CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

Vast te stellen bestemmingsplan 'Zandstraat ong (naast 7), Heeswijk-Dinther' - regels

Raadsvergadering 8 april 2021, gemeente BernhezeBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan "Zandstraat ong (nabij 7a), Heeswijk-Dinther"4.289 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

1

Bestemmingsplan “Zandstraat ong (naast 7) Heeswijk-Dinther ”

PLANREGELS

NL.IMRO.1721.BPzandstraatong7HD-vg01

2

INHOUDSOPGAVE PLANREGELS HOOFDSTUK 1 - INLEIDENDE REGELS ................................................... 3 Artikel 1 Begrippen ......................................................................................................................... 3 Artikel 2 Wijze van meten ............................................................................................................. 9

HOOFDSTUK 2 - BESTEMMINGSREGELS ............................................... 11 Artikel 3 Agrarisch ........................................................................................................................ 11 Artikel 4 Waarde – Archeologie 2 .............................................................................................. 15

HOOFDSTUK 3 – ALGEMENE REGELS ..................................................... 17 Artikel 5 Anti-dubbeltelregel ...................................................................................................... 17 Artikel 6 Algemene gebruiksregels ........................................................................................... 17 Artikel 7 Algemene aanduidingsregels ..................................................................................... 17 Artikel 8 Algemene afwijkingsregels ......................................................................................... 17 Artikel 9 Algemene wijzigingsregels ......................................................................................... 18 Artikel 10 Overige regels............................................................................................................. 19

HOOFDSTUK 4 – OVERGANGS- EN SLOTREGELS ............................... 20 Artikel 11 Overgangsrecht .......................................................................................................... 20 Artikel 12 Slotregel ....................................................................................................................... 20

Bijlagen: 1. Landschappelijke inpassing Zandstraat 7a Heeswijk Dinther – 12 maart 2020

3

HOOFDSTUK 1 - INLEIDENDE REGELS Artikel 1 Begrippen 1.1 plan: Het bestemmingsplan ‘Zandstraat ong (naast 7) Heeswijk-Dinther’ met identificatienummer NL.IMRO.1721.BPzandstraatong7HD-vg01 van de gemeente Bernheze. 1.2 Bestemmingsplan De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels. 1.3 Aan huis gebonden beroep Een dienstverlenend beroep, dat in of bij de woning door de bewoner wordt uitgeoefend, waarbij de woning de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft, die met de woonfunctie in overeenstemming is. 1.4 Aanduiding Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.5 Aanduidingsgrens De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.6 Aangebouwde bijgebouwen Een uitbreiding van het hoofdgebouw, die wat afmetingen betreft ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. 1.7 Agrarisch grondgebruik De aanwending van open grond ten behoeve van het agrarisch bedrijf. 1.8 Bebouwing Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde. 1.9 Bestaand a.

Bij bouwwerken: een bouwwerk dat op het moment van terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan bestaat of wordt gebouwd, dan wel nadien kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, waarvoor de aanvraag voor het tijdstip van inwerkingtreding is ingediend, tenzij in de regels anders is aangegeven;

4

b. Bij gebruik: het gebruik dat op het moment van terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan bestaat, tenzij in de regels anders is bepaald. 1.10 Bestemmingsgrens De grens van een bestemmingsvlak. 1.11 Bestemmingsvlak Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.12 Bijgebouw Een gebouw, dat in bouwkundig en visueel opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw. 1.13 Bouwen Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. 1.14 Bouwgrens De grens van een bouwvlak. 1.15 Bouwperceel Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.16 Bouwperceelgrens Een grens van een bouwperceel. 1.17 Bouwvlak Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten. 1.18 Bouwwerk Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 1.19 burgerwoning: een woning, niet zijnde een bedrijfswoning.

5

1.20 Carport/overkapping Een bouwwerk dat zowel feitelijk als in visueel ruimtelijke zin aan maximaal twee zijden een gesloten, al dan niet eigen, wand kent. 1.21 Detailhandel Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. 1.22 erf: het perceel of een gedeelte daarvan dat direct is gelegen bij een gebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw en blijkens de bestemming die aan de gronden is gegeven voor deze inrichting in aanmerking komt. 1.23 extensief agrarisch medegebruik: een vorm van grondgebonden landbouw, zoals beweiding in lage veebezetting en de verbouw van akkerbouwproducten, hoofdzakelijk gericht op instandhouding en/ of vergroting van de natuur, landschappelijke, cultuur- en archeologische waarden. 1.24 Gebouw Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.25 Gebruik Het gebruiken, doen en laten gebruiken. 1.26 Hoofdgebouw Een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken.

1.27 hoofdverblijf: de plaats die fungeert als het centrum van de sociale en maatschappelijke activiteiten van een persoon en welke een voor permanente bewoning geschikte verblijfplaats is, die tenminste bestaat uit een keuken, woon-, was- en slaapgelegenheid. 1.28 huishouden: een aantal, aan elkaar door familieband of anderszins gerelateerde, personen, die gezamenlijk één eenheid vormt en als zodanig ook gebruik maakt van één woning.

6

1.29 inwoning: wonen in een ondergeschikt deel van een woning door een medegebruiker van het pand. 1.30 kampeermiddel: een tent, tentwagen, kampeerauto, caravan of stacaravan ten behoeve van recreatief nachtverblijf. 1.31 Lawaaisporten Een sportactiviteit waarbij motorisch geluid wordt geproduceerd dat zodanig is dat het omgevingsgeluid wordt overschreden, waaronder in ieder geval begrepen gildes, de autosport, motorsport, (model)vliegsport, de schietsport met behulp van vuurwapens, de jachtsport wordt hier niet onder begrepen. 1.32 mantelzorg: zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt gegeven aan een hulpbehoevende door één of meer leden van diens directe omgeving, waarbij de zorgverlening direct voortvloeit uit de sociale relaties bijvoorbeeld door gezinsleden, buren of vrienden. 1.33 Nevenactiviteit Een bedrijfs- of beroepsmatige activiteit die in ruimtelijk, functioneel en inkomenswervend opzicht duidelijk ondergeschikt is aan de op de ingevolge dit bestemmingsplan toegestane hoofdfunctie op een bouwperceel. De nevenactiviteit volgt in dit kader uit de afhankelijkheid van de hoofdfunctie. 1.34 Normale onderhoudswerkzaamheden Werkzaamheden die ter plaatse regelmatig terugkeren, teneinde tot een goed beheer van de gronden te komen.

Hieronder vallen niet de incidentele ingrepen in bijvoorbeeld de cultuurtechnische situatie of werkzaamheden die een onherstelbare aantasting betekenen van de aan een gebied toegekende waarde. 1.35 ondergeschikte activiteit: een activiteit waarvan het ruimtegebruik, de aard, de uitstraling en de inkomensverwerving kleiner zijn dan de hoofdactiviteit ter plaatse. 1.36 Peil a. Voor bouwwerken, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang vermeerderd met maximaal 20 centimeter; b. In andere gevallen: de hoogte van de weg ter plaatse van de toegang tot het gebouw vermeerderd met 2 centimeter per meter afstand van het gebouw tot die weg (hemelsbreed gemeten);

7

c.

Deze bepaling geldt niet voor bouwwerken geen gebouw zijnde; hiervoor wordt de hoogte gemeten vanaf het aansluitende maaiveld.

1.37 perceelsgrens: de kadastrale grens van een perceel. 1.38 permanente bewoning: het feitelijk bewonen van een verblijf als hoofdverblijf. 1.39 Recreatief medegebruik vorm van recreatie waarvoor geen specifieke inrichting van het gebied noodzakelijk is, doch kan worden volstaan met de voorzieningen die reeds ten behoeve van de hoofdfunctie aanwezig zijn en ondergeschikte voorzieningen zoals wegbewijzeringsbordjes, picknickbanken en draaihekjes. 1.40 recreatiewoning: een gebouw, geen woonkeet en geen caravan of ander bouwsel op wielen zijnde, bestemd voor het verblijven van een of meer personen, die zijn/hun hoofdverblijf elders heeft/hebben, gedurende een gedeelte van het jaar. 1.41 Ruimtelijke uitstraling De waarneembare invloed van landschappelijke, stedenbouwkundige, waterhuishoudkundige en cultuurhistorische aard op de omgeving. 1.42 Schuilgelegenheid Een gebouw dat bedoeld is voor het bieden van beschutting en schuilruimte voor vee. 1.43 Streekeigen producten Ambachtelijke of geteelde producten die kenmerkend zijn voor deze regio. 1.44 Verhard Een verharding bestaande uit baksteen, tegels, beton en/of asfalt, alsmede daarmede vergelijkbare vaste/gesloten materialen.

1.45 Voorgevellijn Een virtuele lijn die samenvalt met de bestaande voorgevel van de woning of een hoofdgebouw en het bouwvlak waarop de woning of het hoofdgebouw zich bevindt en die doorloopt tot de zijdelingse perceelsgrens. 1.46 Waterhuishoudkundige voorzieningen

8

Voorzieningen die het waterhuishoudingsbelang dienen, zoals watergangen, waterstaatkundige kunstwerken, onderhoudsstroken ten behoeve van het beheer en onderhoud van een watergang en dergelijke, voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, waterafvoer, waterinfiltratie en waterberging, vijvers en poelen; bijbehorende voorzieningen zoals bermen, paden en beschoeiingen. 1.47 Woning Een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden. 1.48 woonunit: een gebouw bestaande uit één bouwlaag, geschikt en ingericht ten dienste van het tijdelijke woon-, dag- of nachtverblijf van één of meer personen. 1.49 Woonwerkontwikkelingsgebied (WOG) Een kernrandzone, bebouwingslint en/of bebouwingscluster, zoals aangegeven op de verbeelding als wro-zone - woonwerkontwikkelingsgebied.

9

Artikel 2 Wijze van meten 2.1 Algemeen Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1.1 De afstand tot de zijdelingse perceelsgrens Tussen de zijdelingse grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is; 2.1.2 De bouwhoogte van een bouwwerk Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 2.1.3 De dakhelling Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; 2.1.4 De goothoogte van een bouwwerk Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q.

de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel met uitzondering van dakkapellen; 2.1.5 De horizontale diepte van een gebouw De diepte van een gebouw, gemeten loodrecht vanaf de gevel waaraan wordt gebouwd; 2.1.6 De inhoud van een bouwwerk Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 2.1.7 De oppervlakte van een bouwwerk Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; 2.1.8 e oppervlakte van een overkapping Tussen de buitenzijde van de afdekking van de overkapping, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van de overkapping; 2.2 Ondergeschikte bouwdelen Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwonderdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen,

10

schoorstenen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer dan 1 meter bedraagt. 2.3 Meten Bij toepassing van deze regels wordt gemeten tot of vanuit het hart van een lijn op de kaart en op de schaal waarin het plan is vastgesteld. 2.4 Afstemming peil Bij de afstemming met het peil, zoals omschreven in de begrippen, wordt bij nieuwe gebouwen de bovenkant van de afgewerkte beganegrondvloer aangehouden.

11

HOOFDSTUK 2 - BESTEMMINGSREGELS Artikel 3 Agrarisch 3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. agrarisch grondgebruik; b. een burgerwoning, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - ruimte voor ruimte'; c. nevenactiviteiten bij een agrarisch bedrijf en aan huis gebonden beroep in de bestaande aard en omvang; d. ontwikkeling van een aantrekkelijk en gevarieerd woon- en werkklimaat ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone - woonwerkontwikkelingsgebied'; e. water en waterhuishoudkundige doeleinden; f. groenvoorzieningen; g. behoud van landschapselementen; h. extensieve dagrecreatie; i. doeleinden van openbaar nut; een en ander met bijbehorende voorzieningen, zoals perceelsontsluitingen, onverharde wegen, kavelpaden en sloten. 3.2 Bouwregels Op de voor 'Agrarisch' aangewezen gronden mogen uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, die ten dienste staan van de bestemming, met dien verstande dat: a. gebouwen worden uitsluitend opgericht binnen het bouwvlak; b. buiten het bouwvlak zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde, uitgezonderd erfafscheidingen, toegestaan tot een maximale bouwhoogte van 2 meter. 3.2.1 algemeen Voor de op te richten bebouwing gelden (mede) de volgende regels: a.

per bouwvlak met de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - ruimte voor ruimte' is maximaal één woning toegestaan; b. vervangende nieuwbouw van de woning, al dan niet in combinatie met vervanging van het overige deel van het hoofdgebouw waar de bedrijfswoning onderdeel van uitmaakt, is toegestaan binnen de bestaande fundamenten, tot een maximale inhoudsmaat van 1.000 m3 danwel overeenkomstig de bestaande (grotere) inhoud. c. in afwijking van het bepaalde in 3.2 onder b mogen permanente palen ten behoeve van vraatnetten/ hagelkappen of ter ondersteuning van bomen tot 4,5 meter hoog en teeltondersteunende voorzieningen, anders dan bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met een tijdelijk karakter worden opgericht buiten het bouwvlak;

12

d. ondergronds bouwen is uitsluitend toegestaan binnen de bestaande fundamenten van gebouwen. 3.2.7 wonen Voor de bouwwerken ten dienste van de woonfunctie gelden de volgende eisen: a. woningen, inclusief aangebouwde bijgebouwen: goothoogte

max. 3,5 m.

bouwhoogte

max. 8 m.

inhoud

ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - Ruimte voor ruimte' max. 1.000 m³

afstand tot lijnkse zijdelingse perceelsgrens

min. 15 m.

Afstand tot as van de weg

min. 15 m.

afstand bijgebouwen tot voorgevelrooilijn

min. 2 m.

b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde: bouwhoogte erfafscheidingen

max. 2 m., vóór de voorgevelrooilijn max. 1 m.

carport/overkapping

max. 3 m.

overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde

max. 3 m.

gezamenlijke oppervlakte

max. 30 m²

aantal

max. 2

3.3 Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing ten behoeve van: a. het straat- en bebouwingsbeeld; b. de verkeersveiligheid; c. het woonmilieu van de omgeving; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de omliggende gronden niet onevenredig worden beperkt; 3.4 Afwijken van de bouwregels 3.4.1 Algemeen Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van:

13

a. het bepaalde in 3.2 voor een kleinere afstand tot de zijdelingse perceelsgrens, onder de voorwaarden dat: 1. dit uit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is; 2. hierdoor de verkeersveiligheid niet wordt aangetast. b. het bepaalde in 3.2 voor het oprichten van erfafscheidingen, waaronder mede worden begrepen terreinomheiningen en open hekwerken, buiten het bouwvlak tot een maximum hoogte van 2 m., onder de voorwaarde dat er geen onevenredige aantasting is van de open structuur van de omgeving; c. het bepaalde in 3.2.1 onder b voor het oprichten van vervangende nieuwbouw buiten de bestaande fundamenten, onder de voorwaarden dat: 1. de nieuwe locatie vanuit stedenbouwkundig en/of milieuhygiënisch oogpunt gewenst of toelaatbaar is: 2. hierdoor de verkeersveiligheid niet wordt aangetast. 3.4.2 Aanvullend afwegingskader Een in 3.4.1 genoemde omgevingsvergunning kan bovendien slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: a. het straat- en bebouwingsbeeld; b. de verkeersveiligheid; c. het woon- en leefmilieu van de omgeving; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt; d. de waterhuishoudkundige situatie. 3.5 Specifieke gebruiksregels 3.5.1 Algemeen a. het gebruik van een woning voor een aan huis gebonden beroep is toegestaan, mits: 1.

er maximaal 100 m² van het totale vloeroppervlak als zodanig in gebruik wordt genomen; 2. geen detailhandel plaatsvindt, uitgezonderd van ter plaatse vervaardigde producten. 3.5.2 Strijdig gebruik Tot een met de bestemming strijdig gebruik, wordt gerekend het gebruik van de gronden en opstallen anders dan het toegestane gebruik op grond van het bepaalde in 3.1, waaronder in ieder geval wordt verstaan: a. het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen, waaronder tevens caravans of woonunits ten behoeve van de bewoning door seizoensarbeiders of permanente bewoning; b. het gebruik van de gronden als stort- of opslagplaats van al dan niet aan het gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen en materialen, behoudens opslag die geschiedt in het kader van de normale bedrijfsvoering; c. het gebruik van de gebouwen voor de huisvesting van seizoensarbeiders; d. het gebruik van bedrijfsgebouwen (stallen) en bijgebouwen ten behoeve van bewoning;

14

e. het gebruik van recreatiewoningen ten behoeve van permanente bewoning; f. het gebruik van de gronden voor de beoefening van lawaaisporten; g. inrichtingen ex onderdeel D van bijlage 1 van het Bor (betreffende de zogenaamde 'grote lawaaimakers') zijn niet toegestaan; h. de aanleg van blijvende ondersteunende voorzieningen voor teelt van gewassen vrij van de grond.

15

Artikel 4 Waarde – Archeologie 2 4.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van gronden van archeologische waarde en gronden met een hoge archeologische verwachtingswaarde. 4.2 Bouwregels 4.2.1 Omgevingsvergunning voor het bouwen Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen, voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 250 m2 en dieper dan 40 centimeter, een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van de vergunningverlener in voldoende mate zijn vastgesteld, waarbij advies wordt ingewonnen van een senior-archeoloog over de aard van het uit te voeren onderzoek. 4.2.2 Voorwaarden Indien uit het in 4.2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen of kunnen worden verstoord, kan de vergunningverlener één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c.

de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door de vergunningverlener bij de vergunning te stellen kwalificaties. 4.2.3 Bouwverbod Indien uit het in 4.2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen worden verstoord zonder dat het mogelijk is om deze door de in 4.2.2 genoemde voorwaarden veilig te stellen, dan wordt de vergunning geweigerd. 4.3 Omgevingsvergunning ten behoeve van het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden 4.3.1 Verbod Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de in 4.1 bedoelde gronden de volgende andere-werken uit te voeren: a. het ophogen, egaliseren en ontginnen van gronden; b. het bodemverlagen of afgraven van gronden;

16

c. het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 0,40 m vanaf maaiveld; d. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen; e. het aanleggen of verharden van wegen, rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; f. het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transport- energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies. 4.3.2 Verlening Een omgevingsvergunning wordt slechts verleend, indien door de werken en/of werkzaamheden, dan wel door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen de archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad. 4.3.3 Uitzondering omgevingsvergunning Het in 4.3.1 vervatte verbod is niet van toepassing, indien: a. het gaat om onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels en leidingen; b. er sprake is van bodemingrepen kleiner dan 250 m2 en niet dieper dan 0,4 m vanaf het maaiveld; c. op basis van bureauonderzoek, inventariserend of aanvullend archeologisch vooronderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen behoudenswaardige archeologische relicten aanwezig zijn; d. de werken en werkzaamheden 1. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan; 2. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning; e.

de werken en werkzaamheden op aanvullend of definitief archeologisch onderzoek zijn gericht; f. de werken en werkzaamheden het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen.

17

HOOFDSTUK 3 – ALGEMENE REGELS Artikel 5 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing. Artikel 6 Algemene gebruiksregels 6.1 Algemeen Het is verboden gronden te gebruiken in strijd met de bestemming. 6.2 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing Het gebruiken en het (doen) laten gebruiken van de gronden en gebouwen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - ruimte voor ruimte' is alleen toegestaan indien ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – landschappelijke inpassing’ de landschappelijke inpassing binnen maximaal 24 maanden na het onherroepelijk worden van dit bestemmingsplan is aangelegd conform het inrichtingsplan en aldus in stand wordt gehouden. Onder inrichtingsplan wordt in deze planregels verstaan het landschappelijk inpassingsplan, zoals opgenomen in bijlage 1 bij deze regels. 6.3 Parkeren Voor het parkeren gelden de volgende regels: a. per bouwperceel dient voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein te worden gerealiseerd, conform het gemeentelijke parkeerbeleid en de daarbij behorende Parkeernormennota gemeente Bernheze; b. de afmeting van een parkeerplaats is ten minste 2,5 meter breed en 5 meter lang; c.

een garage wordt niet meegeteld bij de bepaling van het aantal parkeerplaatsen. Artikel 7 Algemene aanduidingsregels 7.1 Wro-zone – woonwerkontwikkelingsgebied Ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'wro-zone - woonwerkontwikkelingsgebied' zijn de gronden bestemd voor ontwikkeling van een aantrekkelijk en gevarieerd woon- en werkklimaat. Artikel 8 Algemene afwijkingsregels 8.1 Bevoegdheid voor afwijken bij omgevingsvergunning Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van: a. De planregels en toestaan dat het beloop of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of -intensiteit daartoe aanleiding geven;

18

b. De planregels met het oog op de aanpassing aan de werkelijke afmetingen van het terrein, mits de structuur van het plan niet wordt aangepast, de belangen van derden in redelijkheid niet worden geschaad en afwijken gewenst en noodzakelijk wordt geacht voor de juiste verwezenlijking van het plan; c. Van de planregels ten aanzien van de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde en toestaan dat de bouwhoogte van kunstwerken en van zenden ontvang- en/of sirenemasten wordt vergroot tot maximaal 40 meter; d. Het bepaalde ten aanzien van de maximale bouwhoogte van gebouwen en toestaan dat de bouwhoogte van gebouwen wordt vergroot ten behoeve van plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen hoger dan 2,5 meter, luchtkokers, liftkokers en lichtkappen' e. Van in het plan genoemde goothoogten, bouwhoogten, oppervlaktematen mits: 1. dit noodzakelijk is vanuit constructieve vereisten, architectonisch belang of oogpunt van duurzaamheid; 2. de vergroting maximaal 10% bedraagt; 3. de toegestane maximale inhoud niet wordt overschreden. 8.2 Afwegingskader Een in 8.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: a. b. c. d. e. f.

Het straat- bebouwingsbeeld; De milieusituatie; De verkeersveiligheid; De gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; De sociale veiligheid; De externe veiligheid.

Artikel 9 Algemene wijzigingsregels 9.1 Algemeen Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen en: a. Nadere aanduidingen met betrekking tot de functie van de verbeelding verwijderen, met uitzondering van de gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing'; b. Bestemmingsgrenzen met maximaal 5 meter verschuiven. 9.2 Afwegingskader Ter beoordeling van de toelaatbaarheid van de in 9.1 genoemde wijzigingsregels vindt een evenredige belangenafweging plaats, waarbij betrokken worden: a. De mate waarin waarden, die het plan beoogt te beschermen, kunnen worden geschaad; b. De mate waarin de belangen van gebruikers en/of eigenaren van de aanliggende gronden worden geschaad; c. De mate waarin de uitvoerbaarheid, waaronder begrepen de milieutechnische-, de waterhuishoudkundige-, de archeologische-, de ecologische-, de

19

verkeerstechnische toelaatbaarheid en de stedenbouwkundige inpasbaarheid is aangetoond. Artikel 10 Overige regels 10.1 Werking wettelijke regelingen De wettelijke regelingen waarnaar in de regels van dit plan wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van de inwerkingtreding van het plan. 10.2 Schema van volgorde dubbelbestemmingen Waar een enkelbestemming samenvalt met een dubbelbestemming geldt primair het bepaalde ten aanzien van de dubbelbestemming.

20

HOOFDSTUK 4 – OVERGANGS- EN SLOTREGELS Artikel 11 Overgangsrecht 11.1 Overgangsrecht bouwwerken a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%. c. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 11.2 Overgangsrecht gebruik a.

Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet naar die aard en omvang, behoudens voor zover uit de Vogel- en Habitatrichtlijnen (richtlijn 79/409/EEG van 2 april 1979 en richtlijn 92/43/EEG van 21 mei 1992) beperkingen voortvloeien ten aanzien van ten tijde van de inwerkingtreding van dit plan bestaand gebruik. b. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. c. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. d. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan. Artikel 12 Slotregel Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan ‘Zandstraat ong. (naast 7) Heeswijk-Dinther’.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=4e8bee90-1b19-4897-9fe5-1aaea4da7450