CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

Vaststellen bestemmingsplan 'Hoofdstraat 81b, Heeswijk-Dinther' - Toelichting

Commissie Ruimtelijke Zaken 21 september 2022, gemeente BernhezeBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Hoofdstraat 81b, Heeswijk-Dinther14.037 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

5.1.9 Volksgezondheid en veehouderijen De mogelijk nadelige gevolgen van de veehouderij op de volksgezondheid staan de laatste jaren volop in de belangstelling. Met name in veedichte gebieden zoals we die in de provincie Noord-Brabant kennen, bestaat onder de bevolking steeds meer onrust. Hierbij komen zaken naar voren als angst voor ziekten die overdraagbaar zijn van dier op mens (zoönosen), luchtwegaandoeningen, maar ook stress in verband met verminderde leefkwaliteit door regelmatige geurhinder. De ongerustheid komt vooral naar voren bij de ontwikkeling van grote veehouderijen in de directe omgeving van burgers. De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Op 7 juli 2016 zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stofemissie uit veehouderijen. Metingen en berekeningen laten zien dat overschrijding van de door de Gezondheidsraad gegeven advieswaarde van 30 EU/m3 mogelijk is. Bij een individueel varkensbedrijf is dat tot op een afstand van ca. 200 meter mogelijk en bij pluimvee tot ca. 500 meter.

Het dichtstbijzijnde veehouderijbedrijf ligt op circa 500 meter van de uitbreidingslocatie. Overschrijding van de advieswaarde van 30 EU/m3 is dientengevolge onwaarschijnlijk. Ook rondom geitenhouderijen hebben mensen een grotere kans op longontsteking. Dit blijkt vooral uit vervolganalyses van de VGO-aanvullende studies in 2017 en de VGO-III deelresultaten in 2018. In het VGO-hoofdonderzoek waren hiervoor al aanwijzingen gevonden, die daarna nader onderbouwd zijn over een langere periode. Er is geen onderzoek voor geitenhouderijen beschikbaar dat aangeeft of en op welke afstanden de grenswaarde van 30 EU/m3 wordt overschreden. De Wageningen University & Research heeft uitstoot van fijnstof en endotoxinen uit geitenstallen gemeten. Hieruit blijkt

Ur2d - urban research, development & design - info@ur2d.com

40

NL.IMRO.1721.BPHoofdstr81BHD-va01, Toelichting

dat vergeleken met gemiddelde pluimvee- en varkensstallen geitenstallen beduidend minder fijnstof en endotoxinen uitstoten. Uit een eerste oriënterend onderzoek met verspreidingsmodellen is gebleken dat het risico op overschrijding van de 30 EU/m3 in de bewoonde omgeving rondom grote pluimveebedrijven het grootst is. Voor andere diercategorieën, zoals geiten, schept de bestaande geurzonering voldoende afstand. In onderstaand stappenplan wordt vastgesteld of het voor de volksgezondheid wenselijk is dat de GGD om nadere advisering wordt gevraagd. 1. voor varkens en pluimveebedrijven: endotoxine richtafstand (= afstand waarbinnen naar alle waarschijnlijkheid de gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine wordt overschreden); Er is geen pluimveebedrijf of varkensbedrijf binnen de respectievelijke grensafstand van 200 of 500 meter aanwezig. 2. Toename in emissies van geur en/of fijnstof en/of ammoniak; Niet van toepassing, het betreft de splitsing van een woning 3. De wijze waarop met geurbelasting wordt omgegaan voor een aanvaardbaar woon/leefklimaat; Het perceel aan de Hoofdstraat 81B is gelegen binnen de bestaande woongebieden van de bebouwde kom van Bernheze en bedraagt op basis van de Verordening Geurhinder en Veehouderij gemeente Bernheze 2013 de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij 3 ou/m³ 98 percentiel.

Er is daarmee sprake van een goed woon- en leefklimaat. 4. Bij meerdere bedrijfsmatig gehouden diersoorten, de aanwezige diersoort(en) binnen een veehouderij; Niet van toepassing 5. Geitenhouderij binnen een straal van 2 kilometer van een gevoelige bestemming; of pluimveebedrijven binnen een straal van 1 kilometer van een gevoelige bestemming; of overige veehouderijen binnen een straal van 250 meter liggen woon- of verblijfsruimten van derden; Op circa 1200 meter ten noorden van het plan is een geitenhouderij gelegen. Het adres van de geitenhouderij is Meerstraat 29 (Bron: Web BVB-Brabant). 6. De aanwezigheid van mestbe- en verwerking; Niet van toepassing 7. Ongerustheid bij omwonenden Niet aanwezig Conclusie De gemeente Bernheze zal een afweging moeten maken of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico en of om deze reden aanvullend advies van de GGD moet worden gevraagd.

5.1.10 Hoogspanningslijnen Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat adviseert sinds oktober 2005 om zoveel als redelijkerwijs mogelijk is te voorkomen dat er nieuwe "gevoelige bestemmingen" (woningen, scholen, crèches en kinderopvangplaatsen) binnen de magneetveldzone terecht komen. De magneetveldzone is gedefinieerd als de zone aan weerszijde van een bovengrondse hoogspanningslijn waar het jaargemiddelde magneetveld sterker kan zijn dan 0,4 microtesla. Het RIVM heeft per hoogspanningslijn "indicatieve zones" bepaald, gebaseerd op in de meeste gevallen conservatieve schattingen van de breedte van de magneetveldzone. Ur2d - urban research, development & design - info@ur2d.com

41

NL.IMRO.1721.BPHoofdstr81BHD-va01, Toelichting

De dichtstbijzijnde hoogspanningslijn van 150kV ligt ten zuiden van de Zuid-Willemsvaart, op circa 2 km afstand. De indicatieve zone voor 150 kV lijnen bedraagt 100 meter aan beide zijden. De uitbreidingslocatie ligt op aanzienlijk grotere afstand van deze indicatieve zone. Conclusie Het aspect hoogspanningslijnen is niet relevant voor de ontwikkeling.

Ur2d - urban research, development & design - info@ur2d.com

42

NL.IMRO.1721.BPHoofdstr81BHD-va01, Toelichting

5.2 Waarden 5.2.1 Archeologische waarden Volgens de Monumentenwet (Art. 38a) is het verplicht om bij vaststelling van een bestemmingsplan en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond, rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten waarden. Basis hiervoor is het archeologisch onderzoek, waarvan de resultaten verwerkt dienen te worden in de toelichting van het bestemmingsplan en waarbij de gewenste omgang met deze waarden wordt geregeld in de planregels en de verbeelding.

Archeologische waardenkaart Bernheze Op basis van de archeologische beleidskaart Bernheze vigeert voor de locatie de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 3. Hieruit blijkt dat archeologische waarden in het geding kunnen zijn. Voorafgaand aan grondwerkzaamheden, zoals in voorliggend geval ten behoeve van de transformatie van het plangebied in een woongebied, kan ten behoeve van het verkrijgen van een omgevingsvergunning hiertoe, een archeologisch onderzoek vereist zijn. Op deze manier worden eventuele archeologische waarden veilig gesteld en is in het kader van voorliggend bestemmingsplan op dit moment geen nader archeologisch onderzoek nodig. Transect b.v. heeft in november 2019 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in een plangebied aan de Hoofdstraat 81 in Heeswijk-Dinther (gemeente Bernheze). Het archeologisch vooronderzoek bestond hier uit een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en een Inventariserend veldonderzoek (IVO). De vraagstelling van deze onderzoeken is het specificeren van de archeologische verwachting van het plangebied en het toetsen en aanvullen van deze verwachting door middel van waarnemingen in het veld. Het onderzoeksrapport is als bijlage 6 opgenomen. De conclusies en aanbevelingen van het onderzoeksrapport zijn hieronder weergegeven.

Ur2d - urban research, development & design - info@ur2d.com

43

NL.IMRO.1721.BPHoofdstr81BHD-va01, Toelichting

De hoge verwachtingswaarde leidt ertoe dat in het plangebied vanaf een diepte van 40 cm – Mv met de aanwezigheid van archeologische resten rekening gehouden moet worden. In het kader van het nieuw op te stellen bestemmingsplan kan de huidige archeologische waarde van het terrein als dubbelbestemming worden overgenomen met inbegrip van de planregels (bodemingrepen vanaf 2500 m2 en dieper dan 40 cm -Mv). In het kader van de planvorming (nieuwbouw van woningen betekent dit dat er (hoogstwaarschijnlijk) een aanvullende onderzoeksinspanning benodigd is om vaststellen of en in hoeverre in de te verstoren delen van het plangebied sprake is van een behoudenswaardige vindplaats (IVO, karterende/waarderende fase). Dit onderzoek kan het beste plaatsvinden met behulp van proefsleuven (IVO-P). Na afloop van dit onderzoek kan worden vastgesteld of er in het plangebied 30 sprake is van een waardevolle vindplaats of niet. Ook kan worden bepaald of er aanvullend onderzoek nodig is en zo ja in welke vorm. Voor een proefsleuvenonderzoek dient de werkwijze te worden vastgelegd in een Programma van Eisen (PvE), dat door de gemeente Bernheze dient te worden beoordeeld en goedgekeurd. De noodzaak van een gravend (vervolg)onderzoek wordt mede bepaald door de aard en diepte van de geplande ingrepen in relatie tot de diepteligging van de archeologische niveaus.

Dit laat ruimte om eventueel aanwezige archeologische resten in te passen op een archeologie vriendelijke manier. Het (beperkt) ophogen van de te bebouwen locaties behoort hier tot de mogelijkheden. Bovenstaande vormt een advies. Op grond van de resultaten van het rapport en het advies zal het bevoegd gezag (de gemeente Bernheze) een selectiebesluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied. Conclusie Vanwege de hoge verwachtingswaarde dient met de aanwezigheid van archeologische resten rekening gehouden te worden. Het bevoegd gezag (de gemeente Bernheze) zal een selectiebesluit moeten nemen hoe om te gaan met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied. Op basis van bovenstaande overweging is door Transect BV een Programma van Eisen voor een proefsleuvenonderzoek opgesteld. Dit programma is als Bijlage 7 toegevoegd.

Ur2d - urban research, development & design - info@ur2d.com

44

NL.IMRO.1721.BPHoofdstr81BHD-va01, Toelichting

5.2.2 Cultuurhistorische waarden De onderhavige locatie ligt achter het lint van de Hoofdstraat, ter hoogte van huisnummer 81B. De locatie is op onderstaande afbeelding, een uitsnede van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de gemeente Bernheze, aangegeven.

Cultuurhistorische waardenkaart Bernheze 2014 Binnen de begrenzing van het plangebied komen op de gemeentelijke Cultuurhistorische Waardenkaart geen objecten van cultuurhistorisch belang voor. Conclusie Er worden geen cultuurhistorische waarden aangetast.

5.2.3 Flora en Fauna In Nederland is de bescherming van natuurwaarden sinds 1 januari 2017 geregeld in de Wet natuurbescherming. Deze wet regelt de bescherming van soorten, gebieden en houtopstanden en vervangt daarmee de Flora- en faunawet, Natuurbeschermingswet 1998 en Boswet. Daarnaast geldt per provincie beleid voor de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genoemd). Deze toets Flora en Fauna is gericht op soortbescherming. Vanwege de lokale aard van de voorgenomen werkzaamheden binnen de bebouwde kom van Heeswijk-Dinther, is gebiedsbescherming niet van toepassing. De delen over bescherming van gebieden en houtopstanden uit de Wet natuurbescherming en het beleid voor het NNN worden daarom buiten beschouwing gelaten.In verband met de voorliggende ontwikkeling is door Staro BV een toets flora en fauna uitgevoerd (projectnummer 17-0176 rapportdatum 16 juni 2017). Door middel van de toets wordt in beeld gebracht of de ontwikkeling in strijd is met de natuurwetgeving en hoe eventuele strijdigheid met de wet voorkomen kan worden. Conclusies en aanbevelingen uit het rapport zijn hieronder weergegeven. Het rapport is als bijlage 8 toegevoegd.

Ur2d - urban research, development & design - info@ur2d.com

45

NL.IMRO.1721.BPHoofdstr81BHD-va01, Toelichting

Uit het onderzoek blijkt dat in het plangebied de aanwezigheid van beschermde soorten planten, reptielen, vlinders, libellen, vissen, kevers en slakken kan worden uitgesloten. Het plangebied is geschikt als broed- en foerageergebied voor algemene vogelsoorten. Negatieve effecten hierop zijn redelijkerwijs uit te sluiten; in de directe omgeving van het plangebied is en blijft voldoende geschikt alternatief foerageer- en broedgebied aanwezig. Door bomen, struiken en gebouwen met nesten buiten het broedseizoen van vogels te verwijderen/snoeien/slopen wordt voorkomen dat negatieve effecten zullen optreden ten aanzien van algemeen voorkomende vogelsoorten. Het broedseizoen loopt globaal van half maart tot en met juli. In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen echter geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Het plangebied vormt mogelijk onderdeel van het grotere foerageergebied van kerkuil, steenuil en/of bosuil. Aangezien het plangebied geen essentieel onderdeel betreft, er zijn ruim voldoende alternatieve foerageergebieden aanwezig in de omgeving, zijn effecten op foerageergebied van kerkuil, bosuil en/of steenuil uit te sluiten. Het plangebied is geschikt als foerageergebied van vleermuizen.

Doordat in de omgeving voldoende geschikt foerageergebied beschikbaar blijft, hebben de ontwikkelingen geen negatief effect tot gevolg ten aanzien van het foerageergebied van vleermuizen. De gebouwen bieden mogelijkheden voor verblijfplaatsen van vleermuizen. Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn het gehele jaar strikt beschermd. Indien verblijfplaatsen aanwezig zijn, zal sloop van het pand leiden tot een overtreding van de Wet natuurbescherming. Nader onderzoek moet uitwijzen of daadwerkelijk verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. Dit onderzoek dient te worden uitgevoerd volgens de richtlijnen van het geldende Vleermuisprotocol en zal een doorlooptijd hebben van half mei tot en met eind september. Mogelijk functioneert het plangebied als (onderdeel van het) leefgebied van algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren van §3.3 wn, zoals egel en algemene muizensoorten. Voor deze soorten van §3.3 wn geldt in provincie Noord-Brabant in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen een algehele vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Het is zodoende niet noodzakelijk mitigerende maatregelen te nemen. Er kan niet worden uitgesloten dat de bosschage binnen het plangebied onderdeel uitmaakt van het grotere foerageergebied van das en bunzing.

Het is redelijkerwijs uit te sluiten dat het plangebied essentieel onderdeel van het foerageergebied voor deze soorten vormt; effecten op foerageergebied van das en/of bunzing zijn uit te sluiten. Mogelijk komt in het plangebied een enkel individu voor van de algemene amfibiesoort bruine kikker, gewone pad, bastaardkikker en/of kleine watersalamander. (§3.3 wn). Voor deze soorten geldt in Noord-Brabant in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen een algehele vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Het is zodoende niet noodzakelijk mitigerende maatregelen te nemen. Het struweel en de bosschage in het plangebied is geschikt als landhabitat voor de Alpenwatersalamander (§3.3 wn). Het kan niet worden uitgesloten dat de alpenwatersalamander hier voorkomt. Werkzaamheden aan die delen van het plangebied die niet verhard zijn kunnen negatieve effecten hebben op het voorkomen van de alpenwatersalamander. De Alpenwatersalamander is een soort van tabel 2 van de voormalige Flora- en faunawet. Onder de Wet natuurbescherming mag voor deze soorten gebruik worden gemaakt van een goedgekeurde gedragscode. In dit geval dient gewerkt te worden volgens de gedragscode flora en fauna voor Ruimtelijke ontwikkeling en inrichting Ur2d - urban research, development & design - info@ur2d.com

46

NL.IMRO.1721.BPHoofdstr81BHD-va01, Toelichting

van de Vereniging Stadswerk Nederland.Voor het zorgvuldig handelen dient de volgende periode en werkwijze te worden gehanteerd: ● Het uitvoeren van graafwerkzaamheden, en het verwijderen van het houtafval, vindt plaats in de periode buiten de overwinteringsperiode van deze soort. Dit betekent dat deze werkzaamheden mogen worden uitgevoerd in de periode half april tot half oktober. ● Voortplantingswateren mogen tijdens het voortplantingsseizoen (medio februari – mei) niet worden gedempt. Conclusie De gebouwen bieden mogelijkheden voor verblijfplaatsen van vleermuizen. Nader onderzoek moet uitwijzen of daadwerkelijk verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. Dit onderzoek dient te worden uitgevoerd volgens de richtlijnen van het geldende Vleermuisprotocol. Voor het overige zijn er in het kader van de Wet natuurbescherming bij naleving van goedgekeurde gedragscodes geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. Vervolgonderzoek In verband met de te slopen bebouwing aan de Hoofdstraat 81 in Heeswijk‐Dinther heeft Econatura uit Diepenveen een onderzoek naar het voorkomen van vleermuizen op het betreffende perceel (projectnummer 2019‐038, rapportdatum 23 september 2019). Het onderzoek volgt op een ecologisch quickscan onderzoek uitgevoerd door STARO in 2017 (Huisen, 2017) waarin de mogelijkheid tot voorkomen van vleermuizen met nader onderzoek is gemotiveerd.

Het onderzoek behelst specifiek het volgende: Het aantonen of goed gemotiveerd uitsluiten van vleermuizen en andere beschermde natuurwaarden binnen het aangegeven plan‐ of ingreep gebied en de invloedsfeer daarvan, middels gericht en standaard onderzoek naar deze soorten. Dit in het licht van de Wet natuurbescherming en de Omgevingsvergunning (Wabo). Winterverblijfplaatsen voor vleermuizen zijn hier onwaarschijnlijk gezien de verlatenheid aan gebouwen (zonder verwarming), gebrek aan klimaatstabiele ruimte nodig voor winterslaap en het gebrek aan vleermuizen in de zomerperiode. Tijdens het onderzoek is tevens gelet op andere beschermde soorten ter actualisatie. Naast het zeer mogelijk voorkomen van algemene broedende tuin‐ en struweelvogels zijn geen aandachtssoorten waargenomen of op basis van sporen geregistreerd; waaronder mogelijk huismus, spreeuw, steenuil en steenmarter. Conclusies en aanbevelingen uit het rapport zijn hieronder weergegeven. Het rapport is als bijlage 9 aan onderhavig plan toegevoegd.

Op basis van voorgaand ecologisch onderzoek (Huisen 2017) en het onderhavige vleermuisonderzoek kan betrouwbaar worden geconcludeerd dat de transformatie van het perceel aan de Hoofdstraat 81 in Heeswijk‐Dinther op basis van de huidige gegevens (zomer 2019) geen negatieve effecten zal uitoefenen op de vaste rust‐ en verblijfplaatsen van beschermde vleermuizen of andere beschermde soorten, mits ook aan de voorwaarden beschreven in het onderzoek van Staro BV (2017) met zorg voor broedvogels wordt voldaan; namelijk buiten de broedtijd te werken. In dat geval zijn geen ecologische bezwaren in het licht van de Wet natuurbescherming aan te dragen. Conclusie

Ur2d - urban research, development & design - info@ur2d.com

47

NL.IMRO.1721.BPHoofdstr81BHD-va01, Toelichting

In het kader van de Wet natuurbescherming zijn er bij naleving van goedgekeurde gedragscodes geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. Gebiedsbescherming Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet de gemeente beoordelen of het plan significante gevolgen kan hebben voor Natura-2000 gebieden. De voorgenomen ontwikkeling van 19 woningen aan de Hoofdstraat 81B te Heeswijk-Dinther kan leiden tot een toename van de stikstofuitstoot en daarmee tot een depositietoename ter plaatse van stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden. Op de locatie zal ca. 1500 m2 oude bebouwing gesloopt worden en ca 1700 m2 asfaltverharding worden verwijderd. Nadat de locatie bouwrijp gemaakt is worden op deze locatie 19 woningen gerealiseerd. De toename van stikstof kan het gevolg zijn van de bouwwerkzaamheden tijdens de sloop van de oude gebouwen, de aanleg van de infrastructuur en de realisatie van de woningen. Na het gereedkomen van de woningen kan ook het gebruik leiden tot een toename van de stikstofdepositie. Toename van de stikstofuitstoot (NOx) kan ontstaan door het gebruik van mobiele werktuigen/machines met verbrandingsmotoren en de verkeersbewegingen van en naar de locatie tijdens de realisatie (bouw) en het gebruik. Door Aehlmans is een stikstofonderzoek uitgevoerd, gericht op de realisatie en gebruiksfase van de nieuwe woningen.

De conclusies uit het rapport zijn hieronder weergegeven, het rapport (M202684.001 dd. 28 mei 2020) is als bijlage 10 toegevoegd. Conclusie Op basis van de resultaten van de berekeningen (0.00 mol/ha/j.) kan met zekerheid worden geconcludeerd dat zowel voor de realisatiefase als de gebruiksfase negatieve effecten op instandhoudingsdoelen van de Natura2000-gebieden kunnen worden uitgesloten.Ook andere negatieve effecten (bv verstoring, verdroging etc.) zijn vanwege het voorgenomen gebruik, de ligging en afstand (> 1 km.) tot het Natura2000-gebied met zekerheid uit te sluiten. Deze uitkomsten geven derhalve geen aanleiding een Wnb-vergunning aan te vragen of een verklaring van geen bedenkingen te vragen vanwege mogelijke effecten op N2000-gebieden. Daarmee is het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen van de 19 woningen te Heeswijk-Dinther zonder meer mogelijk.

Ur2d - urban research, development & design - info@ur2d.com

48

NL.IMRO.1721.BPHoofdstr81BHD-va01, Toelichting

5.3 Waterparagraaf De onderhavige locatie ligt in het beheergebied van Waterschap Aa en Maas. Bij een ruimtelijke ontwikkeling die gevolgen heeft voor het bestaande watersysteem is een watertoets vereist. Deze watertoets draagt bij aan een juiste afweging van de waterbelangen van een plan. De waterparagraaf beschrijft de bestaande en de toekomstige waterhuishoudkundige situatie van oppervlaktewater, grondwater, hemelwater en afvalwater.

5.3.1 Waterhuishoudkundige situatie De Keur Waterschappen hebben op basis van artikel 59 lid 1 en artikel 78 lid 1 Waterschapswet een verordenende bevoegdheid. De beheerverordening van waterschappen wordt Keur genoemd. Deze bevoegdheid is beperkt tot de specifiek opgedragen taak. In de Keur staan de regels (met name geboden en verboden) die een waterschap hanteert bij de bescherming van onder andere waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Deze regels voorkomen dat dijken en oevers beschadigen. Ook zijn er regels voor het onderhoud van sloten, beken, rivieren en andere waterlopen om de waterafvoer in dit oppervlaktewater te waarborgen. De legger(s) van waterschappen geeft aan waar de Keur van toepassing is. In de legger zijn de waterstaatswerken (ligging, vorm, afmeting en constructie) binnen het gebied van het waterschap opgenomen. Waterbeheerplan 2016-2021 In het Waterbeheerplan (WBP) worden de doelstellingen beschreven die het Waterschap Aa en Maas nastreeft in de periode 2016 - 2021 en hoe deze doelstellingen gehaald gaan worden. Hierdoor weten zowel de inwoners van het beheergebied als de partners van het Aa en Maas wat ze van het waterschap mogen verwachten.

Met dit plan wordt invulling gegeven aan de verplichting vanuit de Waterwet en de Verordening De doelen op hoofdlijnen ● Via optimaal beheer en onderhoud de huidige dienstverlening in stand houden; ● Een veilig en bewoonbaar beheergebied; ● Voldoende water en een robuust watersysteem; ● Schoon water; ● Gezond en natuurlijk water;

5.3.2 Uitgangspunten watertoets waterschap Aa en Maas Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, hanteert het waterschap een aantal uitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient de initiatiefnemer hier invulling aan te geven:

●

Wateroverlastvrij bestemmen.

Ur2d - urban research, development & design - info@ur2d.com

49

NL.IMRO.1721.BPHoofdstr81BHD-va01, Toelichting

●

●

●

●

●

●

●

Bij de locatiekeuze voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met de norm uit het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW). In eerste instantie zal bij de locatiekeuze van een ontwikkeling gezocht moeten worden naar een plek ‘die hoog en droog genoeg’ is. Mocht dit echter niet mogelijk of wenselijk zijn, dan zal in de compenserende of mitigerende sfeer gezocht moeten worden naar maatregelen die het gewenste beschermingsniveau tegen wateroverlast helpen realiseren. Gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater. Het streefbeeld is het afvoeren van het vuile water via de riolering en het binnen het plangebied verwerken van het schone hemelwater. Doorlopen van de afwegingsstappen: “hergebruik - infiltratie - buffering -afvoer”. In aansluiting op het landelijke beleid (NW4, WB21) hanteert het waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht dient te worden hoe omgegaan kan worden met het schone hemelwater. Hierbij worden de afwegingsstappen “hergebruik - infiltratie - buffering - afvoer” (afgeleid van de trits “vasthouden - bergen - afvoeren”) doorlopen. Hydrologisch neutraal ontwikkelen. Nieuwe ontwikkelingen dienen te voldoen aan het principe van hydrologisch neutraal ontwikkelen, waarbij de hydrologische situatie minimaal gelijk moet blijven aan de uitgangssituatie.

Hierbij mag de natuurlijke GHG (Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand) niet verlaagd worden. Water als kans ”Water” wordt door stedenbouwkundigen bij inrichtingsvraagstukken vaak benaderd als een probleem (“er moet ook ruimte voor water gecreëerd worden, en m2 zijn duur”). Dat is erg jammer, want “water” kan ook een meerwaarde geven aan het plan, bijvoorbeeld door gebruik te maken van de belevingswaarde van water. Meervoudig ruimtegebruik. “Er moet ruimte voor water gecreëerd worden, en m2 zijn duur”. Maar door bij de inrichting van een plangebied ruimte voor twee of meer doeleinden te gebruiken, is het “verlies” van m2 als gevolg van de toegenomen ruimtevraag vanuit water te beperken. Voorkomen van vervuiling Bij de inrichting, het bouwen en het beheer van gebieden wordt het milieu belast. Vanuit zijn wettelijke taak ten aanzien van het waterkwaliteitsbeheer streeft het waterschap ernaar om nieuwe bronnen van verontreiniging zoveel mogelijk te voorkomen. Waterschapsbelangen Er zijn ‘waterschapsbelangen’ met een ruimtelijke component. Dit betreft het volgende: ● ruimteclaims voor waterberging; ● ruimteclaims voor de aanleg van natte EVZ’s en beekherstel; ● aanwezigheid en ligging watersysteem; ● aanwezigheid en ligging waterkeringen; ● aanwezigheid en ligging van infrastructuur en ruimteclaims tbv de afvalwaterketen in beheer van het waterschap.

Indien deze belangen een rol spelen in het ruimtelijke plan dan zou hieraan in de toelichting, de voorschriften en de plankaart aandacht besteed moeten worden.

Ur2d - urban research, development & design - info@ur2d.com

50

NL.IMRO.1721.BPHoofdstr81BHD-va01, Toelichting

5.3.3 Waterhuishoudkundige situatie Bodemopbouw en grondwater Vanaf maaiveld tot circa 23,7 m-mv bestaat de bodem uit de formatie van Boxtel (zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit midden en fijn zand, weinig zandige klei en grof zand). Hieronder is de formatie van Beegden (zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit grof zand, grind en midden zand, weinig zandige klei en fijn zand) aanwezig. Volgens opgave van de provincie Noord-Brabant ligt het onderzoeksgebied niet in een waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied of boringvrije zone. De grondwatersituatie kan worden aangeduid met grondwatertrap VI. Dat houdt in dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) kan voorkomen op een diepte vanaf circa 80 cm beneden maaiveld en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) vanaf ca. 180 cm beneden maaiveld (bron: bodematlas provincie Noord-Brabant). De bodem en hydrologische situatie biedt mogelijkheden voor infiltratie. Oppervlaktewater Binnen de uitbreidingslocatie is geen oppervlaktewater aanwezig. Waterschapsbelang In de nabijheid of in de uitbreidingslocatie zijn geen waterkeringen of waterbergingen aanwezig. De locatie ligt niet in een waterwingebied. Watertoets Uit de digitale watertoets blijkt dat het ruimtelijk plan onder de korte procedure valt. De toename van de verharding en/of -afkoppeling is minder dan 500 m².

Feitelijk is er een afname van het verhard oppervlak. Het plangebied valt buiten de ruimtelijk begrensde waterbelangen, zoals opgenomen in de Keur van het waterschap Aa en Maas. Bergingscapaciteit Voor de berekening van de vereiste waterbuffering zijn de volgende uitgangspunten van toepassing: ● Het totaal verhard oppervlak binnen het plangebied bedraagt 3.000m², bestaande uit 1.360m² infrastructuur, 1.350m² nieuw dakvlak en 290m² verhardingen en inritten bij de woningen. ● De totaal benodigde waterbuffer bedraagt 180m³, (3.000m² verhard oppervlak x 60mm/m² De gegevens van de grondwaterstand ten opzichte van het maaiveld zijn overgenomen uit de veldmetingen van onderzoeksbureau Milon ten behoeve van het Verkennend bodem- en asbest en asfaltonderzoek ● Gezien het (veel) lager gelegen Aa-dal aan de zuidzijde van het project zal het (grond)water door natuurlijk verhang zijn weg vinden. ● Voor de berekening van het waterbuffer wordt, op basis van de gegevens van de peilbuizen van bovengenoemd onderzoek, aangenomen dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) 6,50m +NAP is; ● Het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) laat zien dat het het terrein vanaf de Hoofdstraat naar het Aadal van +/- 8,10m +NAP naar +/- 7,30m +NAP afloopt. Er is dus een verloop van 0,80m.

Om te zorgen voor een goede waterhuishouding zal aandachtig gekeken moeten worden naar de peilhoogtes van de te bouwen woningen. Ook moet rekening worden gehouden met de aangrenzende percelen.

Ur2d - urban research, development & design - info@ur2d.com

51

NL.IMRO.1721.BPHoofdstr81BHD-va01, Toelichting

●

Voor de berekening van het waterbuffer wordt voor de peilhoogte van de woningen +/- 8,00m +NAP aangehouden. Echter adviseert het waterschap om een bouwpeilhoogte aan te houden van +8.50 NAP ter voorkoming van wateroverlast en inundatie bij hoogwater vanuit de rivier de Aa. Hierbij kan worden overwogen ruimte over te houden om een kade-tje aan de randen van de tuinen aan te leggen. Het HWA hoofdriool van dit plan krijgt een gereduceerde afvoer richting het nieuwe HWA hoofdriool van Gemeente Bernheze aan de Hoofdstraat (Traverse). Daarnaast komt ook hier een overstort voor extreme situaties.

De waterbuffer wordt in drie onderdelen verdeeld: ● Buffer 1: het HWA hoofdriool, met een capaciteit van 40m³, uitgaande van een betonbuis Ø500mm en totale lengte van 160m¹ plus inspectieputten.; ● Buffer 2: infiltratievoorzieningen op eigen terrein, bij de vrijstaande woningen 3 x 18m³ en bij de tweekappers (totaal 4 woningen) 2 x 8m³, totaal 70m³. Vanwege de te beperkte ruimte worden bij de rijwoningen geen infiltratievoorzieningen gerealiseerd. ● Buffer 3: verlaagd aanleggen zuidelijke openbare groenzone met een capaciteit van 70m³ ( 350m² x gemiddeld 0,2m). De gezamenlijke capaciteit van deze drie buffers bedraagt (40+70+70)=180m³ en voldoet daarmee aan de vereiste waterbuffering voor het project. Afvalwater Het afvalwater wordt afgevoerd naar het gemengd rioolstelsel aan de ten noorden van het plangebied gelegen Hoofdstraat. Conclusie Vanwege de toename van het verhard oppervlak zijn compenserende maatregelen vereist. De locatie biedt voldoende ruimte om deze voorzieningen te realiseren.

Ur2d - urban research, development & design - info@ur2d.com

52

NL.IMRO.1721.BPHoofdstr81BHD-va01, Toelichting

6 Financiële aspecten 6.1 Economische haalbaarheid Het plan betreft een particulier initiatief, waarvan alle kosten en risico's voor rekening van de initiatiefnemer komen. Dat geldt ook voor mogelijke planschadevergoedingen waaromtrent een verhaalovereenkomst met de gemeente is gesloten. Het plan wordt economisch uitvoerbaar geacht.

6.2 Kostenverhaal De gemeente en de grondeigenaar hebben een anterieure overeenkomst gesloten, waarin afspraken zijn gemaakt over het kostenverhaal conform artikel 6.12 Wro. Het kostenverhaal is derhalve 'anderszins' verzekerd. Het opstellen van een exploitatieplan is dus niet vereist.

Ur2d - urban research, development & design - info@ur2d.com

53

NL.IMRO.1721.BPHoofdstr81BHD-va01, Toelichting

7 Juridische aspecten 7.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt toegelicht op welke wijze het plan juridisch is vertaald. Deze juridische vertaling is bindend. Het bestemmingsplan bestaat uit: ●

de toelichting

●

de planregels

●

de verbeelding

De toelichting heeft geen juridisch bindende werking. De toelichting dient als onderbouwing van het plan en verklaring van de bestemmingen en planregels, in het bijzonder ten aanzien van de regels inzake nadere eisen en afwijkingen. Het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de planregels. De planregels bevatten de juridische regels voor gebruik van de gronden, de toegelaten bebouwing en het gebruik van aanwezige dan wel op te richten bouwwerken. De verbeelding geeft de geografische ligging van de bestemmingen en aanduidingen weer.

7.2 Planregels De indeling van de planregels is als volgt. Hoofdstuk 1 Inleidende regels Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Hoofdstuk 3 Algemene regels Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels Begrippen (artikel 1) In dit artikel zijn de begrippen die in de planregels worden gehanteerd gedefinieerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Wijze van meten (artikel 2) In dit artikel is aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels De standaard opbouw van de bestemmingsregels conform de SVBP2012 betreft: ● Bestemmingsomschrijving ● Bouwregels ● Nadere eisen ● Afwijken van de bouwregels ● Specifieke gebruiksregels ● Afwijken van de gebruiksregels ● Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

Ur2d - urban research, development & design - info@ur2d.com

54

NL.IMRO.1721.BPHoofdstr81BHD-va01, Toelichting

Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk Wijzigingsbevoegdheid Per bestemming kunnen onderdelen, voor zover niet relevant, ontbreken.In dit bestemmingsplan zijn de volgende bestemmingen opgenomen: ● ●

Artikel 3 Groen Deze bestemmingen regelt het openbare gebied en de plantsoenen. Gebouwen zijn niet toegestaan. Artikel 4 Verkeer Deze bestemmingen regelt de verkeers- en parkeervoorzieningen. Gebouwen zijn niet toegestaan. Artikel 5 Wonen De bestemming Wonen is toegekend aan alle woningen in het plangebied met de daarbij behorende tuinen en erven. Er wordt gebruik gemaakt van drie woningtypen: twee-aan-een, aaneengebouwd en vrijstaand. Aan huis verbonden beroepen zijn ook toegestaan. In de bouwregels wordt een onderscheid gemaakt tussen hoofdgebouw, bijgebouwen en carports. Deze begrippen worden nader omschreven in artikel 1 Begrippen. Het hoofdgebouw moet worden gebouwd binnen het bouwvlak. De bijgebouwen mogen ook daarbuiten staan, maar moeten wel voldoen aan diverse situeringseisen. Ook zijn diverse hoogte- en oppervlaktematen voorgeschreven. Artikel 6 Dubbelbestemming Waarde-Archeologie-3 Deze bestemming beschermd eventueel aanwezige archeologische waarden. Artikel 7 Waterstaat, Natte Natuurparel bufferzone Deze dubbelbestemming is toegekend ter bescherming van de ten zuidwesten van HeeswijkDinther gelegen natte natuurparel.

Hoofdstuk 3 Algemene regels Anti-dubbeltelregel (artikel 8) Gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor bouwen hebben gediend, kunnen niet nogmaals als zodanig ingezet worden. Algemene bouwregels (artikel 9) Regels ten aanzien van afwijkende bestaande bebouwing en ondergeschikte bouwdelen. Algemene gebruiksregels (artikel 10) Dit artikel bevat regels over strijdig gebruik en regels over het aantal parkeerplaatsen. Algemene afwijkingsregels (artikel 11 ) Dit artikel bevat een aantal algemene afwijkingsmogelijkheden en bijbehorende criteria. Overige regels (artikel 12) In dit artikel wordt de aanvullende werking van de bouwverordening, zoals bedoeld in artikel 9 lid 2 van de Woningwet, uitgesloten. Ur2d - urban research, development & design - info@ur2d.com

55

NL.IMRO.1721.BPHoofdstr81BHD-va01, Toelichting

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Overgangsrecht (artikel 13) Voor volgens de regels afwijkende bestaande bebouwing is voor de omvang, het onderhoud en de herbouw een overgangsregel opgenomen. Het gebruik van de bebouwing daarentegen wordt indien mogelijk positief bestemd of indien noodzakelijk door handhaving aan de gebruiksregels van de betreffende bestemming aangepast. Slotregel (artikel 14) In dit artikel staat de naam waaronder de regels van dit bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.

Ur2d - urban research, development & design - info@ur2d.com

56

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=787494ea-19bf-43ed-a64e-492ba7b9a27a