CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

Vaststellen bestemmingsplan 'Teerlingstraat/Lariestraat - Toelichting

Commissie Ruimtelijke Zaken 29 november 2023, gemeente BernhezeBij agendapunt: Vaststellen Bestemmingsplan 'Teerlingstraat/Lariestraat, Heeswijk-Dinther'15.032 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

BESTEMMINGSPLAN

Teerlingstraat – Lariestraat, Heeswijk-Dinther

PLANTOELICHTING

Vastgesteld NL.IMRO.1721.BPTeerlingstHD-VG01

Titel:

Bestemmingsplan Teerlingstraat – Lariestraat, Heeswijk-Dinther

Datum: Projectnummer:

09-02-2023 2022.134

Adviesbureau: Auteurs:

Wintraecken Advies B.V. T. (Teun) van de Camp Msc. (planoloog) mr. D. (David) Wintraecken (planjurist)

Telefoonnummer: Faxnummer: E-mail: Website:

(06) 146 488 29 (084) 745 81 60 info@wintraeckenadvies.nl www.wintraeckenadvies.nl

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en/of Wintraecken Advies.

Inhoudsopgave 1. Inleiding en voorwaarden voor ontwikkeling ......................................................... 5 1.1 Aanleiding .................................................................................................... 5 1.2 Huidige situatie, ligging en begrenzing plangebied ............................................ 5 1.3 Vigerend bestemmingsplan ............................................................................ 6 1.4 Doel bestemmingsplan .................................................................................. 7 1.5 Leeswijzer .................................................................................................... 8 2. Ruimtelijk beleidskader ...................................................................................... 9 2.1 Inleiding ...................................................................................................... 9 2.2 Rijksbeleid ................................................................................................... 9 2.3 Provinciaal beleid ........................................................................................ 12 2.4 Gemeentelijk beleid..................................................................................... 18 3. Milieu-hygiënische aspecten ..............................................................................

23 3.1 Inleiding en aanleiding................................................................................. 23 3.2 Geluid ....................................................................................................... 23 3.3 Milieuzonering / hinderlijke bedrijvigheid ....................................................... 24 3.4 Externe veiligheid, kabels en leidingen .......................................................... 28 3.5 (Ondergrondse) infrastructuur, kabels en (buis)leidingen ................................. 31 3.6 Milieueffectrapportage ................................................................................. 31 3.7 Lucht ......................................................................................................... 32 3.8 Bodem....................................................................................................... 34 3.9 Water ........................................................................................................ 34 3.10 Flora en fauna en stikstof(depositie) ............................................................ 38 3.11 Verkeer en parkeren .................................................................................. 40 3.12 Historische kwaliteit: archeologie en cultuurhistorie .......................................

40 3.13 Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen ................................................ 42 4. Stedenbouwkundige onderbouwing en beeldkwaliteit ........................................... 44 5. Juridische aspecten .......................................................................................... 46 5.1 Het bestemmingsplan als juridisch instrument ................................................ 46 5.2 Systematiek van de regels ........................................................................... 46 5.3 Bebouwing algemeen .................................................................................. 46 5.4 Toelichting bestemmingen ........................................................................... 47 6. Uitvoeringsaspecten ......................................................................................... 48 6.1 Economische uitvoerbaarheid ....................................................................... 48 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ................................................................. 48 7. Conclusies bestemmingsplan............................................................................. 49

Bijlagen 1. Bomen Effect Analyse 4 bomen Lariestraat Heeswijk-Dinther, Vermeulen Boomadvies, referentie: 2022072, 15-07-2022 2. Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, Lariestraat-Teerlingstraat HeeswijkDinther, De Roever Omgevingsadvies, referentie: 20220854.v01, 18-07-2022 3. Quickscan milieuaspecten Lariestraat-Teerlingstraat Heeswijk-Dinther, De Roever Omgevingsadvies, referentie: 20220853.v01, 18-07-2022 4. Verkennend bodem- en asbestonderzoek hoek Lariestraat-Teerlingstraat Heeswijk-Dinther, Lankelma, projectnummer: 2201970, 06-02-2023 5. Quickscan Wet natuurbescherming Lariestraat ong. en Teerlingstraat ong. te Heeswijk-Dinther, Blom Ecologie, project: 2022-0688, 20-07-2022 6. Stikstofdepositieonderzoek Lariestraat – Teerlingstraat ong. te Heeswijk-Dinther, De Roever Omgevingsadvies, referentie: 20220855.v01, 18-07-2022 6.1 – AERIUS 7. Aerius berekening ‘Lariestraat / Teerlingstraat Heeswijk-Dinther’, Bureau Leefomgeving, 09-01-2023 8. GGD beoordeling Kenmerk WBGMV-573577165-19807. Datum 2 mei 2023.

1. Inleiding en voorwaarden voor ontwikkeling 1.1 Aanleiding Initiatiefnemer is voornemens om ter plaatse van de Lariestraat ong. in Heeswijk-Dinther (naast de Abdijstraat 45) 1 twee-onder-één-kap of 1 vrijstaande aan de Lariestraat en op hetzelfde perceel, maar dan aan de Teerlingstraat ong., 1 vrijstaande patiowoning op te richten. Het bestaande woningcontingent wordt hiermee met drie woningen uitgebreid. De gemeente Bernheze heeft aangegeven, onder voorwaarden, in principe bereid te zijn aan deze ontwikkeling medewerking te verlenen. Zo dient onder andere aangetoond te worden dat er voor de bewoners van de nieuwe woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat omliggende bedrijven niet zullen worden geschaad in hun bedrijfsvoering met de komst van de woningen. Tevens zijn het Bomenbeleidsplan Gemeente Bernheze 2017-2027 en het Handboek bomen van toepassing en daarmee ook de bomenposter ‘Werken rond bomen’.

1.2 Huidige situatie, ligging en begrenzing plangebied Het plangebied – kadastraal nummer: 2084 – betreft een onbebouwd perceel in het noordwesten van de kern Heeswijk-Dinther. In de omgeving bevinden zich voornamelijk woningen en maatschappelijke functies. Het plangebied wordt ontsloten vanaf de Teerlingstraat (westzijde) en de Lariestraat (noordoostzijde). Vanuit de Lariestraat bereik je in noordwestelijke richting het buitengebied en in oostelijke richting de Abdijstraat, welke in zuidelijke richting leidt tot de kern van het dorp. Zie navolgende afbeeldingen (bron: maps.google.nl) voor de ligging en globale begrenzing van het plangebied.

5

1.3 Vigerend bestemmingsplan Binnen het plangebied vigeert het bestemmingsplan “De kommen van Bernheze”. Op de navolgende uitsnede van de verbeelding van het vigerende bestemmingsplan (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl) zijn de ligging en globale begrenzing van het plangebied van onderhavig bestemmingsplan rood omlijnd aangegeven. De hoofdbestemmingen betreffen ‘Tuin’ en ‘Wonen’. Daarnaast is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ van kracht.

De voor Tuin aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen, met bijbehorende gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. De voor Wonen aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. het bestaande aantal woningen ter plaatse van de aanduidingen: b. aaneengebouwd: aaneengebouwde woningen; 6

c. d. e. f.

gestapeld: gestapelde woningen; twee-aaneen: twee-aaneen gebouwde woningen; vrijstaand: vrijstaande woningen; nieuwe woningen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden’, met inachtneming van dat maximumaantal; g. aan huis verbonden beroepen, met dien verstande dat per woning maximaal 40% van de vloeroppervlakte mag worden gebruikt voor het aan huis verbonden beroep tot een maximum van 50 m2; h. ter plaatse van de aanduiding ‘garage’: garageboxen; i. ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek': tevens het behoud, beheer en herstel van de cultuurhistorische waarden van de op het perceel voorkomende monumentale en/of cultuurhistorische waardevolle gebouwen; met bijbehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tuinen en erven. De voor Waarde - Archeologie 3 aangewezen gronden zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van gronden van archeologische waarde en gronden met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde.

Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen, voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 2.500 m2 en dieper dan 40 centimeter, een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van de vergunningverlener in voldoende mate zijn vastgesteld, waarbij advies wordt ingewonnen van een senior-archeoloog over de aard van het uit te voeren onderzoek. Strijdigheid (bouw)plan met vigerend bestemmingsplan Het plan ziet op de oprichting van drie nieuwe woningen in de vorm van een tweekapper / twee vrijstaande woning aan de Lariestraat en een patiowoning aan de Teerlingstraat op gronden waar nieuwbouw van woningen niet is toegestaan. De nieuwe woningen worden opgericht op een plek zonder bouwvlak en deels binnen een daarvoor nog niet toereikende bestemming Tuin. In onderhavige plantoelichting wordt aandacht besteed aan de ruimtelijke en milieuhygiënische effecten van de gewenste ruimtelijke ontwikkeling. Uit deze onderbouwing blijkt hoe het initiatief zich verhoudt – zowel in negatieve als positieve zin – tot de aanwezige functies en waarden op het plangebied en de directe omgeving ervan.

In dit kader worden, behalve het ruimtelijk-planologische beleid en de stedenbouwkundige toets, alle ruimtelijke en milieukundige aspecten nader beschouwd.

1.4 Doel bestemmingsplan Zoals reeds vermeld, vigeert het bestemmingsplan “De kommen van Bernheze” binnen het voorliggende plangebied. In dit bestemmingsplan is het plangebied nog niet voor woningbouw bestemd. Derhalve dient een nieuw bestemmingsplan te worden opgesteld om de oprichting van drie woningen mogelijk te maken. Met onderhavige plantoelichting wordt gemotiveerd op welke wijze aan de gestelde voorwaarden van de gemeente wordt voldaan. Het ten uitvoer brengen van de oprichting van de woningen kan gerealiseerd worden, indien aan een aantal deels juridische voorwaarden wordt voldaan. Het betreft daarbij de volgende drie voorwaarden: 1. het motiveren van de wijziging van de geldende bestemming middels het opstellen van een bestemmingsplan als basis voor het doorvoeren van de bestemmingsplanwijziging; 2. het met een bestemmingsplan aantonen van de ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieuhygiënische aanvaardbaarheid; 7

3. het in procedure brengen van het bestemmingsplan. Met dit bestemmingsplan wordt derhalve een planologische en juridische basis gelegd om de gewenste ruimtelijke ontwikkeling te kunnen realiseren.

1.5 Leeswijzer In de volgende hoofdstukken wordt aandacht besteed aan de verschillende aspecten van het bestemmingsplan. In hoofdstuk 2 komt het ruimtelijk beleidskader aan bod. Voor een beschrijving van de milieuhygiënische en ruimtelijke aspecten wordt verwezen naar hoofdstuk 3. De aspecten beeldkwaliteit en ruimtelijke inpassing worden behandeld in hoofdstuk 4, de juridische aspecten in hoofdstuk 5 en het onderdeel economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid in hoofdstuk 6. Hoofdstuk 7 beschrijft de conclusies van dit bestemmingsplan.

8

2. Ruimtelijk beleidskader 2.1 Inleiding Wat betreft de verantwoordelijkheidstoedeling en bevoegdheidsverdeling zijn het Rijk, de provincies en de gemeenten verantwoordelijk voor hun eigen belangen. Er kan slechts sprake zijn van bemoeienis van Rijk of provincie met de gemeente, indien dat noodzakelijk is vanwege een nationaal respectievelijk provinciaal belang. Rijk en provincies beschikken in de Wet ruimtelijke ordening over dezelfde bevoegdheden als gemeenten om hun eigen ruimtelijke belangen te kunnen uitvoeren. Daarnaast kunnen het Rijk en de provincies algemeen verbindende regels uitvaardigen en aanwijzingen geven om hun belangen veilig te stellen. Het beleid van de gemeente Bernheze vormt dus het kader waarbinnen de functionele en ruimtelijke ontwikkeling wordt vastgesteld. De ruimtelijke ontwikkelingsplannen van Rijk, provincie en regio vormen randvoorwaarden voor het gemeentelijke beleid. Voor zover relevant voor de plannen worden in de volgende paragrafen het Rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid toegelicht.

2.2 Rijksbeleid Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), 2012 Toetsingskader Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) van kracht geworden. Deze structuurvisie vormt de uitwerking van de ambities van het Rijk, op basis van haar verantwoordelijkheden, in Rijksdoelen en daarmee samenhangende nationale belangen op het gebied van een samenhangend ruimtelijk en mobiliteitsbeleid. Het Rijk heeft tot doel Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te maken in een periode van economische conjunctuurschommelingen, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen. Aanleiding voor het vaststellen van de visie is de constatering dat het voorheen geldende ruimtelijke Rijksbeleid onvoldoende bijdroeg aan het behalen van deze doelen, onder meer door het veroorzaken van bestuurlijke drukte, ingewikkelde regelgeving en een te sectorale blik op vraagstukken. Om dit te keren brengt het Rijk de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij diegene die het aangaat en laat het meer over aan gemeenten en provincies. Het Rijk onderscheidt thans nog dertien nationale belangen. Uitsluitend op basis van deze belangen intervenieert het Rijk in de ruimtelijke ordening. Een groot deel van deze belangen leidt tot het reserveren van ruimte voor functies.

Dit betreft dan bijvoorbeeld het reserveren van ruimte voor waterberging, militaire activiteiten en de uitbreiding van het hoofdwegennet. Deze belangen zijn vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro). Eén van de belangen die niet leidt tot een ruimtereservering is het belang van een ‘zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten’. In het kader van dit belang heeft het Rijk besloten om, ten behoeve van het verminderen van de bestuurlijke drukte en het neerleggen van verantwoordelijkheden bij decentrale overheden, de verstedelijkingsstrategie te wijzigen. Dit houdt in dat het bundelingsbeleid, verdichtingsbeleid, locatiebeleid voor bedrijven en voorzieningen, beleid voor basiskwaliteit, stedelijke netwerken, nationale landschappen en rijksbufferzones is afgeschaft en dat daar slechts één beleidslijn voor terug komt: de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’. Deze ‘ladder’ heeft tot doel het principe van vraaggericht programmeren en het principe van zorgvuldig ruimtegebruik bindend voor 9

te schrijven bij de afwegingen van gemeenten en provincies. Dit belang is als procesvereiste vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Grondgedachte van de ladder is dat een activiteit op meerdere locaties zou kunnen plaatsvinden en dat vervolgens de planologisch meest juiste locatie gekozen moet worden. Dat gaat uit van de activiteit. Hiermee wordt beoogd om de voorheen bestaande praktijk, waarbij in veel gevallen een bestemming wordt gezocht voor een bepaalde locatie om te vormen. Doorwerking plan(gebied) Het voorliggende plangebied is niet gelegen in een gebied waarvoor van rijkswege een (relevante) ruimtereservering geldt. Uitsluitend het nationale belang van een ‘zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten’, als vervat in de ladder voor duurzame verstedelijking, is van toepassing op het onderhavige bestemmingsplan. Aan dit belang wordt navolgend getoetst. Conclusie Aspecten als water, veiligheid, cultuurhistorie en ruimtelijke kwaliteit vormen onderdeel van de planologische toets. Daarmee is het plan niet in strijd met het rijksbeleid. Geconcludeerd kan verder worden dat het onderhavige plangebied niet gelegen is in een gebied waarvoor van Rijkswege een relevante ruimtereservering geldt. Aan de ladder voor duurzame verstedelijking wordt navolgend getoetst.

Nationale Omgevingsvisie Toetsingskader In Nederland staan we voor een aantal urgente opgaven, die zowel lokaal, nationaal als wereldwijd spelen. Denk aan de opgaven op het gebied van klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Deze opgaven zullen Nederland flink veranderen. Door goed in te spelen op deze veranderingen kan Nederland vooroplopen en kansen verzilveren. Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. In de NOVI zijn deze maatschappelijke opgaven samengevat in vier prioriteiten:  ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie  duurzaam economisch groeipotentieel  sterke en gezonde steden en regio’s  toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Conclusie In dit planvoornemen zijn geen strijdigheden met de uitgangspunten uit de ontwerp NOVI opgenomen. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), 2012 Toetsingskader Het Rijk heeft in de eerder genoemde SVIR vastgesteld dat voor een beperkt aantal onderwerpen de bevoegdheid om algemene regels te stellen zou moeten worden ingezet. De SVIR bepaalt welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op provinciaal en gemeentelijk niveau.

Ten aanzien daarvan is een borging door middel van normstelling, gebaseerd op de Wet ruimtelijke ordening, gewenst. Die uitspraken onderscheiden zich in die zin dat van de provincies en de gemeenten wordt gevraagd om de inhoud daarvan te laten doorwerken in de ruimtelijke besluitvorming. Zij zijn dus concreet normstellend bedoeld en worden geacht direct of indirect door te werken tot op 10

het niveau van de lokale besluitvorming, zoals de vaststelling van bestemmings- en wijzigingsplannen. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Op 30 december 2011 is het Barro in werking getreden met daarin een regeling voor een beperkt aantal onderwerpen. Op 1 oktober 2012 is het besluit aangevuld met regels voor de andere beleidskaders uit de SVIR en tevens uit het Nationaal Waterplan en het Derde Structuurschema Elektriciteitsvoorziening. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Een aantal onderwerpen is geregeld in de bij het Barro behorende Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro). Doorwerking plan(gebied) Het plangebied is niet gelegen in een gebied waarvoor op basis van het Barro en Rarro een relevante ruimtereservering geldt. Daarnaast wordt niet in een ontwikkeling voorzien die raakt aan een van de nationale belangen. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het Barro en Rarro niet van toepassing zijn op onderhavig plan.

Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6 lid 2 Bro) Toetsingskader Met de inwerkingtreding op 1 oktober 2012 van artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) – de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ – geldt voor alle juridisch verbindende ruimtelijke plannen van decentrale overheden die (planologisch) nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maken een bijzonder procesvereiste. Het procesvereiste van het doorlopen van de Ladder is gebaseerd op één van de nationale belangen als opgenomen in de SVIR, opgesteld door het Rijk. Dit nationale belang houdt in dat, ten behoeve van een goed systeem van ruimtelijke ordening, een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten plaats dient te vinden. Deze zorgvuldige afweging heeft tot doel om, vanuit een oogpunt van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, planologisch ongewenste versnippering en een onaanvaardbare leegstand te voorkomen. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt.

Artikel 3.1.6, tweede lid, luidt nu als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De Laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In artikel 1.1.1 onder i van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd: een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Voor woningbouwlocaties geldt volgens de overzichtsuitspraak dat 'in beginsel' sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden. Voor wonen is daarmee de lijn dat er vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. 11

De Laddertoets geldt alleen voor ‘nieuwe’ stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was of kon worden gerealiseerd. Daarnaast volgt uit jurisprudentie dat wanneer het een functiewijziging betreft, moet worden beoordeeld of er sprake is van een naar aard en omvang zodanige functiewijziging dat desalniettemin gesproken kan worden van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarbij moet ook et ruimtebeslag betrokken worden. In de nieuwe Ladder is het woord 'regionale' niet meer aanwezig. De Ladder bepaalt niet nader voor welk gebied de behoefte in beeld moet worden gebracht. Het is primair aan het bevoegd gezag om op basis van het ruimtelijk verzorgingsgebied van de stedelijke ontwikkeling te bepalen tot welk gebied de beschrijving van de behoefte zich moet uitstrekken. De aard en omvang van de stedelijke ontwikkeling bepaalt op welk niveau de afweging moet worden gemaakt. De toelichting van het bestemmingsplan moet een beschrijving bevatten van de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Daarbij is het niet relevant of het plangebied binnen of buiten bestaand stedelijk gebied ligt.

In beide gevallen dient de plantoelichting een beschrijving van de behoefte te bevatten. In artikel 1.1.1 onder h van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip 'bestaand stedelijk gebied' vastgelegd. Als bestaand stedelijk gebied wordt aangemerkt: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Uit de definitie volgt dat er sprake moet zijn van een stedenbouwkundig samenstel van bebouwing. In de Nota van Toelichting wordt opgemerkt dat de kwalificatie bestaand stedelijk gebied afhangt van de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het bestemmingsplan en de aard van de omgeving. Doorwerking plan(gebied) Onderliggende ontwikkeling voorziet het plan niet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. De in het plan voorziene ontwikkeling kan dan ook niet worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in deze bepaling van het Bro, zodat artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro niet van toepassing is. Gezien het voorgaande vormt de ladder voor duurzame ontwikkeling geen belemmering voor de voorgestane ontwikkeling.

Conclusie Er is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder voor duurzame verstedelijking. Daardoor is de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing.

2.3 Provinciaal beleid Toetsingskader Omgevingsvisie Noord-Brabant en Interim omgevingsverordening NoordBrabant Het provinciale ruimtelijke beleid staat de realisering van de plannen niet in de weg. Hoofddoelstellingen van de Omgevingsvisie Noord-Brabant en de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant zijn ‘zuinig ruimtegebruik’ met daaraan gekoppeld de ‘concentratie van verstedelijking’. De accenten moeten hierbij liggen op ‘inbreiding’ en ‘herstructurering’.

12

Concentratie van verstedelijking De provincie stuurt op concentratie van verstedelijking: het is belangrijk dat er verschil bestaat en blijft bestaan tussen de steden en dorpen. De stedelijke structuur bestaat uit de steden en dorpen in Noord-Brabant en is onderverdeeld in ‘concentratiegebieden’ en ‘overig stedelijk gebied’. In concentratiegebieden wordt de bovenlokale groei van verstedelijking opgevangen. Daarnaast moet hier een hoog voorzieningenniveau geboden worden, waardoor de (suburbane) kernen en dorpen buiten het concentratiegebied het huidige (landelijke) karakter behouden. In overig stedelijk gebied is grootschalige verstedelijking ongewenst. Wel kan hier voor de eigen behoefte gebouwd worden. Naast concentratie van verstedelijking wil de provincie binnen de stedelijke structuur het volgende bereiken:  zorgvuldig ruimtegebruik;  meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit;  betere verknoping van stedelijke ontwikkelingen aan de infrastructuur;  versterking van de economische kennisclusters. Voor onderhavig initiatief spelen de elementen ‘zorgvuldig ruimtegebruik’ en ‘meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit’ een rol. Zorgvuldig ruimtegebruik De provincie wil dat de kansen voor functiemenging, inbreiding, herstructurering en zo nodig transformatie in het stedelijk gebied goed worden benut, inclusief de mogelijkheden voor intensivering en meervoudig ruimtegebruik.

Hierdoor is minder ruimte nodig voor stedelijke uitbreidingen. Het ‘aansnijden van nieuwe ruimte’ voor verstedelijking wordt in samenhang bezien met deze mogelijkheden. Door meer aandacht te schenken aan beheer en onderhoud van het bestaand stedelijke gebied worden in de toekomst ingrijpende herstructureringen voorkomen. Meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit Karakteristieke verschillen tussen dorpen en steden vervagen. Uitbreidingswijken en werklocaties in steden en dorpen gaan steeds meer op elkaar lijken. De provincie wil dat nieuwe ontwikkelingen meer inspelen op het karakter en de kwaliteit van de plek. Door bij stedelijke ontwikkelingen uit te gaan van het verschil in omvang en karakter van de verschillende kernen, wordt het contrast tussen stad en dorp behouden. Dit versterkt de identiteit en aantrekkelijkheid van kernen en hun relatie met het omliggende landschap. Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant Het beleid uit de Omgevingsvisie Noord-Brabant is verwerkt in de regels die zijn opgenomen in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant van de provincie. De onderwerpen die in de verordening staan komen dus uit de provinciale omgevingsvisie. Daarin staat welke belangen de provincie wil behartigen en hoe ze dat wil doen. De verordening is daarbij één van de manieren om die provinciale belangen veilig te stellen.

In de verordening is een aantal aspecten opgenomen die van toepassing zijn op onderhavig plan. Deze zullen hierna worden besproken. De provincie wil de ruimtelijke kwaliteit van Noord-Brabant bevorderen. Dit betekent dat nieuwe ontwikkelingen een bijdrage moeten leveren aan de kernkwaliteiten van NoordBrabant. De provincie biedt ontwikkelingsruimte in het buitengebied, mits een ontwikkeling bijdraagt aan een versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Nieuwe ontwikkelingen bieden een kans voor behoud en ontwikkeling van het landschap. Het ontwikkelen van landschap reikt verder dan het behouden wat er is, ontwikkelen van het landschap gaat ook om het toevoegen van nieuwe ruimtelijke kwaliteiten.

13

De provincie onderscheidt een achttal thema’s waarin beleidsuitgangspunten zijn opgenomen. Deze thema’s zijn tevens in kaart gebracht. Onderstaande tabel illustreert welke thematische kaarten in principe van toepassing zijn op het plangebied en welke niet. Thema / kaartnaam Milieubescherming Landbouw Stedelijke ontwikkeling en erfgoed Natuur en stiltegebieden Grondwaterbescherming, waterveiligheid en –berging Basiskaart Landelijk gebied. Specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen Watersystemen, -veiligheid en -berging

Van toepassing Nee Ja Ja Nee Nee Nee Ja Ja

Rechtstreeks werkende regels: landbouw Binnen het kaartbeeld ‘Rechtstreeks werkende regels: landbouw’ is het plangebied aangeduid als ‘verbod uitbreiding veehouderij’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.

In de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant worden algemene regels gegeven waaraan de toelichting bij een gemeentelijk planologisch wonen mogelijk maakt, moet voldoen. Uiteraard dient gekeken te worden naar de bestaande harde plancapaciteit. Tevens moet uitdrukkelijk een relatie gelegd worden met de afspraken die in het regionaal planningsoverleg zijn gemaakt over de nieuwbouw van woningen. Deze afspraken worden jaarlijks gemaakt en zo nodig herzien. Zij worden gebaseerd op de provinciale bevolkings- en woningbehoefteprognose. De afspraken hebben in ieder geval betrekking op de aantallen te bouwen woningen. Zij kunnen daarnaast betrekking hebben op de aard van de woningen. Daaronder worden onder meer begrepen woningen voor bijzondere doelgroepen, zoals ouderen, personen met een zorgvraag, jongeren en starters op de woningmarkt, in het bijzonder voor zover deze groepen behoren tot de lagere inkomensgroepen. In de verordening is bepaald dat ruimtelijke plannen die voorzien in een stedelijke ontwikkeling in principe alleen in (bestaand) stedelijk gebied mogen vallen. Bestaand 14

stedelijk gebied is het bestaande ruimtebeslag van een kern voor een samenhangende ruimtelijke structuur van stedelijke functies. De verordening vereist dat in de gemeentelijke planvorming – zowel in de stedelijke concentratiegebieden als in de kernen in landelijk gebied – wordt verantwoord dat de ruimtelijke mogelijkheden binnen het bestaand stedelijk gebied zo goed mogelijk worden benut. Deze verantwoording dient gebaseerd te zijn op onderzoek dan wel op concreet beleid vastgelegd in een gemeentelijke structuurvisie. Het accent ligt op inbreiden en herstructureren. Ook moet bestaande, nieuwe of te herontwikkelen ruimte intensiever worden benut. Door verschillende functies op een locatie te combineren kan extra ruimtebeslag worden voorkomen of beperkt. Onderhavige ontwikkeling vindt plaats in stedelijk gebied, betreft intensiever/ander ruimtegebruik met een stedelijke functie en is passend binnen de diverse beleidsuitgangspunten waaronder de doelstellingen wat betreft de kwantitatieve en kwalitatieve doeleinden met betrekking tot de woningbouw. De aanduiding ‘verbod uitbreiding veehouderij’ heeft enkel invloed op bestaande agrarische bedrijven. Onderhavig plan betreft woningbouwontwikkeling binnen de grenzen van de kern Heeswijk-Dinther.

De uitgangspunten en regeling ten aanzien van het verbod op uitbreiding van veehouderijen heeft hier geen invloed op, en andersom doet onderhavig planvoornemen geen afbreuk aan deze beleidsregels. Doorwerking plan(gebied) De woonwensen en de leefbaarheid in de dorpen en steden, de behoefte aan gebiedseigenheid en identiteit van stad, dorp en landschap en klimaatverandering staan in de volle aandacht. De provincie Noord-Brabant wil blijven ontwikkelen, maar de provincie stelt ook meer eisen aan de kwaliteit van de leefomgeving. Vanwege een zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik worden woningen op de eerste plaats binnen de bestaande bebouwde kom geconcentreerd. Voorliggend initiatief ziet op inbreiding, verdichting en herstructurering. Hiermee streeft het plan zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik na. Voorts moeten bestaande waarden en kwaliteiten behouden blijven en waar mogelijk worden versterkt. Het provinciale beleid, opgenomen in de provinciale structuurvisie en de verordening, is gericht op het concentreren van stedelijke ontwikkelingen in het bestaand stedelijk gebied. Het plangebied ligt in een bestaande stedelijk kern van de provincie Noord-Brabant en vormt een inbreidingslocatie.

De voorgestane ontwikkeling beantwoordt daarmee aan de provinciale ruimtelijke doelstellingen om te komen tot zuinig ruimtegebruik en concentratie van verstedelijking (inbreiden, transformeren, herstructureren en intensiveren). Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed Binnen het kaartbeeld ‘Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed’ is het plangebied aangeduid als ‘Landelijke kern’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.

15

De provincie verwacht van gemeenten dat zij bij de ontwikkeling van woningbouwlocaties en het opstellen van gemeentelijke ruimtelijke plannen daarvoor rekening houden met de afspraken in het regionaal ruimtelijk overleg. Dit artikel bevat regels over de verantwoording bij bestemmingsplannen en andere planologische besluiten. Hierbij is het nodig ook een relatie te leggen naar de bestaande harde plancapaciteit. Tevens moet uitdrukkelijk een relatie gelegd worden met regionale afspraken over de nieuwbouw van woningen De provincie vraagt gemeenten om het principe van zorgvuldig ruimtegebruik toe te passen bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het doel hierbij is om bestaand bebouwd gebied zo goed mogelijk te benutten. Pas als dat niet kan, wordt gezocht naar de beste plek in het buitengebied om nieuwe ruimte te gebruiken. Daarnaast wil de provincie verouderde locaties in stedelijk gebied opnieuw invullen en ongewenste functies in het buitengebied saneren. Voorbeelden van dergelijke ongewenste functies zijn glastuinbouwbedrijven in kwetsbare gebieden of veehouderijen rondom de natuur en stedelijke gebieden. In de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is verder bepaald dat ruimtelijke plannen die voorzien in een stedelijke ontwikkeling, in principe alleen in bestaand stedelijk gebied mogen vallen. Onder voorwaarden zijn ontwikkelingen in hiermee samenhangende zoekgebieden mogelijk.

Uit onderhavige toelichting blijkt dat aan deze voorwaarden wordt voldaan. Doorwerking plan(gebied) Onderhavig planvoornemen betreft een intensivering van het gebruik van een bestaande locatie binnen de stedelijke zone. Hiermee wordt dus aangesloten bij het uitgangspunt van de provincie om zorgvuldig om te gaan met de beschikbare ruimte binnen een landelijke kern. Instructieregels gemeenten: specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen Binnen het kaartbeeld ‘Instructieregels gemeenten: specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen’ is het plangebied aangeduid als ‘stalderingsgebied’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.

16

De aanduiding ‘stalderingsgebied’ heeft enkel invloed op bestaande agrarische bedrijven. Onderhavig plan betreft de oprichting van een woningen in bestaande stedelijk gebied van de kern Heeswijk-Dinther. De uitgangspunten en regeling ten aanzien van staldering heeft hier geen invloed op, en andersom doet onderhavig planvoornemen geen afbreuk aan deze beleidsregels. Doorwerking plan(gebied) De aanduiding binnen het kaartbeeld ‘Instructieregels gemeenten: specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen’ is niet van toepassing op onderhavige ontwikkeling. Watersystemen, -veiligheid en -berging Binnen het kaartbeeld ‘Watersystemen, -veiligheid en -berging’ is het plangebied aangeduid als ‘norm wateroverlast Stedelijk gebied’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.

17

Elke plek heeft een aanduiding welke iets regelt ten aanzien van omgang met water. Onderhavig plangebied is gelegen in het stedelijke gebied van de kern Heeswijk-Dinther. De norm ten aanzien van wateroverlast binnen het stedelijk gebied is hier dan ook op van toepassing. Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt binnen Stedelijk gebied, als norm een overstromingskans van: a. 1/100 per jaar voor gebieden die in een ruimtelijk plan bestemd zijn voor de doeleinden bebouwing, hoofdinfrastructuur en spoorwegen; b. 1/10 per jaar voor overige gebieden. De gestelde norm betreft een inspanningsverplichting. Doorwerking plan(gebied) De genoemde inspanningsverplichting zal worden geleverd door initiatiefnemer. Hiertoe is een watertoets uitgevoerd, waarvan de resultaten zijn terug te lezen in paragraaf 9 van hoofdstuk 3. Conclusie De gemeente Bernheze streeft naar een evenwichtige woningmarkt met voldoende, goede, betaalbare, gevarieerde en passende woningen. Het plan komt tegemoet aan een actuele behoefte en wordt in bestaand stedelijk gebied gerealiseerd. Dus inbreiding, verdichting en herstructurering vóór uitleg.

Onderhavige ontwikkeling vindt plaats in stedelijk gebied, betreft intensiever ruimtegebruik met een stedelijke functie en is passend binnen de diverse beleidsuitgangspunten waaronder de doelstellingen wat betreft de kwantitatieve en kwalitatieve doeleinden met betrekking tot de woningbouw. De planontwikkeling heeft geen nadelige gevolgen voor de ambities die de provincie nastreeft en heeft geformuleerd in de Omgevingsvisie Noord-Brabant en de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Er wordt met onderhavige ontwikkeling derhalve geen afbreuk gedaan aan de beleidsdoelstellingen en ambities, zoals opgenomen in de structuurvisie en de verordening. Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. De ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid van onderhavige ontwikkeling wordt gemotiveerd in de hoofdstuk 3.

2.4 Gemeentelijk beleid De provinciale ruimtelijke beleidskaders zijn of moeten worden vertaald in het gemeentelijke ruimtelijke beleid. In deze paragraaf wordt nader ingegaan op de Structuurvisie Bernheze, Woonvisie 2022-2026, Welstandsnota Bernheze en de gemeentelijke Parkeernormennota. Daarnaast is er al uitgebreid aandacht besteed aan de vigerende bestemming met daartoe behorende regels in paragraaf 1.3 van deze plantoelichting. Structuurvisie Bernheze Toetsingskader De Structuurvisie Bernheze is vastgesteld door de gemeenteraad van Bernheze op 11 februari 2010. De Structuurvisie moet helderheid verschaffen in het ruimtelijke beleid van de gemeente Bernheze en de wijze waarop zij deze tot uitvoering wil brengen. De 18

structuurvisie is een visie op hoofdlijnen en vormt een belangrijk (toetsing)kader voor het initiëren, beoordelen, afwegen en vaststellen van nieuwe ruimtelijke plannen. Een belangrijk onderdeel van de structuurvisie is het Ruimtelijk Casco. Het Ruimtelijk Casco betreft het ontwikkelingskader voor de gemeente Bernheze en vormt een casco voor concrete projecten en plannen. Uit de kaart van het Ruimtelijk Casco komt naar voren dat het plangebied gelegen is in bestaand stedelijk gebied (dorp), zie onderstaande afbeelding.

Binnen het bestaand stedelijk gebied ligt de nadruk conform de structuurvisie op ‘beheer en intensivering’. Daarnaast zijn voor de kernen Nistelrode en Heeswijk-Dinther de aanduidingen ‘centrumontwikkeling’ en ‘herstructurering’ aanvullend opgenomen. Voor de kernen geldt dat herstructurerings- en intensiveringsprocessen in beginsel overal binnen bestaand woongebied mogelijk zijn. Doorwerking plan(gebied) De ontwikkeling waarop dit bestemmingsplan betrekking heeft betreft het oprichten van drie woningen binnen een bestaande stedelijke zone. Vanuit de structuurvisie wordt hiermee een eerste handvat geboden die de beoogde ontwikkeling toe kan staan. Daarnaast moet hierbij worden aangesloten op de kwaliteiten en mogelijkheden van dat gebied. De duidelijke structuur en de variatie van de verschillende dorpen wordt behouden en waar mogelijk versterkt. Waar sprake is van inbreiding moet deze aansluiten op het karakter van de kern en waar mogelijk niet te intensief en ‘dicht’ (ook in de kernen moeten de groene kwaliteiten benut worden en moet daarin variëteit worden geboden). De nieuwe woningen worden in de bestaande stedelijke structuur ter plaatse opgenomen door met de rooilijn van de bestaande bebouwing rekening te houden, doorzichten naar het achterland en landschap worden behouden en er is een passend stedenbouwkundig ontwerp opgesteld.

Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in Structuurvisie Bernheze. Woonvisie 2022-2026 Toetsingskader Op 2 november 2021 heeft de gemeenteraad van Bernheze de Woonvisie 2022-2026 met als ondertitel ‘Perspectief op goed wonen in onze kernen’ vastgesteld. Deze visie geeft een duidelijke richting: het streven naar een nieuw evenwicht van de woningmarkt

19

in Bernheze, waarbij woningen toegevoegd en aangepast worden aan de hand van de wensen die er zijn. Specifiek voor het wonen betekent dat onder andere: • woningbouw betaalbaar, duurzaam, genoeg en passend bij de vraag; • voortzetten actief woningbouwbeleid; • blijven bouwen in alle kernen; • speciale aandacht voor senioren op de woningmarkt, door bestaande woningen levensloopgeschikt te maken;  inzetten op de realisatie van betaalbare en ook levensloopbestendige huur- en koopwoningen. Betaalbaarheid van woningen is één van de belangrijkste aandachtspunten. Hiermee bedienen de gemeente starters, jonge gezinnen en senioren; • gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de leefomgeving en bewust zijn van de mogelijkheden tot verduurzaming (en de eventuele mogelijkheden tot subsidie op dat gebied); • bestaande woningvoorraad verduurzamen;  ruimte voor andere en vernieuwende woningbouwconcepten en woonvormen (‘tiny houses’, flexwoningen, inzet vrijkomende agrarische bestemmingen (VAB’s) of maatschappelijk vastgoed, projecten met vernieuwende aanpak zoals een Collectief Particulier Opdrachtgeverschap (CPO) gericht op duurzaamheid, voor ouderen en/of jongeren); • (CPO) en Individueel Particulier Opdrachtgeverschap (IPO) blijven prominent op de agenda; • ruimte voor inbreidings- en uitbreidingslocaties met aandacht voor duurzaamheid en klimaatadaptatie; • aandacht voor bijzondere

doelgroepen. Gemeente moet oplossingen vinden voor mensen die echt in de knel zitten en met spoed een woning zoeken. • beschermd wonen en wonen met zorg blijft een belangrijk aandachtspunt, waarbij de gemeente beleid in overleg met sociale en maatschappelijke partners nader vorm gaat geven. Deze woonvisie is inclusief: de gemeente heeft daarbij in ieder geval extra aandacht voor de volgende doelgroepen:  mensen met een laag inkomen  senioren  starters en jonge gezinnen  statushouders  woonwagenbewoners  internationale werknemers Concreet heeft gemeente Bernheze onder meer de volgende wensen:  In de komende 10 jaar voegen we 1.800 woningen toe;  Daarvan bouwen we circa 1.160 woningen in de periode tot en met 2026;  We bouwen in iedere kern;  We zetten in op woningbouw op inbreidings- en op uitbreidingslocaties;  We willen meer regie voeren op de woningbouwproductie. Daarvoor maken we gebruiken van verschillende instrumenten, en zoeken we intensiever samenwerking en afstemming met onze bouwende partners. We bieden meer zekerheid;  We willen de keten van idee naar uitvoering waar mogelijk versnellen.  We geven voorrang aan grotere woningbouwplannen. Doorwerking plan(gebied) De ontwikkeling past binnen de kaders van de Woonvisie 2022-2026 aangezien het aantal woningen toeneemt, zonder dat hier extra stedelijk gebied voor dient te worden aangeboord.

Daarbij wordt met het type woningen, de locatie van de woningen en de

20

prijs van de woning aangesloten op de vraag van woningen welke momenteel binnen de gemeente Bernheze aanwezig is. Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in Woonvisie 2022-2026. Parkeernormennota Toetsingskader Op 12 juni 2018 heeft de gemeenteraad van Bernheze de Parkeernormennota vastgesteld. De norm heeft tot doel toepassing van de parkeernormen duidelijk te maken. De parkeernorm is van toepassing op nieuw- en verbouw, niet op bestaande situaties en geeft bewoners, bedrijven en initiatiefnemers duidelijkheid over welke normen gebruikt worden bij een bouwaanvraag. In ieder nieuw bestemmingsplan dient de systematiek van de gebruikte parkeernorm te worden vermeld. Het is ook toegestaan in het bestemmingsplan te verwijzen naar de parkeernormennota van de gemeente. Doorwerking plan(gebied) In paragraaf 3.11 van dit bestemmingsplan wordt nader ingegaan op het parkeeraspect. Op eigen terrein wordt in voldoende gelegenheid voorzien: 2 parkeerplekken op eigen terrein, per woning. Een en ander is conform de uitgangspunten, zoals opgenomen in de Parkeernormennota. Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in de Parkeernormennota.

Welstandsnota Bernheze Toetsingskader De gemeenteraad van Bernheze heeft op 5 oktober 2015 de Welstandsnota Bernheze vastgesteld. In de gemeente Berheze zijn veel gebieden welstandsvrij. Voor enkele locaties blijft welstandstoezicht wel van toepassing. Dit geldt voor cultuurhistorische waardevolle gebieden die het bijzondere karakter van Bernheze bepalen. Er zijn in deze nota 15 gebieden aangewezen waar welstandseisen gelden. De welstandseisen zijn samengebracht in drie gebiedstypen:  het agrarisch cluster;  het historisch dorpscentrum;  de woningbouw uit de wederopbouwperiode. Onderhavig plangebied is niet gelegen in één van deze welstandsgebieden. Doorwerking plan(gebied) Conform de Welstandsnota is onderhavig plangebied niet aangeduid als een gebied waarop een uitgebreide toets welstand op van toepassing is. Dit betekent dat de welstandscommissie de omgevingsvergunning niet toetst. Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in Welstandsnota Bernheze. Bomenbeleidsplan Gemeente Bernheze 2017-2027 en Handboek bomen 2018 Toetsingskader Tevens zijn het Bomenbeleidsplan Gemeente Bernheze 2017-2027 en het Handboek bomen 2018 van toepassing en daarmee ook de bomenposter ‘Werken rond bomen’.

Initiatiefnemer dient zich te houden aan de opgenomen voorwaarden en verplichtingen, zoals vermeld in deze documenten. Op de bomenposter staat onder andere dat de 21

gemeente een Bomen Effect Analyse (BEA) wil ontvangen wanneer binnen de kwetsbare boomzone (kroonprojectie + 1,5 m) werkzaamheden plaatsvinden. Dit is van toepassing op alle ontwikkelingen, inclusief aanleg/aanpassing inrit. Er wordt geadviseerd om zoveel mogelijk groen aan te planten in het plangebied. Dit is geen harde eis maar zal wel ten goede komen aan een optimale leefbaarheid van de locatie. Doorwerking plan(gebied) Ten behoeve van onderhavige planontwikkeling is een Bomen Effect Analyse (BEA) uitgevoerd. Deze BEA is bijgevoegd als bijlage 1. In onderstaande tabel worden de conclusies samengevat weergegeven.

Conclusies en projectinvloed conform Handboek Bomen 2022 Met alle te verwachten werkzaamheden nabij de esdoorns 1 en 2 blijkt dat deze niet duurzaam behouden kunnen blijven. De kwaliteit van de bomen 3 en 4 is tevens matig. Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in het Bomenbeleidsplan Gemeente Bernheze 2017-2027 en Handboek bomen 2018. Er wordt hierbij wel van uitgegaan dat rekening wordt gehouden met de aanbevelingen, zoals genoemd in de BEA. Dat houdt o.a. in dat de bomen die gekapt worden dienen te worden gecompenseerd.

22

3. Milieu-hygiënische aspecten 3.1 Inleiding en aanleiding Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieubeleid en ruimtelijke ordening. De beleidsvelden groeien naar elkaar toe. De milieukwaliteit vormt een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de afweging van het al dan niet toelaten van bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen, dient onderzocht te worden welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Tevens is het van belang milieubelastende functies, zoals bedrijfsactiviteiten, ruimtelijk te scheiden ten opzichte van milieugevoelige functies, zoals woningen. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de milieu- en ruimtelijke aspecten die van belang zijn bij de oprichting van de woningen aan de Lariestraat en Teerlingstraat te HeeswijkDinther. De resultaten van de onderzoeken naar de milieukundige haalbaarheid worden beschreven en er wordt aan de andere – ruimtelijk relevante – waarden en omgevingsaspecten, zoals verkeer en mobiliteit, getoetst. De thema’s die aan bod komen, hebben direct of indirect betrekking op de voorgenomen planontwikkeling. In dit hoofdstuk wordt daarom achtereenvolgens aandacht besteed aan de aspecten geluid, milieuzonering, bodem, water, flora en fauna, verkeer en parkeren. Tot slot worden de overige aspecten behandeld, waarbij conclusies vooral zijn overgenomen uit het vigerende bestemmingsplan.

3.2 Geluid Doelstelling en (wettelijk) beleidskader Bij de realisatie van geluidgevoelige bestemmingen, zoals woningen, in de nabijheid van wegen dient in het bestemmingsplan aandacht besteed te worden aan de akoestische omstandigheden. De gevels van de woningen ondervinden namelijk een geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer in de omgeving. De verplichting tot uitvoering van een akoestisch onderzoek is vastgelegd in de Wet geluidhinder. De Wet geluidhinder bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai. De Wet geluidhinder geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan, indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidzone van een bestaande geluidbron of indien het plan een nieuwe geluidbron mogelijk maakt. De Wet geluidhinder bepaalt in hoeverre het bouwen op een locatie is toegestaan, het Bouwbesluit bevat onder meer eisen die aan de geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie van het gebouw worden gesteld. Deze worden onder meer bepaald door de hoogte van de geluidbelasting, het type buitengeluid en de gebruiksfunctie.

Motivering geluid voor bestemmings-/bouwplan Wegverkeerslawaai Ten behoeve van het planvoornemen heeft De Roever Omgevingsadvies een onderzoek naar de gevolgen van het wegverkeerslawaai uitgevoerd. Hierna zijn de conclusies uit het akoestische onderzoek letterlijk overgenomen. De integrale rapportage is als bijlage 2 opgenomen.

23

Hogere waarden Het plangebied ligt niet binnen een geluidzone van een weg. Het verlenen van een hogere waarde is niet van toepassing. Benodigde gevelwering (wegverkeerslawaai) De gecumuleerde geluidbelasting bedraagt ten hoogste 58 dB ter plaatse van de voorgevel van het oostelijke deel van de twee-onder-een-kapwoning. De vereiste karakteristieke geluidwering Ga;k bedraagt dan 58 – 33 = 25 dB. Het bevoegd gezag zal bepalen of er nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels dient te worden gedaan. Woon- en leefklimaat De milieukwaliteit wordt geclassificeerd als ‘Zeer goed’ tot ‘Matig’. Het woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van de woningen kan evenwel als acceptabel worden aangemerkt. Op basis van de toelichting in paragraaf 3.2.1 en 3.2.2 [van het rapport van De Roever Omgevingsadvies] kan gesteld worden dat de cumulatieve geluidbelasting (wegverkeer) een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat niet in de weg staat.

Spoorweglawaai In de directe omgeving van het plangebied is geen actieve spoorlijn gelegen. Nader onderzoek naar de gevolgen van spoorweglawaai is derhalve niet noodzakelijk. Vliegtuiglawaai Het plangebied is niet gelegen nabij een (militair) vliegveld. Nader onderzoek naar de gevolgen van vliegtuiglawaai is derhalve niet noodzakelijk. Stiltegebieden Blijkens de kaarten, behorend bij de Milieuverordening Noord-Brabant, is het plangebied niet gelegen in of nabij een stiltecentrum. Conclusie Beoordeeld is welke voorzieningen benodigd zijn ten gevolge van de gevelbelasting van het wegverkeer voor de woningen. Vanuit akoestisch oogpunt levert het bestemmingsplan c.q. het bouwplan – rekening houdend met de conclusies van het wegverkeerslawaai-onderzoek – geen belemmeringen op. Het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied is gewaarborgd.

3.3 Milieuzonering / hinderlijke bedrijvigheid Doelstelling en (wettelijk) beleidskader Het doel van milieuzonering is om te komen tot een optimale kwaliteit van de leefomgeving. Instrumenten van ruimtelijke ordening en milieu kunnen elkaar daarbij ondersteunen. Om tot een optimale invulling van de ruimte te komen, onderscheidt de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) in haar brochure Bedrijven en Milieuzonering (2009) twee omgevingstypen: 1. omgevingstype rustige woonwijk of rustig buitengebied; 2. omgevingstype gemengd gebied. Ad. 1 Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar 24

mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied. Ad. 2 Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Vervolgens worden in de brochure, op basis van een aantal factoren (geur, stof, geluid en gevaar), richtafstanden genoemd tussen verschillende bedrijfstypen en omgevingstype ‘rustige woonwijk’ of ‘rustig buitengebied’, waarmee gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening kunnen houden. Indien sprake is van het omgevingstype ‘gemengd gebied’, dan kunnen de richtafstanden – zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat en het functioneren van bedrijven – met één afstandsstap worden verlaagd. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een intensieve veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object, bijvoorbeeld een woning.

De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. De Regeling geurhinder en veehouderij is gepubliceerd op 18 december 2006. Motivering geurhinder en milieuzonering voor bestemmings-/bouwplan Ten behoeve van het planvoornemen heeft De Roever Omgevingsadvies een milieuscan uitgevoerd. Hierbij zijn tevens de aspecten geurhinder en milieuzonering nader belicht. Hierna zijn de conclusies uit de milieuscan letterlijk overgenomen.

Omgevingstype Het plangebied heeft in het vigerende bestemmingsplan ‘De Kommen van Bernheze’ de bestemming ‘Wonen’ en ‘Tuin’. Voor het beoogde plan moet de bestemming moet worden omgezet naar ‘Wonen’. In de huidige en in de beoogde situatie is sprake van het omgevingstype rustige woonwijk. Uitwaartse milieuzonering De beoogde woonbestemming vormt geen milieubelastende functie. Een analyse van uitwaartse milieuzonering is niet nodig. Inwaartse milieuzonering Op basis van de vigerende bestemmingsplannen zijn de milieubelastende functies in de omgeving bepaald, zie tabel 2. De richtafstanden zijn gebaseerd op een gemengd gebied.

25

De milieubelastende functies en de bijbehorende richtafstanden zijn weergegeven op afbeelding 2 en op de kaart in bijlage I.

Het plangebied ligt niet binnen de richtafstanden van milieubelastende functies in de omgeving. Bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het plan. 3. GEUR 3.1. Soorten geur Er wordt onderscheid gemaakt in agrarische geur en industriële (overige) geur. In hoofdstuk 2 is beoordeeld dat het plangebied niet binnen de richtafstand voor het aspect geur van industriële of agrarische bedrijven ligt. De richtafstanden voor het aspect geur van agrarische bedrijven volstaan niet in alle gevallen. Daarom wordt hieronder het aspect agrarische geur nader toegelicht. 26

3.2. Wet geurhinder en veehouderij In de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) staan standaard, landelijk geldende, afstanden en normen waaraan de ligging en geurbelasting van dierenverblijven getoetst moeten worden, in het geval van een aanvraag om milieuvergunning. De Wgv is nader uitgewerkt in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv). De normen gelden ter plaatse van geurgevoelige objecten (bijvoorbeeld woningen) en de afstanden gelden tot deze geurgevoelige objecten. 3.3. Geurnormen en afstanden De standaardnormen uit de Wgv zijn in tabel 2 opgenomen.

De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid de standaardnormen en afstanden aan te passen middels een gemeentelijke verordening. Het plangebied ligt in een gebied waarvoor in de Verordening Fysieke Leefomgeving Bernheze 2021 een geurnorm van 3 ouE/m3 is vastgesteld en een afstandseis van 50 meter is vastgesteld. 3.4. Beoordeling De veehouderijen in de omgeving en de totale geuremissies per veehouderij zijn weergegeven op afbeelding 3.

27

De dichtstbijzijnde veehouderij met een relevante geuremissie ligt aan Lariestraat 32 op een afstand van ongeveer 220 meter van het plangebied. Aan de afstandseis wordt voldaan. Gezien de geuremissie in relatie tot de afstand tot het plangebied kan op voorhand worden gesteld dat de voorgrondbelasting niet relevant zal zijn. Dit is ook af te lezen uit de kaart met de geurcontouren ten aanzien van achtergrondbelasting (cumulatieve geurbelasting), zie afbeelding 4. Aangezien bestaande geurgevoelige objecten zijn gelegen tussen de veehouderijen en het plangebied worden de veehouderijen niet in hun belangen geschaad.

Het woon- en leefklimaat is ‘zeer goed’. Het aspect geur vormt geen belemmering voor het plan.

De integrale milieuscan is als bijlage 3 opgenomen. Conclusie is dat er vanuit de aspecten geurhinder en milieuzonering geen belemmeringen zijn voor het bestemmings/bouwplan. Conclusie Dit betekent dat er vanuit de aspecten milieuzonering en hinderlijke bedrijvigheid geen belemmeringen zijn voor het plan.

3.4 Externe veiligheid, kabels en leidingen Doelstelling en (wettelijk) beleidskader Het externe veiligheidsbeleid is bedoeld om de risico’s voor de omgeving ten aanzien van handelingen met gevaarlijke stoffen te beperken en te beheersen. De wetgeving is ge28

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=6d4f32e9-8676-4a6f-90fb-6a6163d55a7a