21092.4 - Analysedocument Transitievisie Warmte gemeente Best
Tekst van het document
Transitievisie Warmte Analysedocument
Archiefexemplaar van BL21-24512
- Analyse Transitievisie Warmte gemeente Best - eindversie
Introductie
In de Transitievisie Warmte leggen we uit hoe we op weg gaan naar een aardgasvrij Best. Daarbij leggen we ook kort uit naar welke factoren we hiervoor kijken. Dit do cument gaat dieper in op de analyse achter de Transitievisie Warmte (TVW) van de gemeente Best. We leggen hier uit hoe we tot de conclusies in de visie zijn gekomen. Welke factoren spelen mee, welke afwegingen hebben we daarin gemaakt en hoe en met wie hebben we dat bepaald? We gaan dus vooral in op de analyse van de techni sche en sociale mogelijkheden en de koppelkansen. Daarin komen de factoren die van belang zijn voor deze criteria duidelijk voorbij.
aardgasvrij of aardgasvrij-ready te worden. In de analyse staan we stil bij deze verschil len en maken we op basis van die verschillen een onderverdeling in buurten. Op het moment dat we het hebben over de bekende informatie moeten we het dus hebben over een wijk, omdat die informatie ook "gemiddeld" is voor die hele wijk. Als we het hebben over de lokale analyse en toepassing spreken we over buurten. Dan kunnen we die lokale verschillen meenemen en de onderverdeling maken. Uiteindelijk staan we in deze analyse ook stil bij hoe we de vraag vanuit het Rijk invul len. In 2030 zullen we: a) 2007o van de gebouwen aardgasvrij of aardgasvrij ready moeten maken; b) 4,2 miljoen m3 aardgas, een besparing van 2007o van 21,1 miljoen m3 aardgas, realiseren; of c) Een combinatie van de bovenstaande twee organiseren.
Net zoals in de Transitievisie Warmte zelf hebben we het soms over buurten en soms over wijken. Meestal is er vooral informatie bekend over een hele wijk. Tegelijk kunnen we vanuit een lokale blik in zo'n wijk wel onderscheid maken tussen de verschillen die van belang zijn in die wijk, waardoor verschillende buurten in een wijk een verschillen de aanpak kunnen vragen. Zulke belangrijke verschillen zijn bijvoorbeeld het energie verbruik, het bouwjaar en de bouwstijl. Een rijtjeshuis uit 1950 verschilt nogal van een losstaande woning uit 2008. En daarmee is er ook een verschil in wat er nodig is om
In een volgend hoofdstuk gaan we verder in op hoe we deze besparing in kunnen vullen. Daarbij berekenen we hoe we dat kunnen halen.
Transitievisie Warmte | Analysedocument 2
Inhoud
Introductie
2
1. De technische analyse
4
1.1 Collectief of individueel 1.2 De energievraag 1.3 Duurzame bronnen, technieken, en infrastructuren 1.4 Conclusies technische mogelijkheden
2. Sociale mogelijkheden
5 7 9 11
12
2.1 Hoe kunnen we grote stappen zetten? 2.2 Wat speelt er in Best? 2.3 Conclusies sociale mogelijkheden
13 13 13
3. Koppelkansen/Natuurlijke momenten
15
Conclusies Koppelkansen
16
4. Algemene conclusies analyse
17
Transitievisie Warmte | Analysedocument 3
De technische analyse
©o© In hoofdstuk 1 staat aangegeven dat we de technische mogelijkheden baseren op drie algemene criteria: ^ Collectief of individueel? • Wat is de energievraag? • Welke duurzame bronnen zijn er in Best? En welke technieken kunnen we gebruiken?
In Best kijken we ook naar een optie tussen individueel en collectief in: kleinschalig collectief. Veel wijken en buurten in Best vallen een beetje tussen de kwalificaties voor collectieve en individuele oplossingen in: ze zijn niet optimaal voor een grootschalig collectief net, maar wel geschikt voor kleinschaligere collectieve systemen. Dit komt vooral omdat we maar weinig hoogbouw hebben en er vaak meer ruimte tussen straten of buurtjes ligt, waar woningen in de straat of het buurtje juist wel dichtbij elkaar staan. Kleinschalig collectief is een optie die door veel partijen onderzocht wordt en waarin veel innovatie plaatsvindt. Ook het Programma Aardgasvrije Wijken (PAW) laat zien dat juist de kleinschalige collectieve systemen beter lopen dan de andere aanpakken.
1.1 Collectief of individueel Of er een collectieve oplossing mogelijk is in een buurt ligt aan de bebouwingsdichtheid. Oftewel: of er veel gebouwen dicht op elkaar staan of niet. Dichtbebouwde buur ten zijn vaak geschikt voor een collectieve oplossing, dunbebouwde buurten niet.
Het verschil tussen een kleinschalige en grootschalige oplossing is het aantal gebou wen dat op één systeem als een warmtenet is aangesloten en de manier van organise ren. Een individuele oplossing betekent dat een inwoner veel eigen controle heeft over de keuze, maar ook meer zelf moet regelen. Bij een collectief systeem is er minder eigen controle over de keuzes binnen het systeem, maar wordt de inwoner ook ontzorgd in het onderhoud en de organisatie. De kleinschalige collectieve oplossing zit ertussen. Een kleinschalig systeem geldt officieel tot ongeveer 500 woningen. Hoe kleiner, hoe meer controle, maar ook hoe meer er zelf geregeld moet worden.
Individuele en een collectieve oplossingen Bij warmtetoepassingen maken we een verschil tussen een individuele oplossing en een collectieve oplossing. Vervolgens bekijken we of een buurt het meest gebaat is bij een individuele oplossing of een collectieve oplossing. Bij een individuele oplossing bepaalt een inwoner zelf hoe die zijn woning verwarmt. Zijn keuze heeft verder ook geen of heel weinig invloed op de andere woningen in de omgeving. De warmte wordt in de woning zelf opgewekt, bijvoorbeeld met een warm tepomp. De gebruikskosten, onderhoudskosten en investeringskosten zijn dan voor de gebruiker. Maar niet alle keuzes zijn mogelijk om alleen toe te passen. Het belangrijkste bij een collectieve oplossing is dat dit niet maar bij één gebouw kan in de buurt.
De gasaansluiting is hier een wat vreemde eend in de bijt. In het huidige systeem is een gasaansluiting een individuele verwarmingsoptie. Inwoners kunnen zelf hun leveran cier kiezen en zijn zelf verantwoordelijk voor de ketel. Bij een overgang op duurzaam gas zou hier toch een verandering plaatsvinden. Er moet een afspraak gemaakt worden met een enkele leverancier voor de hele wijk. Ook onderhoud en organisatie wordt voor de buurt centraal geregeld. Ook kunnen inwoners van een wijk niet individueel kiezen om een duurzaam gas als alternatief te nemen: dat moet op buurtniveau gebeu ren. Daarom is duurzaam gas als grootschalig gekwalificeerd.
Bij een collectieve oplossing wordt de warmte op een centrale plek opgewekt (en soms ook opgeslagen) en geleverd aan meerdere gebouwen. De organisatie, het onderhoud en investering is dus ook collectief, of uitbesteed. Dit hoeft u zelf niet te regelen. Een voorbeeld van een collectief systeem is een warmtenet. Een warmtenet kan zowel grootschalig op wijkniveau, of kleinschalig op buurtniveau of zelfs straatniveau.
Transitievisie Warmte | Analysedocument 5
©o© We hebben met de buurten nu onderscheid aangehouden tussen collectieve en indi viduele opties. Kleinschalig individueel kan uiteenlopen van een straat tot wijkniveau. Het zou dus in vrijwel elke wijk en buurt kunnen. Op de korte termijn kijken we hier vooral voor naar de wijk Heivelden, waar een paar stukken zijn waar de dichte bebou wing het interessant maakt. De rest van de wijk is juist minder dichtbebouwd. Het is daarmee een goed voorbeeld voor een wijk waar lokaal een kleinschalig collectief systeem potentie heeft.
het een concreet cijfer geeft. Nadeel is dat een wijk aan de buitenkant van de gebouw de omgeving automatisch lager scoort. De woningdichtheid per hectare is een geschat te waarde maar geeft voor de wijk zelf wel beter weer wat de situatie is. Deze waarden hebben we naast elkaar gezet en in gesprek met stakeholders een verfijnde vorm voor gegeven. De resultaten staan verwerkt in kaart 1. Kaart 1 - Collectief - Individueel. g eb
Ene rgiesysteem
Individu eel Hui:;
A
Wie regelt het?
Zelf
Kleinschalig Straat
ŵ'įtňñ Zelf, met buren of straat
Collectief grootschalig Blok(ken) woningen
* Aļ
ŵŵŵ Äŵŵ
Collectief - Individueel
Collectief
(not te ontaikkmj
Anderen (gemeente, woningcorporatie, energiebedrijf). Ontzorging
P??
Indwvíoeef Buitengebied indMdueet
' OirKfcMI B*dry**nt*íreinen
IMhMm VtMtoM
Of een wijk het meest gebaat is bij een collectieve of individuele oplossing hangt voor al af van de gebouwdichtheid en de energiebehoefte. Een collectief systeem is sterk afhankelijk van het aantal aansluitingen en de concentratie: hoe dichter op elkaar hoe beter. Ideaal daarvoor is natuurlijk een groter gebied met heel veel hoogbouw zoals in de grote steden. Dit hebben we in Best natuurlijk niet. Ook voor de minder gecon centreerde bouw zoals we die in Best hebben blijft het wel mogelijk. Experts adviseren om onderzoek te doen naar de mogelijkheden. Factoren die hierin naast de algemene woningdichtheid belangrijk zijn is de concentratie van woningcorporatiebezit en de temperatuur die nodig is. Vooral voor de eerste buurten is een geconcentreerd deel woningcorporatiebezit een belangrijke voorwaarde voor een collectie mogelijkheid. Bij een midden- of lage temperatuur systeem is het systeem aantrekkelijker. Wat betreft algemene woningdichtheid hebben we de stedelijkheidsfactor van het CBS en de wo ningdichtheid per hectare naast elkaar gezet. De stedelijkheidsfactor kijkt vooral naar de hoeveelheid woningen in een straal om elke woning in de wijk heen. Voordeel is dat
.
KaMtWMlai
'a.N. Btltébrp Zuid
Transitievisie Warmte | Analysedocument 6
Zoals gezegd is op kaart 1 nu te zien dat er in Heivelden een paar stukken zijn waar collectieve oplossingen mogelijk zijn. De rest van de wijk heeft individueel als meest logische oplossing. De stukken in Heivelden zijn demonstratief: deze zijn in Heivelden door hun geconcentreerdere bouw extra goed voor een kleinschalig collectief systeem, maar ze zijn niet de enige plekken. Kleinschalig collectief is een mogelijkheid die in de meeste gebieden kan. In de collectieve en in de individuele buurten. Daarnaast geldt dat Dijkstraten hier al deels aardgasvrij is: het deel van Dijkstraten dat nog niet aardgas vrij is kan het beste een individuele oplossing toepassen.
die met die temperatuur werkt. Sommige woningen zitten tussen een lage en een hoge temperatuur in: die hebben een midden temperatuur. Dan gaat het om een tempera tuur van 50 tot 70 graden. Dat is voor warmtepompen lastiger om te bereiken, en met vloerverwarming krijg je het dan moeilijk warm. In Kaart 2: Warmtevraag buurten zijn de wijken ingedeeld op de huidige temperatuur behoefte van de woning. Woningen die label A of B hebben kunnen op lage tempe ratuur verwarmd worden. Woningen met een B of C label kunnen met een midden temperatuur verwarmd worden. Woningen met een lager label dan dit zullen nog met hoge temperatuur verwarmd moeten worden.
1.2 De energievraag We hebben ook gekeken naar de temperatuurbehoefte van de woning. Wijken en buurten zijn ingedeeld naar de warmtevraag van nu. Deze blijft niet zo, komende jaren wordt energie bespaard door woningen te isoleren. Isoleren is belangrijk omdat: 1) Het warmte bespaart, die vervolgens niet opgewekt hoeft te worden. 2) Een goed geïsoleerde woning met een lage temperatuur verwarmd kan worden en dan zijn er meer duurzame warmtebronnen te gebruiken. 3) Het vanwege de besparing ook financieel efficiënt is.
Warmtebehoefte
MMWt (n««ļiMug Hoet«n«rçWvTMg
Aj.lruh. Inr*» WĒ
rrw'gtevTMg
De temperatuurbehoefte van een woning noemen we ook wel het temperatuurprofiel. Hoe meer energie nodig is om een woning warm te krijgen, hoe hoger het tempera tuurprofiel. Daarbij wordt rekening gehouden met de oppervlakte van de woning. Een hoger temperatuurprofiel betekent dat het huis verwarmd moet worden met een ho gere temperatuur: warmere lucht door de woning, of warmer water door de radiatoren bijvoorbeeld. De hoge temperaturen zijn moeilijk te bereiken met duurzame bronnen. Wanneer een woning met een lage temperatuur verwarmd kan worden, zijn er meer duurzame bronnen mogelijk. Per buurt kijken we of de gebouwen in de toekomst ver warmd moeten worden met hoge, midden of lage temperatuur.
Mae*
8ufleng«bt«* wtuctende
«wr9i»vT*ag
iiKkMimt
Al (fetfe) duurzMm «vwarmd Bcw»xjvnogei|k heden
ihlMimià
NauMntwu «Md.n
Bmktfvent'fre'nen
IcfcwttKxxn
.
! IM*.
'
vmmļk
De huidige gasketels hebben meestal een hoog temperatuurprofiel. Dat betekent dat je het ook warm krijgt zonder isolatie. De warmte die wordt afgegeven is dan 70 graden of hoger. Dat is eigenlijk alleen nodig als isoleren moeilijk of niet mogelijk is, zoals bij monumentale panden. Veel duurzame bronnen en technieken hebben een lage tempe ratuur, tussen de 30 en 50 graden. Daarom is isoleren erg belangrijk, anders wordt het niet warm genoeg. Een lage temperatuur kan niet zomaar door een gewone radiator. Hier zijn aparte radiatoren voor nodig, of vloerverwarming of een (lucht-)warmtepomp
Kaart 2: Warmtevraag buurten
Transitievisie Warmte | Analysedocument 7
©o© Met isolatie kan bijna elke woning teruggebracht worden naar een midden tempera tuur of lage temperatuur profiel. Veel woningen kunnen zo geïsoleerd worden dat ze een energielabel B of A hebben. Dat geeft een lage temperatuur profiel en mogelijk heid voor veel duurzame alternatieven. Daarvoor moet er nog wel veel gebeuren. De meeste woningen in Best zullen isolerende maatregelen nodig hebben.
G F E D C B A Huidig energielabel/bouwjaar tot 1920 1920-1940 1941-1974 1975-1982 1983-1991 1991-2005 2005-nu Huidige warmtevraag (kwhZm2) 123 123 121 114 89 74 61 Huidig temperatuurprofiel Hoge temperatuur Midden/Lage Temperatuur Lage temperatuur Voorspeld energielabel D/C C/B B/A B/A B A A Voorspelde warmtevraag 114-89 89-74 74-61 74-61 74 61 61 Besparing warmtevraag 180 345 450 410 170 180 oo Voorspeld temperatuurprofiel Hoge temperatuur Midden/Lage Temperatuur Lage temperatuur 1
Bij de warmtevraag kijken we naar de huidige warmtevraag en de verwachte warm tevraag in de toekomst. De huidige warmteprofielen is opgebouwd uit drie factoren: De energielabels in de buurt, de bouwjaren van de gebouwen en het daadwerkelijke energiegebruik in een buurt. In kaart 2 staat deze huidige situatie. De toekomstige vraag is anders: door isolatie gaat de energievraag omlaag. Niet elk type woning kan even goed geïsoleerd worden. Hoe goed dit gaat is per woning verschillend. Het energielabel en het bouwjaar zijn wel goede indicatoren. Daarbij houden we rekening met wat betaalbaar is. Wat de mogelijkheden zijn staat uitgelegd in tabel 2. Deze informatie is gebruikt om voor de wijken in Best de mogelijke besparing en de toekomstige energievraag te bepalen. De gegevens hiervoor zijn vooral op wijkniveau en niet op buurtniveau bekend. Daarom staan de mogelijke besparingsgegevens hier ook op wijkniveau in tabel 3.
Tabel 2
Met de gegevens van tabel 2 en de bekende energielabels van Best bepalen we hoe veel we kunnen besparen door te isoleren. We kijken hierbij naar wijken, omdat we op wijkniveau gegevens hebben over de energielabels. Zo zien we in welke wijken veel energie te besparen is. De cijfers bekijken we op twee manieren. 1) In welke wijken kunnen we gemiddeld of per gebouw veel besparen. Hier gaat het om wijken waar veel gebouwen een laag energielabel hebben, en dus veel kunnen besparen. 2) In welke wijken kunnen we in totaal veel besparen? Daarbij kijken we dus ook naar hoeveel woningen er zijn. De haalbare besparing voor de verschillende wijken van Best staat in Tabel 3. De ge middelde besparing van een wijk staat in de tabel onder "gemiddelde besparing" in 0Zo van het totale aardgasgebruik. Daarnaast is de totale uitstoot hiertegen afgewogen. De totale besparing is hier aangegeven onder "totale besparing" in m3 aardgas.
Isolatiemogelijkheden Uit de kaarten 1 en 2 blijkt vooral dat de wijken Heuveleind, Dijkstraten en Heivelden wijken zijn waar al een lage temperatuur oplossing toegepast kan worden. Op een aantal plekken in deze wijken is het mogelijk om met kleinschalige collectieve syste men te werken. Voor veel straten en buurten blijft hier toch een individuele aanpak het beste: zowel om het te organiseren, het kunnen toepassen van een bron en de kosten zijn lager.
In de tabel zien we dat in de wijken Hoge Akker, Batadorp, Wilhelminadorp en De Leeuwerik gemiddeld nog veel te halen is door isolatie. Als we daarbij ook kijken naar de hoeveelheid woningen, zien we vooral Hoge Akker, Wilhelminadorp, Salderes, en Naastenbest. In Naastenbest valt dit mee: de labels in de gebruikte data zijn voor een heel aantal woningen C terwijl deze (intussen) vaak al een label B hebben. Dit is voor al het geval bij de woningen van de woningbouwcorporaties. Wijken als Heuveleind, Heivelden en Dijkstraten hebben minder aan besparende maatregelen: daar zijn alle woningen al label A of B.
Voor de rest van de wijken is isoleren van woningen een prioriteit. Dat is in sommige wijken nodig als voorbereiding om aan te sluiten op een duurzame warmtebron. Bo vendien helpt besparen met het terugdringen van de energiekosten en de CO2-uitstoot en is het meestal een kosteneffectieve maatregel. Hoeveel er nog geïsoleerd moet of kan worden is per wijk verschillend. Voor de besparing kijken we naar de energie labels als die bekend zijn, samen met de bouwjaren van woningen. Hierbij hebben we gebruik gemaakt van de verwachte realistische labelsprongen die gemaakt kunnen worden en rendabel zijn. Deze sprongen en de besparingscijfers staan in Tabel 2.
Transitievisie Warmte | Analysedocument 8
too gemiddelde besparing (96 van het gasgebruik)
totale besparing (in 1.000 m3 aardgas/jaar)
Direct te gebruiken
Nader onderzoek nodig
Voor 2030 niet mogelijk
Zon (zonnepanelen)
Wegthermie
Waterstof
Zon (zonnecollectoren)
Ondiepe geothermie (tot 1600m)
Groengas
1 Centrum 2 Hoge Akker
Grondwarmte (opslagwarmte)
3 Speelheide De Leeuwerik
Aquathermie Overige oppervlakte
5 Villawijk
Elektrisch (overig)
Batadorp
Zon (hybride) met grondwarmte
Biomassa
7 Salderes
Restwarmte
Tabel 4
8 Wilhelminadorp 9 Naastenbest
Bronnen en technieken Samen met Best Duurzaam en met de Focusgroep is van meerdere kanten gekeken naar de alternatieven voor warmte. Daarbij hebben we gebruik gemaakt van informa tie vanuit de Regionale Structuur Warmte (RSW), informatie die vanuit de RES komt. We hebben gekeken naar lokale bronnen en naar een paar bovenlokale opties zoals waterstofgas en elektriciteit. Zoals in de uitgangspunten namelijk al voorbijkwam: voor elektriciteit voor woninggebruik geldt dat dit met de RES ook regionaal/in de gemeen tegrenzen opgewekt moet worden. Hierbij hebben we een Analyse gemaakt van alle verschillende bronnen en technieken. Dit is terug te vinden in bijlage 3 van de Transitievisie Warmte.
11 Breeven 12 Heide 13 Heuveleind 14 Heivelden 15 Buitengebied 16 Dijkstraten 17 Kantonnier Tabel 3
Mogelijkheden voor Best richting 2030 Niet elke bron is mogelijk in elke buurt. Sommige bronnen zijn alleen heel lokaal te vinden, en moeten ook heel lokaal gebruikt worden. Andere bronnen zijn alleen col lectief of juist individueel toepasbaar: Zo kan één persoon niet besluiten geothermie te gebruiken. Een luchtwarmtepomp kan juist weer niet een hele wijk bedienen in een collectief systeem.
Veel woningen kunnen naar label A of B: voor label C woningen uit de tachtiger jaren is B vaak het maximale. Die stap is naar verwachting terug te verdienen en levert toch nog zo'n 19 O besparing op. Besparing kan dan al veel doen: Een oude woning van 1945-1974 met een Label E B isoleren naar A of B zorgt voor een besparing van 45*0.
1.3 Duurzame bronnen, technieken, en infrastructuren Tot nu toe hebben we vooral gekeken naar de vraagkant van de duurzame energie: wat hebben de woningen nodig? In dit stuk kijken we naar het aanbod: ^ Wat zijn duurzame bronnen? ^ Welke van die duurzame bronnen zijn er in Best of kunnen we gebruiken? ^ Welke combinatie van technieken en infrastructuren kunnen we hiervoor het best gebruiken?
Als we kijken naar de bronnen die tot 2030 (onder voorbehoud) gebruikt kunnen wor den komen we uit op tabel 4. Hierin hebben we een opsplitsing gemaakt van de bron nen die direct gebruikt/toegepast kunnen worden, bronnen waarvoor nader onderzoek nodig is en bronnen die voor 2030 niet mogelijk zijn maar we in de gaten houden voor de lange termijn. Transitievisie Warmte | Analysedocument 9
©o© Geschikt voor direct gebruik ^ Zonne-energie: Uit de tabel bespreken we allereerst de meest geschikte optie(s): zon-PT (zonnecollectoren) of PVT (een combinatie van zonnecollectoren en de elektrische zonnepanelen). Deze heeft als voordeel dat het toe te passen is op hoogmidden- en laagtemperatuur systemen. Ook is deze energie relatief goedkoop op te slaan in water of ondergrond. Er vinden meerdere innovaties plaats, zowel lande lijk als regionaal. Het voordeel is dat het daardoor op een individueel, kleinschalig collectief en uiteindelijk zelfs middel- of grootschalig collectief systeem ingezet kan worden. Zonne-energie met een bodemsysteem waar warmte opgeslagen of over de seizoenen gemiddeld kan worden is daarin een klimaatvriendelijke mogelijkheid. Daarom staat grondwarmte hier ook bij genoemd. ^ Elektrisch: Elektriciteit is nu de enige bron die duidelijk geschikt is als individueel alternatief en is direct beschikbaar. De komende jaren moet echter ook hier een grote slag geslagen worden. Zo moet elektriciteit duurzaam worden opgewekt (met bijvoorbeeld de zon of wind). En grotere vraagstukken moeten worden opgelost: hoe zorgen we dat duurzame elektriciteit in de toekomst altijd beschikbaar is Hoewel elektriciteit ook nodig is bij een collectieve oplossing, is het vooral de hoofdmoot bij individuele oplossingen.
Daarbij maakt het nog wel verschil welke techniek of welke warmtepomp hiervoor gebruikt wordt. Energieopslag voor de piekmomenten is belangrijk, waarbij een bodem- of opslagsysteem dus een voorkeur heeft.
^ Asfaltwarmte kan in principe overal. Omdat bij asfaltwarmte afhankelijk is van (grootschalige) wegaanlegging of reconstructies, is dit vooral interessant voor Wilhelminadorp, Kantonnier en Batadorp. Dit omdat er met de reconstructie van de A58 een koppelkans is. Voor ondiepe geothermie en asfaltwarmte zullen wel stappen gezet moeten worden voor dit kan gebeuren: naast isolatie voor woningen zal ook verder onderzoek gedaan moeten worden naar deze technieken. En een warmtebedrijf zal het project op zich moeten nemen. Ook wie deze rol op zich neemt moet daarvoor uitgewerkt worden. Voor 2030 niet mogelijk ^ Oppervlaktewarmte, restwarmte en aquathermie lijken mindere opties voor nu. Er is geen directe mogelijkheid of koppelkans om dit snel op te pakken en de opties lig gen er om later alsnog toegepast te kunnen worden als technieken zich ontwikkelen. ^ Groengas en waterstof zijn tot 2030 geen optie. Dit hebben we ook met Best Duur zaam en met de Focusgroep geconcludeerd. Het zijn wel technieken die nog in ontwik keling zijn. Daarom houden we ze voor de toekomst wel in de gaten. Zoals de waterstofladder aangeeft (afbeelding 1) is de gebouwde omgeving als laatste aan de beurt.
De opwekpotentie van zonne-energie verschilt wel per wijk, als dit ook echt in de wijk opgewekt wordt. De daken kunnen in de ene wijk meer energie opleveren dan in de andere. Dat heeft te maken met de grootte, maar ook de helling van het dak en of er bijvoorbeeld schaduw van bomen is. Voor zonnecollectoren die de warmte direct op slaan is het belangrijk dat die warmte dichtbij wordt opgewekt. Zonnepanelen, die de zonne-energie omzetten in elektriciteit, kunnen wat verder weg staan.
rn. vrij** waterstof aft grondstof in d« industrie Setľoeniopslag duurzame elektriciteit
Verwarming overige woningen
Nader onderzoek nodig ^ Ondiepe geothermie en asfaltwarmte zijn interessante opties voor een middentemperatuur en lagetemperatuur warmtenet. Ondiepe geothermie is vooral in het westen en zuiden van Best een potentiële bron. Naar het oosten toe lijkt vanuit onderzoek minder kans te zijn voor (ondiepe) geothermie in Best. Afbeelding 1 Waterstofladder
Transitievisie Warmte | Analysedocument 10
Afwegingen infrastructuren Voor alternatieve warmte kunnen we drie verschillende infrastructuren gebruiken: een gasnet, een elektriciteitsnet of een warmtenet. Belangrijk is, dat er voor elk net aanpas singen moeten gebeuren en dat de straten open moeten. Welk niveau en type infrastructuur het beste is voor een wijk, wordt vooral bepaald door de beschikbaarheid en de betaalbaarheid. Een warmtenet is geschikt als de adressen dicht op elkaar zitten, waardoor de kosten van het systeem gemiddeld lager worden: er zijn minder kostbare meters infrastructuur nodig. Daarnaast is een belangrij ke regel ook of de energie wel beschikbaar is. Voor veel wijken zou een voortzetting van het gasnetwerk met groen gas of waterstof de goedkoopste optie zijn. Daar hebben we alleen veel te weinig gas voor in Nederland: de voorlopige prognose is dat duurzame gassen niet gebruikt worden voor woningen die alternatieven hebben. Welk type infrastructuur kan in een buurt, en hoeveel mogelijkheid er al voor is in een buurt, bepalen we verder met het schaalniveau, het isolatieniveau, de bronnen en de infrastructuur: zie afbeelding 2.
Q
Ä
Soort warmte
Elektrisch
KLEINSCHALIG
GROOTSCHALIG
Warm water + elektrisch als hulpbron
Warm water + elektrisch als hulpbron
Q Gas
Schaalniveau
Minimaal energielabel
Temperatuur
Mogelijke bronnen
n.v.t.
1.4 Conclusies technische mogelijkheden Als we alles van de technische aspecten onder elkaar zetten komen we tot de volgende conclusies: ^ Individueel aardgasvrij: Inwoners van buurten waar een individuele oplossing het beste is kunnen aan de gang. Zonne-energie is hier beschikbaar voor deze wonin gen, die in combinatie met warmtepompen gebruikt kan worden om de woningen duurzaam te verwarmen. Dit zijn ook de nieuwere wijken, waar de woningen al een laag energielabel hebben. Er is dus geen grote collectieve isolatie-aanpak nodig. Voor de wijken met een collectieve oplossing als mogelijke beste oplossing loopt het meer uiteen. ^ Isoleren: In ieder geval gaan we in een aantal wijken eerst aan de slag met isolatie. Dat is waar we vooral op in willen zetten. Buurten waar dit minder hoeft zijn Salderes-Noord, Speelheide, Naastenbest-Midden en Kantonnier, waar veel woningen al labels C of B hebben. ^ Aardgasvrij: Als we de bronnen tegen elkaar afwegen op energetische mogelijkhe den, praktische mogelijkheden en meerwaarde blijven ze vergelijkbaar. Zonne-ener gie is direct toepasbaar. Geothermie en asfaltwarmte scoren beter omdat ze met meervoudig ruimtegebruik werken, waardoor we aan de oppervlakte minder in de knoop komen met verschillende opgaven. De beschikbaarheid van de bron is dan de grootste vraag.
Of deze wijken geschikte zoekbuurten zijn hangt verder nog af van de sociale mogelijkheden en de koppelkansen. Uiteindelijk geldt ook dat welke oplossing ook toegepast wordt, straten open zullen moeten. In het geval van een gasnet voor aanpassingen en later vervanging. Bij het elektriciteitsnet is verzwaring van het net nodig. En voor een warmtenet voor het aan leggen ervan.
I Zonne-energie (zonnepanelen) Zonne-energie (hybride) met grondwarmte
Zonne-energie (zonnecollectoren) Grondwarmte:
Zonne-energie (zonnecollectoren) Grondwarmte:
Ondiepe Geothermie
Ondiepe Geothermie
Wegthermie Aquathermie
Wegthermie Aquathermie
Waterstof Groengas
Afbeelding 2 Transitievisie Warmte | Analysedocument ii
Sociale mogelijkheden
©o© Zoals in hoofdstuk 1 al genoemd, kijken we ook naar de sociale mogelijkheden in de wijken en buurten. Dit doen we op twee manieren:
^ Hoe kunnen we grote stappen zetten? ^ Wat speelt er in Best De sociale criteria zijn erop gericht om de maatschappelijke invloed op de warmtetransitie weer te geven. Anders gezegd: we kijken of het sociaal/maatschappelijk gezien wel kan. Want technisch kan dan misschien wel het een en ander, de mensen moeten het doen. Aansluiten op waar mensen willen en kunnen maakt de opgave al een stuk kleiner. Het mogelijk maken dat mensen uiteindelijk ook kunnen is dan een belangrijke en effectieve stap. Proberen te forceren waar mensen juist niet willen of niet kunnen, stuit alleen maar op weerstand en levert problemen op. We hebben voor de sociale criteria bij inwoners en stakeholders informatie en opvattin gen opgehaald. Die zijn gebruikt voor de invulling van de criteria. Bij zoekbuurten, waar we volgens de eerste resultaten het beste kunnen starten, gaan we hier nog verder over in gesprek. De uitvragen en uitkomsten van de sociale criteria zijn hierin dus een eerste toets.
3. Champions, ofwel lokale influencers. Mensen die actief zijn in de omgeving en veel invloed en draagvlak hebben. Door deze mensen te betrekken bij de warmteplannen, bereiken we meer mensen in de buurt. 4. De cohesie in een wijk.
2.2 Wat speelt er in Best? De sociale score is opgebouwd uit verschillende onderdelen. Het willen en kunnen deel komt uit stellingen die we inwoners hebben voorgelegd via het inwonerspanel, PleinBest en straatgesprekken. Hierop zijn meer dan 1000 reacties geweest. Vooral het inwonerspanel heeft hier sterk bij geholpen. Het biedt inzicht in hoe Bestenaren aankijken tegen het isoleren en aardgasvrij maken van hun huis. Omdat het bestaande inwonerspanel gebruikt is hebben we de gegevens per wijk inzichtelijk, en niet per buurt. Daarom bekijken we ook deze resultaten per wijk. De gemiddeldes per wijk over wat mensen van aardgasvrij vinden verschillen niet veel van elkaar. Er zijn meer ver schillen tussen wijken als we kijken naar of mensen al acties ondernomen hebben of deze komende jaren verwachten te gaan doen. Hoge Akker springt er bijvoorbeeld uit als een wijk waar veel mensen de komende jaren verwachten te gaan verduurzamen. De resultaten van de inwonersenquête zijn ook toegevoegd als bijlage 2 bij de Transitievisie Warmte en deze analyse.
2.1 Hoe kunnen we grote stappen zetten? Aan de slag gaan gaat niet vanzelf. Er gaat een ingewikkeld proces van afspreken, plan nen, praten en afstemmen aan vooraf. Dan scheelt het veel als er ook al een vorm van organisatie aanwezig is, of als grote organisaties als woningbouwverenigingen hier een grote stap in kunnen zetten: vooral in de eerste wijken, als we voor onszelf nog aan het leren zijn. Op organisatorisch vlak hebben we de wijken gescoord op vier factoren: 1. De aanwezigheid van woningcorporaties. Woningcorporaties hebben een maat schappelijke insteek en zijn samen met gemeenten verantwoordelijk voor het aan jagen van de warmtetransitie. We kunnen dus samen optrekken. Bovendien zorgen ze met meer woningen voor een grotere groep woningen waar we mee aan de slag kunnen. 2. De wijkorganisatie. Als er in een wijk al een en ander georganiseerd is helpt dat veel. Er is een basis van waaruit de gemeente met de inwoners in gesprek kan.
2.3 Conclusies sociale mogelijkheden De bestaande sociale netwerken hebben we per wijk gemeten en in drie categorieën onderverdeeld; Wijken met hoge sociale cohesie, wijken met normale sociale cohesie en wijken met lage sociale cohesie. Uit de inwonersenquête hebben we een indicatie opgehaald of mensen willen en kunnen. Daarbij gaat het vooral om de vraag hoe men sen aankijken tegen de overstap van aardgas naar een andere duurzame warmtevoor ziening. Op basis hiervan komen we uit op drie niveaus: Hoog, midden en lage sociale mogelijk heden. Dit staat in kaart 3: sociale kaart
Transitievisie Warmte | Analysedocument 13
E \ G E Steeg iche Velden
Sociale mogelijkheden Legenda Saldefti Oud Best Midden
* Aarleichc Erven | [nog te ontwikken)
Dij kstr aten J Buitengebied: midden
Centrunr Akker Heikant
Heivelden
čĥoiwwtq
Groot aandeel wijkorganisaties/ woningcorporaties
en omgt
IS-30% Speelheide
Naattanbart* MtdOen Heivelden
Schut boom 't Zand
Wìlhelminadorp-
Heuveleind
Midden
Kantonnier1 Villawijk
Batadorp Noon
Heid#
imi
Batadorp Zuid
Breeven
Kaart 3: Sociale kaart
Transitievisie Warmte | Analysedocument 14
Koppelkansen I Natuurlijke momenten
©o© Tot slot zijn er de koppelkansen. Die zijn soms gedeeltelijk gekoppeld aan een sociale of technische mogelijkheid, en soms vooral afhankelijk van wanneer andere werkzaam heden gepland staan. De verschillende koppelkansen zijn afhankelijk van verschillende stakeholders en hebben we verzameld door afstemmingsmomenten met de verschil lende partijen. Tijdens het opstellen en bijwerken van de visie hebben we met veel partijen om tafel gezeten en programma's en planningen uitgewisseld. Zoals gezegd kijken we naar een aantal punten: « Onderhoudsplanningen van woningcorporaties Afstemming met de woningcorporaties is een belangrijke koppelkans. De woning corporaties hebben ook een verantwoordelijkheid toebedeeld gekregen in de warmtetransitie. Ze hebben daarin ook een maatschappelijke insteek en zijn intrinsiek gemotiveerd om bij te dragen aan de transitie. Tegelijk hebben ze ook veel andere opgaven die ze (samen met de gemeente) moeten uitvoeren. Daarom stemmen we samen af wanneer we opgaven en werkzaamheden kunnen combineren. Zo werken we samen efficiënt en integraal aan de opgave. Woningbouwcorporaties hebben al veel woningen verduurzaamd in Naastenbest, en willen hier aan het eind van de peri ode tot 2030 een vervolgslag maken, als er een natuurlijk moment voor hen is. Ze zijn bereid om dan samen te werken.
In Wilhelminadorp zijn er pas na 2030 natuurlijke momenten voor hen om op aan te haken. « Planning van werkzaamheden in de openbare ruimte (wegen/groen/ klimaatadaptie) en ondergrondse werkzaamheden (riolering, gas- en elektriciteitsnet). Op gemeentelijk niveau kijken we vooral waar we werkzaamheden die vanuit de transitievisie warmte en de wijkuitvoeringsplannen komen kunnen combineren met andere werkzaamheden. Er zijn voor nu weinig grootschalige werkzaamheden per wijk of buurt in de komende tijd, of op langere termijn gepland. Op grootschaliger niveau nemen we mogelijkheden wel mee. De A58 wordt over enige tijd gerecon strueerd. Daarbij is er een mogelijkheid om hier warmte uit te halen. Dit heeft effect op de mogelijkheden voor Wilhelminadorp, Kantonnier en Batadorp.
« Klimaat adaptief inrichten van straten, pleinen en buurten Ook voor klimaatadaptatie gaan we als gemeente de komende jaren bezig. In het opstellen van de plannen combineren we hiervoor werkzaamheden. Zo weten we al dat in Naastenbest in het kader van klimaatadaptatie aan een aantal straten zal worden gewerkt. « Sociale opgaven in de wijk meenemen. Zoals veiligheid, gezondheid, spelen, groen en parkeren. Wat er speelt verschilt per wijk of buurt. « Inspelen op initiatieven die er al zijn van inwoners en/of bedrijven. In Heivelden is er een kans waar vanuit partijen in de wijk enthousiasme en energie is om een kleinschalig collectief systeem neer te proberen te zetten. Ook hierbij is een woning corporatie betrokken. Daarnaast hebben tijdens de participatiemomenten verschil lende Bestenaren mogelijkheden geopperd en aangegeven op termijn een initiatief te willen beginnen. Dit is vooral voor de toekomst dus belangrijk om in de gaten te houden.
Conclusies Koppelkansen Het belangrijkste is dat we aan de voorkant onze plannen goed met partijen afstem men om koppelkansen te creëren op het moment dat we ergens aan de slag gaan. Verder is nog veel onbekend als het gaat om koppelkansen. Ten slotte zijn er meerdere goede koppelkansen in Naastenbest, specifiek Naastenbest-Midden. Hier zijn vanuit ge meente en vanuit de woningcorporaties richting 2030 plannen voor werkzaamheden.
Transitievisie Warmte | Analysedocument 16
Algemene conclusies analyse
©o© Met de analyse hebben we aan de hand van drie criteria gekeken naar de mogelijkhe den om aardgas te besparen. Er is gekeken naar de technische mogelijkheden, de soci ale mogelijkheden en naar de koppelkansen. Door de conclusies van deze drie criteria samen te pakken komen we tot de eindconclusies. Buurten met individuele mogelijkheden ^ Individueel aan de slag: In de individuele buurten, Heivelden, Heuveleind, Heikantheivelden, de Steegsche Velden, Dijkstraten, een stuk Speelheide en de Villawijk (met op plekken mogelijkheden voor kleinschalige collectieve systemen) zijn de technische opties voor de hand liggend. De buurtorganisatie is normaal of laag cohesief. Er zijn dus minder kansen voor een gezamenlijk programma. Maar in deze buurten is het voor mensen die op een eigen tempo aan de slag gaan geen probleem. ^ Samen kleinschalig aan de slag: In Heivelden ligt wel een kans om samen met de partijen daar een kleinschalig collectief systeem op te zetten. Dit kunnen we dus goed samen uitzoeken en uitwerken. Deze mogelijkheid is er ook voor anderen in deze wijken die met buren samen bijvoorbeeld een bodembron willen delen. Buurten met collectieve mogelijkheden ^ Mogelijkheden collectieve aanpak (voor 2030).
Als we kijken naar de technische en sociale mogelijkheden, samen met de koppel kansen, liggen voor een collectieve buurt de grootste mogelijkheden in Naastenbest-midden. Hier zijn veel woningen in het bezit van woningcorporaties en genoeg geïsoleerd. Die kunnen aan het eind van de periode op een natuurlijk moment woningen aangesloten worden op een warmtenet. Dat betekent dat er genoeg tijd is om te onderzoeken of dit ook echt uit kan: we gaan kijken naar de bron, naar hoe we het kunnen organiseren, en of het financieel inderdaad betaalbaar is. Dat blijft immers een belangrijke voorwaarde.
^ Samen besparen. In de buurten Batadorp, Hoge Akker, Wilhelminadorp, een aantal stukken in de Leeuwerik en ook in de rest van Naastenbest is er een sterk besparingspotentieel. Batadorp, Wilhelminadorp, De Leeuwerik en Naastenbest hebben ook hoge sociale cohesie, wat positief is. Hoge Akker heeft dit minder. Toch liggen hier sterke moge lijkheden: Hoge Akker scoorde als hoogste in de enquête op de vraag of inwoners van plan waren de komende jaren besparende maatregelen toe willen passen (of dit nog niet te weten). Met een besparingsprogramma in Hoge Akker kunnen we hier dus goed op inspelen, en de mensen die het nog niet weten overtuigen om ook mee te doen. We gaan dus actief met inwoners richten op besparen in deze buurten. ^ Weinig directe mogelijkheden. Voor de andere collectieve buurten, Salderes, Oud Best, Centrum, Speelheide, Kantonnier en Batadorp Zuid, geldt dat er minder sociale en/of technische mogelijkhe den zijn in combinatie met sterke koppelkansen. Daar wachten we dus met verder onderzoek. Als we dit alles zoals we in de introductie benoemen weergeven op een kaart ziet het er voor Best uit zoals op kaart 4- Eindkaart Best.
Kaart 1: Collectief - Individueel
Transitievisie Warmte | Analysedocument 18
v
G E B
Steeg síhi
Eindkaart Legenda
Zoekbuurten
Salderes
\
Oud 8est Bespaarbuurten
Aarieuhe [nog te 01
Lange termijn
Dijkitraten
Eigen tempo
Centrum
Akker HelkantHei velden
írtchotseweg
Buitengebied: eigen tempo
ioovlnq-x
Al (deels) duurzaam verwarmd
de Leeuwerik
Spoťlţieide
Naattenbest-
Bedrijventerreinen
Midden Heivelden
Schutboom 't Zand
Wilhelminadorp-
Heuveleind
Midden
Kantonnier Villawijk
Batadorp Nook
Heide
Batadorp Zuid
Breeven
kaart 4 - Eindkaart Best Transitievisie Warmte | Analysedocument 19
december 2021