CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

Vaststellen bestemmingsplan 'Hoofdstraat 81b, Heeswijk-Dinther' - Bijlage 8 bij toelichting

Commissie Ruimtelijke Zaken 21 september 2022, gemeente BernhezeBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Hoofdstraat 81b, Heeswijk-Dinther4.059 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Toets flora en fauna Hoofdstraat 81 te Heeswijk-Dinther Datum

: 16 juni 2017

Projectnummer

: 17-0176

Opdrachtgever

: Van Grunsven Ontwikkeling

Veldwerk

: L. Hulsen

Opgesteld door

: L. Hulsen

Kwaliteitscontrole

: N. Arts

1

Inleiding

1.1 Aanleiding Initiatiefnemer is voornemens de gebouwen op de locatie Hoofdstraat 81 te Heeswijk-Dinther te slopen en nieuwe woningen te realiseren. In verband met de planologische procedure is het noodzakelijk een toets flora en fauna uit te voeren. Door middel van de toets wordt in beeld gebracht of de ontwikkeling in strijd is met de natuurwetgeving en hoe eventuele strijdigheid met de wet voorkomen kan worden. 1.2 Doel Doel van het onderliggende onderzoek is te bepalen of de wijzigingen binnen het plangebied mogelijk leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Het in deze rapportage beschreven onderzoek heeft tot doel het vaststellen van de (mogelijke) aanwezigheid van beschermde soorten die zijn opgenomen in de soortlijsten van beschermde flora en fauna in het kader van de Wet natuurbescherming. Op basis van dit onderzoek kan worden vastgesteld welke maatregelen getroffen en vervolgstappen genomen dienen te worden om te voorkomen dat in strijd met de Wet natuurbescherming wordt gehandeld.

2

Wettelijk kader

In Nederland is de bescherming van natuurwaarden sinds 1 januari 2017 geregeld in de Wet natuurbescherming. Deze wet regelt de bescherming van soorten, gebieden en houtopstanden en vervangt daarmee de Flora- en faunawet, Natuurbeschermingswet 1998 en Boswet. Daarnaast geldt per provincie beleid voor de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genoemd). Deze toets flora en fauna is gericht op soortbescherming. Vanwege de lokale aard van de voorgenomen werkzaamheden binnen de bebouwde kom van Heeswijk-Dinther, is gebiedsbescherming niet van toepassing. De delen over bescherming van gebieden en houtopstanden uit de Wet natuurbescherming en het beleid voor het NNN worden daarom buiten beschouwing gelaten. 2.1 Soortbescherming Op het gebied van soortbescherming is het uitgangspunt van de Wet natuurbescherming dat geen schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan; het ‘nee, tenzij-principe’.

De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. De Wet natuurbescherming kent de volgende drie categorieën beschermde soorten: 1. Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels beschermd volgens het beschermingsregime van de Europese Vogelrichtlijn, §3.1 wn; 2. Soorten, niet vogels zijnde, van de Europese Habitatrichtlijn bijlage IV onderdeel a, het Verdrag van Bern bijlage II en het Verdrag van Bonn bijlage I, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt, §3.2 wn; 3. ‘Andere soorten’, waaronder soorten die vanuit nationaal oogpunt bescherming behoeven, §3.3 wn. De drie beschermingsregimes kennen elk hun eigen verbodsbepalingen. De verbodsbepalingen voor vogels en overige Europese soorten (categorie 1 en 2) zijn letterlijk overgenomen uit respectievelijk de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn.

Voor de andere, ‘nationaal’ beschermde soorten (categorie 3) gelden verbodsbepalingen die geïnspireerd zijn op de Habitatrichtlijn, maar in sommige opzichten minder streng zijn. In tabel 1 zijn de verbodsbepalingen per regime weergegeven. Tabel 1. Verbodsbepalingen per categorie beschermde soorten Categorie 1 (§ 3.1 Wn)

Categorie 2 (§ 3.2 Wn)

Categorie 3 (§ 3.3 Wn)

Art 3.1 lid 1

Art 3.5 lid 1

Art 3.10 lid 1a

Het is verboden in het wild levende

Het is verboden soorten in hun

Het is verboden soorten opzettelijk te

vogels opzettelijk te doden of te

natuurlijke verspreidingsgebied

doden of te vangen

vangen

opzettelijk te doden of te vangen

Art 3.1 lid 2

Art 3.5 lid 4

Art 3.10 lid 1b

Het is verboden opzettelijk nesten,

Het is verboden de

Het is verboden de vaste

rustplaatsen en eieren van vogels te

voortplantingsplaatsen of rustplaatsen

voortplantingsplaatsen of rustplaatsen

vernielen of te beschadigen, of nesten

van dieren te beschadigen of te

van dieren opzettelijk te beschadigen

van vogels weg te nemen

vernielen

of te vernielen

Art 3.1 lid 3

Art. 3.5 lid 3

-

Het is verboden eieren te rapen en

Het is verboden eieren van dieren in de

deze onder zich te hebben

natuur opzettelijk te vernielen of te rapen

Art 3.1 lid 4 en lid 5

Art 3.5 lid 2

Het is verboden vogels opzettelijk te

Het is verboden dieren opzettelijk te

storen, tenzij de storing niet van

verstoren

-

wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort -

Art 3.5 lid 5

Art 3.10 lid 1c

Het is verboden plantensoorten in hun

Het is verboden plantensoorten in hun

natuurlijke verspreidingsgebied

natuurlijke verspreidingsgebied

opzettelijk te plukken en te verzamelen,

opzettelijk te plukken en te verzamelen,

af te snijden, te ontwortelen of te

af te snijden, te ontwortelen of te

vernielen

vernielen

Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een ontheffing of vrijstelling moet aan drie criteria zijn voldaan:

2 van 12

+ +

+

Er mag alleen van de verbodsbepalingen worden afgeweken als er geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk is; Er moet sprake zijn van een in de wet genoemd belang. De wet geeft voor de verschillende beschermingsregimes aan wat die belangen zijn, zoals ruimtelijke ontwikkeling, volksgezondheid of openbare veiligheid; Er mag geen afbreuk worden gedaan aan de staat van instandhouding van de soort.

Als aan deze drie vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen is bovendien vrijstelling mogelijk, bijvoorbeeld in de vorm van een provinciale verordening of een gedragscode. Zorgplicht Voor alle in het wild levende planten en dieren, ook niet beschermde soorten, kent de Wet natuurbescherming een zorgplicht. De zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Dit betekent dat voorafgaand aan handelingen inzichtelijk moet zijn welke natuurwaarden aanwezig zijn, de kwetsbaarheid hiervan en de mogelijke gevolgen die de handeling hiervoor kan hebben. Bij de uitvoering van de handelingen dienen negatieve gevolgen zoveel mogelijk te worden voorkomen, dan wel beperkt of ongedaan te worden gemaakt. De zorgplicht is altijd van toepassing, ongeacht vrijstelling of ontheffing.

3

Beschrijving plangebied en voorgenomen plannen

Het plangebied ligt aan de rand van de bebouwde kom van Heeswijk-Dinther. Het ligt ten zuidwesten van de kern. In het zuiden grenst het plangebied aan akkerland. Op circa 225 meter ten zuiden van het plangebied bevindt zich waterloop de Aa. Het plangebied betreft de gebouwen met bijbehorende buitenruimte aan de Hoofdstraat 81 te Heeswijk-Dinther. De gebouwen betreffen een woning, bijbehorende schuur, een voormalig winkelpand en een loods in gebruik voor opslag van auto’s. De gebouwen zijn van steen met golfplaten daken. De buitenruimte bestaat uit een verwilderd grasland omgeven door bomen en struiken bestaand uit es, eik, wilg, fijnspar e.d. en een verwilderd stuk grond grenzend aan de schuur. De voorgenomen plannen bestaan uit het slopen van de bestaande bebouwing. Hiervoor in de plaats worden woningen gebouwd. Ten behoeve van de ontsluiting zal een deel van de bomen worden gekapt. In figuur 1 is de ligging van het plangebied in de wijdere omgeving weergegeven. Figuur 2 toont de globale begrenzing van het plangebied. Op pagina 5 en 6 staan enkele foto’s van het plangebied. Figuur 3 geeft de voorgenomen plannen weer.

3 van 12

Figuur 1. Ligging van het plangebied in Heeswijk-Dinther (rode cirkel) (bron: BingMaps)

Figuur 2. Globale begrenzing van het plangebied (rode lijn) (bron: BingMaps)

4 van 12

Foto 1. Loods

Foto 2. Binnenzijde

Foto 3. Voormalig winkelpand

Foto 4. Binnenzijde

Foto 5. Woning

Foto 6. Schuur

Foto 7. Groen grenzend aan schuur

Foto 8. Grasland

5 van 12

Foto 9. Omgevingsfoto zuiden plangebied

Foto 10. Sloot ten zuiden van plangebied

Figuur 3. Voorgenomen plannen

6 van 12

4

Natuurwaarden

In het kader van deze toets flora en fauna heeft een bronnenonderzoek plaatsgevonden. Aan de hand van bekende verspreidingsgegevens uit onder andere verspreidingsatlassen is bepaald welke beschermde soorten in de omgeving van het plangebied voorkomen. Daarnaast heeft een veldbezoek plaatsgevonden. Tijdens het veldbezoek zijn alle op de locatie aanwezige biotopen opgenomen. De aanwezigheid van deze biotopen vormt de basis voor de mogelijkheid tot het voorkomen van beschermde soorten. Naast de biotopen zijn directe en indirecte aanwijzingen opgenomen die duiden op het voorkomen van beschermde soorten. De aanwezige biotopen zijn vergeleken met de habitateisen van beschermde plant- en diersoorten. Op basis van expert judgement is beoordeeld welke van deze soorten in het plangebied kunnen voorkomen. Het veldbezoek dat voor dit onderzoek is uitgevoerd, heeft plaatsgevonden op 16 mei 2017 in de ochtend onder de volgende weersomstandigheden: bewolkt, droog, weinig wind en circa 19 ˚C. 4.1 Flora Tijdens het veldbezoek zijn in het plangebied geen beschermde plantensoorten aangetroffen. In het plangebied zijn alleen algemene planten aangetroffen. Vanwege de voedselrijke kenmerken van het plangebied, het gebruik als parkeerplaats en voormalig weiland, kan het voorkomen van beschermde plantensoorten worden uitgesloten.

4.2 Amfibieën en reptielen Uit de verspreidingskaarten in het boek ‘De amfibieën en reptielen van Nederland’ (Creemers et al. 2009), Waarneming.nl en gegevens van RAVON komen in de omgeving van het plangebied de beschermde amfibiesoorten kamsalamander, poelkikker, rugstreeppad (§3.2 wn), Alpenwatersalamander, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, bastaardkikker (§3.3 wn) en de beschermde reptielsoorten muurhagedis (§3.2 wn) en levendbarende hagedis (§3.3 wn) voor. Door het ontbreken van oppervlaktewater in het plangebied is in het plangebied geen voortplantingsbiotoop voor amfibieën aanwezig. De sloten rondom het plangebied kunnen dienen als voortplantingsgebied voor algemene amfibieënsoorten. Het plangebied is geschikt om te dienen als landbiotoop voor de minder kritische soorten zoals bruine kikker, gewone pad, bastaardkikker en kleine watersalamander. Het voorkomen van deze soorten in het plangebied kan niet worden uitgesloten. De voorgenomen plannen kunnen tijdens de sloop en bouwwerkzaamheden een tijdelijk negatief effect hebben op algemene soorten amfibieën van §3.3 wn. Na de herinrichting zal het plangebied meer geschikt zijn voor deze soorten, door de aanleg van private tuinen en bosschages en vermindering van de oppervlakte verharding.

Voor de bruine kikker, kleine watersalamander, bastaardkikker en gewone pad (§3.3 wn) geldt in de provincie Noord-Brabant in het kader van ruimtelijke ontwikkeling een algehele vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Het is derhalve niet noodzakelijk om mitigerende maatregelen te nemen. De Alpenwatersalamander komt voor in bosachtige gebieden en is niet kieskeurig ten opzichte van water. Het kan dan ook niet uitgesloten worden dat Alpenwatersalamander voorkomt in het plangebied. Het struweel en de bosschage in het plangebied (zoals op foto 7 en 8) is geschikt als landhabitat voor de Alpenwatersalamander (Creemers et al. 2009). Werkzaamheden aan die delen van het plangebied die niet verhard zijn kunnen negatieve effecten hebben op het voorkomen van Alpenwatersalamander. Voor de Alpenwatersalamander geldt geen vrijstelling van de Wet natuurbescherming. De Alpenwatersalamander is een soort van tabel 2 van de voormalige Flora- en faunawet. Onder de Wet natuurbescherming mag voor deze soorten gebruik worden gemaakt van een goedgekeurde

7 van 12

gedragscode. In dit geval dient gewerkt te worden volgens de gedragscode flora en fauna voor de bouw- en ontwikkelsector van Bouwend Nederland en de Vereniging van Nederlandse Projectontwikkeling Maatschappijen NEPROM Bouwend Nederland. Hierin is het volgende opgenomen bij de aanwezigheid van beschermde amfibieën van de voormalige tabel 2 van de Floraen faunawet: + Het uitvoeren van graafwerkzaamheden op locaties waar tabel-2 soorten van de voormalige Floraen faunawet (Alpenwatersalamander) voorkomen, vindt plaats in de periode buiten de overwinteringsperiode van deze soorten. De overwinteringsperiode duurt van 1 november – 15 maart. + Bij snoeien/dunnen in de periode 1 november – 15 maart, worden potentiële verblijfplaatsen in bladhopen en holen, ruimten onder boomstronken et cetera opgespoord en ongemoeid gelaten. + Voortplantingswateren mogen tijdens het voortplantingsseizoen (medio februari – mei) niet worden gedempt. De kamsalamander behoeft water met veel watervegetatie en de soort mijdt akkerbouwgebieden (Creemers et al. 2009). Het landhabitat grenst meestal direct aan het voortplantingswater en bestaat uit een kleinschalig landschap met heggen en struweel. De sloten rond het plangebied (foto 10) hebben dichte algengroei, waarschijnlijk veroorzaakt door bemesting op het aangrenzende weiland. Het kan worden uitgesloten dat de kamsalamander voorkomt in het plangebied.

Volgens de Soortenstandaard Poelkikker (RVO, 2014) komt de poelkikker vooral voor in schoon, stilstaand water en niet bij stromend water. De sloten rond het plangebied (foto 10) bevatten te veel dichte algenpakketten om geschikt te zijn voor poelkikker. Dit in combinatie met de stromende Aa, maakt dat het voorkomen van poelkikker in het plangebied redelijkerwijs kan worden uitgesloten. Rugstreeppad is een pioniersoort, een soort van dynamische milieus. Rugstreeppad heeft goed vergraafbare zandige plekken nodig, evenals bos en ondiepe (tijdelijke) wateren als voortplantingslocatie in de omgeving. Het plangebied voldoet hier niet aan. Uit Creemers et al. (2009) blijkt dat rugstreeppad vrijwel niet voorkomt in beekmilieus. Het voorkomen van rugstreeppad in het plangebied is uit te sluiten. Voor de reptielsoorten muurhagedis en levendbarende hagedis is het plangebied niet geschikt. Muurhagedissen komen nog maar op enkele plaatsen in Nederland voor, met name op oude muren. In de omgeving van het plangebied is muurhagedis waarschijnlijk waargenomen op muren van Kasteel Heeswijk. Levendbarende hagedis komt niet voor in agrarisch gebied en half-natuurlijke graslanden. Aangezien het plangebied hieraan en aan bebouwing grenst kan het voorkomen van levendbarende hagedis in het plangebied redelijkerwijs worden uitgesloten.

4.3 Vogels Het plangebied is geschikt als broedgebied en foerageergebied voor algemene vogelsoorten. Algemene vogelsoorten kunnen broeden in de bomen en struiken in het plangebied. In de lage schuur zijn enkele nesten van algemene vogelsoorten waargenomen, zoals een nest van boeren zwaluw. Binnen de grote loods is een kauwennest aangetroffen, met daarbij een braakbal van een kauw (foto 11, 12 en 13). Tijdens het veldbezoek zijn geen huismussen waargenomen in het plangebied. Wel zijn huismussen gehoord net buiten het plangebied, bij de woning aan het adres Hoofdstraat 77. Het veldbezoek is uitgevoerd in de actieve (broed)periode van huismus. Doordat de huismus tijdens het veldbezoek niet is waargenomen binnen het plangebied, kan de aanwezigheid van nestplaatsen derhalve worden uitgesloten.

8 van 12

Foto 11. Kauwennest

Foto 12. Onder het kauwennest

Foto 13. Braakbal van kauw

Uit gegevens van Telmee.nl blijkt dat gierzwaluwen voorkomen in de omgeving van het plangebied. Deze vogels nestelen onder andere in holtes en spleten in muren en onder dakpannen. Op basis van de bouwkundige constructie van de gebouwen kan het voorkomen van gierzwaluw in het plangebied worden uitgesloten. In de omgeving van het plangebied komt kerkuil, steenuil en bosuil voor (Telmee.nl). Het plangebied vormt mogelijk onderdeel van het grotere foerageergebied van kerkuil, steenuil en/of bosuil. Aangezien het plangebied slechts een klein deel van dit foerageergebied betreft en er ruim voldoende alternatieve foerageergebieden aanwezig zijn in de omgeving, zijn effecten op foerageergebied van kerkuil, bosuil en/of steenuil uit te sluiten. In de nieuwe situatie zal het plangebied even geschikt zijn als onderdeel van het foerageergebied van uilen. Negatieve effecten op broed- en foerageergebied van algemene vogelsoorten zijn redelijkerwijs uit te sluiten; in de directe omgeving van het plangebied is en blijft voldoende geschikt alternatief broed- en foerageergebied aanwezig. Voor vogels geldt dat, indien exemplaren aan het broeden zijn, het verwijderen van bomen, beplanting en bebouwing met nesten niet kan plaatsvinden zonder deze dieren te verstoren. Gedurende het broeden zijn de nesten van vogels en de functionele leefomgeving strikt beschermd.

Door bomen en struiken en gebouwen met nestplaatsen buiten het broedseizoen van vogels te verwijderen/snoeien, wordt voorkomen dat negatieve effecten zullen optreden ten aanzien van algemeen voorkomende vogelsoorten. Het broedseizoen loopt globaal van half maart tot en met juli. In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen echter geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode.

4.4 Zoogdieren Uit het veldbezoek blijkt dat het plangebied voor een aantal algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren geschikt is als leefgebied, zoals egel, konijn, vos en algemene muizensoorten. Mogelijk functioneert het plangebied als (onderdeel van het) leefgebied van deze grondgebonden zoogdieren van §3.3 wn. De voorgenomen werkzaamheden hebben tot gevolg dat een deel van het leefgebied van deze soorten verdwijnt. Voor deze soorten van §3.3 wn geldt in provincie Noord-Brabant in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen een algehele vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Het is zodoende niet noodzakelijk mitigerende maatregelen te nemen. Tijdens het veldbezoek zijn geen (sporen van) meer zeldzame en kritische soorten grondgebonden zoogdieren van §3.2 wn en §3.3 wn in het plangebied waargenomen. In de omgeving komen das en bunzing voor (beide §3.3). Het kan niet worden uitgesloten dat de bosschage binnen het plangebied onderdeel uitmaakt van het grotere foerageergebied van das en bunzing. Het vormt echter geen essentieel onderdeel. Aangezien het plangebied slechts een klein deel van dit foerageergebied betreft, er ruim voldoende alternatieve foerageergebieden aanwezig zijn in de omgeving en er slechts aan een klein deel van de bosschage werkzaamheden zijn voorzien, zijn effecten op foerageergebied van das en/of bunzing uit te sluiten.

9 van 12

Uit de Atlas van de Nederlandse vleermuizen (Limpens et al.1997) en Korsten en Regelink (2010) blijkt dat de soorten gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, watervleermuis, meervleermuis, franjestaart en baardvleermuis (alle §3.2 wn) voorkomen in de wijdere omgeving van het plangebied. Het plangebied is geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. Doordat in de omgeving voldoende geschikt foerageergebied beschikbaar blijft, hebben de ontwikkelingen geen negatief effect tot gevolg ten aanzien van het foerageergebied van vleermuizen. De panden bieden mogelijkheden voor verblijfplaatsen van vleermuizen. Deze dieren kunnen verblijfplaatsen hebben in de spouwmuur, achter boeiboorden, achter loodflappen etc. en hebben voldoende aan kleine spelen en kieren, zoals open stootvoegen en ventilatieopeningen om in weg te kruipen. Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn het gehele jaar strikt beschermd. Indien verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn, zal sloop van het pand leiden tot vernietiging hiervan, wat een overtreding van de verbodsbepalingen (art. 3.5 lid 4 Wet natuurbescherming) tot gevolg heeft. In dat geval dient een ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd en moeten mitigerende (verzachtende) maatregelen worden genomen.

Om te bepalen of daadwerkelijk verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn, is nader onderzoek nodig. Dit onderzoek dient te worden uitgevoerd volgens de richtlijnen van het geldende Vleermuisprotocol en zal een doorlooptijd hebben van half mei tot en met eind september. 4.5 Overige soortgroepen Bevindingen van het veldbezoek tonen aan dat in het plangebied geschikte biotopen ontbreken voor beschermde soorten vissen, vlinders, libellen, slakken en kevers. Het voorkomen van beschermde soorten uit deze soortgroepen kan daarom worden uitgesloten.

5

Conclusie

Uit het onderzoek blijkt dat in het plangebied de aanwezigheid van beschermde soorten planten, reptielen, vlinders, libellen, vissen, kevers en slakken kan worden uitgesloten. Het plangebied is geschikt als broed- en foerageergebied voor algemene vogelsoorten. Negatieve effecten hierop zijn redelijkerwijs uit te sluiten; in de directe omgeving van het plangebied is en blijft voldoende geschikt alternatief foerageer- en broedgebied aanwezig. Door bomen, struiken en gebouwen met nesten buiten het broedseizoen van vogels te verwijderen/snoeien/slopen wordt voorkomen dat negatieve effecten zullen optreden ten aanzien van algemeen voorkomende vogelsoorten. Het broedseizoen loopt globaal van half maart tot en met juli. In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen echter geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Het plangebied vormt mogelijk onderdeel van het grotere foerageergebied van kerkuil, steenuil en/of bosuil. Aangezien het plangebied geen essentieel onderdeel betreft, er zijn ruim voldoende alternatieve foerageergebieden aanwezig in de omgeving, zijn effecten op foerageergebied van kerkuil, bosuil en/of steenuil uit te sluiten. Het plangebied is geschikt als foerageergebied van vleermuizen.

Doordat in de omgeving voldoende geschikt foerageergebied beschikbaar blijft, hebben de ontwikkelingen geen negatief effect tot gevolg ten aanzien van het foerageergebied van vleermuizen. De gebouwen bieden mogelijkheden voor verblijfplaatsen van vleermuizen. Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn het gehele jaar strikt beschermd. Indien verblijfplaatsen aanwezig zijn, zal sloop van het pand leiden tot een overtreding van de Wet natuurbescherming. Nader onderzoek moet uitwijzen of daadwerkelijk verblijfplaatsen van

10 van 12

vleermuizen aanwezig zijn. Dit onderzoek dient te worden uitgevoerd volgens de richtlijnen van het geldende Vleermuisprotocol en zal een doorlooptijd hebben van half mei tot en met eind september. Mogelijk functioneert het plangebied als (onderdeel van het) leefgebied van algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren van §3.3 wn, zoals egel en algemene muizensoorten. Voor deze soorten van §3.3 wn geldt in provincie Noord-Brabant in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen een algehele vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Het is zodoende niet noodzakelijk mitigerende maatregelen te nemen. Er kan niet worden uitgesloten dat de bosschage binnen het plangebied onderdeel uitmaakt van het grotere foerageergebied van das en bunzing. Het is redelijkerwijs uit te sluiten dat het plangebied essentieel onderdeel van het foerageergebied voor deze soorten vormt; effecten op foerageergebied van das en/of bunzing zijn uit te sluiten. Mogelijk komt in het plangebied een enkel individu voor van de algemene amfibiesoort bruine kikker, gewone pad, bastaardkikker en/of kleine watersalamander. (§3.3 wn). Voor deze soorten geldt in Noord-Brabant in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen een algehele vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Het is zodoende niet noodzakelijk mitigerende maatregelen te nemen.

Het struweel en de bosschage in het plangebied is geschikt als landhabitat voor de Alpenwatersalamander (§3.3 wn). Het kan niet worden uitgesloten dat Alpenwatersalamander hier voorkomt. Werkzaamheden aan die delen van het plangebied die niet verhard zijn kunnen negatieve effecten hebben op het voorkomen van Alpenwatersalamander. De Alpenwatersalamander is een soort van tabel 2 van de voormalige Flora- en faunawet. Onder de Wet natuurbescherming mag voor deze soorten gebruik worden gemaakt van een goedgekeurde gedragscode. In dit geval dient gewerkt te worden volgens de gedragscode flora en fauna voor de bouw- en ontwikkelsector van Bouwend Nederland en de Vereniging van Nederlandse Projectontwikkeling Maatschappijen NEPROM Bouwend Nederland. Dit betekent dat graafwerkzaamheden buiten de verharding niet in de overwinteringsperiode (1 november – 15 maart) uitgevoerd mogen worden en dat als er gesnoeid en/of gedund wordt (in de periode 1 november – 15 maart) potentiële verblijfplaatsen opgespoord en ongemoeid gelaten dienen te worden. Tabel 1. Overzicht mogelijk aanwezige en aangetroffen beschermde soorten Soort(groep)

Bescherming

Functie plangebied

Mogelijk

Ontheffing

effect

nodig

Bruine kikker, gewone pad, bastaardkikker en

§3.3 wn

Landhabitat

§3.3 wn

Leefgebied

Ja

kleine watersalamander Egel, konijn, vos en algemene

Ja

Nee, algehele vrijstelling

Nee, algehele vrijstelling

muizensoorten

Maatregelen

-

-

Graafwerkzaamheden buiten de verharding buiten de periode 1

Alpenwatersalamander

§3.3 wn

Landhabitat

Ja

Nee, op

nov – 15 mrt.

voorwaarde

Bij snoeien en dunnen

uitvoeren

binnen de periode 1

maatregelen

nov – 15 mrt verblijfplaatsen opsporen en ongemoeid laten.

11 van 12

Soort(groep)

Bescherming

Functie plangebied

Mogelijk

Ontheffing

Maatregelen

effect

nodig

Das en bunzing

§3.3 wn

Foerageergebied

Nee

-

-

Vleermuizen

§3.2 wn

Foerageergebied

Nee

-

-

Vleermuizen

§3.2 wn

Verblijfplaatsen

Ja

Mogelijk

gedurende de periode

Nee, op

Verwijderen en/of

voorwaarde

snoeien van

uitvoeren

begroeiing buiten het

maatregelen

broedseizoen

-

-

Nader onderzoek

half mei t/m sept. §3.1 wn Vogels

(nest niet

Foerageer- en

jaarrond

broedgebied

Ja

beschermd) Kerkuil, bosuil en steenuil

§3.1 wn (nest jaarrond

Foerageergebied

Nee

beschermd)

Literatuur +

+

+ +

+ + +

+

Bos F., M. Bosveld, D. Groenendijk, C. van Swaay, I. Wynhoff, De Vlinderstichting, 2006. De dagvlinders van Nederland, verspreiding en bescherming (Lepidoptera: Hesperioidea, Papilionoidea). Nederlandse Fauna 7. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Creemers R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie). 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland, Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey Nederland, Leiden. Diepenbeek, A van, 1999. Veldgids Diersporen, Stichting Uitgeverij KNNV, Utrecht Korsten, E. en Regelink J.R. Herkennen van potentiële vleermuiswaarden: in het kader van quickscans en andere ecologisch vooronderzoek. Zoogdiervereniging- rapport 2010.44. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Limpens, H., K. Mostert, W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen, onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Ministerie van Economische Zaken. Brochure: Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen, lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3 december 2016. Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie, 2002. De Nederlandse libellen (Odonata). Nederlandse Fauna 4. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden.

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, december 2014. Soortenstandaard poelkikker, Versie 2.0.

www.vlindernet.nl www.waarneming.nl www.zoogdiervereniging.nl www.libellennet.nl www.eis-nederland.nl www.ravon.nl www.telmee.nl

12 van 12

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=ceca91d9-8efc-461b-b5c2-2913b8cd3779