21084.3 - Rekenkamerrapport MRE & SGE Regionale opgaven
Tekst van het document
27
MRE jaarrekening 2019.
28
MRE jaarrekening 2019.
29
MRE jaarrekening 2020.
32
4.2. Beschrijving SGE Monitoring van de behaalde resultaten vindt binnen SGE voornamelijk plaats in de portefeuillehoudersoverleggen Economie, Wonen, Voorzieningen en Evenementen, Ruimte, en binnen het bestuurlijk platform. Daarnaast worden nieuwsartikelen op de website van SGE geplaatst en houdt het secretariaat toezicht op de mate waarin de benodigde capaciteit voor de uitvoering door de individuele gemeenten wordt geleverd. Sturing en monitoring vinden als volgt plaats: Het SGE werkt met jaarprogramma’s In het jaarverslag wordt jaarlijks een terugkoppeling gegeven over de mate waarin het gelukt is om de opgaven voor dat jaar uit te voeren. In de jaarverslagen wordt teruggeblikt op de opgaven van het jaarprogramma van dat jaar. Aan de hand van inkleuring en vinkjes wordt in de jaarverslagen geïllustreerd of de opgaven geheel of deels gerealiseerd zijn conform het jaarprogramma. Daarnaast wordt per opgave een tekstuele toelichting gegeven op het behaalde resultaat. Per thema wordt overkoepelend een conclusie geschreven waarin wordt teruggeblikt op behaalde en niet behaalde doelen. Net als bij de MRE is bij het SGE met name gekeken naar de (aansluiting tussen) jaarverslagen 2019 en 2020 om de doelrealisatie te beschrijven. Aan de hand van voorbeelden worden beelden geïllustreerd.
Zo wordt in het jaarverslag 2019 voor het thema ‘economie’ geconcludeerd dat alle projecten, zoals opgenomen in het Jaarprogramma 2019, zijn opgepakt door de portefeuillehouders Economie. Daarvan is een aantal afgerond in 2019 maar loopt een groot deel nog door in het volgende jaar. Ook worden veranderingen ten opzichte van de programma’s gemeld. Zo is er vanwege de economische noodzaak volgens het jaarverslag 2019 voor gekozen om eerder en sneller dan gepland te starten met de herprogrammering van bedrijventerreinen. Ook worden keuzes toegelicht. Door het portefeuillehoudersoverleg Economie is ervoor gekozen de focus te leggen op het faciliteren van de ruimtelijk-economische kant. Toegelicht wordt dat SGE hier als subregio het verschil kan maken30. Uit het jaarverslag 2020 blijkt dat een aantal opgaven binnen het thema ‘economie’ deels conform plan worden uitgevoerd, bijvoorbeeld de opgaven ‘regionaal programmeren’ en ‘advisering bij huisvestingsvraagstukken’. Dat wil zeggen, er is conform afspraak aan beide plannen gewerkt, maar het is niet gelukt om de plannen volledig te realiseren. Bij meer strategische doelstellingen binnen de verschillende thema’s worden veelal procesmatige activiteiten (o.a. afstemming of het maken van plannen) genoemd als concrete resultaten.
Zo wordt voor de doelstelling ‘steviger participeren in Brainport’ (thema ‘economie’) in het jaarverslag 2019 het werkatelier ‘Bereikbaarheid Economische Toplocaties’ als resultaat genoemd. Voor de economische doelstelling Regionaal Ontwikkelfonds Werklocaties (ROW) wordt in het jaarverslag 2019 aangegeven dat de doelstelling is behaald31. Het ROW heeft tot doel om bestaande bedrijventerreinen binnen SGE te versterken. Ondernemers kunnen een revolverende lening of garantie aanvragen voor de herontwikkeling van een locatie. Het project moet nadrukkelijk bijdragen aan het Brainport-ecosysteem door o.a. innovatie, het versterken van regionale ketens en het stimuleren of behouden van werkgelegenheid. Echter, uit de toelichting dat nieuwe inzichten uit een tussentijdse evaluatie tot de conclusie leiden dat de bedrijventerreinen binnen de regio voor een forse uitdaging staan en dat het fonds in zijn huidige vorm onvoldoende aansluit bij de vraag uit de markt. Als vervolgstap wordt aangegeven dat SGE gaat bekijken hoe het fonds doorontwikkeld kan worden zodat het wel optimaal aansluit bij deze vraag32. 30
SGE jaarverslag 2019.
31
SGE jaarverslag 2019.
32
Er wordt ook aangegeven dat is gestart met een onderzoek naar de effectiviteit van het Stimuleringsfonds. De resultaten van dit onderzoek worden
volgens de jaarrekening 2019 in Q2 van 2020 verwacht. Ten tijde van het schrijven van dit rapport was de evaluatie nog niet verschenen.
33
Voor het thema ‘wonen’ worden bijna alle gestelde doelen in 2019 en 2020 behaald. In het jaarverslag 2019 voor het thema ‘wonen’ wordt geconcludeerd dat alle projecten, zoals opgenomen in het jaarprogramma 2019, zijn opgepakt door de portefeuillehouders Wonen. Er is ook een aantal concrete producten gerealiseerd. Zo is de huisvestingsverordening geactualiseerd en de Visie op Wonen vastgesteld. Het uitvoeringsprogramma van de Visie op Wonen en de Woondeal zijn een nieuw fundament binnen het thema ‘wonen’. In 2020 zijn opnieuw binnen het thema ‘wonen’ bijna alle projecten zoals opgenomen in het Jaarprogramma 2020 opgepakt door de portefeuillehouders. Er zijn concrete resultaten behaald met o.a. de Woningbouwimpuls in de eerste tranche; hierin is € 19 miljoen subsidie van het Rijk naar projecten in Eindhoven en Helmond gegaan voor de bouw van 2.500 woningen. Daarnaast is gestart met de pilot Gestandaardiseerde huurwoningen samen met woningcorporaties in Zuidoost-Brabant wat voor meer sociale, betaalbare en duurzame huurwoningen in alle gemeenten in onze regio moet zorgen. In het jaarverslag 2019 wordt aangegeven dat het onderwerp ‘voorzieningen en evenementen’ nog relatief nieuw is. Geen enkel hoofddoel binnen dit thema is volgens het jaarverslag 2019 behaald.
In de conclusie wordt toegelicht dat de aanvraag voor de financieringsregeling Voorzieningen en evenementen een nieuwe ontwikkeling was. Omdat het portefeuillehoudersoverleg moest besluiten welke projecten SGE voor zou dragen, heeft dit volgens het jaarverslag veel ambtelijke capaciteit gekost. Ook de inventarisatie naar het huidige aanbod van regionale voorzieningen en evenementen heeft meer tijd gekost dan gedacht, waardoor een aantal andere projecten, zoals het regionale profiel en de gezamenlijke toekomststrategie, volgens het jaarverslag 2019 nog niet is afgerond en doorloopt in 202033. In het jaarverslag van 2020 worden nog steeds weinig van de gestelde doelen gerealiseerd. In het verslag wordt opnieuw toegelicht dat het proces om te komen tot een gezamenlijke toekomststrategie en het opstellen van de strategie, veel tijd en inzet hebben gevraagd van het portefeuillehoudersoverleg. Een concreet resultaat is dat na vaststelling door de raden in 2021, met de gezamenlijke toekomststrategie de nieuwe basis van het thema ‘voorzieningen en evenementen’ zal worden gerealiseerd. Daarnaast wordt toegelicht dat sommige geplande activiteiten (zoals de landschapstriënnale 2020) niet plaats hebben kunnen vinden door de impact van de coronapandemie34. Ten tijde van schrijven van is de gezamenlijke toekomststrategie (conform planning) vastgesteld.
Voor het thema ‘ruimte’ wordt in het jaarverslag 2019 toegelicht dat het SGE binnen dit thema steeds meer een faciliterende rol heeft opgepakt voor de andere thema’s, o.a. door de verrijking van de gebiedsvisie Brainport City en het bijbehorende uitvoeringsprogramma af te ronden, de voorbereiding van de provinciale ontwikkeldagen en het Dashboard Verstedelijking. Bijna alle gestelde doelen voor dit thema zijn in 2019 behaald. In het jaarverslag 2020 wordt toegelicht dat, ‘’[het thema] ruimte een verbindende rol pakt in het MIRT-onderzoek Brainport om te zorgen dat SGEgemeenten goed aangehaakt waren tijdens dit traject, zowel op raads- als bestuurlijk en ambtelijk niveau. Een in het oog springend resultaat is de in het BO MIRT gemaakte afspraak om in het najaar 2021 samen met het Rijk en de provincie tot een Verstedelijkingsakkoord tussen Rijk, provincie en de SGE-gemeenten te komen.”35
33
SGE jaarverslag 2019.
34
SGE jaarverslag 2020.
35
SGE jaarverslag 2020.
34
4.3. Analyse Het beoordelen van de doelrealisatie is sterk afhankelijk van de formulering van doelstellingen en de daarvoor uitgevoerde acties en bereikte resultaten. Wanneer deze concreet en meetbaar zijn, is makkelijker te beoordelen of de doelstellingen wel of niet conform planning worden gerealiseerd.
4.3.1. Realisatie doelen en de bijdragen aan de maatschappelijke opgaven MRE In het algemeen geldt dat in de jaarstukken van MRE niet per resultaat expliciet wordt aangegeven in hoeverre het resultaat overeenkomt met de geformuleerde acties uit de werkprogramma’s. Dit maakt dat het beperkt navolgbaar is in hoeverre alle geplande acties en projecten in het werkprogramma dat jaar ook werkelijk zijn gerealiseerd en dus in hoeverre de doelen per thema gerealiseerd zijn. Bij MRE verschilt de mate waarin doelen concreet zijn weergegeven. Binnen de thema’s ‘transitie landelijk gebied’ en ‘energietransitie’ is er meer sprake van concrete doelstellingen en resultaten die daaraan voldoen dan bij thema’s als ‘mobiliteit’ en ‘economie’ waarvoor meer strategische doelstellingen zijn geformuleerd. De vaak procesmatige activiteiten behorend bij deze doelstellingen worden in meer of in mindere mate conform planning uitgevoerd. Een voorbeeld van een dergelijke doestelling is: ‘De verbinding van onze Metropoolregio met andere economische centra (nationaal en internationaal)’. De hiervoor uitgevoerde activiteiten zijn vaak ‘doorlopende acties’ met een procesmatig karakter. Zo worden, om deze doelstelling te bereiken, resultaten genoemd als ‘het gebruiken van de structurele overleggen (o.a.
poho Mobiliteit en het ambtelijk overleg TOVER (thematisch overleg verkeer)) om afspraken te maken over het uitdragen van regionaal beleid tijdens overleggen met partners’ 36. Ook voor het thema ‘economie’ is er sprake van zulke procesmatige activiteiten37. Voor dit thema geldt bijvoorbeeld dat de doelstelling: ‘Verbinden van de gemeentelijke/subregionale economische agenda’s met Brainport Agenda’ door het leggen van de verbinding tussen diverse gemeentelijke/subregionale economische agenda’s tijdens diverse overleggen (o.a. Portefeuillehouderoverleg Economie) jaarlijks in meer of in mindere mate plaatsvindt. Voor meer concrete, meetbare doelstelling als het streefbeeld landelijk gebied en de RES geldt ook dat de resultaten concreter kunnen worden. Zo wordt het streefbeeld in de jaarrekening 2020 benoemd als resultaat; in 2019 is er een startnotitie voor het proces opgeleverd en wordt het opleveren van de concept-RES in de zomer van 2020 in de jaarrekening 2020 als concreet resultaat genoemd38. Bij het voorbeeld van het Stimuleringsfonds valt daarnaast op dat bij gebrek aan concrete definities of criteria niet helder kan worden aangeven in hoeverre voldaan wordt aan de doelstelling ‘het bevorderen van kennis en innovatie’. Daarbij valt op te merken dat in de tweede helft van 2019 is gestart met een onderzoek naar de effectiviteit van het fonds.
Wanneer de acties in de werkprogramma’s gekoppeld worden aan een planning, zoals binnen de doelstelling ‘versterken basiseconomie’, wordt in de jaarrekening niet geduid of deze planning gerealiseerd is. In het werkprogramma wordt de planning als volgt geformuleerd:
36
MRE jaarrekening 2019.
37
MRE jaarrekening 2019.
38
MRE jaarrekening 2020.
35
“1. We voeren een verkenning uit naar kansrijke nieuwe economische kansen die nog niet in de regio worden opgepakt. De verkenning resulteert in een concreet voorstel of, en zo ja hoe en bij wie, deze kansen voor realisatie in de regio Zuidoost-Brabant kunnen worden belegd. Planning: start Q2, afronding Q3. 2. Opdrachtformulering voor aanpak verkenning door het portefeuillehoudersoverleg Economie. Planning: Q1. 3. Opdrachtformulering om kansen die uit de verkenning blijken, tot resultaat te brengen. Planning: Q4.39” In de jaarrekening 2019 wordt met betrekking tot deze doelstelling aangegeven dat voor deze doelstelling in 2019 ‘nieuwe kansen’ zijn verkend, waarbij drie initiatieven worden toegelicht (Monitor Brede Welvaart, Metropoolregio Verbonden en Streefbeeld Landelijk Gebied). Of daarmee is voldaan aan het oorspronkelijke plan of hoe een eventuele wijziging van het plan tot stand is gekomen, is daarbij niet expliciet geduid. Wat door de respondenten als echter als een van de belangrijkste resultaten wordt benoemd en erkend, is dat MRE zorgdraagt voor het samenbrengen van de overheidspoot binnen Brainport. Dit gebeurt op inhoud binnen het portefeuillehoudersoverleg Economie en financieel door de gemeentelijke bijdragen aan Brainport te organiseren.
SGE Voor het SGE wordt in de jaarverslagen overzichtelijk weergegeven in hoeverre de opgaven zijn gerealiseerd in relatie tot de jaarprogramma’s. Met name binnen de thema’s ‘wonen’ en ‘ruimte’ worden veel van de gestelde doelen jaarlijks behaald. Echter, uit de jaarverslagen blijkt ook dat sommige projecten in de praktijk minder goed lijken aan te sluiten bij de doelstellingen. Dit geldt bijvoorbeeld voor het ROW. Hoewel in het jaarverslag 2019 wordt geconstateerd dat deze opgave volbracht is, is niet expliciet gemaakt in hoeverre deze werkelijk heeft bijgedragen aan het realiseren van de doelstelling. Daarbij wordt vanuit de organisatie echter aangegeven dat voor het ROW bij de start een stichting een BV is opgericht. Deze kent een eigen jaarverslag dat meer inzicht geeft in de behaalde doelen.40 Met name voor de thema’s ‘economie’ en ‘voorzieningen en evenementen’ geldt dat de gestelde doelen in 2019 en 2020 maar beperkt behaald worden. Dit heeft er voor het thema ‘voorzieningen en evenementen’ mee te maken dat dit thema nog in de begin-/opstartfase zit. Hierop wordt in de jaarverslagen ook een toelichting gegeven.
Tevens is een aantal samenwerkingsprojecten niet gerealiseerd als gevolg van de verspreiding van het coronavirus.41 Voor het thema ‘economie’ geldt dat veel van de geplande activiteiten in 2020 naar een later moment in de planning zijn geschoven als gevolg van de impact van de coronapandemie. Wanneer een bepaald onderdeel van een doel niet behaald is, wordt niet altijd helder toegelicht waarom dit niet is gelukt. Zo is in het jaarprogramma voor het thema ‘wonen’ het doel ‘financiering van het verduurzamen en levensloopbestendig maken van de bestaande woningvoorraad’ niet behaald. Uit de tekstuele toelichting valt niet op te maken wat hiervan de oorzaak is noch wat het vervolgproces is.
4.3.2. Tussentijdse sturing Uit gesprekken blijkt dat de meerderheid van de respondenten in het geval van MRE van mening is dat tussentijdse bijsturing op de samenwerking niet regelmatig plaatsvindt. De betreffende gemeenten ervaren consequent een zekere afstand tot de uitvoering en hebben het gevoel dat zij weinig tussentijds kunnen sturen. In de jaarstukken worden per
39
MRE werkprogramma 2019.
40
SGE jaarverslag 2020.
41
SGE jaarverslag 2020.
36
thema de kosten en baten van dat thema op jaarbasis inzichtelijk gemaakt. Ook afwijking ten opzichte van de begroting worden helder toegelicht. Er wordt echter niet geëxpliciteerd wat er met de bijdrage per gemeente gebeurt om de doelen te realiseren. Doordat SGE informeler is georganiseerd en de uitvoering geheel door de gemeenten zelf wordt opgepakt, ervaren respondenten voldoende mogelijkheden om tussentijds bij te sturen. Omdat SGE geen eigen begroting heeft, wordt niet afzonderlijk voor SGE financieel verslag gedaan.
4.3.3. Kosten versus baten Uit gesprekken met de betrokken gemeenten blijkt dat betrokkenen onvoldoende zicht hebben op dan wel gevoel hebben bij de doelmatigheid van MRE. Oftewel: of de kosten in verhouding staan tot de baten. De baten betreffen vooral procesmatige zaken als het uitvoeren van onderzoek, het opstellen van een werkprogramma/plan van aanpak, het agenderen van een thema in een bepaald overleg of het faciliteren van afstemming. Dit past bij het schaalniveau en het strategische karakter van MRE maar maakt het lastig om in te schatten of de gemaakte kosten in verhouding staan tot de doelen. Tegelijkertijd geven betrokkenen aan dat, in vergelijking tot andere samenwerkingsverbanden, zij tevreden zijn over de behaalde resultaten ten opzichte van de kosten. Vrijwel alle respondenten geven aan dat MRE een belangrijke meerwaarde heeft als het gaat om de relatie met het Rijk en de provincie, als het gaat om Brainport én als het gaat om de uitstraling naar buiten toe: “Andere regio’s kijken met afgunst naar hoe het in onze regio is geregeld.” Onder een aantal respondenten speelt tevens het sentiment dat de kosten voor de organisatie zelf (circa € 3 miljoen op jaarbasis) relatief hoog zijn ten opzichte van de voor hen bestaande opdracht die vooral procesmatig van aard is.
Andere respondenten geven aan dat je voor een samenwerkingsverband van zo’n omvang en gelet op het belang van de thema’s die MRE uitvoert, dit bedrag ervoor over moet hebben. Door het procesmatige karakter van de opdracht is het moeilijk om de doelmatigheid scherp te bepalen. Door de betrokken gemeenten wordt niet gestructureerd gereflecteerd op de doelmatigheid van MRE samenwerking. Voor SGE geldt dat, hoewel het bij gebrek aan financiële uiteenzetting niet inzichtelijk is hoe het beperkte budget binnen SGE besteed wordt, de respondenten de investering ten opzichte van de resultaten over het algemeen positief beoordelen. Dit komt natuurlijk vooral doordat SGE zelf weinig kosten maakt en de gemeenten zelf direct bepalen hoeveel waarvoor wordt uitgegeven.
4.4. Samenvattend (toetsing op de normen) Aspect
Normen
Doelrealisatie
De uitvoering van de acties en projecten en de realisatie van de doelen en maatschappelijke opgaven worden op een navolgbare wijze gemonitord en periodiek besproken. Zo nodig vindt bijsturing op de samenwerking plaats. De vastgestelde acties en projecten worden uitgevoerd. Aantoonbaar is gemaakt dat met de acties en projecten de doelen en maatschappelijke opgaven worden gerealiseerd. Het is voor de betrokken gemeenten helder wat MRE en SGE voor hen verrichten in termen van te behalen doelen, en de relatie naar het budget dat door de gemeente is ingezet is helder.
37
De gerealiseerde kosten zijn evenredig met de doelrealisatie. Afwijkingen hiervan worden geëxpliciteerd en onderbouwd.
In deze paragraaf worden de bevindingen per hoofdstuk en per samenwerkingsverband getoetst aan de normen die zijn vastgesteld. Per norm wordt toegelicht of aan de vastgestelde norm geheel, gedeeltelijk of niet is voldaan. Norm 1. De uitvoering van de acties en projecten en de realisatie van de doelen en maatschappelijke opgaven worden op een navolgbare wijze gemonitord en periodiek besproken. Zo nodig vindt bijsturing op de samenwerking plaats. In het geval van MRE wordt de uitvoering van activiteiten en de realisatie van doelen structureel gemonitord. Niet altijd wordt in de jaarverslagen een expliciete koppeling gelegd met de oorspronkelijke werkprogramma’s. De bijsturingsmogelijkheden worden door de respondenten als beperkt ervaren. Het schaalniveau en de omvang van het samenwerkingsverband spelen hierbij een belangrijke rol. Daarmee wordt aan deze norm gedeeltelijk voldaan. In het geval van SGE worden de uitvoering en de realisatie structureel gemonitord. In de jaarverslagen wordt weergegeven in hoeverre de opgaven zijn gerealiseerd in relatie tot de jaarprogramma’s. Door de opzet van SGE ervaren de respondenten voldoende bijsturingsmogelijkheden. Daarmee wordt aan deze norm geheel voldaan. Norm 2. De vastgestelde acties en projecten worden uitgevoerd.
Voor zowel MRE als SGE geldt dat de acties en de projecten overwegend worden uitgevoerd of dat wordt aangegeven waarom ze niet of later zijn uitgevoerd. De afgelopen twee jaar speelde corona hierbij een belangrijke rol. De vraag is of met de acties en de projecten de opgaven worden gerealiseerd. Daarover gaat de volgende norm. Daarmee wordt aan deze norm voor zowel de MRE als het SGE geheel voldaan. Norm 3. Aantoonbaar is gemaakt dat met de acties en de projecten de doelen en de maatschappelijke opgaven worden gerealiseerd. Voor MRE geldt dat eerder al is geconstateerd dat de opgaven zich richten op het realiseren van maatschappelijke impact, bijvoorbeeld ten aanzien van het versterken van de basiseconomie en het creëren van een landelijk gebied dat leefbaar, uitnodigend, toekomstbestendig en economisch vitaal is. De rol die MRE vervult en de activiteiten van MRE zijn echter vooral procesmatig van aard. Dit zorgt voor een mismatch tussen het willen bereiken van maatschappelijke impact enerzijds en de procesmatige activiteiten die worden ontplooid anderzijds. Hierdoor kan MRE, bijna per definitie, niet de opgaven realiseren die zijn vastgesteld. Dit is een weeffout in het formuleren van de opgaven en de uitwerking daarvan in activiteiten. Dit leidt er wel toe dat niet aan deze norm is voldaan.
Hierbij moet worden opgemerkt dat de rol die de MRE vervult in relatie tot Brainport, door iedereen als een van de belangrijkste resultaten wordt benoemd en erkend. Erkend wordt dat Brainport in feite niet goed zou kunnen functioneren zonder MRE. Voor SGE geldt dat de activiteiten praktischer van aard zijn en het primaire werk betreffen van de deelnemende gemeenten op thema’s als ‘wonen’ en ‘economie’. Hierdoor is de link tussen activiteiten en opgaven eenvoudiger te leggen. Deze link wordt op onderdelen expliciet gemaakt, bijvoorbeeld voor het thema ‘wonen’ maar ook op een aantal onderdelen niet. Met name het thema ‘voorzieningen en evenementen’ loopt hierop wat achter. De invulling en positionering van het spoor ruimte is nog niet geheel uitgekristalliseerd. Daarmee wordt aan deze norm gedeeltelijk voldaan. Norm 4. Het is voor de betrokken gemeenten helder wat MRE en SGE voor hen verrichten in temen van te behalen doelen, en de relatie naar het budget dat door de gemeente is ingezet is helder. Voor MRE geldt dat transparant wordt gemaakt wat ze aan activiteiten ontplooid hebben en wat daarmee is bereikt. Niet altijd wordt gestructureerd en systematisch een link gelegd tussen wat is ondernomen en de vooraf bepaalde doelen en resultaten. Daarmee wordt aan deze norm gedeeltelijk voldaan.
38
Voor SGE geldt dat transparant wordt gemaakt wat ze aan activiteiten ontplooid hebben en wat daarmee is bereikt in relatie tot het oorspronkelijk beoogde resultaat. Door de opzet van SGE vindt een afzonderlijke verantwoording over de eigen ambtelijke inzet, gekoppeld aan de resultaten van SGE, niet plaats. Daarmee wordt aan deze norm gedeeltelijk voldaan. Norm 5. De gerealiseerde kosten zijn evenredig met de doelrealisatie. Afwijkingen hiervan worden geëxpliciteerd en onderbouwd. In het geval van MRE worden afwijkingen op de begroting helder aangegeven. De respondenten hebben echter onvoldoende zicht op dan wel gevoel bij de doelmatigheid van MRE. Oftewel: of de kosten in verhouding staan tot de baten. Hierbij spelen factoren een rol die eerder zijn benoemd: de mismatch tussen maatschappelijke impact willen realiseren en de procesmatige rol en activiteiten, de ervaren afstand tussen gemeenten en MRE, en de omvang van MRE. Kanttekeningen worden gezet bij de kosten voor de werkorganisatie in relatie tot de procesmatige rol die zij heeft, maar daarop wordt door de respondenten niet gestructureerd gereflecteerd. Daarmee wordt aan deze norm gedeeltelijk voldaan. Door de opzet van SGE geldt dat deze bijna geen eigen kosten heeft en dat de uitvoering van activiteiten door gemeenten zelf wordt gedaan.
De inzet die gemeenten plegen ten opzichte van de resultaten die worden geleverd, wordt door de respondenten als positief beoordeeld. De doelmatigheid van SGE is daarmee beperkt transparant vast te stellen. Hierbij speelt dat de opzet van SGE ervoor zorgt dat de samenwerking afhankelijk is van de feitelijke inbreng van de afzonderlijke gemeenten, wat kwetsbaar is, en voor gemeenschappelijk initiatieven moet ‘met de pet’ worden rondgegaan. Daarmee wordt aan deze norm gedeeltelijk voldaan.
39
5. Conclusies en aanbevelingen In dit hoofdstuk formuleren wij de conclusies van het onderzoek. Daarna formuleren wij aanbevelingen waarmee de condities voor een succesvolle samenwerking in MRE- en SGE-verband verder worden versterkt.
5.1. Conclusies Hoofdvraag: In hoeverre zijn de regionale samenwerkingsagenda’s in de MRE en het SGE doelmatig en doeltreffend in het licht van de maatschappelijke opgaven? Hoofdconclusie De doeltreffendheid en doelmatigheid laten een wisselend beeld zien. De verwachtingen ten aanzien van SGE matchen met wat SGE kan leveren en levert. Doordat gemeenten binnen SGE op een concreet niveau samenwerken met een beperkt aantal gemeenten, sluiten de SGE-activiteiten nauw aan op de eigen gemeentelijke agenda’s, wordt eigenaarschap getoond door de gemeenten en is de samenwerking gericht op het realiseren van concrete impact. De verwachtingen ten aanzien van MRE matchen beperkt met wat MRE kan leveren en levert. Doordat gemeenten binnen MRE op een strategisch niveau samenwerken met een groot aantal gemeenten, zijn de MRE-activiteiten procesmatig van aard, is de ervaren afstand tussen afzonderlijke gemeenten en het samenwerkingsverband groot, wordt beperkt eigenaarschap getoond door de gemeenten en is de samenwerking feitelijk gericht op het verbinden van gemeenten terwijl de vastgestelde ambities gericht zijn op het realiseren van maatschappelijke impact. In het hiernavolgende wordt de hoofdconclusie nader onderbouwd met deelconclusies. MRE De kracht van MRE ligt in het verbinden van de regio op strategisch niveau. Dit gebeurt bijvoorbeeld als het gaat om de energietransitie.
Ook vervult MRE een cruciale rol bij het samenbrengen en organiseren van de overheidspoot binnen Brainport. MRE zorgt ervoor dat Brainport inhoudelijk en financieel vanuit de gemeenten wordt gevoed en draagt daarmee bij aan de versterking en branding van Brainport. Daar waar het gaat om het realiseren van ambities (doeltreffendheid) constateren wij dat MRE doet wat is afgesproken, maar daarmee niet het beoogde doel of gewenste impact realiseert: ‘Het doel van onze samenwerking binnen de Metropoolregio Eindhoven is het handhaven en uitbouwen van het kenmerkende economische profiel van de regio, om op die manier het vestigings- en verblijfsklimaat voor onze inwoners en bedrijven te stimuleren. Het verbeteren van de leef-, verblijf- en werkomstandigheden van onze inwoners, bezoekers en bedrijven is daarbij de leidraad.’ Dat komt vooral omdat MRE met name bijdraagt aan het formuleren van gemeenschappelijke visies en strategieën en daar een procesmatige rol in vervult, terwijl de vastgestelde ambities zijn gericht op het realiseren van maatschappelijke impact. Er is sprake van een mismatch tussen het willen bereiken van maatschappelijke impact enerzijds en de procesmatige activiteiten die worden ontplooid anderzijds. Hierdoor komen bijna vanzelfsprekend verwachtingen niet overeen met de realiteit en is de doelmatigheid van de samenwerking moeilijk te bepalen.
40
Overigens is het deels verklaarbaar dat MRE niet overgaat tot concrete uitvoering en realisatie. De omvang van het samenwerkingsverband en de verschillen tussen de gemeenten en subregio’s zijn te groot om gezamenlijk tot concrete uitvoering en realisatie te komen. Van MRE kan daarom ook niet worden verlangd dat zij voor de gehele regio operationeel actief is en daarmee concreet impact realiseert. Ook constateren wij dat in het algemeen geldt dat in de jaarstukken van MRE niet per resultaat expliciet wordt aangegeven in hoeverre het resultaat overeenkomt met de geformuleerde acties uit de werkprogramma’s. Dit maakt dat het beperkt navolgbaar is in hoeverre alle geplande acties en projecten in het werkprogramma dat jaar ook werkelijk zijn gerealiseerd en dus in hoeverre de doelen per thema daadwerkelijk zijn gerealiseerd. Mede door de omvang van het samenwerkingsverband en de verschillen tussen regio’s voelen de afzonderlijke gemeenten zich beperkt eigenaar van MRE. Dit geldt zowel politiek, bestuurlijk als ambtelijk. Om dit te verbeteren wordt vooral gewezen op wat MRE anders of beter kan doen. Echter, MRE is als gemeenschappelijke regeling van de gemeenten niets zonder de gemeenten. In de gemeenschappelijke regeling zitten voldoende mogelijkheden om de koers en aanpak bij te sturen.
De gemeenten zelf zijn dan ook primair aan zet om verbeteringen door te voeren; gemeenten zijn eigenaar en moeten daar ook meer naar handelen. Op dit moment wordt MRE gezien als een apart orgaan in plaats van als verlengstuk van het lokaal openbaar bestuur. Daar komt bij dat MRE vooral wordt benaderd vanuit het eigen, gemeentelijke, belang en beperkt vanuit het gemeenschappelijke regiobelang. Oftewel, vooral lijkt gekeken te worden naar het in MRE-verband kunnen realiseren van eigen lokale belangen in plaats dat wordt gekeken hoe een gezamenlijk, gemeente overstijgend belang kan worden gerealiseerd. SGE De kracht van SGE zit in het tactisch en operationeel werken aan concrete projecten en producten die onderdeel uitmaken van het dagdagelijkse werk van de deelnemende gemeenten. De kleinere omvang van SGE en de directe betrokkenheid vanuit de deelnemende gemeenten maakt deze vorm van samenwerking mogelijk. SGE is een informele samenwerking en de daadwerkelijk uitvoering gebeurt door en vanuit de gemeentelijke organisaties. Het eigenaarschap is daarmee meer natuurlijk aanwezig. SGE doet wat is afgesproken en levert daarbij concrete bijdragen aan het realiseren van de beoogde opgaven. Twee aandachtspunten daarbij zijn het thema voorzieningen en evenementen en het spoor ruimte. Het eerste loopt wat achter als het gaat om concrete resultaten.
Dit heeft mede te maken met het feit dat voorzieningen en evenementen primair nog worden gezien als lokaal thema en de aandacht (nog) niet primair gericht is op het overschrijdende belang, mede als gevolg van aanverwante thema’s zoals mobiliteit. de invulling en positionering van het tweede, het thema ruimte, verdient verduidelijking. Wij constateren dat dit thema niet op alle fronten concreet is uitgewerkt en dat ook de samenhang met de thema’s van de MRE niet volledig in kaart zijn gebracht. De kwetsbaarheid van de informele samenwerking van SGE is dat knelpunten in de eigen organisatie, bijvoorbeeld wat betreft personele wisselingen of capaciteitsgebrek, doorwerken in de realisatie van gezamenlijke activiteiten. Op dit moment wordt dit onderling opgevangen en wordt zo nodig geëscaleerd naar het niveau van de gemeentesecretarissen. Zeker wanneer SGE meer moet gaan realiseren en uitvoeren, bijvoorbeeld op het vlak van woningbouw en energietransitie, maakt dit de samenwerking kwetsbaar. Ook hierbij geldt dat als er keuzes gemaakt moeten worden, bijvoorbeeld als het gaat om de inzet van capaciteit, de neiging is om het lokale belang boven het regionale belang te stellen. Afstemming tussen gemeenten, SGE en MRE De afstemming in de driehoek gemeenten, SGE en MRE moet primair verlopen via de gemeenten. Die zijn vertegenwoordigd en actief in beide samenwerkingsverbanden.
Deze afstemming vindt plaats, maar dit gebeurt niet gestructureerd en consistent. Afstemming is veelal afhankelijk van onderlinge relaties en personele unies. De
41
onderlinge dwarsverbanden worden niet systematisch afgestemd waardoor kansen worden gemist om elkaar te versterken en overlap te beperken. Voorbeelden hiervan zijn binnen de onderwerpen economie, werken en het daarmee samenhangende wonen. Ook als het gaat om mobiliteit, is de samenhang groot. Waar MRE zich bezighoudt met mobiliteitsoplossingen, houdt SGE zich bezig met aanverwante thema’s als werklocaties, voorzieningen en evenementen, en wonen. Bij aanvang van de metropoolregio zijn de opgaven inhoudelijk verdeeld. Daarbij is ook gekeken naar het meest passende schaalniveau om verschillende opgaven op te pakken. Echter, in de praktijk komen ook de opgaven die elders belegd zijn weer in beeld bij de subregio (en vice versa) door snelle economische ontwikkeling en regionale interactie. Voor het thema RES - verantwoordelijkheid van MRE - wordt bijvoorbeeld ook gewerkt met subregio’s, waaronder SGE. Aanbevelingen Berenschot MRE In 2017 heeft Berenschot de MRE geëvalueerd. Zij heeft daarbij aanbevelingen gedaan met betrekking tot het scherper bepalen van ambities en doelen, het uitplaatsen van RHCe en Gulbergen, het meer verantwoordelijkheid nemen voor de uitvoering van de regionale agenda en het verduidelijken van de rol van de Raadstafel 21. Wij constateren dat met een aantal aanbevelingen actief aan de slag is gegaan.
Zo zien we dat er meer focus is aangebracht in de thema’s waar MRE voor staat. Ook is aandacht besteed aan de informatievoorziening richting de raden. Wij zien echter dat op een aantal punten de aanbevelingen nog onvoldoende zijn geïmplementeerd. Zo is het gevoel van eigenaarschap bij de gemeenten nog steeds onvoldoende aanwezig en is de rol van de Raadstafel niet voor iedereen duidelijk. Heel duidelijk is ook dat Gulbergen en RHCe niet buiten MRE zijn geplaatst. Aanbevelingen Berenschot SGE De aanbevelingen van Berenschot richten zich enerzijds op de versterking van de publieke waarde en legitimiteit en anderzijds op de versterking van de organisatie. Onder de eerste categorie vallen aanbevelingen als het doorgaan met bestaande thema’s en het oppakken van andere thema’s, het opstellen van een overkoepelende agenda, het versterken van de positie van de raad en het vergroten van het mandaat van de portefeuillehouders. Onder de tweede categorie vallen aanbevelingen als het versterken van de capaciteit vanuit de gemeenten, het versterken van de rolinvulling van het bestuurlijk platform, het verminderen van de kwetsbaarheid van het secretariaat en het verduidelijken van de verdeling van rol en verantwoordelijkheden tussen (de sub regio) het SGE en de Metropoolregio. Wij constateren dat het SGE op een aantal aanbevelingen actie heeft ondernomen.
Zo is de verdeling van thema’s met de MRE verbeterd, heeft het SGE additionele thema’s opgepakt en is er een samenwerkingsagenda opgesteld. Op andere fronten hebben de aanbevelingen niet geleid tot acties, bijvoorbeeld als het gaat om de governance en mandaten binnen het SGE. Maar ook niet als het gaat om de kwetsbaarheid van het secretariaat of de capaciteit van de gemeenten. Overigens hebben wij als het gaat om de governance van het SGE geconstateerd dat de huidige wijze van werken bijdraagt aan het gevoel van eigenaarschap en daarmee ook voordelen heeft.
5.2. Aanbevelingen Het samenspel tussen gemeenten, SGE (als subregio) en MRE en daarmee de doeltreffendheid en doelmatigheid van SGE en MRE kan worden verbeterd door de kracht van elk samenwerkingsverband meer te benutten en dat in betere onderlinge afstemming te doen. Dit betekent dat gemeenten in MRE-verband zich vooral richten op het verbinden op strategisch niveau, bijvoorbeeld ter versterking van Brainport en door gemeenschappelijke visiebepaling. Dat gemeenten in een subregio zich vooral richten op het uitwerken van visies in uitvoeringspogramma’s en concrete uitvoering. Hoe nu wordt gewerkt aan de energietransitie biedt daarvoor een goede start. Op regionaal niveau is door MRE gewerkt aan de RES. Na vaststelling dient deze te worden uitgewerkt en uitgevoerd. Dat kan het beste door de
42
gemeenten worden opgepakt binnen de subregio’s. In MRE-verband worden afspraken gemaakt over aspecten die de subregio’s overstijgen. In het hiernavolgende formuleren wij een zestal aanbevelingen waarmee dit samenspel kan worden gerealiseerd. Bij de aanbevelingen die aanpassing behoeven in de MRE-samenwerking, geldt als kanttekening dat voor het kunnen implementeren van de aanbevelingen de medewerking van de andere MRE-gemeenten nodig is. 1.
Vraag als raad aan het college de ambities en doelen van MRE aan te passen zodat deze beter aansluiten op de procesmatige rol op strategisch niveau. Behoud daarbij sowieso de verbindende functie van MRE ten behoeve van de versterking en branding van Brainport. Het is van belang om voor aansluiting te zorgen tussen de ambities en doelen van MRE en de activiteiten die zij uitvoert. Op deze manier wordt duidelijker waar MRE voor staat en wat van de samenwerking binnen MRE mag worden verwacht. Hierbij kan MRE goed aansluiten bij de kracht van MRE, namelijk verbinden op strategisch niveau, het bevorderen van afstemming op vraagstukken voor de grotere regio en de overheidspoot organiseren binnen en ten behoeve van Brainport. Deze aanscherping van de ambities en doelen biedt ruimte om dat wat goed is, nog sterker te maken. Bijvoorbeeld door de betrokkenheid van de gemeenten bij en de inzet vanuit de gemeenten ten behoeve van Brainport verder te verstevigen.
2.
Vraag als raad aan het college te komen tot een andere verdeling van werkzaamheden tussen MRE, SGE en gemeenten. Met SGE en MRE heb je drie niveaus van overheden: gemeente, subregio en regio. Op dit moment worden opgaven thematisch verdeeld over de verschillende niveaus. SGE houdt zich bijvoorbeeld bezig met woningbouw en MRE met mobiliteit. Die verdeling past niet meer bij de manier waarop opgaven met elkaar zijn verweven. Mobiliteit en energietransitie hangen sterk samen met de ontwikkeling van werklocaties en vice versa. De banengroei is potentieel groot en biedt kansen voor inwoners binnen de hele regio. De hele regio is tegelijkertijd nodig om voldoende woningen te bouwen om in die behoefte te voorzien. Vanwege deze verwevenheid tussen opgaven ligt het meer voor de hand te kiezen voor een verdeling naar rollen. Zo kan MRE zich richten op visiebepaling, afstemming en verbinding, bijvoorbeeld door het organiseren van de overhedenpoot binnen Brainport (strategie). Opgaven kunnen vervolgens verder worden uitgewerkt en uitgevoerd door de subregio’s zoals SGE (tactiek en operatie). Dit sluit ook goed aan op de constatering dat MRE, mede vanwege haar schaal, onvoldoende in staat is om invulling te geven aan uitvoering en realisatie van ambities.
Door realisatie en uitvoering te beleggen bij subregio ’s kun je in MRE-verband afspraken maken dat de ene subregio op regionaal niveau vooral de ene opgave trekt, zoals transitie landelijk gebied, en de andere subregio vooral een andere opgave, zoals woningbouw. Op deze wijze wordt aansluiting gezocht bij lokale opgaven en belangen, wat zal bijdragen aan het commitment vanuit gemeenten. Concreet houdt deze aanbeveling in dat er tot een andere verdeling van rollen en activiteiten wordt gekomen.
3.
Vraag als raad aan het college een deel van de capaciteit op MRE-niveau in te zetten om de subregio’s te versterken. Aansluitend op de voorgaande aanbevelingen zal met meer focus in de ambitie en rol van MRE ruimte ontstaan binnen de werkorganisatie van MRE om de subregio’s te faciliteren en versterken om de samenwerking en uitvoeringskracht op dat niveau verder te ontwikkelen. De subregio’s staan zelf aan de lat voor het daadwerkelijk laten slagen van de samenwerking en het realiseren van de opgaven. Dit laat onverlet dat de deelnemende gemeenten, net als nu voor SGE, zelf toegewezen capaciteit moeten vrijspelen om daadwerkelijk gezamenlijk opgaven op regionaal niveau uit te werken en uit te voeren. Het wel of niet realiseren van concrete resultaten ligt niet bij MRE, andere subregio’s of andere gemeenten; dit is een verantwoordelijkheid van de gemeenten in die subregio zelf. Met de ondersteunende capaciteit worden de subregio’s wel meer gefaciliteerd.
43
4.
Denk en handel als raad en college regionaal. Of nu wel of niet wordt gekozen voor de bovenstaande aanpassingen van de governance en organisatie van de regionale samenwerking, buiten kijf staat dat deze samenwerking alleen kan slagen als gemeenten er zelf bewust voor kiezen en bereid zijn te denken en handelen vanuit en ten behoeve van een gemeenschappelijk regionaal belang. Dit vraagt van de deelnemende gemeenten om waar nodig het regionale belang voor het lokale belang te laten gaan en dit vraagt niet alleen de goede gesprekken op het niveau van de regio, maar ook met de eigen raden. Dit vraagt verder dat het regionale belang helder is en dat concreter wordt gemaakt hoe activiteiten bijdragen aan het regionale belang én wat het de individuele gemeenten oplevert. Hierin is een taak weggelegd voor besturen, werkorganisatie en betrokken medewerkers. In dit verband is het ook goed te benadrukken dat gemeenten eigenaar van de samenwerkingsverbanden zijn. Het zijn geen op zichzelf staande entiteiten. Gemeenten hebben voldoende instrumenten om sturing te geven aan deze samenwerking. Het is van belang dat deze rol ook zodanig wordt gevoeld en ingevuld. Als in de samenwerking iets niet goed loopt, of juist als er successen moeten worden gevierd, is het aan de gemeenten om dat zelf op te pakken.
(Of de situatie accepteren zoals die is.) Dit is niet zozeer een aanbeveling als wel een oproep.
5.
Vraag als raad aan het college RHCe en Gulbergen buiten de MRE te plaatsen of besluit expliciet dat dat niet meer nodig is. Hiermee wordt vervolg gegeven aan de aanbeveling aan het advies van Berenschot en daaropvolgende besluitvorming. Wij zijn het eens met de bevinding van Berenschot dat deze taken afleiden van de inhoudelijke opgaven van MRE. Als hierover op dit moment politiek-bestuurlijk anders wordt gedacht, is daarover expliciete besluitvorming nodig zodat duidelijk is wat de positie van RHCe en Gulbergen zijn binnen de samenwerking.
6.
Vraag als raad aan het college om in samenwerking met de andere colleges aan te geven hoe de aanbevelingen worden geïmplementeerd en na een jaar de stand van zaken van de implementatie voor de raad inzichtelijk te maken. Tot slot is het van belang dat de raad zicht heeft op de wijze waarop de aanbevelingen worden opgevolgd en op de feitelijke implementatie van de aanbevelingen.
44
Bijlagen Bijlage 1. MRE Samenwerkingsakkoord 2019-2022 Economie
Mobiliteit
Energietransitie
Transitie Landelijk Gebied
1. Het verbinden van de
1. (Inter)nationale
1. Het formuleren en opstellen van een
1. Het creëren van een landelijk gebied
gemeentelijke en
connectiviteit met
Regionale Energiestrategie (RES) met
dat leefbaar, uitnodigend, toekomst-
bovenlokale
economische centra.
uitvoeringsprogramma, rechtstreeks
bestendig en economisch vitaal is zodat
economische agenda’s
voortvloeiend uit de afspraken in het
het bijdraagt aan het concurrerende
met de Brainport-
Klimaatakkoord.
vestigingsklimaat van Brainport.
agenda. 2. Bevorderen van kennis
2. Bereikbaarheid in de
2. Op basis van de RES komen tot
2. Zorg voor samenhang tussen het
en innovatie via het
dagelijkse omgeving
uitvoering. Dit betekent ondersteuning
landelijk en het stedelijk gebied.
Stimuleringsfonds.
door meerdere
en opschaling van initiatieven in de
vervoersvormen.
productie van (grootschalige) duurzame energie, versnelling van de verduurzaming van de gebouwde omgeving (woningen, utiliteitsbouw en bedrijfspanden), en het verkrijgen van draagvlak voor gedrag en maatregelen. De Metropoolregio Eindhoven biedt hierbij ondersteuning aan de gemeenten door het verbinden van partijen, de lobby bij Rijk en provincie voor financiering, ruimte in wet- en regelgeving, en uitwisseling van kennis. Gemeenten staan uiteraard zelf aan de lat voor de uitvoering van de RES binnen hun eigen gemeente.
3. Versterken van de
3. Leefbaarheid,
3. Het komen tot testomgevingen voor
3. Het opstellen van een regionaal
basiseconomie; het
verkeersveiligheid en
innovatieve concepten voor de op-
streefbeeld van het toekomstig landelijk
signaleren en verkennen
duurzaamheid.
wekking van duurzame energie, door
gebied vanuit de Integrale Strategie
van mogelijke
het verbinden van partijen als Brainport
Ruimte.
opkomende kansen en
Development, kennisinstellingen,
opgaven en het doen
bedrijven en individuele gemeenten als
van voorstellen voor hoe
launching customer. Daarnaast zorgen
deze op te pakken
we voor een effectieve lobby en kennisdeling. 4. Stimuleren slimme
4. Het vanuit de rol van de overheid
mobiliteit in de regio.
versnellen van de transitie van de agrarische sector.
45
Economie
Mobiliteit
Energietransitie
Transitie Landelijk Gebied
5. Verbinding thema
5. Het omarmen en mogelijk maken van
mobiliteit met thema’s
succesvolle innovatieve verdienmodellen
economie, energie-
voor economisch duurzame functies en
transitie en transitie
dragers die tevens de landschappelijke
landelijk gebied.
kwaliteiten versterken.
6. Verbinding logistiek
6. De grote opgaven als emissiereductie,
met Regionale
energietransitie en het voedselvraag-
Bereikbaarheids-agenda
stuk aanpakken met innovatieve technieken en de aanwezige kennis en vaardigheden. 7. Effectieve interventies om een groot deel van de € 200 miljoen van het Rijk voor de warme sanering van de varkenshouderijsector in onze regio te laten landen.
46
Bijlage 2. SGE Samenwerkingsagenda 2018-2025 Actieprogramma
Opgave
Acties op hoofdlijnen
Economie
Het bieden van randvoorwaarden in de domeinen ‘basics’ en
A.
Steviger participeren in Brainport Eindhoven
‘people’ in de Brainport Next Generation strategie. Waar opgaven
B.
Regionaal Ontwikkelfonds Werklocaties
het niveau van de gemeenten in het SGE overstijgen, wordt
(ROW)
samengewerkt op daartoe geëigende schaalniveaus met bijbe-
C.
Kwaliteitsslag werklocaties
horende verbanden. In SGE werken we aan een aanbod van werk-
D.
Doorontwikkeling 1-Loket
locaties met een kwaliteit die past bij onze ambities en we blijven
E.
Verbeteren ondernemersklimaat voor
daarom gezamenlijk bedrijven faciliteren om zich in onze regio op
(startende) ondernemers
de beste locatie te vestigen. Daarnaast zien we het als onze rol om
F.
Verbinden arbeidsmarktregio’s
bepaalde zaken die niet in Brainport Next Generation zijn geregeld,
G.
Grondprijssystematiek
H.
Bestuursopdracht: acties voor de korte
zoals onze onderlinge samenwerking ten aanzien van de arbeidsmarkt, maar die wel belangrijk zijn voor ons vestigingsklimaat, gezamenlijk op te pakken en te verbeteren. Wonen
In samenwerking met de corporaties en andere partners in de regio faciliteren we de groei, sluiten we aan bij de uiteenlopende
termijn
kwaliteiten in de regio en zorgen we ervoor dat er voldoende
I.
Een gezamenlijke visie op Wonen voor SGE
betaalbare woningen beschikbaar zijn. Daarbij houden we rekening
J.
Gezamenlijke programmeringsafspraken
met demografische ontwikkelingen en bouwen we minimaal voor
voor SGE
de eigen lokale behoefte, waarmee de autonome groei kan worden
K.
Samenwerking met partners
opgevangen. We stemmen programmatisch de woningbouw-
L.
Woonruimteverdeling
productie af, vanuit een gezamenlijke visie op Wonen in SGE.
M. Monitoren en kennisontwikkeling
Voorzieningen en
We realiseren gezamenlijk, als waren we één gemeente, een
N. Inventarisatie huidig aanbod regionale en
evenementen
blijvend en kwalitatief hoogstaand regionaal voorzieningen- en evenementenaanbod van sport, cultuur en recreatie. Daarbij gaan
topvoorzieningen O. Gezamenlijke toekomststrategie regionale
we niet uit van gemeentegrenzen maar stellen we patronen en
en topvoorzieningen en evenementen
behoeften van onze regio (daily urban system) voorop. Daardoor
P.
neemt de kwaliteit toe én zijn we in staat om zoveel mogelijk
Q. Regionale profilering voorzieningen en
voorzieningen voor iedereen bereikbaar te maken. Het ijkpunt is niet de gemeentegrens maar het maatschappelijk nut en het
evenementen R.
bereik. Ruimte
De al bestaande verbinding van SGE met Brainport City heeft tot
Ondersteuning lobby naar Den Haag en lokale triple-helix-partners
S.
dusverre onvoldoende vorm en inhoud gekregen. Daar willen wij verandering in brengen. De bestaande visie en het uitvoerings-
Gezamenlijke prioritering inzet middelen
Verrijken gebiedsvisie en uitvoeringsprogramma Brainport City
T.
Poho Ruimte als platform voor afstemming
programma Brainport City worden daartoe uitgebreid en verrijkt met bovenlokale opgaven uit het gehele stedelijk gebied en wordt in alle negen gemeenten bestuurlijk verankerd.
47
Bijlage 3. Voorbeeld MRE Overzicht kosten en baten
48
Bijlage 4. Overzicht van geïnterviewden •
Strategisch adviseur, Eindhoven
•
Beleidsadviseur Wonen, Nuenen
•
Dhr. H. Ubachs (Burgemeester, Best)
•
Strategisch adviseur Eindhoven en Secretaris SGE
•
Waarnemend Burgemeester, Waalre
•
Secretaris-directeur MRE
•
Teammanager Ruimte, SGE & Beleidscoördinator Ruimtelijke Ontwikkeling, Veldhoven
•
Wethouder o.a. Economie, Duurzaamheid, Financiën en Sport, Nuenen
•
Dhr. J. Jorritsma Burgemeester, Eindhoven
•
Dhr. J. van Bree Burgemeester, Geldrop-Mierlo
•
Strategisch adviseur, Waalre
•
Strategisch adviseur, Eindhoven
•
Strategisch adviseur, Eindhoven
•
Dhr. M. Houben Burgemeester, Nuenen
•
Dhr. M. Jeucken Wethouder o.a. Economie, Wonen, Ruimtelijke ordening en WMO, Geldrop-Mierlo
•
Dhr. M. van Schuppen Wethouder o.a. Ruimtelijke Ontwikkeling, Woonbeleid en Vergunningen, Best
•
Adviseur Planning & Control, Veldhoven
•
Strategisch adviseur, Son en Breugel
•
Strategisch adviseur, Nuenen
•
Gemeentesecretaris, Nuenen
•
Strategisch adviseur, Veldhoven
•
Concernstrateeg, Geldrop-Mierlo
•
Mevr. M. List-de Roos Wethouder Mobiliteit, Cultuur en Design, Binnenstad en Citymarketing, Eindhoven
•
Gemeentesecretaris, Geldrop-Mierlo
•
Juridisch beleidsmedewerker, Son en Breugel
•
Procesmanager regionale samenwerking, Eindhoven
•
Bestuurssecretaris, Stichting Brainport en Brainport Development
•
Bestuursadviseur, Best
49