21004.4 - Vastgestelde Visie duurzame energieopwekking Buitengebied Best
Tekst van het document
Visie voor duurzame energieopwekking Buitengebied Best
Duurzame energieopwekking Buitengebied Best
Visie voor duurzame energieopwekking Buitengebied Best Een coproductie van:
Vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Best op 2 november 2020
Pagina 2 van 42
BL20-14171
Inhoudsopgave
Inhoud 1.
6
Inleiding en proces
1.1
Inleiding
6
1.2
Proces en participatie
6
1.2.1
Inloopdagen buitengebied, initiatieven en motie
6
1.2.2
Inwonerspanel Visie duurzame energieopwekking buitengebied en Omgevingsvisie
6
1.3 2.
Opzet visie
7
(inter)nationale, provinciale en lokale afspraken, wetgeving en beleid
8
2.1
Mondiale en Europese afspraken
8
2.2
Landelijke wet- en regelgeving
8
2.3
Provinciaal beleid
9
2.3.1
Brabantse omgevingsvisie
9
2.3.2
Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant
9
A.
Provinciale voorwaarden windmolens
9
B.
Provinciale voorwaarden zonne-energie
10
2.4
Regionaal beleid Metropoolregio Eindhoven: Regionale Energiestrategie (RES)
11
2.5
Lokaal beleid gemeente Best
11
2.5.1
Ambitie: gemeente Best energieneutraal
11
2.5.2
Structuurvisie & Nota van Uitgangspunten buitengebied
11
▪
Nota van uitgangspunten bestemmingsplan Buitengebied
11
▪
Structuurvisie buitengebied
11
▪
Lagenbenadering ruimtelijke opbouw
12
3.
Energievormen en analyse opgave Best energieneutraal
14
3.1
Inleiding
14
3.2
De zonneladder
14
3.3
Vormen van duurzame energie
15
3.3.1
Zonne-energie
15
3.3.2
Windmolens
15
3.3.3
Waterstof
16
3.3.4
Aquathermie, riothermie
17
3.3.5
Geothermie, aardwarmte
17
3.3.6
Biomassa
17
3.3.7
Schaliegas
18
3.4
Analyse van de opgave Best energieneutraal Pagina 3 van 42
18 BL20-14171
3.4.1
Behoefte en benodigde capaciteit
18
3.4.2
Een referentie om een beeld te vormen
19
3.4.3
Sturing op projecten en kwaliteit
20
4.
Uitgangspunten en kaders duurzame energieopwekking
4.1
Algemene uitgangspunten en kaders duurzame energieopwekking
21 21
4.1.1
Maximale hoeveelheid hectaren zonnevelden buitengebied
21
4.1.2
Tijdelijkheid voorzieningen duurzame energie
21
4.1.3
Geen rechtstreekse toelating, maar eigenstandige procedure
21
4.1.4
Landschapsinvesteringsregeling (LIR)
21
4.1.5
Participatie bij energieopwekking
22
Drie participatievarianten
22
4.1.6
Meerwaarde creëren
23
4.1.7
Integrale duurzame oplossingen
23
4.1.8
Landschappelijke inpassing en ruimtelijke onderbouwing
23
Specifieke voorwaarden en uitgangspunten bij zonnevelden
24
▪
4.2 4.2.1
Inpassing met gebiedseigen beplantingen en/of landschapselementen
24
4.2.2
De landschapsstructuur en landschapstypen zijn leidend
24
4.2.3
Afstand tot woningen en objecten/panden met cultuurhistorische waarden
25
4.2.4
Zorg voor de omgeving
26
4.2.5
Bodemleven; geef de bodem leefruimte
26
4.3
Specifieke voorwaarden en uitgangspunten bij windmolens
27
4.3.1
Provinciaal beleid
27
4.3.2
Invliegfunnel en radarverstoringsgebied
27
4.3.3
Voor windmolens 400 meter afstand tot woningen
28
4.3.4
In geval van initiatieven; locatiespecifiek omgevingsonderzoek
28
4.3.5
Kleinschalige windmolens
28
5.
Mogelijkheden energieopwekking in het buitengebied
30
5.1
Inleiding
30
5.2
Geen of beperkte mogelijkheden voor opwekking van duurzame energie
30
5.2.1
Gebieden met beperking
30
▪
Natuurnetwerk Brabant
30
▪
Integratie stad-land
30
▪
Waterwingebied Best
31
5.2.2 5.3
Heroverweging vanwege inspraak en participatie
31
Kansrijk voor opwekking van duurzame energie
33
▪
Daken en bouwblokken
33
▪
Zoekgebied verstedelijking
33
▪
Overgangsgebied tussen Best en Eindhoven: zone Integratie stad-land
33
▪
Grootschalige infrastructuur
33 Pagina 4 van 42
BL20-14171
5.4
Opwekking van duurzame energie afweegbaar in Agrarisch-recreatief gebied
35
5.4.1
De linten
35
5.4.2
De Groenblauwe Mantel
35
5.4.3
Het overige Agrarisch-recreatief gebied
36
5.5
Analysekaart totaaloverzicht mogelijkheden duurzame energie
38
5.6
Visiekaart windmolens
39
5.6.1
Relevante aspecten
39
5.6.2
Opbouw eindbeeld
39
Bijlage 1: Kaart afstandscirkels van 100 meter voor zonnevelden
Pagina 5 van 42
BL20-14171
41
1. Inleiding en proces 1.1
Inleiding
Voor u ligt de Visie duurzame energieopwekking voor het buitengebied van de gemeente Best. De opwekking van duurzame energie is een actueel onderwerp met een toenemende urgentie waarbij (inter)nationale afspraken zijn gemaakt over onder andere CO2-reductie. Ook de gemeente Best heeft een taak in het zoeken naar een goede invulling voor het verduurzamen van de energiebehoefte. Tegelijkertijd actualiseert Best het beleidskader voor haar buitengebied. Na de structuurvisie is de Nota van uitgangspunten buitengebied vastgesteld. Hierin is onder meer de aanzet en de opdracht vastgelegd voor het beleid voor duurzame energieopwekking in het buitengebied, het beleid Vrijkomende Agrarische Bebouwing (VAB-beleid, reeds vastgesteld) en de landschapsinvesteringsregeling (LIR, reeds vastgesteld). Deze visie heeft als doel om kansen, mogelijkheden en voorwaarden voor duurzame energie in het buitengebied inzichtelijk te maken. Het biedt daarbij handvatten en spelregels om invulling te geven aan deze mogelijkheid. Door dit inzicht wil de gemeente Best initiatieven op gang brengen waarmee een bijdrage wordt geleverd aan de energietransitie binnen de gemeente Best. Het doel van dit document is kortweg tweeledig: ▪ Kansen en mogelijkheden inzichtelijk maken. ▪ Uitgangspunten en voorwaarden formuleren.
1.2
Proces en participatie
Deze visie is het resultaat van een proces met input van inwoners en (maatschappelijke) partijen en verschillende disciplines binnen de gemeente Best. Belangrijk hierin zijn de kennis en kunde over en betrokkenheid bij het buitengebied. Door de input over wat belangrijk is en welke randvoorwaarden en uitgangspunten hierbij moeten worden gehanteerd, is er scherpte ontstaan wat betreft de toelaatbaarheid van de opwekking van (grootschalige) duurzame energie in het buitengebied van Best. Onderstaand wordt het proces en de participatie nader uitgewerkt, met verwijzing naar de betreffende documenten die naar aanleiding hiervan zijn opgesteld.
1.2.1 Inloopdagen buitengebied, initiatieven en motie Het project Buitengebied Best omvat zowel de actualisering van het bestemmingsplan alsook het beleidskader voor het buitengebied. De visie voor duurzame energieopwekking in het buitengebied maakt deel uit van dit beleidskader. Voor het project buitengebied zijn begin 2019 inloopdagen gehouden, zowel in Best West/Aarle als in Best Oost/De Vleut. Deze inloopdagen zijn zeer goed bezocht. Tegelijk met de inloopdagen is de Visie duurzame energieopwekking buitengebied openbaar vrijgegeven voor inspraak en is deze toegelicht en besproken in een aparte sessie voor de klankbordgroep Buitengebied. Vanwege de inspraak is de “Nota inspraak en ambtshalve wijzigingen Visie duurzame energieopwekking buitengebied Best” opgesteld (BL20-15790). Deze is als bijlage bij het raadsvoorstel tot vaststelling van deze visie opgenomen. In de loop van 2019 is er over vergunningsaanvragen van twee zonnevelden discussie gevoerd. Deze is ook in het achterhoofd gehouden bij het updaten van de visie. Daarbij is er door de gemeenteraad ook unaniem een motie aangenomen die strekt tot het met participatie opstellen van deze visie.
1.2.2 Inwonerspanel Visie duurzame energieopwekking buitengebied en Omgevingsvisie In het kader van de participatie is in het voorjaar van 2020 ook een enquête uitgezet onder het inwonerspanel. Een eerder geplande fysieke avond bleek in deze periode vanwege COVID-19 niet mogelijk.
Pagina 6 van 42
BL20-14171
Voor het inwonerspanel zijn vragen over de Visie duurzame energieopwekking en over de Omgevingsvisie samengebracht tot een gecombineerde enquête. Ruim 600 mensen hebben in totaal aan dit digitale panel meegedaan. Dit is een goede en representatieve opkomst. ▪ Uitkomst De uitkomst van de enquête vindt u in de factsheet “Inwonerspanel Visie duurzame energie opwekking buitengebied Best” (BL20-14196), die als bijlage bij het raadsvoorstel tot vaststelling van deze visie is opgenomen. De resultaten hiervan zijn van betekenis geweest voor het werken aan de definitieve versie van deze visie. Het belang dat inwoners hechten aan het buitengebied blijkt uit het feit dat in het panel de inwoners als het mooiste van Best opgeven; het buitengebied rond Aarle, De Vleut, Joe Mann en het gebied rond het kanaal. Daarnaast worden biodiversiteit en natuur als het meest belangrijke onderwerp genoemd voor de Omgevingsvisie. ▪ Bevindingen De belangrijkste bevindingen uit het inwonerspanel zijn voor het onderdeel Duurzame energieopwekking in het kort de volgende: ▪ 20 procent van de inwoners vindt dat zonnevelden in het aangewezen gebied goed mogelijk zijn, 25 procent is het hier niet mee eens, 45 procent vindt dat dit kan, maar alleen onder bepaalde voorwaarden.
De belangrijkste voorwaarden voor het plaatsen van zonnevelden zijn; het voorkomen van overlast en schade in de natuur, bij agrariërs en omwonenden. ▪ Het plaatsen van windmolens stuit op meer weerstand dan het plaatsen van zonnevelden. Daarbij blijven er plekken waar een meerderheid open staat voor opties. Deze uitkomst geeft een positieve bevestiging van het belang van het buitengebied van Best zoals deze visie dat ook als uitgangspunt heeft. Tegelijk geeft het de mogelijkheid om de voorwaarden voor energieopwekking te onderzoeken. Deze zijn in deze visie verder uitgewerkt. ▪ Aanpassingen in Visie Naar aanleiding van de bijeenkomsten, het inwonerspanel en de inspraak is de conceptvisie aangepast. Zo zijn er ten aanzien van zonnevelden onder meer uitgebreide eisen opgenomen voor een zorgvuldige landschappelijke inpassing en voor een zorgvuldige bescherming van aanwezige natuurwaarden. Naar aanleiding van de input zijn er enkele gebieden meer toegevoegd die in de visie worden gezien als ‘rood’ en waarin in principe geen zonnevelden en/of windmolens mogelijk zijn. Het gaat hierbij onder andere om de delen van De Scheeken waar natuur en recreatieve ontwikkeling heeft plaats gevonden en gebieden grenzend aan De Nieuwe Heide en de Pailjaart. Ook zijn voor zonnevelden verplichte afstanden opgenomen ten aanzien van woningen van derden en locaties met cultuurhistorische waarden.
Voor windmolens zijn de afstandscirkels tot woningen in deze visie verruimd van 300 meter naar 400 meter voor vermindering van risico op overlast. Voor een meer uitgebreide uiteenzetting verwijzen wij u graag naar de inhoudelijke volgende hoofdstukken.
1.3
Opzet visie
De Visie voor duurzame energieopwekking in het buitengebied is vervolgens als volgt opgezet. In het volgende hoofdstuk komen eerst (inter)nationale, provinciale en lokale kaders en beleid aan de orde. Daarna worden in hoofdstuk drie de verschillende energievormen vermeld en een analyse van de opgave van Best om energieneutraal te zijn. In hoofdstuk vier komen de uitgangspunten en kaders aan de orde, zoals deze visie deze ziet voor de duurzame energieopwekking in het buitengebied van Best. Tenslotte geeft hoofdstuk vijf de visualisatie weer van de landschappen en de mogelijkheden voor de energieopwekking in het buitengebied van Best.
Pagina 7 van 42
BL20-14171
2. (inter)nationale, provinciale en lokale afspraken, wetgeving en beleid In dit hoofdstuk worden de (inter)nationale kaders, afspraken, wetten en beleid weergegeven. Hierbij wordt vanuit mondiaal niveau ingezoomd tot op het niveau van het buitengebied van de gemeente Best.
2.1
Mondiale en Europese afspraken
Klimaatakkoord Parijs (5 oktober 2015) Op 18 september 2015 stelde de Raad Milieu de positie van de Europese Unie (EU) voor de klimaattop in Parijs vast. Het doel is een zo snel mogelijk einde maken aan de stijging van de uitstoot van broeikasgassen. Het verdrag is in werking getreden op het moment dat het door minstens 55 staten is geratificeerd, die verantwoordelijk zijn voor minimaal 55 procent van de CO2-uitstoot. Het verdrag is door 195 landen ondertekend. Zij zijn samen verantwoordelijk voor circa 90 procent van de mondiale CO2-uitstoot. Het volgende is afgesproken: ▪ De opwarming van de aarde moet worden beperkt. De wereldwijde stijging van de temperatuur moet in 2100 beperkt zijn tot maximaal 2°C, maar bij voorkeur maximaal 1,5°C, vergeleken met het niveau van vóór de opkomst van de industrie. ▪ De wereldwijde uitstoot van broeikasgassen moet hiervoor afnemen. Halverwege de 21 e eeuw moet er een evenwicht zijn tussen alle uitstoot van broeikasgassen en het vermogen van de natuur om ze te absorberen. Hiervoor is het belangrijk dat de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen in 2050 afneemt met ten minste 50 procent ten opzichte van 1990. In 2100 moet de totale emissie zijn teruggebracht tot nul. ▪ Elke vijf jaar wordt het klimaatbeleid van alle landen geëvalueerd, voor de eerste keer in 2023.
▪ Ontwikkelde landen helpen ontwikkelingslanden deels ook financieel om hun uitstoot te verminderen. Afgesproken is om elk jaar 91 miljard euro beschikbaar te stellen. Volgens de Europese Commissie biedt de Overeenkomst van Parijs het bedrijfsleven in de EU kansen, die een voorsprong geven op het gebied van hernieuwbare energie, energie-efficiëntie en de ontwikkeling van koolstofarme technologie. Hiervoor zal de EU een voortrekkersrol spelen bij de inspanningen om de uitstoot van CO2 terug te dringen. In december 2018 heeft een VN Klimaattop plaatsgevonden in het Poolse Katowice. De bijna 200 deelnemende landen hebben tijdens de onderhandelingen de implementatie van de in Parijs gemaakte afspraken uiteengezet. Eén van de afspraken is bijvoorbeeld dat de deelnemers aan de klimaattop verslag moeten doen van hun eigen inspanningen om de uitstoot van broeikasgassen terug te dringen. In december 2019 heeft in Madrid opnieuw een VN Klimaattop plaatsgevonden. Het doel van de conferentie van de Verenigde Naties was de doelstellingen uit het klimaatakkoord van Parijs uit 2015 verder uit te werken. Het is de deelnemende landen niet gelukt om concrete afspraken te maken. Wel is afgesproken dat de landen in 2020 hun klimaatdoelstellingen voor 2030 zoveel mogelijk aanscherpen.
De deelnemende landen leveren hun aangescherpte nationale klimaatplannen aan in aanloop naar de volgende klimaattop in het Schots Glasgow, eind 2020.
2.2
Landelijke wet- en regelgeving
Klimaatwet Op 27 juni 2018 is de Klimaatwet vastgesteld door de Tweede Kamer. De Klimaatwet legt klimaatdoelstellingen wettelijk vast en introduceert een mechanisme dat ervoor zorgt dat de overheid die klimaatdoelen ook moet halen. De doelstellingen uit de Klimaatwet zijn: ▪ Nederland moet in 2050 de uitstoot van CO2 met 95% gereduceerd hebben ten opzichte van 1990. ▪ 49% van deze reductie moet in 2030 zijn gerealiseerd. Pagina 8 van 42
BL20-14171
▪ In 2050 is de elektriciteitsproductie 100% CO2-neutraal. Naast deze doelstellingen komt er elk jaar in oktober een Klimaatdag, een soort Prinsjesdag over het klimaat en de doelstellingen van de Klimaatwet. Hier presenteert het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) haar jaarlijkse Klimaat- en Energieverkenning (KEV) en debatteert de Kamer of Nederland op koers ligt in de klimaatambitie richting 2030 en verder.
2.3
Provinciaal beleid
2.3.1 Brabantse omgevingsvisie De Brabantse Omgevingsvisie (opvolger van de Structuurvisie ruimtelijke ordening (Svro)) staat voor een belangrijk deel in het teken van vier ambities om Brabant in de toekomst welvarend, verbonden en klimaatzeker te laten zijn: (1) Brabant in 2050 energie- en CO2-neutraal, (2), Brabant als slimme, complementaire netwerkstad. (3) een circulaire economie, (4) klimaatproof. Voor ieder van deze vier ambities geeft de omgevingsvisie een vergezicht (2050) en een concreet tussendoel voor 2030. Aan de hand hiervan kan worden bepaald welke stappen op korte en middellange termijn nodig zijn. De opdracht die er ligt is uitdagend. Om de doelstellingen voor 2030/2050 te halen moet een zeer grote inspanning worden geleverd.
Tweesporenbeleid Brabant wil evenredig bijdragen aan de doelstelling van minder dan 1,5- 2ºC opwarming (klimaatakkoord). Daarom vertaalt de provincie de nationale doelen naar beleid voor Brabant. Daarvoor is een drastische reductie van met name de CO2-uitstoot noodzakelijk. De minimale doelstelling is een grote uitdaging die vraagt om een actief en gericht tweesporenbeleid van de provincie: 1. Vermindering energieverbruik. 2. Verduurzaming energie.
Duurzame energie lokaal opwekken Tegelijk met het opwekken van energie door lokaal samen te werken, ziet de provincie mogelijkheden om de lokale veerkracht te versterken en het maatschappelijk rendement te verhogen. De provincie ziet Brabant als innovatief gidsgebied en proeftuin voor de energietransitie. De provincie ziet ook dat het Brabantse landschap wordt benut voor het opwekken, de opslag en het transport van hernieuwbare energie. De volgende lijn wordt hierbij aangehouden: ▪ Een heldere koers samen met de regio’s. ▪ Aansluiten bij de vijf transitiepaden uit de Nationale Energieagenda. ▪ Opgave niet afwentelen op de omgeving (of andere provincies). ▪ De energieopgave wordt verbonden met zoveel mogelijk andere maatschappelijke opgaven. ▪ Meervoudig en zuinig ruimtegebruik. ▪ Onder voorwaarden energie opwekken in het Natuurnetwerk Brabant. ▪ Rekening houden met de ondergrond. 2.3.2 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant In de Verordening Ruimte van de provincie Noord-Brabant, wordt wat betreft duurzame energie met name ingegaan op windmolens en zonne-energie. Hierna wordt omschreven wat in de interim omgevingsverordening Noord-Brabant is opgenomen.
In de Nota van wijziging op de Interim Omgevingsverordening zijn over het algemeen tekstuele aanpassingen doorgevoerd om de gebruikte terminologie beter op elkaar af te stemmen Deze algemene tekstuele aanpassingen brengen geen inhoudelijke wijzigingen met zich mee.
A. Provinciale voorwaarden windmolens De provincie ondersteunt onder de volgende voorwaarden de ontwikkeling van windenergie, als: a. De windturbines inpasbaar zijn in de omgeving; b. er sprake is van een geclusterde opstelling van minimaal 3 windturbines; Pagina 9 van 42
BL20-14171
c.
de ontwikkeling een maatschappelijke meerwaarde geeft, waaronder de mogelijkheid voor de omgeving om te participeren in het project; d. de ontwikkeling op regionaal niveau is afgestemd met omliggende gemeenten en de netwerkbeheerder, gelet op de ontwikkeling van overige duurzame energie initiatieven in de omgeving. e. de omgevingsvergunning geldt voor een bepaalde termijn, die ten hoogste 25 jaar bedraagt; f. na het verstrijken van de termijn wordt de vóór de verlening van de omgevingsvergunning bestaande toestand hersteld en worden de windturbines verwijderd, hiervoor wordt financiële zekerheid gesteld.
B. Provinciale voorwaarden zonne-energie In toenemende mate worden er initiatieven ontwikkeld voor het opwekken van zonne-energie. De verordening biedt daartoe reeds mogelijkheden op daken. ▪ Zonnevelden Voor grondgebonden zonneparken bestaan er mogelijkheden in stedelijk gebied, in zoekgebieden verstedelijking en op bestaande locaties in het landelijk gebied zoals rioolzuiveringsinstallaties, stortplaatsen en ook op vrijkomende agrarische locaties tot een omvang van 5000 m 2. De voorkeur van het beleid gaat uit naar plaatsing van zonnepanelen op daken of op braakliggende gronden in of aansluitend op bestaand stedelijk gebied. Dat heeft het voordeel dat ze dicht bij de gebruiker en energiesystemen worden geplaatst wat bijdraagt aan een zorgvuldig ruimtegebruik en effectief is vanuit kostenminimalisatie. Daarnaast biedt de regeling ook de mogelijkheid om zonnevelden te ontwikkelen in het buitengebied (Groenblauwe Mantel of Gemengd Landelijk Gebied). Hieraan zitten de volgende voorwaarden: a. uit onderzoek blijkt dat de capaciteit voor het opwekken van duurzame energie in Stedelijk gebied, op bestaande bouwpercelen en rekening houdend met de ontwikkelingsmogelijkheden van windenergie onvoldoende is; b. de nieuwvestiging past in het onderzoek naar geschikte locaties voor zelfstandige opstellingen van zonnepanelen, gelet op zorgvuldig ruimtegebruik en omgevingskwaliteit; c.
de ontwikkeling qua omvang inpasbaar is in de omgeving; d. de ontwikkeling een maatschappelijke meerwaarde geeft; e. de ontwikkeling op regionaal niveau is afgestemd met omliggende gemeenten en netwerkbeheerder, gelet op de ontwikkeling van overige duurzame energie initiatieven in de omgeving. ▪ Maatschappelijke meerwaarde In de voorwaarden is een bepaling opgenomen rondom maatschappelijke meerwaarde. Naarmate de inbreuk op de basisregels groter is, verwacht de provincie een grotere inspanning op het gebied van een bijdrage aan maatschappelijke doelen. Als er, in afwijking van de reguliere omvang van 5000 m2 voor niet-agrarische functies, een zonnepark wordt gerealiseerd van 10 hectare, kan dit bijvoorbeeld bijdragen aan de sloop van vrijkomende opstallen elders. De maatschappelijke meerwaarde wordt onderbouwd vanuit de volgende criteria: a. de mate van meervoudig ruimtegebruik; b. de maatregelen die getroffen worden om de impact op de omgeving te beperken; c. de bijdrage die wordt geleverd aan andere maatschappelijke doelen. ▪ Tijdelijkheid De provincie gaat er vanuit dat de realisatie van zonneparken tijdelijk van aard is.
De technologische ontwikkeling voor het opwekken van zonne-energie gaat steeds sneller en verder waardoor er steeds meer mogelijkheden ontstaan voor meervoudig ruimtegebruik zoals op daken (op het noorden), op muren, geïntegreerd in ruiten, op wegen, enzovoorts. Zodoende is de sanering van een zonnepark een voorwaarde die dient te worden gesteld aan het plan van de ontwikkelende partij. Daarbij worden aan de aan de omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorwaarden verbonden: a. de omgevingsvergunning geldt voor een bepaalde termijn, die ten hoogste 25 jaar bedraagt; Pagina 10 van 42
BL20-14171
b. na het verstrijken van de termijn wordt de vóór de verlening van de omgevingsvergunning bestaande toestand hersteld en wordt de opstelling voor zonne-energie verwijderd, hiervoor wordt financiële zekerheid gesteld. ▪ Omgevingsvergunning Vanwege dit tijdelijke karakter van zelfstandige opstellingen voor zonne-energie is de ontwikkeling uitsluitend mogelijk middels een omgevingsvergunning, om te kunnen afwijken van het geldende bestemmingsplan. Aan een dergelijke vergunning kan een termijn worden verbonden en de voorwaarde dat na afloop van de termijn de situatie van vóór de vergunningverlening wordt hersteld. Vertaling provinciaal beleid in Visie Duurzame Energie Buitengebied Best Om de provincie te voorzien in de behoefte aan een gedegen ruimtelijke onderbouwing bij initiatieven in het buitengebied, anders dan passend binnen de interim omgevingsverordening, is deze visie opgesteld. De visie gaat in op aspecten als: ▪ Wat is de energiebehoefte? ▪ Hoe kan daarin worden voorzien? ▪ Waar kan deze behoefte het beste worden gerealiseerd? ▪ Welke randvoorwaarden worden er gehanteerd vanuit ruimtelijke kwaliteit/zorgvuldig ruimtegebruik?
2.4
Regionaal beleid Metropoolregio Eindhoven: Regionale Energiestrategie (RES)
De gemeente Best werkt regionaal momenteel samen met de Metropoolregio Eindhoven om tot de Regionale Energiestrategie (RES) te komen. De RES richt zich op het opwekken van duurzame elektriciteit, CO2- en energiebesparing en op duurzame warmte. Onderdeel van deze RES is een opgave aan grootschalige energie-opwek die lokaal ingevuld wordt. Dit betekent concreet dat voor deze opgave er ook in Best een taak ligt om bijvoorbeeld zonnevelden en/of windmolens te plaatsen. De opgave voor Best moet nog bepaald worden.
2.5
Lokaal beleid gemeente Best
2.5.1 Ambitie: gemeente Best energieneutraal De gemeente Best heeft in de opgave met betrekking tot duurzaamheid en klimaat de ambitie om energieneutraal te zijn. Voor het tempo wordt aangesloten bij de Metropoolregio Eindhoven (MRE) met de ambitie om ‘de eerste energieneutrale regio’ te zijn. Best hanteert voor haar ambities de volgende definitie voor energieneutraal: Alle benodigde energie (na
besparing) in de gehele gemeente Best wordt opgewekt uit duurzame, ook wel hernieuwbare bronnen (zoals zon en wind). 2.5.2 Structuurvisie & Nota van Uitgangspunten buitengebied De gemeente Best is bezig met de herziening van het geldende Bestemmingsplan buitengebied. Voor dit traject zijn inmiddels de structuurvisie voor het buitengebied en de nota van uitgangspunten gerealiseerd. ▪ Nota van uitgangspunten bestemmingsplan Buitengebied Op 2 oktober 2017 heeft de gemeenteraad de “Nota van uitgangspunten bestemmingsplan Buitengebied” vastgesteld. Daarbij is aangegeven dat een visie zal worden opgesteld met betrekking tot duurzame energieopwekking in het buitengebied. Dit document is het resultaat hiervan. ▪ Structuurvisie buitengebied De “Structuurvisie buitengebied. Vitaal vooruitzicht. Samen doen!” is door de gemeenteraad van Best op 4 april 2016 vastgesteld. Deze structuurvisie verbeeldt en verwoordt op hoofdlijnen het gemeentelijke beleid voor natuur en landschap, de agrarische sector, recreatie en andere functies in het landelijke gebied (zie Pagina 11 van 42
BL20-14171
afbeelding 1). Hiermee is de ‘Structuurvisie Best 2030’ uit 2011 herzien voor wat betreft het buitengebied. De structuurvisie vormt tevens de basis voor het nieuwe Bestemmingsplan buitengebied.
Afbeelding 1: Structuurvisie buitengebied: visiekaart (bron: Structuurvisie buitengebied, 2016).
Hieronder wordt nader toegelicht wat er over duurzame energie is opgenomen in de Structuurvisie buitengebied. ▪ Lagenbenadering ruimtelijke opbouw Bij de structuurvisie is uitgegaan van de zogenaamde lagenbenadering. In de onderstaande afbeelding zijn de verschillende lagen in beeld gebracht.
Afbeelding 2: Lagenbenadering schematisch weergegeven (bron: Dauvellier Planadvies)
De lagenbenadering is een methode om de ruimtelijke opbouw te beschrijven. Met de lagenbenadering wordt de ruimte in drie afzonderlijke lagen verdeeld. De drie lagen zijn ieder op verschillende wijze aan verandering onderhevig. De volgende lagen worden onderscheiden.
Pagina 12 van 42
BL20-14171
1. Ondergrond De onderste laag betreft de ondergrond, het natuurlijke systeem. De ondergrond heeft een lange ontstaansgeschiedenis. Veranderingen hierin verlopen traag. Veel milieuthema’s hebben een verband met de ondergrond, zoals biodiversiteit, natuurontwikkeling en bodem- en waterkwaliteit. Dit komt doordat de ondergrond kwetsbaar is voor aantasting en herstel vaak lange tijd vergt.
2. Netwerklaag De middelste laag is de netwerklaag. Deze laag bestaat uit infrastructuur, zoals wegen en vaarwegen, de energienetwerken en de groene netwerken. Belangrijke veranderingen in de netwerklaag duren circa 20 tot 80 jaar. Voor de stedelijke en economische dynamiek vormen deze netwerken een belangrijke voorwaarde.
3. Occupatielaag De occupatielaag is de bovenste laag. Deze laag heeft een hoge veranderingssnelheid. Een verandering in de occupatielaag voltrekt zich vaak binnen 10 tot 40 jaar. De occupatielaag bestaat uit patronen die ontstaan door menselijk gebruik van de netwerklaag en de ondergrond, de zogenoemde verstedelijkingspatronen. Woonwijken, bedrijventerreinen en andere stedelijke gebieden zijn voorbeelden van patronen in de occupatielaag. Bij de afweging van mogelijkheden voor duurzame energie in het buitengebied van Best is rekening gehouden met de (waarden van de) verschillende lagen.
Pagina 13 van 42
BL20-14171
3. Energievormen en analyse opgave Best energieneutraal 3.1
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de verschillende mogelijke vormen van duurzame energieopwekking. Met duurzame energieopwekking kan elektriciteit of warmte worden gerealiseerd. Daarnaast is ook de energieopgave van Best in beeld gebracht en worden deze verhelderd met referenties. Er zijn verschillende mogelijkheden en kansen die ingezet worden om invulling te geven aan de verduurzaming van de energiebehoefte. Het gaat hier onder meer om de volgende: ▪ Energiebesparing. ▪ Duurzame vormen van energie, waarvoor geen of beperkte ruimtelijke inpassing nodig is. ▪ Zonnepanelen of warmtecollectoren op daken van woningen, bedrijven en loodsen/schuren. ▪ Duurzame vormen van energie die ruimtelijke inpassing behoeven (zoals zonnevelden en windmolens) op passende plekken in de bebouwde omgeving. ▪ Duurzame vormen van energie die ruimtelijke inpassing behoeven (zoals zonnevelden en windmolens) op passende plekken in het buitengebied.
3.2
De zonneladder
De hierboven beschreven mogelijkheden zijn onder te verdelen in de drie treden van de zonneladder (bron: RES MRE).
Afbeelding 6; zonneladder Concept-RES MRE.
Pagina 14 van 42
BL20-14171
Het uitgangspunt bij de zonneladder is dat we op elke trede optimaal benutten. Tegelijk weten we dat trede 1 en 2 niet voldoende zijn om genoeg duurzame energie op te wekken, zodat ook trede 3 aan de orde is. Gezien de opgave lopen deze deels parallel. Uit eerder onderzoek1 blijkt dat we 190 hectare aan zonnepanelen op daken in de bebouwde kom zouden kunnen leggen. Dat betekent dat er zelfs bij volledige dakbezetting nog steeds 39 hectare in het buitengebied nodig is. Daarnaast komt er dus nog een deel van de warmtevraag bij. We kunnen de hoeveelheid energie die we in het buitengebied moeten opwekken beperken door de volgende methoden: - Energiebesparing in de gemeente. Als we minder elektriciteit en warmte gebruiken, hoeven we ook minder op te wekken. - Zo energiezuinig mogelijke nieuw- en verbouw. We gaan als gemeente de komende tijd waarschijnlijk nog groeien in inwonersaantal. Dat betekent dat er ook meer vraag naar energie zal zijn. Door de woningen zo energiezuinig mogelijk te maken, en de wijken bij oplevering al zelfvoorzienend te laten zijn, hoeft er minder energie in het buitengebied opgewekt te worden - Gebruik maken van warmtebronnen. Een van de momenteel bekende en veel toegepaste manieren om een woning te verwarmen is het gebruik van een warmtepomp. Deze warmtepomp gebruikt erg veel elektriciteit.
Als we als alternatief gebruik kunnen maken van bijvoorbeeld warmte uit waterstromen of restwarmte van bedrijven kunnen we die extra elektriciteitsvraag besparen. - Energie van buiten de gemeente of zelfs andere regio of land halen. Met de regio lopen de gesprekken wel, maar de andere opties maken nu nog geen onderdeel uit van de afspraken die gemaakt worden. Initiatiefnemers van (grootschalige) energieopwekking moeten hun initiatief onderbouwen met toepassing van de zonneladder. Tegelijkertijd is deze voor de gemeente Best een kader om met ook energieopwekking in de bebouwde kom te stimuleren.
3.3
Vormen van duurzame energie
Er zijn verschillende vormen van opwekking van duurzame energie. In deze paragraaf komen de verschillende vormen van duurzame energie en hun ruimtegebruik aan de orde voor de situatie van Best. Een belangrijke voorwaarde bij de aanleg van systemen voor de opwekking van duurzame energie is het rekening houden met de landschappelijke waarden en bodem- en flora- en faunawaarden.
3.3.1 Zonne-energie De relatief lage bebouwingsdichtheid in het buitengebied biedt onder zorgvuldige voorwaarden ook ruimte voor opwekking van duurzame energie. Bij de (grootschalige) productie van zonne-energie zijn de toepassing van zonnepanelen of zonnecollectoren op stallen en de inrichting van zonnevelden hiervan voorbeelden.
3.3.2 Windmolens Het plaatsen van windmolens kan een positieve bijdrage leveren aan het verduurzamen van de energiebehoefte. Over de volledige levenscyclus zijn windmolens waardevol qua opwek van duurzame energie en blijken op dit moment een goede duurzame oplossing2. De landschappelijke inpasbaarheid en risicozonering van dergelijke installaties zijn hierbij wel een aandachtspunt. Kleinschalige, locatie-gebonden vormen van windenergie zijn op geschikte locaties met een goede ruimtelijke onderbouwing mogelijk.
1
Onderzoek van Deloitte naar geschiktheid van dakoppervlak voor zonnepanelen
2
Rapport van het Climate Action Plan team de Universiteit van Illinois, Erwin Lavric, Sara Pattison, Haven Richardson, Carter Wood Pagina 15 van 42
BL20-14171
De zoekgebieden voor grootschalige windmolens zijn in Best beperkt tot kleine mogelijkheden in het noordoosten en het oosten van Best. Voor deze potentiele mogelijkheden wordt verwezen naar de kaart in hoofdstuk 5 van deze visie. Belangrijk bij een mogelijke realisering is de voorwaarde dat volgens provinciaal beleid er altijd sprake moet zijn van een project met minimaal 3 windmolens. In hoofdstuk 5 zijn voor de grootschalige windmolens de mogelijkheden met veiligheidscirkels in beeld gebracht op de kaart van de gemeente Best.
3.3.3 Waterstof Om te zorgen dat Nederland in 2050 een duurzaam energie-, opslag- en grondstofsysteem heeft, wil Nederland gebruik maken van waterstof als energiedrager. Waterstof zelf kan dan gebruikt worden om elektriciteit op te slaan als er meer zonne- of windenergie wordt geleverd dan de vraag. Dit kan dan op een ander moment weer worden omgezet naar elektriciteit of worden benut als groen gas. Ook voor het systeem om duurzame elektriciteit op te slaan in waterstof is ruimtelijke inpassing nodig. De ruimtevraag is echter minder dan bij een zonneveld. Waterstof is nog weinig aanwezig en het kost veel energie om het te produceren. Vanwege de hoogwaardige kwaliteit van het gas zal het zeer waarschijnlijk grotendeels gebruikt gaan worden voor hoogwaardige industrie. De waterstofladder van natuur en milieu laat dit duidelijk zien.
Afbeelding 3; de waterstofladder (bron: Natuurenmilieu.nl). Pagina 16 van 42
BL20-14171
3.3.4 Aquathermie, riothermie Aquathermie gaat over het gebruik van warmte uit water. Met de warmte die uit water wordt gehaald, kan een warmtenet woningen verwarmen, direct of in veel gevallen met behulp van een warmte-koude opslag (WKO). Dat kan drinkwater zijn of oppervlaktewater zijn, zoals kanalen, rivieren en meren of afvalwater uit het riool (riothermie). Riothermie betekent letterlijk: warmte uit het riool. Rioolbuizen zijn warm, doordat veel afvalwater warm is als het wegspoelt. Denk hierbij aan douchewater of het water waarmee we onze handen wassen. Om die warmte op te vangen, kunnen rioolbuizen omwikkeld worden met leidingen of worden deze buizen in een soort schaal gelegd. De vloeistof in die leidingen of die door de schaal stroomt, warmt daardoor op. Vervolgens brengt een elektrische warmtepomp de temperatuur op een bruikbaar niveau voor de verwarming van een gebouw of gebouwen en zorgt zo voor een goed binnenklimaat. 4 Riothermie wordt vaak op het niveau van een gebouw/gebouwen toegepast en is, zoals de naam al zegt, gekoppeld aan de rioolleidingen. 5 Aquathermie wordt voornamelijk dichtbij of in de bebouwde kom toegepast. Bij warmte geniet het namelijk de voorkeur dat de warmtebron zo dicht mogelijk bij de warmtevraag ligt. Dit omdat de infrastructuur een groot deel van de kosten bepaald en het warmteverlies beperkt wordt door kortere afstanden.
Daarnaast is warmte uit oppervlaktewater altijd verbonden aan een buffer of warmte-koude opslag. Ook bij Riothermie is dit vaak een verstandige optie De ruimtevraag van aquathermie is minimaal, aangezien een groot deel onder de grond zit. Voor het bovengrondse deel geldt eveneens ruimtelijke inpassing.
3.3.5 Geothermie, aardwarmte Warmte uit dieper gelegen aardlagen wordt al langere tijd in Nederland gebruikt. De diepte van putten varieert tussen de 500 - 4.000 meter. Hierbij wordt heet water omhoog gepompt. Afhankelijk van de diepte is dit water 40-120°C is. Hierbij worden twee putten of meer geboord: één pompt warm water omhoog en één pompt het afgekoelde water weer terug in de grond. Voor geothermie geldt net als voor aquathermie dat een groot deel van het systeem zich onder de grond bevindt. Zodoende is er een beperkt deel wat om ruimtelijke inpassing vraagt. De ondergrond van het buitengebied van Best lijkt minder geschikt voor geothermie. De onderzoeken naar de mogelijkheden van geothermie in de regio lopen nog.
3.3.6 Biomassa Biomassa is een verzamelbegrip voor verschillende technieken waarop energie uit Een biomassa-installatie of -centrale is een energiecentrale waarbij door middel van verbranding van biomassa, elektriciteit, warm water en warmte worden verkregen. Te denken valt aan het gebruik van agrarische restproducten ten behoeve van de productie van energie, bioplastics of bio-raffinage. De verwaardingsketen van biomassa hieronder laat zien dat het gebruik van biomassa voor energie minder waarde aan de maatschappij toevoegt, terwijl het meer volume gebruikt dan andere mogelijkheden. Grond gebruiken om voedsel te verbouwen of hout gebruiken voor materialen biedt meer toegevoegde waarde aan de maatschappij. Biomassa als restproduct kan wel gebruikt worden. Dit heeft geen hogere toegevoegde waarde voor andere processen. Dit gaat meestal om kleinschaligere mogelijkheden.
Pagina 17 van 42
BL20-14171
Afbeelding 4: Verwaardingsketen (bron: Virida, 2018).
3.3.7 Schaliegas De gemeente Best werkt niet mee aan de winning van delfstoffen als bijvoorbeeld schaliegas. Enerzijds omdat dat niet zonder risico’s is, bijvoorbeeld voor de grondwaterstand- en kwaliteit. Anderzijds omdat de gemeente inzet op duurzamere vormen van energie.
3.4
Analyse van de opgave Best energieneutraal
Uitgaande van de ambitie van de gemeente Best om energieneutraal te zijn is een analyse gedaan van de opgave voor het opwekken van de benodigde duurzame energie. Eerst wordt ingegaan op de behoefte en de benodigde capaciteit, vervolgens worden de geformuleerde doelen en uitgangspunten nader toegelicht, waarna aan de hand van aanwezige, erkende waarden, de mogelijkheden en onmogelijkheden voor het toepassen van duurzame energie (voornamelijk zonne-energie en windmolens) in het buitengebied worden omschreven.
3.4.1 Behoefte en benodigde capaciteit Berekening zonnepanelen per hectare Gemiddeld wekt één zonnepaneel 225 kWh per jaar op. Hierbij is rekening gehouden met een correctie omdat de panelen niet altijd onder de ideale conditie liggen. Één hectare zonnepanelen wekt zo’n 3,2 TJ per jaar aan elektriciteit op. Dit is gebaseerd op twee verschillende studies en praktijkvoorbeelden 3. Praktijkvoorbeeld 1: Op een oppervlakte van 9.1 hectare liggen 36.000 zonnepanelen. Dat zijn 3956 zonnepanelen per hectare. Daarmee wordt 890.100 kWh per jaar opgewekt. Dit staat gelijk aan 3,2 TJ per hectare per jaar. Praktijkvoorbeeld 2: Op een oppervlakte van 4,5 hectare zijn 13.440 zonnepanelen geplaatst die samen 4 miljoen kWh per jaar opwekken. Dit zijn 2986 zonnepanelen per hectare. In dit geval wordt er per hectare 888.889 kWh per jaar opgewekt. Dat staat gelijk aan 3,2 TJ per hectare per jaar.
Berekening windmolens Er zijn verschillende soorten windmolens. Een gemiddelde windmolen heeft een vermogen van 2 tot 3 Mega Watt (MW). Één windmolen met een vermogen van 3 MW wekt gemiddeld 6,75 miljoen kWh per jaar op. Dit staat gelijk aan 24,3 TJ per jaar4. Intussen zijn er ook Windmolens met een vermogen van 5,6 MW. Deze windmolens wekken 12,6 miljoen kWh per jaar op, ofwel 45,4 TJ. 3
Bronnen opwek zonnepanelen: • •
4
•
Windcentrale (3 mei 2019): https://www.windcentrale.nl/blog/windmolens-of-zonnepanelen/. Energie Leveranciers (3 mei 2019): https://www.energieleveranciers.nl/zonnepanelen/opbrengst-zonnepanelen. Provincie Overijssel (3 mei 2019): http://www.overijssel.nl/thema's/economie/nieuwe-energie/nieuwe-energie/zonne-energie/
Bronnen opwek windmolens: Pagina 18 van 42
BL20-14171
Totale energieverbruik binnen de gemeente Best Afbeelding 4 geeft het totale verbruik van elektra en gas in de gemeente Best weer. Het verbruik dat afkomstig is van vervoer is hier niet in meegenomen. Het verbruik van elektra is leidend voor dit document, omdat de warmtevraag (gas) ook op een andere manier opgelost kan worden. In het overzicht is ook aangegeven hoeveel elektriciteit er gemiddeld opgewekt kan worden per methode per jaar (zon/wind).
Laatste gegevens (2018)
ex. Vervoer
Totaal
Elektra
Gas
1704 TJ
732 TJ
972 TJ
hectare zonnepanelen
533
229
304
voetbalvelden
812
349
463
70
30
40
aantal Terra Joule zonnepanelen windmolens
Methode 1 hectare met zonnepanelen 1 voetvalveld met zonnepanelen 1 windmolen met een vermogen van 3 MW 1 windmolen met een vermogen van 5,6 MW Hectare zonnepanelen per windmolen van 3 & 5,6 MW
Verwachte opgewekte elektriciteit per jaar 3,2 TJ 2,1 TJ 24,3 TJ 45,4 TJ ca. 7,6 HA & ca. 14,2 HA
Afbeelding 5: Totaal verbruik in gemeente Best in 2017 (bron: Klimaatmonitor)
Wellicht is de uiteindelijke opgave enigszins beperkter want Best streeft ernaar om het energieverbruik te beperken. Daarnaast zijn er nog andere mogelijkheden voor het opwekken van duurzame energie denkbaar dan enkel door gebruik te maken van zon en wind. Echter, het is duidelijk dat de berekende opgave voor het realiseren van duurzame opwek, ambitieus is. Daarbij kan het compenseren van het gas- en elektriciteitsverbruik door het toepassen van zonnepanelen en/of het plaatsen van windmolens zeker niet alleen in de bebouwde kom of alleen in het buitengebied van Best worden gerealiseerd.
3.4.2 Een referentie om een beeld te vormen Om mensen een beeld te geven van de opgave wordt deze omgerekend naar voetbalvelden 5. Om een indruk te krijgen hoe deze aantallen voetbalvelden met zonnepanelen en het aantal windmolens zich verhouden tot de oppervlakte van het buitengebied van de gemeente Best, volgt hierna een toelichting. ▪ Referentie opgave met windmolens Om het totale gas- en elektriciteitsverbruik (anno 2017) te compenseren zouden 68 windmolens nodig zijn (hierbij is uitgegaan van een windmolen met een vermogen van 3MW). ▪ Referentie opgave met zonnevelden Ter compensatie van het gasgebruik zijn circa 463 voetbalvelden met zonnepanelen nodig. Voor het duurzaam opwekken van de elektriciteitsvraag circa 349 voetbalvelden. Samen zijn dit circa 812
• •
Natuur en Milieu Federatie Utrecht (NMU): https://www.nmu.nl/hrf_faq/hoeveel-elektriciteit-levert-windmolen-eigenlijk/. Windenergie (initiatief van ministerie van Economische Zaken, ministerie van Infrastructuur & Milieu, RVO): https://www.windenergie.nl/windenergie-op-land/feiten-en-cijfers. 5 Voetbalvelden kennen verschillende grootten, maar voor de consistentie houden wij een gemiddelde afmeting van 65 meter bij 100 meter aan. De oppervlakte van de voetvalvelden waar wij mee rekenen is daardoor 6500 vierkante meter. Dit staat gelijk aan 0,65 hectare. Als er 3,2 TJ aan elektriciteit opgewekt kan worden op één hectare met zonnepanelen, dan kan er 2,1 TJ (0,65 x 3,2) aan elektriciteit opgewekt worden op een voetbalveld vol met zonnepanelen. Pagina 19 van 42 BL20-14171
voetbalvelden met een omvang van 65x100 m. per veld. Dit komt neer op bijna 533 hectaren. Terwijl de bebouwde kom van Best iets minder dan 1.000 hectaren groot is. Dit houdt in dat ruim 51% van de bebouwde kom van Best zou moeten worden voorzien van zonnepanelen om het gasverbruik en elektriciteitsverbruik uit 2017 te compenseren 6. Hier staat aan de ene kant tegenover dat warmte gedeeltelijk met andere warmtebronnen opgevangen kan worden. Dat zal oppervlakte schelen. Aan de andere kant is lang niet de hele bebouwde kom van best te voorzien van zonnepanelen: We moeten hier ook rekening houden met wegoppervlak, velden, en andere plekken. Daarnaast is niet elk dak geschikt voor zonnepanelen. Uit onderzoek van Deloitte blijkt dat in een gunstig geval 190 hectare aan dakoppervlak in Best geschikt is voor zonnepanelen.
3.4.3 Sturing op projecten en kwaliteit Uit de visie komt vaker naar voren dat het nu nog niet helemaal vaststaat hoe veel elektriciteit er uiteindelijk in het buitengebied opgewekt moet worden. Dit is nog afhankelijk van hoe veel energie we kunnen besparen, waar mogelijkheden liggen tot samenwerkingen met buurgemeenten en hoe we omgaan met de warmtetransitie. Wel weten we dat er in ieder geval 1704 TJ elektriciteit opgewekt moet worden. We willen natuurlijk niet het hele buitengebied vol leggen. Voor elk initiatief is een bestemmingswijziging met uitgebreide onderbouwing noodzakelijk. Op basis van deze visie kan de gemeente sturen op locaties (waar wel en waar niet) en heeft zij uitgebreide voorwaarden en kaders die worden toegepast. Op deze manier houden we als gemeente controle over met name de kwaliteit en zo nodig ook de hoeveelheid van projecten. In het volgende hoofdstuk worden deze voorwaarden, kaders en uitgangspunten nadrukkelijk toegelicht.
6
De bebouwde kom bestaat gemiddeld voor de helft uit openbaar gebied en voorzieningen; wegen, straten, (fiets)paden, speelplekken, parkeren, groen, park; en voor de andere helft uit particulier terrein; (merendeels) woningen, tuinen, winkels en kantoren. Voor bijvoorbeeld daken van woningen blijft er in de praktijk in het gunstigste geval minder dan de helft van de daken van woningen over. Pagina 20 van 42 BL20-14171
4. Uitgangspunten en kaders duurzame energieopwekking 4.1
Algemene uitgangspunten en kaders duurzame energieopwekking
Wanneer wordt gesproken over duurzame energie in een buitengebied kan aan verschillende vormen van duurzame energie worden gedacht. Dit document richt zich op energiebronnen waar ruimtelijke inpassing een grote rol speelt, zoals met name wind- en zonne-energie7. De volgende uitgangspunten en kaders zijn van belang:
4.1.1 Maximale hoeveelheid hectaren zonnevelden buitengebied Voor wat betreft de aanleg van zonnevelden in het buitengebied van Best wordt tot het jaar 2026 maximaal 20 hectaren aan zonnevelden toegestaan.
4.1.2 Tijdelijkheid voorzieningen duurzame energie Bij het opstellen van deze visie is uitgegaan van de kennis en informatie die op dit moment voor handen is. De ontwikkelingen op het vlak van duurzame energie volgen elkaar in een hoog tempo op. Vanuit de verwachting dat de techniek grote stappen voorwaarts maakt, zet de gemeente Best in op tijdelijkheid van voorzieningen voor duurzame energie. De voortgang in de techniek kan er bijvoorbeeld toe leiden dat op termijn veel minder omvangrijke zonnevelden hoeven te worden aangelegd voor het opwekken van dezelfde hoeveelheid energie, omdat de zonnecellen een steeds grotere capaciteit krijgen. Om ook het landschap van de gemeente Best niet permanent in te zetten ten behoeve van duurzame energie, dienen de voorzieningen voor duurzame energie tijdelijk te zijn. Zodoende is sanering een voorwaarde die wordt gesteld aan het plan van de ontwikkelende partij. Een uitzondering hierop vormen zonnepanelen/windmolens op daken. In deze visie gaat de gemeente Best er dus vanuit dat de voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie voor 25 jaar worden toegestaan. Na deze 25 jaar moeten ze worden verwijderd en dit wordt juridisch geborgd (zie onderstaand).
4.1.3 Geen rechtstreekse toelating, maar eigenstandige procedure Uitgangspunt is dat toe te passen duurzame energiebronnen voldoen aan wet- en regelgeving wat betreft algemene milieu- en veiligheidsnormen. Het opwekken van duurzame energie in het buitengebied wordt niet rechtstreeks geregeld en toegestaan in het bestemmingsplan Buitengebied. De initiatieven volgen een eigenstandige procedure met de daarbij behorende voorwaarden zoals het voeren van een omgevingsdialoog. Het betreffen dan ook buitenplanse ontwikkelingen die toegestaan kunnen worden via een omgevingsvergunning. Deze wordt verleend met een toegestaan gebruik voor een periode van maximaal 25 jaar (vanwege de tijdelijkheid, zie boven).
4.1.4 Landschapsinvesteringsregeling (LIR) De (nieuwe) landschapsinvesteringsregeling is december 2019 door de gemeenteraad vastgesteld. De realisatie van zonnevelden buiten bestaand stedelijk gebied (met uitzondering van de aanleg op de daken van woningen, bedrijven, schuren en stallen), wordt gezien als een ontwikkeling (categorie 3) waarvoor een bijdrage in het Landschapsinvesteringsfonds van de gemeente Best wordt gevraagd. De gevraagde bijdrage is naast een landschappelijk inpassing €1,- per netto m² zonneveld. Het geldbedrag wordt gestort in een gemeentelijk fonds waarmee landschapsbouw en –beheer in de gemeente Best kunnen worden bekostigd.
7
De andere vormen van duurzame energie, waar beperkte ruimtelijke inpassing voor nodig is, zoals aardwarmte (geothermie), aquathermie (zoals riothermie) worden zodoende hier minder belicht, maar worden wel op haalbaarheid onderzocht. De kansen die hieruit naar voren komen, wil de gemeente Best namelijk graag benutten. Pagina 21 van 42 BL20-14171
4.1.5 Participatie bij energieopwekking Momenteel wordt voor de regionale energiestrategie (RES) van Metropoolregio Eindhoven (MRE) in de Werkgroep Participatie en Eigendom (WG P&E) in kaart gebracht wat de uitgangspunten, kaders en mogelijkheden zijn om: ▪ maximaal draagvlak te creëren; ▪ maximaal de revenuen lokaal te benutten; ▪ maximaal lokaal eigendom te realiseren. Dit zijn belangrijke uitgangspunten bij de realisatie van duurzame energieopwekking. ▪ Participatie en omgevingsvergunning Als aanvullende eis bij aanvraag voor een [omgevings]vergunning geldt daarom dat bij het te ontwikkelen project minimaal 50% lokaal eigendom wordt gerealiseerd en op de best mogelijke wijze invulling wordt gegeven aan hoe bovenstaande aspecten worden geborgd. Daarvoor verwijzen wij aanvragers naar de laatste versie van het document van de WG P&E. Hieronder worden de begrippen participatie en eigendom nader toegelicht.
Klimaatakkoord In het klimaatakkoord is voor grootschalige opwek van elektriciteit het streven naar 50%-participatie omschreven. Dit als middel om te komen tot draagvlak. ▪ Drie participatievarianten Er zijn drie varianten van participatie te onderscheiden. Deze worden hieronder uitgelegd.
a. Procesparticipatie Dit betreft het betrekken van de belanghebbenden (‘de omgeving’) bij het besluitvormingsproces en hun daar ook daadwerkelijk een stem in geven. Termen als ‘ontwerpparticipatie’ en ‘ontwikkelparticipatie’ vallen hier onder. Deze participatie richt zich met name op vragen als ‘wat, hoe en waar’ van een project. Compensatie of andere financiële componenten spelen hier nog geen rol. De lokale component des te meer; juist de inspraak van omwonenden is bepalend voor hoe een project vorm kan worden gegeven. Het tijdig aanhaken van de belanghebbenden is hier van belang. Een omgevingsovereenkomst wordt tijdens procesparticipatie opgesteld.
b. Sociale participatie Deze vorm van participatie zorgt ervoor dat de omgeving als geheel kan meegenieten van de opbrengsten van een project. Deze opbrengsten komen ten goede van duurzame projecten voor de omwonenden/inwoners in brede zin. In essentie zorgt deze vorm van participatie ervoor dat inwoners die niet de middelen of de wens hebben om daadwerkelijk financieel te participeren – zie volgende stap – tóch in zekere zin financieel betrokken zijn; ze genieten als lokale gemeenschap mee van de opbrengsten. Denk hierbij aan zaken als bijvoorbeeld een gebiedsfonds, of korting op de energierekening. Deze vorm van participatie komt – vanwege het gedeeltelijke financiële component – vrijwel volledig overeen met de in de participatiewaaier genoemde passieve financiële participatie. Het uitgeven van obligaties scharen wij echter onder de volgende, hieronder genoemde variant van participatie.
c. Financiële participatie Dit betreft participatie die een stap verder gaat dan meegenieten van de (geldelijke) opbrengsten van een project; van participanten wordt daadwerkelijk een financiële inleg verlangd. Deze vorm van participatie komt grotendeels overeen met de in de participatiewaaier genoemde actieve financiële participatie. ▪ Volledig of gedeeltelijk eigenaarschap
Pagina 22 van 42
BL20-14171
Dit wordt bedoeld met tenminste 50% lokaal eigendom: inwoners en organisaties in de gemeente zijn volledig of gedeeltelijk eigenaar van een energiepark en leveren (indirect) het eigen vermogen, en dragen de risico’s. Dit kan gaan in samenwerking met de gemeente of een nog nader te bepalen organisatievorm. ▪ Aandelen of obligaties inwoners of partijen in de gemeente kunnen via obligaties of investeringen een deel van de investering doen waar ze rendement over ontvangen, of kunnen ze een deel van de energieopbrengst van het veld inkopen. Er wordt hierbij een verschil gemaakt tussen actieve en passieve financiële participatie. Bij passieve financiële participatie lopen de participanten geen risico’s. Dit is eigenlijk nog onderdeel van de sociale participatie: het is een tegemoetkoming aan de omgeving om het draagvlak te verhogen. De actieve participatie verwacht een financiële inleg van participanten. Daarmee dragen ze een risico en worden ze gedeeld eigenaar van de projecten.
4.1.6 Meerwaarde creëren Het buitengebied heeft voor Best grote waarde. Daarom wordt van initiatiefnemers verwacht dat er een (blijvende) bijdrage wordt geleverd aan maatschappelijke doelen en/of de ontwikkeling van het landschap. Meerwaarde kan worden gecreëerd op meerdere manieren. Naast een landschappelijk passende inplanting, kan het hierbij bijvoorbeeld ook gaan om bijenkasten en beplanting met het oog op de biodiversiteit langs en tussen zonnepanelen. Vanuit het belang om zorgvuldig om te gaan met de schaarse beschikbare ruimte, heeft meervoudig ruimtegebruik meerwaarde: de ruimte die gebruikt wordt voor de opwek van duurzame energie wordt dan nuttig gecombineerd met andere functies. Een voorbeeld hiervan zijn combinaties met bebouwing en/of een parkeerterrein. Ook een bijdrage aan andere opgaven in de fysieke leefomgeving geeft meerwaarde. Hierbij valt te denken aan de sloop van vrijkomende (agrarische) opstallen of het verwijderen van verharding. Dit zijn slechts enkele mogelijkheden: deze lijst is niet volledig, er zijn ook andere mogelijkheden om meerwaarde te creëren. Het is aan de initiatiefnemer om een meerwaarde aan te leveren en te onderbouwen in het project.
4.1.7 Integrale duurzame oplossingen De opwek van duurzame energie in het buitengebied is nodig om genoeg duurzame energie te creëren en een duurzame toekomst te verzekeren. We moeten daarbij voorkomen dat de oplossing erger is of wordt dan de kwaal. Energieparken moeten dus verzekeren dat ze niet alleen duurzame energie aanbieden, maar ook duurzaam gerealiseerd worden en duurzaam met de omgeving omgaan. Daarom wordt van initiatiefnemers verwacht dat er gebruik wordt gemaakt van duurzame, herbruikbare materialen, en dat er duurzaam om wordt gegaan met de omgeving, zodat deze zijn waarde behoudt of herkrijgt.
4.1.8 Landschappelijke inpassing en ruimtelijke onderbouwing Naast de agrarische functie is het buitengebied van belang als uitloopgebied voor de kern van Best. Vanuit het proces dat is doorlopen in het kader van de structuurvisie voor het buitengebied, is naar voren gekomen dat inwoners en gebruikers het buitengebied dan erg waarderen koesteren. De gemeente Best heeft een relatief compact maar bijzonder buitengebied, dat gekenmerkt wordt door een afwisselend en karakteristiek landschap. Het zuiden en noorden van Best zijn totaal verschillend qua landschap en natuur. In het noorden van Best liggen de laaggelegen broeklandschappen van de Scheeken, de Pailjaart en de Mortelen. In het zuiden van Best liggen de relatief hoog gelegen Nieuwe Heide en Aerlesche Heide. Het is van belang dat initiatieven en projecten voor opwekking van duurzame energie in het buitengebied in de onderbouwing aantonen rekening te houden met de landschapstypen in het buitengebied van Best, te weten de volgende: ▪ Broekontginningen in het noorden. Met laag en vochtig gelegen broekbossen. ▪ Kampenlandschap in het midden. ▪ Heidelandschap in het zuiden. Met hoge en droge heideontginningen- en heidebebossingslandschap.
Pagina 23 van 42
BL20-14171
Afbeelding 7: Landschapstypen in het buitengebied van Best (Croonen Adviseurs, Landschapsontwikkelingsplan Best, 2005).
Initiatiefnemers moeten hun plannen vergezeld laten gaan van een ruimtelijke onderbouwing met een visie op de inpassing het landschap en de omgeving met een inpassingsplan8. De gemeente Best weegt hierbij diverse belangen af zoals aspecten met betrekking tot zorgvuldig ruimtegebruik en (landschappelijke) kwaliteit.
4.2
Specifieke voorwaarden en uitgangspunten bij zonnevelden
Voor de inpassing van zonneparken worden de hierna volgende principes gevolgd. 4.2.1 Inpassing met gebiedseigen beplantingen en/of landschapselementen Elk landschapstype heeft zijn gebiedseigen beplantingen en/of landschapselementen. Bij het ontwerp van het zonnepark moeten deze gebiedseigen beplantingen en/of landschapselementen in acht worden genomen. Voor type beplanting / sortimentskeuze is er een overzicht gemaakt die bij initiatiefnemers zal worden aangeleverd. Daarnaast mogen bestaande gebiedseigen beplantingen en/of landschapselementen omwille van een zonnepark niet verdwijnen. Deze moeten behouden blijven, door bijvoorbeeld beplanting en landschapselementen uit het gebied te gebruiken op de kavel, tussen de panelen en aan de randen. Verdere inpassing wordt gedaan door eigenschappen, flora en fauna van de omgeving te kopiëren. Daarbij moet openheid van het landschap worden gehandhaafd met een passende overgang naar de omgeving/rand. Zowel de algemene rand als de beveiliging om een veld heen moeten passen met de kenmerken van het landschap. Voorbeelden hierbij zijn houtwallen, watergangen of inheemse, streekeigen beplanting om de zijden van de velden. 4.2.2 De landschapsstructuur en landschapstypen zijn leidend Het landschap is de leidende structuur.
Door deze zo veel mogelijk te volgen bij de inpassing, past het ontwerp zo goed mogelijk binnen de aanwezige structuren en minimaliseert het de verstoring in het landschap. De structuur volgen houdt onder andere in dat het veld de hoofdrichting van het landschap volgt, de bestaande verkavelingsstructuur en kavelgrenzen volgt. Ook van belang is dat aangesloten wordt op (natuurlijke) barrières. Het gaat hierbij om aansluiting op bestaande hoofdinfrastructuur zoals de A2.
8
In dit plan zijn tevens de situering van de trafostations en de infrastructuur opgenomen Hierbij valt te denken aan de bereikbaarheid van de locatie van de zonnepanelen en/of windmolens en de bekabeling voor het energietransport. Pagina 24 van 42 BL20-14171
Daarnaast moet bij het plaatsen van zonneparken gelet worden op de karakteristieke zichtlijnen in het landschap, waarbij beeldbepalende en oriëntatie bevorderende elementen als de kerktoren niet aan het oog onttrokken worden.
Volg de hoofdrichting van het landschap
Volg de verkavelingsstructuur Afbeelding 8: verkavelingsstructuur en landschap. Bron: illustraties zijn opgesteld door landschapsarchitecten Vincent Janssen en Corine Zwart van Royal HaskoningDHV.
4.2.3 Afstand tot woningen en objecten/panden met cultuurhistorische waarden9 In het buitengebied is regelmatig sprake van openheid en een zichtveld vanuit de linten en de aanwezige woningen. Dit geeft zowel gebruikers van de linten alsook de bewoners een gevoel van vrijheid.
a) Afstand tot woningen: 100 meter Om te komen tot een zorgvuldige inpassing en beperking van overlast van omwonenden en ook het belang van openheid van linten, wordt in deze visie een verplichte afstand van een zonneveld tot woningen van derden gehanteerd van 100 meter.
b) Afstand tot objecten/panden met cultuurhistorische waarden: 100 meter. Voor een object met cultuurhistorische waarden wordt een afstand van 100 meter gehanteerd om de historische waarden beter tot zijn recht te laten komen in diens landschappelijke setting. Een voorbeeld hiervan zijn historische boerderijen en de kapellen van de De Vleut en Aarle. Door het hanteren van deze maatvoeringen in afstanden ontstaat er de gewenste openheid in de linten en bescherming van zichtlijnen.
9
Zie bijlage 1 voor een analysekaart 100m afstandscirkels over het totaaloverzicht. Pagina 25 van 42 BL20-14171
Houd afstand tot woningen van derden Afbeelding 9: rekening houden met derden. Bron: illustraties zijn opgesteld door landschapsarchitecten Vincent Janssen en Corine Zwart van Royal HaskoningDHV.
4.2.4 Zorg voor de omgeving Zonnevelden moeten de omgeving niet onevenredig aantasten. Het is daarom belangrijk dat bij de inpassing de zorg voor de omgeving wordt meegenomen: a) Plaats panelen niet te dicht op de grond of te dicht tegen elkaar, maar laat ruimte over voor licht en bodemademruimte. b) Zorg voor vegetatie onder de panelen. Pas deze aan op de lokale doelsoorten en inheemse plantensoorten. Probeer uniformiteit te voorkomen, maar kies voor een kruiden- of plantenmix. c) Minimaliseer verharding. Plaats niet meer verharding dan nodig is om de panelen te dragen. Dat geldt dus ook voor de paden tussen de rijen door. d) Handhaaf openheid. De hoogte van de zonnepanelenopstelling varieert in het algemeen van 1 tot 3 meter. De hoogte heeft een belangrijk landschappelijk effect, omdat zichtlijnen vanaf maaiveld worden beperkt. Het gaat dan niet enkel om de panelen zelf, maar ook om de overige voorzieningen (omvormers, transformatoren, enz.). De initiatiefnemer zal moeten verantwoorden/motiveren waarom een bepaalde hoogte op een locatie passend is. e) Onderbouw de impact ten aanzien van hittestress. Wanneer donkere zonnepanelen te dicht op elkaar worden geplaatst hoopt hitte zich op. Door bijvoorbeeld een ruimere opstelling of andere panelen kan dit probleem worden verminderd.