21064.6 - Bijlagen toelichting bestemmingsplan RvR Seinheuvel
Tekst van het document
5.1
Wet natuurbescherming: onderdeel Natura 2000-gebieden...................................20
5.2
Wet natuurbescherming: onderdeel soortenbescherming......................................20
5.3
Natuurnetwerk Nederland........................................................................................... 20
3 (15)
SWECO 1
Inleiding
1.1
Aanleiding
Ruimte voor ruimte is voornemens woningbouw te realiseren op een grasveld aan de Seinheuvel in de woonwijk Heuveleind te Best. De werkzaamheden hebben mogelijk negatieve effecten op beschermde soorten of (natuur)gebieden. Sweco Nederland B.V. is daarom gevraagd een verkennend natuuronderzoek uit te voeren.
1.2
Kader van het onderzoek
We toetsen de voorgenomen werkzaamheden aan de wet- en regelgeving voor natuur. Natuurbescherming in Nederland bestaat uit de volgende kaders: ^ Wet natuurbescherming: o Natura 2000-gebieden o Soorten ^ Natuurnetwerk Nederland (NNN) en eventueel gebieden buiten het NNN. Het verkennend onderzoek is er op gericht om een eerste inzicht te krijgen in de mogelijke effecten op beschermde natuurwaarden in en om het projectgebied en de mogelijke vervolgstappen die moeten worden genomen met betrekking tot aanvullend veldonderzoek, nader effectonderzoek en nadere procedures. Het verkennend onderzoek is de eerste stap in de procedure. Afhankelijk van het resultaat moeten de navolgende stappen al dan niet worden doorlopen.
1.3
Ligging en beschrijving plangebied
Het plangebied betreft een open grasveld gelegen aan de Seinheuvel, tussen de woonwijk Heuveleind en volkstuinen ‘de oude Bogten’ in Best. Ten zuiden van het plangebied liggen het Wilhelminakanaal en de Oirschotse heide op 60 meter en 140 meter, respectievelijk. Het Wilhelminakanaal vormt hierbij een sterke barrière tussen de heide en het plangebied. Aan de westkant van het plangebied ligt een houtwal. De ligging van het plangebied en een globale impressie van de bestaande inrichting zijn weergegeven in figuur 1.1 en 1.2.
m
Figuur 1.1 Globale impressie bestaande inrichting van het plangebied.
4 (15)
SWECO
íriheiM'
Aarbsche H*b* Esn Nederland. Community Map Contributors
Ligging locatie
Legenda Plangebied
Seinheuvel Opdrachtgever: Ruimte voor Ruimte Projectnummer: 362553
SWECO
Status: Definitief Datum: 20-6-2019 Schaal: 1:5.000 Formaat A4
Figuur 1.2 Globale ligging van het plangebied Seinheuvel (rood omkaderd).
5 (15)
SWECO
1.4
Voorgenomen ingreep
Ruimte voor Ruimte is voornemens een zestal vrijstaande woningen te ontwikkelen op plangebied aan de Seinheuvel in Best. Om deze reden zal het plangebied bouwrijp worden gemaakt. De groenstructuren in en rondom het plangebied zullen niet worden aangetast omdat op slechts een deel van het plangebied woonkavels worden gerealiseerd (zie figuur 1.3). Tevens zal de aanwezige recreatievoorziening “de witte paraplu” worden verplaatst naar een andere, nog nader te bepalen locatie binnen het plangebied.
ĨÍÛ itC
7
rņzeni
e?o»*2
«Hm?
Figuur 1.3 Beoogde locatie van de te realiseren woonkavels. Groenstructuren zoals de houtwal en de noordelijke bomenrijen blijven behouden.
6 (15)
SWECO 2
Wet natuurbescherming: Natura 2000-gebieden
2.1
Toetsingskader
Bescherming van Natura 2000-gebieden vindt plaats op grond van de Wet natuur bescherming. Onder Natura 2000-gebieden vallen de gebieden die op grond van de Europese Vogelrichtlijn en/of Habitatrichtlijn zijn aangewezen. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat de duurzame instandhouding van soorten en habitats binnen de Europese Unie wordt gewaarborgd. Daarbij zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor natuurlijke habitats en/of soorten. Dit kunnen behoudsdoelstellingen zijn voor habitats en leefgebieden van soorten die zich al op het gewenste niveau (kwalitatief en kwantitatief) bevinden of uitbreidings- respectievelijk verbeterdoelstellingen voor habitats en leefgebieden van soorten die zich nog niet op het gewenste niveau bevinden. Om dit toetsbaar te maken, kent de Wet natuurbescherming (Wnb) een goedkeuringsvereiste voor plannen die significante gevolgen voor de betreffende gebieden zouden kunnen hebben (artikel 2.7, eerste lid, Wnb) en een vergunningsplicht voor projecten en andere handelingen die (significant) negatieve gevolgen voor de betreffende gebieden zouden kunnen hebben (artikel 2.7, tweede lid, Wnb). De goedkeuring of de vergunning wordt alleen verleend wanneer voldoende zeker is dat de instandhoudingsdoelstellingen voor het betreffende Natura 2000-gebied niet in het geding zijn.
Wanneer significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden op grond van een passende beoordeling niet kunnen worden uitgesloten, kan alleen goedkeuring aan het plan of een vergunning voor het project worden verleend, indien de ADC-toets met succes doorlopen kan worden (artikel 2.8, vierde lid, Wnb). Dat betekent dat het project nodig is omwille van een dwingende reden van groot openbaar belang, er geen alternatief mag zijn met minder grote effecten op Natura 2000 en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen. Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) uitspraak gedaan over het Programma Aanpak Stikstof (PAS). De Afdeling heeft geoordeeld dat het PAS niet aan alle eisen van de Habitatrichtlijn voldoet. Het PAS geeft onvoldoende zekerheid dat met de uitgifte van ontwikkelingsruimte significante gevolgen voor Natura 2000 zijn uitgesloten. De consequentie is dat het PAS niet als basis voor toestemming voor projecten of andere activiteiten kan worden gebruikt. Toetsing van effecten van stikstof-depositie gaat daarom weer volgens de in voorgaande alinea beschreven procedure. In de navolgende paragrafen is beoordeeld of er effecten op kunnen treden op Natura 2000gebieden en zo ja, wat de benodigde vervolgstappen zijn.
2.2
Inventarisatie
Voor de inventarisatie van Natura 2000-gebieden is gebruik gemaakt van de gebiedendatabase ‘SynBioSys’ via het Alterra onderzoeksinstituut. Hieruit blijkt dat het Natura 2000gebied ‘Kempenland-West’ het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied is, dat zich op een afstand van circa 7,4 kilometer van het plangebied bevindt (figuur 2.1).
2.3
Analyse van de mogelijke effecten
Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van Natura 2000-gebieden. De Habitat- en Vogelrichtlijnsoorten waarvoor de nabijgelegen gebieden zijn aangewezen hebben tevens geen ecologische relatie met het plangebied. Van een (indirect) oppervlakteverlies van leefgebied van kwalificerende soorten in of buiten Natura 2000-gebieden is derhalve geen sprake. Effecten zoals verdroging, vernatting, optische verstoring, licht- en geluidsverstoring dan wel overige directe effectindicatoren zijn op voorhand uitgesloten vanwege de grote afstand tot het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied.
7 (15)
SWECO
Stikstofdepositie als gevolg van de inzet van werktuig is naar verwachting verwaarloosbaar, gezien de relatief kleine schaal van de werkzaamheden en de grote afstand tot het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied. Hier is echter enkel zekerheid over te krijgen door middel van een stikstofdepositieberekening.
2.4
Conclusie
Gelet op de relatief grote afstand tot nabijgelegen Natura 2000-gebieden zijn directe effecten, zoals verdroging, vernatting, optische verstoring, licht- en geluidsverstoring, op voorhand uitgesloten. Hierdoor is er geen noodzaak tot een nadere beschouwing op deze effectindicatoren. De werkzaamheden zijn kleinschalig van aard, waardoor effecten als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling (door de inzet van werktuig) naar verwachting niet zal leiden tot (significant) negatieve effecten in de vorm van verzuring en vermesting als gevolg van een toename van stikstofdepositie. Hoewel effecten vanwege stikstofdepositie op voorhand niet zijn te verwachten, is hier alleen zekerheid over krijgen door middel van een stikstofdepositieberekening.
8 (15)
SWECO
Oir sth ol
Hemelrijken
i Mmwn»ţv»r
Aait»: h* M»«to
)oililbMnch« Htda Straatactie ktoida
Wintelie Buiktieid*
Esri Nederland. Community Map Contributors
Legenda ĵ Plangebied
Natura 2000 Seinheuvel
natura200ū Opdrachtgever: Ruimte voorRuimte Proj ectnummer: 362553
SWECO
Status: Definitief Datum: 20-6-2019 Schaal: 1:47.473 Formaat: A4
Figuur 2.1 De ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden
9 (15)
SWECO 3
Wet natuurbescherming: soortenbescherming
3.1
Toetsingskader
In de Wet natuurbescherming (Wnb) is de soortenbescherming in Nederland geregeld. Hierbij worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v.); ^ lid 1) Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen; ^ lid 2) Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen; ^ lid 3) Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben; ^ lid 4) Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen; ^ lid 5) Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
Soorten Habitatrichtlijn (artikel 3.5 e.v.); ^ lid 1) Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen; • lid 2) Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren; ^ lid 3) Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen; ^ lid 4) Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen; ^ lid 5) Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere Soorten (artikel 3.10 e.v.); ^ lid 1) Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: o onderdeel a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; o onderdeel b.
de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of o onderdeel c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Voor Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijnsoorten geldt dat voortplantings- en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving) van beschermde soorten niet opzettelijk verstoord of vernietigd mogen worden en dat exemplaren van beschermde soorten niet opzettelijk) mogen worden gedood of verwond.
10 (15)
SWECO Voor Andere soorten geldt dat voortplantingsplaatsen en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving) van beschermde soorten niet (opzettelijk) vernietigd mogen worden en dat exemplaren van beschermde soorten niet (opzettelijk) mogen worden gedood of verwond. Verbodsbepalingen ten aanzien van de verstoring zijn niet van toepassing op deze soorten. Ten aanzien van de andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV) de vrijheid hebben om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 Wet Natuurbescherming. In provincie Noord-Brabant geldt voor ruimtelijke ingrepen een vrijstelling voor soorten uit de soortgroepen zoogdieren (aardmuis, bosmuis, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, huisspitsmuis, konijn, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos en woelrat) en amfibieën (bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker en bastaardkikker). Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld en de voorgenomen activiteiten strijdig zijn met de bepalingen in de nieuwe wet, geldt een ontheffingsplicht. Een ontheffing kan alleen worden verleend indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is.
Voor vogels geldt in afwijking hierop dat voor verstoring geen ontheffing nodig is, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Het is mogelijk om ten aanzien van Andere soorten te werken volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de Wnb, mits de voorgenomen activiteit als zodanig in de gedragscode is beschreven. Er is dan geen ontheffingsplicht van toepassing.
3.2
Methode
De inventarisatie betreft een onderzoek naar de actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten in het plangebied. Hierbij maken we onderscheid tussen het bronnenonderzoek en een verkennend veldbezoek. Op basis hiervan volgt een habitatgeschiktheidsbeoordeling. Bronnenonderzoek Het bronnenonderzoek heeft als doel een overzicht te verkrijgen van de beschikbare informatie met betrekking tot het voorkomen van beschermde soorten in het plangebied en omgeving. Hiervoor zijn de volgende bronnen gebruikt: ^ landelijke (digitale) verspreidingsatlassen (waaronder de NDFF); • regionale verspreidingsatlassen. Habitatgeschiktheidsbeoordeling Op basis van een oriënterend veldbezoek is de geschiktheid van biotopen voor beschermde soorten beoordeeld. Deze beoordeling brengt samen met het bronnenonderzoek de beschermde soorten(groepen) in beeld die in het plangebied (kunnen) voorkomen. Het veldbezoek heeft plaats gevonden op 15 mei 2019 door Layze Hoogland en Jody Ettema, beiden deskundig ecologen werkzaam bij Sweco. Analyse en toetsing van mogelijke effecten Op basis van het bronnenonderzoek en de habitatgeschiktheidsbeoordeling wordt een inschatting gemaakt in hoeverre de te verwachten soort(groepen)en en/of het geschikte biotoop beïnvloed wordt door de voorgenomen activiteit.
Hieruit wordt duidelijk voor welke soort(groepen) er nader (veld)onderzoek en eventueel ontheffingsplicht in kader van de Wnb noodzakelijk is. Het onderzoek beperkt zich tot op grond van de Wnb beschermde planten- en diersoorten. Niet-beschermde Rode lijstsoorten die in het plangebied (kunnen) voorkomen zoals diverse soorten paddenstoelen en vaatplanten worden niet in het onderzoek betrokken, omdat deze soorten niet relevant zijn voor toetsing aan de Wnb.
11 (15)
SWECO 3.3
Planten
Actueel en potentieel voorkomende soorten Er zijn geen waarnemingen bekend van planten die beschermd zijn conform de Wet natuurbescherming in en in de omgeving van de voorgenomen ontwikkeling. Beschermde planten betreffen veelal (zeer) zeldzame soorten die doorgaans specifieke habitateisen aan hun groeiplaats stellen, veelal gekenmerkt door een gering verspreidingsgebied. Tijdens het oriënterend veldbezoek zijn de aanwezige biotopen beoordeeld op geschiktheid als groeiplaats voor beschermde flora. Het plangebied betreft een kort gemaaid grasveld dat door omwonenden van het gebied intensief wordt gebruikt voor recreatiedoeleinden, hetgeen het plangebied ongeschikt maakt als groeiplaats voor beschermde flora. In de aanwezige houtwal zijn enkel soorten aanwezig die kenmerkend zijn voor stadstuinen zoals rode kornoelje, hazelaar, vlier en meidoorn. Effectenanalyse Het voorkomen van beschermde flora kan op voorhand worden uitgesloten op basis van het ontbreken van bekende en geschikte groeiplaatsen binnen de invloedsfeer van het plangebied.
3.4
Vleermuizen
Actueel en potentieel voorkomende soorten Uit bestaande gegevens blijkt het voorkomen van gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en franjestaart in de omgeving van het plangebied. Onder de Wet natuurbescherming zijn alle vleermuissoorten strikt beschermd conform bijlage IV van de Habitatrichtlijn (artikel 3.5 Wnb). Vleermuizen zoals de franjestaart maken soortafhankelijk, onder andere, gebruik van oude bomen met gaten en spleten in bosgebied als vaste rust- en voortplantingsplaats. In het plangebied zijn geen bomen aanwezig die kunnen fungeren als zodanig. Wel zijn er bomenrijen langs de grenzen aanwezig en kunnen mogelijk verblijfplaatsen aanwezig zijn in de bosrand ten zuiden van het plangebied. Echter, deze vallen buiten de scope van de huidige ontwikkeling. Algemenere soorten als gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en laatvlieger zijn gebouw bewonende soorten die verblijfplaatsen kunnen hebben in o.a. spouwmuren of onder dakpannen, mits deze over geschikt microklimaat beschikken. Binnen het plangebied zijn geen gebouwen aanwezig die hierover beschikken. Vleermuizen maken als vliegroutes gebruik van lijnvormige structuren en elementen in het landschap, zoals bijvoorbeeld bomenlanen, bomenrijen, houtwallen en watergangen. Met name voor het verbinden van foerageergebieden met verblijfplaatsen zijn deze elementen van belang voor vleermuizen.
De bomenrijen en houtwal aan weerszijden van het plangebied vormen dergelijke lijnvormige landschapsstructuren. Een functie van deze bomenlanen als essentiële vliegroute is dan ook niet op voorhand uitgesloten. Met de huidige ontwikkeling is de kap van deze groenstructuren echter niet voorgenomen. Wij verwachten tevens niet dat het zestal woningen een significante toename in lichtverstoring zal veroorzaken.
12 (15)
SWECO Het is aannemelijk dat gewone dwergvleermuis en laatvlieger foerageren in de groenstructuren rondom het plangebied. Vanwege gebruik van het plangebied als grasland is deze zelf niet geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. Deze behoeven een insecten- en structuurrijke vegetatie over welke het plangebied niet beschikt. Derhalve is er geen sprake van een functie van het plangebied als essentieel foerageergebied voor vleermuizen. Effectenanalyse Doordat bomen met geschikte invliegopeningen ontbreken binnen het plangebied is de aanwezigheid van vaste rust- en voortplantingsplaatsen voor vleermuizen op voorhand uitgesloten. Het is aannemelijk dat vleermuizen foerageren in de groenstructuren en landschapselementen rondom het plangebied of dat deze een functie hebben als vliegroute. Omdat deze buiten de grenzen van het plangebied liggen en kap van de bomen niet zijn voorzien, is aanvullend onderzoek naar vleermuizen niet noodzakelijk.
3.5
Grondgebonden zoogdieren
Actueel en potentieel voorkomende soorten Uit bestaande gegevens blijkt het voorkomen van de eekhoorn (Andere soorten art. 3.10 Wnb) in de omgeving van het plangebied. Het plangebied is beoordeeld op typische elementen die kunnen duiden op de aanwezigheid van rust- en voortplantingsplaatsen, evenals geschikt biotoop voor beschermde (niet vrijgestelde) grondgebonden zoogdieren. De waarnemingen van eekhoorn zijn met name afkomstig uit het bosgebied ten zuiden van het plangebied, aan de overzijde van het Wilhelminakanaal. Deze bosrijke omgeving is door de aanwezigheid van geschikte nestbomen en het voedselaanbod geschikt als leefgebied voor eekhoorn. Desbetreffend leefgebied ontbreekt binnen het plangebied, waardoor een functie als essentieel leefgebied op voorhand is uitgesloten. Tussen het de houtwal en de volkstuinen aan de westzijde van het plangebied ligt een drooggevallen sloot met iets verruigde oevers. Binnen de volkstuintjes zijn waarnemingen bekend van verschillende muizensoorten. Ook zijn rondom de houtwal sporen aangetroffen van konijnen. Deze combinatie van voedselaanbod en geschikt biotoop maakt de westelijke grens van het plangebied geschikt habitat voor kleine marterachtigen. De voorgenomen ontwikkeling beperkt zich echter enkel tot het grasveld, welke door het gebrek aan beschutting niet voldoet aan de eisen van geschikt biotoop voor marterachtigen.
Tevens zijn er geen voornemens de houtwal te verwijderen, danwel de aanwezige sloot te dempen. Hierdoor wordt het mogelijke leefgebied voor marterachtigen niet aangetast en is geen aanvullend onderzoek noodzakelijk. Effectenanalyse Door het ontbreken van geschikt habitat binnen het plangebied is een functie van het plangebied als essentieel leefgebied voor grondgebonden zoogdieren op voorhand uitgesloten. Het uitvoeren van nader onderzoek is niet noodzakelijk.
3.6
Vogels
Actueel en potentieel voorkomende soorten Uit bestaande gegevens blijken diverse waarnemingen van vogels met jaarrond beschermde nestplaats (categorie 1 Vm 4). We treffen in de omgeving onder andere waarnemingen aan van de huismus en grote gele kwikstaart (beiden beschermd conform Vogelrichtlijn art. 3.1 Wnb).
13 (15)
SWECO Tijdens het oriënterend veldbezoek zijn de bomen binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden geïnspecteerd op de aanwezigheid van (mogelijke) jaarrond beschermde nestplaatsen. Deze zijn niet aangetroffen. De directe omgeving van het plangebied is echter wel geschikt voor algemeen voorkomende broedvogels. Huismussen maken hun nest doorgaans onder dakpannen of in kieren en gaten van bebouwing. Op het plangebied is, op een transformatorgebouw na, geen bebouwing aanwezig. Het transformatorgebouw beschikt echter niet over geschikte nestlocaties voor huismus. Het plangebied beschikt zelf, gelet op de inrichting als grasveld, eveneens niet over geschikt (broed)biotoop voor deze soort. De grote gele kwikstaart komt bijna uitsluitend voor in waterrijk biotoop langs beken en rivieren waarbij de soort zijn nest maakt onder, bijvoorbeeld, overhangende wortels of nissen in natuurlijke oevers. Dit biotoop ontbreekt binnen het plangebied en in de directe omgeving. Effectenanalyse Tijdens het veldbezoek ontbreken aanwijzingen die duiden op de aanwezigheid van jaarrond beschermde rust- en voortplantingsplaatsen. Een functie van het plangebied als (essentieel) leefgebied is op voorhand uitgesloten. Nader onderzoek naar deze soortgroep is niet noodzakelijk. Men dient tijdens het broedseizoen rekening te houden met de aanwezigheid van algemeen voorkomende broedvogels.
Alle broedgevallen zijn beschermd tijdens het broedseizoen. Het broedseizoen loopt globaal van half maart tot augustus. Echter, afhankelijk van de lokale meteorologische omstandigheden, kan deze periode eerder of later beginnen en eindigen. Van belang is dat broedende vogels niet zodanig opzettelijk verstoord worden door de uitvoering van werkzaamheden gedurende het broedseizoen, dat de gunstige staat van instandhouding van een soort in het geding komt.
3.7
Amfibieën en reptielen
Actueel en potentieel voorkomende soorten Uit bestaande gegevens blijkt het voorkomen van de heikikker, kamsalamander (Habitatrichtlijn art. 3.5 Wnb), alpenwatersalamander en levendbarende hagedis (Andere soorten art. 3.10 Wnb) in de omgeving van het plangebied. De heikikker komt vooral voor in vennen op heide, hoogveen, laagveen en half-natuurlijk grasland en wordt nauwelijks aangetroffen in intensief gebruikt (agrarisch) landschap. De waarnemingen zijn afkomstig uit het heidegebied ten zuiden van het plangebied, waar geschikt biotoop voor de heikikker aanwezig is. Het plangebied is kort gemaaid en beschikt derhalve niet over de juiste elementen om te fungeren als geschikt landbiotoop voor heikikker. Bovendien vormt het kanaal een sterke ecologische barrière tussen bekend leefgebied en het plangebied, waardoor migratie vanuit bestaande leefgebied niet mogelijk is. Ook de waarnemingen van de levendbarende hagedis zijn afkomstig vanuit het heidegebied ten zuiden van het plangebied. De levendbarende hagedis prefereert structuurrijk, vochtig habitat met voldoende beschutting en zonplaatsen. Door het open karakter van het plangebied is deze ongeschikt als leefgebied voor levendbarende hagedis. Daarnaast geldt ook voor deze soort dat het Wilhelminakanaal een sterke ecologische barrière vormt, waardoor migratie vanuit bestaande leefgebied niet mogelijk is.
14 (15)
SWECO Voor de aanwezigheid kamsalamander is de directe aanwezigheid van geschikt voortplantingsbiotoop noodzakelijk. De soort komt daarnaast vooral voor in oude, kleinschalige cultuurlandschappen. Het stedelijke karakter van het plangebied en het ontbreken van geschikt voortplantingsbiotoop maken dat het plangebied en de directe omgeving niet voldoen aan de habitatseisen voor kamsalamander. Alpenwatersalamander kan voorkomen binnen stedelijk gebied. Hij kan hierbij in de buurt van bos of houtwallen voorkomen. Ook is deze soort met betrekking tot het voorplantingswater niet kieskeurig. Echter, binnen het plangebied en in de omgeving ontbreken waterlichamen die kunnen dienen als geschikt voortplantingsbiotoop. Effectenanalyse Vanwege het ontbreken van geschikt land- en voortplantingsbiotoop binnen het plangebied en de directe omgeving kan een functie als essentieel leefgebied voor beschermde amfibieën en reptielen op voorhand worden uitgesloten. Aanvullend onderzoek wordt derhalve niet noodzakelijk geacht.
3.8
Vissen
Actueel en potentieel voorkomende soorten Uit bestaande gegevens ontbreken recente waarnemingen van beschermde vissen afkomstig uit de omgeving van het plangebied. De voorgenomen ontwikkeling van het plangebied tot woningbouw heeft geen externe werking op naastgelegen wateren, zoals het kanaal. Derhalve hebben de voorgenomen werkzaamheden geen ecologische relatie met de het voorkomen van beschermde vissen. Bovendien vormt het nabijgelegen kanaal geen geschikt biotoop voor beschermde vissen gelet op de specifieke biotoopeisen die de beschermde vissen stellen aan hun leefomgeving Effectenanalyse Negatieve effecten op beschermde vissen zijn op voorhand uitgesloten gelet op het ontbreken van geschikt biotoop binnen de invloedsfeer van de voorgenomen ontwikkeling. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.
3.9
Ongewervelden
Actueel en potentieel voorkomende soorten Uit bestaande gegevens blijkt het voorkomen van de gevlekte witsnuitlibel (Habitatrichtlijn art. 3.5 Wnb), bruine eikenpage en grote vos (Andere soorten art. 3.10 Wnb) uit de omgeving van het plangebied. Beschermde soorten ongewervelden zijn doorgaans (zeer) zeldzame soorten met zeer specifieke habitateisen en een gering verspreidingsgebied. De waarneming is afkomstig uit het heidegebied ten zuiden van het plangebied. De gevlekte witsnuitlibel is gebonden aan bosplassen en verlandingszones van hoogveen- en heidevennen. Desbetreffend biotoop is binnen het plangebied en in de directe omgeving niet aanwezig. De waarnemingen van de bruine eikenpage en grote vos zijn tevens afkomstig uit het heidegebied. Bruine eikenpage is gebonden aan bosranden, eikenhakhout en kapvlakten. Grote vos is een soort van vochtige, open bossen. Ook deze biotopen zijn niet aanwezig binnen het plangebied of de directe omgeving. Tevens vormt het Wilhelminakanaal een sterke ecologische barrière voor bovengenoemde soorten, waardoor er geen ecologische relatie is met het plangebied.
15 (15)
SWECO Effectenanalyse Het voorkomen van beschermde ongewervelden is uitgesloten doordat er geen waarnemingen bekend zijn uit het plangebied. De bekende waarnemingen zijn specifiek gerelateerd aan een heidegebied dat sterk gescheiden is van het plangebied waardoor een ecologische relatie tussen beiden ontbreekt. Nader onderzoek naar beschermde ongewervelden is niet noodzakelijk.
16 (15)
SWECO 4
Natuurbeleidskaders
4.1
Toetsingskader
Het beleidskader van de overheid dat niet in wetgeving is vastgelegd bestaat uit: ^ Provinciaal beleid 0 Natuurnetwerk Nederland (NNN). 0 Natuurnetwerk Brabant (NNB). Het Natuurnetwerk Nederland is op provinciaal niveau uitgewerkt tot het provinciale natuurnetwerk met kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden, beheergebieden en robuuste ecologische verbindingszones. De wettelijke bescherming (Wro) van het NNN is geregeld via het bestemmingsplan. Het NNB (Natuurnetwerk Brabant) is provinciaal vastgelegd in de Verordening Ruimte 2014. De afweging voor ingrepen in het NNN gaat volgens het “nee, tenzij-principe”. In figuur 4.1 is dit stapsgewijs weergegeven. Ingrepen met een significant negatieve invloed op de wezenlijke kenmerken en waarden mogen niet plaatsvinden, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang en indien er geen alternatieven zijn. Indien bij een ingreep schade wordt aangericht aan een NNN-gebied, dan dient dit in ieder geval gemitigeerd te worden. De resteffecten aan verlies van kwaliteit en/of oppervlakte dient te worden gecompenseerd. Daarnaast kan salderen van positieve en negatieve effecten op het NNN uitkomst bieden om projecten in het NNN te realiseren. Het verkennend natuuronderzoek geeft inzicht in de ligging van NNB gebieden in de omgeving van het plangebied en de noodzaak voor het doorlopen van ‘nee, tenzij, procedure’.
In de provincie Brabant is de externe werking van het NNB van toepassing. Een “nee, tenzij-toets” behoeft alleen te worden doorlopen indien er sprake is van een ROprocedure met betrekking tot wijziging van de bestemming van het plangebied. 1
3 BELANG
effect
3 ALTERNATIEVE LOCATIE
| 4 ACTIVITEIT TOESTAAN?
geen aantasting weren lijke #ken merken en waarden wel aantasting wezenlijke kenmerken en waarden
geen zwaarwegend ( maatschappelijk belang wel zwaarweg end f maatschappelijk belang
wel alternatieve #locatie geen alternatieve tlocatie
ja f toepassing compensatie
Figuur 4.1 Het "nee, tenzij"-principe van het compensatiebeginsel.
4.2
Inventarisatie
Het plangebied maakt geen deel uit van het NNN. Wel bevinden gebieden met deze status zich op de zuidelijke grens van het plangebied. Het betreft de bosrand, het Wilhelminakanaal en het noordelijk deel van de Oirschotse heide, gelegen tussen het Wilhelminakanaal en de Rijksweg A58. De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 4.2.
17 (15)
SWECO
Hŕiv.ŕl
Heuvel eind
Esn Nederland. CommunìtyļMąp; Contributors
Legenda Plangebied
Natuurnetwerk Nederland Seinheuvel
Natuurnetwerk Nederland Opdrachtgever: Ruimte voor Ruimte Projectnummer: 362553
SWECO
Status: Definitief Datum: 20-6-2019 Schaal: 1:10.000 Formaat: A4
Figuur 4.2 Ligging van het piangebied ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland.
18 (15)
SWECO 4.3
Analyse van de mogelijke effecten
Het plangebied maakt geen deel uit van het NNN waardoor ruimtebeslag op voorhand is uitgesloten. Doordat het plangebied grenst aan het NNB zijn negatieve effecten vanuit een externe werking, zoals licht- en geluidsverstoring, op het NNB niet op voorhand uit te sluiten.
4.4
Conclusie
Het plangebied maakt geen deel uit van het NNN, waardoor ruimtebeslag op voorhand is uitgesloten. Negatieve effecten op wezenlijke kenmerken en waarden vanuit externe werking door de geringe afstand echter niet op voorhand uit te sluiten. Hierbij zijn licht- en geluidsverstoring de mogelijke effectindicatoren. Omdat met de voorgenomen ontwikkeling sprake is van een wijziging in het bestemmingsplan is er noodzaak tot een nadere uitwerking van het ‘nee, tenzij-principe’.
19 (15)
SWECO 5
Conclusie en aanbevelingen
5.1
Wet natuurbescherming: onderdeel Natura 2000-gebieden
Significante, negatieve effecten van de voorgenomen ontwikkeling, zoals verontreiniging, verdroging, optische-, licht- en geluidsverstoring, zijn, gelet op de aard van de ingreep en de korte duur van de werkzaamheden, op voorhand uitgesloten. Er is geen noodzaak tot een nadere beschouwing op deze effectindicatoren. Effecten als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling (door de inzet van werktuig), zullen naar verwachting niet leiden tot (significant) negatieve effecten in de vorm van verzuring en vermesting. Hier is echter enkel zekerheid over krijgen door middel van een stikstofdepositie-berekening met het rekenmodel AERIUS-Calculator.
5.2
Wet natuurbescherming: onderdeel soortenbescherming
De Wet natuurbescherming biedt geen belemmeringen voor de voornemens van de woningbouw aan de Seinheuvel te Best. Er zijn geen soorten aanwezig of te verwachten binnen de invloedssfeer van de voorgenomen maatregelen die beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en die mogelijkerwijs negatief beïnvloed worden. Echter dient men tijdens de uitvoeringsfase rekening te houden met de aanwezigheid van broedvogels tijdens het broedseizoen. Alle vogelnesten zijn gedurende deze periode beschermd. Het broedseizoen loopt globaal van half maart tot augustus. Afhankelijk van de lokale meteorologische omstandigheden, kan deze periode eerder of later beginnen en eindigen. Van belang is dat broedende vogels niet zodanig opzettelijk verstoord worden dat de gunstige staat van instandhouding van de soort in het geding komt. Naast bepalingen voor specifiek aangewezen soorten geldt krachtens artikel 1.11 (lid 1 & 2) van de Wet natuurbescherming, de algemene zorgplicht voor alle in het wild levende dieren en planten alsmede voor hun directe leefomgeving. Via deze wet wordt eenieder medeverantwoordelijk gesteld voor de zorg en bescherming van flora en fauna en dient men geen handelingen uit te voeren die opzettelijk soorten kunnen verwonden of doden.
5.3
Natuurnetwerk Nederland
Het plangebied bevindt zich niet binnen de begrenzing van het NNB, waardoor ruimtebeslag op voorhand is uitgesloten. Echter grenst het de zuidkant van het plangebied aan het NNB en kunnen negatieve effecten op waarden en kernkwaliteiten vanuit externe werking op het NNB niet worden uitgesloten. Er is derhalve noodzaak tot een nadere procedure in de vorm van een ’nee, tenzij- toets’.
20 (15)
Bijlage 3 Notitie stikstofdepositie
SWECOŹŚ
Ruimte voor Ruimte Seinheuvel Pagina 95 van 341
SWECO Notitie Onderwerp: Bestemmingsplan Seinheuvel - Stikstofdepositie Projectnummer: 362553 Referentienummer: SWNL0250580-01 Datum: 24-10-2019
1
Inleiding
Ruimte voor Ruimte is voornemens om zes kavels te realiseren op de locatie Seinheuvel in Best (zie figuur 1.1). Om dit te realiseren wordt een bestemmingplanprocedure gestart. Voor een bestemmingsplanprocedure zijn diverse milieuonderzoeken nodig. Een van de onderzoeken is stikstofdepositie. In dit onderzoek wordt nader onderzocht of de voorgenomen planontwikkeling nadelige gevolgen geeft voor het natuur. Hiervoor worden de effecten van het te ontwikkelen plan op de stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden inzichtelijk gemaakt. Daarbij wordt nagegaan of het plan significante negatieve effecten levert in 1) stikstofgevoelige habitattypen en/of 2) stikstofgevoelige leefgebieden. Op basis van deze resultaten wordt duidelijk of er significante effecten optreden en of vergunningverlening in het kader van de Wet natuurbescherming nodig is. In deze notitie zijn de uitgangspunten en resultaten vastgelegd van de berekeningen van de stikstofdepositie als gevolg van de voorgenomen activiteiten.
Speelheido Naastenbe*t ■y'
Heivelden
't Zand
' -řrVoļfeŕ’55
' Wilhclminjdorp
Heuveleind V mkì
- -
'i ř v ‘\
Batadorp
1 Kilometers Figuur 1.1
Sweco De Holle Bilt 22 3732 HM De Bilt Postbus 203 3730 AE De Bilt Nederland
Planlocatie Seinheuveleind te Best (rood gemarkeerd)
T +31 88 811 66 00 www.sweco.nl
Sweco Nederland B.V. Handelsregister 30129769 Statutair gevestigd te De Bilt
Hoi-Yee Man Senior Adviseur HSE T +31 88 811 51 38 M +31 6 29 09 69 81 1 (5) )
SWECO 2
Effecten planontwikkeling
Ten gevolge van de planontwikkeling ontstaan emissies van stikstof (NOx en NH3) tijdens de werkzaamheden in de aanlegfase. In de gebruiksfase zijn er alleen emissies van stikstof ten gevolge van de verkeersaantrekkende werking van de gerealiseerde woningen. Er worden geen stikstofemissies veroorzaakt door woningen, omdat deze niet zijn aangesloten op het gasnet. Van beide situaties is de stikstofdepositie nader onderzocht ten opzichte van de huidige situatie (referentiesituatie). Ook is de stikstofdepositie van de huidige situatie inzichtelijk gemaakt, om te kunnen beoordelen of de voorgenomen planontwikkeling een toename in stikstofdepositie oplevert in Natura 2000-gebieden.
2.1
Huidige situatie
Het huidige plangebied betreft momenteel een braakliggend stuk grond. Hierbij komt geen emissie NOx of NH3 vrij. Aangezien er geen emissie van stikstof plaatsvindt in het huidige plan gebied, vindt er daarom ook geen stikstofdepositie plaats in de stikstofgevoelige natuurgebieden.
2.2
Voorgenomen plansituatie
2.2.1 Emissies aanlegfase Tijdens de aanlegfase worden mobiele werktuigen ingezet voor de bouwwerkzaamheden. Daarbij zullen er transportbewegingen plaatsvinden voor aan- en afvoer van materieel en materialen. Aangezien op dit moment onbekend is welke werktuigen ingezet gaan worden tijdens de aanlegfase is met behulp van AERIUS Calculator 2019 een scenario berekend bij welke inzet, uitgedrukt in een totale emissie van alle mobiele werktuigen (kg NOx/jaar), en inclusief de transportbewegingen, net geen toename van meer dan 0,00 mol N/ha/jaar optreedt1. De berekening betreft hiermee de maximale inzet per jaar gedurende aanlegfase. Op basis van de maximale emissie wordt vervolgens bepaald hoeveel mobiele werktuigen er gemiddeld per dag ingezet kunnen worden. In de berekeningen is er van uitgegaan dat er gedurende een jaar per dag gemiddeld 10 vervoersbewegingen van zware vrachtwagens zijn en 10 vervoersbewegingen voor licht verkeer. Dit zijn 5 vrachtwagens en 5 auto’s per dag. Dit zijn op jaarbasis 1.825 vrachtwagens en 1.825 auto’s. Voor de voertuigen is de gemiddelde emissie-standaard (g/km/voertuig) van het Nederlandse wagenpark in 2019 toegepast. Aangezien er twee ontsluitingsroutemogelijkheden zijn naar de rijksnelwegen A58 en A2, zijn beide ontsluitingsroute gemodelleerd.
Het aantal vervoersbewegingen worden evenredig over de twee transportroutes verdeeld, dus 5007o van de transportbewegingen. De vervoersbewegingen zijn gemodelleerd tussen het plangebied en de aansluiting op: 1) Oirschotseweg, via de Praalheuvel, Heuveleind en Ringweg (route naar het noorden). 2) Rijksnelweg A58, via Praalheuvel, Heuveleind en Ringweg (route naar het zuiden). Voor beide transportroutes is het snelheidsprofiel ‘Binnen bebouwde kom’ gehanteerd. De aantallen voertuigen zijn ingeschat om zo een ijkpunt aan transportbewegingen per jaar te hebben op basis waarvan de totale emissie van de mobiele werktuigen kan worden berekend. Om bij deze hoeveelheid transportbewegingen op een maximale toename van de depositie van 0,00 mol N/ha/jaar uit te komen, mag de emissie van de mobiele werktuigen binnen het plangebied maximaal 350 kg NOx/jaar bedragen. 1 Resultaatbestand AERIUS Calculator: AERIUS _20191010155120_Resultaat.zip
2 (5)
SWECO
Deze totale emissie van de mobiele werktuigen (graafmachine, shovel, kranen etc.) is vertaald naar een totaal energieverbruik (kWh/jaar). Het totale energieverbruik is afhankelijk van de emissiestandaard. De emissiestandaard Stage III bedraagt 3,3 g NOx/kWh en de emissiestandaard Stage IV bedraagt 0,36 g NOx/kWh. Bij gebruik van de emissiestandaard stage III is hiermee het maximale energieverbruik per jaar 106.061 kWh/jaar. Bij gebruik van materieel dat voldoet aan de emissiestandaard IV is het maximale energieverbruik 972.222 kWh/jaar. Om een inschatting te krijgen van de maximale inzet van materieel binnen het plangebied is het energieverbruik vertaald naar een maximum aantal in te zetten mobiele werktuigen. Hierbij is uitgegaan van mobiele werktuigen met een vermogen van 200 kW, waarbij gedurende het gebruik gemiddeld 75 /o van het vermogen wordt benut, de TAF-factor 1,1 bedraagt en de werktuigen continu aan het werk zijn gedurende 220 dagen en 8 uur per dag (s 290.400 kWh/jaar per werktuig). Bij gebruik van materieel dat voldoet aan de emissiestandaard Stage III kunnen dan gemiddeld 0,37 mobiele werktuigen per werkdag worden ingezet. Bij gebruik van materieel dat voldoet aan de emissiestandaard Stage IV kunnen dan gemiddeld 3,35 mobiele werktuigen per werkdag worden ingezet.
2.2.2 Emissies gebruiksfase Tijdens de gebruiksfase zijn er emissies van stikstof enkel ten gevolge van de transportbewegingen van het wegverkeer van en naar de woningen. Er is geen emissies van stikstof door verwarming van gebouwen, omdat deze niet zijn aangesloten op het gasnet, maar worden op een duurzame manier verwarmd. Wegverkeer De emissies van het wegverkeer worden door het rekenprogramma automatisch bepaald op basis van de emissiefactoren (g/km) behorende bij het snelheidsprofiel van de voertuigen, het aantal vervoersbewegingen en de lengte van de afgelegde weg per vervoersbeweging. Met het plan worden zes nieuwe kavels/woningen gerealiseerd. Hierdoor zal het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied wijzigingen. Voor de verkeersaantrekkende werking van het plan is uitgegaan van 502 motorvoertuigbewegingen per weekdagetmaal. Voor de voertuigen is de gemiddelde emissiestandaard (g/km/voertuig) van het Nederlandse wagenpark in 2020 toegepast. Aangenomen is dat er twee ontsluitingsroutes zijn van en naar het plangebied. Het aantal vervoersbewegingen worden evenredig over de twee transportroutes verdeeld, dus 50/ van de transportbewegingen. De ontsluitingsroutes van het naar het plangebied zijn: 1) Oirschotseweg, via de Praalheuvel, Heuveleind en Ringweg (route naar het noorden).
2) Rijksnelweg A58, via Praalheuvel, Heuveleind en Ringweg (route naar het zuiden). Voor beide transportroutes is het snelheidsprofiel ‘Binnen bebouwde kom’ gehanteerd. 2.2.3 Projecteffect gebruiksfase Voor de gebruiksfase is het projecteffect berekend. Dit is de maximale toename van de stikstofdepositie in omliggende natuurgebieden ten gevolge van het plan. De berekeningen zijn uitgevoerd met AERIUS Calculator 2019. Het resultaatbestand van AERIUS Calculator
2
Aantal motorvoertuigbewegingen zijn afgeleid uit het akoestisch onderzoek (Bestemmingsplan Seinheuvel te Best d.d. 15-7-2019) van dit ontwikkelingsplan.
3 (5)
SWECO is los meegeleverd met deze notitie. Uit de resultaten3 blijkt dat er in de gebruiksfase geen stikstofgevoelige habitattypen/leefgebieden zijn met een toename ^,00 mol N/ha/jaar.
3
Conclusie
Tijdens de gebruiksfase van het plan treden er geen toenamen van de stikstofdepositie op. Tijdens de aanlegfase van de planontwikkeling treden er ook geen toenamen van de stikstofdepositie op zolang wordt voldaan aan de voorwaarden voor de maximale aantallen transportbewegingen per jaar en maximale emissies per jaar van de mobiele werktuigen. Dit betreft maximaal 10 vervoersbewegingen per dag voor licht verkeer, maximaal 10 vervoersbewegingen per dag voor vrachtverkeer en een maximale emissie van de mobiele werktuigen binnen het plangebied van 350 kg NOx/jaar. Indien aan bovenstaande voorwaarden wordt voldaan, is de voorgenomen planontwikkeling uitvoerbaar. Bij de bouwaanvraag dient een herberekening gemaakt te worden van de werkelijke emissies gebaseerd op de gebruikte mobiele werktuigen en vervoersmiddelen.
3 Resultaatbestand AERIUS Calculator: AERIUS _20191010155120_Resultaat.zip
4 (5)
SWECO Verantwoording Titel
Bestemmingsplan Seinheuvel - Stikstofdepositie
Projectnummer
362553
Referentienummer
SWNL0250580-01
Revisie
1.1
Datum
24-10-2019
Auteur
Hoi-Yee Man
E-mailadres
hoi-yee.man@sweco.nl
Gecontroleerd door
Sergej Jansen
Paraaf gecontroleerd
Goedgekeurd door
Peter Matlung
Paraaf goedgekeurd
5 (5)