CConstaterende datBest
Koppel je AI →
Document · PDF

21009.3 - Notitie Geurbeleid voormalige agrarische bedrijfswoningen Best

Raadsvergadering 15 maart 2021, gemeente BestBij agendapunt: 21009 - Normen geurbelasting herbestemmen voormalige agrarische bedrijfswoningen4.368 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

^■7

X" \v Wt I Ui

„i. iw

GEURBELEID VOORMALIGE AGRARISCHE BEDRIJFSWONINGEN GEMEENTE BEST 2020 NORMEN GEURBELASTING HERBESTEMMEN VOORMALIGE AGRARISCHE BEDRIJFSWONINGEN

OMGEVINGSDIENST ZUIDOOST-BRABANT

Archiefexemplaar van BL21-01501

- Notitie Geurbeleid voormalige agrarische bedrijfswoningen Best definitief

GEURBELEID VOORMALIGE AGRARISCHE BEDRIJFSWONINGEN GEMEENTE BEST 2020 NORMEN GEURBELASTING HERBESTEMMEN VOORMALIGE AGRARISCHE BEDRIJFSWONINGEN

In opdracht van

gemeente Best

Opgesteld door

Anita Michiels Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant Postbus 8035 5601 KA Eindhoven Anita Michiels

Auteur Projectnummer Datum

2 december 2020

Status

definitief

2 december 2020

Inhoudsopgave 1

2

3

4

Inleiding, doel en beoogd resultaat............................................................................................................1 1.1

Opdracht en beoogd resultaat...............................................................................................................4

1.2

Uitgevoerde werkzaamheden Z leeswijzer.......................................................................................... 5

Verkennend geuronderzoek voorgrondbelasting potentiële burgerwoningen...................................6 2.1

Inleiding...................................................................................................................................................6

2.2

Resultaten verkennend geuronderzoek potentiële burgerwoningen................................................6

Normen geurbelasting en aantal potentiële herbestemmingen............................................................7 3.1

Gehanteerde geurnormen...................................................................................................................... 7

3.2

Toetsing aan een hoger hinderpercentage........................................................................................... 8

Conclusies en aanbeveling.......................................................................................................................... 9 4.1

Conclusies............................................................................................................................................... 9

4.2

Aanbeveling.......................................................................................................................................... 10

Bijlage 1 Geurhinder en gezondheid................................................................................................................ 11

2 december 2020

1 Inleiding, doel en beoogd resultaat In het buitengebied van de gemeente Best bevinden zich meerdere voormalige bedrijfswoningen van veehouderijen. Tevens zijn er diverse nog actieve veehouderijen die voornemens zijn om de bedrijfsvoering te beëindigen. Om het buitengebied bewoond en leefbaar te houden is de gemeente voornemens de voormalige agrarische bedrijfswoningen (zoveel als mogelijk) als burgerwoning te bestemmen. Het zijn dus potentiële burgerwoningen. De bestemmingsverandering naar burgerwoning stuit vaak op problemen in relatie tot het woon- en leefklimaat'. Een goede ruimtelijke ordening dient er voor te zorgen dat (toekomstige) bewoners zich vestigen in een omgeving met een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Wat wel of niet een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is, is niet in wettelijke regels vastgelegd. Hier heeft de gemeente een ruime beleidsvrijheid om zelf te bepalen wat zij acceptabel vindt, in dit geval de mate van mogelijke geurhinder als gevolg van de achtergrondgeurbelasting van meerdere veehouderijen in een gebied (cumulatief) en de voorgrondgeurbelasting van individuele veehouderijen. Hiervoor is wel een eenduidige onderbouwing nodig die in het gemeentelijk (geur)beleid wordt vastgelegd.

Onder de werkingssfeer van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) heeft de gemeenteraad van Best op 8 juli 2008 gemeentelijk geurbeleid vastgesteld: de geurgebiedsvisie en geurverordening. Met het oog op een aanvaardbaar woon- en leefklimaat zijn in de geurgebiedsvisie de volgende normen voor de cumulatieve, als gevolg van stapeling van geuremissies van alle veehouderijen in het gebied, achtergrond geurbelasting opgenomen: » een norm voor de achtergrondbelasting op de woonkernen van ' 0 ou/m3 (odour units); » een norm voor de achtergrondbelasting in het buitengebied van 20 ouE/m3 (odour units). De genoemde waarde van 20 odour units is bedoeld om burgerwoningen in het buitengebied te beschermen tegen een overmatige achtergrondgeurbelasting en een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te waarborgen. Om geurgevoelige objecten te beschermen tegen overmatige geur van nabijgelegen individuele veehouderijen zijn in de geurverordening onderstaande normen voor de voorgrond geurbelasting opgenomen: » een norm voor de voorgrondbelasting op woonkern Best van ' ouE/m3 (odour units); » een norm voor de voorgrondbelasting in de plangebieden van 7 ouE/m3 (odour units); Voor het buitengebied is geen norm opgenomen in de geurverordening. Dit betekent dat voor het buitengebied automatisch de standaardnorm voor buitengebied uit de Wet geurhinder en veehouderij van '4 ouE/m3 (odour units) geldt.

De voorgrondnormen uit de verordening gelden echter alleen bij de toetsing van vergunningaanvragen van veehouderijen. De beoordeling van het woon- en leefklimaat staat los van de (voorgrond) normen uit de verordening. De gemeente mag de voorgrondnormen (binnen een bepaalde bandbreedte) verhogen of verlagen. Zij kan bijvoorbeeld tot verlaging van een norm besluiten als is gebleken dat in een bepaald gebied de achtergrondbelasting relatief hoog is. Omdat de veehouderijen in dat gebied dan te maken krijgen met een strengere norm zal de achtergrondbelasting op termijn dalen waardoor het leefklimaat in het gebied verbetert. De voorgrondnorm uit de verordening geldt in principe niet als toetswaarde om het woon- en leefklimaat van een geurgevoelig object te bepalen.

' Dit wil zeggen dat geen burgerwoningen (geurgevoelige objecten) kunnen worden toegestaan op locaties waar de geurbelasting te hoog is en het daarom niet wenselijk is dat mensen daar gaan wonen en worden blootgesteld aan overmatige geurhinder. Dit heet de omgekeerde werking c.q. de doorwerking van milieuregels in de ruimtelijke ordening.

2 december 2020

pagina ' van '2

Bij herbestemming van een voormalige agrarische bedrijfswoning moet een beoordeling van het woon- en leefklimaat plaatsvinden. In het kader van de ruimtelijke ordening moet immers sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Bij de beoordeling van de geurbelasting betekent dit dat zowel de voorgrondbelasting van meest nabij gelegen individuele veehouderijen- als de achtergrondbelasting van alle veehouderijen in de omgeving inzichtelijk moet worden gemaakt. Uit onderzoek is namelijk gebleken dat de geurhinder door de voorgrondbelasting anders is dan die door de achtergrondbelasting -bij gelijke belastingen. Bijvoorbeeld: als één veehouderij een geurbelasting van 1 8 ou/m3 op een geurgevoelig object veroorzaakt, leidt dat tot meer hinder dan als drie veehouderijen samen 18 ou/m3 veroorzaken. Van de voor- en de achtergrond geurbelasting wordt vervolgens het hinderpercentage bepaald. Het hoogste hinderpercentage van deze twee soorten belasting is maatgevend voor de kwaliteit van het woonen leefklimaat. Hierbij is de vuistregel dat de voorgrondbelasting maatgevend is, als die minstens de helft is van de achtergrondbelasting. In de gebiedsvisie is de opgenomen waarde van 20 odour units voor de achtergrondbelasting bedoeld om burgerwoningen in het buitengebied te beschermen tegen een overmatige achtergrondgeurbelasting en een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te waarborgen.

Een achtergrondbelasting van 20 odour units komt overeen met een hinderpercentage van 20% en een matig woon- en leefklimaat. Als dit hinderpercentage wordt vertaald naar voorgrondbelasting dan resulteert dit in een maximale voorgrondbelasting van 10 odour units. Momenteel wordt bij de beoordeling van een herbestemming een maximaal hinderpercentage van 20% als uitgangspunt genomen omdat dit percentage is vastgelegd in de gebiedsvisie als norm voor aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor woningen in het buitengebied. Het hinderpercentage van maximaal 20% houdt de omzetting van voormalige bedrijfswoningen van veehouderijen vaak tegen. Dit is gebleken uit een inventarisatie van potentiële burgerwoningen en casussen uit de praktijk. Om meer herbestemmingen tot burgerwoning mogelijk te maken heeft de gemeente de wens uitgesproken om dit maximale hinderpercentage aan te passen voor de herbestemming van voormalige agrarische bedrijfswoningen. Omdat voor voormalige agrarische bedrijfswoningen geen geurnormen gelden vanuit de Wet geurhinder en veehouderij, betekent deze aanpassing niet dat er geurnormen in de verordening moeten worden aangepast. Deze aanpassing geeft alleen aanvullend op de bestaande gebiedsvisie een duidelijk kader voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat voor de herbestemming van voormalige agrarische bedrijfswoningen.

De Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant is gevraagd om hierin te adviseren en een onderbouwing te leveren.

2 december 2020

pagina 2 van 12

Navolgend wordt afgebeeld wat de ambitie van de gemeente is en wordt nader ingegaan op de voorgrondbelasting, achtergrondbelasting en de beoordeling van het woon- en leefklimaat bij herbestemmen. In het eerste plaatje hieronder is de ambitie van de gemeente uitgewerkt. Op het tweede plaatje is het onderscheid tussen voorgrond- en achtergrondgeurbelasting verbeeld. Ambitie van de gemeente

verpaupering tegengaan

Bewoond en Leefbaar buitengebied

Zoveel mogelijk voormalige bedrijfswoningen bestemmen als burgerwoning

Acceptabele geurhinder Gezondheidsrisico s vermijden Veehouderijen met onnodig belemmeren

Voorgrondgeurbelasting O Achtergrondgeurbelasting

Voorgrondbelasting H 4 oiif/m

Achtergrondbelasting WJ'M' \ 'v

ì

2 december 2020

N ^ 'J

^

.v É ,ļ ll-l

.

i

pagina 3 van 12

Bij de vergunningverlening wordt aan de norm voor de voorarondaeurbelastina getoetst. De voorgrondgeurbelasting is de geurbelasting die de individuele veehouderij veroorzaakt op een woning. In voorgaand plaatje is de voorgrondgeurbelasting weergegeven als witte pijlen. Drie individuele veehouderijen veroorzaken een voorgrondgeurbelasting van respectievelijk 3, 4 en 6 odour units. De achtergrondgeurbelasting betreft de cumulatie, de stapeling van individuele geurbelastingen van alle veehouderijen in een gebied. In dit (fictieve) voorbeeld is de achtergrondbelasting 8 odour units, welke het gevolg is van de drie individuele veehouderijen in dit gebied. Aan de achtergrondgeurbelasting wordt niet getoetst bij de vergunningverlening

Beoordeling woon- en leefklimaat bij herbestemming Bij herbestemming van een voormalige agrarische bedrijfswoning moet een beoordeling van het woon- en leefklimaat plaatsvinden. Bij de beoordeling van de geurbelasting betekent dit dat zowel de voorgrondbelasting van meest nabij gelegen individuele veehouderijen- als de achtergrondbelasting van alle veehouderijen in de omgeving inzichtelijk moet worden gemaakt. Uit onderzoek is namelijk gebleken dat de geurhinder door de voorgrondbelasting anders is dan die door de achtergrondbelasting -bij gelijke belastingen. Bijvoorbeeld: als één veehouderij een geurbelasting van 18 ou/m3 op een geurgevoelig object veroorzaakt, leidt dat tot meer hinder dan als drie veehouderijen samen 18 ouE/m3 veroorzaken. Van de voor- en de achtergrond geurbelasting wordt vervolgens het hinderpercentage bepaald. Het hoogste hinderpercentage van deze twee soorten belasting is maatgevend voor de kwaliteit van het woonen leefklimaat. Hierbij is de vuistregel dat de voorgrondbelasting maatgevend is, als die minstens de helft is van de achtergrondbelasting.

1.1

Opdracht en beoogd resultaat

De opdracht is om te komen tot beter passend hinderpercentage voor de geurbelasting voor voormalige agrarische bedrijfswoningen en een onderbouwing daarvoor te leveren. Op basis daarvan wordt de geurgebiedsvisie van 2008 aangevuld. Omdat bij de beoordeling van het woon- en leefklimaat bij herbestemming zowel de voor- als de achtergrondbelasting moet worden betrokken en omdat uit ervaring blijkt dat de voorgrondbelasting in het merendeel van de casussen eerder beperkend is dan de achtergrondbelasting, wordt in dit onderzoek de nadruk gelegd op de voorgrondbelasting. Omdat in de gemeente Best slechts in geringe mate clustering van veehouderijen voorkomt, is de voorgrondbelasting immers eerder beperkend dan de achtergrondbelasting bij herbestemmingen. Onderwerp van dit rapport is het omzetten van een voormalige agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning. Dit is wezenlijk iets anders dan wat bedoeld wordt met het begrip plattelandswoning. Zie kader voor de uitleg van de begrippen.

2 december 2020

pagina 4 van 12

Toelichting voormalige bedrijfswoning versus plattelandswoning -

Een voormalige bedrijfswoning is een bedrijfswoning op een veehouderijlocatie waar geen vee meer wordt gehouden. De vergunning voor het houden van vee is ingetrokken. Het kan zijn dat stallen zijn gesloopt (sloop is niet altijd verplicht). Er kunnen dus nog wel stallen aanwezig zijn, maar deze worden voor andere doeleinden gebruikt of staan leeg.

-

Een plattelandswoning is een (tweede) bedrijfswoning op een actieve veehouderij die bewoond mag worden door burgers. Dit is geregeld in de Wet plattelandswoningen. De plattelandswoning behoort dus tot een actieve veehouderij welke een vergunning heeft voor het houden van dieren. De plattelandswoning heeft geen bescherming tegen geur van de stallen van de veehouderij waartoe het behoord. Tot de stallen van een andere veehouderij moet een afstand van 50 meter zijn.

1.2

Uitgevoerde werkzaamheden Z leeswijzer

Om te komen tot een geurbeleid voor voormalige agrarische bedrijfswoningen zijn de volgende werkzaamheden uitgevoerd: 1.

Verkennend geuronderzoek voorgrondbelasting potentiële burgerwoningen : hoofdstuk 2 Door de gemeente Best zijn een viertal agrarische bedrijfswoningen geselecteerd die als representatief kunnen worden beschouwd als zijnde de meest overbelaste bedrijfswoningen qua geur. Bij een verzoek om een bestemmingswijziging naar ‘wonen’ treden bij deze woningen naar verwachting de meeste problemen op bij beoordeling van het woon- en leefklimaat. Voor deze representatieve adressen is onderzocht wanneer herbestemming mogelijk is.

2.

Normen voor de geurbelasting en aantal potentiele herbestemmingen: hoofdstuk 3 Aan de hand van de mogelijk te hanteren normen met betrekking tot de aanvaardbaarheid van de geurbelasting is in beeld gebracht hoeveel woningen per norm daadwerkelijk in aanmerking komen om tot burgerwoning bestemd te worden.

3.

Conclusies en aanbeveling: hoofdstuk 4

In de bijlage wordt ingegaan op de relatie geur, hinder en gezondheid.

2 december 2020

pagina 5 van 12

2 Verkennend geuronderzoek voorgrondbelasting potentiële burgerwoningen 2.1

Inleiding

Door de gemeente Best zijn een viertal agrarische bedrijfswoningen geselecteerd die als representatief kunnen worden beschouwd als zijnde de meest overbelaste bedrijfswoningen qua geur. Bij een verzoek om een bestemmingswijziging naar ‘wonen’ treden bij deze woningen naar verwachting de meeste problemen op bij beoordeling van het woon- en leefklimaat.

2.2

Resultaten verkennend geuronderzoek potentiële burgerwoningen

In onderstaande tabel is per representatief adres aangegeven wanneer herbestemming mogelijk is. Tevens is in de tabel aangegeven wat de maximale voorgrondbelasting is op de bedrijfswoningen. Herbestemming mogelijk?

Adres Bedrijf A Bedrijf B Bedrijf C Bedrijf D

10 ou ja nee nee nee

14 ou ja nee nee ja

Feitelijke maximale geurbelasting ou 7 45 21 13

Uit de tabel blijkt dat verhoging van het acceptabel hinderpercentage naar 25% voor slechts 1 agrarische bedrijfswoning (bedrijf D) herbestemming mogelijk maakt. Dit is een kwart van het aantal beoordeelde adressen. Uit dit verkennend onderzoek blijkt verder dat verhoging van het geurhinderpercentage van 20% naar 25% voor 1 adres niet nodig is (bedrijf A), voor 1 adres wel effectief is (Bedrijf D) maar voor 2 adressen geen soelaas biedt (bedrijven B en C). Ter plaatse van de bedrijven B en C is sprake van een fors hogere voorgrondbelasting. We achten het niet acceptabel om het hinderpercentage zodanig te verhogen dat herbestemming op deze locaties mogelijk is. Deze geurbelasting komt immers overeen met hinderpercentages van 32% - 46% en een zeer slecht extreem slecht woon- en leefklimaat. Als deze bedrijfswoningen werkelijk representatief zijn voor alle agrarische bedrijfswoningen in gemeente Best dan is verhoging van het hinderpercentage naar 25% voor een kwart van de agrarische bedrijfswoningen effectief bij herbestemming naar een woonfunctie.

2 december 2020

pagina 6 van 12

3

Normen geurbelasting en aantal potentiële herbestemmingen

3.1 Gehanteerde geurnormen In het vorige hoofdstuk is de voorgrondgeurbelasting van vier potentiële her te bestemmen agrarische bedrijfswoningen berekend. De voorgrondbelasting op de woningen is in dat hoofdstuk getoetst aan het geurhinderpercentage van 25%. In principe is het ook mogelijk om een ander (nog hoger) hinderpercentage te nemen als uitgangspunt. Het hinderpercentage staat voor een meer of minder aanvaardbare kwaliteit van de leefomgeving vanwege de geurbelasting. Onderstaande tabel geeft de hinderpercentages en bijbehorende normen voor de voorgrond- en achtergrondbelasting, de herkomst van de normen en een duiding van de kwaliteit van de leefomgeving oftewel het woon- en leefklimaat. Deze duiding is ontleend aan de handreiking bij de Wet geurhinder en veehouderij. Bijlage 3 gaat in op de gezondheidseffecten van geurhinder. Tabel 3.1. Normen voor achtergrondgeurbelasting, herkomst en duiding van de kwaliteit van de leefomgeving Hinder­ Norm voor de Norm voor de Herkomst Kwaliteit percentage achtergrond­ voorgrond­ leefomgeving geurbelasting geurbelasting 12% 10 5 Gezondheidskundige Redelijk goed advieswaarde GGD (nov.

201 5) 20 % 20 10 Interim verordening, Matig provincie Noord-Brabant (Iov), gebiedsvisie gemeente Best 25 % 28 14 Geurverordening gemeente Tamelijk Best, komt overeen met de slecht, boven geurnorm voor de dit niveau kan vergunningverlening van ernstige hinder 14 odour units voor de optreden voorgrondgeurbelasting 27% 32 16 Voorheen algemeen in de Slecht, kans op regio gehanteerd als ernstige hinder streefwaarde voor een landbouwontwikkelingsgeb ied kwaliteit leefomgeving Figuur 5.1. Kwaliteit van de leefomgeving als gevolg van de achtergrondgeurbelasting (de getallen achter de kleurde blokjes zijn waarden voor de achtergrondgeurbelasting in odour units)

| zeer goed 0-3 ĵ goed 3-7 ĵ redelijk goed 7-13

CD matig 13-20 ĵ tamelijk slecht 20-28 I slecht 28-35 | zeer slecht 35-50 I extreem slecht 50^

2 december 2020

pagina 7 van 12

Uit de tabel blijkt dat het hanteren van een verhoogd hinderpercentage resulteert in een slechtere kwaliteit van het woon- en leefklimaat. Boven het percentage van 25% kan ernstige geurhinder optreden. Hierdoor is het verhogen van het hinderpercentage niet zonder consequenties en moet voor de bescherming van het her te bestemmen geurgevoelige object terughoudend worden toegepast. Bij voorkeur wordt slechts een beperkte verhoging toegepast. Het best passende hinderpercentage is afhankelijk van de aard van het gebied. Het is duidelijk dat in stedelijk gebied een lager hinderpercentage moet worden toegepast dan in een landelijk gebied met veel agrarische activiteiten. In gebieden waar veel veehouderijen aanwezig zijn en de bewoners hierdoor gewend zijn aan deze geur en ook meer geur verwachten, kan een verhoging worden toegepast. Aangezien voormalige agrarische bedrijfswoningen ook na beëindiging van de veehouderij gezien hun geschiedenis een relatie hebben met veehouderijen en ze vrijwel altijd zijn gelegen in een landelijk gebied met andere veehouderijen, is een verhoging van het hinderpercentage te verantwoorden. Opgemerkt wordt dat ongeacht de hoogte van de gehanteerde geurnorm de tot burgerwoning bestemde voormalige bedrijfswoning in het licht van de artikelen 6 en 14 van de Wet geurhinder en veehouderij een voormalige bedrijfswoning blijft.

Dit betekent dat omliggende veehouderijen enkel een afstand van 50 meter hoeven aan te houden tot de voormalige bedrijfswoning en dat er niet getoetst hoeft te worden aan de (voorgrond)geurbelasting c.q. de geurnorm voor de vergunningverlening. Veehouderijen worden dus niet in hun bedrijfsvoering gehinderd.

3.2 Toetsing aan een hoger hinderpercentage In onderstaande tabel is voor de 4 potentiële her te bestemmen objecten aanvullend op het onderzoek in hoofdstuk 2 beoordeeld of een hoger hinderpercentage dan 25% leidt tot meer positieve herbestemmingen. In onderstaande tabel is de toets uitgevoerd bij de percentages van 20, 25 en 27.

Herbestemming mogelijk?

Adres

Feitelijke maximale geurbelasting

20 %

25%

27%

berekend

(10 ou)

(14 ou)

(16 ou)

ou

Bedrijf A

ja

ja

ja

7

Bedrijf B

nee

nee

nee

45

Bedrijf C

nee

nee

nee

21

Bedrijf D

nee

ja

ja

13

Uit de tabel blijkt dat het toepassen van het hogere hinderpercentage van 27% niet resulteert in meer herbestemmingen van de 4 geselecteerde locaties. Het nog verder verhogen van het hinderpercentage boven 25% leidt naar verwachting niet tot extra herbestemmingen. Zoals eerder besproken stuit het nog verder verhogen van het hinderpercentage op milieutechnische bezwaren (ernstige geurhinder en een zeer slechte milieukwaliteit).

2 december 2020

pagina 8 van 12

4

Conclusies en aanbeveling

4.1 Conclusies Uit het onderzoek naar de geurbelasting van veehouderijen op potentiële burgerwoningen zijn de volgende conclusies te trekken:

» »

Het huidige geurhinderpercentage van 20% leidt in het verkennend geuronderzoek in een kwart van de gevallen tot herbestemming. In driekwart van de gevallen is geen herbestemming mogelijk. Het verhogen van het hinderpercentage naar 25% levert bij de 4 locaties uit het verkennende onderzoek één extra te bestemmen burgerwoning op. Dit is een kwart meer ten opzichte van de huidige situatie. Als het verkennend onderzoek een representatief beeld geeft voor de gehele gemeente, kan dit resulteren in een substantieel aantal extra herbestemmingen. Volgens het web-bvb zijn er in de gemeente Best ca. 53 actieve veehouderijen gelegen en zijn er ca. 58 voormalige veehouderijen. Het herbestemmen kan een rol spelen bij zowel de nog actieve veehouderijen of bij veehouderijen die eerder al zijn gestopt en waarvan nog geen herbestemming van het bouwblok heeft plaatsgevonden. Gelet op de huidige transitie van het buitengebied is het niet irreëel om te stellen dat 30% van het gehele veehouderijbestand (actief en niet actief) te maken krijgt met een herbestemming. Voor de gemeente Best betekent dit dat naar verwachting ca. 33 veehouderijen een traject naar herbestemming zullen doorlopen.

Als de lijn uit het verkennend onderzoek wordt doorgetrokken kan een kwart daarvan worden herbestemd zonder aanpassing van het hinderpercentage (8 veehouderijen) en leidt verhoging van het hinderpercentage naar 25% nog eens tot 8 extra herbestemmingen. Hierbij moet nog worden opgemerkt dat de bedrijfswoningen uit het verkennend onderzoek de meest overbelaste woningen betreffen, het is om deze reden niet ondenkbaar dat de aanpassing van het hinderpercentage leidt tot meer positieve herbestemmingen dan bovenstaande prognose.

»

Een extra verhoging van het hinderpercentage naar 27% resulteert in het verkennende onderzoek niet in extra herbestemmingen. Het verhogen van het hinderpercentage boven 25% kan wel leiden tot ernstige geurhinder en is ook om deze reden niet te verkiezen.

»

Ongeacht de hoogte van de gehanteerde geurnorm blijft de tot burgerwoning bestemde voormalige agrarische bedrijfswoning in het licht van de artikelen 6 en 14 van de Wet geurhinder en veehouderij een voormalige bedrijfswoning. Dit betekent dat omliggende veehouderijen enkel een afstand van 50 meter hoeven aan te houden tot de voormalige bedrijfswoning en dat er niet getoetst hoeft te worden aan de (voorgrond)geurbelasting c.q. de geurnorm voor de vergunningverlening. Veehouderijen worden dus niet in hun bedrijfsvoering gehinderd.

2 december 2020

pagina 9 van 12

4.2 Aanbeveling Het doel van het uitgevoerde geuronderzoek is een onderbouwing te leveren voor het hanteren van een ander maximaal hinderpercentage voor de geurbelasting bij de beoordeling van het woon- en leefklimaat bij de herbestemming van voormalige agrarische bedrijfswoningen, rekening houdend met: » de ambitie van de gemeenteraad om zoveel mogelijk potentiële burgerwoningen als zodanig te bestemmen; » de te verwachten geurhinder en mogelijke gezondheidsrisico’s en zo te komen tot een verantwoord woon- en leefklimaat. De vraag is welk niveau van de geurbelasting aanvaardbaar is voor het bestemmen van voormalige agrarische bedrijfswoningen tot burgerwoningen. Het hinderpercentage van 25% is als voorkeur naar voren gekomen uit dit onderzoek. De bij dit hinderpercentage behorende maximale normen zijn 28 odour units voor de achtergrondbelasting en 14 odour units voor de voorgrondbelasting.

De volgende overwegingen spelen een rol bij de verantwoording van dit hinderpercentage: een hinderpercentage boven 25% kan ernstige geurhinder tot gevolg hebben (zie paragraaf 3.1)2; geurhinder kan verschillende gezondheidseffecten tot gevolg hebben: (ernstige) hinder, verstoring van gedrag en activiteiten en mogelijk stressgerelateerde gezondheidsklachten, zoals hoofdpijn, benauwdheid en misselijkheid (zie bijlage 3); het hinderpercentage van 25% in plaats van 20% levert een substantieel aantal extra woningen op dat bestemd kan worden tot burgerwoning; een hogere norm aanhouden heeft toegevoegde waarde. Wij adviseren om een maximaal geurhinderpercentage van 25% toe te passen bij de beoordeling van het woon- en leefklimaat bij de herbestemming van voormalige agrarische bedrijfswoningen.

2

Het ervaren van geurhinder is een beleving die van individu tot individu kan verschillen. Sommige mensen zijn bij lage waarden al gehinderd, anderen pas bij hoge waarden. Gewenning aan geur in de omgeving speelt daarbij ook een rol. Het is lastig te bepalen wat nu een aanvaardbaar niveau voor geurhinder is. Het hinderpercentage van 25% is een niveau hoger dan de waarde van 20% die landelijk voor burgerbewoning in het buitengebied als acceptabel wordt beschouwd (zie bijlage 1).

2 december 2020

pagina 10 van 12

Bijlage 1 Geurhinder en gezondheid

Deze bijlage gaat in op geurhinder en de gezondheidsaspecten die daarvan het gevolg kunnen zijn. De inhoud is gebaseerd op het kennisbericht geur van het Kennisplatform veehouderij en humane Gezondheid en veehouderij, zie internet site http://www.kennisplatformveehouderii.nl/Thema s/Geur Geur komt vrij uit de stal, mestbassins, bij de mestverwerking en de productie en opslag van voer. Ook is er geuremissie bij het uitrijden en aanwenden van mest op het land. De geur van een veehouderij wordt vooral veroorzaakt door de uitwerpselen (mest) van dieren. Geur van de veehouderij bestaat meestal uit een mix van gasvormige componenten, waarbij met name vluchtige organische koolwaterstoffen (vetzuren, fenolen en indolen) en zwavelhoudende componenten (sulfiden) een rol spelen. Ammoniak kan een belangrijke geurcomponent zijn. Geurstoffen kunnen ook deels gebonden zijn aan stof. De meeste geurstoffen zijn al te ruiken bij heel lage hoeveelheden. Bij die lagere concentraties geeft de stof zelf over het algemeen geen gezondheidseffecten. Wel kan er sprake zijn van gezondheidseffecten als gevolg van de ervaren geurhinder. De geurhinder kan verschillende gezondheidseffecten tot gevolg hebben: (ernstige) hinder, verstoring van gedrag en activiteiten en mogelijk stressgerelateerde gezondheidsklachten, zoals hoofdpijn, benauwdheid en misselijkheid.

Uit onderzoek blijkt dat verstoring door geur zich kan uiten in het sluiten van ramen, het niet graag buiten zijn, niet graag thuis zijn, bezoek niet graag ontvangen, of mensen komen niet graag op bezoek, vertrouwde of aangename geuren niet meer kunnen ruiken of minder diep ademhalen. Er is geen kwantitatieve relatie tussen de geurbelasting en deze effecten vastgesteld. Kennisplatform Veehouderij en humane gezondheid Het Kennisplatform Veehouderij en humane gezondheid is een samenwerking van zeven kennis- en praktijkorganisaties: RIVM, Wageningen University ã Research, UU, ZonMw, GGD GHOR Nederland, Omgevingsdienst NL en LTO. Het doel is om samen bestaande kennis te bundelen, duiden en ontsluiten over veehouderij en de gezondheid van mens en dier.

Milieuthema geur

BRONNEN

EFFECTEN

GEUR

Effecten op de volksgezondheid

Landbouw

Geurhinder Industrie

uŭ Verkeer

Consumenten

fY"'"Open haarden

Bron: Planbureau voor de Leefomgeving.

2 december 2020

PBL/oktOñ/OŽÇI www.compendiumvoordeleefomgeving.rl

pagina 11 van 12

Aanvaardbare geurhinder Het is lastig te zeggen hoeveel geurhinder aanvaardbaar is. Er zijn geen gezondheidskundige grenswaarden voor de geurbelasting of de geurhinder. Elke geur kan boven de geurdrempel waargenomen worden en door iemand als hinderlijk of ernstig hinderlijk ervaren worden. Hoe hoger de geurbelasting, hoe groter de kans dat meer mensen gehinderd zijn en hoe hoger het percentage dat gehinderd of ernstig gehinderd is. Het is daarom niet eenvoudig te zeggen hoeveel geurhinder gezondheidskundig aanvaardbaar is. Dit is in principe een afweging die lokaal genomen moet worden. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) biedt een gemeente daar ook de mogelijkheid voor via het opstellen van de geurgebiedsvisie en de geurverordening. Bij de lokale afwegingen over het aanvaardbaar hinderniveau kunnen ook aspecten zoals het klachtenpatroon, de omvang van de geurbelasting en informatie over geurhinder uit de GGD Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2016 worden betrokken. Daarnaast kan een geurbelevingsonderzoek bijdragen aan het bepalen van het aanvaardbaar hinderniveau. Beleidsdoelstellingen Zoals gezegd zijn er geen gezondheidskundige grenswaarden. Er zijn wel beleidsdoelstellingen voor het percentage geurgehinderden.

In het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP) van 1989 en in een beleidsbrief van de minister van VROM uit 1995 is een richtwaarde van 12% gehinderden en een bovenwaarde van 20% gehinderden opgenomen. Deze waarden zijn in 2007 - bij het inwerking treden van de Wet geurhinder en veehouderij - door het implementatieteam Wgv geadviseerd om aan te houden als normen voor het aanvaardbaar hinderniveau voor respectievelijk de woonkernen en het buitgebied. Deze waarden van 12% en 20% hinder zijn in de loop der jaren algemeen geaccepteerd geraakt (ook juridisch). De provincie NoordBrabant heeft de hinderpercentages in 2014 in de Verordening ruimte (thans Interim omgevingsverordening) vastgelegd. Normstelling provincie en GGD In de Verordening ruimte 2014 zijn zoals gezegd percentages geurgehinderden opgenomen. In de handreiking bij de Wet geurhinder en veehouderij (bijlage 6 en 7) wordt de relatie gelegd tussen geurhinderpercentages en geurbelasting: -

de waarde van 20% geurgehinderden voor het buitengebied komt overeen met een (maximale) achtergrondgeurbelasting van 20 odour units en een maximale voorgrondgeurbelasting van 10 odour units.

De gezondheidskundige advieswaarde van de GGD gaat ook uit van de genoemde percentages geurgehinderden. Alleen heeft de GGD op basis van recent onderzoek, waarin meer hinder gerapporteerd wordt, in 2015 de volgende advieswaarde uitgebracht: -

de waarde van 20% geurgehinderden voor het buitengebied komt overeen met een (maximale) achtergrondgeurbelasting van 10 odour units en een maximale voorgrondgeurbelasting van 5 odour units.

2 december 2020

pagina 12 van 12

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9732651/1