21064.3 - Toelichting bestemmingsplan RvR Seinheuvel
Tekst van het document
swecoŹŚ
Ruimte voor Ruimte Seinheuvel Pagina 28 van 38
4.6
Luchtkwaliteit
4.6.1
Relevant kader
In de Wet Milieubeheer (Wm) zijn eisen opgenomen waaraan de luchtkwaliteit in de buitenlucht moet voldoen. Hierbij is onderscheid gemaakt in grenswaarden waaraan nu moet worden voldaan en grenswaarden waaraan in de toekomst moet worden voldaan. De meest kritische stoffen zijn stikstofdioxide en fijn stof. Voor de andere in de Wm genoemde stoffen, wordt in Nederland, behoudens bijzondere situaties, overal voldaan aan de vereisten. Op grond van artikel 5.16 Wm verlenen college van burgemeester en wethouders alleen een omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan wanneer aannemelijk is dat gemaakt dat: «
Het vergunde plan niet leidt niet tot het overschrijden van de in de wet genoemde grenswaarden, of;
»
De luchtkwaliteit als gevolg van het vergunde plan per saldo verbetert of ten minste gelijkt blijft, of, bij een beperkte toename, door een met de ontwikkeling samenhangende maatregel of effect, per saldo verbetert, of; Het vergunde plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof waarvoor in de wet grenswaarden zijn opgenomen, of; De ontwikkeling is opgenomen of past in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit.
» »
In de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' zijn categorieën van gevallen aangewezen die in ieder geval niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Een bijdrage is "niet in betekenende mate" als de toename maximaal drie procent van de jaargemiddelde grenswaarde van fijn stof of stikstofdioxide bedraagt. Wanneer een ontwikkeling valt onder één van die categorieën is het niet nodig een onderzoek naar de luchtkwaliteit uit te voeren. De categorieën van gevallen zijn: » « » »
Woningbouwlocaties met niet meer dan 1.500 nieuwe woningen en één ontsluitingsweg; Woningbouwlocaties met niet meer dan 3.000 woningen en twee ontsluitingswoningen; Kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlakte van niet meer dan 100.000 m2 en één ontsluitingsweg; Kantoorlocaties met een bruto oppervlakte van niet meer dan 200.000 m2 en één ontsluitingsweg.
Verder is een bepaalde combinatie van woningen en kantoren zonder nader onderzoek mogelijk en is er voor sommige inrichtingen geen onderzoeksplicht.
4.6.2
Handreiking luchtkwaliteit gevoelige bestemmingen
In juli 2014 is de 'Handreiking luchtkwaliteit gevoelige bestemmingen in Best' als beleidsregel ingevoerd. De handreiking is een aanvulling op het 'Besluit gevoelige bestemmingen'. Ook geeft hij invulling aan het begrip 'goede ruimtelijke ordening' uit de Wet ruimtelijke ordening. Daarbij speelt zowel de mate van blootstelling aan luchtverontreiniging als de gevoeligheid van bepaalde groepen mensen een rol. De handreiking heeft als doel een betere leefomgeving te realiseren voor kwetsbare groepen. Daarom beperkt de handreiking nieuwvestiging van 'lucht'-gevoelige opbjecten binnen 300 meter van een Rijksweg en binnen 50 meter van drukke provinciale en gemeentelijke wegen. Gevoelige objecten zijn scholen, kinderdagverblijven, verzorgings-, verpleeg- en bejaardenhuizen.
4.6.3
Betekenis voor het bestemmingsplan
Woningbouwlocaties behoren tot één van de categorieën van projecten waarvoor in de Regeling NIBM getalsmatige grenzen zijn opgenomen waarbinnen een plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. NIBM-grens woningbouwlocaties: «
1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg of;
swecoŹŚ
Ruimte voor Ruimte Seinheuvel Pagina 29 van 38
«
3.000 woningen (netto) bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.
Het onderhavige plan omvat de realisatie van 6 woningen met minimaal 1 ontsluitingsweg. Hiermee valt het plan ruimschoots binnen de getalsmatige begrenzing uit de Regeling. Het plan draagt hiermee niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit en voldoet daarmee aan de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer. Het plan bevat geen gevoelige objecten in de zin van de 'Handreiking luchtkwaliteit gevoelige bestemmingen in Best' en is daarmee geen aandachtslocatie voor luchtkwaliteit.
4.7
Geurhinder
4.7.1
Relevant kader
In het kader van een goed woon- en leefklimaat is het milieuaspect geur van belang. Nieuwe ontwikkelingen mogen niet zonder meer nieuwe geurgevoelige objecten mogelijk maken binnen de geurcontour van een bestaand bedrijf of andersom. Bij de beoordeling van een ruimtelijk plan op geurhinder van bedrijven (en andersom) moet daarom het belang van zowel geurgevoelige objecten als het belang van bedrijven en omgeving worden getoetst.
4.7.2
Betekenis voor het bestemmingsplan
Door Sweco is in 2019 een geuronderzoek uitgevoerd (Geuronderzoek). Uit het geuronderzoek blijkt dat het plangebied niet samenvalt met de contouren van de geurbelastingsnorm van een omliggende veehouderij. Het plangebied valt wel voor een klein deel binnen de minimum afstandsnormen van de naastgelegen nertsenhouderij. Er zijn echter geen woningen/percelen binnen dit deel van het plangebied voorzien. Er liggen hiermee geen geurgevoelige objecten binnen de minimum afstandsnormen. De geurhinder in het plangebied bepaalt of ter plaatse een goed woon- en verblijfklimaat kan worden gegarandeerd. De achtergrondbelasting is hier het meest bepalend voor de geurhinder. Deze maximale achtergrondbelasting van 1,7 oueZm3 in het plangebied vertaalt zich naar 3-4 /o gehinderden en een zeer goede milieukwaliteit.
4.8
Externe veiligheid
4.8.1
Relevant kader
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria, zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (verder: Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico van zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Het beleid voor externe veiligheid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij de besluitvorming rondom ruimtelijke plannen de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt in het externe veiligheidsbeleid het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd. «
«
Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt; Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt tengevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een
SWECO ŻŚ
Ruimte voor Ruimte Seinheuvel Pagina 30 van 38
verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies.
4.8.2
Betekenis voor het bestemmingsplan
In 2019 is door Sweco een onderzoek uitgevoerd naar externe veiligheid (Onderzoek externe veiligheid). Uit de risico-inventarisatie volgt dat het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van transportroutes voor gevaarlijke stoffen, te weten de A58 en hoge druk aardgastransportleidingen van de gasunie. Voor de A58 is echter geen QRA nodig omdat het plangebied buiten 200 meter van deze weg ligt. Voor de hoge druk aardgastransportleidingen is wel een QRA nodig, omdat het plangbied binnen 200 meter van dezebuisleidingen ligt. Uit de kwantitatieve risicoberekening voor de hoge druk aardgastransportleidingen volgt dat voor twee van de drie leidingen geldt dat de PR10-6^aar-contour voor een klein deel over het plangebied valt. Binnen deze contouren mag niet gebouwd worden. Zolang niet binnen deze contour gebouwd wordt, vormt dit geen belemmering voor het uiteindelijke plan. Uit de beleidsvisie externe veiligheid van de gemeente volgt wel dat de PR10-6)jaar-contour niet over de perceelgrens mag vallen.
JcST
Heuvel ei n «
Legenda
CD PR 10* buisleídingen ĵj buffer 1ÛÛÛm plan
Meters
~~| plangebied
50 10Û Esri Nederland, Community Map Contributors
Figuur 4-1. PR1C-6 contouren Daarnaast volgt uit de risicoberekening voor de hoge druk aardgastransportleidingen dat voor alle de leidingen het groepsrisico onder de 0,1 maal de oriëntatiewaarde ligt. Ook geldt dat voor leidingen het groepsrisico gelijk blijft. Dat betekent dat voor de plansituatie conform artikel 12 lid 3 van het Bevb en artikel 8 van de Revb een beperkte verantwoording van het groepsrisico dient te worden uitgevoerd voor de leidingen. De genoemde maatregelen in het hoofdstuk Elementen beperkte verantwoording groepsrisico in het onderzoek kunnen de effecten van ongevallen mogelijk reduceren tot een voor de hulpverleningsdiensten beter beheersbare omvang. Ondanks de reductie van het risico is er altijd sprake van een restrisico.
SWECO Ã
Ruimte voor Ruimte Seinheuvel Pagina 31 van 38
4.9
Obstakelbeheergebied vliegveld Eindhoven
Het plangebied ligt onder het verstoringsgebied van het Instrument Landing System (ILS) van de vliegbasis Eindhoven. Dit ILS is bedoeld voor het nauwkeuriger uitvoeren van naderingen door vliegverkeer. Het plangebied bevindt zich eveneens binnen de zogenaamde Inner Horizontal Surface en Conical Surfac (IHCS) van vliegbasis Eindhoven. Dit gebied is vastgesteld ten behoeve van de vliegverkeersveiligheid. In het Tweede Structuurschema Militaire Terreinen (SMT-2) is opgenomen dat, conform de ICAO-normen, rondom de gehele luchthaven een obstakelvrij vlak van 45 meter hoog is gelegen met een straal van 4 km rond de landingsdrempels, dat overgaat in een conisch vlak met een helling van 50Zo tot 145 m over een afstand van 2 km. Onderhavig bestemmingsplan biedt geen bebouwingsmogelijkheden voor gebouwen en bouwwerken met een hoogte hoger dan 11 meter. Derhalve vormt de voorgenomen ontwikkeling geen hinder voor het vliegverkeer.
4.10
Verkeer en parkeren
4.10.1
Relevant kader
De ontwikkeling mag geen negatieve invloed hebben op de bereikbaarheid en de verkeersafwikkeling.
4.10.2 Betekenis voor het bestemmingsplan Verkeer De Seinheuvel wordt opgewaardeerd tot ontsluitingsweg van de ontwikkeling Seinheuvel. Met het plan worden 6 nieuwe woningen mogelijk, dit leidt tot een verkeersaantrekkende werking. Het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied neemt toe met maximaal 50 motorvoertuigbewegingen per weekdagetmaal (worst case-benadering). De ontsluitingsroutes van en naar het plangebied zijn de Oirschotseweg, via de Praalheuvel/Rosheuvel, Heuveleind en Ringweg (route naar het noorden) en de Rijksnelweg A58, via de Praalheuvel/Rosheuvel, Heuveleind en Ringweg (route naar het zuiden). De toevoeging van maximaal 50 motorvoertuigbewegingen op deze wegen is acceptabel.
Parkeren De gemeente Best heeft in 2015 de Nota Parkeernormen 2015 vastgesteld. Voor vrijstaande woningen geldt een parkeernorm van 2,0 parkeerplaats per woning. Conform CROW-richtlijnen wordt in de parkeernorm een bezoekersparkeren meegenomen van 0,3 parkeerplaatsen per woning. Deze parkeerplaatsen dienen openbaar toegankelijk te zijn. De gemeente Best hanteert een correctiefactor bij de parkeerbalansberekening. In de praktijk worden parkeerplaatsen bij woningen niet altijd benut om een auto te parkeren. Dit betekent dat er feitelijk ruimte is voor een bepaald aantal voertuigen, maar dat uit de praktijk blijkt dat in het dagelijks gebruik er minder voertuigen staan dan theoretisch mogelijk. Een voorbeeld hiervan zijn garages, waar niet elke dag een auto wordt gestald. Om deze reden wordt er bij de bepaling van de parkeerbalans bij wonen niet gerekend met het theoretisch aantal parkeermogelijkheden, maar met het berekeningsaantal. De correctiefactor is als volgt:
swecoŹŚ
Ruimte voor Ruimte Seinheuvel Pagina 32 van 38
Parkeervoorziening
Theoretisch aantal
Bereken i ngsaa ntal
Enkele oprit zonder gar age
1
0,8
Lange oprit zonder garage
2
1,0
Dubbele oprit zonder garage
2
Garage zonder oprit (bij woning)
1
IJ 0,4
Garagebox (niet bij woning)
1
0,5
Garage met enkele oprit
2
1,0
Garage met lange oprit
3
1,3
Garage met dubbele oprit
3
1,8
Per kavel dienen 2 parkeerplaatsen te worden gerealiseerd op eigen terrein. In het plan is in de rabbatstrook rekening gehouden met bezoekersparkeren. Hiermee wordt voldaan aan de Nota Parkeernormen 2015.
4.11
Kabels en leidingen
In het plangebied loopt deels een buisleiding voor aardgas. Hiervoor is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van belang. In het onderzoek externe veiligheid is dit meegenomen (par. 4.8). De leiding is planologisch beschermd middels een dubbelbestemming. Tevens is voor het plangebied een Klic-melding uitgevoerd. Er lopen elektriciteitskabels en riolering door het plangebied. De woningen zullen hierop worden aangesloten.
4.12
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is essentieel om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit een m.e.r.-(beoordelings)procedure moet worden doorlopen. Het Besluit m.e.r. bestaat uit een hoofddeel en vier bijlagen (onderdelen A, B, C en D). Bij elk initiatief dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst (m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten) van het Besluit m.e.r., moet aandacht besteed worden aan de vraag of er al dan niet belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu als gevolg van uit te voeren activteit(en) zijn. Daarom moet bij elk planologisch besluit, maar ook bij bepaalde vergunningen, over activiteiten die voorkomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r., een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' opgesteld worden. In bijlage D van het Besluit m.e.r. is een groot aantal activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Eén van de genoemde activiteiten betreft 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen' (activiteit D11.2). Het planvoornemen ligt ruim onder de plandrempels waarvoor conform het Besluit m.e.r. een m.e.r.-beoordelingsprocedure noodzakelijk is. Onderliggend plan maakt 6 woningen mogelijk. Dit wordt derhalve niet gezien als stedelijk ontwikkelingsproject.
Wel zijn alle milieuaspecten getoetst in het kader van het bestemmingsplan, nadelige gevolgen voor het milieu zijn uit te sluiten.
4.13
Conclusie
De diverse milieuaspecten vormgen geen belemmering voor het planvoornemen. Het plan Seinheuvel past binnen de gestelde kaders.
SWECOŬ
Ruimte voor Ruimte Seinheuvel Pagina 33 van 38
Hoofdstuk 5
Wijze van bestemmen
In dit hoofdstuk wordt inzicht gegeven in de wijze waarop de gewenste ruimtelijke en functionele ontwikkeling van het plangebied juridisch is vertaald.
5.1
Inleiding
Dit bestemmingsplan vormt in eerste instantie het juridische kader waarbinnen in het plangebied een woningbouwontwikkeling mogelijk gemaakt wordt. Het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de planregels, vergezeld van deze toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezig en/of op te richten bebouwing. De bestemmingen zijn zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het gebied en de omliggende gebieden. De te realiseren bebouwing dient te voldoen aan eisen van stedenbouwkundige aard. Deze hebben in de regel betrekking op woningtype, situering en afmetingen. Deze stedenbouwkundige eisen zijn in het bestemmingsplan opgenomen in de vorm van een verbeelding en daarop aansluitende regels. Deze documenten vormen het toetsingskader voor het beoordelen van bouwplannen.
5.2
Verbeelding
Op de verbeelding zijn alle functies zodanig bestemd, dat het direct mogelijk is om met het bijbehorende renvooi (verklaring van de bestemmingen) te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied zijn gegeven. Uitgangspunt daarbij is dat de verbeelding zoveel mogelijk informatie bevat.
5.3
Regels
De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezig en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. De regels zijn gebaseerd op de regels uit het bestemmingsplan 'Heuveleind, Heivelden en De Zessprong' van de gemeente Best en op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012). De regels zijn onderverdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: » » « «
Hoofdstuk 1: Inleidende regels (paragraaf 5.3.1); Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels (paragraaf 5.3.2 ); Hoofdstuk 3: Algemene regels (paragraaf 5.3.3); Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels (paragraaf 5.3.4).
5.3.1
Hoofdstuk 1 Inleidende regels
In Artikel 1 ('Begrippen') is een omschrijving gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Vervolgens is in Artikel 2 (Wijze van meten') een omschrijving gegeven van de te gebruiken wijze van meten.
swecoŹŚ
Ruimte voor Ruimte Seinheuvel Pagina 34 van 38
5.3.2
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels
De regels in verband met de bestemmingen kennen alle een gelijke opbouw (voor zover van toepassing). De bestemmingsomschrijving betreft de centrale bepaling van elke bestemming. Het betreft een omschrijving waarin limitatief de functies worden genoemd, die binnen de bestemming zijn toegestaan. De bouwregels zijn direct gerelateerd aan de bestemmingsomschrijving. Ook het gebruik van grond en bebouwing is gekoppeld aan de bestemmingsomschrijving. In de bouwregels staan uitsluitend bepalingen die betrekking hebben op het bouwen. Bouwregels zijn dan ook alleen van toepassing bij de toetsing van het aanvragen van een omgevingsvergunning. De specifieke gebruiksregels vormen een nadere concretisering van het toegestane gebruik. De bestemming 'Groen' is gelegd op alle groenvoorzieningen binnen het plangebied, die kunnen worden aangemerkt als structureel groen. Binnen deze bestemming zijn waterhuishoudkundige voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van het algemeen nut, fiets- en voetpaden en aan de functie ondergeschikte voorzieningen toegestaan. Binnen de bestemming mogen gebouwen ten dienste van deze bestemming worden gebouwd in de vorm van voorzieningen van algemeen nut met inachtneming van de bepalingen die in de bouwregels zijn opgenomen.
De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor wegen, voet- en rijwielpaden, , parkeer-, groen-, speel-,en waterhuishoudkundige voorzieningen en voorzieningen van algemeen nut. Gebouwen zijn binnen deze bestemming toegestaan ten behoeve van voorzieningen van algemeen nut. Daarnaast zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan. De maximale afmetingen hiervan zijn in de bouwregels opgenomen. De gronden die bestemd zijn als 'Wonen' zijn primair bedoeld voor het wonen met de daarbij behorende voorzieningen als tuinen, erven, terreinen, parkeer-, nuts-, water-, waterhuishoudkundige-, en groenvoorzieningen. Daarnaast zijn bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan. De bouwregels zijn gericht op de reguliere woningen in het plangebied. De gasleiding is in deze dubbelbestemming als planologisch relevant bestemd. Bouwen ten behoeve van samenvallende bestemmingen is alleen na ontheffing toegestaan. Alvorens burgemeester en wethouders over een verzoek om ontheffing beslissen, winnen zij schriftelijk adves in bij de desbetreffende leidingbeheerder.
5.3.3
Hoofdstuk 3 Algemene regels
In Hoofdstuk 3 van de regels is een aantal standaardregels opgenomen, te weten de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels, algemene procedureregels en overige regels. Anti-dubbeltelregel In dit artikel zijn een aantal bouwregels opgenomen die voor alle bestemmingen gelden. Algemene gebruiksregels In dit artikel zijn een aantal gebruiksregels opgenomen die voor alle bestemmingen gelden. Algemene afwijkingsregels In dit artikel zijn een aantal afwijkingsregels opgenomen die voor alle bestemmingen gelden. Algemene wijzigingsregels In dit artikel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om gebruik te maken van een bestemmingswijziging. Hierbij gaat het om een wijzigingsbevoegdheid die geldt voor alle bestemmingen in het plan.
swecoŹŚ
Ruimte voor Ruimte Seinheuvel Pagina 35 van 38
5.3.4
Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht In deze bepaling is vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht overeenkomstig artikel 3.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Slotregel Als laatste is de slotregel opgenomen. Deze bepaling omschrijft de titel van het plan.
SWECOŬ
Ruimte voor Ruimte Seinheuvel Pagina 36 van 38
Hoofdstuk 6
Uitvoerbaarheid
In dit hoofdstuk wordt de uitvoerbaarheid beschreven. Indien het bestemmingsplan voorziet in de uitvoering van werk door de gemeente moet de economische uitvoerbaarheid hiervan worden aangetoond.
6.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.1.1
Inspraak
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bevat geen procedurevoorschriften met betrekking tot de inspraak, en deze is in Wro zelf niet verplicht gesteld. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen bijvoorbeeld op grond van de geldende gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee is in artikel 150 van de Gemeentewet onder meer bepaald dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze bovenbedoelde personen en rechtspersonen hun mening kenbaar kunnen maken. In het kader van inspraak is een informatieavond gehouden, het verslag van de gebiedsdialoog is als bijlage aan dit bestemmingsplan toegevoegd (Verslag gebiedsdialoog en verkregen reacties op concept-bestemmingsplan)
6.1.2
Vooroverleg
Het voorontwerpbestemmingsplan wordt aan diverse betrokken adviesinstanties en -organen toegezonden in het kader van overleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening. In het kader van het vooroverleg zijn reacties binnengekomen van de Provincie Noord-Brabant en Waterschap de Dommel. De reacties zijn verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan.
6.1.3
Vaststelling
Het ontwerpbestemmingsplan Ruimte voor Ruimte Seinheuvel heeft gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Met terinzageligging wordt eveneens bedoeld het publiceren en inzichtelijk maken op de website www.ruimtelijkeplannen.nl. Gedurende deze periode kon een ieder schríftelijke of mondelinge zienswijze naar voren brengen bij de gemeenteraad. De binnengekomen zienswijzen zijn samengevat en beantwoord in de Notitie behandeling zienswijzen (Bijlage 12). De zienswijzen hebben niet geleid tot aanpassing van het plan.
6.1.4
Beroep
Na vaststelling van het bestemmingsplan "Ruimte voor Ruimte Seinheuvel" kan binnen 6 weken na bekendmaking beroep worden ingediend bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6.2
Economische uitvoerbaarheid
Ingevolge het bepaalde in artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening dient in de toelichting van een bestemmingsplan inzicht te worden gegeven in de uitvoerbaarheid van het plan. Hiermee wordt mede de economische uitvoerbaarheid bedoeld. Indien het kostenverhaal anderszins verzekerd is, hoeft de gemeente geen exploitatieplan op te stellen. De gemeente heeft met Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte voor Ruimte een anterieure overeenkomst gesloten, waarin een bijdrage aan de plankosten is opgenomen. Er is verder geen
swecoŹŚ
Ruimte voor Ruimte Seinheuvel Pagina 37 van 38
sprake van het verhalen van kosten op belanghebbenden, waardoor het opstellen van een exploitatieplan niet noodzakelijk is. Kosten worden in een dergelijk geval verhaald via de prijzen bij de gronduitgifte. In de anterieure overeenkomst zijn de kosten van alle (vervolg)onderzoeken meegenomen. De economische zekerheid van het plan is hiermee zeker gesteld.
SWECOŬ
Ruimte voor Ruimte Seinheuvel Pagina 38 van 38