Vaststelling bestemmingsplan 'Dorpsstraat 11, Loosbroek' - Toelichting
Tekst van het document
In de ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetoond. In het grondwater zijn een matige verontreiniging met barium en lichte verontreinigingen met nikkel en zink aangetoond. Voor de verontreinigingen met PAK in de grond en barium, nikkel en zink in het grondwater zijn geen duidelijke bronnen of oorzaken aan het licht gekomen. Waarschijnlijk betreft het een verhoogd achtergrondgehalte. De vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de aanvraag van een omgevingsvergunning. Het overige gedeelte van de locatie maakte in het verleden onderdeel uit van een parkeerplaats. Dit gedeelte is tegenwoordig niet meer als zodanig in gebruik, de verharding is verwijderd en dit gedeelte is al deels ingericht als paardenweide. Dit deel van het plangebied is reeds agrarisch bestemd en deze bestemming blijft gehandhaafd waardoor dit deel niet is meegenomen in het bodemonderzoek. Voor dit deel van het plangebied is een ontheffing bij de gemeente Bernheze aangevraagd middels het invullen van het formulier ‘historische toets’ (zie bijlage 2). De gemeente heeft de
2 HMB Groep, Verkennend bodemonderzoek, Dorpsstraat 11 Loosbroek, 19 mei 2021, kenmerk: 21237601A
Vastgesteld
25
ontheffing voor dit deel van het plangebied verleend. Voor dit deel van het plangebied is een bodemonderzoek dan ook niet benodigd. 5.1.3 Bedrijven en milieuzoneringen Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. Om een milieuzonering in een concrete situatie te kunnen uitwerken bevat de VNG publicatie bouwstenen. De drie belangrijkste bouwstenen zijn: 1. de richtafstandenlijst; 2. twee omgevingstypen; 3. een lijst van toelaatbare activiteiten in gemengd gebied met het oog op functiemenging. De belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijsten die zijn opgenomen in bijlage 1 van de VNG publicatie. Dit zijn afstanden ten opzichte van een rustige woonwijk (of een vergelijkbaar omgevingstype) of een gemengd gebied. Tabel 1.Milieucategorie met bijbehorende richtafstand
Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
Richtafstand rustige woonwijk 10 30 50 100 200 300 500 700 1000 1500
Richtafstand gemengd gebied 0 10 30 50 100 200 300 500 700 1000
Initiatiefnemer wil bij een gedeelte van het perceel aan de Dorpsstraat 11 in Loosbroek een bedrijfsbestemming realiseren van categorie 1 en 2. Daarnaast is initiatiefnemer voornemens om binnen een deel van het plangebied maximaal vijf paarden te houden. Hierom is een onderzoek bedrijven en milieuzonering3 uitgevoerd. In het bedrijven en milieuzonering onderzoek zijn de richtafstanden van de milieubelastende functies binnen de te realiseren bedrijfsbestemming aan de Dorpsstraat 11 in Loosbroek bepaald. Ter plaatse zal een bedrijf in shutters worden gevestigd en zal er sprake zijn van het hobbymatig houden van paarden. Aan de richtafstand voor de relevante milieuaspecten (geluid, geur, stof en gevaar) wordt voldaan. Gesteld kan worden dat ter plaatse van alle woningen in de omgeving sprake is van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat. 5.1.4 Wegverkeerslawaai De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidsnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidsniveaus als gevolg van wegen, spoorwegen, gezoneerde industrieterreinen en luchthavens. Diverse wegen in en om het plangebied zijn
3 De Roever, Onderzoek bedrijven en milieuzonering, Dorpsstraat 11 Loosbroek, 1 maart 2022, referentie: 20210483.v03
Vastgesteld
26
zoneplichtige wegen in het kader van de Wet geluidhinder. Dit betekent dat bij het oprichten van een gevoelige bestemming binnen de zone altijd een akoestisch onderzoek is vereist. De voorgenomen ontwikkeling behelst het oprichten van een nieuwe bedrijvigheid en heeft zodoende betrekking op een bedrijfslocatie. Een bedrijfslocatie betreft geen geluidsgevoelig object. Vanuit de Wgh bestaan er wat dat betreft geen belemmeringen voor het initiatief. 5.1.5
Luchtkwaliteit
Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking en staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Heersende luchtkwaliteit In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende is. Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als emissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen (uitlaatgassen van verkeer). Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door het RIVM jaarlijks in kaart worden gebracht. Normaal gesproken zijn er in het oosten en zuiden van Nederland geen knelpunten op het gebied van de luchtkwaliteit met betrekking tot fijn stof en stikstofdioxide te verwachten. De grootschalige concentratiekaart Nederland (GCN) geeft per km-vak de huidige achtergrondconcentraties weer. Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt momenteel de concentratie fijn stof (PM2,5) ter plaatse 9,5 µg/m³, de concentratie fijn stof (PM10) 17,3 µg/m³ en de concentratie stikstofdioxide (NO2) 11,9 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM2,5 25 µg/m³, terwijl de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 40 µg/m³ bedraagt. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 µg/m³.
Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende waardoor er sprake is van een goed woonen leefklimaat. Effect op luchtkwaliteit Op basis van de Wet luchtkwaliteit, als onderdeel van de Wet milieubeheer, gelden kwaliteitseisen voor de luchtkwaliteit. Deze kwaliteitseisen zijn door middel van grenswaarden voor de diverse luchtverontreinigingscomponenten vastgelegd. Deze grenswaarden gelden overal in de buitenlucht. Er wordt onderscheid gemaakt tussen projecten die ‘Niet in betekende mate’ (NIBM) en ‘In betekende mate’ (IBM) bijdragen. Projecten die NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit kunnen zonder verdere toetsing aan de grenswaarden uitgevoerd worden. Als een initiatief ervoor zorgt dat de concentratie PM10 of NO2 met meer dan 3% van de grenswaarde verhoogd, draagt het initiatief IBM bij aan de luchtkwaliteit en dient een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd te worden om de precieze effecten op de luchtkwaliteit in beeld te brengen. Voor het initiatief is de toename van verkeer van belang in relatie tot de luchtkwaliteit. Gezien de beoogde situatie is een toename van verkeersbewegingen aannemelijk. Uitgaande van een worst-case scenario is er sprake van een toename van 17,4 verkeersbewegingen per etmaal, veroorzaakt door 8,7 voertuigen (nadere toelichting aantal verkeersbewegingen paragraaf 5.6).
Gezien de aard van het initiatief wordt er van uitgegaan dat dit allen lichte voertuigen betreffen (personenwagens).
Vastgesteld
27
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie
2021
Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)
17,4
Aandeel vrachtverkeer
0,0%
NO2 in μg/m3
0,01
3
0,00
Extra verkeer als gevolg van het plan
Maximale bijdrage extra verkeer
PM10 in μg/m Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m 3
1,2
Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig Afbeelding 18. Uitsnede NIBM berekening
Met behulp van de NIBM-tool 2020 is bepaald of dit extra verkeer in betekende mate invloed heeft op de luchtkwaliteit. Uit de berekening blijkt dat de toename van het verkeer ruimschoots onder NIBM valt. Op basis van voorgaande wordt een nader onderzoek naar de luchtkwaliteit dan ook niet noodzakelijk geacht. 5.1.6
Geur
Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid. Geurhinder dient daarom zoveel mogelijk beperkt te worden door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies en bepaalde afstanden aan te houden ten opzichte van geurgevoelige objecten. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) kent bescherming toe aan geurgevoelige objecten. De Wet geurhinder en veehouderij stelt de gemeente in staat om middels gemeentelijk geurbeleid te sturen op geuremissies afkomstig uit stallen bij veehouderijen en daarmee op de geurbelasting op de omgeving. Op 12 december 2013 heeft de gemeente Bernheze de ‘Verordening Geurhinder en Veehouderij gemeente Bernheze 2013’ vastgesteld. En op 12 oktober 2015 heeft de gemeente Bernheze de ‘Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder gemeente Bernheze 2013’ vastgesteld. De geurverordening bevat de geur- en afstandsnormen waaraan getoetst wordt in het kader van vergunningverlening. De geurgebiedsvisie bevat de onderbouwing bij deze normen en de uitgangspunten van het gemeentelijke geurbeleid. Met onderhavig initiatief wordt lichte bedrijvigheid opgericht in de kern Loosbroek. Een bedrijf betreft geen geurgevoelig object. Daarnaast moeten omliggende agrarische bedrijven reeds rekening houden met de aanwezigheid van de woning op de betreffende locatie.
Met het oprichten van een kleine bedrijfskavel achter deze woning blijft de wijze waarop de omliggende agrarische bedrijven rekening moeten houden met de locatie gelijk. Omliggende veehouderijen worden niet verder belemmerd in hun bedrijfsvoering. Een deel van het plangebied wordt gebruikt voor het hobbymatig houden van maximaal vijf paarden. Dit is ook vastgesteld in de verbeelding en in de regels behorende bij onderhavig bestemmingsplan. De paarden worden gehouden binnen de agrarische bestemming en buiten het bedrijf. Er vindt een technische, fysieke en organisatorische scheiding plaats tussen de bedrijfsmatige activiteiten en het hobbymatig houden van paarden binnen het plangebied (zie bijlage 1 Vormvrije m.e.r.Vastgesteld
28
beoordeling). In een eerdere uitspraak heeft de afdeling aangegeven dat als er geen functionele technische of organisatorische binding is tussen het bedrijf en het hobbymatig houden van paarden dat het houden van paarden dan ook niet plaats vindt bij een bedrijf danwel inrichting (Raad van State 15 oktober 2003; ECLI:NL:RVS:2003:AL8982). Het houden van paarden is daarmee geen inrichting op basis van de Wet milieubeheer of een andere veehouderij waarvoor minimale afstanden tot een geurgevoelig object gelden. Gesteld kan worden dat het hobbymatig houden van paarden niet leidt tot geuroverlast ter plaatse van de omliggende woningen. Het aspect geur vormt derhalve geen belemmering voor onderhavig initiatief. 5.1.7 Externe veiligheid Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden te worden met het aspect externe veiligheid. Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten.
De belangrijkste zijn: ▪ Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); ▪ Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); ▪ Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht.
Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verwantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal bij de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht.
Vastgesteld
29
Tabel 2. Wanneer verantwoorden?
Bron Inrichtingen (Bevi) Buisleidingen (Bevb) Spoor-, Rijks- en waterwegen (Bevt)
Wanneer groepsrisicoverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen Wanneer sprake is van toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatiewaaarde
Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Overige wet- en regelgeving Tot slot wordt in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' (art. 3.1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit, Barro, effectafstanden uit de 'Circulaire effectafstanden LPGtankstations', enz.. Inventarisatie risicobronnen Met behulp van de provinciale risicokaart is bepaald of het plangebied binnen de plaatsgebonden risicocontouren, dan wel invloedsgebieden van omliggende risicovolle inrichtingen is gelegen. Op basis van de risicokaart van de provincie Brabant kan geconcludeerd worden dat er geen relevante risico’s in de directe omgeving van het plangebied aanwezig zijn (afbeelding 19). Conclusie luidt dan ook dat het aspect externe veiligheid niet van toepassing is voor het initiatief
Afbeelding 19. Ligging risicovolle bedrijvigheid ten opzichte van het plangebied
5.1.8 Volksgezondheid Uit de VGO-rapporten die afgelopen jaren zijn gepubliceerd door het RIVM komt duidelijk naar voren dat er een relatie wordt gevonden tussen veehouderijen en de gezondheid van omwonenden. Deze relatie is door de onderzoeker op verschillende manieren vastgesteld. Daarbij komt dichtheid van veehouderijbedrijven en afstand tot bepaalde type individuele veehouderijen concreet naar voren als factoren die van invloed zijn op de gezondheid van omwonenden.
Vastgesteld
30
Verder blijkt uit VGO-onderzoek dat er in een straal van twee kilometer rond geitenhouderijen een verhoogde incidentie van longontstekingen (ca. 25-30% hoger) voorkomt. De oorzaak van het verhoogde risico op longontsteking rond geitenbedrijven is vooralsnog onbekend en onderwerp van vervolgonderzoek. Op dit moment kan er geen enkele broneffect relatie worden beschreven tussen de verhoogde longontsteking incidentie en de uitstoot vanuit geitenhouderijen. Wel is er een causaal verband geconstateerd waarbij de associatie sterker is naarmate de afstand tot een geitenhouderij kleiner is. Tot er meer duidelijkheid is over de bron van de verhoogde incidentie longontstekingen kan niet worden geadviseerd over beschermde maatregelen. Afstand houden en goed informeren is de enige maatregel die de GGD op dit moment adviseert. ‘De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’ (versie mei 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De zeven stappen dienen allen te worden doorlopen en beantwoord om na te gaan of er aandachtspunten worden gevonden. Toetsing aan het stappenplan moet doorgaans plaatsvinden, zodat kan worden bepaald of een advies van de GGD nodig is voor de beoogde ontwikkeling Initiatiefnemer is voornemens om aan de Dorpsstraat 11 een kleine bedrijfskavel te realiseren.
De bedrijfskavel is beoogd voor bedrijven van categorie 1 en 2 en voorziet in de eigen behoefte van de initiatiefnemer. Daarnaast bestaat het voornemen om een deel van de locatie te benutten voor het hobbymatig houden van maximaal vijf paarden met daarbij een rijbak, weiden en een mestcontainer. Initiatiefnemer wil ten tijde van het gehele initiatief tevens de woning aanpassen. Met de beoogde ontwikkelingen is geen sprake van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten. Het doorlopen van het stappenplan is daarom niet aan de orde. Met onderhavig initiatief zijn geen negatieve effecten op het woon- en leefklimaat te verwachten. Ter plaatse van het plangebied is reeds sprake van een goed woon- en leefklimaat en dit blijft behouden. 5.1.9 Hoogspanningslijnen Het aspect hoogspanningslijnen dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening meegenomen worden. Er dient rekening gehouden te worden met de magneetvelden van bovengrondse hoogspanningslijnen. Het beleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen is gebaseerd op het voorzorgprincipe. Bij het opstellen van een bestemmingsplan kan het daarom noodzakelijk zijn een bepaalde afstand vrij te houden tussen gevoelige bestemmingen en bovengrondse hoogspanningslijnen. De internationale norm is dat voorkomen moet worden dat burgers worden bloot gesteld aan magneetvelden van meer dan 100 µTesla.
Deze norm wordt in Nederland op maaiveldniveau nergens overschreden. Aanvullend hierop adviseert het rijk, vanuit het voorzorgprincipe, om zoveel als mogelijk te voorkomen dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen (tot 15 jaar) langdurig worden blootgesteld aan magneetvelden van bovengrondse hoogspanningslijnen van meer dan 0,4 µTesla. In de directe nabijheid van het plan zijn geen hoogspanningslijnen aanwezig of gepland. Kortom vormt de hoogspanningslijn geen belemmering voor onderhavig plan. 5.1.10 Spuitzones gewasbescherming Het aspect spuitzones gewasbescherming dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening meegenomen te worden. Om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te garanderen ten aanzien van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen wordt een afstand van 50 meter aangehouden tussen een gevoelige functie en agrarische bedrijvigheid, waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Binnen 50 meter afstand van het plangebied zijn geen fruitboomgaarden of andere bijzondere teelten die vragen om bijzondere besproeiing met gewasbeschermingsmiddelen. Binnen 50 meter zijn wel enkele akkerbouwvelden gelegen. Bij akkerbouw gaat het echter om lage teeltgewassen en dus een lage bespuiting met een beperkte verspreiding. Hierdoor kan men spreken over een aanvaardbaar woon- en leefklimaat binnen onderhavig plangebied.
Vastgesteld
31
5.2
Kabels en leidingen
Grotere kabels en leidingen krijgen in een bestemmingsplan veelal een planologische beschermingszone door middel van een dubbelbestemming. Hiermee wordt de bedrijfszekerheid en de veiligheid van de betreffende leiding gewaarborgd. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is er geen sprake van een dergelijke dubbelbestemming in of in de nabijheid van het plangebied. Blijkens kaarten van Gasunie, TenneT en Waterschapsbedrijf Limburg bevinden er zich in of in de nabijheid van het plangebied geen belangrijke (ondergrondse) leidingen.
5.3
Ecologie
Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming het geldend wettelijk kader wanneer het gaat om natuurbescherming. Deze wet heeft drie wetten vervangen, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, Boswet en de Flora- en faunawet. De beleidsmatige natuurbescherming die voorheen was vastgelegd in de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is opnieuw vastgelegd, maar heeft een andere naam gekregen namelijk Natuur Netwerk Nederland (NNN). Daarnaast is de specifieke soortenbescherming geëvalueerd en gemonitord. Op basis daarvan is de soortbescherming voor sommige soorten gewijzigd. Sommige soorten worden daardoor beter beschermd, andere soorten komen in een lager beschermingsregime of worden nieuw toegevoegd. De algemene zorgplicht blijft bestaan voor alle inheemse flora- en fauna. (Nieuwe) ontwikkelingen kunnen namelijk negatieve gevolgen hebben voor beschermde flora- en faunasoorten. Bij negatieve effecten van ontwikkelingen kan onder andere gedacht worden aan: optische verstoring door het toevoegen van bebouwing, verlies van oppervlakte, verdroging of vernatting, vermesting en verzuring, verstoring door licht, geluid, trilling en dergelijke. Bij ruimtelijke planvorming is daarom een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht. 5.3.1
Gebiedsbescherming
Natura 2000 Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied betreft Vlijmens Ven, Moerputten en Bossche Broek, gelegen op een afstand van 13,8 kilometer van het plangebied. In de Wnb is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura2000-gebieden een Wnb-vergunning vereist is. Over een afstand van 13,8 km of meer zijn negatieve effecten vanuit het plangebied op de Natura2000-gebieden uit te sluiten, behoudens wat betreft verzuring en/of vermesting. Verzuring en vermesting zijn een van de mogelijk negatieve effecten van een initiatief op een Natura2000-gebied en kan een groot bereik hebben daar stikstof (in de vorm van NOx of NH3), welke verzuring en vermesting veroorzaakt, door de atmosfeer kan neerslaan in een Natura2000-gebied. Voor ieder habitattype binnen een Natura2000-gebied dat gevoelig is voor verzuring en/of vermesting is een kritische depositiewaarde (KDW) vastgesteld. De KDW geeft de grens aan waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. Door middel van het rekeninstrument AERIUS Calculator wordt de stikstofdepositie op Natura2000-gebieden als gevolg een initiatief berekend.
Vastgesteld
32
Bouwfase Op 1 juli 2021 is tevens de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) in werking getreden. In de Wsn wordt een programma van maatregelen opgesteld om stikstofreductie te bereiken en eveneens natuurverbetering mogelijk te maken. In de Wsn zijn drie resultaatsverplichtingen opgenomen: ▪ In 2025 moet minimaal 40% van het areaal van de stikstofgevoelige natuur in de beschermde Natura2000-gebieden een gezond stikstofniveau hebben; ▪ In 2030 moet minimaal 50% van het areaal van de stikstofgevoelige natuur in de beschermde Natura2000-gebieden een gezond stikstofniveau hebben; ▪ In 2035 moet minimaal 74% van het areaal van de stikstofgevoelige natuur in de beschermde Natura2000-gebieden een gezond stikstofniveau hebben. De Wsn wordt verder uitgewerkt in het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering (Bsn), waaronder de bouwvrijstelling. De bouwvrijstelling betreft een vrijstelling van de natuurvergunningplicht van het aspect stikstofdepositie voor tijdelijke (bouw)werkzaamheden. Deze vrijstelling geldt voor bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten, waar tijdelijke emissies voorkomen. Bestemmingsplannen vallen echter niet onder de reikwijdte van de vrijstelling. Met onderhavig initiatief wordt een nieuwe schuur opgericht die zal worden gebruikt als opslagruimte / werkplaats.
Gezien de grote afstand tot Natura2000-gebieden en de kleinschaligheid van het initiatief is stikstofdepositie tijdens de bouw van de schuur niet te verwachten. Gebruiksfase Als gevolg van onderhavig initiatief kan de emissie van stikstof vanuit het plangebied toenemen vanwege, in dit geval, het gebruik van de woning, het verkeer van en naar de woning, het oprichten van lichte bedrijvigheid met bijbehorend verkeer en het hobbymatig houden van vijf paarden. Woning Volgens AERIUS Calculator leidt het gebruik van de woning tot een standaard emissie NOx van 3,0 kg/jaar. Daarnaast is verkeer aanwezig van en naar de bestaande woning. Op basis van de CROW-publicatie 317 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ genereert de woning per etmaal minimaal 7,8 en maximaal 8,6 verkeersbewegingen. Uitgaande van een worst-case benadering genereert het initiatief dagelijks 8,6 verkeersbewegingen, veroorzaakt door 4,3 voertuigen (elk arriverend voertuig vertrekt weer en genereert dus per saldo 2 verkeersbewegingen). Bedrijf Verwarming Voor het bepalen van het aardgasverbruik van de bedrijvigheid is gebruik gemaakt van standaarden, zoals onderzocht in het rapport ‘Nieuwe benchmark energieverbruik utiliteitsgebouwen en industriële sectoren’ van ECN (januari 2016). Hierin staat opgenomen dat een werkplaats gemiddeld 15 m3 per m2 gas verbruikt.
In totaal wordt circa 165 m2 van de bestaande schuur en de nieuwe schuur gebruikt worden voor de bedrijfsactiviteiten. Er wordt dan ook uitgegaan van een bedrijfsvloeroppervlak (BVO) van 165 m2. Hiervan uitgaande kan er op de locatie per jaar circa 2.475 m3 gas verbruikt worden. De calorische onderwaarde van aardgas in Nederland bedraagt 31.650 kJ/m³, waardoor bij verbranding voor de verwarming van het plangebied circa 78 GJ aan warmte wordt afgeleverd. Een Hr-ketel emitteert 18 g NOx per GJ3 , wat overeenkomt met 1,4 kg NOx per jaar. Verkeer In de beoogde situatie wordt binnen het plangebied lichte bedrijvigheid mogelijk gemaakt. Er wordt een bedrijfskavel van circa 1.200 m2 opgericht waarvan circa 165 m2 aan gebruikt wordt voor de bedrijfsvoering. Het bedrijf zal dan ook een BVO hebben van 165 m2. Op basis van de CROW-publicatie 317 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ genereert een werkplaats 9,1 – 10,9 verkeersbewegingen per 100 m2 bedrijfsvloeroppervlak. In de beoogde situatie genereert het Vastgesteld
33
bedrijf in het uiterste geval dagelijks 18,0 verkeersbewegingen veroorzaakt 9 voertuigen (elk arriverend voertuig vertrekt weer en genereert dus per saldo 2 verkeersbewegingen). Paarden In de beoogde situatie worden vier stallen gerealiseerd voor het houden van maximaal vijf paarden. Conclusie Door middel van het rekeninstrument AERIUS Calculator wordt de stikstofdepositie op Natura2000-gebieden als gevolg een initiatief berekend.
Afbeelding 20. Uitsnede berekening AERIUS Calculator
Met de ingevoerde gegevens geeft AERIUS Calculator aan dat er geen sprake is van een toename van stikstofdepositie op omliggende Natura2000 gebieden (zie bijlage 3). Echter de 5 kilometer afkapgrens in Aerius is door de Raad van State ter discussie gesteld en is onvoldoende geschikt om de bijdrage van verkeersbewegingen te berekenen. Daarentegen kan een toename van 9 voertuigen op een afstand van 13,8 kilometer niet leiden tot gevolgen voor Natura 2000 gebieden. Gesteld kan worden dat er geen merkbaar c.q. negatief effect is te verwachten voor wat betreft stikstofdepositie ter plaatse van de Natura2000-gebieden door het initiatief. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van natuurgebieden en landbouwgebieden met natuurwaarden van (inter)nationaal belang. Het doel van het NNN-beleid is het veiligstellen van ecosystemen en het realiseren van leefgebieden met goede condities voor de biodiversiteit. Voor het Natuurnetwerk Nederland geldt op basis van het Rijksbeleid (Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening) de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied.
Dit betekent dat (nieuwe) plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten. Het Natuurnetwerk Nederland is veelal weer opgedeeld in provinciale natuurgebieden, zo ook Natuurnetwerk Brabant.
Vastgesteld
34
970 meter
Afbeelding 21. Uitsnede kaart Natuurbeheerplan met daarop weergegeven het NNB
Ten noorden van het plangebied is het dichtstbijzijnde onderdeel van het Natuurnetwerk Brabant (NNB) gelegen. Dit betreft een dennen-, eiken-, en beukenbos. Het onderdeel van het NNB is gelegen op 970 meter afstand. Het plangebied maakt zelf geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Brabant, dus ook niet van het Natuurnetwerk Nederland. Daar de bedrijvigheid niet wordt opgericht in het NNN vormt het initiatief derhalve geen belemmering voor de aanleg of instandhouding van het NNN. 5.3.2 Soortenbescherming Om het voorkomen van flora en fauna in het plangebied aan te tonen is een quickscan flora- en fauna4 uitgevoerd. Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Wet natuurbescherming zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in Noord-Brabant een vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud (Provinciale Staten van Noord-Brabant, 2016). Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen.
Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst. Algemene vogels In het plangebied komen mogelijk beschermde vogelnesten voor tijdens het broedseizoen. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd of als strenger beschermd wordt beschouwd. Hiervoor zijn maatregelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht. Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door de vegetatie buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) te verwijderen. Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Wet natuurbescherming begaan.
4 Faunaconsult, Flora- en fauna-inspectie op Dorpsstraat 11 te Loosbroek:, 25 februari 2022
Vastgesteld
35
5.4
Water
Het plangebied ligt binnen het beheergebied van Waterschap Aa en Maas. De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is dat de waterbelangen evenwichtig worden meegewogen bij de totstandkoming van een ruimtelijk plan. Deze waterparagraaf is een onderdeel van de watertoets. De waterparagraaf beschrijft zowel de huidige als toekomstige waterhuishoudkundige situatie (oppervlaktewater, grondwater, hemelwater en afvalwater). 5.4.1 Beleid In deze paragraaf is het relevante vigerende beleid opgenomen. Het Nationaal Waterplan Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016-2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. Op basis van de Wro heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. Het Provinciaal Waterplan Noord-Brabant 2016-2021 Dit plan bevat het strategische waterbeleid van de provincie Noord-Brabant voor de periode 2016-2021. Naast beleidskader is het Provinciaal Waterplan ook toetsingskader voor de taakuitoefening van lagere overheden op het gebied van water.
Bovendien dient het plan als structuurvisie voor het aspect water op grond van de Wro. Waterplan Bernheze Als algemeen streefbeeld voor de gemeente voor 2030 is gesteld: ‘Het hebben en houden van een veilige, kwalitatief hoogwaardig leefbare gemeente, waarin een gezond en veerkrachtig watersysteem aanwezig is en duurzaam met water wordt omgegaan. Hierbij is 100% compensatie belangrijk. Daarnaast versterken de Aa, Leijgraaf en Groote Wetering, als herkenbare beeksystemen met een natuurlijk karakter, enerzijds de leefbaarheid en identiteit en anderzijds de (water)recreatieve en toeristische positie van Bernheze”. De volgende thema’s zijn in het waterplan opgenomen: ▪ Schoon water: Hierbij geldt de voorkeurstrits: voorkomen - scheiden – zuiveren; ▪ Zuinig met water; ▪ Water in de bebouwde omgeving: Hier geldt de voorkeurstrits: vasthouden - bergen – afvoeren; ▪ Boeiend water; ▪ Samenwerking. Bovenstaand beleid betekent onder andere dat er ‘hydrologisch neutraal’ (100% compensatie) moet worden gebouwd, conform de uitgangspunten ‘hydrologisch neutraal ontwikkelen’ van het waterschap. Dit houdt in dat het hemelwater dat op daken en verharding valt, in principe niet versneld mag worden afgevoerd. Er zal moeten worden gezocht naar vormen van hergebruik, vasthouden of bergen van hemelwater. Vermenging van vuil en schoon (hemel-)water wordt niet wenselijk geacht.
Onderhavig plangebied ligt binnen het beheergebied van het Waterschap Aa en Maas. Het waterschapsbeleid is onder meer beschreven in: Het Waterbeheerplan 2016-2021 Dit plan maakt inzichtelijk wat het waterschap de komende jaren gaat doen. Het doel is om het watersysteem en de afvalwaterketen op orde te houden. Het beheer van water door het waterschap bepaalt mede of mensen en dieren in Noordoost-Brabant leven in een veilige, schone en prettige omgeving. Vastgesteld
36
Brabant Keur Voor de beheergebieden van de waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel geldt dezelfde keur: Brabant Keur. De keur bevat regels ter bescherming van de waterwerken die nodig zijn voor een goed waterbeheer (kwantiteit) en voor de bescherming van het gebied tegen hoog water. Bij veel projecten is sprake van een toename van het verharde oppervlak. Hieromtrent is in de Algemene regels bij de keur het volgende opgenomen: 1. In de keur zijn ontwikkelingen met een verhardingstoename tot 500 m² vrijgesteld van compensatie. 2. In de keur zijn ontwikkelingen met een afkoppeling van maximaal 10.000 m2 aan verhard oppervlak vrijgesteld van compensatie. 3. In de keur zijn ontwikkelingen die leiden tot een toename van verhard oppervlak die bestaan uit een groen dak vrijgesteld van compensatie. 4. In de keur is voor een ontwikkeling groter dan 500 m² maar minder dan 10.000 m² opgenomen dat compenserende maatregelen getroffen moeten worden om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan. De benodigde compensatie (in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) * gevoeligheidsfactor * 0,06 (in m). 5. Voor ontwikkelingen met een verhardingstoename van meer dan 10.000 m² gelden geen algemene regels, maar de beleidsregels.
De beleidsnota ‘Uitgangspunten watertoets waterschap Aa en Maas’ De beleidsnota bevat acht uitgangspunten, die alle zijn gehanteerd bij het opstellen van onderhavig bestemmingsplan: 1. Wateroverlastvrij bestemmen 2. Hydrologisch neutraal ontwikkelen 3. Voorkomen van vervuiling 4. Gescheiden houden van schoon en vuil water 5. Doorlopen van de afwegingsstappen: "hergebruik - infiltratie - buffering - afvoer" 6. Meervoudig ruimtegebruik 7. Water als kans 8. Waterschapsbelangen 5.4.2
Watersysteem
Bodemgesteldheid De bodem op de locatie bestaat uit Beekeerdgronden bestaande uit leemarm en zwak lemig fijn zand. Oppervlaktewater Voor het waterschap is de legger, samen met de keur, het instrument om te zorgen voor veilige dijken, droge voeten, voldoende en schoon water. De legger bestaat uit een set van kaarten. Daarop staat welke rivieren, beken, vennen en regenwaterbuffers, lijnvormige elementen, waterkeringen en kunstwerken (stuwen, sluisdeuren en kademuren) het waterschap in beheer heeft en waar ze liggen. De legger bevat ook een register waarin staat wie waar en waarvoor het onderhoud moet doen. Tot slot bevat de legger zones (zoneringen) voor toekomstige ontwikkelingen en bescherming van het watersysteem. Op basis van de leggerkaart van waterschap Aa en Maas zijn ten noorden van het plangebied twee secundaire watergangen gelegen. Daarnaast is ten westen een primaire watergang gelegen. De beschermingszone van deze watergang ligt binnen het plangebied. In het vigerende bestemmingsplan voor de kern van Loosbroek is geen beschermingszone opgenomen voor deze watergang. In het buitengebied is deze beschermingszone echter wel opgenomen. De beschermingszone zal vanuit het buitengebied worden doorgetrokken naar het plangebied en zal van toepassing worden verklaart voor onderhavig plan. Bij het aanvragen van de bouwvergunning zal goedkeuring worden gevraagd bij het waterschap.
Vastgesteld
37
Waterschapsbelangen Het plangebied is gelegen binnen een boringsvrije zone. Binnen deze boringsvrije zone is het toegestaan om boringen te verrichten tot maximaal 70 meter onder maaiveld. Binnen het plangebied zijn geen boringen dieper dan 70 meter voorzien. Hemelwater Bij toename van verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat de plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal uitgevoerd moeten worden wat betekent dat voorkomen moet worden dat als gevolg van de uitbreiding versneld op het watersysteem wordt geloosd. Voor lozingen op het oppervlaktewater eist de nieuwe Keur een vervangende berging (compensatie) die de extra afvoer neutraliseert. Volgens artikel 3.6 van de Keur is het verboden om zonder vergunning neerslag door toename van verhard oppervlak tot afvoer naar oppervlakte waterlichaam te laten komen. Volgens de algemene regels van de Keur kan hiervoor vrijstelling verleend worden indien de toename van het verhard oppervlak minder dan 500 m2 bedraagt. Indien het verhard oppervlak toeneemt met meer dan 500 m2 maar minder dan 10.000 m2 kan hiervoor vrijstelling verleend worden indien er compenserende maatregelen worden getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan. Bij een toename van meer dan 10.000 m2 verhard oppervlak zal maatwerk geleverd moeten worden.
Het waterschap stelt geen verdere eisen voor de verwerking van het hemelwater bij ontwikkelingen met een toename van het verhard oppervlak van minder dan 500 m², hiervoor geldt dan het gemeentelijk beleid. De gemeente Bernheze conformeert zich ten aanzien van de omgang met hemelwater in principe aan het beleid van het waterschap maar stelt dat een ontwikkeling te allen tijde hydrologisch neutraal dient plaats te vinden (HNO). Voor het initiatief is op voorhand een watertoets uitgevoerd (bijlage 4). Uit de watertoets blijkt dat het plan één of meerdere waterbelangen raakt. Vandaar dat het waterschap graag meedenkt over de voorgenomen ontwikkeling. Hieronder volgt een opsomming van de waterbelangen die in ieder geval met het plan zijn gemoeid. - Het waterschap verzoekt voor het initiatief om bij de bouw af te zien van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen. Hiermee worden bijvoorbeeld zink en koper in daken, gevels, goten en leidingen bedoeld. - De ontwikkeling dient te voldoen aan het principe van 'hydrologisch neutraal ontwikkelen' (HNO). Dit wil zeggen: waar het verharde oppervlak toeneemt of verhard oppervlak wordt afgekoppeld van de riolering, dienen maatregelen te worden genomen om afstromend hemelwater te verwerken. Algemeen dient te worden gestreefd naar het volgen van de trits 'hergebruiken-vasthouden-bergenafvoeren'.
Verder dient versnelde waterafvoer op het oppervlaktewatersysteem te worden voorkomen. Indien de toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m2 en 10.000 m2 ligt kan de bergingsopgave (in m3) met de Algemene Regels behorend bij de Keur van het waterschap worden berekend. Deze bergingsopgave dient, in eerste instantie, binnen het plangebied te worden verwerkt. Als de toename van verhard oppervlak of het af te koppelen oppervlak meer bedraagt dan 10.000 m2 of als u geen gebruik wilt/kunt maken van de Algemene Regels heeft u een watervergunning nodig. Een deel van het plangebied maakt onderdeel uit van een voormalige parkeerplaats. Dit deel van het plangebied is dan ook volledig verhard. In het kader van onderhavig initiatief wordt deze verharding verwijderd en wordt de grond benut voor het beweiden van paarden. In totaal wordt circa 2.330 m2 aan verharding verwijderd. Daarnaast wordt circa 320 m2 aan nieuwe verharding opgericht (schuur 85 m2, stallen 65 m2 en 170 m2 erfverharding). Met onderhavig initiatief wordt circa 2.330 m2 aan verharding verwijderd en circa 320 m2 aan nieuwe verharding toegevoegd. Doordat meer verharding wordt verwijderd dan toegevoegd heeft dit louter positieve effecten voor de waterhuishouding.
Vastgesteld
38
De benodigde bergingscapaciteit is berekend uitgaande van een bui van 60 mm (eis waterschap Aa en Maas). Onderhavig plan resulteert in nieuw verhard oppervlak van circa 320 m². Voor onderhavig plan betekent dat een watervolume van 320 m² * 0,06 mm = 19,2 m³ geborgen/geïnfiltreerd dient te worden. In de regels is hiertoe een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Het hemelwater wordt conform het beleid afgekoppeld van het rioleringsstelsel. Het is nog niet exact bekend hoe deze afkoppeling exact plaatsvindt. Dit kan door middel van een open dan wel een gesloten infiltratievoorziening worden gerealiseerd in de vorm van een vijver, verlaging in het erf (wadi) of bijvoorbeeld door een grindkoffer of -krat. Bij de aanvraag omgevingsvergunning dient initiatiefnemer aan te tonen dat zij voldoen aan de gestelde voorwaarden. Waterkwaliteit Er zijn geen bijzondere maatregelen genomen om vervuiling van het oppervlaktewater te voorkomen. Overeenkomstig de eis van het waterschap worden in principe geen uitlogende materialen toegepast.
5.5
Archeologie en cultuurhistorie
5.5.1
Archeologie
Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta (1992). De wet is een raamwet die regelt hoe rijk, provincie en gemeente bij hun ruimtelijke plannen rekening moeten houden met het erfgoed in de bodem. Om te kunnen voldoen aan het gestelde in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg dienen de gemeenten te beschikken over archeologiebeleid en een archeologische beleidskaart. De nota archeologiebeleid van de gemeente Bernheze geeft het archeologiebeleid van de gemeente weer. In de nota wordt een toolkit aangereikt en dient daarmee vooral als een beslisdocument. De archeologische beleidskaart vormt de ruimtelijke verbeelding voor dit beleid. De waarden en verwachtingen op de beleidskaart zijn voorzien van archeologische beleidscategorieën die aangeven vanaf welke verstoringsoppervlakte en -diepte archeologisch vooronderzoek dient plaats te vinden. Op de archeologische beleidskaart is het plangebied gelegen in categorie 2, categorie 3, categorie 5 en categorie 6. In onderstaande tabel zijn de verwachtingswaarde per categorie weergegeven. Tabel 3. Archeologische verwachtingswaarde en onderzoeksplicht
Beleidscategorie Categorie 2
Archeologische waarde Gebieden van zeer hoge archeologische waarde
Categorie 3
Gebieden van hoge archeologische waarde
Categorie 5
Gebieden met middelhoge archeologische verwachting
Vastgesteld
een
Onderzoeksplicht
Dubbelbestemming
Onderzoeksplicht bij een verstoringsdiepte van meer dan 40 cm en een verstoringsoppervlakte van meer dan 100 m2 Onderzoeksplicht bij een verstoringsdiepte van meer dan 40 cm en een verstoringsoppervlakte van meer dan 250 m2 Onderzoeksplicht bij een verstoringsdiepte van meer dan 40 cm en een verstoringsoppervlakte van meer dan 2.500 m2
Waarde – Archeologie 1
Waarde – Archeologie 2
Waarde – Archeologie 3
39
Categorie 6
Gebieden met een lage archeologische verwachting
Geen onderzoeksplicht.
Geen archeologische dubbelbestemming
Beleidscategorie 2 komt overeen met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’, beleidscategorie 3 komt overeen met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ en beleidscategorie 5 komt overeen met Waarde – Archeologie 3’. Voor beleidscategorie 6 wordt geen dubbelbestemming opgenomen aangezien voor deze categorie geen onderzoeksplicht benodigd is.
Afbeelding 22. Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Bernheze
De bedrijvigheid wordt opgericht achter de woning Dorpsstraat 11. Voor dit gebied geldt een onderzoeksplicht wanneer de bodem voor een oppervlakte van meer dan 250 m2 en dieper dan 0,4 m verstoord wordt. Binnen dit deel van het plangebied is enkel een nieuwe schuur en vier stallen beoogd met een totale oppervlakte van 150 m2. De gestelde ondergrens wordt met onderhavig initiatief niet overschreden. Derhalve is thans geen archeologisch onderzoek noodzakelijk. Om de archeologische waarde te blijven borgen in het gehele plangebied zijn de vigerende archeologische dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 1’, ‘Waarde – Archeologie 2’ en ‘Waarde – Archeologie 3’ opnieuw voor het plangebied van toepassing verklaard. 5.5.2
Cultuurhistorie
Op de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de provincie Brabant is te zien waar belangrijk Brabants erfgoed ligt. Dit erfgoed is belangrijk voor de regionale identiteit van de provincie. De CHW is in 2010 opgesteld en in 2016 herzien. Conform de CHW ligt het plangebied in de regio ‘Meierij’. De Meierij bestaat uit verschillende dekzandruggen, beekdalen en dekzandvlaktes. Dit gebied wordt gekenmerkt door een kleinschalig mozaïek van oude en jonge ontginningslandschappen en woeste gronden. De Meierij wordt gekarakteriseerd door veel kleine dorpen, met ieder hun eigen karakter en relatie met het landschap. Onderhavig initiatief betreft het oprichten van een kleinschalige bedrijfslocatie in de bebouwde kom van Loosbroek. Dit om te voorzien in de eigen behoefte van initiatiefnemer. Binnen de bedrijfsbestemming zal een nieuwe schuur worden opgericht die gebruikt zal worden voor het opslaan van materialen en voor het hobbymatig houden van paarden. Met het initiatief worden de cultuurhistorische waarden van de regio niet belemmerd.
Vastgesteld
40
5.6
Verkeer en parkeren
Het toevoegen of wijzigen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit effect heeft op het wegverkeer en het parkeren. Verkeer Achter de woning Dorpsstraat 11 in Loosbroek wordt een kleinschalige bedrijfslocatie opgericht. De bedrijfslocatie zal worden ontsloten middels een ontsluitingsweg die aansluit op de Dorpsstraat. Momenteel is een deel van deze ontsluitingsweg al aanwezig voor het ontsluiten van de parkeerplaats achter het plangebied. Binnen de groenbestemming wordt verharding opgericht voor het doortrekken van deze ontsluitingsweg naar de bedrijfslocatie. De bedrijfslocatie zal derhalve goed ontsloten zijn. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 317 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’. Gekeken is naar de functie ‘Bedrijf arbeidsintensief/ bezoekersextensief’ in het gebiedstype ‘rest bebouwde kom in een matig stedelijk gebied’. Een arbeidsintensief/ bezoekersextensief bedrijf zal 9,1 – 10,9 motorvoertuigen per etmaal genereren per 100 m2 bedrijfsvloeroppervlakte (bvo). Er wordt dan ook uitgegaan van een BVO van 165 m2 (oppervlakte van de bestaande schuur samen met het gedeelte van de nieuwe schuur dat wordt gebruikt als opslagruimte / werkplaats).
De bedrijfslocatie zal in totaal 15,0 – 18,0 motorvoertuigen per etmaal genereren. Uitgaande van een worst-case scenario is er sprake van een toename van 18 verkeersbewegingen per etmaal, veroorzaakt door 9 voertuigen. Gezien de aard van het initiatief wordt er van uitgegaan dat dit allen lichte voertuigen betreffen (personenwagens). Gezien het profiel van de Dorpsstraat zal deze de geringe toename van het aantal verkeersbewegingen goed kunnen verwerken.
Bestaande parkeerplaatsen
Nieuwe aan te leggen parkeerplaatsen Bestaande ontsluitingsweg Nieuw aan te leggen ontsluitingsweg
Afbeelding 23. Impressie bestaande ontsluitingsweg (rood) en nieuw aan te leggen ontsluitingsweg (groen) voor bedrijfslocatie
Vastgesteld
41
Parkeren Om de nieuwe parkeerbehoefte te berekenen is gebruik gemaakt van de parkeernormen van de gemeente Bernheze. De gemeente heeft haar parkeerbeleid vastgelegd in de ‘Parkeernormennota gemeente Bernheze’, d.d. juli 2015. Uit de Nota blijkt dat een werkplaats binnen de bebouwde kom 2 parkeerplaatsen per 100 m2 bvo dient te hebben. In totaal dienen derhalve vier parkeerplaatsen aanwezig te zijn. Aan de voorzijde, voor de woning, zijn reeds vier parkeerplaatsen aanwezig. Daarnaast worden ten oosten van de nieuwe schuur nog vier parkeerplaatsen opgericht. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de parkeernorm.
Vastgesteld
42
6.
JURIDISCHE ASPECTEN
Het bestemmingsplan heeft als doel het planologisch-juridisch kader te geven voor de ontwikkeling van het beschreven plan. De nadere juridische invulling is gedetailleerd geregeld. Dit bestemmingsplan bestaat uit de volgende onderdelen: ▪ Toelichting ▪ Planregels ▪ Verbeelding Met het opstellen van het onderhavige bestemmingsplan is aangesloten bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. De plansystematiek voldoet aan de volgende RO-standaarden 2012: ▪ Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP) 2012; ▪ PraktijkRichtlijn BestemmingsPlannen (PRBP) 2012; ▪ Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten (STRI) 2012. Ten behoeve van de uniformiteit van bestemmingsplannen binnen de gemeente Bernheze is qua systematiek aangesloten bij het meest recente bestemmingsplan voor het de bebouwde kom van Loosbroek; “Bestemmingsplan De Kommen van Bernheze”.
6.1
Toelichting op de verbeelding
De verbeelding geeft met kleuren en tekens aan welke bestemming voor de gronden geldt. De bestemming is aangegeven met een gekleurd vlak met de letters van de bestemming. Er zijn voor de gronden meerdere tekens opgenomen. Het gaat dan om aanduidingen (functie- of gebiedsaanduidingen) of dubbelbestemmingen. Voor een aanduiding of dubbelbestemming zijn in de regels specifieke bepalingen van toepassing. Uit de verbeelding kan afgeleid worden op welk gebied het bestemmingsplan betrekking heeft, omdat daarop de plangrens is aangegeven. De analoge verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:1.000. De analoge verbeelding bestaat uit één plankaart met een legenda. Het plangebied blijft aan de voorzijde bestemd als ‘Tuin’ en ‘Wonen’ zoals in het vigerende bestemmingsplan. Binnen de woonbestemming is het bouwvlak dieper gemaakt en de maximale bouwhoogte is verhoogd. Achter de woning is een bedrijfsbestemming toegekend. Binnen deze bedrijfsbestemming is een bouwvak toegekend waarbinnen de bedrijfsgebouwen opgericht dienen te worden. Binnen dit bouwvlak zijn de maatvoeringsaanduidingen ‘maximum bebouwingspercentage terrein: 100%’, ‘maximum goothoogte: 3 m’ en maximum bouwhoogte: 5 m’ opgenomen. De groenbestemming is ingekort en voorzien van de functieaanduiding ‘ontsluiting’. Aan de achterzijde is het plangebied bestemd als ‘Agrarisch’.
Binnen de agrarische bestemming is een bouwvlak opgenomen met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – hobbymatig houden van paarden’. Het bouwvlak is opgenomen ter plaatse van de beoogde paardenstallen. Binnen de agrarische bestemming zijn daarnaast de functieaanduidingen ‘specifieke vorm van agrarisch – mobiele mestcontainer’ en ‘specifieke vorm van agrarisch – rijbak’ toegekend. De archeologische dubbelbestemmingen en de gebiedsaanduidingen zijn voor het gehele plangebied opnieuw van toepassing verklaard.
Vastgesteld
43
6.2
Toelichting op de planregels
Alle gronden binnen het plangebied hebben een bestemming. Een bestemming geeft de functie aan, die de gemeenteraad aan een gebied heeft toebedacht. Bij deze bestemmingen horen gebruiksregels. Het kan gaan om regels voor bouwen, werken en werkzaamheden, slopen en het gebruik van grond en de opstallen voor bepaalde activiteiten. De bestemming en de regels bepalen gezamenlijk welke activiteiten en handelingen zijn toegestaan. Het gevolg van het leggen van een bestemming is, dat de betreffende gronden alleen overeenkomstig deze bestemming mogen worden gebruikt. In die zin houdt een bestemming dus een inperking in van het eigendomsrecht. De bevoegdheid om bestemmingen te leggen is toegekend aan de gemeenteraad. Dit is geregeld in artikel 3.1 van de Wro. Een gemeenteraad mag niet zomaar een bestemming leggen, maar moet daarvoor vanuit het algemeen belang van een “goede ruimtelijke ordening‟ redenen hebben. Het leggen van een bestemming betekent overigens niet, dat er een verplichting bestaat voor een grondgebruiker om die bestemming te realiseren. 'Bestemming' heeft slechts een passieve betekenis: of een bestemming gerealiseerd wordt, is afhankelijk van het handelen van de rechthebbende(n) op de grond (eigenaar, huurder, pachter). Een bestemming geeft alleen aan welk handelen toegelaten is. Daaruit kan worden afgeleid dat ander handelen niet is toegelaten.
De artikelen 2.1 en 2.2 van de Wabo en enkele andere wetten verbieden het handelen in strijd met het bestemmingsplan. Om misverstanden te voorkomen wordt bij de bestemming aangegeven wat “in ieder geval‟ beschouwd moet worden als in strijd met het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan is een juridisch plan: de daarin opgenomen bepalingen zijn bindend voor burgers en bedrijven en voor de overheid. Bij het opstellen van de regels is zo veel mogelijk uitgegaan van het rapport Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012) en het vigerende bestemmingsplan voor het buitengebied. De regels zijn verdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: ▪ Hoofdstuk 1: Inleidende regels met daarin de begrippen en de wijze van meten; ▪ Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels. Hierin worden de regels voor de op de verbeelding opgenomen bestemmingen gegeven; ▪ Hoofdstuk 3: Algemene regels, waaronder zijn opgenomen de anti-dubbeltelbepaling, algemene aanduidingsregels en algemene afwijkings- en wijzigingsregels; ▪ Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels, waarin het overgangsrecht en de slotregel zijn opgenomen. Het belangrijkste doel van de planregels is om de bouw- en gebruiksregels van de verschillende bestemmingen aan te geven en maken in dit geval de bouw van de bouw van een woning mogelijk.
Hoofdstuk 1: INLEIDENDE REGELS In dit hoofdstuk worden de in de regels gehanteerde begrippen nader verklaard, zodat interpretatieproblemen zoveel mogelijk worden voorkomen. Daarnaast wordt aangegeven op welke wijze bepaalde afmetingen dienen te worden gemeten. Hoofdstuk 2: BESTEMMINGSREGELS In deze artikelen worden de op de verbeelding aangegeven bestemmingen omschreven en wordt bepaald op welke wijze de gronden en opstallen gebruikt mogen worden. Tevens worden per bestemming de bebouwingsmogelijkheden vermeld. Hoofdstuk 3: ALGEMENE REGELS Deze artikelen bevatten bepalingen die van toepassing zijn op meerdere bestemmingen, zodat het uit praktische overwegingen de voorkeur verdient deze in een afzonderlijke paragraaf onder te brengen. Hoofdstuk 4: SLOT- EN OVERGANGSREGELS Hier wordt omschreven welke gebouwen en gebruik vallen onder het overgangsrecht.
Vastgesteld
44
7.
UITVOERBAARHEID EN PROCEDURE
7.1
Economische uitvoerbaarheid
Het realiseren van de bedrijfslocatie geschiedt voor rekening van initiatiefnemer. De gemeentelijke financiën zijn hierbij niet in het geding. De initiatiefnemer is zich ervan bewust dat alle kosten die gemaakt worden in of ten behoeve van de procedure en de uitvoering voor rekening van de initiatiefnemer komen. Dit betreft onder meer de kosten voor de benodigde onderzoeken, de kosten voor het opstellen van het bestemmingsplan, de legeskosten die voldaan dienen te worden en eventuele planschade die door uitvoering van het bestemmingsplan optreedt. De gemeente Bernheze heeft in dat kader met initiatiefnemer een planschadeovereenkomst afgesloten, zoals bedoeld in art. 6.4a Wro. Hiermee wordt gewaarborgd dat eventueel te vergoeden planschade niet voor rekening van de gemeente Bernheze komt maar voor rekening van initiatiefnemer
7.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpbestemmingsplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan. Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit geeft aan dat het college van Burgemeester van Wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, waar nodig, overleg dienen te plegen met betrokken instanties. Door de gemeente Bernheze is vooroverleg gevoerd met de vaste overlegpartners. Hieruit zijn geen reacties of aanwijzingen voor het plan naar voren gekomen. Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 12 mei 2022 t/m 23 juni 2022 voor eenieder ter visie gelegen. Er is één zienswijze binnengekomen tegen het ontwerpbestemmingsplan. Deze zienswijze is beoordeeld en de belangen van reclamanten zijn afgewogen tegen het belang dat met het bestemmingsplan wordt gediend. De zienswijze heeft daarbij geleid tot een inhoudelijk wijziging c.q. aanvulling van de regels behorende bij dit bestemmingsplan.
Een uitgebreidere behandeling van de zienswijzen is opgenomen in het zienswijzenrapport, die als bijlage bij het bestemmingsplan is vastgesteld.
Vastgesteld
45
Omgevingsdialoog De initiatiefnemer heeft voorafgaand aan de feitelijke bestemmingsplanprocedure diverse omwonenden benaderd. In juli 2020 is initiatiefnemer in gesprek gegaan met de omwonden. Bij het gesprek zijn de plannen voor het oprichten van een kleine bedrijfskavel, het oprichten van een nieuwe schuur en het hobbymatig houden van paarden besproken. De volgende direct betrokken omwonenden zijn benaderd: 1) Dorpsstraat 9c. Deze bewoners geven aan akkoord te zijn met de beoogde ontwikkelingen. 2) Dorpsstraat 9a. Deze bewoner geeft aan op voorhand geen bezwaar te hebben tegen de gewenste ontwikkelingen. 3) Dorpsstraat 9b. Deze bewoners gaven aan dat het de voorkeur heeft om de nieuwe schuur zo ver mogelijk van de woning op te richten. Hierom is samen met deze bewoners afgesproken dat de nieuwe schuur aan de westzijde van Alle omwonenden hebben aangegeven op het eerste gezicht geen bezwaren te hebben tegen de bestemmingswijziging. Indien het bestemmingsplan als zodanig wordt voortgezet verwachten de omwonenden dan ook niet bezwaar en/of beroep aan te tekenen gedurende de procedure van het bestemmingsplan.
Vastgesteld
46
8.
PROCEDURE
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) is in werking getreden met ingang van 1 juli 2008. De wettelijke procedure start met het moment van ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan. De procedure ziet er als volgt uit: Openbare kennisgeving van het ontwerp bestemmingsplan; ▪ Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken; ▪ Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht; ▪ Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken indien zienswijzen zijn ingediend; ▪ Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien gedeputeerde staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, binnen 6 weken na vaststelling; ▪ Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden; ▪ Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroeps/inwerkingtreding termijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.