplan (tenzij de vergunning voor een tijdelijke periode is verleend). De Omgevingswet schrijft bij afwijking van een omgevingsplan niet voor in welke gevallen een bepaald instrument moet worden toegepast. Wel is het zo dat in bepaalde gevallen een afwijking alleen mogelijk is via een wijziging van het omgevingsplan. Een dergelijke situatie doet zich bijvoorbeeld voor als een ontwikkeling pas mogelijk is, als een bepaald recht wordt weggenomen2. Iets wat met een binnen- of buitenplanse omgevingsplanactiviteit niet mogelijk is; hiermee kan alleen worden afgeweken van bestaande rechten, in de zin van een verruiming.

Bij het ‘wegnemen’ moet er dus worden uitgeweken naar een (gedelegeerde) wijziging van het omgevingsplan.

1 Gemeenten krijgen tot eind 2029 (mogelijk later omdat de inwerkingtreding van de Omgevingswet is uitgesteld) de tijd om het tijdelijk deel van het omgevingsplan en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet ontstaat van rechtswege een tijdelijk deel van het omgevingsplan. In het tijdelijk deel van het omgevingsplan worden alle ruimtelijke regels uit bestaande instrumenten, zoals bestemmingsplannen en wijzigingsplannen samengevoegd. Het Rijk voegt regels toe aan het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Dit heet de bruidsschat. Naast het tijdelijk deel van het omgevingsplan blijven de gemeentelijke verordeningen bestaan. 2

Voorbeeld: Aan de rand van het centrum bevindt zich een kleinschalig bedrijventerrein met een hoge milieucategorie. De gemeente wil het gebied transformeren tot gemengd woon-werkgebied. Om dit doel te bereiken is het noodzakelijk dat de toegestane bedrijfscategorieën worden verlaagd en dat per bedrijf geluidsnormen worden vastgelegd. Daarvoor is vereist dat het tijdelijk deel wordt aangepast (afwaarderen van de milieucategorie) en het definitieve omgevingsplan wordt aangevuld met regels die de gewenste ontwikkelingen mogelijk maken en nieuwe regels voor de bestaande bedrijvigheid.

Pagina 3 van 19

Welke procedure kennen de nieuwe instrumenten? Een wijziging van een omgevingsplan heeft eenzelfde procedure als nu de herziening van een bestemmingsplan: ter inzagelegging van het ontwerp, vaststelling door de gemeenteraad en daarna direct beroep bij de Raad van State. In de huidige situatie vindt soms ook ter inzagelegging van een voorontwerp bestemmingsplan plaats op basis van de gemeentelijke inspraakverordening Best 2015; deze inspraak3 maakt geen onderdeel uit van de formele uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3:4 Awb, maar is wel te zien als een vorm van participatie. De omgevingsvergunning heeft eenzelfde procedure als een reguliere omgevingsvergunning nu: verlening door het college, bezwaar bij de bezwarencommissie, beroep bij de rechtbank en hoger beroep bij de Raad van State. Echter, het bevoegd gezag kan zelfstandig de uitgebreide voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 Awb van toepassing verklaren op de voorbereiding van de beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Deze mogelijkheid is beperkt tot een ‘activiteit die aanzienlijke gevolgen heeft of kan hebben op de fysieke leefomgeving’ en ‘waartegen naar verwachting verschillende belanghebbenden bedenkingen hebben’ (artikel 16.65 vierde lid Ow). De procedure die gekoppeld is aan een voorbereidingsbesluit wijzigt eveneens niet.

Het voorbereidingsbesluit wordt -in beginsel- genomen door de gemeenteraad, vervolgens bekend gemaakt, waarna tegen dat besluit geen bezwaar of beroep kan worden ingesteld.

3 Verplichtingen uit de Inspraakverordening zijn geen onderdeel van de wettelijk geregelde bestemmingsplanprocedure, zodat het schenden van een inspraakverplichting onder de huidige wetgeving geen gevolgen heeft voor de rechtmatigheid van het besluit. Zie onder meer ABRvS 2 februari 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BP2792). De ABRvS heeft echter recent -vooruitlopend op de Ow-geoordeeld dat een bestuursorgaan geen planologische medewerking hoeft te verlenen aan de wijziging van een bestemmingsplan als de aanvrager zich niet heeft ingespannen om maatschappelijk draagvlak te creëren. Daarvoor geldt wel als voorwaarde dat, bijvoorbeeld op grond van gemeentelijk beleid, van een initiatiefnemer kan worden verlangd dat hij (specifieke) inspanningen verricht die zijn gericht op het informeren van omwonenden en het verwerven of vergroten van het maatschappelijk draagvlak voor de gewenste ontwikkeling. Het niet behoorlijk nakomen van een dergelijke verplichting kan voor het bestuursorgaan reden zijn de gewenste medewerking niet te verlenen. Zie ABRvS 18 december 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:4209).

Pagina 4 van 19

Waar voorziet het overgangsrecht in? Het overgangsrecht voorziet erin dat bestemmingplannen en wijzigings- en uitwerkingsplannen die op het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet als ontwerp ter inzage liggen, onder het huidige recht de Wet ruimtelijke ordening- worden afgewerkt. De binnenplanse wijzigings- en uitwerkingsbevoegdheden die zijn opgenomen in bestemmingsplannen zullen na inwerkingtreding van de Omgevingswet verder gaan als een binnenplanse omgevingsplanactiviteit waarvoor een omgevingsvergunning kan worden verleend, voor zover deze aanvraag toeziet op een bouwactiviteit4. Aanvragen voor een (binnen- en buitenplanse) omgevingsvergunning kunnen worden afgewerkt onder het oude recht, voor zover deze aanvragen zijn ingediend voor de ingangsdatum van de Omgevingswet, naar verwachting 1 januari 2023. Wat valt er te besluiten voor de raad? De te nemen besluiten zijn op te delen in: • Het delegeren van het nemen van een voorbereidingsbesluit • Het delegeren van het vaststellen van een omgevingsplan • Het verplicht stellen van participatie bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten • Het verplicht stellen van een bindend advies van de raad voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten • Het toepassen van de uitgebreide procedure bij een buitenplanse omgevingsplanactiviteit

Delegeren voorbereidingsbesluit Met een voorbereidingsbesluit wordt voorkomen dat in afwachting van een nieuw bestemmingsplan / omgevingsplan activiteiten worden ontplooid die mogelijk in strijd zijn met het nieuwe, in voorbereiding zijnde bestemmingsplan / omgevingsplan of beleid. Onder de huidige wetgeving is dit een bevoegdheid van de raad. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet krijgt de raad de mogelijkheid om het nemen van een voorbereidingsbesluit te delegeren aan het college (artikel 4.14.5 Ow). Een delegatiebesluit kan algemeen, op voorhand en zonder nadere voorwaarden door de raad worden genomen.

Delegeren vaststellen omgevingsplan Het besluit tot vaststelling van delen van een omgevingsplan kan de raad delegeren aan het college (artikel 2.8 Ow). De procedure die in een dergelijk geval wordt gevolgd is te vergelijken met de huidige binnenplanse wijziging.5

4

Dit geldt (volgens artikel 22.32 van de bruidsschat) echter alleen ingeval deze wijziging gepaard gaat met een bouwactiviteit. En niet voor binnenplanse wijzigingen die voorzien in een gebruikswijziging zonder een bouwactiviteit. Bijvoorbeeld de wijziging van een agrarische bedrijfswoning, naar een burgerwoning. In een dergelijk geval zal respectievelijk een wijziging van het omgevingsplan moeten worden doorgevoerd of een vergunning voor een bopa moeten worden verleend. 5

College legt het ontwerp van het wijzigingsplan ter inzage, stelt na ter inzagelegging onder afweging van eventuele zienswijzen het wijzigingsplan (gewijzigd) vast, waarna dit besluit direct open staat voor beroep bij de Raad van State.

Pagina 5 van 19

Buitenplanse omgevingsplanactiviteit; verplichte participatie Voor het afwijken van een omgevingsplan via een buitenplanse omgevingsplanactiviteit kan de raad besluiten de initiatiefnemer te verplichten om aan participatie te doen, voordat deze een aanvraag omgevingsvergunning kan indienen (artikel 16.55, lid 7 Ow).

Buitenplanse omgevingsplanactiviteit; bindend advies raad Daarnaast kan de raad besluiten dat zij een adviesrecht heeft voor bepaalde buitenplanse omgevingsplanactiviteiten, die het college moet opvolgen (artikel 16.15a, lid b Ow). Voor activiteiten in strijd met het bestemmingsplan (‘buitenplanse omgevingsplanactiviteiten’) kan de gemeenteraad in de huidige situatie beslissen dat er ‘geen bedenkingen’ zijn, met een zogenoemde ‘verklaring van geen bedenkingen (vvgb)’. Om het werkbaar te houden wijst de raad gevallen aan waarin die verklaring van geen bedenkingen niet nodig is. Voor alle overige gevallen is deze verklaring dus wel nodig. Onder de Omgevingswet is het precies omgekeerd. Dan wijst de gemeenteraad gevallen aan waarin wel een bindend advies nodig is van de raad om af te wijken van het omgevingsplan. Voor de niet-aangewezen gevallen vervalt het adviesrecht. De wetgever heeft er niet in voorzien dat een dergelijk bindend advies van de raad meer tijd vergt. De reguliere beslistermijn op een aanvraag voor een omgevingsvergunning van 8 weken, met een eenmalige aansluitende verlengingstermijn van 6 weken, blijft onveranderd. Ook ingeval er een advies benodigd is van de raad.6

Buitenplanse omgevingsplanactiviteit; toepassen uitgebreide procedure Aanvullend op bovengenoemde keuzes voor de raad, krijgt het college de mogelijkheid om per voorliggende aanvraag te besluiten de uniforme openbare voorbereidingsprocedure toe te passen als sprake is van een ‘activiteit die aanzienlijke gevolgen heeft of kan hebben op de fysieke leefomgeving’ en ‘waartegen naar verwachting verschillende belanghebbenden bedenkingen hebben’. Wat neerkomt op de ter inzagelegging van een ontwerpbesluit gedurende 6 weken, alvorens de omgevingsvergunning wordt verleend7. Deze periode van terinzagelegging van het ontwerp biedt de mogelijkheid om parallel daaraan advies te vragen aan de raad. Ook wordt met het toepassen van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure de wettelijke -niet fatale- beslistermijn van 8 weken verlengd naar maximaal 6 maanden8. 6

Wel is het zo dat dit een ‘termijn van orde’ betreft, en geen ‘fatale termijn’. Dit maakt dat bij overschrijding van de termijn, de vergunning níet van rechtswege is verleend. Wel kan men een beroep doen op de ‘Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen’. Indien een overheid niet tijdig een besluit neemt, kan een belanghebbenden de overheid in gebreke stellen met het verzoek om binnen 2 weken na verstrijken van de wettelijke termijn alsnog een besluit te nemen, onder het verbeuren van een dwangsom voor iedere dag dat een besluit uitblijft. De termijn van 8 weken wordt verlengd naar 12 weken indien sprake is van een verplicht op te vragen advies of instemming, als bij een rijksmonumentenactiviteit met adviesrecht voor de Minister van OCW of GS of bij een Natura 2000/flora- en fauna-activiteit met adviesen instemmingsrecht van de Minister van LNV of GS. 7

De procedure voor een omgevingsvergunning wordt daarmee; ter inzagelegging ontwerpbesluit, besluit door het college, beroep en hoger beroep. De ‘bezwaartermijn na besluitvorming’ van de reguliere procedure wordt dan vervangen door ‘ter inzagelegging ontwerp omgevingsvergunning voor besluitvorming’. 8

Artikel 3:18, lid 2 Algemene wet bestuursrecht.

Pagina 6 van 19

Wanneer moeten de besluiten genomen zijn? Er is geen verplichting om bovengenoemde besluiten te nemen voordat de Omgevingswet in werking treedt. Wel is het zo dat op het moment dat de Omgevingswet in werking treedt en bovengenoemde raadsbesluiten níet zijn genomen, voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit geen verplichting geldt voor participatie en de raad geen bindend adviesrecht heeft. Ook moet door het ontbreken van een delegatiebesluit, iedere wijziging van het omgevingsplan en het nemen van een voorbereidingsbesluit worden voorgelegd aan de raad. In het kader van de werkbaarheid, efficiency en het belang van onze bewoners, ondernemers en organisaties is het raadzaam de besluiten te nemen voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zodat de besluiten tegelijkertijd van kracht worden als deze wet in werking treedt. Advies delegeren voorbereidingsbesluit Onder verwijzing naar het raadsbesluit nr. 17082 van 4 december 2017 waarin de bijlage bij de kernboodschap ‘Implementatie Omgevingswet: samen ruimte maken’ is vastgesteld en is ingestemd met de daarin opgenomen keuzes’, wordt ter verlaging van de administratieve lasten geadviseerd het nemen van een voorbereidingsbesluit, op voorhand en zonder nadere voorwaarden, te delegeren aan het college. Wel wordt geadviseerd te besluiten dat een dergelijk genomen besluit onverwijld ter kennis wordt gebracht aan de raad.

Advies delegeren vaststellen omgevingsplan Onder verwijzing naar voornoemd raadsbesluit nr. 17082 én ter verlaging van de administratieve lasten en versnelling van processen (waaronder de versnellingsopgave woningbouw) wordt geadviseerd om voor de volgende gevallen het besluit tot vaststelling van een omgevingsplan te delegeren aan het college: • Het verwerken van onherroepelijk verleende omgevingsvergunningen voor een omgevingsplanactiviteit in het omgevingsplan • Het verwerken van beleidsregels van raad en college in het omgevingsplan • Het verwerken van wijzigingen in een omgevingsplan die noodzakelijk zijn vanwege gewijzigde hogere wet- of regelgeving, waarbij er geen lokale beleidsruimte is om deze nader in te vullen • Het verwerken van wijzigingen van planologisch-juridische en technische aard in een omgevingsplan, zoals het corrigeren van omissies, verschrijvingen en (feitelijke) onjuistheden, niet zijnde wijzigingen in beleid • Wijzigingen in het omgevingsplan inhoudende een ten tijde van de dag van inwerkingtreding van de Omgevingswet in ontwerp ter visie gelegde of bestaande wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht, als bedoeld in artikel 3.6 eerste lid, onder a. en b. Wro en er wordt voldaan aan de voorwaarden die dit plan aan deze bevoegdheid/plicht stelt9.

Aanvullend wordt geadviseerd om, middels delegatie vastgestelde omgevingsplannen, onverwijld ter kennis te brengen aan de gemeenteraad.

9

Reden hiertoe is dat wetgeving (abusievelijk) niet heeft voorzien in het overgangsrecht voor dergelijke bevoegdheden en plichten, indien er geen sprake is van een omgevingsvergunning van een bouwactiviteit (zie eerdere voetnoot).

Pagina 7 van 19

Advies buitenplanse omgevingsplanactiviteit

Bindend adviesrecht raad (en toepassen uitgebreide procedure) Om de procedures en de lasten voor (onder andere de raad) niet onnodig te verzwaren en afstemming te zoeken op de huidige werkwijze wordt geadviseerd om voor ‘activiteiten die aanzienlijke gevolgen kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving’10 - en waarvoor het college voornemens is deze te verlenen - te besluiten dat de raad betrokken wordt middels een bindend advies. De zinsnede ‘waarvoor het college voornemens is deze te verlenen, voorkomt dat iedere aanvraag die afwijkt van het omgevingsplan voor een bindend advies aan de raad wordt voorgelegd. Ook indien deze (geheel) niet voldoet aan een goede ruimtelijke ordening (of zoals de Omgevingswet zegt: ‘een evenwichtige toedeling van functies’) en andere relevante wet- en regelgeving. Hierbij wordt geadviseerd het volgende te scharen onder ‘activiteiten die aanzienlijke gevolgen kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving’ waarop het bindend adviesrecht van toepassing is.

Voor wat betreft het stedelijk gebied en bedrijventerreinen: • De realisatie van meer dan 11 woningen / wooneenheden / appartementen / kamers ten dienste van logies11, of bij een gebruiksverandering van een bestaand gebouw naar 20 of meer woningen / wooneenheden / appartementen / kamers ten dienste van logies • De realisatie van bouwwerken ten behoeve van een infrastructurele voorziening, een nutsvoorziening, of een openbare voorziening hoger dan 5m, of groter dan 50m² • De realisatie van antenne-installaties hoger dan 40m • De uitbreiding van een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding met bijbehorende bouwwerken van meer dan 250m² 12 • Een van het omgevingsplan afwijkend gebruik, waarbij de afwijking leidt tot een (conform de VNGbrochure Bedrijven en Milieuzonering) hogere milieucategorie dan ingevolge het omgevingsplan ter plaatse is toegestaan • Een functiewijziging van meer dan 500 m² gebruiksoppervlakte • Het realiseren van grootschalige maatschappelijke voorzieningen • Projecten ten behoeve van intensieve recreatie, inclusief de daarbij behorende voorzieningen (zoals paden, ontsluiting en groen)13. • Het aanleggen/bouwen van grootschalige infrastructurele (kunst)werken • Het realiseren van één of meer windmolens van ten minste 15 meter hoog 10

Met term ‘activiteiten die aanzienlijke gevolgen kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving’ wordt aangesloten bij de term die de wetgever hanteert om het college de mogelijkheid te geven te besluiten de uitgebreide uniforme openbare voorbereidingsprocedure te volgen. Hiermee is het eenduidig wanneer vanuit de raad geacht wordt dat het college de uniforme openbare voorbereidingsprocedure toepast, en vindt er juridische afstemming plaats qua terminologie. 11

Aangesloten is bij de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin 11 woningen niet en 12 woningen wel gezien worden als een nieuwe stedelijke ontwikkeling (ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921 en (ABRvS 25 maart 2015; ECLI:NL:RVS:2015:953.) 12

Gekeken naar de woonbestemming binnen het BP Hoge Akker, Speelheide en De Leeuwerik 2018

13

Onder intensieve recreatie wordt verstaan een gebied specifiek bedoeld voor recreatiedoeleinden. Het kan hier gaan om zowel dagrecreatie alsook verblijfsrecreatie. Bij deze vormen van recreatie is sprake van permanent ruimtebeslag, eventueel aangevuld met faciliteiten ten behoeve van dat recreatieve gebruik.

Pagina 8 van 19

Voor wat betreft het landelijk gebied en beschermde stads- en dorpsgezichten, iedere buitenplanse omgevingsplanactiviteit met uitzondering van: • De gebruikswijziging waarbij de impact op de fysieke leefomgeving afneemt • Kleinschalige projecten -vaak in de openbare ruimte- ten dienste van het algemeen belang, zoals het oprichten van een elektriciteitshuisje of een waterberging, het versterken van natuurwaarden of verbeteren van de waterhuishouding • De realisatie van duurzame energieopwerking die past binnen de Visie voor duurzame energieopwekking Buitengebied Best en het daarbij behorende afwegingskader • De woningsplitsing van een cultuurhistorisch waardevol pand • Gebruiken van gronden voor een herinrichting van het openbaar gebied, ten dienste van het algemeen nut, waaronder begrepen de verbreding of herprofilering van wegen, tenzij binnen beschermde stads- en dorpsgezichten • Bouwwerken ten behoeve van een infrastructurele voorziening, een nutsvoorziening, of een openbare voorziening, met een maximale hoogte van 5m en een maximale oppervlakte van 50m², tenzij gelegen binnen beschermde stads- en dorpsgezichten • Antenne-installaties tot 40 m hoog t.b.v.

algemeen maatschappelijk belang, tenzij binnen beschermde stads- en dorpsgezichten • Tijdelijke afwijkingen van het omgevingsplan Bovendien is het bindend adviesrecht ook niet van toepassing in de gevallen: • waarbij het college voornemens is de omgevingsvergunning te weigeren • die voldoen aan een ter inzage gelegd ontwerp van wijziging van een deel van het omgevingsplan dan wel in een door de gemeenteraad vastgesteld, maar nog niet onherroepelijk deel van het omgevingsplan • waarvoor de gemeenteraad heeft ingestemd met een ontwikkeling in een gebiedsvisie of projectonderbouwing voorafgaand aan de aanvraag omgevingsvergunning en heeft besloten dat er geen advies is vereist Met bovenstaand advies wordt aansluiting gezocht bij de bestaande ‘kruimelgevallen’ die vervallen én wordt recht gedaan aan de kwetsbaarheid van het landelijk gebied en beschermde stads- en dorpsgezicht. Ook is rekening gehouden met het voornemen om het ontwerpbestemmingsplan voor het buitengebied in 2022 ter vaststelling aan te bieden aan de raad, waardoor een actueel kader beschikbaar is voor het landelijk gebied op het moment van inwerkingtreding van de Ow. Daarnaast wordt geadviseerd om ingeval de raad middels een bindend adviesrecht betrokken moet worden, de uniforme openbare voorbereidingsprocedure te volgen.

Dit heeft tot gevolg dat de wettelijke beslistermijn van 8 weken, wordt verlengd naar 6 maanden en er voldoende ruimte ontstaat voor advisering vanuit van de raad, zonder overschrijding van de beslistermijn14.

14

zie de artikelen 16.62 lid 3 en 16.65 lid 4 Ow https://iplo.nl/regelgeving/overzicht-procedures/reguliere-uitgebreide-voorbereidingsprocedure/#h96283df8-b01e-492e-8e27f997901a32fe

Pagina 9 van 19

Om binnen de doelstellingen van de Omgevingswet te blijven en te voldoen aan de Awb15, zal de advisering vanuit de raad parallel aan de ter inzagelegging van het ontwerpbesluit van het college moeten plaats vinden. Hiertoe ontvangt de raad, voordat de ter inzagelegging aanvangt, de aanvraag, de resultaten van de gevoerde participatie en de motivering waarom het college medewerking wenst te verlenen.

Participatie Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt het verplicht om het in het kader van een omgevingsvisie, omgevingsprogramma of een omgevingsplan participatie toe te passen en daarvoor als gemeente beleid op te stellen. Zo moet de gemeente bij het omgevingsplan vooraf in de kennisgeving aangeven hoe het participatietraject eruit komt te zien (art. 10.2 eerste lid Omgevingsbesluit). Bij het instrument omgevingsvergunning is participatie niet verplicht, tenzij het gaat om een buitenplanse omgevingsplanactiviteit en de raad deze heeft aangewezen als ‘participatieplichtig’. De wijze waarop participatie wordt toegepast is wettelijk gezien in alle gevallen vormvrij. Gemeenten mogen -in tegenstelling tot bij de andere kerninstrumenten- geen aanvullende eisen stellen aan participatie bij omgevingsvergunningstrajecten. Hiermee wordt de vormvrijheid van het participatieproces bij omgevingsvergunningen verzekerd.16 Het gemeentelijke participatiebeleid is echter wél bindend voor het vaststellend bestuursorgaan. Bij een omgevingsvergunning geldt een aanvraagvereiste voor participatie. Het gaat om participatie voorafgaand aan de aanvraag en dus ook voorafgaand aan de formele besluitvorming. De aanvrager geeft dan aan of hij aan participatie heeft gedaan en zo ja, hoe hij deze participatie heeft uitgevoerd en wat hij met de resultaten heeft gedaan.

Participatie is dus niet verplicht. Het aanvraagvereiste betekent dat de aanvrager ook kan aangeven dat er geen participatie heeft plaatsgevonden. Is dit het geval, dan is dat géén reden om de aanvraag niet in behandeling te nemen of de aanvraag te weigeren. De raad heeft echter de mogelijkheid aan te geven in welke gevallen bij een buitenplanse omgevingsplanactiviteit een participatieplicht geldt. In die gevallen geldt er een indieningsvereiste voor participatie.17

15

De Omgevingswet bepaalt niet op welke wijze en op welk moment de raad in het proces van een aanvraag van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit advies moet uitbrengen. Wel is wettelijk bepaald (volgens artikel 3:16 Awb) dat ingeval de uniforme openbare voorbereidingsprocedure wordt toegepast, de raad parallel aan de ter inzagelegging van het ontwerpbesluit, advies moet uitbrengen. Hierbij zal de raad, althans voor zover het advies uit deze notitie wordt opgevolgd om bij iedere afwijking of herziening van het omgevingsplan een dialoog verplicht te stellen, in bezit worden gesteld van een verslag van de omgevingsdialoog. Voordeel hiervan is dat het proces niet stilligt in afwachting van een advies vanuit de raad. En de raad een advies kan uitbrengen met kennisneming van de belangen in de omgeving. 16 Zie Nota van Toelichting (Stcrt. 2019, nr. 56288, p. 337, paragraaf 10.3.1 bij artikel 7.4 Omgevingsregeling ‘De aanvraagvereisten zijn uitputtend geregeld in artikel 7.4. Er mogen geen aanvullende eisen worden gesteld aan de participatie, al dan niet via een aanvraagvereiste. Dit geldt dus ook voor eventuele vormvereisten. Hiermee wordt de vormvrijheid van het participatieproces verzekerd.’ 17

Zie artikel 16.55 lid 7 Ow

Pagina 10 van 19

Dit betekent dat aan participatie gedaan móet worden en dat aanvrager dit dient aan te tonen. De gemeente kan een dergelijke aanvraag buiten behandeling laten (op grond van 4:5 Awb) indien niet aan participatie is gedaan. Er mogen echter ook in dit geval geen aanvullende aanvraagvereisten worden gesteld18 Hoe de participatie wordt vormgegeven blijft aan de aanvrager. Als geen gevallen worden aangewezen dan geldt voor alle aanvragen omgevingsplanactiviteit het aanvraagvereiste. In de huidige uitvoeringspraktijk in Best wordt bij een besluit op een principeverzoek aangegeven dat een omgevingsdialoog dient te worden gevoerd. Omdat participatie wordt gezien als ‘goed nabuurschap’ waarbij in een vroeg stadium nagedacht dient te worden of de ontwikkeling past op de gewenste locatie, wordt geadviseerd voor alle aanvragen voor een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit met activiteiten die een zekere impact hebben op de directe omgeving, participatie van en overleg met derden verplicht te stellen. Hiermee wordt maximaal invulling gegeven aan de mogelijkheden die de Omgevingswet biedt voor het verplicht stellen van participatie.

Het bevoegd gezag zal (ter voldoening aan de beginselen van behoorlijk bestuur) bij de afgifte van een omgevingsvergunning voor een bopa te allen tijden zelf onderzoek moeten doen naar de relevante feiten en af te wegen belangen die er zijn (artikel 3:2 Awb) en op basis daarvan een besluit nemen. Ook zal bij een besluit tot het vervolgen van de procedure participatie altijd worden opgevolgd door wettelijk vastgelegde zienswijze-, bezwaar en/of (hoger)beroepsmogelijkheden die de inbreng en rechtszekerheid van derden borgen. Onvoorziene situaties Ondanks dat bij opvolging van de gedane adviezen uit deze memo het zwaartepunt ligt op een zorgvuldige betrokkenheid van de raad (boven versnelling van de procedures), kan zich een situatie voordoen waarbij taken vanuit de raad gedelegeerd zijn of de raad geen adviesrecht heeft, terwijl de raad toch op enigerlei wijze betrokken had willen zijn. In dergelijke gevallen kan de raad terugvallen op bestaande raadsinstrumenten om te interveniëren (amendement, motie, schriftelijke vragen, interpellatie, recht van onderzoek en initiatief). Daarnaast kan en mag de raad erop vertrouwen dat gevallen die gevoelig liggen of politiek-maatschappelijk relevant zijn, doch niet aan bindend advies onderhevig zijn of waarbij de wijziging van een omgevingsplan is gedelegeerd, door het college aan de raad worden voorgelegd.

Voor de definities van de voornoemde begrippen wordt verwezen naar de definities in de Omgevingswet, het Omgevingsbesluit en het Besluit bouwwerken leefomgeving.

18

Zie Nota van Toelichting (Stcrt. 2019, nr. 56288, p. 338, paragraaf 10.3.1)

Pagina 11 van 19

Bijlage: raadsbesluit nr. 17082 van 4 december 2017 waarin de bijlage bij de kernboodschap ‘Implementatie Omgevingswet: samen ruimte maken’ is vastgesteld: https://best.notubiz.nl/document/5920437/1/17082_1_-_Raadsvoorstel_Implementatie_Omgevingswet https://best.notubiz.nl/document/6100905/1/17082_7__Vastgesteld_raadsbesluit_Implementatie_Omgevingswet https://best.notubiz.nl/document/6100906/1/17082_8__Vastgestelde_bijlage_bij_Kernboodschap_'Implementatie_Omgevingswet_Samen_ruimte_maken'

Pagina 12 van 19

Activiteiten met aanzienlijke gevolgen / een zekere impact: Categorie van gevallen waarvoor geen verklaring van geen bedenkingen benodigd is & kruimelgevallenregeling

In deze memo wordt in tabelvorm weergegeven voor welke activiteiten, onder de huidige wet, zonder tussenkomst van de raad kan worden afgeweken van het bestemmingsplan. Zijnde de zogenaamde kruimelgevallen en die activiteiten waarvoor de raad op 30 mei 2016 heeft besloten dat er voor het voeren van de afwijkingsprocedure geen ’verklaring van geen bedenkingen’ benodigd is. De kruimelgevallenregeling maakt hierbij onderscheid in stedelijk gebied (bebouwde kom) en landelijk gebied (niet bebouwde kom). Gebieden met een status als beschermd stads en dorpsgezicht worden hierbij niet apart onderscheiden. In de tabel wordt advies gegeven of deze werkwijze in stand moet blijven onder de Omgevingswet, omdat ze niet worden gezien als activiteiten met aanzienlijke gevolgen voor de fysieke leefomgeving waarvoor geen adviesrecht van de raad benodigd is, en het college niet wordt verzocht de uniforme uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure (UOV) te voeren.

Nu geen betrokkenheid gemeenteraad

Overweging voor de Omgevingswet

Conclusie

Kruimelgevallenregeling (bijlage II, artikel 4, bij het Besluit omgevingsrecht) Een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan, onbegrensd binnen de bebouwde kom (art. 4.1 bijlage II Bor).

•

Geen adviesrecht, niet per definitie de UOV indien niet Wordt toegepast om regels in het bestemmingsplan te meer dan 250 m2 in het stedelijk gebied of op passeren, voor activiteiten die niet in strijd zijn met de bedrijventerreinen huidige beleidsinzichten, al dan niet ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan onvoorzien waren.

•

Doordat geen maximale grens is gesteld, kan dit gevolgen hebben voor de omgeving.

•

Voorstel is om dit conform de uitgangspunten in het bestemmingsplan Hoge Akker, Speelheide en de Leeuwerik 2018 te begrenzen op maximaal 250m2.

Pagina 13 van 19

•

Komt vaak voor kleinere uitbreidingen voor, kleiner dan 150 m2 en niet hoger dan 5m.

Een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding • daarvan, niet hoger dan 5m en niet meer dan 150m² buiten de bebouwde kom (art. 4.1 bijlage II Bor).

Buitengebied is kwetsbaar/kan aanzienlijke gevolgen hebben voor de omgeving, ook ingeval van bouwactiviteiten die onder deze categorie vallen. Geen reden om af te wijken van kaders van de raad die worden opgenomen in het nieuwe bestemmingsplan buitengebied, zonder de raad daarbij te betrekken.

Adviesrecht raad, verzoek aan college om UOV toe te passen.

Gebouw of bouwwerk ten behoeve van een infrastructurele of openbare voorziening, niet hoger dan 5m en niet meer dan 50m² (art 4.2 bijlage II Bor), zowel binnen als buiten de bebouwde kom.

Dergelijke activiteiten dienen een algemeen maatschappelijk belang. Wordt vaak toegepast om regels in het bestemmingsplan te passeren, voor activiteiten die niet in strijd zijn met de huidige beleidsinzichten, al dan niet ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan onvoorzien waren. Hebben in de regel geen aanzienlijke gevolgen voor de omgeving, tenzij binnen een beschermd stads- of dorpsgezicht.

Geen adviesrecht, niet per definitie de UOV. Indien gelegen binnen een beschermd stadsof dorpsgezicht, verzoek aan college om UOV toe te passen.

Wordt toegepast om regels in het bestemmingsplan te passeren, voor activiteiten die niet in strijd zijn met de huidige beleidsinzichten, al dan niet ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan onvoorzien waren. Hebben geen aanzienlijke gevolgen voor de omgeving, voor zover het de bebouwde kom betreft, wel buiten de bebouwde kom. Geen reden om af te wijken van kaders van de raad die worden opgenomen in het nieuwe bestemmingsplan buitengebied, zonder de raad daarbij te betrekken.

Binnen de bebouwde kom: geen adviesrecht, niet per definitie de UOV. Indien gelegen binnen een beschermd stads- of dorpsgezicht, verzoek aan college om UOV toe te passen.

• •

•

Bouwwerk, geen gebouw zijnde, niet hoger dan 10m en niet meer dan 50m² (art 4.3 bijlage II Bor), zowel binnen als buiten de bebouwde kom.

•

•

Pagina 14 van 19

Buiten de bebouwde kom: adviesrecht raad, verzoek aan college om UOV toe te passen.

Een dakterras, balkon of andere niet op • de grond gelegen buitenruimte aan of op een gebouw, een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw, de uitbreiding van een bouwwerk met een bouwdeel van ondergeschikte aard (art 4.4 bijlage II Bor), zowel binnen als buiten de bebouwde kom.

Hierin is voorzien in actuele bestemmingsplannen

Geen adviesrecht, niet per definitie de UOV.

Een voorzieningen gericht op het isoleren van een gebouw (art 4.4 bijlage II Bor), zowel binnen als buiten de bebouwde kom.

•

Past binnen de duurzaamheidsambitie

Geen adviesrecht, niet per definitie de UOV.

Antenne installatie van max 40 m hoog (art. 4.5 bijlage II Bor), zowel binnen als buiten de bebouwde kom.

•

Dergelijke activiteiten dienen in de regel een algemeen maatschappelijk belang. Kan worden toegepast om regels in het bestemmingsplan te passeren, voor activiteiten die ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan onvoorzien waren.

Geen adviesrecht tot 40 m hoog, niet per definitie de UOV. Indien gelegen binnen een beschermd stads- of dorpsgezicht of geen sprake van een algemeen maatschappelijk belang, verzoek aan college om UOV toe te passen.

Een installatie bij een glastuinbouwbedrijf voor warmtekrachtkoppeling (art. 4.6 bijlage II Bor).

• •

Komt alleen voor in het buitengebied. Buitengebied is kwetsbaar/kan aanzienlijke gevolgen hebben voor de omgeving. Geen reden om af te wijken van kaders van de raad die worden opgenomen in het nieuwe bestemmingsplan buitengebied, zonder de raad daarbij te betrekken.

Adviesrecht raad, verzoek aan college om UOV toe te passen.

•

•

Pagina 15 van 19

Een installatie bij een agrarisch bedrijf waarmee duurzame energie wordt geproduceerd door het bewerken van uitwerpselen van dieren (art. 4.7 bijlage II Bor)

• •

Gebruiken van gronden voor een nietingrijpende herinrichting van het openbaar gebied (art. 4.8 bijlage II Bor), zowel binnen als buiten de bebouwde kom.

•

Afwijkend gebruik in een bestaand pand, inclusief aangrenzende gronden, al dan niet gepaard met inpandige bouwactiviteiten binnen de bebouwde kom (art. 4.9 bijlage II Bor).

•

•

•

•

•

Komt alleen voor in het buitengebied. Buitengebied is kwetsbaar/ kan aanzienlijke gevolgen hebben voor de omgeving. Geen reden om af te wijken van kaders van de raad die worden opgenomen in het nieuwe bestemmingsplan buitengebied, zonder de raad daarbij te betrekken.

Adviesrecht raad, verzoek aan college om UOV toe te passen.

Dergelijke activiteiten dienen een algemeen maatschappelijk belang. Gezien de opgaven rondom klimaatadaptatie en vergroening een actuele afwijkingsmogelijkheid.

Geen adviesrecht, niet per definitie de UOV. Indien gelegen binnen een beschermd stadsof dorpsgezicht, verzoek aan college om UOV toe te passen.

Wordt relatief vaak toegepast voor activiteiten die niet in strijd zijn met het beleid, doch bij vaststellen bestemmingsplan onvoorzienbaar waren. Hebben geen aanzienlijke gevolgen voor de omgeving, voor zover het een gelijkblijvende of lagere milieucategorie betreft dan thans is toegestaan. Kan een bijdrage leveren aan de woningopgave.

Geen adviesrecht, niet per definitie de UOV, voor zover het betreft:

Pagina 16 van 19

1. een gelijke of lagere milieucategorie dan o.b.v. omgevingsplan is toegestaan, 2. het omzetten naar woningen betreft (toevoeging woning in bestaande panden), of 3. het omzetten naar maatschappelijke voorzieningen

Afwijkend gebruik in een bestaand pand, inclusief aangrenzende gronden, al dan niet gepaard met inpandige bouwactiviteiten buiten de bebouwde kom, voor zover het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers of de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen (art. 4.9 bijlage II Bor).

Adviesrecht raad, verzoek aan college om UOV toe te passen.

•

Buitengebied is kwetsbaar/kan aanzienlijke gevolgen hebben voor de omgeving. Geen reden om af te wijken van kaders van de raad die worden opgenomen in het nieuwe bestemmingsplan buitengebied, zonder de raad daarbij te betrekken.

Het gebruiken van een recreatiewoning • voor permanente bewoning, indien er • wordt voldaan aan milieuregels, sinds 31 oktober 2003 ononderbroken bewoond is • door de huidige eigenaar, deze op die datum meerderjarig was (artikel 4.10 bijlage II bij de Bor).

Komt alleen voor in het buitengebied. Buitengebied is kwetsbaar/ kan aanzienlijke gevolgen hebben voor de omgeving. Geen reden om af te wijken van kaders van de raad die worden opgenomen in het nieuwe bestemmingsplan buitengebied, zonder de raad daarbij te betrekken.

Adviesrecht raad, verzoek aan college om UOV toe te passen.

•

Ook tijdelijke functies kunnen gedurende de tijdelijkheid aanzienlijke effecten hebben op de omgeving.

Geen adviesrecht, niet per definitie de UOV.

•

Kan een bijdrage leveren aan de woningopgave.

•

Gelet op het motto ‘eenvoudiger en sneller’ van de Omgevingswet wordt geadviseerd geen gebruik te maken van het adviesrecht, mede omdat ook onder het huidige recht sprake is van een bevoegdheid van het college.

Omgevingsvergunning voor tijdelijk afwijken (maximaal 10 jaar) van het bestemmingsplan voor bouwen, gebruik of een combinatie daarvan (art. 4.11 bijlage II Bor), binnen en buiten de bebouwde kom.

•

Pagina 17 van 19

Geen verklaring van geen bedenkingen benodigd (algemene verklaring: raadsbesluit 30 mei 2016) Initiatief passend binnen vastgesteld beleid

Zie hierboven onder het kopje: bindend adviesrecht raad (en toepassen uitgebreide procedure). Het is ‘te kort door de bocht’ om onder de Omgevingswet een categorie te benoemen als ‘alle initiatieven die in strijd zijn met de Omgevingsvisie’, omdat niet altijd sprake zal zijn van ‘aanzienlijke gevolgen voor de fysieke leefomgeving’.

n.v.t.

Weigeren van een omgevingsvergunning

Zie hierboven onder het kopje: bindend adviesrecht raad (en toepassen uitgebreide procedure). Er is geen sprake van afwijken van het omgevingsplan.

n.v.t.

Overige ‘activiteiten die aanzienlijke gevolgen kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving’ c.q. een zekere impact op de directe omgeving Maatschappelijke voorzieningen en sportvoorzieningen

Het realiseren van grootschalige maatschappelijke voorzieningen, zoals een multifunctionele accommodatie (MFA) of multifunctioneel centrum (MFC) en het realiseren van sportinfrastructuur, waaronder sportparken en sporthallen; met ‘grootschalig’ worden die maatschappelijke voorzieningen bedoeld, die niet zonder meer overal in de woonomgeving passen, gelet op specifieke eisen ten aanzien van het gebruik, situering en bereikbaarheid.

Adviesrecht raad, verzoek aan college om UOV toe te passen.

Intensieve recreatie

Projecten ten behoeve van intensieve recreatie, inclusief de daarbij behorende voorzieningen (zoals paden, ontsluiting en groen); onder intensieve recreatie wordt verstaan een gebied specifiek bedoeld voor recreatiedoeleinden. Het kan hier gaan

Adviesrecht raad, verzoek aan college om UOV toe te passen.

Pagina 18 van 19

om zowel dagrecreatie alsook verblijfsrecreatie. Bij deze vormen van recreatie is sprake van permanent ruimtebeslag, eventueel aangevuld met faciliteiten ten behoeve van dat recreatieve gebruik. Voorbeelden zijn recreatieterreinen, campings met meer dan 25 plaatsen, zwemplassen, etc. Infrastructurele projecten

Het aanleggen/ bouwen van grootschalige infrastructurele (kunst)werken

Adviesrecht raad, verzoek aan college om UOV toe te passen.

(Grootschalig: hiermee wordt bedoeld o.a. de nieuwe aanleg van rondwegen, spoortunnels en viaducten.) Projecten m.b.t. energieopwekking

•

Het realiseren van één of meer windmolen van ten minste 15 meter hoogte

•

Het realiseren van weiden met zonnepanelen van minimaal 1 hectare, tenzij op bouwwerken die primair een andere functie hebben dan het ten dienste staan van het opwekken van zonne-energie (zoals daken)

•

Het opwekken en/of opslag van andere vormen van energie (zoals buurtbatterij, biomassa-installatie en waterstof).

Pagina 19 van 19

Adviesrecht raad, verzoek aan college om UOV toe te passen, tenzij passend binnen de Visie voor duurzame energieopwekking Buitengebied Best en het daarbij behorende afwegingskader.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11507783/1