Vaststelling bestemmingsplan 'Dorpsstraat 11, Loosbroek' - Toelichting
Tekst van het document
BESTEMMINGSPLAN “Dorpsstraat 11 Loosbroek” NL.IMRO.1721.BPDorpsstraat11LBR-vg01 Vastgesteld
Document:
Bestemmingsplan “Dorpsstraat 11 Loosbroek”
IDN:
NL.IMRO.1721.BPDorpsstraat11LBR-vg01
Status:
Vastgesteld
Datum:
19 juli 2022
Bureau Leefomgeving B.V. Schoolstraat 7 5961 EE HORST 077 – 208 60 99 contact@bureauleefomgeving.nl www.bureauleefomgeving.nl
INHOUDSOPGAVE 1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
INLEIDING ...........................................................................................................................................................4 1.1
Aanleiding en doel van het bestemmingsplan ................................................................................................................................... 4
1.2
Plangebied en begrenzingen ...................................................................................................................................................................... 5
1.3
Vigerende bestemmingsplannen.............................................................................................................................................................. 5
HUIDIGE SITUATIE ..........................................................................................................................................8 2.1
Algemeen........................................................................................................................................................................................................... 8
2.2
Ruimtelijke structuur ................................................................................................................................................................................... 8
2.3
Functionele structuur................................................................................................................................................................................... 9
BEOOGDE SITUATIE .....................................................................................................................................10 3.1
Uitgangspunten en doelstellingen van het plan.............................................................................................................................. 12
3.2
Stedenbouwkundige / ruimtelijke aspecten .................................................................................................................................... 13
3.3
Landschappelijke inpassing ...................................................................................................................................................................... 13
BELEIDSKADER................................................................................................................................................15 4.1
Rijksbeleid....................................................................................................................................................................................................... 15
4.2
Provinciaal beleid......................................................................................................................................................................................... 17
4.3
Gemeentelijk beleid ................................................................................................................................................................................... 22
RANDVOORWAARDEN / RESULTATEN ONDERZOEKEN ..............................................................24 5.1
Milieuaspecten .............................................................................................................................................................................................. 24
5.2
Kabels en leidingen..................................................................................................................................................................................... 32
5.3
Ecologie ........................................................................................................................................................................................................... 32
5.4
Water............................................................................................................................................................................................................... 36
5.5
Archeologie en cultuurhistorie............................................................................................................................................................. 39
5.6
Verkeer en parkeren................................................................................................................................................................................. 41
JURIDISCHE ASPECTEN ...............................................................................................................................43 6.1
Toelichting op de verbeelding............................................................................................................................................................... 43
6.2
Toelichting op de planregels .................................................................................................................................................................. 44
UITVOERBAARHEID EN PROCEDURE ....................................................................................................45 7.1
Economische uitvoerbaarheid............................................................................................................................................................... 45
7.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid ....................................................................................................................................................... 45
PROCEDURE .....................................................................................................................................................47
Vastgesteld
2
BIJLAGEN Bijlage 1: Vormvrije m.e.r.-beoordeling Bijlage 2: Historische toets Bijlage 3: AERIUS berekening gebruiksfase Bijlage 4: Watertoets Separate bijlagen: ▪ Bodemonderzoek (Aeres Milieu) ▪ Onderzoek bedrijven en milieuzonering (De Roever) ▪ Flora en Fauna inspectie (Faunaconsult) ▪ Landschappelijk inpassingsplan (Groen en Ruimte) ▪ Planschade risicoanalyse (Langhout & Wiarda)
Vastgesteld
3
1.
INLEIDING
1.1
Aanleiding en doel van het bestemmingsplan
Op de locatie Dorpsstraat 11 in Loosbroek heeft initiatiefnemer een kleinschalig bedrijf genaamd Shutter Expierence B.V.. Dit bedrijf is gespecialiseerd in shutters (maatwerk houten en kunststof panelen met verstelbare lamellen). Het bedrijf heeft aan de Dorpsstraat 11 een kantoor met showroom. Daarnaast huurt het bedrijf elders een locatie voor het opslaan van de materialen. Shutter Expierence B.V. heeft echter behoefte aan een opslagruimte dicht bij kantoor. Bij de gemeente Bernheze is dan ook door initiatiefnemer een verzoek ingediend om de woonbestemming ter plaatse van perceel 1270 en een deel van de groenbestemming ter plaatse van perceel 1827 om te zetten naar een bedrijfsbestemming. Op perceel 1270 staat momenteel een schuur die wordt gebruikt als kantoor en showroom. Naast deze schuur wordt een nieuwe schuur opgericht voor het opslaan van de materialen en het uitoefenen van voorbereidende werkzaamheden. Daarnaast wil initiatief nemer op een deel van perceel 1827 een stal oprichten voor het hobbymatig houden van maximaal vijf paarden. Tevens wil initiatiefnemer de rest van perceel 1827 inrichten voor een rijbak, weilanden en een mobiele mestcontainer. Ten tijde van de reeds genoemde ontwikkelingen wil de initiatiefnemer tevens de woning aanpassen. Initiatiefnemer wil graag het bouwvlak van de woning dieper maken (van 12 meter naar 15 meter).
Afbeelding 1. Ligging locatie Dorpsstraat 11 Loosbroek (rood omcirkeld)
Op basis van de vigerende bestemmingsplannen “De kommen van Bernheze” en “Buitengebied Bernheze” is de beoogde inrichting van de percelen niet toegestaan. Gezien de kleinschaligheid van de ontwikkeling en de ligging nabij een klein bedrijvencluster wil de gemeente Bernheze in principe haar medewerking verlenen aan de ontwikkeling. Op 12 februari 2021 heeft de gemeente Bernheze in principe medewerking verleend aan de wijziging van het bestemmingsplan.
Vastgesteld
4
Om de beoogde situatie in een passend juridisch-planologisch kader vast te leggen is voorliggend bestemmingsplan, in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), opgesteld. Door middel van onderhavig bestemmingsplan wordt a) aan de percelen 1270 en 1827 (ged.) een bedrijfsbestemming met bouwrecht toegekend b) de mogelijkheid gegeven om de rest van perceel 1827 te benutten voor het hobbymatig houden van paarden en c) het bouwvlak van de huidige woning wordt dieper gemaakt.
1.2
Plangebied en begrenzingen
De locatie ligt in het oosten van de kern Loosbroek, aan de Dorpsstraat 11. De locatie staat kadastraal bekend als gemeente Heeswijk-Dinther, sectie D en perceelnummers 522, 1270, 1535 en 1827. De betreffende percelen worden in onderhavig bestemmingsplan aangemerkt als “het plangebied”. Het gehele plangebied heeft een oppervlakte van circa 5.000 m2.
Afbeelding 2. Luchtfoto en kadastrale begrenzing Dorpsstraat 11 (plangebied rood aangeduid).
In het noorden grenst het plangebied aan de weg Dorpsstraat. Aan de overzijde van deze weg zijn een drietal bedrijven gelegen. In oostelijke richting zijn voornamelijk woningen gelegen, met achter de woningen nog een bedrijfskavel. Verder in oostelijke richting ligt het buitengebied. In het zuiden grenst de locatie aan een voormalige parkeerplaats. In het westen wordt het plangebied begrenst door een watergang. Verder in westelijke richting ligt nog een transportbedrijf tussen de verder aanwezige woningen in.
1.3
Vigerende bestemmingsplannen
Het plangebied is grotendeels gelegen in het bestemmingsplan “De kommen van Bernheze”, vastgesteld op 1 juni 2011. Het plangebied is daarin voor het grootste deel bestemd als ‘Wonen’ en voorzien van een bouwvlak met de bouwaanduiding ‘vrijstaand’ en de maatvoeringen ‘maximum goothoogte: 4 m’ en ‘maximum bouwhoogte: 8 m’. Aan de voorzijde is het plangebied bestemd als ‘Tuin’ en aan de achterzijde als ‘Groen’. Voor dit deel van het plangebied gelden daarnaast de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 1’, ‘Waarde – Archeologie 2’ en ‘Waarde – Archeologie 3’.
Vastgesteld
5
De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor woningen met bijbehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tuinen en erven. De voor ‘Tuin’ aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen, met bijbehorende gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. En de voor ‘Groen’ aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor groenvoorzieningen, bermen en beplanting en incidentele parkeervoorzieningen. Het gebruik van deze gronden voor bedrijfsactiviteiten is op basis van het vigerende bestemmingsplan niet toegestaan. Daarnaast mogen bedrijfsgebouwen enkel worden opgericht binnen een bouwvlak, welke ter plaatse van percelen 1270 en 1827 niet aanwezig is. Het is dan ook niet mogelijk om deze percelen te gebruiken voor de bedrijfsactiviteiten en voor het oprichten van nieuwe (bedrijfs)gebouwen. Het gebruik van een deel van de groen bestemming voor het hobbymatig houden van paarden is op basis van het vigerende bestemmingsplan niet toegestaan. De groenbestemming is niet bestemd voor het houden van dieren. Daarnaast ontbreekt een bouwvlak voor het oprichten van de beoogde stal.
Afbeelding 3. Uitsnede bestemmingsplan “De kommen van Bernheze” met dit deel van het plangebied rood omlijnd
Het deel van het plangebied wat onderdeel uit maakt van de voormalige parkeerplaats, maakt onderdeel uit van het bestemmingsplan “Buitengebied Bernheze”, vastgesteld op 8 oktober 2014. Dit deel van het plangebied is bestemd als ‘Agrarisch’. Voor dit deel zijn daarnaast de gebiedsaanduidingen ‘milieuzone – boringsvrije zone’, ‘reconstructiewetzone – extensiveringsgebied’ en ‘wro-zone – woonwerkontwikkelingsgebied’ opgenomen.
Vastgesteld
6
Afbeelding 4. Uitsnede bestemmingsplan “Buitengebied Bernheze” met dit deel van het plangebied rood omlijnd
De voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden zijn bestemd voor agrarisch grondgebruik. Rijbakken zijn uitsluitend toegestaan binnen een bouwvlak, welke ter plaatse niet aanwezig is. Binnen de agrarische bestemming is in artikel 3.4 opgenomen dat het oprichten van een rijbak ten behoeve van hobbymatig gebruik onder voorwaarden is toegestaan. Het oprichten van de rijbak voor hobbymatig gebruik is dan ook niet direct toegestaan, maar enkel binnen een bouwvlak of onder voorwaarden.
Vastgesteld
7
2.
HUIDIGE SITUATIE
2.1
Algemeen
Het plangebied is gelegen in de kern Loosbroek. Loosbroek maakt onderdeel uit van de gemeente Bernheze en is de kleinste kern binnen deze gemeente. Loosbroek is een relatief jonge ontginningskern, die in het open agrarische landschap in het westelijk deel van de gemeente Bernheze ligt. Bijna 1.000 inwoners bevolken de kern.
Afbeelding 5. Vogelvluchtperspectief van het plangebied
2.2
Ruimtelijke structuur
Loosbroek is ontstaan als lintbebouwing aan de Dorpsstraat. De Dorpsstraat vormt een langgerekt lint dat in oostwestelijke richting loopt. Loosbroek bestaat daarnaast uit een meer planmatig opgezette woonbuurt (ten zuiden van de Dorpsstraat) welke doorsneden wordt door de doorgaande straten Krommedelseweg en Schaapsdijk.
Afbeelding 6. Impressie plangebied
Vastgesteld
Afbeelding 7. Impressie Dorpsstraat in westelijke richting
8
Het dorp heeft een landschappelijk karakter en vrijwel het gehele dorp kent een sterke relatie met het buitengebied. De randen van het dorp en de doorgaande wegen sluiten dan ook aan op het landschappelijk karakter. De woonstraten hebben een meer stedelijk karakter.
2.3 Functionele structuur In de bebouwde kom van Loosbroek overheerst de woonfunctie. De bebouwing bestaat voornamelijk uit vrijstaande, halfvrijstaande en aaneengebouwde woningen bestaande uit één of twee bouwlagen. In de bebouwde kom van Loosbroek is aan de Dorpsstraat echter sprake ven een sterke functiemening. Tussen de woningen in liggen diverse (agrarische) bedrijven, horecagelegenheden en maatschappelijke functies.
Afbeelding 8. Bedrijven gelegen aan de oostelijke zijde van de kern
Afbeelding 9. Impressie overgang bebouwde kom – buitengebied
In het oostelijke deel van de kern, waar ook het plangebied ligt, is sprake van een cluster van bedrijvigheid. Aan deze zijde van de kern liggen ten noorden van de Dorpsstraat in totaal drie bedrijven. Ten zuiden van de Dorpsstraat liggen nog twee kleinere bedrijven waarvan één van deze bedrijven achter twee woningen is gelegen. In het buitengebied overheerst de agrarische functie. Hier zijn dan ook diverse (intensieve) veehouderijen en akkerbouwbedrijven gelegen. De niet meer als zodanig gebruikte boerderijen zijn in gebruik als burgerwoningen. Onbebouwde gronden zijn uitsluitend in agrarisch gebruik als akker- of weiland.
Vastgesteld
9
3.
BEOOGDE SITUATIE
De initiatiefnemer is eigenaar van Shutter Expierence B.V. dat is gevestigd op de locatie Dorpsstraat 11 in Loosbroek. Shutter Expierence is een familiebedrijf dat is gespecialiseerd in shutters zowel voor binnen als buiten. Shutters zijn maatwerk houten en kunststof panelen met verstelbare lamellen. Het bedrijf is zowel op particulieren als op bedrijven gericht en is werkzaam binnen Nederland, België en Duitsland. Op eigen locatie heeft het bedrijf een kantoor met showroom in de vrijstaande schuur aan de achterzijde van de woning. Daarnaast huurt het bedrijf momenteel elders een locatie voor het opslaan van materialen. Gezien de groei van het bedrijf is de behoefte ontstaan aan een opslagruimte dicht bij het bedrijf zelf. Het bedrijf is daarom voornemens op de eigen locatie meer opslagruimte te creëren. De opslagruimte zal worden gebruikt voor het opslaan van de materialen als ook voor het uitoefenen van voorbereidende werkzaamheden (zoals het ontdoen van verpakkingsmaterialen en het in elkaar maken van de shutters). Hiermee is het bedrijf niet enkel afhankelijk van de gehuurde locatie. Daarnaast is het oprichten van een opslagruimte dichtbij huis gemakkelijk en heeft het bedrijfseconomische voordelen, doordat niet eerst naar een andere locatie gereden hoeft te worden voor het ophalen van de materialen.
Afbeelding 10. Globale impressie beoogde ontwikkelingen
Vastgesteld
10
Voor het opslaan van de materialen op eigen locatie zal een nieuwe schuur worden opgericht op perceel 1827. De nieuwe schuur zal een oppervlakte beslaan van circa 85 m2. Aan de oostzijde van de schuur wenst initiatiefnemer een overdekte buitenruimte te realiseren.
Stal 4
Stal 3
Opslagruimte / werkplaats
Bestaand bijgebouw
Stal 2
Stal 1
Overdekte buitenruimte
Afbeelding 11. Impressie beoogde situatie met
Afbeelding 12. Voorgevel beoogde situatie
afscheiding bedrijfsactiviteiten en houden van paarden
Afbeelding 13. Linker zijgevel beoogde situatie
Initiatiefnemer is tevens voornemens om een deel van de locatie te gebruiken voor het hobbymatig houden van paarden. In dat kader worden vier stallen opgericht met een oppervlakte van circa 65 m2. De stallen zullen tegen de opslagruimte c.q. werkplaats aanliggen. Tussen de opslagruimte en de stallen is een scheiding in de vorm van een muur zodat de beide activiteiten niet met elkaar in verbinding staan. Hierdoor vindt een afscheiding plaats tussen de bedrijfsactiviteiten en het hobbymatig houden van paarden. De stallen bieden ruimte voor het houden van maximaal vijf paarden, dit wordt ook vastgelegd in de regels en verbeelding. Daarnaast is initiatiefnemer voornemens om een deel van de voormalige parkeerplaats, die ten zuiden van het woonperceel is gelegen, aan te wenden voor het beweiden van de paarden. Initiatiefnemer wil hier dan ook een rijbak, mobiele mestcontainer en drie weides realiseren. Het deel van het plangebied dat benut wordt voor het hobbymatig houden van paarden krijgt een agrarische bestemming en het deel van het plangebied dat benut wordt voor de bedrijfsactiviteiten krijgt een bedrijfsbestemming. Hierdoor is er een functionele afscheiding tussen beide activiteiten. Ook fysiek is sprake van een scheiding tussen beide activiteiten door het oprichten van de muur tussen beide bestemmingen en functies.
Het houden van paarden is bedoeld voor hobbymatige doeleinden en heeft derhalve geen organisatorische binding met het aanwezige bedrijf. Initiatiefnemer wil ten tijde van het gehele initiatief tevens de woning aanpassen. Momenteel heeft het bouwvlak van de woning een diepte van 12 meter, deze wil de initiatiefnemer graag vergroten tot 15 meter. Dit om enerzijds aan te sluiten bij de nieuwe gemeentelijke standaard (bij onder andere de plannen CPO seniorenwoningen Balledonk en LaarAchterstraat, fase 2 zijn de bouwvlakken 15 meter diep) en anderzijds voor het oprichten van een overkapping van 3 meter.
Vastgesteld
11
3.1
Uitgangspunten en doelstellingen van het plan
De doelstelling van dit bestemmingsplan is voornamelijk gericht op het planologisch mogelijk maken om achter de woning Dorpsstraat 11 een kleine bedrijfskavel voor lichte bedrijvigheid van milieucategorie 1 en 2 op te richten, het bouwen van een nieuwe schuur voor het opslaan van materialen en het hobbymatig houden van paarden, het plaatsen van een mobiele mestcontainer en het realiseren van een rijbak. Bij de opstelling van het onderhavige bestemmingsplan zijn de volgende uitgangspunten leidend geweest: ▪ Het bouwvlak van de woning wordt dieper gemaakt van 12 naar 15 meter; ▪ De woonbestemming van perceel 1270 wordt omgezet naar een bedrijfsbestemming; ▪ De groenbestemming van perceel 1827 wordt ingekort; ▪ In de te behouden groenbestemming wordt een toegangsweg naar het bedrijf aangelegd. Binnen dit deel wordt dan ook de aanduiding ‘ontsluiting’ opgenomen; ▪ Een deel van de groenbestemming van perceel 1827 wordt bij de bedrijfsbestemming getrokken en een deel wordt bij de agrarische bestemming getrokken. ▪ Binnen de bedrijfsbestemming wordt een nieuwe schuur opgericht (naast de schuur die reeds aanwezig is op perceel 1270). ▪ Binnen de bedrijfsbestemming wordt een bouwvlak opgenomen dat strak om de bestaande en beoogde bebouwing is getrokken.
Binnen het bouwvlak zijn de maatvoeringsaanduidingen ‘maximum bebouwingspercentage terrein: 100%’, ‘maximum goothoogte: 3 m’ en ‘maximum bouwhoogte: 5 m’ opgenomen. ▪ Binnen de agrarische bestemming is, ter plaatse van de beoogde paardenstal, een bouwvlak opgenomen met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – hobbymatig houden van paarden’; ▪ Op perceel 1827 wordt een rijbak aangelegd van 800 m2. Hier wordt dan ook de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch -rijbak’ opgenomen. ▪ Op perceel 1827 wordt een mobiele, afgedekte mestcontainer geplaatst. Hier wordt dan ook de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - mobiele mestcontainer’ opgenomen. ▪ De rest van perceel 1827 wordt ingericht als weiland. ▪ Verder dienen alle dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen uit de vigerende bestemmingsplannen opnieuw van toepassing te worden verklaard. De uitgangspunten hebben geleid tot een bestemmingsplan waarin het voorste gedeelte van het plangebied bestemd blijft als ‘Tuin’ en ‘Wonen’. Binnen de woonbestemming is het bouwvlak dieper gemaakt (van 12 meter naar 15 meter). Perceel 1270 en een gedeelte van perceel 1827 zijn bestemd als ‘Bedrijf’ en voorzien van een bouwvlak. Binnen dit bouwvlak zijn de maatvoeringsaanduidingen ‘maximum bebouwingspercentage terrein: 100%’, ‘maximum goothoogte: 3 m’ en maximum bouwhoogte: 5 m’.
De rest van perceel 1827 is bestemd als ‘Groen’ en als ‘Agrarisch’. Binnen de groenbestemming is de aanduiding ‘ontsluiting’ opgenomen en binnen de agrarische bestemming is een bouwvlak opgenomen met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – hobbymatig houden van paarden’. Binnen de agrarische bestemming zijn daarnaast de functieaanduidingen ‘specifieke vorm van agrarisch – rijbak’ en ‘specifieke vorm van agrarisch – mobiele mestcontainer’ opgenomen. De archeologische dubbelbestemmingen en de gebiedsaanduidingen zijn voor het gehele plangebied opnieuw van toepassing verklaard.
Vastgesteld
12
3.2
Stedenbouwkundige / ruimtelijke aspecten
Met de ontwikkeling wordt een kleine bedrijfskavel opgericht in de kern Loosbroek. Dit om te voorzien in de eigen behoefte van de initiatiefnemer. Vanuit functioneel oogpunt is het oprichten van lichte bedrijvigheid passend op deze locatie, gezien de ligging nabij een klein bedrijvencluster. Binnen de bedrijfsbestemming zal een nieuwe schuur worden opgericht voor het opslaan van materialen. De schuur is beoogd achter de woning en achter de bestaande schuur. Binnen de agrarische bestemming zullen vier stallen worden gerealiseerd, in aan sluiting op de nieuwe schuur. Door de ligging van de schuur en stallen zullen deze vanuit de Dorpsstraat niet te zien zijn. De nieuwe schuur wordt net zo hoog gemaakt als de bestaande schuur waarmee als het ware één geheel ontstaat. Naast de bovengenoemde ontwikkelingen wordt de woning aangepast. Het bouwvlak van de woning wordt dieper gemaakt en de maximale bouwhoogte van de woning verhoogd. De diepte van het bouwvlak is passend binnen de nieuwe gemeentelijke standaard. Bij de nieuwste bouwplannen hebben de bouwvlakken namelijk allemaal een diepte van 15 meter. Er zijn dan ook geen negatieve stedenbouwkundige of ruimtelijke effecten voor de omgeving te verwachten en de gehele ontwikkeling wordt daarnaast groen ingepast in de omgeving.
3.3
Landschappelijke inpassing
Voor de gehele ontwikkeling is een landschappelijk inpassingsplan1 opgesteld, waarmee is gegarandeerd dat de ontwikkeling op een passende wijze onderdeel uitmaakt van het omringende landschap. Uitvoering van het gestelde in het landschappelijk inpassingsplan is als verplichting opgenomen in de planregels als voorwaardelijke bepaling. Voor de ontwikkeling wordt langs de houten schutting op perceel 1270 een gemengde haag aangeplant. Daarnaast zal een beukenhaag worden opgericht tussen de tuin en de parkeerplaatsen. Tevens wordt aan de west- en zuidzijde van de paardrijbak een beukenhaag aangeplant. Deze beukenhaag voorziet daarmee als een functiescheiding tussen de paardrijbak en het achterliggende parkeerterrein. Daarnaast worden in de paardenweiden nog drie solitaire bomen geplant. Voor het initiatief worden in drie solitaire bomen geplant waarvan twee paardenkastanjebomen en een winterlinde. Daarnaast worden twee beukenhagen aangeplant en een gemengde haag. De beukenhaag die de afscheiding vormt tussen de tuin en de parkeerplaats zal bestaan uit 70 stuks beuk. De beukenhaag die om de paardrijbak komt te liggen zal bestaan uit 180 stuks beuk. De gemengde haag zal bestaan uit 25 stuks veldesdoorn, 25 stuks rode kornoelje, 25 stuks meidoorn en 30 stuks Gelderse roos.
1
Groen en Ruimte, Landschappelijke inpassing, mei 2021 aangepast 27-28-10-2021
Vastgesteld
13
Afbeelding 14. Landschappelijke inpassing Dorpsstraat 11 Loosbroek met de ontwikkelingsrichting
Vastgesteld
14
4.
BELEIDSKADER
In dit hoofdstuk worden de op het plangebied van toepassing zijnde beleidskaders behandeld. Gemeenten zijn immers niet geheel vrij in het voeren van hun eigen beleid. Rijk en provincie geven met het door hen gevoerde beleid de kaders aan waarbinnen gemeenten kunnen opereren. In de volgende paragraaf wordt ingegaan op het van toepassing zijnde Rijksbeleid. In de daaropvolgende paragraaf komt het provinciaal beleid aan bod. In paragraaf 4.3 volgt ten slotte het van toepassing zijnde beleid van de gemeente Bernheze.
4.1
Rijksbeleid
4.1.1 Nationale omgevingsvisie In het kader van de invoering van de Omgevingswet, die nu gepland staat voor 1 januari 2022, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Op die manier wordt invulling gegeven aan de verplichting tot het opstellen van zo’n visie die is vastgelegd in artikel 3.1, lid 3 Ow. Tot de invoering van de Omgevingswet heeft dit document de status van structuurvisie in de zin van artikel 2.3 Wro. Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht aan grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak.
Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: ▪ Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; ▪ Duurzaam economisch groeipotentieel; ▪ Sterke en gezonde steden en regio’s; ▪ Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzen. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteiten van verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Op basis van de vier verschillende prioriteiten en de drie afwegingsprincipes zijn 21 nationale belangen geformuleerd, waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Relevante nationale belangen voor onderhavig initiatief zijn als volgt: ▪ Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; ▪ Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; ▪ Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; ▪ Realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie; ▪ Waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat.
Vastgesteld
15
Met de beoogde ontwikkelingen wordt ingespeeld op de geformuleerde nationale belangen. Bovendien geldt voor het plangebied dat er geen nationale belangen uit de NOVI in het geding in het geding zijn, mede gezien de kleinschaligheid en de aard van de ontwikkeling. 4.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen daarvan in werking getreden. Voor de nationale belangen die kaderstellend zijn voor besluiten van gemeenten zijn in het Barro regels opgenomen die direct het bestemmingsplan en daarmee gelijk te stellen besluiten betreffen. Zij strekken ertoe dat de nationale ruimtelijke afweging, die door het kabinet in samenspraak met de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal is gemaakt, bij besluitvorming over bestemmingsplannen wordt gerespecteerd. Onderwerpen waarvoor het Rijk ruimte vraagt zijn de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam en de uitoefening van defensietaken. In oktober 2012 is het besluit aangevuld met de ruimtevraag voor de onderwerpen veiligheid op rijksvaarwegen, toekomstige uitbreiding van infrastructuur, de elektriciteitsvoorziening, het Nationaal Natuurnetwerk, de veiligheid van primaire waterkeringen, reserveringsgebieden voor hoogwater langs de Maas en maximering van de verstedelijkingsruimte in het IJsselmeer.
Met de ontwikkeling van bedrijvigheid op deze locatie worden geen van de genoemde belangen geschaad. In het plangebied is verder geen sprake van een gebiedsreservering voor de lange termijn. Kortom, het gebruiken van een deel van de locatie voor bedrijfsdoeleinden is niet in strijd met de beleidsregels zoals deze zijn opgenomen in het Barro. 4.1.3
Ladder duurzame verstedelijking
De Ladder voor duurzame verstedelijking is in oktober 2012 ingevoerd en is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik. De ladder ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van overprogrammering en de keuzes die daaruit volgen. De ladder is juridisch vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ontwikkeling (Bro). Sinds invoering van de ladder is er veel jurisprudentie ontstaan en is er veel over geschreven. De ladder werd als te ingewikkeld ervaren en zorgde voor veel onderzoekskosten. Per 1 juli 2017 is de regeling daarom gewijzigd. De drie treden uit de oorspronkelijke tekst worden losgelaten en vervangen door de volgende tekst: “De toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied. De Laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In artikel 1.1.1 onder i van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling vastgelegd.
Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd: “ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen”. De Afdeling is in een eerdere zaak van oordeel geweest dat het oprichten van een bedrijfsbestemming met een oppervlakte van ongeveer 2.360 m2 en bedrijfsgebouwen van maximaal 400 m2 geen stedelijke ontwikkeling betreft. Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is dan ook niet van toepassing (ABRvS 23 april 2014; ECLI:NL:RVS:2014:1442).
Vastgesteld
16
Gelet hierop kan zeker geconcludeerd worden dat het realiseren van een bedrijfsbestemming van circa 1.050 m2 met een bedrijfsvloeroppervlak van circa 165 m2 in de bebouwde kom van Loosbroek evenmin een stedelijke ontwikkeling betreft als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid Bro. Er hoeft dan ook niet aan de ladder getoetst te worden.
4.2
Provinciaal beleid
4.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben in hun vergadering van 14 december 2018 de Omgevingsvisie “De kwaliteit van Brabant” (met bijbehorend plan-MER) vastgesteld. Dit vooruitlopend en anticiperend op de inwerkingtreding van de nationale Omgevingswet in 2021. Met deze Omgevingsvisie geeft de provincie richting aan wat zij voor Brabant wil bereiken en biedt daarmee handvatten voor haar handelen in de praktijk. De Omgevingsvisie bevat de belangrijkste provinciale ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Conform de Omgevingswet staan de waarden veiligheid, gezondheid en duurzame omgevingskwaliteit centraal. De Brabantse Omgevingsvisie voegt daar ambities aan toe voor vier hoofdopgaven: de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De visie geeft daarbij richting aan deze opgaven vanwege de ingrijpende veranderingen waarmee zij gepaard gaan. Daarnaast geeft de Omgevingsvisie ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. De Omgevingsvisie is verplicht, maar uitsluitend zelfbindend voor de provincie. De visie zal komende jaren nader worden uitgewerkt in diverse programma’s en een provinciale omgevingsverordening.
Om Brabant in de toekomst welvarend, verbonden en klimaatproof te laten zijn, onderscheid de provincie vier hoofdopgaven die nauw met elkaar samenhangen en die op elkaar inwerken als de tandwielen in een machine: ▪ Werken aan de Brabantse energietransitie; ▪ Werken aan een klimaatproof Brabant; ▪ Werken aan de slimme netwerkstad; ▪ Werken aan een concurrerende, duurzame economie. Transformatie van het stedelijk gebied wordt een belangrijke opgave. Het ‘up to date’ houden van het bestaand stedelijk gebied is essentieel voor een duurzame, sociale en economische ontwikkeling van de steden en dorpen van Brabant. Samen met andere partijen zoals gemeenten en bedrijven wil de provincie uitvoering geven aan projecten die passen binnen deze opgaven. Van belang is dat het in de toekomst ook goed wonen, werken en verblijven blijft. Werken aan een goede omgevingskwaliteit zowel in de bebouwde als in de onbebouwde omgeving is het uitgangspunt. Conclusie Initiatiefnemer heeft behoefte aan een opslagruimte dicht bij huis / kantoor. Met onderhavig initiatief wordt het dan ook mogelijk om achter de eigen woning de materialen op te slaan. Zo kan de initiatiefnemer dicht bij huis de materialen opslaan en voorbereidende werkzaamheden uitoefenen.
Hiermee hoeven de materialen niet eerst op een andere locatie opgehaald te worden en daarnaast hoeft het bedrijf niet elders (nieuwe) bedrijfsgebouwen te huren. Binnen de bedrijfsbestemming zal een nieuwe schuur worden opgericht die in gebruik zal worden genomen als opslagruimte. Het oprichten van de bedrijfsbestemming en de nieuwe schuur voor het uitoefenen van de bedrijfsactiviteiten past binnen het up-to-date houden van het bestaand stedelijk gebied. Het onderhavige plan past hiermee binnen het beleid van de Omgevingsvisie Noord Brabant.
Vastgesteld
17
4.2.2 Structuurvisie ruimtelijke ordening 2014 Provinciale Staten hebben op 7 februari 2014 de partiële herziening van de in 2010 vastgestelde Structuurvisie ruimtelijke ordening Noord-Brabant vastgesteld. De partiële herziening richt zich alleen op het verwerken van besluitvorming die op landelijk en provinciaal niveau al heeft plaatsgevonden. De provincie geeft in de ‘Structuurvisie ruimtelijke ordening 2010 – partiële herziening 2014’ de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). De provincie kiest voor een duurzame ontwikkeling waarin de kwaliteiten van de provincie sturend zijn bij de ruimtelijke keuzes die de komende jaren op de provincie afkomen. Nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan de kracht en identiteit van NoordBrabant. Het ruimtelijk beleid van de provincie Noord-Brabant heeft als hoofddoel: ‘zorgvuldiger omgaan met de Brabantse ruimte’. De provincie streeft ernaar om de economische, ecologische en sociaal-culturele kwaliteiten meer met elkaar in balans te brengen, zodat het voor iedereen prettig wonen, werken en recreëren is in Noord-Brabant.
Om het hoofddoel te kunnen bereiken, heeft de provincie Noord-Brabant vijf leidende principes geformuleerd voor het ruimtelijk beleid voor de periode tot 2020: ▪ Meer aandacht voor de onderste lagen: het watersysteem, de bodemtypologie en de geomorfologie en de infrastructuur; ▪ Zuinig ruimtegebruik; ▪ Concentratie van verstedelijking: inbreiden, herstructureren en intensiveren; ▪ Zonering van het buitengebied; ▪ Grensoverschrijdend denken en handelen. Het plangebied is gelegen binnen het landelijk gebied. Het landelijk gebied ligt buiten de groenblauwe structuur en de stedelijke structuur zoals steden, dorpen en bedrijventerreinen. Het landelijk gebied biedt een multifunctionele gebruiksruimte voor land- en tuinbouw, natuur, water, recreatie, toerisme en kleinschalige stedelijke functies. De provincie wil binnen het landelijk gebied het volgende bereiken: ▪ Ruimte voor een breed georiënteerde plattelandseconomie; De provincie biedt ruimte aan een breed georiënteerde plattelandseconomie met een menging van functies met ontwikkelingsmogelijkheden voor land- en tuinbouw, toerisme en recreatie en verbreding van agrarisch activiteiten met streekproducten, zorgverblijven en recreatief verblijf.
▪ Ruimte voor duurzame agrarische ontwikkeling; De provincie wil ruimte bieden voor de verdere ontwikkeling van de land- en tuinbouw, mits deze bijdraagt aan een verdere verduurzaming van de sector. Belangrijke aspecten daarbij zijn zorgvuldig ruimtegebruik, volksgezondheid, dierenwelzijn, een afname van de milieubelasting, duurzame energieopwekking en efficiënt energiegebruik. ▪ Versterking van het landschap; Ontwikkelingen in het landelijk gebied leveren een bijdrage aan de versterking en beleving van het landschap, bijvoorbeeld door investeringen in de fijnmazige groenblauwe dooradering van het platteland, in het cultuurhistorisch erfgoed en in de versterking van de recreatieve structuur. Binnen het landelijk gebied onderscheidt de provincie twee perspectieven: ▪ Gemengd landelijk gebied De provincie beschouwt het ‘Gemengd landelijke gebied’ als een gebied waarbinnen een menging van functies aanwezig is. De mate van menging varieert daarbij van de gebieden waarbinnen meerdere functies in evenwicht naast elkaar bestaan tot gebieden waar de land- en tuinbouw de dominante functie is. In de gemengde plattelandseconomie is naast ruimte voor de land- en tuinbouw ook ruimte voor de ontwikkeling van niet-agrarische functies, zoals toerisme, recreatie, kleinschalige bedrijvigheid, zorgfuncties et cetera.
Dit kan door verbreding van agrarische activiteiten, maar ook als zelfstandige functie, met name op vrijkomende locaties. Rondom steden, dorpen en natuur is er in de meeste gevallen feitelijk sprake van een gemengde plattelandseconomie. In de gebieden rondom steden en dorpen is daarbij meer ruimte voor de ontwikkeling van functies die zich richten op de inwoners van die kernen, in de gebieden rondom de groenblauwe structuur is de ontwikkeling van functies meer afgestemd op het ondernemen in een groene omgeving en de versterking van natuur- en landschapswaarden.
Vastgesteld
18
▪
Accent agrarische ontwikkeling Binnen het ‘Accentgebied agrarische ontwikkeling’ is het perspectief dat de provincie nastreeft binnen het gemengd landelijk gebied, zoals hiervoor beschreven, leidend. In aanvulling hierop wil de provincie optimale ontwikkelingsmogelijkheden bieden voor het verbeteren van de agrarische productiestructuur in deze gebieden. Het bieden van deze ruimere mogelijkheden geldt alleen in gebieden waar de land- en tuinbouw een voorkeurspositie inneemt, de primair agrarische gebieden.
De ruimtelijke belangen zijn geografisch gevisualiseerd in de structurenkaart, waardoor helder wordt welke belangen de provincie op welke plek plaatst. Het plangebied is op basis van de structurenkaart gelegen binnen de zone ‘gemengd landelijk gebied’. Dit is een gebied waarbinnen verschillende functies in evenwicht met elkaar worden ontwikkeld. Agrarische functies worden in samenhang met andere functies (in de omgeving) uitgeoefend. Het initiatief betreft het oprichten van een kleinschalige bedrijfslocatie in de bebouwde kom van Loosbroek. Dit om te voorzien in de eigen behoefte van initiatiefnemer. Daarnaast wordt de locatie met het initiatief goed geïntegreerd in het landschap middels een landschappelijke inpassing. Het initiatief past daarom binnen de gestelde kaders van de provinciale Structuurvisie Ruimtelijke Ordening.
Afbeelding 15. Uitsnede structurenkaart met plangebied rood omlijnd
4.2.3
Interim omgevingsverordening
De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is op 25 oktober 2019 vastgesteld. Op 1 januari 2021 treedt de Omgevingswet in werking. Vanwege de Omgevingswet moet de provincie haar regelsysteem aanpassen. Straks heeft de provincie nog maar één verordening waarin alle regels zijn opgenomen over de fysieke leefomgeving. De Interim omgevingsverordening is een eerste stap op weg naar de definitieve omgevingsverordening. Hierin worden de bestaande verordeningen over de fysieke leefomgeving samengevoegd tot één Interim omgevingsverordening, waaronder de huidige Verordening ruimte. De Interim omgevingsverordening (Iov) is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals de omgevingsvisie. In beginsel zijn de huidige regels met het huidige beschermingsniveau gehandhaafd. In hoofdstuk 3 van de Iov zijn de instructieregels opgenomen die gemeenten moeten toepassen in hun bestemmingsplannen. Hierin staan de regels die eerder waren opgenomen in de Verordening ruimte.
Vastgesteld
19
Vooruitlopend op de Omgevingswet richten de instructieregels zich op een evenwichtige toedeling van functies (in plaats van het bestemmen van ontwikkelingen). Dit betekent dat de regels ook vanuit functies (van gebieden) zijn opgebouwd. Daarnaast richten de regels zich op een goede omgevingskwaliteit, inclusief een veilige en gezonde leefomgeving (in plaats van een goede ruimtelijke kwaliteit). Tevens zijn een aantal algemene basisprincipes opgenomen. Ook zijn hier regels voor ontwikkelingen gekoppeld aan werkgebieden (structuren) en aanduidingen. Het voorste gedeelte van het plangebied ligt binnen het ‘Stedelijk gebied’ en is aangeduid als ‘Landelijke kern’. Het achterste gedeelte van het plangebied ligt binnen het ‘Landelijk gebied’ en is aangeduid als ‘Gemengd landelijk gebied’. Stedelijk gebied, landelijke kern Het voorkomen van onnodig nieuw ruimtebeslag krijgt ook vorm door eerst de mogelijkheden binnen de bestaande bebouwde omgeving optimaal te benutten. Dat betekent niet dat alle fysieke ruimte benut moet worden voordat nieuw ruimtebeslag mogelijk is. Binnen stedelijk gebied is vanuit kwaliteitsoverwegingen bijvoorbeeld ook ruimte nodig voor groenvoorzieningen en voldoende opvang van water.
Een verbijzondering voor stedelijke ontwikkeling is dat er toepassing gegeven moet zijn aan de ladder voor duurzame verstedelijking, zoals opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (zie ook paragraaf 4.1.3). Deze voorwaarde geldt rechtstreeks vanuit de nationale wetgeving.
Afbeelding 16. Uitsnede basiskaart landelijk gebied van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant, plangebied rood omcirkeld
Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen ligt binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken en het een duurzame stedelijke ontwikkeling is. Regionale afspraken Met de ontwikkeling wordt de woonbestemming en groenbestemming wat kleiner doordat een gedeelte wordt omgezet in een bedrijfsbestemming. De bedrijfsbestemming wordt opgericht om te voorzien in de eigen behoefte van de initiatiefnemer. Het betreft een kleinschalige ontwikkeling doordat het gedeelte dat wordt bestemd als ‘Bedrijf’ slechts een oppervlakte krijgt van 1.050 m2. De bestaande schuur, die momenteel in gebruik is als kantoor en showroom zal binnen de bedrijfsbestemming worden getrokken. Daarnaast zal binnen de bedrijfsbestemming een nieuwe schuur worden opgericht voor het opslaan van de materialen. Initiatiefnemer is tevens voornemens om vier stallen op te richten die tegen de opslagruimte c.q. werkplaats aanliggen. Met de ontwikkeling worden de regionale afspraken niet geschaad.
Vastgesteld
20
Duurzame stedelijke ontwikkeling De ontwikkeling voldoet op de volgende manier aan de bijbehorende regels en voorwaarden van een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen: a. Bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving; b. Bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden; c. Geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie; d. Houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water; e. Geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit; f. Draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie. Aan de voorwaarden wordt voldaan. Hieronder wordt gemotiveerd waarom aan de gestelde voorwaarden wordt voldaan: Ad. a. Initiatiefnemer heeft een eigen bedrijf en huurt hiervoor elders een bedrijfsruimte. Echter door de groei van het bedrijf is de behoefte ontstaan aan een droge werkplaats dichtbij huis. Om te voorzien in deze werkplaats wil de initiatiefnemer achter de bestaande schuur een nieuwe schuur realiseren. Beide schuren zullen gebruikt worden de bedrijfsactiviteiten.
Met onderhavig initiatief wordt een deel van de woonbestemming en groenbestemming omgezet naar een bedrijfsbestemming zodat de uitoefening van de bedrijfsactiviteiten mogelijk wordt. Aan de oostelijke zijde van de kern Loosbroek is sprake van een cluster van bedrijvigheid. De bedrijvigheid is hierbij zowel direct aan de weg gelegen als ook achter bestaande woningen. Het oprichten van een nieuwe bedrijfsbestemming achter de eigen woning past derhalve uitstekend in de omgeving. Hierdoor kan gesteld worden dat een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving geborgd wordt. Ad. b. Het herzien van de gronden zorgt ervoor dat de gronden en bestemmingen efficiënter geëxploiteerd kunnen worden. Momenteel zijn de gronden in eigendom van de initiatiefnemer en worden gebruikt als tuin en ontsluitingsweg. De ontsluitingsweg blijft gehandhaafd om het bedrijfsgebouw te ontsluiten. Daarnaast blijft de aanwezige schuur gehandhaafd; deze zal worden gebruikt voor de bedrijfsactiviteiten. Gesteld kan worden dat met het initiatief sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik. Ad. c. De ontwikkeling geeft hier geen specifieke invulling aan. Op de aanwezige schuur liggen circa 50 zonnepanelen. De opgewekte zonne-energie zou de initiatiefnemer kunnen benutten voor de bedrijfsactiviteiten. Ad. d.
Met onderhavig initiatief wordt circa 2.330 m2 aan verharding verwijderd en circa 320 m2 aan nieuwe verharding toegevoegd. Doordat meer verharding wordt verwijderd dan toegevoegd heeft dit louter positieve effecten voor de waterhuishouding. Binnen het plangebied is en blijft voldoende ruimte aanwezig voor het opvangen en infiltreren van regenwater. Zie paragraaf 5.4. Ad. e. Niet van toepassing op de ontwikkeling. Ad. f. Door de gronden binnen het plangebied te herzien ontstaat een situatie die efficiënter is voor de exploitatie van het eigen bedrijf van initiatiefnemer. Dit heeft een positief effect op het voortbestaan van het bedrijf en daarmee de concurrerende economie van Loosbroek. Landelijk gebied, gemengd landelijk gebied Een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in ‘Landelijk Gebied’ bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. Binnen dit deel van het plangebied wordt een rijbak van circa 800 m2 opgericht. Daarnaast worden weilanden ingericht en wordt een mobiele mestcontainer geplaatst. Dit alles ten behoeve van het hobbymatig houden van paarden. Binnen de interim omgevingsverordening zijn geen regels opgenomen met betrekking tot het hobbymatig houden van paarden.
Er dient wel een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit plaats te vinden. Voor onderhavig plan is een landschappelijke inpassing opgesteld (zie paragraaf 3.3).
Vastgesteld
21
Conclusie Een deel van het plangebied is gelegen binnen het stedelijk gebied met werkingsgebied ‘landelijke kernen’. Op deze plek zijn onder voorwaarden stedelijke ontwikkelingen mogelijk. De ontwikkeling voldoet aan de gestelde regels en voorwaarden. Het provinciaal beleid vormt dan ook geen belemmering. Het ander deel van het plangebied is gelegen binnen het landelijk gebied met werkingsgebied ‘gemengd landelijk gebied’. Ruimtelijke ontwikkelingen zijn binnen het landelijk gebied toegestaan mits de ontwikkeling zorgt voor een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. Onderhavig initiatief is landschappelijk ingepast waardoor sprake is van een verbetering van de landschappelijke kwaliteit.
4.3
Gemeentelijk beleid
4.3.1 Structuurvisie Bernheze In december 2003 heeft de gemeenteraad van Bernheze de Structuurvisie Plus ‘Bernheze op koers’ vastgesteld. Mede naar aanleiding van de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening in juli 2008, waardoor gemeenten verplicht zijn te beschikken over een gemeentelijke structuurvisie, is besloten om een nieuwe structuurvisie voor het hele gemeentelijke grondgebied op te stellen. Op 11 februari 2010 is de nieuwe structuurvisie ‘Structuurvisie Bernheze’ vastgesteld. De Structuurvisie bestaat uit een ruimtelijk deel en een uitvoeringsprogramma. De Structuurvisie moet helderheid verschaffen in het ruimtelijke beleid van de gemeente Bernheze en de wijze waarop zij deze tot uitvoering wil brengen. Deze helderheid is gewenst voor inwoners en ondernemers, als ook voor andere (semi-) overheden en maatschappelijke partners. De toekomstige ontwikkeling van de gemeente Bernheze vindt haar basis in twee kwaliteiten: enerzijds haar groene kwaliteiten, zowel in het grote middengebied, als in en rondom de kernen; anderzijds haar woonkwaliteiten, met een gevarieerd aanbod vanuit de vijf kernen. Bernheze wil de komende jaren nog steeds een groene gemeente zijn, met ‘rust’ en ‘ruimte’ als karaktertrekken daarbinnen.
Daarvoor is het nodig dat er continu naar een balans gezocht wordt met betrekking tot die functies die Bernheze groen maken: de agrarische functies, de ecologische functies en de toeristisch‐recreatieve functies. In de nabije toekomst zal steeds duidelijker worden dat vervlechting van deze functies noodzakelijk is om het kwaliteitsniveau van de groene gemeente op peil te houden. Daarbij gaat het niet zozeer om ‘meer’, maar juist om ‘meer variatie’. Het plangebied is in de structuurvisie aangewezen als ‘Dorpen’ en ‘Afronding dorpsrand’. De dorpen vervullen een belangrijke rol voor het accommoderen van de toekomstige ruimtevraag. De duidelijke structuur en de variatie van de verschillende dorpen dient behouden en waar mogelijk versterkt te worden. De gemeente heeft als taak het voorzieningenniveau op peil te houden. Het doel is een evenwichtige verdeling van voorzieningen over de dorpskernen. Op strategische plekken zal er gekozen worden voor het afronden/verdichten van de dorpsrand. Een zorgvuldige (groene) inpassing tussen de afronding wonen of bedrijven is daarbij vereist en mag in geen geval het zicht op de cultuurhistorisch waardevolle objecten verminderen. Binnen de afronding dorpsrand dient er ruimte gereserveerd te zijn voor toekomstige bedrijvigheid. Dit moet aansluiting krijgen bij de bestaande bedrijven aan de dorpsrand van het dorp.
Vastgesteld
22
Afbeelding 17. Uitsnede ruimtelijke casco kaart behorende bij de structuurvisie met plangebied (rood omcirkel)
Conclusie In de structuurvisie is opgenomen dat de plekken die zijn aangewezen als ‘Afronding dorpsrand’ bestemd zijn voor het afronden en verdichten van de dorpsrand. Binnen de afronding dorpsrand dient ruimte te worden gereserveerd voor toekomstige bedrijvigheid. Het plangebied is gelegen binnen de ‘Dorpen’ en binnen de ‘Afronding dorpsrand’. Binnen de afronding dorpsrand is het mogelijk om nieuwe bedrijvigheid op te richten mits dit aansluit bij de bestaande bedrijven. Aan de oostelijke zijde van Loosbroek is sprake van een cluster met bedrijvigheid. Hier zijn een transportbedrijf, opslagbedrijf, diervoederbedrijf, metaalbedrijf en een kantoor van het waterschap gelegen. De bedrijven zijn zowel direct aan de weg gelegen als achter bestaande woningen. Het oprichten van een nieuwe bedrijfsbestemming achter de woning Dorpsstraat 11 sluit dan ook aan bij de bedrijvigheid in de omgeving. Met het initiatief wordt geen afbreuk gedaan aan de cultuurhistorische waardevolle objecten in de omgeving. De voorgestane ontwikkeling is dus in lijn met het beleid uit de Structuurvisie.
Vastgesteld
23
5.
RANDVOORWAARDEN / RESULTATEN ONDERZOEKEN
Bij het oprichten van de bedrijfsbestemming, het hobbymatig houden van paarden, de realisatie van de rijbak en het vergroten van de woning dient rekening gehouden te worden met (milieu-)-aspecten vanuit de omgeving en op de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten zoals geluid, luchtkwaliteit, bodem en grondwaterkwaliteit, milieuinvloed bedrijvigheid en externe veiligheid wordt in de navolgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van het initiatief voor onder andere de aspecten kabels, leidingen en straalpaden, geurhinder en veehouderijen, ecologie, waterhuishouding, archeologie en cultuurhistorie en verkeer en parkeren. Ook de hieruit voortkomende bevindingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht.
5.1
Milieuaspecten
5.1.1
M.e.r.-plicht
Bepaalde activiteiten kunnen belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu, waardoor het opstellen van een milieueffectrapportage (m.e.r.) of het verrichten van een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. In het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd welke activiteiten m.e.r-plichtig zijn en voor welke activiteiten een m.e.r-beoordeling moet worden verricht. In onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage zijn de activiteiten, plannen en besluiten opgenomen ten aanzien waarvan het maken van een milieueffectrapportage (m.e.r.) verplicht is. In onderdeel D van de bijlage zijn de activiteiten, plannen en besluiten opgenomen waarvoor een m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd. Voor alle activiteiten zijn drempelwaarden opgenomen. Als een activiteit voorkomt in kolom 1 van de C- of D-lijst en de drempelwaarden uit kolom 2 worden overschreden, is een m.e.r. (onderdeel C) of een m.e.r.-beoordeling (onderdeel D) verplicht. Voor activiteiten die genoemd worden in onderdeel D, maar waarbij de drempelwaarde niet wordt overschreden, geldt de verplichting om na te gaan of tóch een m.e.r.-beoordeling (of een m.e.r.) moet worden uitgevoerd. Het bevoegd gezag moet in zo’n geval nagaan of er sprake is van omstandigheden die – ondanks dat de drempelwaarden niet worden overschreden - aanleiding geven voor het verrichten van een m.e.r.(-beoordeling).
De motivering moet zijn gebaseerd op een toets die qua inhoud aansluit bij de m.e.r.-beoordeling. Voor de toets gelden echter geen vormvereisten, daarom wordt de term ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’ gehanteerd. Bedrijf Aan de Dorpsstraat 11 in Loosbroek wordt één kleine bedrijfskavel gerealiseerd van circa 1.050 m2 met een maximum bedrijfsvloeroppervlak van circa 165 m2. Dit valt onder de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen (zoals vermeld in Onderdeel D van het Besluit m.e.r. onder D11.2 onder sub 3: een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer). Als blijkt dat een bedrijf een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer heeft is een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk. In dit geval wordt een bedrijfskavel van slechts 1.050 m2 gerealiseerd met een bedrijfsvloeroppervlakte van 165 m2. Deze activiteit valt ruim beneden de gestelde drempelwaarde, waardoor geen sprake is van een directe m.e.r.beoordelingsplicht. Omdat de activiteit wel voorkomt in kolom 1 van de D-lijst dient wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden verricht. Paarden Daarnaast wordt een deel van de locatie gebruikt voor het hobbymatig houden van maximaal vijf paarden.
Dit valt onder de wijziging van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren (zoals vermeld in Onderdeel D van het Besluit m.e.r. onder D.14 onder sub 12: 100 stuks paarden of pony’s (Rav categorie K.1 en K.3), waarbij het aantal bijbehorende dieren in opfok jonger dan 3 jaar niet wordt meegeteld. (Rav categorie K.2 en K.4).
Vastgesteld
24
Als blijkt dat meer paarden kunnen worden gehouden dan de genoemde 100 is een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk. In dit geval zullen op de locatie maximaal vijf paarden gehouden gaan worden. Deze activiteit valt ruim beneden de gestelde drempelwaarde, waardoor geen sprake is van een directe m.e.r.-beoordelingsplicht. Omdat de activiteit wel voorkomt in kolom 1 van de D-lijst dient wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden verricht. Conclusie In bijlage 1 is een vormvrije m.e.r.-beoordeling voor het initiatief opgesteld. In het kader van deze vormvrije m.e.r.beoordeling is in voldoende mate inzicht gekregen in de milieugevolgen van het oprichten van een kleine bedrijfskavel en het hobbymatig houden van paarden aan de Dorpsstraat 11 te Loosbroek. Het initiatief is relatief kleinschalig en heeft geen kenmerken die potentieel een risico op grote milieueffecten vormt. Uit deze beoordeling blijkt dat er geen onevenredige nadelige milieueffecten te verwachten zijn. Deze beoordeling geeft dan ook geen aanleiding of noodzaak voor het doorlopen van een formele m.e.r.-beoordelingsprocedure of m.e.r.procedure. Gelet op het vorenstaande wordt op basis van deze aanmeldnotitie voorgesteld om te besluiten dat geen milieueffectrapportage nodig is. 5.1.2
Bodemkwaliteit
Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle ruimtelijke plannen relevant is en daarom onderzocht, beoordeeld en beschreven moet worden. De mate waarin beoordeling van de bodemkwaliteit aan de orde is, is met name afhankelijk van aard en omvang van het initiatief. De locatie wordt momenteel aan de voorzijde gebruikt als woning met tuin. Achter de woning en tuin is een groenstrook gelegen dat wordt gebruikt voor de ontsluiting van de achterzijde van het perceel. Een deel van de woon- en groenbestemming wordt gewijzigd naar een bedrijfsbestemming. Een ander deel van de groenbestemming wordt omgezet naar een agrarische bestemming. Vanwege de onderhavige bestemmingswijziging is derhalve voor dit gedeelte een verkennend bodemonderzoek2 conform de NEN 5740 uitgevoerd. Op basis van de resultaten van het uitgevoerde vooronderzoek is geconcludeerd dat de onderzoekslocatie onverdacht is ten aanzien van bodemverontreiniging. De opzet van het bodemonderzoek is gebaseerd op de onderzoeksstrategie voor een onverdachte niet-lijnvormige locatie (ONV-NL). Geconcludeerd wordt dat de hypothese 'onverdachte locatie' formeel gezien geen stand houdt. In de bovengrond is een lichte verontreiniging met PAK aangetoond.