Vaststelling bestemmingsplan 'Weijen 60-62, Nistelrode' - Toelichting
Tekst van het document
Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied. Natuur Netwerk Brabant (NNB) Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijke voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft in zijn Interim omgevingsverordening (Iov) de gebieden opgenomen als Natuur Netwerk Brabant. Men wil in 2027 alle gaten in het netwerk hebben gedicht met nieuwe natuur. Ongeveer 90% van het Natuur Netwerk Brabant wordt gevormd door bestaande natuurgebieden. Tussen deze gebieden is men voornemens om verbindingen te leggen in de vorm van Ecologische verbindingszones. Door deze verbindingen tussen natuurgebieden kunnen dieren van het ene gebied naar het andere foerageren.
Bestemmingsplan – Weijen 60-62, Nistelrode
25
De concrete ambities van de provincie Noord-Brabant staan in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016. De begrenzing van het netwerk is daarnaast ook opgenomen in de Iov. Het NNB kent geen specifiek beschermingsregime, anders dan via het ruimtelijke spoor. Conform de kaart ‘Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden’ van de Iov is binnen het plangebied geen NNB aanwezig, zie navolgende afbeelding. De beoogde ontwikkelingen hebben daarom geen invloed op de concrete ambities uit het Natuurbeheerplan 2016. Daarbij wordt opgemerkt dat door de aanleg van de zorgvuldige landschappelijke inpassing (20% groen binnen het plangebied) de ecologische waarden in de omgeving versterkt zullen worden.
Initiatieflocatie
Afbeelding 16: uitsnede kaart ‘Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden’ Iov (bron: viewer Iov) 4.3.2
Wet natuurbescherming
In de Wet natuurbescherming zijn regels gesteld met betrekking tot gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk liggende bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is al beschermd in het Barro en de provinciale verordening. In Nederland zijn 161 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek, Oeffelter Meent en Kampina & Oisterwijkse Vennen. De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd.
Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Het dichtstbij liggende Natura 2000-gebied betreft Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek, dat op een afstand van circa 17,4 kilometer ligt. Elke ruimtelijke ontwikkeling kan negatieve effecten hebben op de Natura 2000-gebieden. Er zijn namelijk verschillende factoren die kunnen leiden tot de verstoring van beschermde vogel- en
Bestemmingsplan – Weijen 60-62, Nistelrode
26
habitattypen en soorten. Vooral de storingsfactoren verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht spelen hierbij een belangrijke rol, omdat deze ook op grote afstand van een gebied voor effecten kunnen zorgen. Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten, indien een ontwikkeling op korte afstand van een gebied plaatsvindt.
Verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht
Middels het rekenprogramma AERIUS kan de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden worden berekend. Hiermee wordt het effect op verzuring en vermesting in beeld gebracht. Wanneer met het rekenprogramma AERIUS kan worden aangetoond dat een initiatief geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft, kan de ontwikkeling doorgang vinden. Indien er wel sprake is van een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden moet onderbouwd worden hoe deze toename in depositie ongedaan wordt gemaakt (door het treffen van maatregelen of extern salderen). Het College van burgemeester en wethouders heeft in haar vergadering van 17 maart 2020 besloten dat bij wijzigings- en bestemmingsplannen voor gasloze woningbouwinitiatieven onder de 50 woningen geen stikstofdepositieberekening meer wordt verlangd. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit heeft op 17 juni 2020 een Kamerbrief gepubliceerd waarin een aantal aanvullende stappen staan die het kabinet zal nemen naar aanleiding van het advies van de Commissie Remkes. Deze publicatie is opgesteld in aanloop naar het Kamerdebat over het eindadvies voor de structurele aanpak van de stikstofproblematiek ‘Niet alles kan overal’.
In deze publicatie heeft het kabinet als doelstelling gesteld om tijdelijke emissies gedurende de realisatiefase van kleinschalige projecten niet langer te onderwerpen aan gedetailleerde depositieberekeningen. Hiervoor zal onderzoek worden gedaan naar de mogelijkheid om een drempelwaarde voor de realisatiefase van projecten in te stellen. In het kader van deze doelstelling is geen AERIUS-berekening gemaakt van de tijdelijke emissies tijdens de realisatiefase van het initiatief.
Overige storingsfactoren
Vanwege de ruime afstand van het plangebied tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek leidt het initiatief verder niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000-gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling.
Conclusie
Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Er is derhalve op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van gebiedsbescherming noodzakelijk.
4.3.3
Flora en fauna
De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren.
Bestemmingsplan – Weijen 60-62, Nistelrode
27
In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in het plangebied voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: - Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); - Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); - Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Gelet op de aard van het initiatief aan de Weijen 60-62 te Nistelrode, dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de nieuw te realiseren woningen, beschermde natuurwaarden voorkomen, die verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten is zonder ontheffing niet toegestaan.
Gezien het huidige intensieve gebruik van het bouwvlak en de landbouwgronden grenzend aan het bouwvlak is de aanwezigheid van beschermde of bijzondere soorten echter niet te verwachten. Er is door M&A Omgeving BV een Quick Scan Flora en Fauna uitgevoerd op de initiatieflocatie. Het rapport (d.d. 26 januari 2021, nummer 220-NWe60-62-nw-v2) hiervan is als separate bijlage bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 3). Uit deze quickscan volgt dat er geen belemmeringen gelden voor het initiatief op grond van de natuurwaarden. 4.4 Bodemkwaliteit In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen dient de aanwezige bodemkwaliteit te passen bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren. Indien de bodemkwaliteit (humane) risico’s met zich mee brengt of er sprake is van een spoedeisend geval van bodemverontreiniging kan de ontwikkeling voor bepaalde nieuwe functies geen doorgang vinden tot de risico’s zijn beheerst of weggenomen door sanering. Er is door M&A Bodem & Asbest BV een Nulsituatie bodemonderzoek volgens NEN5740 uitgevoerd op de initiatieflocatie. Het rapport hiervan (d.d.
29 juli 2020, met rapportnummer 220-NWe60-62-nul-v1) is als separate bijlage opgenomen bij deze toelichting (bijlage 4). Met het bodemonderzoek is de nulsituatie voor de bodembedreigende activiteiten vastgelegd. Er zijn geen verontreinigingen geconstateerd die een nader onderzoek noodzakelijk maken. Daarnaast zijn er voor de initiatieflocatie in het verleden al diverse onderzoeken naar de bodemkwaliteit verricht, en zijn er ook schone-grondverklaringen afgegeven. Derhalve is te stellen dat vanuit het oogpunt van de bodemkwaliteit geen bezwaar is tegen de voorgestelde ontwikkeling. 4.5 Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde initiatief moet onderzocht worden of er sprake is van aantasting van archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden.
4.5.1
Cultuurhistorie en aardkunde
Uit de cultuurhistoriekaart van de provinciale Interim omgevingsverordening Noord-Brabant blijkt dat het plangebied niet in gebied ligt met aardkundige of cultuurhistorische waarden, zie navolgende afbeelding. Daarnaast kent de locatie geen complexen van cultuurhistorisch belang.
Bestemmingsplan – Weijen 60-62, Nistelrode
28
Initiatieflocatie
Afbeelding 17: uitsnede kaart ‘Instructieregels gemeente: stedelijke ontwikkeling en erfgoed’ Iov (bron: viewer Iov) Uit de cultuurhistoriekaart van de gemeente Bernheze (20-01-2014) blijkt dat het plangebied is gelegen in een gebied ‘oude bebouwingsconcentraties’ en in een oud wegtracé met hoge waarde, zie navolgende afbeelding. De ontwikkeling van voorliggend initiatief vormt echter geen aantasting van die waarden.
Initiatieflocatie
Afbeelding 18: uitsnede Cultuurhistoriekaart Bernheze (bron: gemeente Bernheze) Hierdoor zal bij uitvoering van het plan geen afbreuk gedaan worden aan cultuurhistorische waarden of aardkundig waardevol gebied.
4.5.2
Archeologie
De zorg voor archeologische monumenten wordt geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is wettelijk bepaald dat gemeenten in nieuwe bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Bij deze nieuwe plannen kunnen voorwaarden worden gesteld aan omgevingsvergunning voor de activiteiten bouw, aanleggen e.d. In
Bestemmingsplan – Weijen 60-62, Nistelrode
29
het vigerend bestemmingsplan is voor de locatie Weijen 60-62 te Nistelrode gedeeltelijk de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ opgenomen, zie onderstaande afbeelding.
Afbeelding 19: uitsnede www.ruimtelijkeplannen.nl)
vigerend
bestemmingsplan
met
dubbelbestemming
(bron:
Binnen de voor dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ aangewezen gronden zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van gronden van archeologische waarde en gronden met een hoge archeologische verwachtingswaarde. Er wordt aangegeven dat een aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen, voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 250 m 2 en dieper dan 40 centimeter, een rapport dient te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden in voldoende mate zijn vastgesteld. Er is door Bureau voor Archeologie een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van boringen in de verkennende fase uitgevoerd op initiatieflocatie. Het rapport (rapport 937, 9 juli 2020, ISSN 2214-6687) hiervan is opgenomen als separate bijlage bij deze toelichting (bijlage 5). Op basis van dit onderzoek is vastgesteld of, en in hoeverre, in het onderzoeksgebied sprake is van een behoudenswaardige vindplaats. In dit onderzoek wordt geadviseerd om een nader onderzoek uit te voeren in de vorm van een archeologisch proefsleuvenonderzoek om nader te bepalen of archeologische vindplaatsen aanwezig zijn of niet (kartering).
Wel wordt gesteld dat als het plan zo wordt aangepast dat diepe (dieper dan 85 cm) graafwerkzaamheden worden beperkt tot het vlak dat is gesaneerd en het vlak van de huidige garage en woning, is de kans klein dat archeologische resten worden verstoord. In het plangebied is sinds 1957 bebouwing aanwezig. Ten tijden van de bouw is de grond rondom verstoord door het bouwrijp maken en afgraven van de grond. Hierdoor wordt de kans op aanwezigheid van archeologische waarden zeer gering geacht. Daarnaast is het voorste deel van het plangebied (ter plaatse van de dubbelbestemming) gesaneerd, waardoor ook hier de gronden zijn verstoord. Het plangebied kan worden vrijgegeven voor de voorgenomen ontwikkeling zonder vervolgonderzoek. In relatie hiermee kan de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ ter plaatse komen te vervallen. Derhalve is te stellen dat vanuit het oogpunt van archeologie geen bezwaar is tegen de voorgestelde ontwikkeling. Er is ter plaatse van het plangebied geen sprake van behoudenwaardige archeologische waarden. 4.6 Landschappelijke inpassing Er is voor voorliggend initiatief een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Deze is in onderstaande afbeelding weergegeven en als separate bijlage opgenomen bij deze toelichting (bijlage 1). Er zal langs de toegangsweg naar de nieuwe kavels een viertal bomen worden geplant. Tevens zal er een groene
Bestemmingsplan – Weijen 60-62, Nistelrode
30
berm worden gerealiseerd, waarin gedeeltelijk ook geparkeerd kan worden door bezoekers. Ter hoogte van de rotonde zal een toekomstboom worden aangeplant. Op deze manier wordt er een groen woonerf gerealiseerd. Ter hoogte van de uitrit van de nieuwe weg op de Weijen zijn momenteel twee bomen gesitueerd. Er heeft een onderzoek naar de verplantbaarheid van deze twee bomen plaatsgevonden. Hieruit is gebleken dat de bomen niet geschikt zijn om te verplanten. Binnen het plangebied is gezocht naar alternatieven ter compensatie van de twee bomen. Dit is, gezien de kavelverdeling en de inrichting van de percelen, niet mogelijk gebleken. Deze bomen zullen financieel gecompenseerd worden. De openbare ruimte (groen en verharding) is in totaal 1.047 m2 groot. Het openbaar verhard oppervlak is ca. 735 m2 groot, en het openbaar groen is ca. 312 m2 groot. Hiermee wordt voldaan aan de voorwaarde van de gemeente om minimaal 20% van de openbare ruimte in te richten als groen.
Afbeelding 20: Weergave landschappelijke inpassing op initiatieflocatie 4.7 Bedrijven en milieuzonering De handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (editie 2009) is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: - Het al in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; - Aan bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten (geur, stof, geluid en veiligheid) en bijbehorende richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit.
Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: - Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. - Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Ook gebieden die direct naast de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Hier zijn dan ook kleinere richtafstanden te rechtvaardigen (behalve voor het aspect veiligheid). Het plangebied ligt in omgevingstype ‘gemengd gebied’. Dit omgevingstype wordt gekenmerkt door een matige tot sterke functiemenging. In de omgeving bevinden zich direct naast woningen andere functies
Bestemmingsplan – Weijen 60-62, Nistelrode
31
zoals o.a. een kinderopvang en een transportbedrijf. Ook doordat de locatie direct naast de hoofdinfrastructuur van Nistelrode ligt, is hier reeds sprake van verhoogde milieubelasting door geluid.
4.7.1
Richtafstanden
De dichtstbijzijnde niet-agrarische bedrijvigheid is gelegen aan de Weijen 70a/72 te Nistelrode. De locatie Weijen 70a/72 betreft een transportbedrijf, wat behoort tot milieucategorie 3. Conform de handreiking geldt voor een bedrijven in deze milieucategorieën, liggend in gemengd gebied, een richtafstand van 50 meter. Het bedrijft is gelegen op ca. 42 m afstand van het plangebied. Voor dit bedrijf geldt echter dat er gevoelige objecten (woningen) dichter bij het niet-agrarische bedrijf zijn gelegen.
Transportbedrijf Weijen 70a/72 Initiatieflocatie
Afbeelding 21: weergave nabijgelegen niet-agrarische bedrijvigheid (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl) 4.7.2
Beoordeling overige aspecten
Voor onderhavig initiatief worden in de toekomst geen relevante geuremissies voorzien. Binnen het plangebied zullen geen veedieren/landbouwhuisdieren gehouden worden. Daarnaast ligt het plan in de bebouwde kom en binnen een straal van in ieder geval 300 meter zijn geen veehouderijen gelegen (alleen maar voormalige agrarische bedrijven). Het dichtstbijzijnde bedrijf is op ca. 330 meter gelegen, zoals te zien is op onderstaande afbeelding. Hierdoor zal er, voor wat betreft geur, sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Dichtstbijzijnde veehouderij Initiatieflocatie
Afbeelding 22: weergave dichtstbijzijnde veehouderij op ca. 330 meter Omgekeerd zijn er ook al diverse woningen tussen de locatie Weijen 60-62 te Nistelrode en deze veehouderij gelegen, waardoor het initiatief geen belemmering vormt voor de ontwikkelingsmogelijkheden van deze veehouderij (en omliggende veehouderijen).
Bestemmingsplan – Weijen 60-62, Nistelrode
32
Verder zullen er geen agrarische bedrijfsstoffen, stuifgevoelige producten of gevaarlijke stoffen worden overgeslagen binnen het plangebied. Hiermee wordt geconcludeerd dat het initiatief met betrekking tot de overige aspecten, zijnde geur, stof en gevaar, geen belemmeringen of hinder zullen opleveren. 4.8 Luchtkwaliteit In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de Wet luchtkwaliteit in beeld te worden gebracht. Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en sindsdien staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). In de Wet luchtkwaliteit zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. Met name de stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) worden beleidsmatig relevant geacht. Er dient te worden aangetoond dat het woon- en leefklimaat ten aanzien van deze stoffen ter plaatse aanvaardbaar is en als gevolg van de beoogde ontwikkeling in de omgeving aanvaardbaar blijft.
4.8.1
Niet in betekenende mate
Indien ontwikkelingen binnen het plangebied gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit moet aandacht worden besteed aan de gevolgen voor de milieukwaliteitseisen. Onderzoek moet worden verricht naar de gevolgen voor de in bijlage 2 van de Wet milieubeheer genoemde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht. Volgens de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 moeten de concentraties worden bepaald vanaf de grens van het terrein van de inrichting. Dit onderzoek kan echter achterwege blijven indien de nieuwe bestemming betrekking heeft op één of meer categorieën van gevallen als genoemd in de Regeling niet in betekende mate bijdragen. In die gevallen wordt aangenomen dat de toename van de concentratie in de buitenlucht van zowel zwevende deeltjes (PM 10) als stikstofdioxide de 3% grens van de jaargemiddelde concentratie niet overschrijdt. Als sprake is van een beperkte toename van de luchtverontreiniging die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de concentratie PM10 in de buitenlucht, hoeft een plan niet langer meer getoetst te worden. Dit volgt uit artikel 5.16, lid 1, sub c, van de Wet milieubeheer. Het Besluit NIBM legt vast wat geldt als niet in betekenende mate bijdragen.
Voor de volgende categorieën in de Regeling NIBM kan getoetst worden aan of een plan NIBM bijdraagt: - Categorie woningbouwlocaties; - Categorie kantoorlocaties; - Combinatie van woningbouw en kantoren; - Categorie inrichtingen. Het initiatief betreft het creëren van tien nieuwe woningen. De ontwikkeling behoort derhalve tot de categorie woningbouwlocaties. Voor woningbouwlocaties geldt dat deze NIBM zijn wanneer het netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, in geval van één ontsluitingsweg (bijlage 3A, Regeling niet in betekende mate bijdragen). Aangezien met het initiatief slechts tien nieuwe woningen mogelijk worden gemaakt, wordt dus ruimschoots voldaan aan de NIBM-grens. De beoogde ontwikkeling heeft dus geen significant negatieve effecten op de luchtkwaliteit in de omgeving.
4.8.2
Woon- en leefklimaat
Op grond van de Wet luchtkwaliteit zijn grenswaarden opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties voor onder andere fijnstof (PM10). De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 μg/m3. Vanaf 1 januari 2015 geldt daarnaast een grenswaarde voor PM 2,5 waaraan door het bevoegd gezag bij vergunningverlening moet worden getoetst. Deze grenswaarde is opgenomen in de Wet milieubeheer en bedraagt 25 μg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie. Voor de kortdurende blootstelling van de mens aan piekconcentraties van NO 2 geldt een grenswaarde van 200 μg/m3 voor het uurgemiddelde van NO2. Het RIVM heeft Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van Nederland waarop de achtergrondconcentratie van fijnstof PM10, PM2,5 en NO2 ten aanzien van een goed woon- en leefklimaat
Bestemmingsplan – Weijen 60-62, Nistelrode
33
geraadpleegd kan worden. De jaargemiddelde fijnstofconcentratie binnen het plangebied is conform de GCN-kaart voor fijnstof PM10 18-20 μg/m3, voor PM2,5 10-12 μg/m3 en voor NO2 10-15 μg/m3, zie respectievelijk afbeelding 20, 21 en 22.
Initiatieflocatie
Afbeelding 23: Uitsnede GCN-kaart fijnstof PM10 (bron: QGis)
Bestemmingsplan – Weijen 60-62, Nistelrode
34
Initiatieflocatie
Afbeelding 24: Uitsnede GCN-kaart fijnstof PM2,5 (bron: QGis)
Initiatieflocatie
Afbeelding 25: Uitsnede GCN-kaart fijnstof NO2 (bron: QGis)
Bestemmingsplan – Weijen 60-62, Nistelrode
35
4.8.3
Conclusie
Ten aanzien van de luchtkwaliteit zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4.9
4.9.1
Geluid
Wet geluidhinder
De Wet geluidhinder (Wgh) vormt sinds 1979 het juridisch kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. Deze wet zorgt voor de bescherming van geluidsgevoelige bestemmingen tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai. Hierbij wordt o.a. gebruik gemaakt van zonering en geluidsnormen. In de Wgh is bepaald dat voor locaties in een bestemmingsplan waar woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen kunnen worden gerealiseerd, de geluidbelasting dient te worden onderzocht binnen de zones behorende bij verkeersbewegingen, spoorwegen en industrieterreinen. Voor onderhavig initiatief is door M&A Omgeving BV een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Het rapport hiervan (d.d. 18 juni 2020 met nummer 220-NWe60-62-srm2-v1) is als separate bijlage bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 6). De woningen zijn geprojecteerd in het invloedsgebied van de Weijen en enkele 30-km-zonewegen zoals gedeelte Weijen, Donzel, Blauwe steenweg, Kleinwijk, Kruisstraat, Kerkveld, W. Van Houtstraat en de Boekweitstraat. De overige wegen liggen op een dusdanige afstand van het plangebied, zodat deze niet getoetst hoeven te worden conform de Wet geluidhinder. Uit het onderzoek volgt dat de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden ter plaatse van de woningen 1, 9 en 10 (voor de woningnummering wordt verwezen naar bijlage 2 van het akoestisch onderzoek).
De geluidbelastingen blijven overal onder de maximale ontheffingswaarde van 63 dB (weg binnen bebouwde kom). Voor onderhavig initiatief zullen derhalve voor de drie genoemde woningen hogere grenswaarden vastgesteld moeten worden. Daarnaast wordt in het onderzoek geconcludeerd dat er een goed woon- en leefklimaat is gegarandeerd.
4.9.2
Conclusie
4.10
Verkeer en parkeren
Er kan worden geconcludeerd dat er voor wat betreft het aspect geluid, met inachtneming van het vaststellen van de hogere grenswaarden voor de drie genoemde woningen, geen belemmeringen zijn voor het initiatief.
4.10.1 Verkeer
Binnen het plangebied dient een adequate afwikkeling van personen- en goederenvervoer verzekerd te zijn, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor. Het plangebied is gelegen aan de Weijen te Nistelrode. Deze weg ontsluit het centrum van Nistelrode richting de Rijksweg A50 en richting Heesch/Oss. De Weijen beschikt over voldoende capaciteit om verkeersbewegingen met voornamelijk lichte motorvoertuigen af te wikkelen. Er zullen de beoogde situatie namelijk voornamelijk personenvervoersmiddelen van en naar het plangebied bewegen. De verkeersbewegingen van en naar de inrichting zullen dus vele malen lager liggen dan dat het geval is bij het huidige toegestane bedrijf ten behoeve van de handel en reparatie van motorvoertuigen. Een groot deel van de te realiseren woningen zal bereikbaar zijn via een nieuw aan te leggen weg. Aan deze weg zal in voorliggend bestemmingsplan de bestemming ‘Verkeer’ worden toegekend. Er wordt voorgesteld om de aansluiting middels een uitritconstructie van een woonerf op de Weijen te laten plaatsvinden. Op navolgende afbeelding wordt de aansluiting van de nieuwe weg op de Weijen zichtbaar.
Bestemmingsplan – Weijen 60-62, Nistelrode
36
Afbeelding 26: weergave aansluiting nieuwe weg op Weijen In paragraaf 3.3.3. wordt meer specifiek ingegaan op de aansluiting van het plangebied op de Weijen. Ook is hier een gedetailleerde afbeelding opgenomen van de wegaansluiting en de wijziging van de wegversmalling op de Weijen.
4.10.2 Parkeren
De gemeente Bernheze heeft in 2015 de ‘Parkeernormennota gemeente Bernheze’ vastgesteld (in werking getreden op 9 juli 2015). De nota heeft als doel om de toepassing van de parkeernormen inzichtelijker te maken, zodat het voor burgers, bedrijven en ontwikkelaars duidelijk is welke normen gehanteerd worden bij een bouwaanvraag. Voor een vrijstaande woning binnen de bebouwde kom geldt een norm van 2,0 parkeerplaatsen per woning (zijnde een meerpersoonswoning > 60 m2). Zoals in het landschappelijk inpassingsplan is weergegeven, is per te realiseren woning voldoende ruimte aanwezig om te voorzien in minimaal twee privé parkeerplaatsen (met een omvang van 2,5 meter * 5 meter per parkeerplaats). Ook zijn langs de nieuwe weg een achttal parkeerplaatsen voor bezoekers voorzien.
4.10.3 Conclusie
De beoogde ontwikkeling vormt dus geen belemmering voor wat betreft de aspecten verkeer en parkeren. 4.11
Externe veiligheid
4.11.1 Inleiding
Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: > Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); > Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); > Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt
Bestemmingsplan – Weijen 60-62, Nistelrode
37
Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico:
Plaatsgebonden risico (PR)
Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde.
Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht.
Wanneer verantwoorden? Bron
Wanneer groepsrisicoverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedsgebied ruimtelijk besluit wordt genomen.
Inrichtingen (Bevi)
Buisleidingen (Bevb) Spoor(Bevt)
rijks-
en
Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen2. waterwegen Wanneer sprake is van toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatiewaarde.
Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Beleidsvisie externe veiligheid De gemeente Bernheze beschikt over een beleidsvisie externe veiligheid (2008). Hierin wordt invulling gegeven aan de gemeentelijke omgang met externe veiligheid. De beleidsvisie bevat geen gebiedstypering of uitgangspunten die gehanteerd kunnen worden voor de verantwoording van het groepsrisico. Overige wet- en regelgeving Tot slot moet in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening‘ (art. 3.1 Wro) ook getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit, effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’, enz..
2
Bij buisleidingen kan volstaan worden met een beperkte verantwoording wanneer: 1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde of 2) de toename minder is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde of 3) personen zich buiten de 100% letaliteitgrens bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden.
Bestemmingsplan – Weijen 60-62, Nistelrode
38
4.11.2 Toetsing Inventarisatie risicobronnen Met behulp van de nationale risicokaart 3 is gekeken, welke risicobronnen in de nabijheid van het plangebied zijn gelegen. Een uitsnede van de risicokaart met het plangebied is hieronder weergegeven. Het plangebied is groen omcirkeld. Initiatieflocatie
Afbeelding 27: uitsnede Risicokaart Nederland (bron: www.risicokaart.nl) Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Gezien de aard van de voorgenomen activiteiten binnen het plangebied is het Bevi niet van toepassing. De werkzaamheden omvatten niet het gebruik, opslag of vervoer van gevaarlijke stoffen. Uit de risicokaart blijkt dat er geen risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten aanwezig zijn op of nabij het plangebied. Er ontstaan daardoor geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkelingen op het plangebied. Het plan voorziet wel in de realisatie van nieuwe beperkt kwetsbare objecten. Aangezien het plangebied niet binnen een risicoaanduiding of binnen veiligheidsafstanden ligt zijn geen risico’s aanwezig voor de voorgenomen ontwikkelingen. Daarom kan worden geconcludeerd dat er voor dit plan geen belemmeringen zijn vanuit het oogpunt van externe veiligheid. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) De ontwikkeling ligt buiten de invloedsfeer van het spoortraject. Op circa 640 meter afstand van het plangebied ligt de basisnetroute A50 wegtraject Knp. Paalgraven – afrit 14 (Zeeland). Over deze route worden gevaarlijke stoffen vervoerd uit de categorieën LF1, LF2, LT1, LT2, en GT41. Het vervoer van gevaarlijke stoffen uit de categorieën LT2 en GT4 heeft respectievelijk een invloedsgebied van 880 en >4000 m2. Het invloedsgebied reikt geheel over het plangebied.
Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) In het geldende bestemmingsplan ‘Bestemmingsplan De kommen van Bernheze’ is in de nabijheid geen dubbelbestemming ‘Leiding – […]’ opgenomen. De voorgenomen ontwikkelingen liggen buiten deze dubbelbestemming en de voorgenomen ontwikkelingen hebben geen invloed op het bepaalde in de bijbehorende regels. De ontwikkeling ligt buiten de invloedsfeer van de in het Bevb opgenomen buisleidingen. Daarom is verdere beoordeling aan het Bevb niet van toepassing.
3
www.risicokaart.nl, professionele versie
Bestemmingsplan – Weijen 60-62, Nistelrode
39
4.11.3 Conclusie Externe veiligheid vormt dus geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 4.12 Technische infrastructuur In of nabij het plangebied liggen geen planologisch relevante buisleidingen en lopen tevens geen relevante straalpaden (zoals te zien op de risicokaart in afbeelding 24). Voordat er gebouwd wordt zal er een KLIC-melding gemaakt worden om relevante kabels en leidingen van het plangebied in beeld te brengen. Voor de aangepaste wegaansluiting van het plangebied op de Weijen zijn de kabels en leidingen reeds in beeld gebracht, zie navolgende afbeelding.
Bestemmingsplan – Weijen 60-62, Nistelrode
40
Afbeelding 28: nieuwe situatie kabels en leidingen ter hoogte van de wegaansluiting van het plangebied op de Weijen Hoogspanningslijnen Op een afstand van ongeveer 850 meter ligt een hoogspanningslijn. Gelet op de afstand tussen het plangebied en deze lijn vormt dit aspect geen belemmering.
Bestemmingsplan – Weijen 60-62, Nistelrode
41
4.13 Volksgezondheid Omwonenden van veehouderijen kunnen een verhoogde blootstelling aan onder meer geur, fijnstof, endotoxinen en biologische agentia hebben. Van geur is bekend dat dit kan leiden tot hinder en andere gezondheidsklachten zoals misselijkheid en hoofdpijn. De laatste jaren is er steeds meer informatie bekend geworden over de volksgezondheid in relatie tot veehouderijen. De nadruk ligt hier vooral op de verspreiding van endotoxinen en zoönosen. Voorliggend initiatief is gelegen binnen de bebouwde kom. De dichtstbijzijnde veehouderij is gelegen op ca. 330 meter (zie paragraaf 4.7.2). Voor de beoordeling van de volksgezondheid is hierdoor op de volgende aspecten getoetst: - Endotoxinen: Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Het plangebied ligt buiten de richtafstanden die aangehouden moeten worden rondom de varkens- en pluimveehouderijen in de omgeving. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. - Geitenhouderijen: Binnen 2 kilometer van het plangebied liggen geen geitenhouderijen. Daarom is geen sprake van een verhoogd gevaar voor de volksgezondheid.
Bestemmingsplan – Weijen 60-62, Nistelrode
42
5. Juridische planbeschrijving In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de juridische regeling van dit bestemmingsplan. 5.1 Juridische achtergrond De Wet ruimtelijke ordening (Wro) verplicht gemeenten bestemmingsplannen op te stellen. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan (ook: wijzigingsplan) in ieder geval moet bestaan. Het gaat om een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Daarnaast biedt zowel de Wro als het Bro opties voor een nadere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Hierbij moet worden gedacht aan de toepassing van afwijkingsmogelijkheden en wijzigingsbevoegdheden en het toepassen van nadere eisen. Uitgangspunt is dat het bestemmingsplan moet voorzien in een passende regeling voor de komende tien jaar. Dat is in principe de geldigheidsduur van een bestemmingsplan. Het juridisch bindende onderdeel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen betreffende de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels evenals de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan.
Bij bestemmingsplannen gaat het om de belangen van burgers en bedrijven. Zij dienen zich snel en op eenvoudige wijze een juist beeld te kunnen vormen van de planologische mogelijkheden en beperkingen op één of meerdere locatie(s). Daarnaast is de vergelijkbaarheid van ruimtelijke plannen van belang voor degenen die deze plannen in grotere samenhang wensen te bezien. Hierbij kan gedacht worden aan degenen die betrokken zijn bij de planvoorbereiding, de planbeoordeling en het monitoren van beleid. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zo ook voor de regels. Voor bestemmingsplannen, zoals dit plan, is het verplicht de regels van de SVBP te volgen. 5.2 Toelichting verbeelding Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangewezen en begrensd.
Op de verbeelding zijn de volgende bestemmingen en aanduidingen opgenomen: - Enkelbestemming Groen - Enkelbestemming Verkeer - Enkelbestemming Wonen - Bouwaanduiding ‘vrijstaand’ - Bouwaanduíding ‘twee-aaneen’ - Maatvoeringsaanduiding ‘maximale goothoogte, maximale bouwhoogte’ - Bouwvlak Voor de benaming van de bestemmingen en aanduidingen is aangesloten bij het moederplan bestemmingsplan ‘Bestemmingsplan De kommen van Bernheze’. Voor het overige wordt aangesloten bij het SVBP. 5.3 Toelichting regels De regels behorende bij dit bestemmingsplan bestaan uit inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en overgangs- en slotregels. De regels bij dit bestemmingsplan worden gewijzigd ten opzichte van het geldende bestemmingsplan. Echter waar het mogelijk is wordt aangesloten bij de regels van het bestemmingsplan ‘Bestemmingsplan De kommen van Bernheze’. De regels hebben betrekking op de in de verbeelding opgenomen bestemmingen en aanduidingen.
Bestemmingsplan – Weijen 60-62, Nistelrode
43
6. Uitvoerbaarheid In dit hoofdstuk wordt de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan uiteengezet. 6.1 Financiële uitvoerbaarheid De voorgestane ontwikkeling aan de Weijen 60-62 te Nistelrode betreft een particulier initiatief. De met de ontwikkeling gepaard gaande kosten worden dan ook gedragen door de desbetreffende particuliere initiatiefnemer. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. Dit plan heeft geen financiële consequenties voor de gemeente. Dit kan worden vastgelegd in een anterieure overeenkomst, waarbij de eventuele planschade voor rekening komt voor de initiatiefnemer. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond. 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel aan te tonen dat het plan maatschappelijk draagvlak heeft. In dat kader is de gelegenheid tot inspraak geboden (in de vorm van publicatie van het ontwerpbestemmingsplan). Ook heeft vooroverleg plaatsgevonden met de daartoe aangewezen instanties en heeft er een omgevingsdialoog plaats gevonden.
6.2.1
Vooroverleg en omgevingsdialoog
In het kader van artikel 3.1.1 Bro is overleg gevoerd over het voorontwerp bestemmingsplan met de gebruikelijke overlegpartners, Waterschap Aa en Maas en provincie Noord-Brabant. Naar aanleiding van dit overleg is het plan niet aangepast. Initiatiefnemer heeft op 30 oktober 2018 een informatieavond georganiseerd voor omwonenden. In de bijlagen is in een kaartje aangegeven welke omwonenden aanwezig waren op deze avond. Ook is een verslag bijgevoegd van deze informatieavond. Tijdens deze avonden zijn een aantal vragen gesteld; deze vragen zijn naar tevredenheid beantwoordt en hebben niet geleidt tot wijziging van het plan van initiatiefnemer. Het kaartje en het verslag van de informatieavond is als separate bijlage bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 7).
6.2.2
Zienswijzen en beroep
De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening. Het ontwerp is in dit kader met ingang van 26 mei 2022 gedurende een periode van zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode zijn geen zienswijzen kenbaar gemaakt tegen het plan. Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tevens kan er beroep worden ingesteld tegen de eventueel gewijzigde onderdelen. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking. Gezien een ieder de mogelijkheid heeft om te reageren op het bestemmingsplan door het kenbaar maken van zienswijzen, wordt na afloop van de hierboven beschreven procedure het plan als maatschappelijk uitvoerbaar beschouwd.
Bestemmingsplan – Weijen 60-62, Nistelrode
44
7. Bijlagen Bijlage 1
Landschappelijk inpassingsplan
Bijlage 2
Infiltratieonderzoek
Bijlage 3
Quickscan Flora en fauna
Bijlage 4
Bodemonderzoek
Bijlage 5
Archeologisch onderzoek
Bijlage 6
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai
Bijlage 7
Omgevingsdialoog
Bestemmingsplan – Weijen 60-62, Nistelrode
45
Bestemmingsplan – Weijen 60-62, Nistelrode
46