CConstaterende datBest
Koppel je AI →
Document · PDF

22002.3 - Memorie van toelichting Financiële verordening 2022

Raadsvergadering 31 januari 2022, gemeente BestBij agendapunt: 22002 - Financiële verordening 20223.833 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

BL21-25504

Memorie van toelichting Financiële verordening 2022 Inleiding Aanvullend is (zo nodig) per artikel een toelichting opgenomen. Met behulp van de context in deze memorie van toelichting wordt verduidelijkt waarom een artikel is opgenomen. Het betreft hier een verordening waarbij de lokale regels zoals die gelden in Best, in aanvulling op Europese en Nederlandse wetgeving zijn opgenomen. Verwacht wordt dat de VNG in de loop van 2022 met een aangepaste modelverordening met nieuwe handreikingen zal komen. Mocht daar aanleiding toe zijn, dan zal de financiële verordening worden geactualiseerd.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1: Begripsbepaling Uitleg van de in de verordening veel gebruikte afkortingen en begrippen. Vanwege besluitvorming via de Kaderbrief 2022 zijn in deze verordening de producten en resultaatgebieden ten opzichte van de Financiële verordening 2020 vervallen. Vanaf 2022 is sprake van programma’s en onderliggende taakvelden.

Hoofdstuk 2 Begroting en verantwoording Artikel 2: Indeling van de programma’s De raad heeft binnen de grenzen van de Gemeentewet en het Besluit begroting en verantwoording voor provincies en gemeenten (Bbv)de bevoegdheid om te bepalen welke programma’s er zijn. Best heeft ervoor gekozen om qua indeling van de programma’s de modelindeling van het Bbv te volgen. Verder heeft de raad op grond van het Bbv de bevoegdheid om indicatoren en paragrafen (=dwarsdoorsneden uit de begroting) vast te stellen bij de begroting en rekening. Deels zijn indicatoren en paragrafen wettelijk verplicht. Voor de paragrafen geldt dat op dit moment naast de wettelijk verplichte paragrafen, in Best de subsidieparagraaf en de paragraaf vastgoed worden opgenomen.

Artikel 3: Inrichting van de begroting en jaarstukken De wijze waarop de begroting moet worden ingericht is in hoofdlijnen opgenomen in de Gemeentewet en het Bbv. Aanvullend op die regelgeving worden ter bevordering van het inzicht in onze begroting en jaarstukken de volgende onderdelen geregeld: Lid 1: In artikel 1 van deze verordening is geregeld dat de raad de programma’s vaststelt. Via dit artikel is vastgelegd welke programma’s dit zijn; Lid 2: Zowel in de begroting als in de jaarrekening geven we onder elk programma samengevat de totalen van baten en lasten; Lid 3: Apart inzicht wordt gegeven via de begroting in het nieuw beleid, inclusief de investeringen en de bijbehorende lasten, zowel per investering als in totaal; Lid 5: Bij de jaarstukken wordt inzicht gegeven in de investeringskredieten in uitvoering > € 50.000. Deze kredieten worden ook toegelicht. De raad kan met het overzicht lopende investeringskredieten de voortgang beoordelen, investeringskredieten heroverwegen en investeringskredieten eventueel afsluiten. Het college doet hiervoor voorstellen via het overzicht van de investeringskredieten. Lid 6: Een kenmerk van incidentele baten en lasten is dat ze slechts 1 of enkele jaren het begrotingssaldo beïnvloeden. Structurele lasten beïnvloeden de baten en lasten in alle jaarschijven.

Door de incidentele baten en lasten inzichtelijk te maken, ontstaat een realistischer beeld over de meerjarige ramingen. Deze kunnen namelijk dan ook zonder incidentele invloeden worden gepresenteerd, wat het inzicht in onze toekomstige financiële positie ten goede komt.

Pagina 1 van 8

Archiefexemplaar van BL21-25504

- Memorie van toelichting bij Financiele verordening 2022

BL21-25504

Lid 7: Naast de cijfermatige verschillen geven de afwijkingen ook informatie over aanpassingen in de inhoud ten opzichte van de vorige begroting. We verklaren verschillen op hoofdlijnen: alleen afwijkingen van > € 50.000 worden per programma toegelicht. Lid 8: Bij de jaarrekening wordt verantwoording afgelegd. Het afleggen van verantwoording gebeurd hier door de werkelijke baten en lasten te vergelijken met de gewijzigde begroting (= de vastgestelde begroting + de vastgestelde begrotingswijzigingen). We sturen hierbij op hoofdlijnen: alleen afwijken van > € 50.000 worden per programma toegelicht. Lid 9 en 10: Als onderdeel van de P&C cyclus, wordt vanwege de extra risico’s in de grondexploitaties elk jaar een geactualiseerde Meerjaren Prognose Grondexploitaties aangeboden. We geven in deze prognose op basis van de geactualiseerde grondexploitaties een inschatting van het verloop van de lopende grondexploitaties en de daaraan verbonden risico’s.

Artikel 4. Kaders voor de begroting Lid 1: De raad geeft via de kadernota aan met welke beleids- en financiële kaders het college rekening moet houden bij het opstellen van de volgende begroting. De kadernota is daarmee een belangrijk hulpmiddel voor de raad om de publieke taak uit te kunnen voeren. Lid 2: In de begroting worden de wettelijk verplichte effectindicatoren opgenomen. Daarnaast kunnen ook effectindicatoren van lokaal beleid vanuit het beleidsakkoord worden opgenomen. Het is daarbij belangrijk dat de lokale effectindicatoren voldoende meetbaar zijn en goede informatie bieden over de hoofdlijnen van lokale beleidsdoelstellingen. Verder moeten de indicatoren geschikt zijn om periodiek verantwoording af te leggen via de jaarrekening.

Artikel 5. Omgaan met budgetten en investeringskredieten Algemeen: Dit artikel regelt de verhouding tussen raad en college bij het omgaan met budgetten en investeringskredieten. De werkzaamheden met betrekking tot de besteding van de budgetten zijn belegd bij de ambtenaren. Om deze werkzaamheden rechtmatig te kunnen doen, zijn aanvullend de volgende regels gesteld: -artikel 28 van de Financiële verordening 2022: kwaliteitseisen die gesteld worden aan de inrichting onze administratie; -de budgethouderregeling, handelingen en verantwoordelijkheden voor het benutten en verantwoorden van budgetten zijn in deze regeling opgenomen; - de mandaatregeling, waarin het college diverse mandaten aan de ambtelijke organisatie verstrekt. Ambtenaren kunnen zo noodzakelijke werkzaamheden met betrekking tot budgetten onder verantwoordelijkheid van het college uitvoeren. Lid 1: Op grond van de Gemeentewet heeft de gemeenteraad het budgetrecht. Hier wordt geregeld dat de raad via de begroting budgetten per programma beschikbaar stelt. Zie ook lid 2. Lid 2: Gedurende een begrotingsjaar, wijzigt beleid waardoor vaak ook budgetten moeten worden aangepast. Het aanpassen van budgetten gebeurd via begrotingswijzigingen. Deze begrotingswijzigingen worden op grond van de Gemeentewet (budgetrecht van de gemeenteraad) door de gemeenteraad vastgesteld.

Lid 3 en 4: Zoals al is aangegeven rust het budgetrecht bij de gemeenteraad. Maar, om het dagelijks bestuur efficiënt en doelmatig te kunnen doen, is het soms nodig dat het college moet handelen zonder dat er een raadsbesluit is. Binnen de limieten van deze artikelen kan het college zelfstandig verplichtingen aan gaan. Als het college van deze bevoegdheid gebruik maakt, wordt het collegebesluit voorzien van een toelichting verwerkt in een begrotingswijziging. De gemeenteraad past dan achteraf het budgetrecht toe en kan het collegebesluit ‘wegen’ via de toelichting. Lid 5: Door op te nemen dat het college (behoudens de limieten in artikel 3 en 4) geen verplichtingen mag aangaan voordat een budget beschikbaar is gesteld door de gemeenteraad, rust het budgetrecht bij de gemeenteraad. Aanvullend heeft de burgemeester bevoegdheden qua aangaan van verplichtingen op grond van artikel 175 van de Gemeentewet (noodzakelijke maatregelen in het kader van de openbare orde en veiligheid). De gemeenteraad stelt bij toepassing van dit artikel achteraf de noodzakelijke budgetten vast. Lid 6: Ook als het college gebruikt maakt van de bevoegdheden in dit artikel, lid 3 en 4, blijft het budgetrecht bij de raad rusten. De gemeenteraad stelt in deze gevallen achteraf een budget vast. Pagina 2 van 8

BL21-25504

Lid 7: Doorgaans vindt het beoordelen van investeringskredieten plaats bij de jaarrekening en de 2e financiële rapportage. Via een lijst van de investeringskredieten wordt de voortgang van investeringskredieten waar nodig toegelicht en worden voorstellen gedaan om investeringskredieten te beëindigen. Lid 8: Doorgaans wordt de status van de grondexploitaties beoordeeld via de Meerjaren Prognose Grondexploitaties (MPG) die jaarlijks aan de gemeenteraad wordt aangeboden. Zo nodig worden daarin voorstellen gedaan om grondexploitaties af te sluiten. Lid 9: Via de begroting wordt er een budget voor onvoorziene uitgaven opgenomen. Het opnemen van dit budget is een wettelijke verplichting. Naar keuze kan het college dit budget aanwenden ter dekking van de kosten van een onvoorziene ontwikkeling.

Artikel 6. Tussentijdse rapportage Lid 1 en lid 2: als onderdeel van de P&C cyclus informeert het college de gemeenteraad in juni over de actuele ontwikkelingen en vooruitzichten. Als door deze ontwikkelingen en vooruitzichten financiële aanpassingen van budgetten zijn, worden deze via de 2e financiële rapportage (zie artikel 7) ter vaststelling aangeboden aan de gemeenteraad.

Artikel 7. Financiële rapportages Lid 1, 2 en 3: Deze rapportages worden met name ingezet om budgetten aan te passen naar aanleiding van nieuwe ontwikkelingen. Deze ontwikkelingen kunnen zijn: -aanpassingen van rijksbeleid; -aanpassingen in lokaal beleid (collegebesluiten en / of raadsbesluiten); -correcties op de lopende begroting. Aanvullend wordt de gemeenteraad via de 2e financiële rapportage geïnformeerd over de investeringskredieten, het financieringsbeleid en de gerealiseerde kosten van inhuur. Via de 3e financiële rapportage wordt een besluit gevraagd voor de overheveling van exploitatiebudgetten naar een volgend jaar.

Artikel 8. Verstrekken van leningen en gemeentegaranties voor geldleningen Lid 1: Voorop gesteld: de gemeente is geen bankinstelling. Ons beleid is er daarom op gericht om verzoeken om een geldlening zoveel mogelijk af te laten wikkelen door organisaties die daarvoor opgericht zijn: de bankinstellingen en waarborgfondsen. Toch komt het voor dat wij leningen/gemeentegaranties verstrekken: dit kan doordat wij dit moeten op grond van landelijke wetgeving of op grond van de publieke taak (artikel 2 lid 1 wet Fido). Of een lening kan worden verstrekt op grond van de publieke taak, dat bepaalt de gemeenteraad.

Lid 2: Er zijn enkele redenen waarom het belangrijk is om spelregels te hebben voor het verstrekken van geldleningen en gemeentegaranties zinvol is: - spelregels kunnen voorkomen dat er een ‘aanzuigende werking ontstaat doordat wij als gemeente te lage tarieven/te soepele leenvoorwaarden hanteert (ofwel, het mag niet zo zijn dat lenen bij een gemeente veel gunstiger is dan bij een bank en dat wij als gevolg daarvan als een echte bank moeten gaan fungeren); - spelregels voorkomen oneerlijke concurrentie met bankinstellingen; - spelregels zorgen voor een professioneel kader waaronder geldleningen en gemeentegaranties kunnen worden verstrekt (dit is tenslotte niet onze corebusiness); -spelregels bevorderen gelijke behandeling van elke partij die een gemeentegarantie of een geldlening bij de gemeente aanvraagt. -spelregels helpen bij het maken van een goede afweging tussen het extern verstrekken van een geldlening al dan niet met gemeentegarantie of het zelf verstrekken van een geldlening.

Pagina 3 van 8

BL21-25504

Lid 3: In sommige gevallen moet de gemeenteraad zich nog uitspreken over of een lening of gemeentegarantie onderdeel uitmaakt van de publieke taak. Soms rechtvaardigt het maatschappelijk belang dat minder zekerheden worden geëist dan een bankinstelling zou eisen. Hierdoor ontstaan risico’s voor de gemeente. Om deze risico’s zo goed mogelijk te beheersen wordt elk jaar de risicorapportage geldleningen en gemeentegaranties behandeld in het college. Zo nodig worden maatregelen voorgesteld om risico’s voor ons te verkleinen/op te heffen.

Artikel 9 Emu-saldo Over het geld wat alle overheden, centraal en decentraal uitgeven wordt verplicht gerapporteerd op grond van de Wet Houdbare Overheidsfinanciën. Dit gebeurd via een rapportage aan het centraal buro voor de statistiek (CBS). De centrale overheid en de decentrale overheden hebben gezamenlijk een verantwoordelijkheid om binnen de EMU-afspraken te blijven. Als gemeenten gezamenlijk teveel uitgaande kasstromen verwachten, dan kan het Rijk aan gemeenten verzoeken om maatregelen te nemen. Zo nodig kan het college dan voorstellen doen om de begroting aan te passen.

Hoofdstuk 3 Financieel beleid Artikel 10 en 11 gaan over begrotingsrechtmatigheid en over hoe we omgaan met rechtmatigheidsverantwoording. Bij het opstellen van lokaal beleid is gebruik gemaakt van de actuele Kadernota rechtmatigheid zoals gepubliceerd door de commissie Bbv.

Artikel 10 Wijze van omgaan met begrotingsonrechtmatigheden De begrippen rechtmatigheid en begrotingsonrechtmatigheid worden toegelicht in artikel 1 van de financiële verordening (begrippenkader). Onder begroting wordt in dit artikel verstaan: begroting + vastgestelde begrotingswijzigingen. Verder wordt verwezen naar artikel 1 van de Financiële verordening voor een uitleg van de begrippen in het kader van rechtmatigheid. Via de jaarrekening vindt een rechtmatigheidstoets plaats. Tot nu toe worden de kaders voor deze toets vastgelegd in het controle protocol voor de accountant. Volgens verwachting wordt vanaf 2022 het college verantwoordelijk voor de rechtmatigheidstoets. Om deze reden verwerken we de uitgangspunten voor deze toets nu in de nieuwe financiële verordening. Bij de jaarrekening wordt getoetst aan de begroting. In een aantal gevallen leidt een begrotingsoverschrijding op programmaniveau tot een onrechtmatigheid. Hierop zijn in artikel 10 enkele uitzonderingen benoemd. Deze uitzonderingen zijn afgeleid van de uitzonderingen die nu al standaard in het controleprotocol (de afspraken met de accountant) zijn opgenomen:

Lid 1: om te voorkomen dat alle afwijkingen moeten worden toegelicht is hier een drempel van € 50.000 opgenomen. Deze drempel maakt het mogelijk dat het college de raad overzichtelijk en compact kan informeren. Uiteraard zijn er binnen de ambtelijke organisatie diverse instrumenten actief om afwijkingen ten opzichte van de begroting zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. Met name de budgethouderregeling en de mandaatregeling hebben in de budget- en rechtmatigheidsbeheersing een belangrijke rol. En het college stuurt actief op het tijdig aanvragen en aanpassen van budgetten. Zodat via begrotingswijzigingen kan worden voorkomen dat onrechtmatigheden ontstaan. Lid 2: autonome ontwikkelingen: sommige budgetten worden beïnvloed door de groei van ons dorp. Als afgeleide van extra woningen, extra bedrijven en extra inwoners zullen ook de lasten voor de voorzieningen stijgen. Voor dit soort lasten geldt dat deze (grotendeels) gecompenseerd worden door de uitkering uit het gemeentefonds. Deze gevolgkosten van eerdere keuzes van de Raad spelen geen rol in het rechtmatigheidsonderdeel. Lid 3: verplichte uitgaven: dit soort uitgaven zijn vaak in het kader rijksbeleid zoals bij inkomensvoorzieningen en gezondheidsvoorzieningen. Het zijn de zogenaamde ‘open eindregelingen’ waarop iedere burger of onderneming een beroep kan doen, ongeacht of er budget voor is.

Vaak ontvangen we van het Rijk achteraf compensatie als uitgaven hoger dan geraamd zijn. Bij de beoordeling van rechtmatig handelen spelen dit soort overschrijdingen geen rol.

Pagina 4 van 8

BL21-25504

Lid 4: bij het optreden van een ramp, zware ongevallen of oproer/wanordelijkheden heeft de burgemeester op grond van artikel 175 van de Gemeentewet speciale bevoegdheden. Een onderdeel van deze speciale bevoegdheden is het nemen van maatregelen die geld kosten: de begroting kan eventueel worden overschreden. Er is dan geen sprake van een begrotingsonrechtmatigheid, omdat de burgemeester op grond van artikel 175 van de Gemeentewet, de bevoegdheid heeft om zelfstandig de maatregelen te nemen die hij nodig acht.

Lid 5: In artikel 5, lid 3 en 4 geeft de gemeenteraad het college ruimte om zelfstandig naar eigen inzicht verplichtingen aan te gaan. Voor zover dit leidt tot een overschrijding van de begroting, is hier geen sprake van een begrotingsonrechtmatigheid omdat de gemeenteraad het college de ruimte gegeven heeft om dit te doen. Lid 6: Dit lid kan het beste worden toegelicht met een voorbeeld: een weg kost € 500.000, dekking vindt plaats vanuit het wegbeheerplan. Tijdens de aanleg van de weg wordt € 300.000 toegekend om extra veiligheidsmaatregelen te nemen voor de weg. De projectleider geeft vervolgens € 800.000 in totaal uit, de dekking is € 500.000 vanuit het wegbeheersplan en € 300.000 vanuit de provincie. Omdat er geen gevolgen zijn voor onze begroting is er geen sprake van een begrotingsonrechtmatigheid. Hierbij wel de kanttekening: omdat de gemeenteraad het budgetrecht heeft, moet de begroting in dit geval wel een begrotingswijziging worden vastgesteld. Zodat het budget € 800.000 wordt en de dekking ook € 800.000 wordt. Lid 7: het kan voorkomen dat in een al vaststelde jaarrekening achteraf na vaststelling een begrotingsonrechtmatigheid wordt aangetroffen. Dit lid zorgt ervoor dat deze onrechtmatigheid niet doorwerkt naar het rechtmatigheidsoordeel bij de nieuwe jaarrekening.

Lid 8: Overschrijdingen in de jaarschijven van de begroting welke passen binnen de vastgestelde totale grondexploitatiebegroting, zijn niet onrechtmatig en zullen worden meegenomen bij de jaarlijkse actualisatie van het grondexploitatiecomplex. Artikel 11 Wijze van omgaan met rechtmatigheidsverantwoording De begrippen rechtmatigheid en financiele rechtmatigheid worden toegelicht in artikel 1 van de financiële verordening (begrippenkader).

Lid 1: Een onderdeel wordt niet in de rechtmatigheidsverantwoording opgenomen: - Voorwaarden die direct van invloed zijn op de verslaggeving c.q. het getrouwe beeld van de jaarrekening worden opgenomen in het verslag van de accountant. Daar wordt het verslag gedaan over het getrouwe beeld van de jaarrekening. Een onderdeel wordt gedeeltelijk in de rechtmatigheidsverantwoording opgenomen: - begrotingsonrechtmatigheden die binnen de beleidskaders van de raad passen, worden opgenomen in de rechtmatigheidsverantwoording (voor zover de verantwoordingsgrens voor afzonderlijk fouten of onduidelijkheden is overschreden), maar worden niet nader toegelicht in de rechtmatigheidsverantwoording. Deze worden namelijk bij de toelichting op de baten en lasten in de jaarrekening en bij de programma’s en investeringskredieten toegelicht. Wel worden opgenomen onrechtmatigheden die niet binnen de beleidskaders van de raad passen.

Lid 2: ontbrekende afrekeningen: Ten tijde van de jaarrekening zijn niet altijd alle afrekeningen binnen, bijvoorbeeld door contractuele afspraken of het niet tijdig verzenden van facturen door de leveranciers. Het zou onterecht zijn als dit gegeven een negatieve factor is bij onze rechtmatigheidsverantwoording. Dit artikel zorgt ervoor dat ontbrekende afrekeningen die we nog wel verwachten en redelijkerwijs kunnen inschatten, geen invloed hebben op onze rechtmatigheid.

Pagina 5 van 8

BL21-25504

Lid 3: De verantwoordingsgrens betekent dat rechtsmatigheidsfouten en onduidelijkheden pas in de rechtmatigheidsverantwoording worden opgenomen, wanneer deze boven het door de raad vastgestelde percentage komen. Bij ons is de verantwoordingsgrens gesteld op 1%. Is de afwijking hoger dan 1% dan worden de afwijkingen voor de volle omvang toegelicht, onder de grens van 1% vindt geen toelichting plaats. In de paragraaf bedrijfsvoering wordt alleen een nadere toelichting gegeven op afwijkingen die in de rechtmatigheidsverantwoording zijn vermeld. Hiermee is de rapportagegrens gelijk aan de verantwoordingsgrens.

Artikel 12 Activering, waardering en afschrijving Dit artikel is inclusief toelichtingen nader uitgewerkt in bijlage 1. In deze bijlage zijn bij onderdeel 2.3.4. wordt nu uitgegaan van een maximale afschrijftermijn bij de meeste onderdelen. In de vorige verordening was dit nog een vast aantal jaren per onderdeel. De reden van deze aanpassing is dat bij het kiezen van een afschrijftermijn wordt aangesloten bij de verwachte economische levensduur (nuttige gebruiksduur). Het moeten hanteren van een vaste afschrijvingstermijn per onderdeel is dan te star en zorgt ervoor dat onderdelen te vroeg of te laat afgeschreven zijn. De voorgestelde omzetting zorgt ervoor dat beter aangesloten kan worden bij de verwachte nuttige levensduur. Een voorbeeld: als bestaand vastgoed wordt gekocht is een afschrijftermijn voor het gebouw van 50 jaar niet altijd reëel.

Artikel 13 Voorziening voor oninbare vorderingen Niet alle vorderingen zijn inbaar. Er is een goede inschatting te maken voor de vorderingen die waarschijnlijk niet betaald gaan worden. Ten minste 1x per jaar worden vermoedelijk oninbare vorderingen geïnventariseerd en wordt de hoogte van de voorziening aangepast aan het actueel verwachte verlies. Bij het daadwerkelijk nemen van het verlies, het oninbaar verklaren van vorderingen, worden de vorderingen afgeboekt ten laste van de voorziening. Ten minste een keer per jaar worden de vermoedelijk oninbare vorderingen geïnventariseerd en wordt de voorziening aangevuld. Deze werkwijze draagt bij aan het nauwkeurig inschatten van onze vermogenspositie bij het opmaken van de jaarrekening.

Artikel 14 Reserves en voorzieningen Het actuele beleid met betrekking tot reserves en voorzieningen is uitgewerkt in de nota reserves en voorzieningen 2021, die op 28 juni 2021 is vastgesteld. Ten minste 1 x per 4 jaar wordt de nota beoordeeld door het college. Als er aanleiding is om de nota aan te passen, dan volgt een raadsvoorstel voor een aangepaste nota reserves en voorzieningen.

Artikel 15. Kostprijsberekening Via dit artikel is vastgelegd hoe wij een integrale kostprijzen voor goederen, werken en diensten bepalen. Het transparant vastleggen van de wijze waarop wij integrale kostprijzen is dienstbaar voor het berekenen van kostprijzen als we in concurrentie treden met derden, het bepalen van kostprijzen in onze begroting en voor het inzicht voor derden in de bedragen die wij in rekening brengen.

Artikel 16. Prijzen van economische activiteiten In dit artikel is vastgelegd wanneer wij een integrale kostprijs in rekening brengen. In de gevallen dat het vanwege het publiek belang niet wenselijk is om een integrale kostprijs toe te passen, kan daar bij wet of via een raadsbesluit van worden afgeweken.

Pagina 6 van 8

BL21-25504

Artikel 18. Financieringsbeleid Het financieringsbeleid wordt vooral bepaald door de kaders van de wet Fido. Vanuit deze kaders zijn de uitvoeringsregels vastgelegd door het college in het financieringsstatuut. Via de uitvoeringsregels zijn maatregelen genomen om efficiënt, risicomijdend en doelmatig met het aan ons toevertrouwde geld om te gaan. Halfjaarlijks wordt aan het college via de financieringsrapportage verantwoording over het gevoerde financieringsbeleid afgelegd. Het college besluit via de financieringsrapportage ook over het financieringsbeleid in de komende periode. Besluiten zijn gebaseerd op een prognose in de tijd van alle verwachte uitgaven en inkomsten en de verwachte renteontwikkelingen. De raad wordt over het financieringsbeleid geïnformeerd via de financieringsparagraaf in de begroting en jaarrekening. Daarnaast vindt via de 2e financiële rapportage een tussentijdse verantwoording over het financieringsbeleid plaats.

Hoofdstuk 4 Paragrafen Artikel 19 t/m 27 paragrafen Er zijn 9 paragrafen toegevoegd aan de begroting en jaarrekening. Paragrafen zijn bedoeld om onderwerpen die dwars door de begroting heen lopen in samenhang te beschouwen. Daar waar de begroting opgebouwd is uit programma’s en taakvelden, gaan de paragrafen over onderwerpen die aan alle programma’s en taakvelden gekoppeld zijn. 7 paragrafen zijn wettelijk verplicht, te weten de paragraaf Lokale heffingen, de Financieringsparagraaf, de paragraaf Weerstandsvermogen en risicobeheersing, de paragraaf onderhoud kapitaalgoederen, de paragraaf bedrijfsvoering, de paragraaf verbonden partijen en de paragraaf grondbeleid. Daarnaast zijn er 2 paragrafen op verzoek van de gemeenteraad ingesteld. Dit is als lokaal beleid vastgelegd in deze financiële verordening. Dit zijn de paragrafen subsidies, die informatie geeft over de subsidies die zijn verwerkt in alle programma’s en de paragraaf vastgoed, die ingaat op onze vastgoedbezittingen en ontwikkelingen op dat gebied.

Artikel 23. Paragraaf bedrijfsvoering Lid 1c: De meeste onrechtmatigheden zijn te herleiden naar een financiële oorzaak. Vanwege het voldoen aan de wet Fido en onderliggende regelingen kunnen er ook niet financiële onrechtmatigheden optreden. Als voorbeeld kan hierbij gedacht worden aan het overschrijden van de renterisiconorm of de kasgeldlimiet voor meerdere kwartalen. Deze onrechtmatigheden worden als ze van toepassing zijn toegelicht in de paragraaf bedrijfsvoering.

Hoofdstuk 5 Financiële organisatie en financieel beheer Artikel 29 organisatie van de financiële huishouding Een goede organisatie van onze financiële administratie, inclusief een goede scheiding van taken en verantwoordelijkheden is onmisbaar. Enerzijds om de informatievoorziening en de verantwoording goed te regelen en anderzijds om de risico’s te beperken van het oneigenlijk gebruik van de aan ons toevertrouwde publieke middelen. Het college legt daarom voor de belangrijkste financiële transacties de bevoegdheden vast in een mandaatbesluit. Minimaal 2 personen geven goedkeuring aan financiële transacties.

Lid 1h: in de Financiële verordening 2020 werd in algemene zin verwezen naar beleid en regels van het college. In deze verordening is dit beleid specifiek benoemd. Jaarlijks wordt een frauderisicoanalyse opgesteld.

Pagina 7 van 8

BL21-25504

Artikel 30. Interne controle Interne controles in het kader van rechtmatigheid vinden plaats via audits waarover aan het college wordt gerapporteerd. Verder houden we rekening met de bevindingen in de managementletter van de accountant. Ter beheersing van de interne controle is in deze financiële verordening artikel 10 (begrotingsrechtmatigheid) en artikel 11 (wijze van omgaan met de rechtmatigheidsverantwoording) opgenomen.

Hoofdstuk 6 Slotbepalingen Artikel 31 intrekking van de oude verordening en overgangsrecht Dit artikel voorkomt dat er op één moment 2 financiële verordeningen geldig zijn. De geldigheid is gekoppeld aan het begrotingsjaar: zowel bij de raming als bij de rekening wordt getoetst aan dezelfde financiële verordening. Vanaf begrotingsjaar 2022 geldt deze nieuwe verordening, tot en met begrotingsjaar 2021 geldt de Financiële verordening 2020.

Pagina 8 van 8

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11043263/1