21072.13 - Bijlage 5.3 - Nota van Beantwoording PlanMER. Duurzame opwekking
Tekst van het document
Dit gebeurt door het aantal hindergevoelige objecten (in het plan-MER aangeduid met woningen) binnen 500 meter en 1000 meter van de voorbeeldlijnopstelling te tellen. Het plan-MER gaat daarbij uit van hindergevoelige objecten die op grond van de wet geluidshinder als geluidsgevoelig worden aangemerkt. De keuze om alleen aan te sluiten bij de wet geluidshinder is juridisch gezien te beperkt. Ook de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en de norm goede ruimtelijke ordening brengen met zich mee dat ook voor andere hindergevoelige objecten en/of terreinen voldoende afstand moet worden gehouden wil na de realisatie van grootschalige opwek van windenergie nog sprake zijn van een aanvaardbaar leef- woon- werk- en (verblijfs)recreatieklimaat. Hindergevoelige functies spelen hierbij een belangrijke rol. Een belangrijk voorbeeld hiervan zijn (verblijfs)recreatie gebouwen en terreinen. Ondanks dat het plan-MER de gevolgen voor (verblijfs)recreatiebestemmingen bij het bredere thema economie bespreekt, hadden deze gevolgen ook bij het thema leefomgeving moeten worden besproken. Het plan-MER dient te worden aangepast.
62
De provincie en de MRE stellen zich op het standpunt dat de effectbeoordeling voor het thema leefomgeving op dit regionale detailniveau voldoende is beschouwd zonder daarbij (verblijfs)recreatiebestemmingen te betrekken. De voorgestelde aanpassing heeft geen invloed op de regionaal te maken keuzes in de RES 1.0. Voor concrete projecten geldt natuurlijk wel dat de effecten op (verblijfs)recreatiebestemmingen in beeld moeten worden gebracht, en dat sprake moet zijn van een goede ruimtelijke ordening.
Nee
Daarnaast wordt in het plan-MER het aantal geluidsgevoelige objecten binnen 500 meter respectievelijk 1000 meter gedeeld door de verwachte energieproductie. Volgens het plan- MER wordt hierdoor een relatieve beoordeling toegepast, waarbij locaties die meer energie opwekken beter scoren dan locaties die minder energie opwekken bij een gelijke hoeveelheid nabijgelegen woningen. Het plan-MER beoogt bij de sectorale toelichting - geluid (paragraaf 6.4.2) te verantwoorden waarom de genoemde vuistregelafstanden van 500-meter en 1000-meter een goed beeld geven van de invloed die windturbines op de leefomgeving hebben. In deze paragraaf wordt beschreven dat er veel onderzoeken zijn gedaan naar relaties tussen hinderbeleving en blootstelling aan geluidsniveaus (zogenaamde dosiseffectrelaties) welke volgens het plan-MER aan de basis van de geluidswetgeving in Nederland liggen. Vervolgens wordt in paragraaf 6.4.2.1 van het plan-MER het geluidstoetsingskader uit het Activiteitenbesluit milieubeheer besproken. De in het Activiteitenbesluit milieubeheer vervatte normen van 47 dBLden en 41 dBLnight, moeten volgens het Plan-MER in de regel worden aangehouden. Het plan-MER vermeldt vervolgens dat vanwege bijzondere lokale omstandigheden door het bevoegde gezag andere waardes mogen worden vastgesteld. Met in de vorige zinnen besproken normen wordt het omgevingslawaai uitgedrukt.
Bij deze normen wordt ervan uitgegaan dat geluid 's-avonds en 's-nachts als storender wordt ervaren. Vervolgens geldt volgens het plan- MER dat op een afstand van ca. 400 meter aan de norm wordt voldaan (en dat dat niet wil zeggen dat op grotere afstand windturbines niet langer hoorbaar zijn). In paragraaf 6.4.2.2 van het plan-MER wordt ter illustratie een voorbeeldtekening (figuur 24) van de geluidsnormen uitgewerkt en besproken, waarbij wordt uitgegaan van drie windturbines met een onderlinge afstand van 600 meter, met een ashoogte van 150 meter en een rotordiameter van 150 meter. Wat aan de tekening van figuur 24 opvalt, is dat niet een vuistregelafstand van 400 meter is ingetekend, maar alleen de vuistregelafstanden 500 meter en 1000 meter. De tekening maakt duidelijk dat een afstand van ca. 400 meter erg krap is en dus veelal onvoldoende zal zijn om aan de geluidsnormen van 47 dBLden en 41 dBLnight te voldoen. Bovendien volgt uit de tekening dat overlast zeker niet ophoudt op de grens van 47 dBLden, maar dat op ca. 850 meter de windturbines ook nog 42 dBLden aan geluid produceren. Hieruit blijkt dat ook op deze afstand nog sprake is van een grote mate van geluidsoverlast.
63
Er is in Nederland geen wettelijk bepaalde minimumafstand vastgelegd van windturbines tot woningen. In plaats daarvan zijn er milieunormen die de geluid- en slagschaduweffecten maximeren. Deze normen zijn niet bedoeld om alle hinder te voorkomen, maar zijn een belangenafweging tussen het beperken van hinder enerzijds en het mogelijk maken van opwek van duurzame energie anderzijds. De geluidsnormen, die medebepalend zijn voor de afstand tussen geluidsgevoelige bebouwing en de windmolens, garanderen niet dat omwonenden geen enkele hinder ondervinden. De normen hebben als gevolg dat windturbines niet heel dicht bij woningen geplaatst kunnen worden. Als vuistregelafstand wordt vaak gewerkt met 300-500 meter. Er is geen reden om aan te nemen dat gevaar voor de volksgezondheid op kan treden indien voldaan wordt aan de geldende milieunormen voor geluid, slagschaduw en veiligheid. De plaatsing van windturbines moet voldoen aan de Nederlandse normen omtrent geluid, ongeacht de afstand.
Nee
In het planMER is 400 meter aangehouden als minimumafstand tot geluidsgevoelige objecten. Daarmee wordt dus aangesloten bij de stelling van indiener.
Nee
Effecten op grotere afstand dan de normgrens zijn inderdaad niet uitgesloten; dat is nu juist de reden dat ook het aantal woningen binnen de vuistregelafstand van 1000 meter als beoordelingscriterium is opgenomen.
Daarenboven wordt bij de normen genoemd in het plan-RES geen rekening gehouden met (verblijfs)recreatiebestemmingen en terreinen. Dit had wel moeten gebeuren omdat ook op (verblijfs)recreatieterreinen de overlast groot kan zijn. Indien er een groep van bijvoorbeeld 60 personen verblijft in een gebouw voor verblijfsrecreatie of in tenten, dan ondervinden ook deze mensen de geluidsoverlast van windturbines. In gebieden met verblijfsrecreatie doen zich net als in gebieden met woonkernen hogere concentraties van verblijvenden voor, waardoor er ook in deze gebieden relatief veel mensen zijn die de overlast van windturbines zullen ervaren. Bovendien brengen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en de eisen van goede ruimtelijke ordening met zich dat er ten aanzien van (verblijfs)recreatieterreinen een zodanige afstand moet worden aangehouden dat er sprake blijft van een acceptabel leef- woonen (verblijfs)recreatieklimaat. Hieruit volgt dat ten aanzien van (verblijfs)recreatiegebouwen en (verblijfs)recreatieterreinen de normen van 47 dBLden en 41 dBLnight onvoldoende zullen zijn. In de directe nabijheid van de indicatieve windparkopstelling binnen zoekgebied 2, 2-1, zijn maar liefst drie (verblijfs)recreatieondememers actief. Op grond van dit gegeven zullen de normen van het Activiteitenbesluit niet voldoen om voldoende bescherming te bieden tegen geluidsoverlast.
Bij het thema leefomgeving had het plan-MER ook met deze omstandigheid voldoende rekening moeten houden. Het plan-MER dient op dit punt dan ook gewijzigd te worden. Verder is de afwezigheid van andere geluidsbronnen in een gebied rond een geplande windparklocatie van belang, omdat in deze gebieden het laagfrequente geluid dat windturbines veroorzaken als extra storend zal worden ervaren. Ook met dit gegeven had het plan-MER rekening moeten houden bij de effectenbeoordeling van het thema leefomgeving. Niettegenstaande het voorgaande, bieden de Nederlandse geluidsnormen die worden gehanteerd om geluidsoverlast van windturbines te voorkomen in vergelijking met in andere landen gehanteerde normen weinig bescherming tegen geluidsoverlast. Bovendien wordt in Nederland onterecht uitgegaan van een gemiddelde en niet van maximale geluidspieken. In verhouding met het buitenland wordt slechts een beperkte afstand aangehouden om geluidsoverlast te voorkomen. Zo geldt bijvoorbeeld in Denemarken voor laagfrequent geluid
64
De provincie en de MRE stellen zich op het standpunt dat de effectbeoordeling voor het thema leefomgeving op dit regionale detailniveau voldoende is beschouwd zonder daarbij (verblijfs)recreatiebestemmingen te betrekken. De voorgestelde aanpassing heeft geen invloed op de regionaal te maken keuzes in de RES 1.0. Voor concrete projecten geldt natuurlijk wel dat de effecten op (verblijfs)recreatiebestemmingen in beeld moeten worden gebracht, en dat sprake moet zijn van een goede ruimtelijke ordening. Er is geen onderbouwing gegeven voor de stelling dat laagfrequent geluid van windturbines in gebieden met weinig andere geluidsbronnen tot grotere hinder zal leiden. Daarnaast valt een dergelijke (gebiedsspecifieke) beschouwing van windturbinegeluid buiten het detailniveau van dit planMER. Een beschouwing van de Nederlandse milieunormen (al dan niet in vergelijking met soortgelijke normen in het buitenland) valt buiten de reikwijdte van dit planMER.
Nee
een maximale geluidsnorm van 20 dB binnenshuis. In de Duitse deelstaat Beieren wordt een afstandsnorm van 10x de tiphoogte aangehouden. In de rest van Duitsland wordt 1000 meter van woningen aangehouden. In Frankrijk wordt tot woningen een afstand van 1500 meter aangehouden. In het Verenigd Koninkrijk wordt een afstand van 1 tot 1,5 mijl (1609 tot 2414 meter) gehanteerd. Een extra kritische benadering van de in Nederland gehanteerde normen is dan ook op zijn plaats. In paragraaf 6.4.2.3 van het plan-MER worden ander geluidsbronnen besproken. Hierbij wordt niet ingegaan op mogelijk geluid van windturbines die in een aangrenzende RES-regio gerealiseerd zouden kunnen worden. In de nabijheid van de indicatieve windparkopstelling 21 wil buurgemeente Meierijstad ook een windpark realiseren. Met de mogelijke cumulatie van geluid van dit windpark dient rekening te worden gehouden in het plan-MER. Ook op dit punt dient de plan-MER te worden gewijzigd. In paragraaf 6.4.2.4 van het plan-MER wordt nader ingegaan op de gevolgen van laagfrequent geluid en gezondheid. In tegenstelling tot wat in paragraaf 6.4.2.4 van het plan-MER wordt beweerd, bieden de Nederlandse geluidsnormen van 47 dBLden en 41 dBLnight onvoldoende bescherming tegen het laagfrequente geluid van windturbines.
In diverse onderzoeken wordt door wetenschappers en deskundigen vastgesteld dat de Nederlandse geluidsnormen onvoldoende zijn en dat de normen onvoldoende bescherming bieden tegen het laagfrequente geluid veroorzaakt door windturbines. Bij de Nederlandse geluidsnorm wordt met een gemiddelde geluidsbelasting op de gevel gewerkt. Dit heeft tot gevolg dat indien het hard waait of stormt de piek van geluid veel hoger is dan de norm van 47 dBLden en 41 dBLnight.
Niet alle omliggende RES-regio’s hebben reeds zoekgebieden aangewezen. Waar bekend zullen zoekgebieden van naastgelegen regio’s in de effectbeoordeling worden betrokken.
Ja
De geluidnormen zijn opgenomen in artikel 3.14a. Hierin is vastgelegd dat een of meer windmolens op de gevel van geluidsgevoelige bebouwing (bijvoorbeeld woningen) moeten voldoen aan de norm van ten hoogste 47 dB Lden en aan de norm van ten hoogste 41 dB Lnight. In de Nederlandse wetgeving wordt uitgegaan van gemiddelden. In de praktijk komt de 47 dB Lden norm op een gemiddelde geluidbelasting van 41 dB, de geluidsbelasting op een woning waar precies voldaan wordt aan de norm zal als de windmolen draait (circa. 95% van de tijd) variëren tussen de 38 en 46 dB. Dit heeft te maken met het feit dat in de Lden-methodiek ‘strafdecibellen’ worden toegevoegd aan windturbinegeluid in de avond (+5 dB) en de nacht (+10 dB). De daadwerkelijke geluidsbelasting komt dus niet overeen met de Lden-waarden.
Nee
De plaatsing van windturbines moet voldoen aan de Nederlandse normen omtrent geluid, ongeacht de afstand. De Nederlandse normering voor geluid is streng en beschermt voldoende tegen hinder van windturbines, inclusief laagfrequent geluid. Er is geen reden om aan te nemen dat gevaar voor de volksgezondheid op kan treden indien voldaan wordt aan de geldende milieunormen voor geluid. Onlangs is aan de relatie tussen geluidsoverlast van windturbines en gezondheid door het VPRO radioprogramma Argos en het AVROTROS televisieprogramma EenVandaag uitgebreid aandacht besteed. Ook kwam dit recent nog
65
De provincie en Bosch & van Rijn zijn bekend met de uitspraken van Jan de Laat. Echter willen we wel wijzen op het recente RIVM-onderzoek uit oktober 2020.
Nee
ter sprake bij het KRONCRV radioprogramma Pointer. In het radioprogramma Argos wordt door deskundigen gesteld dat mensen die in de buurt van windturbines wonen veelvuldig kampen met slaapproblemen en dat mensen die reeds hartklachten hebben een grotere kans hebben op een beroerte en/of een hartinfarct. Hartklachten kunnen aldus het radioprogramma verergeren onder invloed van langdurige blootstelling aan laagfrequent (brom)geluid. Het radioprogramma Argos baseert zich onder andere op onderzoek van klinisch fysicus en audioloog Jan de Laat. In dit kader kan ook gewezen worden op een artikel van huisarts Van Manen in Medisch Contact. Door audioloog De Laat wordt voorgesteld om een geluidsnorm van maximaal 35 dBLden op de gevel in te voeren (zonder piekoverschrijding) of een afstandsnorm tussen hindergevoelige objecten en windturbines van 10x de tiphoogte. Naast de genoemde vuistregelafstanden van 500 meter en 1000 meter zou gezien de hierboven genoemde onderzoeken in het plan-MER ook een vuistregelafstand van 1500 meter moeten worden opgenomen. Volgens de hierboven genoemde onderzoeken ervaren mensen tot een norm van ongeveer 35 dBLden ernstige hinder bestaande in (hoorbare en onhoorbare) geluidsoverlast veroorzaakt door windturbines. Het hanteren van een norm van 35dbLden komt ongeveer overeen met het hanteren van de vuistregelafstand van 1500 meter.
Om een goed beeld te geven van de geluidsoverlast door windturbines dient in figuur 24 in paragraaf 6.4.2.2 dan ook tevens de geluidscontour van 35 dBLden te worden ingetekend. Door ook een vuistregelafstand van 1500 meter te hanteren, wordt er een veel realistischere analyse gemaakt van de te verwachten effecten van geluidshinder.
Verder blijkt uit recente ontwikkelingen binnen het Europees recht dat de normen die moeten beschermen tegen geluidsoverlast zoals die zijn vervat in het Activiteitenbesluit milieubeheer niet langer toereikend zijn. Uit de aanpassing van Richtlijn 2002/49/EG door Richtlijn 2020/367/EU volgt dat de wetenschap-
66
Uit het rapport uit 2020 blijkt dat het RIVM geen aanbevelingen doet voor windturbinegeluid. Waar het onderzoek voor weg- rail- en vliegverkeer sterke aanbevelingen doet is dat bij windturbines, wegens gebrek aan bewijs, niet het geval. Tevens is het goed om kennis te nemen van het artikel van het RIVM: ‘Health effects related to wind turbine sound, including low-frequency sound and infrasound’ uit 2018. Hierin wordt onder meer gesteld dat er geen bewijs is dat laagfrequent geluid en infrageluid specifieke effecten hebben, en dat gezondheidseffecten eerder gerelateerd zijn aan ergernis dan aan daadwerkelijke blootstelling. Wel kan er hinder ondervonden worden. Dit staat echter niet gelijk aan effecten op de gezondheid. Er is in Nederland geen wettelijk bepaalde minimumafstand vastgelegd van windturbines tot woningen. In plaats daarvan zijn er milieunormen die de geluid- en slagschaduweffecten maximeren. Deze normen zijn niet bedoeld om alle hinder te voorkomen, maar zijn een belangenafweging tussen het beperken van hinder enerzijds en het mogelijk maken van opwek van duurzame energie anderzijds. Deze normen hebben als gevolg dat windturbines niet heel dicht bij woningen geplaatst kunnen worden. Als vuistregelafstand wordt vaak gewerkt met 300-500 meter.
Er is geen reden om aan te nemen dat gevaar voor de volksgezondheid op kan treden indien voldaan wordt aan de geldende milieunormen voor geluid, slagschaduw en veiligheid.
Hoewel het planMER de milieunormen gebruikt als hulpmiddel bij het bepalen van effectklassen is er geen directe relatie tussen het Activiteitenbesluit en het planMER. De normen uit het Activiteitenbesluit maken ook geen onderdeel uit van hetgeen in het planMER ter inzage heeft gelegen. Concrete initiatieven zullen moeten voldoen aan dan geldende milieukaders. De provincie en de MRE
Nee
pelijke onderzoeken, zoals bijvoorbeeld het onderzoek van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) voortaan maatgevend zijn voor het vaststellen van de normen ter bescherming tegen geluidshinder. Bovendien blijkt uit de Richtlijn 2011/92/EU (de milieueffectbeoordelingsrichtlijn) dat de beoordeling bij MER onderzoeken onder milieueffecten uitdrukkelijk ook wordt begrepen de effecten op de menselijke gezondheid. Hierdoor is het zeer waarschijnlijk dat de Nederlandse normen die bescherming moeten bieden tegen onaanvaardbare geluidshinder moeten worden aangepast om aan de bevindingen in wetenschappelijke studies, zoals de voornoemde studie van de WHO, te kunnen voldoen. Wat betreft gezondheidsklachten gaat het bovendien niet alleen over hoorbaar laagfrequent geluid maar ook over niet hoorbaar laagfrequent geluid. Geluid boven de 20 Herz is voor mensen hoorbaar. Het laagfrequente geluid onder de 20 Herz is voor mensen niet hoorbaar maar wel voelbaar door middel van trillingen. Deze trillingen worden ook wel ultrasoon geluid genoemd. Ook van dit ultrasoon geluid kunnen mensen veel last hebben, zodat beide soorten laagfrequent geluid (hoorbaar en niet hoorbaar) schadelijk zijn voor de gezondheid. Het plan-MER dient naast hoorbaar laagfrequent geluid ook onderzoek te doen naar de effecten van niet hoorbaar laagfrequent geluid veroorzaakt door windturbines.
Het plan-MER dient te worden aangepast. In paragraaf 6.4.3 van het plan-MER wordt een sectorale toelichting met betrekking tot slagschaduw gegeven. Naast geluidsoverlast leiden windturbines ook tot overlast door slagschaduw. Stilstandvoorzieningen kunnen anders dan wordt beweerd op pagina 67 van het plan-MER wel degelijk invloed hebben op de rentabiliteit van een windparkproject. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn indien niet alleen vanwege hindergevoelige objecten een stilstandvoorziening dient te worden aangehouden, maar ook wegens hindergevoelige (verblijfs)recreatieterreinen of wegens aantasting van ecologische waarden zoals een stilstandvoorziening voor vogels of vleermuizen. Een cumulatie van stilstandvoorzieningen is in een dergelijk geval ook goed denkbaar, met alle gevolgen van dien voor de rentabiliteit. In paragraaf 6.4.5 van het plan-MER wordt een sectorale toelichting gegeven over externe veiligheid en windturbines. Onterecht wordt hier de conclusie getrokken dat het bij het plan-MER niet zinvol is om de externe veiligheid in beeld te brengen en als beoordelingscriterium als subthema externe veiligheid op te nemen. Bovendien wordt met betrekking
67
stellen zich op het standpunt dat het planMER waardevolle informatie bevat ten dienste van de totstandkoming van de RES 1.0.
De plaatsing van windturbines moet voldoen aan de Nederlandse normen omtrent geluid, ongeacht de afstand. De Nederlandse normering voor geluid is streng en beschermt voldoende tegen hinder van windturbines, inclusief laagfrequent en ultrasoon geluid. Er is geen reden om aan te nemen dat gevaar voor de volksgezondheid op kan treden indien voldaan wordt aan de geldende milieunormen voor geluid.
Nee
Er is geen sprake van stilstand om slagschaduw op ecologische waarden te voorkomen. De stelling uit het planMER ten aanzien van de rentabiliteit en stilstand door slagschaduw is een algemene uitspraak. Er kunnen lokaal situaties optreden waar deze stelling niet opgaat. Dat is eigen aan het detailniveau van dit regionale planMER.
Nee
De provincie en de MRE stellen zich op het standpunt dat het planMER voldoende (milieu)informatie bevat om op regionaal niveau beleidskeuzes te maken en een RES 1.0 vast te stellen. In de wetenschap dat voor concrete projecten altijd nog locatiespecifiek onderzoek moet plaatsvinden (waaronder voor externe veiligheid) achten zij het niet nodig om externe-veiligheidsberekeningen uit te voeren in deze planMERfase
Nee
tot de externe veiligheid in het plan-MER onterecht geen koppeling gemaakt met (verblijfs)recreatiegebouwen en terreinen waar zich een groot aantal mensen kunnen bevinden. Hier had het plan-MER aandacht aan moeten besteden, het plan-MER moet dan ook op dit punt worden gewijzigd. Zoals hierboven al aan de orde kwam, zijn er in de directe nabijheid van de indicatief ingetekende windparkopstelling 2-1 drie (verblijfs)recreatieondernemers actief. Bij deze ondernemingen zijn regelmatig grote groepen aanwezig (o.a. bij Groepsaccommodatie de Strohalm zijn bijvoorbeeld zeer regelmatig 60 personen aanwezig), wat gevolgen heeft voor de geldende eisen van externe veiligheid. Naast geluidsoverlast en slagschaduw is er bovendien ook meer overlast en/of schade te verwachten waar het plan-MER rekening mee moet houden, zoals onder andere horizonvervuiling, lichtvervuiling door waarschuwingslichten op de windturbines, elektromagnetische straling van kabels en elektriciteitshuisjes (dirty energy), verstoring van ethersignalen en/of straalverbindingen en waardevermindering van rond een indicatieve windparklocatie gelegen onroerend goed.
Bovendien kan realisatie van een windprak in de buurt van een (verbijfs)recreatie onderneming aanleiding geven tot een sterke omzetdaling bij deze ondernemingen doordat als gevolg van de overlast die de windturbines zullen veroorzaken, veel minder mensen zullen verblijven bij deze (verblijfs)recreatieondernemingen. In paragraaf 6.4.6 van het plan-MER wordt de effectenbeoordeling Leefomgeving besproken. Bij de beoordelingsschaal genoemd in tabel 15 wordt ten aanzien van het aantal gevoelige objecten binnen 500 meter van een windparklocatie, geconcludeerd dat indien zich minder dan 10 gevoelige objecten binnen 500 meter van een windparklocatie bevinden, er een neutraal effect te verwachten is. Er zou zich aldus volgens het plan-MER een situatie voordoet die niet afwijkt van de referentiesituatie. De referentiesituatie is de situatie waarin de grootschalige opwek van windenergie niet zou worden gerealiseerd. De gekozen schaal geeft geen goed beeld van de overlast en/of schade die wordt geleden indien zich binnen 500 meter minder dan 10 gevoelige objecten bevinden. Voor omwonenden van de minder dan 10 gevoelige objecten zijn de gevolgen groot en is het niet juist om te spreken van een neutraal effect of een situatie die niet afwijkt van de referentiesituatie. De schaalindeling moet dan ook worden aangepast om recht te doen aan de te verwachten overlast en/of schade.
Alleen indien het aantal gevoelige objecten kleiner is dan 1 gevoelig object ^ 1 gevoelige objecten) moet geconcludeerd worden tot een neutraal effect (grijs,
68
De provincie en de MRE zijn van mening dat onderzoek naar de genoemde aanvullende effecten niet past bij het detailniveau van dit regionale planMER. Het effect op de landschappelijke beleving (horizonvervuiling) is opgenomen onder het milieuthema Landschap.
Het is niet zo dat een score ‘0’ per definitie betekent dat er geen effect optreedt. Doel van de beoordeling op deze wijze is om een zinvolle vergelijking tussen de zoekgebieden mogelijk te maken. Door de intensiteit van effecten in te delen in de categorieën ‘0’, ‘-‘ en ‘- -‘ is deze vergelijking goed mogelijk. Het punt over het meenemen van (verblijfs)recreatiegebouwen in de beoordeling voor ‘Leefomgeving’ is eerder in deze reactie beantwoord.
Nee
0). Alleen zo kan een realistisch beeld worden geschetst van de gevolgen voor het milieuthema leefomgeving. Verder dient de schaalindeling zo aangepast te worden dat een licht negatief effect (geel,-) wordt toegekend aan 1 tot 20 gevoelige objecten (» 1 tot 20 gevoelige objecten) binnen 500 meter van een indicatieve windparklocatie. Een negatief effect (oranje, --) moet worden toegekend indien zich 20 of meer gevoelige objecten (»20 gevoelige objecten) binnen 500 meter van een windparklocatie bevinden. Bovendien dienen in het plan-MER bij de effectenbeoordeling wind thema leefomgeving ook (verblijfs)recreatiegebouwen en terreinen en andere hindergevoelige objecten en terreinen als gevoelig object te worden aangemerkt. Op deze manier wordt een beter en completer beeld geschetst van de (geluids)overlast van windturbines op de leefomgeving. Ook de schaalindeling is wat betreft aantal gevoelige objecten binnen 1000 meter van een windparklocatie te grofmazig. Pas indien zich 100 of meer gevoelige objecten binnen 1000 meter van een indicatieve windparklocatie bevinden, wordt in het plan-MER geconcludeerd dat sprake is van een licht negatief effect (geel, -). Deze grens moet worden verlaagd tot 20 of meer gevoelige objecten, waarbij de categorie licht effect (geel, -) moet worden toegekend aan 20 tot 150 gevoelige objecten (» 20 tot 150 gevoelige objecten).
Dientengevolge moet binnen 1000 meter slechts tot een neutraal effect (grijs, 0) worden geconcludeerd indien zich minder dan 20 gevoelige objecten ^ 20 gevoelige objecten) binnen 1000 meter van een windparklocatie bevinden. Indien zich 150 of meer gevoelige objecten binnen 1000 meter bevinden, moet worden geconcludeerd tot een negatief effect (oranje, --) (» 150 gevoelige objecten). Het plan-MER dient te worden aangepast. Daarenboven wordt gezien de gezondheidsgevolgen die windturbines hebben, zoals hierboven besproken, door verschillende deskundigen voorgesteld om 1500 meter afstand van een windparklocatie te houden. In het plan-MER zou ook een vuistregelafstand van 1500 meter aangehouden moeten worden. Alleen zo kan een realistischer beeld worden geschetst van de te verwachten overlast die gevolgen kunnen hebben voor de gezondheid van omwonenden. Hierdoor moet bij het thema leefomgeving ook het aantal gevoelige objecten binnen 1500 meter worden beoordeeld. De volgende beoordelingscriteria moeten hierbij worden gehanteerd. Een licht effect negatief effect (geel, -) moet
69
De provincie en de MRE stellen zich op het standpunt dat de beoordelingswijze voor het thema Leefomgeving voor windenergie voldoende informatie biedt voor een weloverwogen beleidskeuze in de RES 1.0 en delen de mening van indiener niet.
Nee
worden toegekend indien zich 150 tot 250 gevoelige objecten binnen 1500 meter (» 150 tot 250 gevoelige objecten) van een indicatieve windparklocatie bevinden. Dientengevolge zou binnen 1500 meter slechts tot een neutraal effect (grijs, 0) moeten worden geconcludeerd indien zich minder dan 150 gevoelige objecten ^ 150 gevoelige objecten) binnen 1500 meter van een indicatieve windparklocatie bevinden. Indien zich 250 of meer gevoelige objecten binnen 1500 meter van een indicatieve windparklocatie bevinden, moet worden geconcludeerd tot een negatief effect (oranje, --) (» 250 gevoelige objecten). Het planMER dient te worden aangepast. Wat betreft het onderzoek naar cumulatie van geluid wegens andere geluidsbronnen is de afstand van 1 kilometer te klein. De afstand moet tot 2 kilometer worden verhoogd. Ook op dit punt dient de plan-MER te worden aangepast, omdat alleen zo een realistischer inzicht wordt gegeven in de mogelijke cumulatie van geluidsbronnen. Wat meteen opvalt, is dat in het plan-MER wordt geconcludeerd dat de toekomstwaarde niet behoeft te worden beoordeeld, omdat de invloed van windparken op de toekomstwaarde gering zou zijn, doordat het om een tijdelijke ontwikkeling zou gaan waardoor de toekomstwaarde geen onderscheidende rol zou spelen bij de beoordeling van windenergie. Het plan-MER dient hier gewijzigd te worden.
Ook naar de effecten voor de toekomstwaarde dient het planMER onderzoek te doen. Als er windparken komen, worden deze windparken in beginsel voor 25 jaar geëxploiteerd. Met als gevolg dat de omgeving van het windpark 25 jaar lang met ingrijpende gevolgen wordt geconfronteerd. Dag in, dag uit. Voor veel omwonenden en ondernemingen is een periode van 25 jaar erg lang en niet tijdelijk van aard. Voor bijvoorbeeld (verblijfs)recreatieondernemers in de buurt van een windpark betekent dit dat het voorbestaan van deze ondernemingen 25 jaar lang ernstig wordt bedreigd. Daarnaast worden ook de uitbreidingen en/of intensiveringen van bestaande (verblijfs)recreatieondernemingen en de mogelijkheden voor oprichting van nieuwe ondernemingen voor verblijfsrecreatie in de omgeving van het windpark gedurende 25 jaar ernstig geschaad. Bovendien worden ook andere hindergevoelige functies en activiteiten gedurende 25 jaar verstoord. Hierdoor wordt de toekomstwaarde van gebieden waar windmolens worden gerealiseerd, ernstig aangetast. De gevolgen voor de toekomstwaarde dienen daarom wel degelijk te worden onderzocht in het plan-MER. Het plan-MER dient dan ook gewijzigd te worden.
70
Cumulatie van geluid treedt op als er zich meerdere geluidsbronnen in elkaars omgeving (en nabij de waarnemer) bevinden. Een afstand van 2 kilometer is niet meer te beschouwen als ‘in elkaars omgeving’ en leidt niet tot een waardevol onderscheid tussen verschillende locaties op dit onderwerp.
Nee
De toekomstwaarde is onderdeel van de ‘Ruimtelijke kwaliteit’ waarbij er op een grotere schaal wordt gekeken dan vanaf individuele waarnemers. Op die schaal vinden de provincie en de MRE het verdedigbaar om te stellen dat de toekomstwaarde van het landschap niet wordt aangetast door tijdelijke (d.w.z. 25 jaar) ontwikkelingen, mits de locatie na afloop weer in de originele staat wordt hersteld.
Nee
Wat betreft gebruikswaarde wordt in het plan-MER in de eerste plaats beoordeeld of een windpark zichtbaar is in een gebied waar dat niet gewenst is wegens de manier waarop een gebied wordt gebruikt. Aansluiting wordt daarbij gezocht bij gebieden die veel worden 'gebruikt', zoals stedelijke of recreatiegebieden (wegens esthetische of recreatieve waarden). Windturbines van moderne omvang (dat wil zeggen met een tiphoogte van ongeveer 225 meter) zijn goed zichtbaar vanaf enkele kilometers afstand. Anders dan in het plan-MER wordt geconstateerd, had bij de belevingswaarde ook rekening moeten worden gehouden met mogelijke lichtvervuiling door waarschuwingslichten van windturbines. Het plan-MER moet zo worden aangepast dat de effecten van lichtvervuiling een volwaardige plaats krijgen binnen de analyse van de belevingswaarde. Verder wordt wat betreft wenselijkheid van de zichtbaarheid van windturbines in het plan-MER (voornamelijk) gekeken naar een straal van 2 kilometer rondom woongebieden, heidegebieden en veenrestant-gebieden. Ook recreatiegebieden en gebieden met (verblijfs)recreatiebestemmingen hadden moeten worden toegevoegd aan de gebieden waar zichtbaarheid van windparken ongewenst is. Ook dit zijn immers gebieden met recreatieve waarden. Op dit punt dient het plan-MER dan ook te worden aangepast.
De te verwachten effecten op de herkomstwaarde worden volgens het planMER beoordeeld aan de hand van het antwoord op de vraag of een windparklocatie is gelegen in de nabijheid van cultuurhistorisch waardevolle complexen, landschappen en gebieden, zoals gedefinieerd door de provincie Noord-Brabant. Ten aanzien van cultuurhistorisch waardevolle complexen wordt uitgegaan van een straal van 500 meter tussen indicatieve winparklocaties en deze complexen. Vervolgens is in het plan-MER naar Cultuurhistorisch waardevolle gebieden (CHW-gebieden) gekeken. Onderscheid wordt door het plan-MER daarbij gemaakt tussen cultuurhistorisch waardevolle gebieden (CHW-gebieden) en cultuurhistorische landschappen (CHW-landschappen). Het uitgangspunt daarbij is het beschermen van cultuurhistorische kernwaarden. Per kernwaarde wordt in het plan-MER bekeken of deze kernwaarde door de komst van een of meerdere windparken bedreigd kan worden. Kan sprake zijn van een bedreiging, dan is een negatieve score (oranje, -- (sterk negatief effect)) toegekend. Zoals hierna nog aan de orde komt, wijkt deze beoordeling zowel wat betreft aantal onderzochte kernwaarden, als de mate waarin met aantasting van deze kernwaarden rekening wordt gehouden, erg af van de beoordeling van de
71
De beoordeling is gedaan op het detailniveau passend bij het planMER. Lichtvervuiling is derhalve niet meegenomen, mede omdat het op het detailniveau niet duidelijk is in hoeverre licht al aanwezig is in de omgeving en dus als storende factor kan worden ervaren. Daarnaast zijn er momenteel ontwikkelingen gaande rondom radarsystemen op windturbines die ervoor kunnen zorgen dat het licht alleen aan staan wanneer dit echt nodig is (bij naderende laagvliegende vliegtuigen). Bij onderzoek op projectniveau dient dit nader te worden bekeken.
Nee
De beoordeling is gedaan op het detailniveau passend bij het planMER. Een beoordeling ten aanzien van (verblijfs) recreatiebestemmingen zijn derhalve niet meegenomen.
Nee
Ter kennisname.
Nee
belevingswaarden van andere landschappen zonder cultuurhistorische waarden. Kernwaarden die van belang worden geacht binnen CHW-gebieden, worden besproken in paragraaf 6.5.7 van het plan-MER. Bovendien wordt bij de herkomstwaarde in het plan-MER ook gekeken naar het effect van zichtbaarheid van windturbines op cultuurhistorische gebieden en landschappen. Als effectafstand wordt 2 kilometer aangehouden. Bevindt een windparklocatie zich binnen 2 kilometer van CHW-gebieden en CHW-landschappen, dan wordt dit als licht negatief beoordeeld (geel, - (beperkt merkbaar negatief effect)). De te verwachten effecten voor de belevingswaarde worden besproken in paragraaf 6.5.5 van het plan-MER. Beoordeling vindt plaats aan de hand van aansluiting op de landschappelijke structuur, aansluiting bij de landschappelijke karakteristiek en de herkenbaarheid van een windpark. Dit alles resulteert in drie categorieën, te weten: Effect op belevingswaarde: aansluiting op landschappelijke structuren, effecten op belevingswaarde: aansluiting op landschappelijke karakteristiek, en effect op belevingswaarde: herkenbaarheid van de opstelling van een windpark. Deze categorieën worden apart beoordeeld. Vervolgens worden de resultaten opgeteld en weergegeven in tabel 25 onder de kop Effect op belevingswaarde.
Effect op belevingswaarde: aansluiting op landschappelijke structuren Wat betreft structuren wordt aangegeven dat deze op verschillende niveaus kunnen worden bekeken. Windparken zullen kleine structuren veelal overtreffen, waardoor volgens het plan-MER alleen op macroniveau verbinding kan worden gelegd tussen landschappelijke structuren en windparken. Het plan-MER richt zich aldus vooral op het macroniveau. Een windpark kan negatieve landschappelijke effecten opleveren, wanneer de beleving van de structuur minder herkenbaar is of wordt verstoord door een windpark. Het beoordelingscriterium aansluiting op landschappelijke structuren, wordt beoordeeld aan de hand van de locatie van het windpark ten opzichte van de landschappelijke structuren op macroniveau. Beoordeling vindt plaats aan de hand van het antwoord op de vraag: vindt interventie tussen het windpark en de landschappelijke structuren plaats en hoe groot is de invloed van het windpark op deze structuren? Wat betreft de indicatieve windparkopstelling in zoekgebied 2 geldt dat de indicatief ingetekende lijnopstelling sterk afwijkt van de
72
Het beoordelingscriterium ‘Effect op belevingswaarde: Beleving van windturbines als opstelling en t.o.v. de aansluiting op landschappelijke structuren en karakteristiek’ wordt beoordeeld aan de hand van drie beoordelingsaspecten: - Aansluiting op de landschappelijke structuur - Aansluiting op de landschappelijke karakteristiek - Herkenbaarheid van de opstelling van een windpark Elk van deze beoordelingsaspecten zijn beoordeeld en de gemiddelde beoordeling vormt de eindbeoordeling zoals opgenomen in tabel 25 van paragraaf 6.8. Lijnopstelling 2-1 heeft daarom een gemiddelde score van ‘licht negatief’ ( - ) toegekend gekregen.
Nee
lijnrichting die de N279 I Zuid-Willemsvaart volgt (macrostructuur) ten opzichte van de windparklocatie. De richting die de indicatief ingetekende lijnopstelling 2-1. volgt staat hier zelfs haaks op. Hierdoor dient de beoordeling negatief (oranje, -- (sterk merkbaar negatief effect)) te worden toegekend. In het plan-MER is de categorie Effect op belevingswaarde: aansluiting op landschappelijke structuren, als zodanig niet in tabel 25 van paragraaf 6.8 opgenomen. Hierdoor wordt niet duidelijk of en in hoeverre de effectbeoordeling van deze subcategorie van de belevingswaarde meeweegt bij het eindoordeel ten aanzien van het effect op de belevingswaarde. Dit kan niet de bedoeling zijn en het plan-MER moet dan ook zo worden aangepast dat de beoordeling van de categorie belevingswaarde: aansluiting op landschappelijke structuren ook apart als effectbeoordeling wordt vermeld. Bovendien moet zoals gezegd bij zoekgebied 2 deze effectbeoordeling als negatief (oranje, -- (sterk merkbaar negatief effect)) worden vermeld. Effect op belevingswaarde: aansluiting op de landschappelijke karakteristiek Bij aansluiting op landschappelijke karakteristiek wordt in het plan-MER gekeken naar de invloed van windturbines op de kernkwaliteiten van het landschap. In tabel 20 worden de kernkwaliteiten van de verschillende in het plan-MER onderscheidde landschapstypen besproken.
Opvallend is dat bij de beoordeling van de belevingswaarde van CHW-gebieden en CHW-landschappen, aandacht wordt besteed aan een grote variëteit aan kernwaarden (zie paragraaf 6.5.7 plan-MER), terwijl ten aanzien van de in het plan-MER onderscheidde landschapstypen slechts enkele kernwaarden worden onderzocht (zie paragraaf 6.5.5.2 tabel 20) en meegenomen in de effectenbeoordeling wat betreft belevingswaarde. Aandacht voor verglijkbare kernwaarden of kernkwaliteiten bij andere landschappen, dan landschappen met cultuurhistorische waarden, is ook erg van belang. Ook verschillende gebieden rondom indicatief aangewezen windparklocaties kunnen immers diverse kernkwaliteiten hebben. Het planMER dient op dit punt met alle in een zoekgebieden voorkomende kernkwaliteiten rekening te houden. Alleen zodoende ontstaat er een evenwichtigere analyse van de kernkwaliteiten. Wat verder opvalt, is dat erg de nadruk wordt gelegd op een landschapstype. De vraag die in dit kader wordt beoordeeld, luidt: in welk landschapstype is het windpark gesitueerd en in hoeverre worden kernkwaliteiten van dit landschapstype daardoor aangetast? In tabel 21 is de beoordelingsschaal te vinden.
73
Het beoordelingscriterium ‘Effect op belevingswaarde: Beleving van windturbines als opstelling en t.o.v. de aansluiting op landschappelijke structuren en karakteristiek’ wordt beoordeeld aan de hand van drie beoordelingsaspecten: - Aansluiting op de landschappelijke structuur - Aansluiting op de landschappelijke karakteristiek - Herkenbaarheid van de opstelling van een windpark Elk van deze beoordelingsaspecten zijn beoordeeld en de gemiddelde beoordeling vormt de eindbeoordeling zoals opgenomen in tabel 25 van paragraaf 6.8.
Nee
De beoordeling is gedaan op het detailniveau passend bij het planMER. Voor de beoordeling van het beoordelingscriterium ‘Effect op belevingswaarde: aansluiting op de landschappelijke karakteristiek Bij aansluiting op landschappelijke karakteristiek’ is daarom naar kernkwaliteiten op hoofdlijnen gekeken. De kernwaarden bij de beoordeling in paragraaf 6.5.7 zijn een verdiepende beoordeling ten aanzien van de cultuurhistorische waarden. De gebieden met deze waarden zijn namelijk beschermd vanuit de Interim Omgevingsverordering van NoordBrabant. De exercitie betreft een ‘verdieping’ en is aldaar niet meegenomen bij de effectbeoordeling of draagkrachtberekening, maar vormt een aanvullende aanbeveling voor het vervolgtraject.
Nee
Ter kennisname.
Nee
Wat met betrekking tot de windparklocatie 2-1 in zoekgebied 2 opvalt, is dat geen of onvoldoende rekening wordt gehouden met het feit dat het windpark weliswaar strikt genomen in het jonge zandontginningenlandschap valt, maar dat de windparklocatie slechts op ca. 75 meter van het Mariahoutse bos en ca. 400 meter van het bos van 't Lijnt I 't Geregt (Meierijstad) is gelegen. Windpark 2-1 heeft daarmee ook een grote invloed op de belevingswaarde van het omringende boslandschap. Bovendien dient er ook aandacht te zijn voor specifieke kernwaarden van het landschap in de nabijheid van windparklocatie 2-1, zoals de openheid, rust en ruimte, de houtwallen, boomrijen, gefixeerd stuifzand, struweel, (water)lopen, de karakteristieke zandwegen en in zijn algemeenheid de schoonheid van de omgeving met daarin duidelijke contrasten en diversiteit. Aangezien aantasting van de kernkwaliteiten en de belevingswaarde van het boslandschap als negatief wordt aangemerkt, dient ook voor windparklocatie 21 de belevingswaarde: aansluiting op landschappelijke karakteristiek negatief (oranje, -- (sterk merkbaar negatief effect)) te worden beoordeeld, omdat de windparkopstelling zeer dicht bij het boslandschap is gelegen.
Bovendien worden ook specifieke kernwaarden van het landschap rond windparklocatie 2-1 ernstig bedreigd, waardoor ook op grond van deze aantasting bij zoekgebied 2 geconcludeerd moet worden tot een negatief effect (oranje,-- (sterk merkbaar negatief effect)). In het plan-MER is de categorie Effect op belevingswaarde: aansluiting op de landschappelijke karakteristiek, als zodanig niet in tabel 25 van paragraaf 6.8 opgenomen. Hierdoor wordt niet duidelijk of en in hoeverre de effectbeoordeling van deze subcategorie van de belevingswaarde meeweegt bij het eindoordeel ten aanzien van het effect op de belevingswaarde. Dit kan niet de bedoeling zijn en het plan-MER moet dan ook zo worden aangepast dat de beoordeling van de categorie Effect op belevingswaarde: aansluiting op de landschappelijke karakteristiek ook apart als effectbeoordeling wordt vermeld. Bovendien moet zoals gezegd bij zoekgebied 2 deze effectbeoordeling als negatief (oranje, -- (sterk merkbaar negatief effect)) worden aangemerkt. Onder herkenbaarheid van de opstelling van het windpark wordt nagegaan of de individueel geplaatste windturbines en het cluster (het windpark) als zodanig herkenbaar zijn. Perspectief van de waarnemer van het windpark is hierbij mede van belang.
Volgens het planMER kan een lichte knik of vervorming in een lijn, een negatieve invloed hebben op de leesbaarheid en herkenbaarheid van een windpark. Bij deze 'leesbaarheid' of 'herkenbaarheid' is het aldus het plan-
74
De beoordeling is gedaan op het detailniveau passend bij het planMER. De beoordeling ten aanzien van ‘Aansluiting op de landschappelijke karakteristiek’ is daarom gekeken naar de kernwaarden van de landschapstypen. Windturbines zijn landschap overstijgend. Echter past het niet bij het detailniveau van het planMER om elke windparklocatie, vanuit alle landschapstype dat deze zichtbaar is, te beoordelen. Nader onderzoek op projectniveau dient te worden uitgevoerd om hier invulling aan te geven.
Nee
De beoordeling is gedaan op het detailniveau passend bij het planMER. De beoordeling ten aanzien van ‘Aansluiting op de landschappelijke karakteristiek’ is daarom gekeken naar de kernwaarden van de landschapstypen. Windturbines zijn landschap overstijgend. Echter past het niet bij het detailniveau van het planMER om elke windparklocatie, vanuit alle landschapstype dat deze zichtbaar is, te beoordelen. Nader onderzoek op projectniveau dient te worden uitgevoerd om hier invulling aan te geven.
Nee
Het beoordelingscriterium ‘Effect op belevingswaarde: Beleving van windturbines als opstelling en t.o.v. de aansluiting op landschappelijke structuren en karakteristiek’ wordt beoordeeld aan de hand van drie beoordelingsaspecten: - Aansluiting op de landschappelijke structuur - Aansluiting op de landschappelijke karakteristiek - Herkenbaarheid van de opstelling van een windpark Elk van deze beoordelingsaspecten zijn beoordeeld en de gemiddelde beoordeling vormt de eindbeoordeling zoals opgenomen in tabel 25 van paragraaf 6.8.
Nee
De beoordeling is gedaan op het detailniveau passend bij het planMER. De beoordeling ten aanzien van de ‘Herkenbaarheid van de opstelling van een windpark’ is daarom gekeken naar de lijnopstelling van windturbines. Windturbines zijn landschap overstijgend en de meeste landschappelijke elementen hebben geen tot weinig effect op de herkenbaarheid ervan. Het past niet bij het detail-
Nee
MER belangrijk het perspectief van de waarnemer ten opzichte van de windturbineopstelling mee te nemen. Omdat aldus het plan-MER zodoende een inschatting kan worden gemaakt van een vergroot perspectief beeld dat als gevolg van de leesbaarheid I herkenbaarheid van en windparkopstelling op kan treden ten opzichte van andere elementen in het landschap. De vraag die bij dit beoordelingscriterium wordt gesteld is: vormen de windturbines binnen een windpark gezamenlijk een duidelijke lijn of cluster en is deze lijn of cluster ook herkenbaar vanuit verschillende waarnemingspunten? Deze vraag wordt beantwoord door middel van het beoordelingsschema genoemd in tabel 22 variërend van negatief en licht negatief tot neutraal. Bij de indicatieve windparkopstelling 2-1 in zoekgebied 2 wordt ongeveer een rechte lijn gevolgd. Deze ongeveer rechte lijn wordt echter op twee plaatsen doorsneden door onder andere bomenrijen, wegen en een (water)loop. Ook lijkt deze windparkopstelling vanuit bepaalde waarnemingspunten te worden doorsneden door het Mariahoutse bos. Hierdoor zal windparkopstelling 2-1 niet vanuit alle waarnemingspunten worden ervaren als een herkenbare rechte lijn in het landschap.
Blijkens de beoordelingsschaal genoemd in tabel 22 van het plan-MER moet dit leiden tot de conclusie dat er bij de indicatief ingetekende windparkopstelling 2-1 sprake is van een licht negatief effect (geel -, (merkbaar negatief effect)). In dit verband is het ook nog van belang op te merken dat een MER tot doel heeft de effecten ten opzichte van de referentiesituatie in beeld te brengen. Gezien dit gegeven, kan terecht de vraag worden gesteld in hoeverre het de bedoeling I wenselijk is dat de effecten die bestaan in de "herkenbaarheid van de opstelling van een windpark'' ook worden meegewogen om de effecten op de belevingswaarde van een zoekgebied voor een windpark vast te stellen. De 'herkenbaarheid' I 'leesbaarheid' van een mogelijke windparkopstelling speelt immers pas nadat een windpark is gerealiseerd en kan mitsdien niet als een kernwaarde worden gezien van een gebied voordat een windpark is gerealiseerd. Het kan dan ook niet worden gebruikt om uitdrukking te geven aan de kwaliteiten van een gebied zoals het nu is. Er kan dan ook goed verdedigd worden dat deze categorie van de kernkwaliteit belevingswaarde: Effect op belevingswaarde: herkenbaarheid van de opstelling van een windpark moet worden geschrapt uit het plan-MER, omdat het geheel niets bijdraagt aan een gedegen
75
niveau van het planMER om elke windparklocatie, vanuit verschillende waarnemingspunten met micro- en mesoniveau landschapselementen in acht genomen, te beoordelen. Nader onderzoek op projectniveau dient te worden uitgevoerd om hier invulling aan te geven. Het beoordelingscriterium ‘Herkenbaarheid van de opstelling van een windpark’ wordt niet meegewogen om ‘uitdrukking te geven aan de kwaliteiten van een gebied’. De opstelling van een windpark heeft effect op de belevingswaarde wanneer men zich in een bepaald gebied bevindt. Mede om goede afwegingen te maken, en indicatieve windturbinelijnopstellingen met elkaar te vergelijken, is het van belang de lay-out van op de opstellingen op het detailniveau van het planMER mee te nemen in de beoordeling. De opstelling van een windpark kan namelijk effect hebben op de beleving van een gebied. Bijvoorbeeld wanneer windturbines ver uit elkaar zijn gesitueerd, dit kan bijdragen aan de beleving van de weidsheid van een gebied. Deze beleving van weidsheid kan anders worden ervaren zonder de windturbines. Het planMER kent geen weging toe aan de verschillende beoordelingsaspecten; dit is als belangenafweging aan het bevoegd gezag.
analyse van de belevingswaarden binnen zoekgebieden die aangetast I bedreigd kunnen worden door de komst van een of meerdere windturbineparken. Het plan-MER moet dan ook zo worden aangepast dat de subcategorie van belevingswaarde: Effect op belevingswaarde: herkenbaarheid van de opstelling van een windpark wordt geschrapt als onderdeel van de effectbeoordeling van de belevingswaarde, dan wel als besloten zou worden dat het toch gehandhaafd moet blijven, dan moet aan deze subcategorie de minste waarde worden gehecht om uiteindelijk tot een complete effectbeoordeling van de belevingswaarde van het landschap in zoekgebieden voor windenergie te komen. Juist aan de specifieke kernwaarden van een gebied (zoals die hierboven zijn besproken), dient bij de complete effectenbeoordeling van de belevingswaarde het zwaarste gewicht te worden toegekend, omdat deze waarden van het landschap het gebied voor het overgrote deel karakteriseren. In het plan-MER is de categorie Effect op belevingswaarde: herkenbaarheid van de opstelling van een windpark. Als zodanig niet in tabel 25 van paragraaf 6.8 opgenomen. Hierdoor wordt niet duidelijk of en in hoeverre de effectbeoordeling van deze subcategorie van de belevingswaarde meeweegt bij het eindoordeel ten aanzien van het effect op de belevingswaarde. Dit kan niet de bedoeling zijn.
Als zou worden besloten dat ondanks de hiervoor besproken terechte bezwaren, de categorie Effect op belevingswaarde: herkenbaarheid van de opstelling van een windpark moet worden gehandhaafd in het plan MER, dan dient het plan-MER zo te worden aangepast dat de beoordeling van de categorie Effect op belevingswaarde: herkenbaarheid van de opstelling van een windpark ook apart als effectbeoordeling wordt vermeld. Bovendien moet zoals gezegd bij zoekgebied 2 deze effectbeoordeling als licht negatief (geel, - (merkbaar negatief effect)) worden aangemerkt. Ten aanzien van het effect van de belevingswaarde van het gebied rondom het indicatief ingetekende windpark 2-1, dient gezien het voorgaande in de planMER tot de conclusie te worden gekomen dat er sprake is van een negatief (oranje, -- (sterk merkbaar negatief effect)). Zowel hierboven besproken moet ten aanzien van de categorie Effect op belevingswaarde: aansluiting op landschappelijke structuren en de categorie Effect op belevingswaarde: aansluiting bij de landschappelijke karakteristiek de conclusie worden getrokken dat er sprake is van een negatief effect (oranje, -- (sterk merkbaar negatief effect)). Mocht er besloten worden dat - ondanks de hiervoor besproken terechte bezwaren tegen deze subcategorie - in het plan-MER de subcategorie Effect op
76
Het beoordelingscriterium ‘Effect op belevingswaarde: Beleving van windturbines als opstelling en t.o.v. de aansluiting op landschappelijke structuren en karakteristiek’ wordt beoordeeld aan de hand van drie beoordelingsaspecten: - Aansluiting op de landschappelijke structuur - Aansluiting op de landschappelijke karakteristiek - Herkenbaarheid van de opstelling van een windpark Elk van deze beoordelingsaspecten zijn beoordeeld en de gemiddelde beoordeling vormt de eindbeoordeling zoals opgenomen in tabel 25 van paragraaf 6.8.
Nee
Zie reactie hierboven.
Nee
Het planMER kent geen weging toe aan de verschillende beoordelingsaspecten; dit is als belangenafweging aan het bevoegd gezag.
belevingswaarde: herkenbaarheid van de opstelling van een windpark moet worden gehandhaafd als een van de subcategorieën op grond waarvan de effecten van de belevingswaarden worden beoordeeld, moet ten aanzien van deze categorie worden geconcludeerd dat er sprake is van een licht negatief effect (geel, - (merkbaar negatief effect)). Omdat zoals hierboven aan de orde kwam aan deze categorie geen dan wel het minste gewicht moet worden toegekend, dient in de plan-MER voor de belevingswaarde bij de indicatieve windparkopstelling 2-1 als conclusie in tabel 25 te worden opgenomen dat er sprake is van een negatief effect (oranje, -- sterk negatief merkbaar effect). In tabel 25 van de plan-MER wordt deze conclusie echter niet getrokken. Daar wordt geconcludeerd dat het effect op belevingswaarde voor de indicatieve windparkopstelling 2-1 'slechts' licht negatief is (geel, - (beperkt merkbaar negatief effect)). Deze uitkomst in tabel 25 moet dan ook worden gewijzigd naar negatief (oranje, -- (sterk merkbaar negatief effect)). Het plan-MER moet op dit punt dan ook worden aangepast. In paragraaf 6.6.2 van het plan-MER worden de effecten op het NNB besproken. Wat betreft NNB wordt aldus het plan-MER getoetst op ruimtebeslag en verstoring (met name door geluid). De effectafstand wordt in het plan-MER vastgelegd op 200 meter.
Dit terwijl volgens de tekst van het plan-MER de effectafstand voor vleermuizen veelal meer dan 200 meter bedraagt. De effectafstand van 200 meter geldt echter niet voor NNB-delen die wat betreft landschapselementstype niet zijn 'aangewezen' als voor windenergie kwetsbaar. Daar geldt volgens het plan-MER de effectafstand van 75 meter. Voor de NNB-beoordeling van de indicatieve lijnopstellingen van windparken is niet strikt aan de lijn van de lijnopstelling getoetst, maar aan de mogelijke stippen van windturbines op of direct grenzend aan de indicatieve lijnopstelling. Het is bijzonder storend dat de mogelijke stippen van windturbines als zodanig niet worden afgebeeld in het plan-MER. Het plan-MER dient zo gewijzigd te worden dat deze stippen alsnog worden weergegeven. Ondanks dat in het plan-MER de effectafstand in de regel voor het Natuurnetwerk Brabant is vastgesteld op 200 meter, wordt in het plan-MER slechts 75 meter afstand aangehouden tussen het NNB en de indicatief ingetekende windparklocaties. Deze afstand is veel te klein. Bovendien wordt door De Brabantse milieufederatie, Brabants landschap en Vereniging Natuurmonumenten in hun reactie op de Concept-RES 1.0 MRE voorgesteld om een afstand van minimaal 500 meter aan te houden tussen windturbines en de grenzen van de NNB om
77
De digitale kaart waarop de belemmeringen en de indicatieve windparklocaties zijn in te zien biedt voldoende mogelijkheid voor eenieder om de mogelijkheden van individuele windturbines te beschouwen. De provincie en de MRE vinden het niet van toegevoegde waarde om kaarten met individuele windturbineposities in het planMER op te nemen.
Nee
De effectafstand van 200 meter is ecologisch en met verwijzing naar literatuur onderbouwd.
Nee
Het doel van het planMER en de RES 1.0 is niet om alle effecten op beschermde gebieden op voorhand te voorkomen, maar om deze effecten indicatief in beeld
zodoende ernstige aantasting van aanwezige natuurlijke waarden (met name bedreiging voor vogels en vleermuizen) te voorkomen. Volgens hen worden kwetsbare diersoorten (met name vogels en vleermuizen) binnen 500 meter ernstig bedreigd door mogelijke windparken. Verstoring van de natuurlijke waarden van het Natuurnetwerk Brabant binnen 500 meter is goed denkbaar. Bovendien wordt daarmee ook beter aangesloten bij de effectafstand die wordt aangehouden voor vogelrichtlijngebieden in het plan-MER. Om recht te doen aan alle risico's voor de natuurwaarden van het Natuurnetwerk Brabant moet in het plan MER in plaats van 75 meter een afstand van tenminste 500 meter worden aangehouden tussen een indicatief windpark en het NNB. Het plan-MER dient op dit punt te worden aangepast. De indicatieve windparklocatie 2-1 in zoekgebied 2 bevindt zich op ca. 75 meter van de Mariahoutse bossen. In het Natuurbeheerplan van de provincie NoordBrabant worden de Mariahoutse bossen aangemerkt als Natuurnetwerk Brabant (NNB) met code N16.03 (Droog bos met productie). Hierdoor bedraagt de effectenafstand van dit NNB volgens het plan-MER 200 meter. Zoals in de vorige alinea verwoord, zou er echter een effectafstand van 500 meter moeten worden aangehouden.
Zowel gezien het thans in de plan-MER opgenomen uitgangspunt dat bij bepaalde categorieën NNB een effectafstand van minimaal 200 meter moet worden aangehouden, als het hierboven verwoorde uitgangspunt dat een effectafstand van minimaal 500 meter moet worden aangehouden, is het onbegrijpelijk dat in het plan-MER wordt geconcludeerd dat de realisatie van de indicatief ingetekende windparklocatie 2-1 op ca. 75 meter van het NNB (Mariahoutse bos) naar verwachting zal leiden tot een licht negatief effect (geel, -) voor het NNB. Dit had minstens moeten leiden tot een negatief effect (oranje, - -). Doordat de schaalverdeling van tabel 23 niet goed is gekozen, wordt een onjuist beeld geschetst van de te verwachte effecten van de indicatief ingetekende windparken op het NNB. In tabel 23 van het plan-MER is te lezen dat door de realisatie van een of meerdere windparken slechts een neutraal effect (grijs, 0) is te verwachten indien de afstand tussen het NNB en een indicatief ingetekend windpark meer als 200 meter bedraagt ^200m). Een licht negatief effect (geel, -) is volgens te tabel te verwachten indien de afstand tussen een indicatief ingetekend windpark en het NNB minder dan 200 meter bedraagt ^ 200m). Pas indien sprake is van realisatie
78
te brengen, zodat een belangenafweging kan worden gemaakt waarbij het belang van natuur kan worden afgewogen tegen de andere belangrijke thema’s in de regio.
De provincie en de MRE delen de mening van indiener niet en verwijzen naar bovenstaande reactie op het gebied van de aangehouden effectafstand.
Nee
Ter kennisname.
Nee
van een windpark in het NNB of indien er sprake is van overdraai boven het NNB wordt in het plan-MER geconcludeerd dat sprake is van een negatief effect (oranje, --). Deze laatste categorie kan zich alleen voordoen bij het NNB langs de hoofdinfrastructuur, omdat de Interim Omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant alleen realisatie van windparken in het NNB toelaat indien dit langs grootschalige infrastructuur is. De beoordelingsmaatstaf van tabel 23 moet worden gewijzigd. De categorie neutraal effect (grijs, o) moet worden toegekend aan de situatie dat een indicatieve windparklocatie zich op meer dan 600 meter van het NNB bevindt ^ 600m). De categorie licht negatief effect (geel, -) moet worden toegekend indien een indicatieve windparklocatie op meer dan 500 meter maar op minder of gelijk aan 600 meter ^500m maar ^600m) van het NNB is gelegen. De laatste categorie, negatief effect (oranje, --) moet worden toegekend indien een indicatief ingetekend windpark op 500 meter of minder (^ 500 meter) van het NNB is gelegen of indien een indicatief ingetekend windpark in het NNB is gelegen of dat sprake is van overdraai. Op een van de kaarten die betrekking heeft op de MRE wordt de gevoeligheid van broedvogels en niet-broedvogels voor windturbines tezamen weergegeven. Deze kaart is toegevoegd als bijlage bij deze zienswijze en is te vinden onder bijlage 2.
Tevens is hieronder voor de duidelijkheid een uitsnede van deze kaart weergegeven met betrekking tot indicatieve windparkopstelling 2-1 in zoekgebied 2.
De provincie en de MRE verwijzen ten aanzien van de effectafstanden en klasseindeling naar een eerder antwoord in deze reactie.
Nee
De gevoeligheidskaart broedvogels en niet-broedvogels van SOVON is een ander type kaart dan de hotspotkaart. Op de SOVON-kaart staan namelijk alle broedvogels en niet-broedvogels. De hotspotkaarten, zoals gehanteerd in het planMER, zijn tot stand gekomen door te kijken naar hoge concentraties akkeren weidevogels.
Nee
De ecologische analyse kijkt zowel naar de dichtheid van broedvogels als van niet-broedvogels. Dit betreft een analyse op basis van de SOVON-kaarten (250x250m cel). Dit geeft duidelijk een beeld met de verhoogde concentraties van vogels binnen het onderzoeksgebied. De meeste ‘gevoelige’ vogelsoorten komen voor binnen de beschermde natuurgebieden (NNB of N2000). Echter door de hantering van deze methodiek loopt de analyse een belangrijke groep mis, voor zowel gevoeligheid van wind- als van zonne-energie, namelijk akkeren weidevogels. Daarom is ervoor gekozen op zogenoemde hotspots voor akker- en weidevogels te definiëren. Zodoende zijn op een detailniveau voor een planMER de gevoelige soorten voldoende meegenomen in de analyse.
Bijlage 2:
In zoekgebied 2 komen diverse akker- en weidevogels voor. Met name kievit en patrijs kennen meerdere waarnemingen binnen het zoekgebied. Echter zijn de aantallen significant lager dan gebieden die wel als hotspot zijn aangemerkt.