Vaststellen bestemmingsplan 'Dorpsstraat 11, Loosbroek' - Regels
Tekst van het document
PLANREGELS
INHOUDSOPGAVE 1.
2.
3.
4.
INLEIDENDE REGELS.......................................................................................................................................2 Artikel 1
Begrippen ........................................................................................................................................................................................ 2
Artikel 2
Wijze van meten ......................................................................................................................................................................... 7
BESTEMMINGSREGELS ...................................................................................................................................8 Artikel 3
Agrarisch ......................................................................................................................................................................................... 8
Artikel 4
Bedrijf ............................................................................................................................................................................................ 10
Artikel 5
Groen ............................................................................................................................................................................................ 12
Artikel 6
Tuin ................................................................................................................................................................................................ 13
Artikel 7
Wonen.......................................................................................................................................................................................... 15
Artikel 8
Waarde - Archeologie 1....................................................................................................................................................... 19
Artikel 9
Waarde – Archeologie 2...................................................................................................................................................... 21
Artikel 10
Waarde – Archeologie 3...................................................................................................................................................... 23
Artikel 11
Waterstraat – Beschermingszone watergang ............................................................................................................. 25
ALGEMENE REGELS ...................................................................................................................................... 26 Artikel 12
Anti-dubbeltelbepaling ........................................................................................................................................................... 26
Artikel 13
Algemene bouwregels ........................................................................................................................................................... 27
Artikel 14
Algemene gebruiksregels...................................................................................................................................................... 28
Artikel 15
Algemene aanduidingsregels ............................................................................................................................................... 29
Artikel 16
Algemene afwijkingsregels.................................................................................................................................................... 30
Artikel 17
Uitsluiting aanvullende werking bouwverordening................................................................................................... 31
OVERGANGS- EN SLOTREGELS ............................................................................................................... 32 Artikel 18
Overgangsrecht ........................................................................................................................................................................ 32
Artikel 19
Slotregel........................................................................................................................................................................................ 33
BIJLAGEN Bijlage 1: Staat van Bedrijfsactiviteiten Bijlage 2: Landschappelijk inpassingsplan Dorpsstraat 11
Vastgesteld
1
1.
INLEIDENDE REGELS
Artikel 1 Begrippen 1.1 plan het bestemmingsplan ‘Dorpsstraat 11 Loosbroek’ van de gemeente Bernheze; 1.2 bestemmingsplan de geometrische bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1721.BPDorpsstraat11LBR-vg01 met bijbehorende regels en bijlagen; 1.2 de verbeelding de analoge en digitale voorstelling van de in het bestemmingsplan opgenomen digitale ruimtelijke informatie; 1.3 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.4 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.5 aanduidingsvlak een geometrisch bepaald vlak waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.6 aan huis verbonden beroep een dienstverlenend beroep op zakelijk, maatschappelijk, juridisch, medisch, ontwerptechnisch of kunstzinnig gebied, dat in of bij een woning wordt uitgeoefend door de gebruik(st)er, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is, met dien verstande dat er geen detailhandel is toegestaan met uitzondering van detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit bij de uitoefening van een aan
huis verbonden beroep; 1.7 aan huis verbonden bedrijf een bedrijf dat in een (gedeelte van) of bij een woning wordt uitgeoefend en dat is gericht op het vervaardigen van producten en/of het leveren van diensten, door de gebruik(st)er van de woning, en dat niet krachtens een milieuwet vergunning- of meldingsplichtig is; 1.8 afwijking van de bouwregels en/of de gebruiksregels een afwijking als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder c van de Wet ruimtelijke ordening; 1.9 agrarisch bedrijf een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen (houtteelt daaronder begrepen) en/of het houden van dieren, met daarin onderscheid tussen: a. grondgebonden agrarisch bedrijf, waaronder wordt begrepen een akkerbouw bedrijf en een veehouderij, niet zijnde intensieve veehouderij en waaronder mede begrepen een productiegerichte paardenhouderij en paardenfokkerij; b. intensief veehouderijbedrijf; c. glastuinbouwbedrijf; d. intensieve kwekerij, waaronder een viskwekerij en champignonkwekerij; e. melkveehouderij,
Vastgesteld
2
met dien verstande dat een gebruiksgerichte paardenhouderij (manege) niet als agrarisch bedrijf kan worden aangemerkt; 1.10 agrarisch grondgebruik: de aanwending van open grond ten behoeve van het agrarisch bedrijf; 1.11 ander-werk een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid; 1.12 bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde; 1.13 bebouwingspercentage een in dit plan aangegeven percentage, dat de grootte van het bouwvlak aangeeft, dat maximaal mag worden bebouwd; 1.14 bedrijf een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroepen daaronder niet begrepen; 1.15 bedrijfsgebouw een gebouw dat dient voor de uitoefening van een bedrijf; 1.16 bedrijfswoning een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein noodzakelijk is; 1.17 beperkt kwetsbaar object a. verspreid liggende woningen van derden met een dichtheid van maximaal twee woningen per hectare, dienst- en bedrijfswoningen van derden, sporthallen en -terreinen, zwembaden en speeltuinen; b.
kantoorgebouwen, hotels en restaurants, winkels en bedrijfsgebouwen, voor zover zij niet onder de definitie voor kwetsbare objecten, onder c, vallen; c. kampeerterreinen en terreinen bestemd voor recreatieve doeleinden, voor zover zij niet onder de definitie voor kwetsbare objecten, onder d, vallen; d. objecten die met de onder a en b genoemde gelijkgesteld kunnen worden uit hoofde van de gemiddelde tijd per dag gedurende welke personen daar verblijven, het aantal personen dat daarin doorgaans aanwezig is en de mogelijkheden voor zelfredzaamheid bij een ongeval, voor zover die objecten geen kwetsbare objecten zijn; e. objecten met een hoge infrastructurele waarde, zoals een telefoon- of elektriciteitscentrale of een gebouw met vluchtleidingsapparatuur, voor zover die objecten wegens de aard van de gevaarlijke stoffen die bij een ongeval kunnen vrijkomen, bescherming verdienen tegen de gevolgen van dat ongeval; 1.18 bestaand a. bij bouwwerken: een bouwwerk dat op het moment van inwerkingtreding van het plan bestaat of wordt gebouwd, dan wel nadien kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, waarvoor de aanvraag voor het tijdstip van inwerkingtreding is ingediend, tenzij in de regels anders is bepaald; b.
bij gebruik: het gebruik dat op het moment van inwerkingtreding van het plan bestaat, tenzij in de regels anders is bepaald; 1.19 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak; 1.20
bestemmingsvlak
Vastgesteld
3
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.21 bijgebouw een gebouw, dat in bouwkundig en visueel opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw; 1.22 bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats; 1.23 bouwgrens de grens van een bouwvlak; 1.24 bouwlaag een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder; 1.25 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop krachtens het plan een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.26 bouwperceelgrens de grens van een bouwperceel; 1.27 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn toegelaten; 1.28 bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 1.29 carport een overdekte stallingsgelegenheid voor auto’s, met niet meer dan twee gesloten wanden; 1.30 dakoppervlak de oppervlakte van de
projectie van de buitenafmetingen van het dak met inbegrip van de randen en goten, op een horizontaal vlak; 1.31 eerste bouwlaag de bouwlaag op de begane grond; 1.32 gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.33 gebruiken gebruiken, het doen gebruiken, het laten gebruiken en het in gebruik geven; 1.34 geluidsbelasting vanwege het wegverkeer de gemiddelde geluidsbelasting over de dag-, avond- en nachtperiode ( Lden) uitgedrukt in dB op een bepaalde plaats, veroorzaakt door het gezamenlijke wegverkeer op een bepaald weggedeelte of een combinatie van weggedeelten, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder; Vastgesteld
4
1.35 hoofdgebouw een gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen, dan wel gelet op de bestemming, als het belangrijkste bouwwerk valt aan te merken; 1.36 huishouden één persoon of een aantal, aan elkaar door familieband of anderszins gerelateerde, personen, die alleen of gezamenlijk een eenheid vormt en als zodanig ook gebruik maakt van één woning; 1.37 kwetsbaar object a. woningen, hieronder begrepen woonwagens en woonschepen, niet zijnde woningen als bedoeld bij de definitie voor beperkt kwetsbare objecten, onder a; b. gebouwen bestemd voor het verblijf, al dan niet gedurende een gedeelte van de dag, van minderjarigen, ouderen, zieken of gehandicapten, zoals: 1. ziekenhuizen, bejaardenhuizen en verpleeghuizen; 2. scholen; 3. gebouwen of gedeelten daarvan, bestemd voor dagopvang van minderjarigen; c. gebouwen waarin doorgaans grote aantallen personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig zijn, zoals: 1. kantoorgebouwen en hotels met een bruto vloeroppervlak van meer dan 1.500 m2 per object; 2. complexen waarin meer dan 5 winkels zijn gevestigd en waarvan het gezamenlijk bruto vloeroppervlak meer dan 1.000 m2 bedraagt en winkels met een totaal bruto vloeroppervlak van meer dan 2.000 m2 per winkel, voor zover in die complexen of in die winkels een supermarkt, hypermarkt of warenhuis is gevestigd; d.
kampeer- en andere recreatieterreinen bestemd voor het verblijf van meer dan 50 personen gedurende meerdere aaneengesloten dagen; 1.38 maatvoeringsgrens de grens van een maatvoeringsvlak; 1.39 maatvoeringsvlak een geometrisch bepaald vlak waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels voor bepaalde bouwwerken eenzelfde maatvoering geldt; 1.40 mantelzorg zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt gegeven aan een hulpbehoevende door één of meerdere leden van diens directe omgeving, waarbij de zorgverlening direct voortvloeit uit de sociale relatie. bijvoorbeeld door gezinsleden, buren of vrienden; 1.41 nevenactiviteiten een activiteit ondergeschikt aan de hoofdactiviteit in zowel omvang (m2), omzet (€) als de effecten op het woon- en leefklimaat; 1.42 normaal onderhoud, gebruik en beheer een gebruik gericht op het in zodanige conditie houden of brengen van objecten dat het voortbestaan van deze objecten op ten minste het bestaande kwaliteitsniveau wordt bereikt; 1.43 omgevingsvergunning een vergunning als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; 1.44
omgevingsvergunning ten behoeve van het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden een vergunning als bedoeld in artikel 3.3 onder a van de Wet ruimtelijke ordening; Vastgesteld
5
1.45 peil a. voor bouwwerken, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang vermeerderd met maximaal 20 cm; b. in andere gevallen: de hoogte van de weg ter plaatse van de toegang tot het gebouw vermeerderd met 2 cm per meter afstand van het gebouw tot die weg (hemelsbreed gemeten); c. deze bepaling geldt niet voor bouwwerken geen gebouw zijnde; hiervoor wordt de hoogte gemeten vanaf het aansluitende maaiveld; 1.46 permanente bewoning het feitelijk bewonen van een gebouw gedurende het hele jaar of het grootste deel van het jaar; 1.47 seksinrichting een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotische/pornografische aard plaatsvinden, waaronder in ieder geval worden verstaan een prostitutiebedrijf, een erotische massagesalon, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar; 1.48 Staat van Bedrijfsactiviteiten een als bijlage bij deze regels behorende en daarvan onderdeel uitmakende lijst van bedrijven en instellingen; 1.49 uitvoeren uitvoeren, het doen uitvoeren, laten uitvoeren en in uitvoering geven; 1.50 vloeroppervlakte de totale oppervlakte van alle vloeren op alle verdiepingen in een woning;
1.51 voorgevel de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel die kennelijk als zodanig dient te worden aangemerkt; 1.52 voorgevelrooilijn de lijn die horizontaal loopt door het buitenwerks vlak van de voorgevel, tot aan de perceelsgrenzen; 1.53 vrijstaand bijgebouw een bijgebouw, dat gesitueerd is op een afstand van het hoofdgebouw en dat in functioneel opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw; 1.54 Wonen het bewonen van een woning of wooneenheid; 1.55 woning een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden;
Vastgesteld
6
Artikel 2 Wijze van meten Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 de afstand tot de zijdelingse bouwperceelgrens tussen de zijdelingse grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is. 2.2 de bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.3 de hoogte van een windturbine vanaf het peil tot aan de (wieken)as van de windturbine. 2.4 de dakhelling langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.5 de goothoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel, met uitzondering van dakkapellen. 2.6 de horizontale diepte van een gebouw de diepte van een gebouw, gemeten loodrecht vanaf de gevel waaraan wordt gebouwd. 2.7 de inhoud van een bouwwerk tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
2.8 de oppervlakte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 2.9 de oppervlakte van een overkapping tussen de buitenzijde van de afdekking van de overkapping, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van de overkapping. 2.10 Ondergeschikte bouwonderdelen Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwonderdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer dan 1 m bedraagt. 2.11 Meten Bij toepassing van deze regels wordt gemeten tot of vanuit het hart van een lijn op de kaart en op de schaal waarin het plan is vastgesteld. 2.12 Afstemming peil Bij de afstemming met het peil, zoals omschreven in artikel 1.59, wordt bij nieuwe gebouwen de bovenkant van de afgewerkte beganegrondvloer aangehouden.
Vastgesteld
7
2.
BESTEMMINGSREGELS
Artikel 3 Agrarisch
3.1
Bestemmingsomschrijving
3.1.1 Algemeen De voor “Agrarisch” aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. agrarisch grondgebruik; b. ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – hobbymatig houden van paarden’: het houden van maximaal vijf paarden; c. ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – mobiele mestcontainer’: een mobiele mestcontainer; d. ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – rijbak’: een rijbak; e. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing Dorpsstraat 11.’ de landschappelijke inpassing van de ontwikkeling, overeenkomstig het inrichtingsplan zoals weergegeven in bijlage 2 bij de regels en overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.3.2; met bijbehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ontsluitings-, parkeer- en groenvoorzieningen, tuinen en erven. 3.1.2 Mede bestemd De gronden zijn mede bestemd voor: a. water en voorzieningen voor de waterhuishouding; b. behoud van landschapselementen; c. extensieve dagrecreatie; d. wegen en paden.
3.2
Bouwregels
3.2.1 Bedrijfsgebouwen Bedrijfsgebouwen voldoen aan de volgende kenmerken: a. gebouwd binnen het bouwvlak; b. goot- en bouwhoogte maximaal de ter plaatse van de aanduiding ‘maximale goot- en bouwhoogte’ aangegeven goothoogte respectievelijk bouwhoogte; c. bebouwingspercentage maximaal het ter plaatse van de aanduiding ‘maximum bebouwingspercentage’ aangegeven bebouwingspercentage. 3.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde maximaal: a. schuilgelegenheden hebben een maximale oppervlakte van 15 m2 en een maximale bouwhoogte van 2,5 m; b. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde binnen het bouwvlak: 12 m; c. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde buiten het bouwvlak: 2 m. 3.2.3 Rijbak Voor het oprichten van een rijbak t.b.v. hobbymatig gebruik geldt: 1. een maximale oppervlakte van 800 m² 2. bouwwerken uitsluitend zijn aansluitend aan de bestemming ‘Bedrijf’; 3. de hoogte van de omheining maximaal 1,5 m mag bedragen;
Vastgesteld
8
4. 5. 3.3
lichtmasten niet zijn toegestaan; de afstand tot de woningen op omliggende percelen minimaal 25 m bedraagt; Specifieke gebruiksregels
3.3.1 Strijdig gebruik Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken, wordt in elk geval gerekend het gebruik voor: a. het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen, waaronder tevens caravans of woonunits ten behoeve van de bewoning door seizoensarbeiders of permanente bewoning; b. het gebruik van de gebouwen voor de tijdelijke huisvesting van seizoensarbeiders; c. het gebruik van bedrijfsgebouwen en bijgebouwen ten behoeve van bewoning; d. het gebruik van gronden voor nevenactiviteiten; e. het gebruik van de gronden voor de beoefening van lawaaisporten. f. het gebruik van gronden buiten het bouwvlak voor buitenopslag; 3.3.2 Gebruik ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing Dorpsstraat 11’ Het gebruiken van de gronden, niet zijnde bestaand gebruik, ten behoeve van de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing Dorpsstraat 11’ is uitsluitend toegestaan indien de landschappelijke inpassing is uitgevoerd en in stand wordt gehouden overeenkomstig met Bijlage 2 van de regels.
Vastgesteld
9
Artikel 4 Bedrijf
4.1 Bestemmingsomschrijving De voor “Bedrijf” aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. bedrijven in de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten; b. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing Dorpsstraat 11.’ de landschappelijke inpassing van de ontwikkeling, overeenkomstig het inrichtingsplan zoals weergegeven in bijlage 2 bij de regels en overeenkomstig het bepaalde in artikel 4.3.2; met bijbehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wegen en paden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, tuinen en erven.
4.2
Bouwregels
4.2.1 Bedrijfsgebouwen Bedrijfsgebouwen voldoen aan de volgende kenmerken: a. gebouwd binnen het bouwvlak; b. goot- en bouwhoogte maximaal de ter plaatse van de aanduiding ‘maximale goot- en bouwhoogte’ aangegeven goothoogte respectievelijk bouwhoogte; c. bebouwingspercentage van het bouwvlak maximaal het ter plaatse van de aanduiding ‘maximum bebouwingspercentage’ aangegeven bebouwingspercentage; 4.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde maximaal: a. antennemast ter plaatse van de aanduiding ‘antennemast’: 25 m; b. bedrijfsinstallaties en lichtmasten: 7 m; c. erf- en terreinafscheidingen voor de voorgevelrooilijn van de bedrijfswoning: 1 m; d. erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn van de bedrijfswoning: 2 m, met dien verstande dat in hoeksituaties (de zijgevel van de bedrijfswoning grenst aan een straat, openbaar groen of water) de hoogte van erfen terreinafscheidingen vanaf (het verlengde van) de voorgevel tot 4 m. daarachter maximaal 1 m. bedraagt; e. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde: 3 m.
4.3
Specifieke gebruiksregels
4.3.1 Strijdig gebruik Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken, wordt in elk geval gerekend het gebruik voor: a. een gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van bedrijven als bedoeld in artikel 2.1 lid 3 van het Besluit omgevingsrecht; b. een gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van bedrijven die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen, tenzij de bedrijfsactiviteit wordt toegestaan in artikel 4.1 onder b; c. een gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van vuurwerkbedrijven; d. een gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van inrichtingen die zijn genoemd in bijlage C en D van het Besluit m.e.r; e. een gebruik van bedrijfsgebouwen en bijgebouwen voor bewoning. f. Een op grond van lid 4.2 toelaatbaar gebouw mag uitsluitend worden opgericht en gebruikt als bedrijfsgebouw indien er binnen de bedrijfsbestemming voldoende parkeergelegenheid aanwezig is. g. Een op grond van lid 4.2 toelaatbaar gebouw mag uitsluitend worden opgericht en gebruikt als bedrijfsgebouw indien er binnen het plangebied 19,2 m³ regenwaterberging, dat regenwater vertraagt afvoert, werkend aanwezig is. h. het gebruik van gronden buiten het bouwvlak voor buitenopslag; Vastgesteld
10
4.3.2 Parkeren Voor het parkeren gelden de volgende regels: a. per bedrijfsperceel dient voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein te worden gerealiseerd, conform het gemeentelijke parkeerbeleid en de daarbij behorende Parkeernormennota gemeente Bernheze b. de afmeting van een parkeerplaats bedraagt ten minste 2,5 meter breed en 5 meter lang; c. een garage wordt niet meegeteld bij de bepaling van het aantal parkeerplaatsen. 4.3.3 Gebruik ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing Dorpsstraat 11’ Het gebruiken van de gronden, niet zijnde bestaand gebruik, ten behoeve van de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing Dorpsstraat 11’ is uitsluitend toegestaan indien de landschappelijke inpassing is uitgevoerd en in stand wordt gehouden overeenkomstig met Bijlage 2 van de regels.
4.4 Afwijking van de gebruiksregels Bedrijven niet genoemd in categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten a. Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 4.1 voor het toestaan van een bedrijf dat niet is genoemd in de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten maar dat voor wat betreft de aard en de omvang van de milieuhinder die het veroorzaakt gelijk kan worden gesteld met een bedrijf genoemd in de categorieën 1 of 2, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de bouw- en gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
4.5 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders zijn bevoegd door middel van een wijzigingsplan: a. de bestemming “Bedrijf” te wijzigen in een bestemming “Dienstverlening”, “Kantoor”, “Tuin” en/of “Wonen”, met dien verstande dat: 1. de uitvoerbaarheid van de bestemming wordt aangetoond; 2. de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad; 3. het aantal te realiseren woningen in overeenstemming is met het gemeentelijk volkshuisvestingsbeleid; 4. er geen onevenredig nadelige gevolgen ontstaan voor het woonmilieu; 5. het parkeren in overeenstemming is met het gemeentelijk parkeerbeleid en de daarbij horende parkeernormen; 6. er een planschadeverhaalsovereenkomst is gesloten; 7. er geen afbreuk wordt gedaan aan het stedenbouwkundig beeld en de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse; 8. geen sprake is van aantasting van cultuurhistorische waarden; 9. aansluiting wordt gezocht bij de regels van de bestemmingen zoals opgenomen in dit bestemmingsplan.
Vastgesteld
11
Artikel 5 Groen
5.1 Bestemmingsomschrijving De voor “Groen” aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. groenvoorzieningen, bermen en beplanting; b. parken en plantsoenen; c. paden, speelvoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding; d. kunstwerken; e. incidentele parkeervoorzieningen; f. ter plaatse van de aanduiding ‘ontsluiting’: een ontsluitingsweg; g. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing Dorpsstraat 11.’ de landschappelijke inpassing van de ontwikkeling, overeenkomstig het inrichtingsplan zoals weergegeven in bijlage 2 bij de regels en overeenkomstig het bepaalde in artikel 5.3.1; met bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wegen en verhardingen en met inachtneming van de keur van het waterschap.
5.2 Bouwregels 5.2.1 Bebouwen Gebouwen mogen niet worden gebouwd; 5.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde maximaal: a. lichtmasten en kunstwerken: 6 m; b. erf- en terreinafscheidingen: 2 m; c. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde: 3 m. 5.3 Specifieke gebruiksregels 5.3.1 Gebruik ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing Dorpsstraat 11’ Het gebruiken van de gronden, niet zijnde bestaand gebruik, ten behoeve van de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing Dorpsstraat 11’ is uitsluitend toegestaan indien de landschappelijke inpassing is uitgevoerd en in stand wordt gehouden overeenkomstig met Bijlage 2 van de regels.
Vastgesteld
12
Artikel 6 Tuin
6.1 Bestemmingsomschrijving De voor “Tuin” aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. Tuinen; b. Incidenteel parkeren; c. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing Dorpsstraat 11.’ de landschappelijke inpassing van de ontwikkeling, overeenkomstig het inrichtingsplan zoals weergegeven in bijlage 2 bij de regels en overeenkomstig het bepaalde in artikel 6.3.1; met bijbehorende gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
6.2
Bouwregels
6.2.1 Bijgebouwen Vrijstaande en niet-vrijstaande bijgebouwen bij de hoofdgebouwen van de op het bouwperceel gelegen woningen voldoen aan de volgende kenmerken: a. de gezamenlijke oppervlakte per bouwperceel van vrijstaande en niet-vrijstaande bijgebouwen voor zover gebouwd buiten het bouwvlak per hoofdgebouw van de op het bouwperceel gelegen woning bedraagt voor de bestemmingen “Wonen” en “Tuin” tezamen in totaal maximaal: 1. 60 m2 voor bouwpercelen met een oppervlakte tot 500 m2, mits het bebouwingspercentage van het bouwperceel maximaal 70% is; 2. 70 m2 voor bouwpercelen met een oppervlakte tot 600 m2, mits het bebouwingspercentage van het bouwperceel maximaal 50% is; 3. 80 m2 voor bouwpercelen met een oppervlakte tot 700 m2, mits het bebouwingspercentage van het bouwperceel maximaal 50% is; 4. 90 m2 voor bouwpercelen met een oppervlakte tot 800 m2, mits het bebouwingspercentage van het bouwperceel maximaal 50% is; 5. 100 m2 voor bouwpercelen met een oppervlakte groter dan 800 m2, mits het bebouwingspercentage van het bouwperceel maximaal 50% is; b. onverminderd het bepaalde onder a bedraagt de oppervlakte van een bijgebouw maximaal 50 m2; dit is niet van toepassing op vrijstaande bijgebouwen op bouwpercelen met een oppervlakte groter dan 1.000 m2; c.
per hoofdgebouw van de op het bouwperceel gelegen woningen zijn maximaal drie vrijstaande bijgebouwen toegestaan binnen de bestemmingen ‘Wonen’ en ‘Tuin’ tezamen; d. bijgebouwen worden gesitueerd minimaal 4 m achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw van de op het bouwperceel gelegen woning; e. in hoeksituaties (de zijgevel van de woning grenst aan een straat, openbaar groen of water) mag de bouwgrens van het hoofdgebouw van de op het bouwperceel gelegen woning door het bijgebouw worden overschreden: 1. tot op de zijdelingse perceelsgrens indien er geen woningen aan dezelfde zijde in de zijstraat zijn gesitueerd; 2. tot op minimaal 1 m van de zijdelingse perceelsgrens indien er woningen zijn gesitueerd aan dezelfde zijde in de zijstraat; f. de goothoogte van niet-vrijstaande bijgebouwen mag maximaal 3,25 m bedragen; g. de dakhelling van niet-vrijstaande bijgebouwen mag niet steiler zijn dan de kap van het hoofdgebouw van de op het bouwperceel gelegen woning; h. de goothoogte en bouwhoogte van vrijstaande bijgebouwen mag maximaal 3,25 m respectievelijk 5,5 m bedragen. 6.2.2 Carports bij de hoofdgebouwen van de op het bouwperceel gelegen woningen Carports bij de hoofdgebouwen van de op het bouwperceel gelegen woningen mogen worden gebouwd en voldoen aan de volgende kenmerken: a.
per hoofdgebouw is maximaal 1 carport toegestaan voor de bestemmingen “Tuin” en “Wonen” tezamen; Vastgesteld
13
b. c. d.
gesitueerd maximaal 1 m voor de (het verlengde van de) voorgevel van het hoofdgebouw; oppervlakte maximaal 20 m2; hoogte maximaal 3,25 m.
6.2.3 Ondergeschikte onderdelen van de op het bouwperceel gelegen woningen Ondergeschikte onderdelen van de op het bouwperceel gelegen woningen (erkers) mogen worden gebouwd en voldoen aan de volgende kenmerken: a. horizontale diepte maximaal 1,5 m; b. breedte maximaal 60% van de breedte van de totale voorgevel (exclusief overkapping boven de voordeur); c. afstand tot de voorste perceelsgrens minimaal 1,5 m; d. goothoogte maximaal 0,25 m boven de bovenzijde van de verdiepingsvloer van het hoofdgebouw, met dien verstande dat het doortrekken van een erker aan de voorgevel tot voorbij en aan één zijgevel is toegestaan mits: 1. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens minimaal 2 m bedraagt; 2. de breedte aan de zijgevel niet meer dan 1,5 m uit de zijgevel van het hoofdgebouw bedraagt; 3. de diepte aan de zijgevel maximaal gelijk is aan de diepte van het hoofdgebouw. 6.2.4 Overkappingen boven de voordeur van de hoofdgebouwen van de op het bouwperceel gelegen woningen Overkappingen boven de voordeur van de hoofdgebouwen van de op het bouwperceel gelegen woningen zijn toegestaan en voldoen aan de volgende kenmerken: a. breedte maximaal 120% van de breedte van de entreepartij, tenzij de overkapping één constructie vormt met een erker; b. horizontale diepte maximaal 1,5 m; c. open constructie zonder tot de constructie behorende wanden.
6.2.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde maximaal: a. erf- en terreinafscheidingen vóór (het verlengde van) de voorgevel van de op het bouwperceel gelegen woningen: 1 m; b. erf- en terreinafscheidingen achter (het verlengde van) de voorgevel van de op het bouwperceel gelegen woningen: 2 m, met dien verstande dat in hoeksituaties (de zijgevel van de woning grenst aan een straat, openbaar groen of water) de hoogte van erf- en terreinafscheidingen vanaf (het verlengde van) de voorgevel tot 4 m. daarachter maximaal 1 m. bedraagt; c. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde: 3 m. 6.3
Specifieke gebruiksregels
6.3.1 Gebruik ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing Dorpsstraat 11’ Het gebruiken van de gronden, niet zijnde bestaand gebruik, ten behoeve van de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing Dorpsstraat 11’ is uitsluitend toegestaan indien de landschappelijke inpassing is uitgevoerd en in stand wordt gehouden overeenkomstig met Bijlage 2 van de regels.
Vastgesteld
14
Artikel 7 Wonen
7.1
Bestemmingsomschrijving
7.1.1 Algemeen De voor “Wonen” aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. het bestaande aantal woningen ter plaatse van de aanduidingen: 1. vrijstaand: vrijstaande woningen; b. aan huis verbonden beroepen, met dien verstande dat per woning maximaal 40% van de vloeroppervlakte mag worden gebruikt voor het aan huis verbonden beroep tot een maximum van 50 m2; c. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing Dorpsstraat 11.’ de landschappelijke inpassing van de ontwikkeling, overeenkomstig het inrichtingsplan zoals weergegeven in bijlage 2 bij de regels en overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.3.2; met bijbehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tuinen en erven.
7.2
Bouwregels
7.2.1 Hoofdgebouwen Hoofdgebouwen voldoen aan de volgende kenmerken: a. gebouwd binnen het bouwvlak; b. afstand tot de zijdelingse bouwperceelsgrens is bij woningen ter plaatse van de aanduidingen: 1. vrijstaand: aan twee zijden minimaal 3 m; c. goot- en bouwhoogte maximaal de ter plaatse van de aanduiding ‘maximale goot- en bouwhoogte’ aangegeven goothoogte respectievelijk bouwhoogte. 7.2.2 Bijgebouwen Vrijstaande en niet-vrijstaande bijgebouwen mogen binnen en buiten het bouwvlak worden gebouwd en voldoen aan de volgende kenmerken: a. de gezamenlijke oppervlakte per bouwperceel van vrijstaande en niet-vrijstaande bijgebouwen voor zover gebouwd buiten het bouwvlak per hoofdgebouw bedraagt voor de bestemmingen “Tuin” en “Wonen” tezamen maximaal: 1. 60 m2 voor bouwpercelen met een oppervlakte tot 500 m2, mits het bebouwingspercentage van het bouwperceel maximaal 70% is; 2. 70 m2 voor bouwpercelen met een oppervlakte tot 600 m2, mits het bebouwingspercentage van het bouwperceel maximaal 50% is; 3. 80 m2 voor bouwpercelen met een oppervlakte tot 700 m2, mits het bebouwingspercentage van het bouwperceel maximaal 50% is; 4. 90 m2 voor bouwpercelen met een oppervlakte tot 800 m2, mits het bebouwingspercentage van het bouwperceel maximaal 50% is; 5. 100 m2 voor bouwpercelen met een oppervlakte groter dan 800 m2, mits het bebouwingspercentage van het bouwperceel maximaal 50% is; b.
per hoofdgebouw zijn maximaal drie vrijstaande bijgebouwen toegestaan voor de bestemmingen “Tuin” en “Wonen” tezamen; c. de afstand van bijgebouwen tot de zijdelingse perceelsgrenzen bedraagt bij vrijstaande woningen aan één zijde van de woning minimaal 3 m, voor zover gelegen binnen, naast en binnen een zone van 5 m achter het bouwvlak; d. bijgebouwen worden gesitueerd minimaal 4 m achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw; e. in hoeksituaties (de zijgevel van de woning grenst aan een straat, openbaar groen of water) mag de bouwgrens door het bijgebouw worden overschreden, 1. tot op de zijdelingse perceelsgrens indien er geen woningen aan dezelfde zijde in de zijstraat zijn gesitueerd;
Vastgesteld
15
2. g. h. i.
tot op minimaal 1 m van de zijdelingse perceelsgrens indien er woningen zijn gesitueerd aan dezelfde zijde in de zijstraat; de goothoogte van niet-vrijstaande bijgebouwen mag maximaal 3,25 m bedragen; de dakhelling van niet-vrijstaande bijgebouwen mag niet steiler zijn dan de kap van het hoofdgebouw; de goothoogte en bouwhoogte van vrijstaande bijgebouwen mag maximaal 3,25 m respectievelijk 5,5 m bedragen.
7.2.3 Carports en overkappingen Carports en overkappingen mogen binnen en buiten het bouwvlak worden gebouwd en voldoen aan de volgende kenmerken: a. per hoofdgebouw zijn maximaal 2 carports en/of overkappingen toegestaan voor de bestemmingen “Tuin” en “Wonen” tezamen, met dien verstande dat binnen de bestemming “Tuin” slechts 1 carport/overkapping is toegestaan b. gesitueerd maximaal 1 m voor de (het verlengde van de) voorgevel van het hoofdgebouw; c. oppervlakte maximaal 30 m2; d. hoogte maximaal 3,25 m. 7.2.4 Dakkapellen Dakkapellen zijn toegestaan, mits voldaan wordt aan de volgende kenmerken: a. gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 meter bij een plat dak; b. gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 meter tot aan bovenkant van verticale gedeelte bij een schuin dak; c. onderzijde meer dan 0,5 meter boven de dakvoet; d. bovenzijde meer dan 0,5 meter onder de daknok; e. zijkanten meer dan 0,5 meter van de zijkanten van het dakvlak of grenslijn met aanliggende woning; en f. breedte maximaal 60% van de breedte van de betreffende gevel bij dakkapellen in naar openbaar gebied gerichte aan voor- en zijkant. 7.2.5 Ondergeschikte onderdelen van woningen De voorgevelrooilijn mag naar de wegzijde toe uitsluitend worden overschreden door ondergeschikte onderdelen van woningen (erkers) die voldoen aan de volgende kenmerken: a.
horizontale diepte maximaal 1,5 m; b. breedte maximaal 60% van de breedte van de totale voorgevel (exclusief overkapping boven de voordeur); c. afstand tot de voorste perceelsgrens minimaal 1,5 m; d. goothoogte maximaal 0,25 m boven de bovenzijde van de verdiepingsvloer van het hoofdgebouw, met dien verstande dat het doortrekken van een erker aan de voorgevel tot voorbij en aan één zijgevel is toegestaan mits: 1. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens minimaal 2 m bedraagt; 2. de breedte aan de zijgevel niet meer dan 1,5 m uit de zijgevel van het hoofdgebouw bedraagt; 3. de diepte aan de zijgevel maximaal gelijk is aan de diepte van het hoofdgebouw. 7.2.6 Overkappingen boven de voordeur Overkappingen boven de voordeur zijn toegestaan en voldoen aan de volgende kenmerken: a. breedte maximaal 120% van de breedte van de entreepartij, tenzij de overkapping één constructie vormt met een erker; b. horizontale diepte maximaal 1,5 m; c. open constructie zonder tot de constructie behorende wanden. 7.2.7 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde maximaal: a. erf- en terreinafscheidingen vóór (het verlengde van) de voorgevel van de op het bouwperceel gelegen woningen: 1 m; b.
erf- en terreinafscheidingen achter (het verlengde van) de voorgevel van de op het bouwperceel gelegen woningen: 2 m, met dien verstande dat in hoeksituaties (de zijgevel van de woning grenst aan een straat, openbaar groen of Vastgesteld
16
c.
7.3
water) de hoogte van erf- en terreinafscheidingen vanaf (het verlengde van) de voorgevel tot 4 m. daarachter maximaal 1 m. bedraagt; overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde: 3 m.
Specifieke gebruiksregels
7.3.1 Strijdig gebruik Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken, wordt in elk geval gerekend het gebruik voor: a. het gebruik van gebouwen en gronden voor bedrijfsmatige activiteiten; b. het gebruik van bijgebouwen ten behoeve van bewoning. 7.3.2 Parkeren Voor het parkeren gelden de volgende regels: d. per bouwperceel dient voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein te worden gerealiseerd, conform het gemeentelijke parkeerbeleid en de daarbij behorende Parkeernormennota gemeente Bernheze e. de afmeting van een parkeerplaats bedraagt ten minste 2,5 meter breed en 5 meter lang; f. een garage wordt niet meegeteld bij de bepaling van het aantal parkeerplaatsen. 7.3.3 Gebruik ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen – landschappelijke inpassing Dorpsstraat 11’ Het gebruiken van de gronden, niet zijnde bestaand gebruik, ten behoeve van de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing Dorpsstraat 11’ is uitsluitend toegestaan indien de landschappelijke inpassing is uitgevoerd en in stand wordt gehouden overeenkomstig met Bijlage 2 van de regels.
7.4
Afwijking van de gebruiksregels
7.4.1 Aan huis verbonden bedrijf Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 7.1 en artikel 7.3 onder a voor het toestaan van een aan huis verbonden bedrijf, mits: a. het een bedrijf betreft genoemd in de categorieën 1 of 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten of voor wat betreft de aard en de omvang van de milieuhinder die het veroorzaakt gelijk kan worden gesteld met een bedrijf genoemd in de categorieën 1 of 2; b. de oppervlakte maximaal 40% van de vloeroppervlakte van de bebouwing bedraagt tot een maximum van 50 m2; c. er geen sprake is van een onevenredige verkeersaantrekkende werking; d. de activiteiten alleen in gebouwen plaatsvinden; e. er geen detailhandel plaatsvindt behalve als ondergeschikte nevenactiviteit bij de uitoefening van een aan huis gebonden bedrijf. 7.4.2 Huisvesting van (tijdelijke) buitenlandse werknemers Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 7.1 voor het gebruik van woningen ten behoeve van de (structurele) huisvesting van (tijdelijke) buitenlandse werknemers, mits: a. de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad; b. er geen onevenredig nadelige gevolgen ontstaan voor het woonmilieu; c. het parkeren in overeenstemming is met het gemeentelijk parkeerbeleid en de daarbij horende parkeernormen; d.
er geen afbreuk wordt gedaan aan het stedenbouwkundig beeld en de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. 7.4.3 Voorwaarden voor afwijking Afwijking als bedoeld in artikel 7.4.1 en artikel 7.4.2 is slechts mogelijk indien: a. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad; Vastgesteld
17
b.
het straat- en bebouwingsbeeld niet onevenredig worden geschaad.
Vastgesteld
18
Artikel 8 Waarde - Archeologie 1
8.1 Bestemmingsomschrijving De voor “Waarde - Archeologie 1” aangewezen gronden zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van gronden van (zeer hoge) archeologische waarden.
8.2
Bouwregels
8.2.1 Omgevingsvergunning voor het bouwen Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen, voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 100 m2 en dieper dan 40 centimeter, een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van de vergunningverlener in voldoende mate zijn vastgesteld, waarbij advies wordt ingewonnen van een senior-archeoloog over de aard van het uit te voeren onderzoek. 8.2.2 Voorwaarden Indien uit het in artikel 8.2.1genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen of kunnen worden verstoord, kan de vergunningverlener één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door de vergunningverlener bij de vergunning te stellen kwalificaties.
8.2.3 Bouwverbod Indien uit het in artikel 8.2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen worden verstoord zonder dat het mogelijk is om deze door de in lid 8.2.2 genoemde voorwaarden veilig te stellen, dan wordt de vergunning geweigerd.
8.3
Omgevingsvergunning ten behoeve van het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden
8.3.1 Verbod Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de in artikel 8.1 bedoelde gronden de volgende andere-werken uit te voeren: a. het ophogen, egaliseren en ontginnen van gronden; b. het bodemverlagen of afgraven van gronden; c. het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 0,40 m vanaf maaiveld; d. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen; e. het aanleggen of verharden van wegen, rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; f. het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transport- energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies.
Vastgesteld
19
8.3.2 Verlening Een omgevingsvergunning wordt slechts verleend, indien door de werken en/of werkzaamheden, dan wel door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen de archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad. 8.3.3 Uitzondering omgevingsvergunning Het in artikel 8.3.1 vervatte verbod is niet van toepassing, indien: a. het gaat om onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels en leidingen; b. er sprake is van bodemingrepen kleiner dan 100 m2 en niet dieper dan 0,4 m vanaf het maaiveld; c. op basis van bureauonderzoek, inventariserend of aanvullend archeologisch vooronderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen behoudenswaardige archeologische relicten aanwezig zijn; d. de werken en werkzaamheden 1. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan; 2. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning; e. de werken en werkzaamheden op aanvullend of definitief archeologisch onderzoek zijn gericht.
Vastgesteld
20
Artikel 9 Waarde – Archeologie 2
9.1 Bestemmingsomschrijving De voor “Waarde - Archeologie 2” aangewezen gronden zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van gronden van archeologische waarde en gronden met een hoge archeologische verwachtingswaarde.
9.2
Bouwregels
9.2.1 Omgevingsvergunning voor het bouwen Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen, voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 250 m2 en dieper dan 40 centimeter, een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van de vergunningverlener in voldoende mate zijn vastgesteld, waarbij advies wordt ingewonnen van een senior-archeoloog over de aard van het uit te voeren onderzoek. 9.2.2 Voorwaarden Indien uit het in artikel 9.2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen of kunnen worden verstoord, kan de vergunningverlener één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door de vergunningverlener bij de vergunning te stellen kwalificaties.
9.2.3 Bouwverbod Indien uit het in artikel 9.2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen worden verstoord zonder dat het mogelijk is om deze door de in lid 9.2.2 genoemde voorwaarden veilig te stellen, dan wordt de vergunning geweigerd.
9.3 Omgevingsvergunning ten behoeve van het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden 9.3.1 Verbod Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de in artikel 9.1 bedoelde gronden de volgende andere-werken uit te voeren: a. het ophogen, egaliseren en ontginnen van gronden; b. het bodemverlagen of afgraven van gronden; c. het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 0,40 m vanaf maaiveld; d. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen; e. het aanleggen of verharden van wegen, rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; f. het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transport- energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies.
Vastgesteld
21
9.3.2 Verlening Een omgevingsvergunning wordt slechts verleend, indien door de werken en/of werkzaamheden, dan wel door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen de archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad. 9.3.3 Uitzondering omgevingsvergunning Het in artikel 9.3.1 vervatte verbod is niet van toepassing, indien: a. het gaat om onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels en leidingen; b. er sprake is van bodemingrepen kleiner dan 250 m2 en niet dieper dan 0,4 m vanaf het maaiveld; c. op basis van bureauonderzoek, inventariserend of aanvullend archeologisch vooronderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen behoudenswaardige archeologische relicten aanwezig zijn; d. de werken en werkzaamheden 1. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan; 2. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning; e. de werken en werkzaamheden op aanvullend of definitief archeologisch onderzoek zijn gericht.
Vastgesteld
22
Artikel 10 Waarde – Archeologie 3
10.1 Bestemmingsomschrijving De voor “Waarde - Archeologie 3” aangewezen gronden zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van gronden van archeologische waarde en gronden met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde.
10.2
Bouwregels
10.2.1 Omgevingsvergunning voor het bouwen Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen, voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 2.500 m2 en dieper dan 40 centimeter, een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van de vergunningverlener in voldoende mate zijn vastgesteld, waarbij advies wordt ingewonnen van een senior-archeoloog over de aard van het uit te voeren onderzoek. 10.2.2 Voorwaarden Indien uit het in artikel 10.2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen of kunnen worden verstoord, kan de vergunningverlener één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door de vergunningverlener bij de vergunning te stellen kwalificaties.
10.2.3 Bouwverbod Indien uit het in artikel 10.2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen worden verstoord zonder dat het mogelijk is om deze door de in lid 10.2.2 genoemde voorwaarden veilig te stellen, dan wordt de vergunning geweigerd.
10.3
Omgevingsvergunning ten behoeve van het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden
10.3.1 Verbod Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de in artikel 10.1 bedoelde gronden de volgende andere-werken uit te voeren: a. het ophogen, egaliseren en ontginnen van gronden; b. het bodemverlagen of afgraven van gronden; c. het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 0,40 m vanaf maaiveld; d. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen; e. het aanleggen of verharden van wegen, rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; f. het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transport- energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies.
Vastgesteld
23
10.3.2 Verlening Een omgevingsvergunning wordt slechts verleend, indien door de werken en/of werkzaamheden, dan wel door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen de archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad. 10.3.3 Uitzondering omgevingsvergunning Het in artikel 10.3.1 vervatte verbod is niet van toepassing, indien: a. het gaat om onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels en leidingen; b. er sprake is van bodemingrepen kleiner dan 2.500 m2 en niet dieper dan 0,4 m vanaf het maaiveld; c. op basis van bureauonderzoek, inventariserend of aanvullend archeologisch vooronderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen behoudenswaardige archeologische relicten aanwezig zijn; d. de werken en werkzaamheden 1. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan; 2. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning; e. de werken en werkzaamheden op aanvullend of definitief archeologisch onderzoek zijn gericht.
Vastgesteld
24
Artikel 11 Waterstraat – Beschermingszone watergang
11.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waterstaat - Beschermingszone watergang' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming (basisbestemming), met voorrang mede bestemd voor de bescherming en het onderhoud van de in deze zone gelegen dan wel daaraan grenzende watergang.
11.2 Bouwregels Op de voor 'Waterstaat - Beschermingszone watergang' aangewezen gronden mag niet worden gebouwd.
11.3
Afwijken van de bouwregels
11.3.1 Algemeen Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 11.2 en toestaan dat wordt gebouwd ten dienste van en conform de (basis)bestemming. 11.3.2 Afwegingskader Een in 11.3.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien door de bouw en situering van de betreffende bebouwing geen schade wordt of kan worden toegebracht aan de watergang, en onder de voorwaarden dat: a. vooraf advies wordt ingewonnen van de beheersinstantie van de in 11.1 bedoelde watergang; b. de beslissing met betrekking tot de omgevingsvergunning aan de beheersinstantie wordt meegedeeld.
11.4
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 11.4.1 Algemeen Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen gebouwen zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het ophogen van gronden; b. het aanbrengen van kaden of het wijzigen daarvan. 11.4.2 Uitzondering op verbod Het in 11.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden: a. die het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen; b. die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit plan. 11.4.3 Afwegingskader Een in 11.4.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien de werken en/of werkzaamheden dan wel de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen niet in strijd zijn met het plan. Met betrekking tot de gevolgen voor de waterbergend vermogen wordt advies gevraagd aan de beheersinstantie.
Vastgesteld
25
3. ALGEMENE REGELS Artikel 12 Anti-dubbeltelbepaling
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Vastgesteld
26
Artikel 13 Algemene bouwregels
13.1 Ondergrondse bouwwerken Ten aanzien van het oprichten van ondergrondse bouwwerken gelden de volgende bouwregels: a. ondergrondse bouwwerken mogen uitsluitend binnen de contouren van de bovengrondse bebouwing worden opgericht; b. de maximale bouwdiepte, inclusief de fundering, bedraagt 3,5 m onder peil.
Vastgesteld
27
Artikel 14 Algemene gebruiksregels Tot een gebruik in strijd met de bestemmingen wordt in ieder geval begrepen: a. een gebruik van gronden als stort- en/of opslagplaats, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de bestemming gerichte gebruik en onderhoud; b. een gebruik van gronden als stallings- en/of opslagplaats van één of meer aan het gebruik onttrokken machines, voer, vaar- of vliegtuigen, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de bestemming gerichte gebruik en onderhoud; c. een gebruik van gronden en bouwwerken voor een seksinrichting dan wel ten behoeve van prostitutie.
Vastgesteld
28
Artikel 15 Algemene aanduidingsregels
15.1 milieuzone – boringsvrije zone Ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - boringsvrije zone' zijn gronden mede bedoeld voor bescherming van de daarin aanwezige beschermde kleilaag. De regels ter bescherming van de boringsvrije zone, zoals vermeld in de Provinciale Milieuverordening zijn van toepassing.
15.2 reconstructiewetzone - extensiveringsgebied Ter plaatse van de aanduiding 'reconstructiewetzone - extensiveringsgebied' is vergroting van de bestaande oppervlakte bebouwing ten behoeve van een intensieve veehouderij niet toegestaan.
15.3 wro-zone - woonwerkontwikkelingsgebied Ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'wro-zone - woonwerkontwikkelingsgebied' zijn gronden mede bedoeld voor de ontwikkeling van een aantrekkelijk en gevarieerd woon- en werkklimaat.
Vastgesteld
29
Artikel 16 Algemene afwijkingsregels